Een haat-liefde verhouding... |
Argentinië/Chili - Ruta 40 (el final) - Puerto Natales, 11-02-2007 - (dagboek 47) |
 |
 |
Vijf uur in de ochtend. Mijn thermometer geeft vier graden celsius aan. Mijn vingers voelen halfbevroren aan wanneer ik de tent afbreek. Nog een grote maand en dan doet de herfst hier zijn intrede. Ik zal het nog hard te verduren krijgen. Vandaag staat er haast een historische etappe op het programma. Niet alleen is het de langste rit (185 km), maar tevens voert de fietstocht ons langs het laatste stukje van de Ruta 40, alvorens we Chili bereiken. De Ruta 40 doet zijn naam alle eer aan en voor een laatste keer hobbelen we wederom over de kasseien.
Ik koester stilaan een soort haat-liefde verhouding tav de ripio. Enerzijds vervloek ik meermaals de nimmer meebuigende kasseien die m´n ledematen en ingewanden onophoudelijk doorheen schudden en anderzijds geeft het me een overwinningsgevoel, een gevoel een echte ontdekkingsreiziger te zijn, verweg van de platgetreden paden. Vooral hier voel ik me één met de natuur en kan ik me eindeloos vergapen aan wegspurtende ñandues (struisvogels) of word ik gecharmeerd door twee verdwaalde guanaco´s. Met hun oranje vacht en witte opstaande staart lijken ze gracieuzer en groter dan lama´s. Guanaco´s zijn schuwe dieren, krijg ik vaak te horen. Deze verdwaalde guanaco´s zijn dit allerminst. Ze lijken wel gek op ons.
We zetten onze tocht verder en genieten van de rechte, stoffige weg die als een licht golvende, loodrechte lijn een streep trekt doorheen het landschap. Wondermooi... De wind lijkt vandaag buiten spel gezet door de zon en tegen onze eigen verwachtingen in bereiken we rond zes uur ´s avonds Rio Turbio, het grensstadje dat aan de Chileense grens reikt. Narcis slaagt er niet meer in om ons bij te houden en dus wachten we hem op in Rio Turbio. We geraken er aan de praat met enkele Argentijnen die genieten van een zeldzame, windvrije zondagnamiddag. Voor we het goed en wel beseffen worden we getrakteerd op rode wijn, brood en geroosterd vlees. We lijken wel helden...
Lichtjes beneveld stappen we een uur later het kleine, ongezellige douanekantoortje binnen. Ik hou ervan om een nieuw land binnen te fietsen, om grenzen te overschrijden, maar niet van de verplichte, administratieve rompslomp. In het Chileense douanekantoortje krijg ik het aan de stok met een overijverige beambte. Mijn bewijs dat ik gedurende drie maand in Chili mag verblijven, heb ik verfrommeld en in de vuilbak gegooid. De stempel in mijn paspoort lijkt me voldoende als toegangsbewijs. Bij het verlaten van het kantoortje wordt me evenwel gevraagd naar het bewuste officiële document. Ik keer op mijn stappen terug en geef hem het verfrommeld vodje. Is het de wijn die me zo overmoedigd? In ieder geval werkt het verfrommeld officieel vodje als een rode lap op een stier. De man eist dat ik een nieuw formulier invul... Ik weiger en stop hem andermaal het beduimeld vodje toe. De zaak escaleert en de man ontsteekt in een Spaans (of is het een Chileense?) furie. Ik mag Chili niet binnen, tenzij ik mij onderwerp aan de regels van de wet: een nieuw formulier invullen en... mijn volledige bagage uithalen. De douanebeambte hoop me te kunnen betrappen op het onwettig binnensmokkelen van groenten en fruit... Een dik half uur later mag ik uiteindelijk de grens oversteken. Zwijgen en gehoorzamen is hier aan de grensovergang duidelijk de boodschap. Ik heb mijn lesje geleerd, denk ik... Bij valavond fietsen we Puerto Natales binnen. Doodop, maar ach... zo gelukkig!
Terug even wennen... |
Argentinië - Ruta 40 - Cerrito, 10-02-2007 - (dagboek 46) |
 |
 |
De laatste etappe, de laatste ritzege... Wanneer we onze tenten opplooien, denk ik terug aan ons vertrek uit het kleine, mistroostige dorpje Perito Moreno, een goeie week geleden. Niet te geloven, het zwaarste stuk van de befaamde Ruta 40 is ei zo na achter de rug. Nog 20 km ripio... Mijn voorste spatbord heeft het niet overleefd, evenals mijn achterste buitenband. De scheur was inmiddels zo groot geworden, dat er niks anders opzat dan de band te vervangen. Bij ons vertrek stel ik vast dat de achterband sleept. Moet de fiets opnieuw wennen aan de zware bepakking? Na een grondige inspectie bemerk ik dat de buitenband volledig vervormd is. Gedurende vijf maand heb ik de band in een 6-vorm meegezeuld, een blijkbaar fatale foetus-houding... Met wat gesleutel kan ik het euvel tijdelijk oplossen.
Calafate laten we links liggen, wegens te duur en supertoeristisch. Per slot van rekening is Calafate niet meer dan een stopplaats op weg naar de gletsjer Perito Moreno of de granieten bergtop Fritz Roy in El Chaltén. Het is terug wat wennen... de zwaar bepakte fiets. De weg slingert zich honderden meters de lucht in en vruchteloos ga ik op zoek naar een nog kleinere versnelling. Het lijkt wel of ik een bergetappe van de ´Tour de France´ fiets. De zon brandt ondertussen ongenadig hard en het zweet parelt als glasheldere waterdruppels op mijn voorhoofd. In ruil voor het zwoegen worden we getrakteerd op schitterende vergezichten en een adembenemende geasfalteerde afdaling.
Rond vijf uur in de vooravond bereiken we ons eindpunt, Cerrito. Het is niet meer dan een verwaarloosd industrieel stukje terrein met een houten barak en wat verwrongen staal. Een haast onwerkelijke plek zonder ziel, zonder verleden. Achter een zandberg zetten we onze tenten op. Rond etenstijd zitten we met z´n allen rond het gasfornuis, 15 cm groot. We geraken stilaan door onze voedselvoorraad heen. De pasta wordt deze keer slechts opgesmukt met twee geblutste tomaten en enkele verlepte slablaadjes. Nu ja... met een beetje geluk bereiken we morgen Puerto Natales, de eerste Chileense stad op weg naar het zuiden van Argentinië.
Perito Moreno: een levende gletsjer... |
Argentinië - Ruta 40 - La Leona, 09-02-2007 - (dagboek 45) |
 |
 |
De nacht gierde de wind rond de cabaña en zelfs rond vijf uur ´s morgens lijkt de wind van geen ophouden te weten. Doorheen de vuilwitte, geborduurde gordijnen zie ik hoe het stof van de onverharde weg als een sluier van mist over de straten walst, een tango zonder hartstocht, zonder passie. De danspassen weten me niet te bekoren en ik druk opnieuw het muffe kussensloop tegen mijn hoofd. De geur van de lakens ruiken naar mottenballen, maar nog liever dat dan een verloren strijd aan te binden met de wind. We besluiten de wekker anderhalf uur verder door te draaien, hopend op een natuurwonder. De wind in Patagonië is een constante en heeft helaas geen uitstaans met één of ander natuurwonder, want rond half zeven blijft de wind dezelfde danspassen uitvoeren, eentonig, maar vastberaden. Ik zadel met tegenzin mijn stalen ros en rond acht uur nemen we afscheid van onze onverwachte gast, David Huyghe. Hij heeft een lift aangeboden gekregen naar El Chaltén. Dag David, goeiemorgen wind.
Een half uur later begint het nog te regenen ook. Eén troost... Voor het eerst rijden we terug op stroken asfalt. De regen neemt in alle hevigheid toe en de wind... neemt warempel af. Het leven is er één van geven en nemen, ook hier blijkbaar. We zetten er vaart achter en rond half één bereiken we reeds onze geplande eindbestemming voor vandaag, La Leona, 70 km van ons vertrekpunt verwijderd. Ongeveer hetzelfde ogenblik arriveert Narcis met zijn huurwagen. We overleggen of we verder zullen fietsen of de gelegenheid te baat nemen om met de wagen de gletsjer Perito Moreno te bezoeken. Deze uitstap was gepland voor morgen, maar wegens het vroege aankomstuur in La Leona lijkt een bezoek alsnog een haalbare kaart. We laten onze fiets en fietstassen achter en rijden even later richting de gletsjer, 160 km verder.
Wanneer we het nationaal park Los Glaciares binnenrijden, doemt eensklaps Perito Moreno op, de meest zuidelijke gletsjer. De confrontatie met het ijs is overweldigend. Een indruk die nog versterkt wordt wanneer we even later via een mini-bus tot vlakbij de gletsjer worden gebracht. De ijsmassa verheft zich als een kolossale rotswand uit het water en dit over een breedte van 5 km en een lengte van 40 km. De aanblik van het ijsveld is ronduit betoverend. De grillige ijsklompen lijken op onsamenhangende, afgestompte potloden uit alle maten en gewichten. Overbuigende blauwe en witte pieken, soms dicht aanleunend, soms door diepe kloven gescheiden. Ijsschotsen die sneeuwwit kleuren, maar evenzo safierblauw. Om de betovering compleet te maken, schuift de ijsmassa krakend millimeter voor millimeter naar voren. Vaak net voldoende opdat er aan het ijsfront kleine stukjes afbreken die met een indrukwekkend geraas en gerommel in het ijskoude meer terechtkomen. Ik staar eindeloos naar het natuurspektakel, hopend een grote ijsmassa naar beneden te zien storten. Na een uur houden m´n kompanen het reeds voor bekeken. Helaas... Ik zou er nog uren kunnen naar turen. Op de terugweg hoor ik hoe een reusachtige ijsschots zich losscheurt en met een geweldig gedonder naar beneden stort. De watermassa zwelt aan waardoor de drijvende ijsschotsen als gewichtsloze zandtaartjes op en neer bewegen. Een onverwachte, verrassende tango...
Dagelijks verschuift de gletsjer in het midden zo´n 2 meter en aan de rand 40 cm. De gemiddelde hoogte, van de rotsbodem tot aan de bovenkant van de gletsjer, is 70 meter. De blauwe gloed in het ijs wordt vooral veroorzaakt door de trage werking van het licht op de plekken waar de druk in het ijs het hoogst is. In het verleden raakte de ijsmassa wel eens het schiereiland, waardoor de druk zo groot werd dat er een opening werd geforceerd. Een natuurfenomeen dat de laatste keer werd opgetekend in 1988. Deskundigen hebben reeds voorspeld dat dit uitzonderlijk gebeuren niet meer zal plaatsvinden wegens de wereldwijde klimaatsverandering. Hopelijk hebben de wijsheren het voor één keer niet bij het rechte eind...
Fritz Roy: een filmisch decor... |
Argentinië - Ruta 40 - El Chaltén, 08-02-2007 - (dagboek 44) |
 |
 |
Na de uitputtende fietstocht hadden we gisteren besloten om de fietsen achter te laten in Tres Lagos en met de wagen naar El Chaltén te rijden. El Chaltén ligt een goeie 90 km westwaarts van de Ruta 40 en is de uitvalsbasis voor trektochten en expedities rond de berg Fritz Roy. Bij aankomst voelde ik me zo ziek en doodop dat ik een trekking evenwel niet zag zitten. Ook mijn fietskompaan Llorenç was duidelijk door zijn krachten heen. De lange fietsdagen op de onverharde wegen en de wind eiste stilaan zijn tol. We besloten onze geplande trekking met één dag uit te stellen en ons voornemen om de nacht in de tent door te brengen, ruilden we in voor een cabaña, opdat we optimaal konden recupereren. In de late namiddag slenterde ik nog wat doorheen de stoffige, mistroostige straten van El Chaltén. Vier jaar geleden stond hier 1 hotel, vandaag bieden maar liefst 52 gebouwen diverse slaapmogelijkheden aan. El Chaltén leeft er onder gratie van de toeristen. Toeristen die komen en gaan, elk jaar meer en meer.
Rond acht uur in de morgen starten we onze trekking. De rustdag van gisteren heeft me deugd gedaan. Reeds vanuit de verte steekt de berg Fritz Roy over de zuidelijke Andes heen. We hebben geluk. De geringe bewolking zorgt ervoor dat de top van de granieten rots van 3405 meter slechts sporadisch onzichtbaar wordt. De berg Fritz Roy heette aanvankelijk ´de rokende berg´. Een naam die door Tehuelchi indianen werd gegeven omdat ze dachten dat het een vulkaan was. Uiteindelijk kreeg de berg de naam van de kapitein op de Beagle, Darwins schip waarmee hij in 1834 de Rio Santa Cruz opvoer. De tocht leidt ons langsheen een bos en vanuit diverse miradores krijgen we een fenomenaal uitzicht op de berg Fritz Roy en Cerro Torre. Ze vormen zowat het beginpunt van het nationaal park Los Glarciares, een gebied dat een totale oppervlakte van 400 km omspant van noord naar zuid. Meer zuidwaarts hebben de dikke ijsmassa´s langgerekte gletsjermeren doen ontstaan. Eén ervan is Lago Argentino. Het is niet alleen het grootste meer van het nationaal park, het spant tevens de kroon van alle meren in Argentinië.
De wandeling voert ons langs kleine lagunes: la laguna Capri, la laguna Madre en la laguna Hija. We komen alsmaar dichter bij de kolossale rots die zich heel duidelijk aftekend tegen de blauwe achtergrond van de hemel. De wolkensluiers spelen een kat en muis spel en ik geniet mateloos van het wisselend decor. Fritz Roy vormt samen met de bergpieken ´Poincenot´ en ´Saint-Exupery´ een sluitend geheel, een prentkaart groot. Een magisch, haast filmisch decor.
Niet verwonderlijk dat de Argentijnse filmregisseur, Carlos Sorin, onder meer deze locatie uitkoos toen hij in 2002 de charmante, met milde humor doorspekte langspeelfilm “Historias Minimas” inblikte. De road-movie vertelt het verhaal van drie hoofpersonages die elk op hun manier hun geluk zoeken, te midden van de Patagonische steppe. Simpele verhaallijnen die uitblinken door hun eenvoud en naadloos in elkaar overlopen. De film neemt je op sleeptouw door de wijze waarop de diverse karaktertypen worden neergezet, evenals door de schoonheid van de wonderbaarlijke Patogonische filmbeelden. De film stond een tweetal jaar terug op het favoriete lijstje van enkele bestuursleden van Filmuniversiteit te Ieper, een vereniging die al meer dan een halve eeuw elk jaar opnieuw een programmatie van 10 niet commerciële topfilms aanbiedt. Zelfs ondanks het verdwijnen van de laatste cinemazaal in stad Ieper, slaagt de cinefiele vereniging, onder leiding van de eminent grise van het filmgebeuren te Ieper, Romain Vinckier, erin om dezelfde weg in te slaan als voorheen. Filmuniversiteit is een begrip in Ieper en omstreken, een vaste waarde binnen het culturele aanbod...
Tegen valavond verlaten we El Chaltén. We werpen nog een laatste blik in de richting van de grillige rotsformaties en rijden terug naar Tres Lagos. Bij het binnenrijden zien we een verdwaalde fietser, een eenzame strijd voeren tegen de wind. Op zijn voortas is een driekleurige vlag bevestigd en in zwarte letters zie ik het woord ´Belgica´. In een flits denk ik terug aan een koude, regenachtige winteravond in Poelkapelle, iets meer dan een jaar geleden. Ik zocht er David Huyghe op, een jonge dertiger die leed aan dezelfde reismicrobe als ik. In maart 2006 vertrok hij voor een jaar met de fiets, van Alaska tot Ushuaia. Op drie weken voor zijn terugvlucht kruisen onze wegen opnieuw, duizenden kilometers van het thuisfront verwijderd. Onwaarschijnlijk! Ik nodig hem uit om bij ons te logeren. Onze cabaña biedt immers plaats voor zes personen. Het weerzien is hartelijk. In gedachten denk ik aan het liedje van Boudewijn de Groot: ´de reiziger is thuis...´ Nog drie weken... Voor het eerst besef ik dat ik nog een lange weg heb te gaan, een heel lange...
Een lach en een traan... |
Argentinië - Ruta 40 - Tres Lagos, 06-02-2007 - (dagboek 43) |
 |
 |
Wanneer we iets over vijf uur ´s morgens estancia ´La Siberia´ verlaten, waait de wind reeds in alle hevigheid. Het is ijskoud. Estancia ´La Siberia´ heeft zijn naam duidelijk niet gestolen... Vierhonder meter verder haal ik mijn hele kleerkast boven: muts, handschoenen, winterjas. Voor de eerste keer lijkt de bodem van mijn kleerkast niet diep genoeg. De wind snijdt in mijn gezicht, mijn ogen tranen, mijn neus loopt en mijn fluimen vliegen meters ver. Niet te geloven hoe de wind reeds op dit ontiegelijk vroeg uur zo tekeer kan gaan. We slagen er niet in om tempo te maken, ook al trappen we onze longen uit ons lijf. Hoestend, puffend, rillend en zwetend, fiets ik een zichtbaar loodzware dag tegemoet. Al dagen sukkel ik met een verkoudheid die alsmaar ergere vormen aanneemt. Ik voel hoe mijn longen als een accordeon op en neer bewegen, onregelmatig en veel te snel. Ik gorgel, rochel en hoest als iemand die een longontsteking heeft. De gevolgen van de zware inspanningen van de voorbije dagen worden alsmaar voelbaarder.
Vijftien kilometer verderop wacht Narcis ons op. Om ons wat op te warmen en af te schermen van de felle wind, kruipen we in de wagen. Achterin is er geen plaats en dus zitten we met z´n drieën vooraan. We grappen en grollen, fantaseren over ´warme´ chica´s en dampende chocoladmelk met slagroom. We voelen ons als drie kwajongens, zorgeloos, genietend van elke nieuwe dag. Wat ben ik hen dankbaar dat we deze zware route samen kunnen afleggen. Ik weet echt niet op ik een solo-rit zou hebben overleefd. Opeens heeft Narcis een lumineus idee. Om de zeven kilometer zal hij ons opwachten, zodat we wat op adem kunnen komen. Een kwartier later gaan we er opnieuw tegenaan, de koude en de wind trotserend. Mijn kilometerteller haalt nauwelijks 9 km/u. De romantiek van de Ruta 40 lijkt verder weg dan ooit, net als de zon. Zeven kilometer verder heeft Narcis gezorgd voor een verrassing. Met zijn gasbrander heeft hij water opgewarmd waardoor we ons dmv cacaopoeder kunnen opwarmen aan een hartverwarmende kop chocolademelk. We drinken, langzaam, behoedzaam, alsof we dure wijn degusteren.
Met nieuwe energie zetten we onze moeizame tocht verder. De wind blijft ons schaakmat zetten en we moeten tot vervelends toe vaststellen hoe de weg steeds de verkeerde kant opdraait, in tegenovergestelde richting van de wind. Op de hellingen valt onze snelheid terug tot 5 km/u en ook tijdens de afdalingen moeten we hard op onze trappers staan om niet weggeblazen te worden. Het lijkt een eindeloze, haast zinloze, ongelijke strijd. Tot tweemaal toe word ik tegen de grond gekatapulteerd. De geringe snelheid beperkt de schade tot enkele oppervlakkige schaafwonden. Het aantal voorbijrijdende wagens neemt elke dag af. Op een paar avonturiers en twee gekke fietsers na, rijdt er hier niemand voorbij. Iets over de middag nemen de rukwinden in alle hevigheid toe. We fietsen niet meer, we sukkelen voorbij als twee kreupele fietsers. Ik voel mijn energie wegvloeien, controleer steeds sneller hoeveel afstand we reeds hebben afgelegd en kijk reikhalzend uit naar de wagen die ons opwacht. Rond één uur in de namiddag besluiten we een uur te rusten, hopend dat de wind in kracht zal afnemen. We hebben er 55 km opzitten, nog 35 km te gaan. Door pure uitputting vallen we in slaap en worden pas anderhalf uur later wakker. De wind giert onvermoeibaar. Met de moed der wanhoop zetten we onze tocht verder, meter per meter...
De laatste 15 km lijkt de wind zich over te geven. Voor het eerst zie ik het cijfer 16 km/u op mijn kilomerteller verschijnen. Is dit een droom of werkelijkheid? Meer nog, de weg daalt met 300 meter en in de verte zien we onze eindbestemming liggen: Tres Lagos. Uitgeput en aan het eind van ons Latijn, fietsen we Tres Lagos binnen, een onooglijk dorpje. De huizen lijken er wel op vakantiehuisjes en hebben dezelfde kleur aangenomen als de straten in ripio: asgrauw en bruin. De wind versterkt de desolaatheid en omhult het levenloze dorp in stof. Het einde van de wereld mag dan wel nog meer dan 1000 km verwijderd liggen, voor mij is dit evenzo ´le bout du monde´. Troosteloosheid is er troef, net als de gierende wind. Onwaarschijnlijk!
In een al even ongezellige bar met formica tafeltjes en goedkope cafetaria stoeltjes, klinken we op onze overwinning. Nog twee fietsdagen en Calafate is een feit. De eigenares van de smoezelig vuile bar blijkt ook een cabaña te verhuren. Het huisje doet me denken aan de vakantieoptrekjes in Sun Parks, maar biedt evenwel niet hetzelfde comfort. Comfort kan me gestolen worden, met een bed ben ik al supergelukkig en zolang ik mijn tent maar niet hoef op te slaan met deze rukwinden, voel ik me de koning te rijk. Met het geluid van rammelende vensters en krakende, piepende ijzeren deuren, val ik rond zeven uur ´s avonds in diepe slaap. Nog twee dagen...
Ruta 40...een begrip. |
Argentinië - Ruta 40, 05-02-2007 |
Ruta 40 |
Gespleten eenvoud
lijnrecht
zonder veelvoud.
Een loodrechte lijn
doorklievend
desolaatheid aan de zijlijn.
Eeuwige bondgenoot van de wind
onafscheidelijk
als moeder met kind.
Ripio van aangestampte aarde
weerbarstig
alsof je in het ijle staarde.
La Ruta quarenta
een begrip
als een eeuwenoude hacienda.
Klinkende munt... |
Argentinië - Ruta 40 - Estancia La Siberia, 05-02-2007 - (dagboek 42) |
 |
 |
Na de zware etappe van gisteren, hebben we besloten om het vandaag wat kalmpjes aan te doen. We genieten van de warme gastvrijheid in de estancia en nemen ruimschoots de tijd om te ontbijten. Rond kwart voor zeven vatten we onze tocht aan. De afstand naar de volgende estancia, La Siberia, is slechts een 70 km. De ripio ligt er, in vergelijking met de vorige dagen, relatief goed bij en ook de zon is terug van de partij. We boemelen op een gematigd drafje, stoppen regelmatig om foto´s te nemen en om de eindeloze vergezichten te aanschouwen. Sommige plekjes lijken wel een prentkaart.
De Ruta 40 is een begrip in Patagonië, net als de wind. De route start in het uiterste noorden, in `La Quiaca`, aan de Boliviaanse grens en loopt tot in het uiterste zuiden van de provincie Santa Cruz, meerbepaald tot in het Río Gallegos. Met een afstand van iets meer dan 5000 km vormt ze de langste weg doorheen Argentinië. De haast onoverbrugbare afstand over veelal niet geasfalteerde delen en het dorre, schrale landschap naar het zuiden toe, heeft ertoe bijgedragen dat de Ruta 40 haast een eigen leven is gaan leiden, al was het een dansvorm.
Velen hadden mij gewaarschuwd voor het monotone landschap, de eenzaamheid en de Patagonische wind. Eentonig is het landschap geenszins. De Andes aan de westkant mag dan wel nergens meer te bespeuren zijn, aan de oostkant blijft het landschap me bekoren. De onmetelijke laagvlakte wordt er onderbroken door lichte verheffingen en rivieren die in het ochtendlicht van de eerste zonnestralen goudgeel kleuren. Enerzijds loopt de ripio er vaak lijnrecht, over tientallen kilometers. Maar anderzijds is het landschap ook licht glooiend en vormen de toch niet geringe bochten telkens weer voor een ander uitzicht. De angst voor de eenzaamheid was een terechte opmerking, maar dankzij de twee Catalaanse fietsvrienden is de sfeer er opperbest. En de Patagonische wind... Ach, daar zal ik mij de komende weken moeten bij neerleggen. Rond de middag bereiken we reeds onze eindbestemming voor vandaag, estancia ´La Siberia´. Vanuit de verte lijkt de estancia, gelegen op een kleine heuveltop, vrij indrukwekkend. Bij nader toezien is de boerderij niet meer dan een paar willekeurig verspreide barakken, waarvan de golfplaten rood-wit geschilderd zijn. De wind is ondertussen fel komen opzetten en giert er langsheen de spleten en kieren. De gastvrouw ontvangt ons hartelijk, maar met klinkende munt. Hoe afgelegener, hoe duurder... ook hier, op de Ruta 40. Een slaapplaats kost hier bijna het viervoudige van in Buenos Aires. Een vreemde vaststelling. Terwijl we genieten van de kookkunst van de vrouw des huizes, zien we hoe een bus op doortocht een dertigtal toeristen uitspuwt. In een mum van tijd is de cafetaria overbevolkt. Pal achter mij nemen twee heren van middelbare leeftijd plaats. “ En... ga we hier etwuk eten, wat peist ge?” Miljard, dat West-Vlaams klinkt na bijna vijf maand nog sappiger... De heren blijken afkomstig uit Kortrijk en zijn voor een zestal weken op verkenning in Argentinië. Nu ja, op verkenning... Voor de ene is het reeds voor de 17de keer. Al sinds 1990 probeert hij de koude Belgische wintermaanden te ontvluchten en in te ruilen voor het gastvrije Argentinië. Van de gastvrijheid van weleer is er niet veel overgebleven. Argentinië wordt de laatste jaren overspoeld door toeristen. “Tien jaar geleden zag je hier haast geen kat. De Ruta 40 was een blinde vlek op de landkaart, evenals Calafate, El Chaltén en Ushuaia. Argentinië was een vergeten land, verweg van het massatoerisme. Neen, het reizen in Argentinië is niet meer plezant...” Wanneer zijn kompaan terugkeert van de bar en zegt dat de koffie vijf pesos kost (ongeveer 1 euro 20), schudt hij nog meer het hoofd. “Onvoorstelbaar welke prijzen men hier durft vragen! Kom, we gaan een luchtje scheppen.” De Patagonische wind is vrijwel het enige dat hier niet met klinkende munt betaald moet worden...
In de namiddag profiteer ik van de vrije tijd om wat kleren te wassen. Met de wind zijn de kleren in een mum van tijd droog. In Patagonië worden er per jaar ongetwijfeld meer wasspelden verkocht dan droogkasten... Ook ´s avonds laten we ons culinair verwennen, goed wetende dat het de komende dagen niet veel soeps zal worden. Terwijl de wind onophoudelijk tekeer gaat, zoeken we ons bed op, hopend dat de wind tegen vijf uur in de morgen is gaan liggen...
Een koning zonder land, zonder huis, zonder auto,... |
Argentinië - Ruta 40 - Estancia Angostura, 04-02-2007 - (dagboek 41) |
 |
 |
Hotel Rio Olnie is nog gehuld in diepe duisternis wanneer ik met mijn opwindbare zaklamp het toilet opzoek. Het toilet bevindt zich buiten, achter het hotel. De nacht voelt nog ijzig koud aan. Het toilet dateert, net als het hotel, uit de jaren stilletjes en is niet meer dan een plank met een rond zitvlak. In de keuken is er geen aanrecht en geen stromend water. Borden en glazen worden er in emmers gewassen. Het zal nog een tijdje duren, vrees ik, voor Hotel Rio Olnie zijn eerste ster zal binnenrijven.... Rond kwart voor zes staan we vertrekkensklaar. Nog een laatste blik, een laatste groet. Op naar een nieuwe dag.
Het is haast windstil en we profiteren ervan om snelheid te maken. Ik voel me in topvorm en met een waanzinnige snelheid stevenen we af op onze volgende bestemming: Tamel Aike. Wederom zien we de ochtend ontwaken. Een onwaarschijnlijk, adembenemend schouwspel. Ik hou van het moment, het punt waar de nacht de dag raakt. Het ogenblik waarop de schemerzone van de nacht zijn grijstinten inruilt voor een kleurenpalet van ongekende schoonheid. Kleurtinten van tientallen kleuren die in elkaar overvloeien, samensmelten als geliefden op weg naar een nieuwe morgen en verstrengeld wakker worden in het zilte vocht der liefde. Een beeld van moeder aarde dat met geen schilderij te vatten is. Om het beeld compleet te maken duiken er tientallen guanaco´s op. Ontroerende eenvoud in het ochtendgloren van een schoorvoetende dag. Bestaat er een mooiere, intenser manier om de dag aan te vangen? Ondertussen scheuren we over de ripio aan een snelheid van 30 km en meer per uur. We willen te allen prijze zoveel mogelijk kilometers afleggen alvorens de wind roet in het eten komt gooien. Genietend van de natuur, de panoramische landschappen en de snelheid, denken we met enig leedvermaak aan de werkende klasse. In gedachten zie ik ze bumper aan bumper aanschuiven op een eivolle E40, op weg naar het werk. Ik zie hoe ze in gedachten verzonken zijn, denkend aan hun bankrekening die ook deze maand met enkele honderden euro´s zal worden aangedikt. Ik zie hen denken aan een nog grotere wagen, een grotere TV, een nog groter huis. De prijs die ze daarvoor moeten betalen, de echte prijs -niet uit te drukken in euro´s- nemen ze er voor lief bij. Laat mij maar hobbelen over de kasseien, wegdromend tot ver over de horizon heen, verweg van alle stress en prestatiedrang. Elke maand zie ik mijn bankrekening met honderden euro´s slinken, maar daar lig ik niet van wakker. De consequenties neem ik er graag bij. Bij thuiskomst zal ik op zoek moeten gaan naar een kleinere auto, een kleinere TV en een kleiner huis. Maar ach, daar maal ik niet om. Na twee jaar fietsen zal ik de auto best kunnen missen. De eerste twee jaar zal ik wel geen behoefte hebben aan een TV. Met mijn collectie van om en bij de 20.000 foto´s zal ik me niet gauw vervelen. Een kleiner huis... ach, na zovele weken, maanden te hebben overnacht en geleefd in een tent van twee bij anderhalve meter, zal elk huis me het gevoel geven in een kasteel te wonen, een labyrint van kamers... Wedden dat ik dan pas echt zal verdwalen?
Op sommige plaatsen is de weg in zo´n slechte staat dat de kilometerteller drastisch zakt tot 10 km/u. Ik zie hoe Llorenç naar rechts en links zwenkt, zwalpt over de volledige breedte van de weg, op zoek naar een enigszins bereidbare strook. Ik volg zijn spoor. Een jeep met laadbak rijdt ons voorbij en houdt even verderop halt. We krijgen een lift aangeboden, maar we wijzen het royale aanbod af. Met enig gevoel van hoogmoed zien we hoe de jeep een stofwolk achter zich laat en eenzaam zijn tocht verder zet.
Taile Alem blijkt niks meer te zijn dan een soort transportbedrijfje. Een hotel, een winkel, een bar,... vallen hier nergens te bespeuren. Er zit niks anders op dan verder te fietsen tot aan de eerstvolgende estancia, 40 km verderop. De wijzers van de klok gaan stilaan richting middag en we voelen hoe de wind meer en meer terrein wint. Een half uur later beukt de wind in alle hevigheid in mijn rechterflank. Het fietsen wordt moeizamer en we halen amper nog 7 km/u. Met ons verstand op nul en onze blik op oneindig, binden we onvermoeid de strijd aan, een ongelijke strijd. Ik voel hoe ik mijn reserves moet aanspreken. Mijn watervoorraad slinkt zienderogen, evenals mijn spierkracht. Tot overmaat van ramp begeeft mijn voorste spatbord het. Ik probeer nog de aandacht van Llorenç te trekken, maar mijn noodkreet wordt overstemd door de gierende wind. Hulpeloos moet ik toezien hoe hij in de desolate leegte van de Ruta 40 als een stip verdwijnt. Door de slechte ripio is het bevestigingssysteem van mijn spatbord afgescheurd. Er zit niks anders op dan het losgeslagen spatbord volledig te demonteren. Llorenç is ondertussen teruggekeerd om te kijken wat er hapert. Zulke fietsvrienden moet je hebben. Makkers die niet prestatiegericht zijn en die het samenhorigheidsgevoel hoog in het vaandel dragen. Het geeft me een veilige gewaarwording.
Uiteindelijk bereiken we de estancia. Estancia ‘El Delfin’ opent evenwel niet zijn deuren voor toeristen. We moeten ons tevreden stellen met het bijtanken van enkele liters water. Het is drie uur in de namiddag en we hebben er reeds 148 km opzitten. We klampen onze hoop vast aan de eerstvolgende estancia, 17 km verderop. De weg wordt slecht en slechter. We kruipen voorbij als slakken. Na 17 km wijst een wegwijzer ons de weg naar estancia Angostura. Vanop de weg is de estancia nergens te bespeuren en dit betekent dat we minimum nog 5 km moeten verderrijden. Uiteindelijk bereiken we onze eindbestemming: 170 km verder en ruim 12 uur later. We spoelen onze laatste krachten door met een ijsgekoelde cerveza. Na een verkwikkende douche, schuiven we onze voeten onder tafel en laten we ons bedienen als koningen. Koningen zonder land, zonder huis, zonder auto en zonder TV, maar met alweer een pak ervaringen rijker...
La Cueva de los Manos... |
Argentinië - Ruta 40 - Hotel Rio Olnie, 03-02-2007 - (dagboek 40) |
 |
 |
 |
 |
Vijf uur in de ochtend. Het is haast windstil wanneer we onze tenten afbreken. Met behulp van mijn zaklamp bepak ik mijn fiets. Doordat we vergezeld worden van een auto kan ik mijn slaapgerief in de koffer opbergen, alsook twee grote fietstassen. Een onwaarschijnlijke luxe. Op het programma staat een lange, maar afwisselende etappe. De rit begint al met een pittige klim. Net als de vorige dag heeft Llorenç het ritme aan: snel tot zeer snel. Ik heb moeite om hem bij te benen en meermaals moet ik het onderste uit de kan halen om het gat te dichten. Met zijn Eddy Merckx-benen haalt hij zelfs op de hellingen tempo. Vooral wanneer de ripio er zeer slecht bij ligt, moet ik steevast afhaken. De fiets davert en lijkt wel te dansen op de kasseien. Net voor ons vertrek uit het kleine dorpje Perito Moreno, heb ik een scheur ontdekt in mijn achterste buitenband. Daar de scheur zijdelings loopt, hoop ik dat de band het nog redt tot het einde van de ripio. Op een gegeven ogenblik is de weg in zo´n abominabele staat, dat ik vrees dat mijn fiets in vier stuken zal uiteenvallen. Hoogzwangere vrouwen die vermoeden dat ze hun zonnekind met een keizersnede ter wereld zullen brengen, kan ik de raad geven hier een ritje te komen fietsen. Na vijf minuten floept uw baby er zo uit!
We stijgen vierhonderd meter en meer. Ik zwoeg me de lucht in, haast schoorvoetend, maar vastberaden. De wind laat zich -gelukkig- van zijn beste kant zien. Door de vele losliggende keien en het steengruis is elke nieuwe afdaling een hachelijke onderneming. Het is telkens weer een evenwichtsoefening tussen remmen en snelheid halen. De schietgebedjes volgen elkaar op, in evenredigheid met het afdalingspercentage.
Tegen de middag hebben we het plaatsje Bajo Caracoles bereikt, een troosteloos dorpje van enkele honderden zielen groot. Er is één winkel, één hotel, één bar... allen versmolten tot één geheel. Het typeert de kleinschaligheid van de geringe dorpjes. Wanneer Narcis ons komt vervoegen, besluiten we om met de wagen ‘La Cueva de los Manos’ op te zoeken, de Grot van de Handen. Deze prehistorische schilderingen dateren van 7000 voor Christus en bevinden zich in ‘el Cañadón del alto rio Pinturas’, een goeie 45 km ten zuiden van de Ruta 40. Onder begeleiding van een gids worden we meegetroond naar de prehistorie: honderden tekeningen vormen de stille getuigen van een kunstzinnige bevolking. De rotsen zijn er versierd met 829 handen, waarvan slechts 36 rechterhanden. Het zijn negatieven in zwart-wit, donkerrood en okergeel. Het kleurenmengsel werd via een blaaspijpje over de hand geblazen en liet een silhouet van een handdruk achter. De contouren van de handen worden er afgewisseld met tekeningen van guanaco´s en abstracte mensenfiguren. Op sommige plaatsen tel ik wel honderden handen, net als een speelveld van omgevallen schaakpionnen die door de tand des tijds zijn gesmolten tot handafdrukken. De kleurschakeringen maken het geheel nog indrukwekkender. Een momentopname op mijn lange tocht dat gegrift zal blijven in mijn visueel geheugen...
Bij onze terugkomst in Bajo Caracoles giert de wind als een kleine wervelstorm doorheen de verlaten straten. In afwachting dat de wind wat in kracht zal afnemen, nemen we er het middagmaal: lomo de bife con patatas fritas. Overheerlijk! Anderhalf uur later moeten we lijdzaam toezien hoe de takken van de bomen heen en weer zwiepen. De wind speelt hier de hoofdrol. Wij zijn slechts figuranten, stoffige schimmen op weg naar een zoveelste bestemming. Eenmaal terug op de fiets, zakt onze moed zowaar in de schoenen. We trappen onze longen uit ons lijf, meter per meter. We fietsen niet meer, we kruipen voorbij. En plots... als een geschenk uit de hemel draait de bocht, 90 graden, in de richting van de wind. We geloven onze eigen ogen niet en nog minder de digitale cijfers die onze snelheid aangeven: 30, 35, 40 km/u. We voelen ons plots als twee uitgelaten kinderen die na dagen onafgebroken regen voor het eerst opnieuw kunnen buiten spelen. Het lijkt wel of we door het dolle heen zijn. We slaken de ene vreugdekreet na de andere, alsof de ritzeges zich opstapelen. Een overheerlijk gevoel!
Vijf kilometer voor onze eindbestemming is het feest voorbij. De ripio draait wederom en onze snelheid daalt drastisch, tot amper 5 km/u. Doodop bereiken we eindelijk onze eindbestemming: Hotel - Bar Rio Olnie. In de hoek van de bar staat er een vuilblauwe, ijzeren, vierkante tafel met twee stoelen en voor de lange toog staan twee versleten barkrukken. Het hotel wordt gedreven door Manuel, een onverzorgd uitziende zestiger die zich al decennia lang geen zorgen maakt over een te hoog cholesterolgehalte. Onder de vrienden staat hij bekend als ‘Arroz Crudo’ (Rauwe rijst). Een naam die hij te danken heeft nadat hij zijn vrienden eens rauwe rijst voorschotelde. Wanneer hij verneemt dat we de Ruta 40 per fiets afleggen, haalt hij een zwartgeblakerde pan vanuit de belendende keuken tevoorschijn. In het vet zwemmen nog een paar vleeshompen, de restanten van zijn middagmaal. Als een holbewoner dop ik het korstige brood in het vet en snij er vettige stukken vlees af. Een koningsmaal voor een uitgeputte zwerver...
Behalve het runnen van de bar, heeft de eigenaar inzake het uitbaten van een hotel, weinig tot geen kaas gegeten. Het ontbreekt hem aan het meest elementaire gevoel voor zaken doen. De kamers hebben iets weg van grauwe bunkers waar eenpersoonsbedden er als verroeste meubelstukken verankerd staan. Het stof van jaren ligt er als een flinterdunne aslaag over de matras. Het hotel leeft hier op het ritme van gestrande reizigers. Op de grond staat een bierglas, ondersteboven. Een kaarsstompje prijkt er bovenop, als een uitgerafelde vlag, halfstok. Een subtiele manier om de hotelgasten duidelijk te maken dat er geen elektriciteit is... Een lavabo is er evenmin en de douche is er niet groter dan een emmer ijskoud water. Welkom op de Ruta 40! Bienvenidos al hotel Rio Olnie!
Stilte voor de storm? |
Argentinië - Ruta 40 - Casa de Piedras, 02-02-2007 - (dagboek 39) |
 |
 |
Iets over zeven uur ´s morgens fietsen we het dorpje Perito Moreno uit. Ons groepje van drie is geslonken tot twee. Narcis, de jongste van de twee Catalanen, heeft ter elfder ure besloten om de lange tocht naar Calafate niet met de fiets af te leggen, maar met een huurwagen. Het vooruitzicht op een dagenlang gevecht met de wind en de ripio, heeft hem tot andere gedachten gebracht. De eerste 55 km haspelen we in een mum van tijd af. Enerzijds omdat men begonnen is met het asfalteren van de Ruta 40 en anderzijds omdat Llorenç er serieus vaart achter zet. Ik begrijp stilaan waarom Narcis eieren voor zijn geld koos...
Op onze route tref ik voor het eerst guanaco´s aan. Guanaco`s (lama guanicoe) zijn naaste verwanten van de lama´s en behoren tot de familie van de kamelen. Wanneer we de kudde voorbijfietsen, zetten ze het op een lopen. De elegantie waarmee ze zich voortbewegen in de Patagonische steppe en de wijze waarop ze moeiteloos over de houten omheining springen is van een ongekende schoonheid. Ze beoefenen de olympische discipline hoogspringen als geen ander. Een vertederend schouwspel in de leegte van de eindeloze steppe. Op het einde van de geasfalteerde weg geraken we aan de praat met enkele wegenwerkers. De aanleg van het asfalt startte twee jaar terug. Door de relatief koude wintermaanden liggen de werken van april tot en met september stil. Men schat dat het wellicht tien jaar zal duren voor de weg Perito Moreno – Calafate (600 km) zal geasfalteerd zijn. Werkloosheid is hier dus nog niet voor morgen...
De ripio ligt er aanzienlijk goed bij en we blijven tempo maken. De ripio kronkelt zich een weg doorheen het glooiend landschap en we genieten van de pittige klims en steile afdalingen. Tot onze eigen verbazing is de wind opvallend stil. Stilte voor de storm?
Rond drie uur in de namiddag hebben we onze eerste overnachtingsplaats bereikt, estancia Casa de Piedras. In afwachting van de komst van Narcis, zetten we onze tenten neer. De estancia wordt gerund door Hector en Cinesia, een koppel van een jaar of zestig. Reeds veertig jaar runnen ze hun bescheiden boerderijtje dat de voorbije jaren is uitgegroeid tot een sober onderkomen voor toeristen op doortocht naar Calafate. De aanleg van de geasfalteerde route zien ze eerder met lede ogen aan. Men vreest dat het leven niet langer zal bepaald worden door de Patagonische wind, maar door het toenemend verkeer. Een wellicht gegronde vrees... De wind is ondertussen fel komen opzetten. Wanneer ik vraag of hij nooit moedeloos wordt van de wind, haalt hij lachend zijn schouders op. “Ach, ik ben geboren met de wind. Ik heb het nooit anders gekend.” Een geboren windenkind, dus...
Rond zes uur rijdt Narcis het woonerf op. Naast zijn fiets heeft hij ook nog wat voedsel en water meegenomen. We sluiten de avond af met pasta. Wanneer ik de stilte van de nacht opzoek, voel ik me de koning te rijk. Het belooft een toffe tiendaagse te worden. Met de bezemwagen naast mijn tent val ik gelukzalig in slaap.
Eindelijk... |
Chili - Puerto Natales, 13-02-2007 |
Ja, u leest het goed en wel. Ik ben aangekomen in Puerta Natales, mijn allereerste bestemming in Chili, op de route naar het meest zuidelijke punt, Ushuaia (Argentinië).
De voorbije dagen was het windstil op het virtuele front, wegens geen internetverbinding. De komende twee dagen zal ik een inhaalbeweging maken, hopelijk in de richting van de wind.
Ik kan u alvast verklappen dat het een adembenemende tocht was, eentje om nooit te vergeten. Loodzwaar, maar ach zo wondermooi...
Samen sterk ... |
Argentinië - Perito Moreno, 01-02-2007 - (dagboek 38) |
 |
Voor de tweede opeenvolgende dag vertrek ik in het holst van de nacht in de hoop om te profiteren van een iets zachtere wind. Na mijn rustdag in Rio Mayo, werd ik voor het eerst geconfronteerd met de echte ripio, de onvervalste ripio: keien, steengruis en zand. Reken daarbij nog eens de allesoverheersende wind en het verhaal is compleet. Gisteren heb ik 80 km lang gezwoegd, gepuft en gevloekt, als nooit voorheen. De desolaatheid van het landschap en de gierende wind... het lijkt een surrealistisch decor. Ik heb vaak gedacht om ermee op te houden. Maar terzelfdertijd weet je dat er geen weg terug is. De enige troost is dat je steeds dichter tot je einddoel komt, hoe ver die ook nog verwijderd is. Soms keeg ik opnieuw energie, wanneer een voorbijrijdende wagen me toeterend alle moed toewenste, of die ene keer toen een wagen stopte en me koekjes en drank aanbood al was ik een vluchteling op weg naar nergens. Ook het opzetten van de tent is kunst en vliegwerk. Met behulp van loodzware stenen slaagde ik er tot dusver in om de tent heelhuids recht te zetten. Meermaals heb ik gedacht dat ik ging ontwaken onder de blote sterrenhemel... Zelden heb ik de wind zo horen tekeer gaan. De wind giert hier onophoudelijk, dag en nacht.
Deze namiddag ben ik aangekomen in Perito Moreno. Aanvankelijk had ik gedacht om de Chileense zijde op te fietsen, weg van de ripio, het stof en de wind. Een denkpiste die ik inmiddels heb laten varen. Enerzijds omdat er vanuit Chili haast geen wegen zijn die leiden naar Calafate en anderzijds omdat ik hier twee bekenden tegen het lijf heb gelopen: Llorenç en Narcis. Deze twee Catalaanse fietsers had ik een tweetal weken eerder ontmoet. Zij vertrekken morgen richting Calafate, via de enige route, de Ruta 40. Ik heb besloten om me bij hen aan te sluiten. We schatten de klus geklaard te krijgen in anderhalve tot twee weken. Geen van ons drieën ziet het echt zitten, maar een alternatief is er niet. Met de wetenschap, samen sterk, halen we het wel. Volgende afspraak wordt dus Calafate, ergens rond Valentijn. Tot zo lang, duimen maar!
Recht, kaarsrecht ... |
Argentinië - Rio Mayo, 29-01-2007 - (dagboek 37) |
 |
 |
Mijn euforie is van korte duur. Over een afstand van tientallen kilometer zijn er wegenwerken aan de gang en is het asfalt herschapen tot een piste van keien en steengruis. Nu ja, had koning ripio niet gezegd dat ik een pact met de duivel had gesloten? Ook de wind laat zich voor het eerst echt gelden. De wind is zo hevig dat ik af en toe naar het andere rijbaan word gezwiept. Uit alle macht moet ik tegensturen om te verhinderen dat ik tegen de grond knal. De laatste 50 km lijkt het wel of ik tegen de bierkaai vecht. Ik haal amper 6 km/u. Mijn worse case scenario klopt als een bus. Zelden zo´n gevecht met de wind geleverd.
Het landschap is ondertussen steeds kaler geworden. De afgeroomde heuveltoppen verdwijnen steeds verder achter de horizon en maken plaats voor een hemelsblauw levenloos gordijn. Wanneer een wagen voorbijrijdt, probeer ik die te volgen tot het als een stip oplost in de leegte van het landschap. Telkens weer hoop ik dat de wagen naar links zal oprijden, een bocht zal maken in de richting van de westenwind. Maar neen, vergeet het! De wegen in Patagonië lopen recht, kaarsrecht, als waren ze aangelegd voor blinden. Rond zeven uur ´s avonds bereik ik Rio Mayo. In drie dagen heb ik er 441 km opzitten. Morgen las ik een rustdag in. Ik heb mijn sporen verdiend...
Koning ripio, asfalt en wind ... |
Argentinië - La Laurita, 28-01-2007 - (dagboek 36) |
 |
 |
Ik heb geslapen als een baksteen. Mijn weinig aan het oog onttrekkende schuilplaats, alsook de wind hebben me niet uit mijn slaap gehouden. Vandaag krijg ik nog voor het laatst een geasfalteerde Ruta 40 voor de wielen, daarna zit de pret erop.
De wind laat zich van zijn beste kant zien. Ik maak een parabool van mijn lichaam en kan zo de wind schaakmat zetten. Beter nog, mijn fietsjas fungeert als windzeil en met een stevige tred kom ik reeds rond de middag aan in Gobernador Costa. In het benzinestation profiteer ik ervan om nog wat bij te tanken: water en twee belegde broodjes. Ik ontmoet er een Nederlands gezin met drie jonge kinderen. Peru is zowat hun uitvalsbasis. Vandaaruit verkennen ze gedurende 6 maand enkele omliggende landen, waaronder Argentinië. Het moet een fantastische ervaring zijn als je je kinderen op zo´n intense wijze kan leren kennis maken met andere culturen en volkeren. Het is ongetwijfeld de beste leerschool op weg naar de volwassenwording. Wanneer ik even later m´n belegde broodjes met kip verorber, merk ik een slak op mijn hand. Nu ja, had de kassierster niet gezegd dat de broodjes vers waren?
Na 40 km bereik ik het einde van het asfalt en het begin van de ripio. Reeds van bij de eerste honderd meter ketsen de keien vanonder mijn wielen. Miljard, waar ben ik aan begonnen? Na 3 kilometer zie ik de wagens voorbij zoëven op de parallelle geasfalteerde weg. Ik stop en haal mijn wegenkaart opnieuw boven. Er loopt een geasfalteerde baan naar Sarmiento, die via een splitsing en 60 km omleiding, ook toegang biedt tot Rio Mayo, mijn volgende bestemming.
Ik twijfel. Turend over mijn kaart, zie ik hoe twee heren mij vervoegen, koning ripio en koning asfalt. Als wetenschappers buigen ze zich over mijn wegenkaart en kijken me vervolgens strijdlustig aan. Als politici proberen ze mijn gunst te winnen en slaan me om de oren met een waterval aan woorden: snelheid, romantiek, honger, dorst, stof, heroïek, ontbering, veiligheid, uitputting, hoogmoed,... Vanop afstand kijkt koning wind toe. Met een smalende glimlach zegt hij: “Ach, laat die twee maar bekvechten als twee honden om een been, aan de wind daar komt niemand omheen!” Uiteindelijk hak ik de knoop door en geef ik koning ripio het nakijken. Verbolgen stapt hij op en schreeuwt me toe dat ik een pact met de duivel heb gesloten...
Het eerst volgende dorpje is La Laurita, 55 km verderop. Nu ja, dorpje... Bij aankomst blijkt het niet meer te zijn dan een verlaten pompstation. Wat verscholen achter een boom zet ik mijn tentje neer. Morgen de laatste geasfalteerde etappe, daarna wordt het pas echt menens...
Een goeie bewaarengel ... |
Argentinië - Tecka, 27-01-2007 - (dagboek 35) |
 |
 |
 |
 |
Aan de ontbijttafel van het hostal in Esquel maak ik, vlak voor mijn vertrek, nog kennis met een koppel van middelbare leeftijd. Ze wonen in Buenos Aires en zijn voor een tweetal weken op reis in hun eigen land. Wanneer ze vernemen dat ik richting het zuiden fiets, word ik zowaar bedolven met tips en goeie raad. Ze verzekeren me dat het een zware tocht zal worden en raden me aan om nog een skibril aan te schaffen om mijn ogen te beschermen tegen het opwaaiende stof.
Het uitgebreid ontbijt en de lange zoektocht naar een geschikte skibril, zorgen ervoor dat ik pas rond de middag Esquel kan verlaten. Na 15 km fietsen valt mijn oog op een wegwijzer die 'natuurlijke produkten' aanprijst. Enkele ogenblikken later waait me een geur van verse frambozen tegemoet. Ik vul mijn proviand aan met frambozenconfituur en zoete honing. De weg slingert zich doorheen een zacht glooiend landschap en ik geniet van de sereenheid van de natuur. In de verte zie ik hoe drie gaucho´s hun grote kudde schapen voor zich uitdrijven. Ik ga wat harder op de trappers staan, in de hoop het tafereel op de gevoelige plaat vast te leggen. Ik heb geluk. De kudde steekt net voorbij de bocht de straat over. Ik haal mijn camera boven, stel scherp en zie in mijn lens hoe een wagen met hoge snelheid uit de bocht vliegt en gevaarlijk dicht nabij komt. Ik hoor gierende banden, klik af en zie hoe de schapen een buffer vormen... In een fractie van een seconde trap ik uit alle macht op mijn rechterpedaal en ontsnap op het nippertje aan een slachtpartij. De wagen beukt met alle geweld in de kudde. Ik zie hoe de schapen opzij springen, worden wegggedrumd en platgewalst. Eén van de schapen komt onder de wielen van de aanhangwagen terecht en wordt meters ver meegesleurd. Het uiteengereten dier ligt bloedend op het wegdek. Een laatste stuiptrekking, een laatste kreet en dan niets meer... Ik sta te trillen op mijn benen en probeer de te snel afgedraaide film te hermonteren, in slow-motion. Ik bekijk de remsporen, het arme schaap, de bloedplassen en besef dat ik ontzettend veel geluk heb gehad. De romantiek van de gaucho... Het kon een noodlottig gevolg hebben.
Het fietsen vlot en met een gemiddelde snelheid van 20 km/u bereik ik rond zeven uur ´s avonds het eerste dorpje, Tecka. Een dorp, hooguit een straat groot... Ik nader de leegte, het dorre landschap, de wind. Van hieruit loopt de Ruta 40 nog over 80 km asfalt, daarna is het definitief voorbij. Een camping is er niet en dus besluit ik wat verder te fietsen. Na 5 km stel ik vast dat ik genoegen zal moeten nemen met een slaapplaatsje aan de kant van de weg. Ik zie hoe zilveren wolkflarden in een snel tempo meedrijven op de wind, de Patagonische wind. De tocht naar het verre zuiden is begonnen...
Tussen een zee van grijsgroene doornige struiken vind ik een kale, stoffige plek, de grootte van een tentzeil. Met behulp van een paar stenen slaag ik erin mijn tent recht te houden. Mijn optrekje moet in dit desolaat landschap blijkbaar nogal opvallen, want de enige drie, tot dusver, voorbijrijdende wagens begroeten mij met hun claxon. Nu ja, veel verkeer valt er hier niet meer te verwachten. Morgen vind ik wel een beter plekje...
Een worse case scenario ... |
Argentinië - Esquel, 26-01-2007 - (dagboek 34) |
 |
 |
De bevoorradingspunten staan er aangestipt, in fluo roze-rood, als waren het vuurtorens op een onstuimige zee, veilige bakens op een doortocht waar zeerovers op de loer liggen en condors dreigend laag over de vlakte scheren. Over een afstand van 1142 km tel ik 12 dorpen. Ik heb de namen vlijtig overgeschreven als een soort boodschappenlijstje of een opsomming van hooggeplaatste autoriteiten. Naast de haast magisch klinkende namen staan cijfers. De hoge aantallen verraden dat ze niet verwijzen naar bedragen of leeftijden die corresponderen met de bijhorende namen. Neen, de cijfers geven de te overbruggen afstand aan tussen de diverse plaatsnamen. Cijfers die fel uiteenlopen, van 44 tot 213 km.
Het lijkt allemaal best mee te vallen, althans op de gedetailleerde landkaart. Ik maak me evenwel geen illusies. Twee essentiële zaken blijven de doorslagevende factor in het welslagen van mijn tocht naar het zuiden, langsheen de befaamde Ruta 40: de ripio en de wind. Ripio laat zich vertalen door ´onverharde weg´, een zachte, haast eufemistische vertaling als je het mij vraagt. De wind laat zich dan weer vertalen door ‘el viento’, de eeuwige winden van Patagonië. Hier bestaat er geen eufemisme, want zoals de Argentijnen het zo mooi weten te zeggen: “el viento viene, el viento nunca va”, waait het er altijd! Met deze zekerheid in het achterhoofd heb ik een soort worse case scenario opgesteld die dwangmatig een systeem van regels doet ontstaan. Regels die ik strikt wil toepassen, althans op het geduldige, witte papier.
Een kleine berekening levert me de volgende gegevens op. Ik neem als uithangspunt het grootste getal, 213km. Rekening houden met de staat van de weg en de nooit slapende tegenwind, hoop ik toch een snelheid te halen van 6 km/u, wat neerkomt op 35 uren en dertig minuten fietsen of in dagdagelijkse termen uitgedrukt een kleine werkweek. Ik ben een West-Vlaming, geboren en getogen, en dat staat synoniem voor doorzettingsvermogen en wilskracht. Want zeg nu zelf, hoe zou West-Vlaanderen ooit de vijfde plaats kunnen bekleden in de competitiviteitsindex van het World Economic Forum? Ik ben dus optimistisch gestemd en ga ervan uit dat ik moeiteloos 10 uren per dag de wind en de ripio zal trotseren. Dit brengt mij op drie en halve dag fietsen.
Een haalbare kaart, ook wat de waterbevoorrading betreft. Ik ben een matige drinker, althans als het moet en dus hoop ik te overleven met 3 liter per dag of voor de langste rit met 10,5 liter.
Om het rekensommetje compleet te maken... De totale afstand is 1142 km, aan een gemiddelde snelheid van 6 km/u of 190 uren en 23 minuten op de fiets of 19 dagen ononderbroken de luie sofa inruilen voor het harde leer van mijn fietszadel. Je zou er voor minder een nachtje over slapen... En daarbij bedenken dat er mij bij aankomst in Calafate nog eens een goeie 800 km staat te wachten om tot helemaal aan het einde van de wereld te geraken. Nu ja, daarom noemt het wellicht ook het einde van de wereld... In ieder geval ben ik er klaar voor. De fietstassen zijn herschikt en volgepropt met gedroogd proviand, de waterzakken (10 en 4 liter) zijn gevuld met bronwater en lijken op bolle waterhoofden, de ketting is gesmeerd en de versnellingen staan op scherp. Nog één nachtje genieten van een heerlijk warm bed, donsachtige lakens en een verkwikkende douche. Een laatste blik op de website, een laatste snelle groet, een laatste virtueel contact. Duimen maar en hopelijk tot ergens halverwege...
´La Trochita', het paradepaardje van Esquel ... |
Argentinië - Esquel, 25-01-2007 - (dagboek 33) |
 |
 |
Esquel is voor mij de uitvalsbasis naar het verre zuiden, de toegangspoort naar de vlakke Patagonische steppe. Net als Trevelin werd ook dit stadje in het begin van de vorige eeuw gesticht door immigranten uit het verre Wales. Ze legden er zich toe op de landbouw, de schapenfokkerij en de wolproduktie. De voorbije jaren zorgt ook het toerisme voor wat extra inkomsten. Centen die vooral gegenereerd worden door ´La Trochita´, een gerestaureerde authentieke trein met stoomlocomotief.
Deze ´Old Patagonian Express´ kreeg vooral wereldwijde bekendheid door toedoen van de reisschrijver Paul Theroux. Deze Amerikaan reisde in 1970 van Boston via Esquel naar Ushuaia. Het was de tijd toen er van privatisering van de spoorwegen nog lang geen sprake was. De tijd dat je met de trein nog dwars door Argentinië kon sporen, behoort al geruime tijd tot de annalen van de geschiedenis. ´La Trochita´ is zowat het enige dat de tand des tijds heeft overleefd. Van de oorspronkelijke 400 km lange spoorlijn is er slechts een toeristisch traject van 20 km overgebleven. Wegens het ontbreken van elke andere toeristische troef, is ´La Trochita´ dan ook zowat het paradepaardje van Esquel. Om aan de grote toeristische vraag te voldoen, rijdt het oude treinstel dan ook twee keer per dag uit, ´s morgens en ´s namiddags. Ik hou niet zo van die opgeklopte toeristische attrakties, maar laat me uiteindelijk toch overhalen door de nostalgie én de ontdekking dat de wagons van Belgische makelij zijn. Ze werden vervaardigd door het terziele gegane “Ateliers de construction de Famillereux “ , een Waals metaalbedrijf.
Ik moet eerlijk bekennen dat het treinstel met zijn houten wagons echt wel aanvoelt als een stuk antiek. De rit brengt me tot de 20 km verder gelegen estancia Nahuel Pan. Als een korte doorlopende film trekken de bergen, valleien en vlaktes aan mij voorbij. Het sissend geluid van de stoomlocomotief wordt afgewisseld met het scherpe, haast schrille fluitsignaal van de stoomketel. De perfecte ingrediënten voor één of andere westernfilm. Ze versterken het gevoel alsof ik heel even terug rijd in de geschiedenis. In mijn wagon tokkelt een muzikant enkele melodische deuntjes op zijn gitaar. Aan de kant van de weg wuiven een stel bouwvakkers me toe, terwijl een tienermeisje me probeert empanades te slijten. Ach, het hoort er allemaal bij. Een schoolreis op zijn best. Ik troost me met de gedachte dat de nostaglie van het rijdend materieel me alvast enkele mooie fotografische prentkaarten zal opleveren...
Op bezoek bij Tante Maggie ... |
Argentinië - Trevelin, 24-01-2007 - (dagboek 32) |
 |
 |
De rust is teruggekeerd, evenals de zon. Het idyllische houten huisje in the middle of nowhere barstte gisteravond zowat uit zijn voegen. Rond etenstijd daagden immers zes Argentijnse jongeren op en iets voor middernacht streken er nog eens drie reizigers neer. Het huisje dat normaal voorzien is om zes personen te herbergen, leek wel een duivenkot. Ook de twee Franse vrienden uit Bretagne zagen het bonte, luidruchtige gezelschap met lede ogen aan. Nu ja, had God het aards paradijs niet geschapen voor het hele mensdom?
Deze morgen heeft iedereen dit verloren gat verlaten. Een ware verademing! Ook de twee Franse backpackers zijn vertrokken en dus heb ik het rijk voor mij alleen. Ik profiteer van de rust en de stilte om me op sleeptouw te laten nemen door Bruce Chatwin. In zijn boek ‘In Patagonië’ gaat hij op zoek naar de herkomst van een stukje huid van een brontosaurus. Zijn zoektocht brengt hem al liftend, te voet en te paard tot in het zuidelijke punt van Zuid-Amerika. Betere reislectuur om Patagonië te doorkruisen is haast ondenkbaar...
In de late namiddag ga ik op verkenning in het dorpje Trevelin. Dit haast ingedommeld dorpje werd begin vorige eeuw gesticht door immigranten uit Wales die zich hiet kwamen vestigen. De vruchtbare vallei was voor hen de gedroomde locatie om er schapen te hoeden en wol te maken. Eén van hen was een zekere John Daniël Evans die er ook een molen bouwde om graan te malen. De naam Trevelin verwijst naar die bewuste molen, want Trevelin staat in het Welsh voor ‘dorp bij de molen’. De molen is, na een zware brand, inmiddels gerestaureerd en doet nu nog dienst als historisch museum. Van alle invloeden uit Wales is de aanwezigheid van theehuizen ongetwijfeld het meest in het oog springend. Nain Maggie is er het oudste en bekendste theehuis. Ik besluit mijn zoet-verwennerij-week daar af te sluiten. Aan de muur hangen vergeelde portretfoto`s en krantenartikels van Nain Maggie. Iets meer dan een eeuw geleden opende ze haar theehuisje dat al snel naam en faam kreeg, mede door haar voortreffelijke kookkunst. Ik laat me verwennen met overheerlijke pan negro, torta negra, tarta de crema en tarta de frutas. Tante (= Nain) Maggie mag dan wel niet meer achter het fornuis staan -ze stierf aan de gezegende leeftijd van 103 jaar-, haar keukengeheimen heeft ze in ieder geval niet meegenomen in haar graf.
´s Avonds krijg ik het gezelschap van twee Argentijnen en één Israëliet. We verbroederen alsof we elkaar al jaren kennen, spelen kaart en leggen onze proviand bijeen tot een koningsmaal. Vier reizigers op doorreis, elk met hun eigen vervoermiddel: auto, moto en fiets. Straks scheiden onze wegen opnieuw. Op weg naar een nieuwe bestemming, elk op ons eigen ritme. Afscheid nemen, het is (helaas) een constant gegeven...
Roet in het eten ... |
Argentinië - Trevelin, 23-01-2007 - (dagboek 31) |
 |
 |
Dreigende onweerswolken blijven zich samenklitten en vormen de voorbode van nog meer regen. Sinds gisteravond zijn de regensluizen opnieuw actief en dit voor het eerst sinds drie weken. De val van de temperatuur met een goeie 15 graden voelt nat en koud aan. Een mens went te snel aan mooi weer en vergeet hoe nat de regen kan zijn. Als reizende fietser kan ik erover meespreken. Ik had de buien evenwel zien aankomen en bij aankomst in Trevelin heb ik het zekere voor het onzekere genomen. Mijn zoektocht bracht me naar ´Residencial Perrizi´, een gezellig familiehotelletje vlakbij het centrum. De huiselijke sfeer wist me na de zware fietstocht best te bekoren, maar helaas kon ik er slechts één nacht verblijven. Ondertussen heb ik een ander onderkomen gevonden, op vijf kilometer van het stadscentrum en volledig in the middle of nowhere. Een houten huisje dat ik deel met een Frans koppel uit Bretagne. Best gezellig! Hier blijf ik wellicht tot en met woensdag. Hopend op beter weer om eindelijk de tocht naar het verre zuiden te kunnen verderzetten...
Een kleine uitputtingsslag... |
Argentinië - N.P Los Alerces, 21-01-2007 - (dagboek 30) |
 |
 |
In het lichtschijnsel van de maan merk ik assen stofdeeltjes op mijn
tentzeil. Net zoals vorige avond was de camping gisteravond omgetoverd tot één grote parrilla. Overal geurde het naar geroosterd vlees en zag ik roodgloeiende kampvuurtjes om me heen. Het opgewaaide as vormt een
flinterdunne sneeuwlaag. Niet alleen de camping ligt nog te soezen, ook het stadje El Bolson moet nog ontwaken. Een verdwaalde feestvierder sjokt moeizaam voor zich uit in het dauwige gras, als een té late trekvogel op weg naar het zuiden. De straatveger veegt de laatste dorst weg, platgetrapt tot een gebarsten plastic beker. Op de bank in het park ontwaar ik schimmen die heel even oplichten door een rode gloed van as, puntvormig en kortstondig als waren het morsetekens. Nog een laatste blik, een laatste groet...
Er staat vandaag een zware etappe op het programma: 182 km van El Bolson naar Esquel doorheen een glooiend landschap. Ik fiets er aanvankelijk langs groene weilanden, die afgewisseld worden door grote bergmeren met als enige constante de ruige bergkammen van de Andes. Het lijkt wel of ik doorheen een sprookjesachtig decor fiets. De geasfalteerde weg slingert zich als een kronkelende slang doorheen het wondermooie landschap, een decor dat blijft fascineren. Na veertig kilometer splitst de weg zich op in twee delen als zijtakken van een rivier. Beide wegen brengen me naar mijn eindbestemming, maar verschillen in dat opzicht dat de ene zijtak geasfalteerd is en de andere niet. De geasfalteerde is de kortste, de niet-geasfalteerde de boeiendste, mede omdat ze voor een groot stuk doorheen het Nationaal Park Los Alerces loopt. Op zulke momenten moet je je intuïtie aanspreken, moet je keuzes maken tussen asfalt of ripio, tussen zekerheid of onzekerheid, tussen het gekende en het ongekende, tussen een korte of een heel lange fietsdag. Ik heb in mijn leven vaak de moeilijkste weg gekozen, enerzijds omdat het me meer boeide, anderzijds omdat ik geloof dat je er een ander mens door wordt. Je leven wordt voor een stukje gevormd door bewust bepaalde wegen in te slaan. De moeilijkste wegen laten vaak de diepste indrukken na, ook hier en dus kies ik voor de onzekerheid, het avontuur. Ik sla de smalste, de meest onstuimige, de meest ontoegankelijke zijtak van de rivier in.
Al snel knarst het grindpad bij elke herwonnen meter. Kiezelstenen stuiven uiteen bij elke afdaling of klampen zich vast aan de versteende aarde wanneer ik mij kruipend omhoog hijs. Mijn gemiddelde snelheid daalt tot een absoluut dieptepunt, maar ondanks mijn slakkegangetje van 5,5 km/u, blijf ik op de trappers, evenwel al te vaak loodrecht...
De kleinste versnellingen laten me in de steek waardoor de steile hellingen een ware uitputtingsslag vormen. De ripio en het steengruis strijden om een ereplaatsje, terwijl ikzelf noodgedwongen achterop hink. Ik laat het niet aan mijn hart komen en profiteer ervan om mijn ogen de kost te geven en me onder te dompelen in de natuur. Het Nationaal Park Los Alerces bevat een landschap met zowat alle denkbare troeven: meren, rivieren, watervallen, gletjsers en wouden. Om de prentkaart compleet te maken wordt het geheel afgelijnd door grillige bergpieken met vlekjes witte sneeuw. Onwaarschijnlijk mooi! De schoonheid van de natuur, maar tevens de vermoeidheid zorgt ervoor dat ik mijn tent ongeveer halverwege het nationaal park opsla. De rivier kabbelt er als een geschenk van God en blijkt een gedroomde douche te zijn om me te ontdoen van het stof en het zweet van de voorbije dag. Met het boek ´In Patagonië` van Bruce Chatwin als hoofdkussen val ik in een diepe slaap...
El Bolson: `gezond & artisanaal´... |
Argentinië - El Bolson, 20-01-2007 - (dagboek 29) |
 |
 |
De wijzers van de klok vormen reeds een loodrechte driehoek wanneer ik rond negen uur ´s morgens de eerste marktkarmers hun kraampjes zie opstellen, hopend een vroege vogel te kunnen strikken. Ik mag dan wel een relatief vroege vogel zijn, als klant zullen ze met mij de eerste uren weinig kunnen aanvangen. Ik kamp namelijk met hevige tandpijn en ben radeloos op zoek naar een tandarts die ook op zaterdagvoormiddag werkt. De toeristische dienst geeft me een aantal adressen door, maar zonder resultaat. Bij één ervan, een medisch centrum, vind ik een urgentienummer. Ik contacteer de dienstdoende arts die me verzekert om binnen de 20 minuten op het kabinet te zijn. Ik wacht een half uur, een uur, anderhalf uur. De pijnstillers brengen tijdelijk wat soelaas. Ik draai opnieuw het bewuste telefoonnummer en wederom belooft de arts binnen de 20 minuten op te dagen. Na een uur wachten krijg ik het stilaan op mijn heupen. Met de moed der wanhoop draai ik opnieuw hetzelfde nummer. Het medisch centrum in Avenida San Martin blijkt ook een afdeling te hebben in Bariloche, 130 km hier vandaan en toevallig gelegen in een gelijknamige straat. Urgenties worden er enkel verricht in Bariloche. De moed zakt me zowaar in de schoenen, terwijl de tandpijn zich van zijn beste kant toont. Een half uur later vind ik uiteindelijk toch een vriendelijke vrouwelijke tandarts die me weet te verlossen van mijn kwellende pijn. Bij het verlaten van haar kabinet geeft ze me nog een afscheidszoen. Nu, die zal wellicht inbegrepen zijn in de prijs...
Na mijn calvarietocht begeef ik me naar de markt die bijna over zijn hoogtepunt heen is. Ik kuier er rond en merk dat El Bolson de stempel van hippie-enclave heeft weten te behouden. Het milde klimaat en de vruchtbare streek trok in de jaren ´70 talrijke hippies uit de hele wereld naar deze vallei. Hier begonnen ze een nieuw leven, te midden van de natuur en op het ritme van de seizoenen. De hippies van toen zijn overjaarse hippies geworden die vooral op de marktdagen het kabbelend stadje aan de oever van de rivier opvrolijken. In het kielzog van de hippies ontwikkelde er zich ook een alternatieve cultuur van gezond leven.
Op de markt leunen de kraampjes die gezonde, artisanale produkten
te koop aanbieden dan ook zij aan zij. Ik vind er zelfgemaakte jam,
gebrouwen fruitbier (duivels lekker!), vegetarische hamburgers, versgeplukte frambozen, Brusselse wafels met slagroom, aardbeien en farmbozencouli (overheerlijk!), artisanale chocolade (té gek!),... Het leek wel of de tandarts wist dat ik niet aan de verleiding ging kunnen weerstaan. Wellicht daarom dat ze zei dat ik de eerste uren voornamelijk zacht voedsel moest eten...
Alles wat hier maar enigszins de stempel ´gezond´ met zich meedraagt gaat hier vlotjes over de toonbank. Het ruime aanbod aan gezonde produkten wordt er aangevuld met gebreien truien, handgemaakte sculpturen of keukenbenodigdheden, zelf opgenomen spirituele muziek,... The Flower Power is er alomtegenwoordig, terug van nooit weg geweest. Alles geurt er naar de geitenwollen-sokken periode, die hier en daar een oosters tintje heeft gekregen door smeulende wierookstokjes. Ook in de nabije omgeving van de markt is er animo troef. Het hele grasplein lijkt wel een beetje op een festivalweide, met luierende toeristen die genieten van het mooie weer, een vleugje muziek of de act van een circusclown.
El Bolson heeft in de loop der jaren een reputatie opgebouwd als alternatieve gemeenschap en ging er vroeger prat op de enige te zijn in de omgeving waar men vrij marihuana kon roken en verbouwen. Het verbouwen in de hippie-enclave zal wellicht iets meer onderworpen zijn aan strikte regels, het roken daarentegen wordt hier nog steeds oogluikend toegelaten. Best grappig om te zien hoe ze enerzijds dwepen met hun ecologisch geprofileerde landbouw en anderzijds vast te stellen dat marihuana hun tweede geliefde is. Nu ja, ook dit valt ongetwijfeld onder de noemer ´artisanaal en gezond´...
Op naar het einde van de wereld... |
Argentinië - Bariloche, 18-01-2007 - (dagboek 28) |
 |
 |
De fietstassen staan vertrekkensklaar, groter en zwaarder dan ooit voorheen. Ik begrijp het niet, heb al zoveel gewicht terug opgestuurd en toch lijkt het telkens opnieuw of ik steeds minder plaats heb...
Na twee lange fietsdagen (330 km), met een tussenstop bij de laatste laguna, `Lago Traful´, was ik opnieuw aangekomen in Bariloche. De voorbije dagen heb ik vooral de tijd genomen om de website up te daten en wat te rusten na de toch wel vermoeiende tocht langsheen de zevenmeren-route en de bewogen klim naar de top van de vulkaan Lanín. Morgen vertrek ik definitief richting het zuiden, met een eerste tussenstop in El Bolson. Daarna volgt een stukje langsheen het Nationaal Park Los Alerces om uiteindelijk aan te komen in Esquel. Vandaar begint de langverwachte tocht naar het uiterste zuiden via de beruchte Ruta 40. Deze route heeft z´n reputatie in hoofdzaak te danken aan de Patagonische wind en de niet geasfalteerde route. Een vriendin was zo vriendelijk mij een uittreksel uit het boek ´Fietskuren´ van de twee vrouwen Ingrid en Nicole door te mailen. Een aantal jaar geleden deden ze dezelfde route. Hun neergeschreven ervaringen spreken alvast boekdelen.
..." Iedereen heeft ons gewaarschuwd. Begin er niet aan! In die pampa's is niets te vinden. Je moet al je eten en drinken meesleuren, er zijn geen rivieren en dorpjes. Weg nr 40 is een begrip voor elke fietser. Diegene die erin slaagt de 700 km tot het stadje Calafate te fietsen, daar wordt 'U' tegen gezegd. De 40 doe je één keer, en dan NOOIT meer..."
Zij hebben het wel gehaald, maar hebben enorm afgezien. Zelfs al waren ze met z´n twee, ze omschreven zichzelf als eenzaam en depressief van eentonigheid en verlatenheid. Nicole is bij aankomst in Puerto Natales een week ziek geweest van honger, onderkoeling, bovenmenselijke inspanning en halfopgekropte depressie ! Ik wens het je niet toe. Maar als je wil dat we u met 'U' aanspreken...
Het is een vreemd gegeven, maar zelden heb ik zoveel mensen aangetroffen die zo meeleefden met mijn reis. De vriendin kent me natuurlijk goed, maar het is haast onwaarschijnlijk hoeveel mails ik krijg van mensen die op één of andere wijze de website ontdekken, gecharmeerd worden door mijn jongensdroom en een stukje in mijn voetsporen meereizen. Dat ik een paar heel zware weken tegemoet ga, is een feit. Maar het besef dat er vele mensen een stukje met me meereizen, de onophoudelijke wind mee trotseren en blijven geloven in de slaagkansen, sterkt mij om verder te doen, om ermee door te gaan, wars van alle obstakels.
Ik wil zeker niet dat men mij als ‘U’ aanspreekt, neen, geenszins. Ik wil alleen mijn eigen grenzen proberen te verleggen, mij meten met de wetmatigheden van de natuur. In ieder geval wil ik er voor gaan, voor mezelf, maar evenzo uit dank voor de vele aanmoedigingen. We geraken er wel, zeker weten!
Vulkaan Lanín verpakt in woorden... |
Argentinië - Bariloche, 16-01-2007 - (dagboek 27) |
Vulkaan Lanín |
Te midden van een onsamenhangende blokkendoos,
piek jij, als een kegel hoog omhoog,
als een zeldzame, sneeuwwitte roos.
Met je uitgestrekte bruinwitgevlekte flanken,
vorm je de natuurlijke grens tussen twee landen,
elk met hun eigen accenten en klanken.
In het ochtendgloren kleur je rozerood,
´s middags schilder je ijzig wit
en bij valavond omhul je je met de grijstinten van de dood.
Drieduizend zevenhonderdzeventig meter hoog...
Je ijzelingwekkende gestalte doet me wankelen
en heimelijk wou ik dat je loog.
Toch nam je me schoorvoetend in vertrouwen,
stimuleerde me bij elke stap,
trok me hogerop aan mijn jas met veel te lange mouwen.
Je huid knisperde als versplinderde glasscherven.
Ik liet onuitwisbare sporen na
door liefdevol je naam te kerven.
Uiteindeijk heette je me welkom met Chileense maté.
We reikten elkaar de hand, hoog aan de top
om je vervolgens te laten rusten, in rust en vree.
Zeven uren illegaal op Chileense bodem ... (deel 2) |
Argentinië - Vulkaan Lanín, 13-01-2007 - (dagboek 26) |
 |
 |
 |
 |
Het halfbevroren ijs is inmiddels zachte sneeuw geworden. Waardoor ik ahw zevenmijlslaarzen aan mijn voeten heb. Met de aanhoudende diarree lijk ik helemaal weggelopen uit sprookjeswereld: klein duimpje en de gelaarsde kat in één persoon... Al snel ontwaak ik uit mijn droomwereld, want ik kom tot het besef dat ik geen enkel herkenningspunt tegenkom. Als je een top beklimt, heb je een duidelijk punt waarop je je kan fixeren. Bij een afdaling verdwijnt elk referentiepunt, omdat je niet kan zien wat er achter de volgende ijsvlakte ligt. De gletsjervlaktes volgen elkaar op en buigen gevaarlijk naar beneden. Tot vervelends toe moet ik opnieuw tientallen meters omhoog klimmen. De pikkel doet meer en meer dienst als een ijzeren haak om behoedzaam af te dalen. Ik daal en daal, maar voel intuïtief aan dat ik totaal het noorden kwijt ben. Ik verander meermaals van richting, hopend op een referentiepunt. Verdorie, dit gaat dit duidelijk de verkeerde kant op.
Na vier uur, heen en weer stappend van links naar rechts, beslis ik om het basiskamp te contacteren. Voor het eerst voel ik me echt wel als een verdwaalde zwerver. De persoon aan de andere kant van de radio vraagt me of ik nergens een herkenningspunt zie. Helemaal in de verte ontwaar ik een stoffige weg en een piepklein huisje, een stipje met een groen dak. Ik hoor hoe de man aan de andere kant van de lijn zijn wenkbrauwen fronst. Ik blijk de berg aan de verkeerde kant af te dalen, waardoor ik blijkbaar op Chileens grondgebied vertoef. De man raadt me aan om verder in die richting door te stappen, want om terug te keren naar de refugio waar ik een deel van mijn spullen heb achtergelaten, lijkt het te riskant.
Het is drie uur in de namiddag... Ik schat dat ik nog minstens drie tot vier uur voor de boeg heb. Het sneeuwlandschap verandert in steile valleien met rotsblokken en lavagruis. Ik daal en schuif naar beneden, vaak tergend langzaam uit angst mijn evenwicht te verliezen. Op een gegeven ogenblik krijg ik opnieuw het gezelschap van tabanos, stekende vliegen. Het lijkt wel of ik op hun nest heb getrapt, want in horden komen ze langsheen mijn oren en hoofd zoemen. Met een T-Shirt probeer ik ze van me af te slaan. Ik voel me als een boeteling die met een zweep afwisselend op zijn rechter- en linkerschouder slaat. Geterrorisseerd door de bijtende insecten, vervolg ik mijn moeizame tocht naar beneden. Na drie uur bereik ik eindelijk de boomgrens. Ik neem terug contact op met de basis en meld hen dat ik nog zeker een uur doorheen het bos zal moeten stappen. Het bos bestaat uit dicht struikgewas en hoge bomen, die mij het zicht op mijn enig referentiepunt volledig ontnemen. Zolang ik rechtdoor loop, bereik ik de weg. Zoveel is zeker. Nog steeds de tabanos van me afslaand, baan ik me een weg langsheen stekelige takken en struiken. Vaak wordt de doorgang versperd door omgevallen bomen en struikgewas waar geen doorkomen aan is. De takken zwiepen in mijn gezicht en ik word stilaan gek van het eindeloos gezoem van de insecten. Ik ben bijna volledig doorheen mijn waterrantsoen. De hitte is ondraaglijk. Ik overweeg om mijn winterjas aan te doen, in de hoop om de vervelende vliegen niet langer de kans te geven me helemaal op te peuzelen. Op een bepaald moment besef ik dat ik mijn pikkel heb laten liggen op de plek waar ik een foto heb genomen van een verzameling afgestorven bomen. De moed zakt me nu echt helemaal in mijn schoenen. Ik vloek honderduit en mijn gedachten dwalen af naar het verre Ieper. Het is er nu tien uur ´s avonds. Wellicht keek ik nu naar een goeie alternatieve film of zat ik aan den toog van het stadscafé ‘Het Vervolg’... Ik zweer het je, op zulke momenten, wanneer de moraal volledig zoek is en je nauwelijks nog een uitweg ziet, dan hoopte je dat het enkel een slechte droom was, een vage herinnering aan een uitzichtloze situatie.
Ik heb geen andere keuze dan terug te keren, hopend die open plek in het bos terug te vinden. Hoelang ik reeds die bewuste plek heb verlaten, is mij een raadsel. Ik stap terug, twintig, dertig minuten... De open plek met de afgestorven bomen vind ik nergens meer terug. Ik geef de zoekactie op en draai me terug om. Ik trek mijn muts over mijn oren in de hoop mij af te schermen van het gezoem dat mij stilaan knettergek maakt. Met mijn verstand op nul, stap ik verder en verder, goed wetende dat dit de enige manier is om hier ooit uit te geraken.
Om half negen bereik ik eindelijk het Chileense douanekantoortje. Ik ben doodop, uitgeput en leeg. De douanebeamten zijn op de hoogte van mijn komst. Ik krijg er Chileense maté aangeboden. Ik heb haast vijftien uur, onafgebroken, gestapt. Ik sleep mijn voeten vooruit als hing er een loodzware ijzeren bol aanvast. Ik word opgepikt door de parkwachters die me met hun 4x4-jeep terugbrengen naar hun basiskamp, vijf kilometer verderop. Het is bijna negen uur ´s avonds, ik ben stikkapot en zie de terugweg van 65 km per fiets totaal niet meer zitten. Dankbaar krijg ik een overnachting aangeboden in de woning van de parkwachters. Tijdens het douchen meet ik de schade op: twee opgezwollen voeten als olifantenpoten, sokken met twee grote gaten en een pijnlijke blaar. Een half uur later kruip ik in bed. De matras is flinterdun, maar ik voel alleen mijn pijnlijke knieën en voeten. Ik draai me om en zie vanuit het openstaande raam de vulkaan Lanín omhult door nachtelijke nevelslierten. Ik voel hoe ik met een gelukzalige glimlach in slaap val, mijn blik gericht naar de eeuwige sneeuw...
Heel even in de voetsporen van Dixie Dansercoer ... (deel 1) |
Argentinië - Vulkaan Lanín, 13-01-2007 - (dagboek 26) |
 |
 |
 |
 |
De benen voelen nog stram aan wanneer ik rond vijf uur ´s morgens de ijzeren deur van het refugio achter me dicht trek. De refugio ligt er als een ark van Noach te glinsteren tegen een zwart gordijn, vol twinkelende sterren. Hoog boven het sprookjesachtig baldakijn piekt de spitse top van de vulkaan Lanín, een haast ongrijpbare bestemming. Voor alle zekerheid controleer ik nog eens de inhoud van mijn rugzak: 3 liter water, 8 boterhammen, 4 mueslirepen, een first-aid kit, walky-talky, zonnebril, zonnecrème, stijgijzers, fototoestel en toiletpapier. Sinds gisteravond heb ik spetterende diarree. Dit beloofd met een temperatuur van om en bij de drie graden celsius. De batterij van mijn fototoestel heb ik opgeborgen in mijn broekzak. Batterijen hebben de slechte eigenschap niet meer te functioneren bij zeer koud weer.
Nauwelijks vertrokken, bemerk ik dat ik in de verkeerde richting stap. Ik wil geen risico´s nemen en besluit terug te keren. Tweede keer, goede keer. Al snel bereik ik de sneeuwvlakte. De hoogste tijd om de stijgijzers aan te gespen. De sneeuw ligt er nog hard bevroren bij. De ijzeren klauwen van mijn stijgijzers hechten zich eraan vast en zorgen ervoor dat ik zonder al te veel moeite mij een weg kan banen doorheen de sneeuwwitte ijsvlakte. Op een gegeven ogenblik komt één van mijn stijgijzers los te zitten. In een poging die opnieuw vast te gespen, valt mijn rechterhandschoen op het ijs en glijdt als een glunderend kind van een glijbaan, tweehonderd meter naar beneden. Terug naar af! Verdorie! De beklimming begint meer en meer iets weg te hebben van een processie van Echternach. Ik daal opnieuw af, behoedzaam.
Na een dik uur voel ik dat ik het juiste ritme te pakken heb. Mijn pikkel doet niet langer dienst als wandelstok, maar fungeert als derde been. Rond kwart over zes zie ik hoe de horizon rozerood kleurt en de nacht stilaan plaats ruimt voor de dag. Een betoverend mooi schouwspel. Met het uitzicht op de hoge heuveltoppen rondom is het spektakel des te verbluffender. Ik koester de stille hoop dat de wondermooie momentopnames voor eeuwig in mijn visueel geheugen gebrandmerkt bijven. Ik geniet van het bonte kleurenspektakel dat haast onmerkbaar andere gedaantes aanneemt. De wonderen van moeder aarde, badend in het ochtengloed en geflankeerd door parelwitte flanken. Ik kom zintuigen tekort om de kleurenpracht te capteren. Ik heb op mijn tocht reeds veel fantastische momentopnames meegemaakt, maar dit visueel bewegend schilderij overtreft alle schoonheid. Als ik nu nog de top kan bereiken, is de missie volledig geslaagd.
Naarmate de zon meer terrein wint, voel ik hoe het hard bevroren ijs zachter wordt, als een vacht van dons. Het stappen wordt moeilijker, alsook het ademen. Ik zit boven de 3000 meter en de ijzige wind snijdt als een vlijmscherp mes in mijn gezicht. Ik fixeer me op de top die nog eindeloos ver verwijderd ligt. Mijn gedachten dwalen af naar Dixie Dansercoer, de eerste man die te voet zo’n 3.924 km zuidpoolgebied overstak. Wat die man wist te presteren is onwaarschijnlijk; wekenlang de meest grillige natuurelementen trotseren, te midden van één gigantische ijsvlakte, op weg naar die ene eindbestemming...
De zon brandt ongenadig en de sneeuwvlakte weerkaatst als een witte vuurbal. Nog twee-, driehonderd meter... misschien zelfs meer. Ik zwoeg me omhoog, stap per stap... De lucht wordt alsmaar ijler en voor het eerst begin ik te twijfelen. Ik tel: één, twee, drie,... tien. Ik hijg, puf en zweet. Mijn voeten lijken haast bevroren en ik voel hoe al mijn spierkracht meter per meter wegvloeit. De top ligt te glinsteren tegen een wolkeloze hemel. Ik tel opnieuw, maar kom niet verder dan vijf stappen. Nog honderd meter te gaan, denk ik. De wind beukt onophoudelijk en in alle hevigheid. Ik spreek mezelf moed in en wissel voortdurend een blik naar die ene ongrijpbare top. Het halfbevroren ijs knispert als gebroken glas onder mijn voetstappen, steeds trager, maar des te intenser. Nog enkele tientallen meters... De wind raast als een storm langsheen de bergtop. Ik nader, stap per stap, mijn eindbestemming tegemoet.
En eindelijk is het zover... Mijn allereerste stap op de hoogste top. Ik slaak een bravoure kreet die nauwelijks hoorbaar is door het gefluit van de wind. Als deze wind een equivalent is van de Patogonische wind, dan ben ik morgen nog niet thuis. Onwaarschijnlijk! Mijn voornemen om met mijn zelfontspanner mijn overwinning te digitaliseren laat ik veiligheidshalve varen. Ik vrees dat mijn camera door de hevige rukwinden meters ver de lucht in zal worden gekatapulteerd. Anorexiapatiënten raad ik af om deze tocht te ondernemen. Men zou wel eens vlugger beneden kunnen geraken dan verwacht. Ik moet met mijn rug naar de wind staan om zuurstof te kunnen happen. Het uitzicht op de top is allesoverheersend, net als de wind. In een straal van 360 graden overschouw ik een panoramisch zicht dat zich uitstrekt over de landsgrenzen heen. In de verte zie ik enkele Chileens vulkanen liggen. Ik geniet eindeloos, andermaal. Zo´n ervaring zou je met je levenspartner moeten kunnen delen. Goed wetende dat de snijdende wind je zou verhinderen om te spreken. Spreken zonder je lippen te bewegen en intens gelukkig zijn dat je zo mag communiceren. Het moet een wonderbaarlijke ervaring zijn... Nog een laatste blik, een laatste triomfkreet. De afdaling kan beginnen...
Halverwege tussen heden en verleden... |
Argentinië - Vulkaan Lanín, 12-01-2007 - (dagboek 25) |
 |
 |
 |
 |
De volgende morgen vertrek ik pas rond een uur of acht, richting de vulkaan. Opnieuw... Na een vijftal uren fietsen parkeer ik mijn fiets wederom tegen de afgebladerde, bruine voorgevel van het registratiekantoortje. Mijn blitse, blauwkleurige zonnebril steekt deze keer fel af tegen mijn gitzwart haar en schittert als een verchroomde triomfbeker in het felle zonlicht. Het ijs is meteen gebroken en na het geven van de nodige informatie wensen de parkwachters van het nationaal park Lanín me welgemutst een goeie tocht toe. In tegenstelling tot gisteren is er nagenoeg niemand komen opdagen om de beklimming aan te gaan. Er zit niks anders op dan de tocht alleen aan te vangen.
Het eerste anderhalf uur wandel ik doorheen een lenga-bos. Het pad slingert zachtjes omhoog doorheen het groen en brengt me op een open vlakte vanwaaruit ik de steile rug kan zien liggen, een flank die boven de boomgrens voor een groot stuk bestaat uit brokkelige rotsen en lavagruis. Door de jaren heen heeft er zich een pad gevormd waarop ik me langzaam naar boven hijs. Het pad werd jaren geleden omgedoopt tot het muilezelpad, wellicht geïnspireerd op de muiezels die de refugio´s af en toe bevoorraden. Zigzagend stap ik hoger en hoger. Mijn benen voelen zwaar aan, wellicht door de zware fietsdag van gisteren. Naarmate ik verder doorstap, bemerk ik hoe weids de omgeving is. De vulkaan wordt omringd door grootse meren en afgevlakte heuveltoppen.
Tientallen meters voor het bereiken van de eerste refugio, haal ik mijn mondharmonica tevoorschijn. Het kleinood heb ik jaren geleden ooit eens gekregen van een geliefde. De liefde heeft de tand des tijds niet overleefd, de mondharmonica gelukkig wel. Ik speel er een ode aan de verloren liefde. Trage, weemoedige klanken vullen het luchtruim, volgen het pad van het opwaaiende stof en gruis om honderden meters verder neer te dwarrelen als eerste sneeuwvlokken, zacht en broos als de liefde. De klanken doen me wegdromen en versterken het besef van de eenheid met de natuur. Zittend op een hoogte van 2200 meter, speel ik, dagdromend tussen heden en verleden, tussen liefde en realiteit. Een niet muzikaal aangelegde vlieg komt me lastig vallen en na vijf minuten verlies ik het pleit. Ik kan beter maar eens opstappen.
Na iets minder dan vijf uur stappen, zie ik de eerste refugio liggen, een omgekeerde scheepsromp, 3 bij 8 meter groot. Voor de deur zitten twee mannen, militairen van middelbare leeftijd. Ze verwelkomen mij met ijsgekoelde sinaasappelsap. In de refugio maken drie man zich klaar om de terugtocht aan te vangen. Diep bedolven onder een slaapzak ligt een vierde persoon wat uit te rusten. Hij blijkt net terug van de top. De omgekeerde schuit ruikt naar half rotte etensresten in verroest blik. Matrassen zijn er niet en dus zie ik mij genoodzaakt om mijn slaapzak op de koude betonnen vloer te leggen. Een halve minuut later komt één van de militairen aanzetten met een draagberrie, mijn slaapbank voor de komende nacht. Met mijn walky-talky verwittig ik het basiskamp dat ik veilig en wel ben aangekomen in de eerste refugio. Ze wensen me een veilige voortzetting van mijn tocht en een goeie nachtrust. Het is zes uur ´s avonds. Op het wondermooie uitzicht van de omringende bergen na, valt hier weinig te beleven. Ik maak nog wat foto’s van mijn eerste stopplaats op weg naar de top, neem polshoogte inzake de verder te volgen route en pak alle nodige spullen uit die ik morgenvroeg nodig zal hebben. Een uur later kruip ik diep onder de wol. Ik voel me als een astronaut, op weg naar zijn eerste maanlanding. Klein en nietig, stappend doorheen het heelal, val ik in een diepe slaap, dromend over een ledikant met gouden spijlen en een baldakijn van zacht fluweel...
Ach, was ik maar bij moeder thuis gebleven... |
Argentinië - Junin de Los Andes, 11-01-2007 - (dagboek 24) |
 |
 |
Kwart voor vier in de ochtend. Geruisloos kleed ik me aan. Enkele van mijn kamergenoten wentelen zich als slaperige rupsen in hun cocon, steken heel even hun voelsprieten uit, om even later opnieuw de warmte van hun slaapzak op te zoeken. Bij het verlaten van de slaapruimte struikel ik over een slapende rups, liggend op een matras. Bij plaatsgebrek heeft de eigenares er nog een matras bijgelegd. Alles moet geld opbrengen, elke vierkante meter.
Wanneer ik de verlaten straten van het stadje Junin de Los Andes uitfiets, voel ik aan den lijve hoe vroeg het nog is in de ochtend. De bitsige kou van de nacht is nog allesoverheersend. In het lichtschijnsel van de maan en de schaarse straatlantaarns, zie ik mijn eigen schaduw. Met mijn pikkel, een halve meter uitstekend uit mijn rugzak, lijk ik wel op pietje de dood, op weg naar zijn volgend slachtoffer. Of fiets ik mijn eigen dood tegemoet? Ik overweeg om mijn winterjas aan te trekken, maar ik zie er tegenop om de goed vastgemaakte rugzak weer los te maken. In de verte doemen de eerste heuvels op, als vage houtskoollijnen tegen een grijs-zwarte achtergrond. Het is er pikdonker en om niet de weg af te rijden, moet ik me fixeren op de witte, onderbroken streepjeslijnen die zich, halvewege de breedte van de baan, aftekenen als vage schimmen. De koude blijft me parten spelen. In de hoop mijn lichaamstemperatuur wat op te drijven, beeld ik me in dat de heuveltoppen beeldschone, rondvormige borsten zijn waar ik mijn handen aan kan warmen. Zachte Venusheuvels, liggend in een glooiend erotisch landschap. En warempel... het helpt! Of is de stijgende lichaamswarmte te wijten aan de weg die langzaam omhoog loopt? Voor het eerst ben ik de wegenwerkers dankbaar dat ze de baan tot ver over de heuvels hebben aangelegd.
De heuvels blijven elkaar evenwel opvolgen en in een mum van tijd gutst het zweet in kleine beekje langsheen de plooien van mijn skibroek naar beneden. Bij de afdaling bevries ik wederom. Wanneer ik naar beneden suis kleven mijn bezwete kleren als één grote, natte dweil tegen mijn lichaam. Ik ril, koude en warmte volgen elkaar op, op het ritme van de voorbijrijdende heuvels. Ik moet ergens naar links afslaan, maar tot op heden bemerk ik nergens een afslag. Op een gegeven ogenblik daalt de weg onwaarschijnlijk diep. Ik begin een ongemakkelijk voorgevoel te krijgen. Met mijn aansteker licht ik de kilometerteller bij. Ik ben minstens 400 meter gedaald, tot 623 meter boven de zeespiegel. Hier klopt iets niet. De voet van de vulkaan ligt op 1200 meter. Ofwel volgt er mij nog een pittige klim in de resterende 30 km ofwel ben ik totaal de verkeerde kant aan het oprijden. Wegbewijzering valt hier nergens te bespeuren. In de schemerzone tussen nacht en dag, rijd ik een lange brug over. Een rivier... Ik voel nattigheid. Ik open mijn stafkaart en bemerk dat ik inderdaad totaal de andere kant aan het opfietsen ben. Miljard! Haast dertig kilometer, heen en terug, zestig,... voor niets!
Ik maak rechtsomkeer. De moed zakt me zowaar in de schoenen bij de gedachte dat ik in omgekeerde richting de afdaling moet bestijgen. Mijn gemoedstoestand daalt zienderogen naarmate ik de top van de heuvels bereik. Ook mijn erotische gedachten zweven nu zowat rond het vriespunt. Alle moeite voor niks! Wegens de beperkte toegankelijkheid van 60 klimmers per dag, lijkt de kans dat ik vandaag nog de vulkaan kan beklimmen nu wel heel gering. Ik zet me recht op de trappers en probeer alsnog de verloren tijd te beperken. De laatste 10 km krijg ik er nog verharde ripio bovenop. Een voorsmaakje van wat me te wachten staat in Patagonië. Ik hobbel opnieuw over keien, zigzag me een weg doorheen het steengruis en word wederom omhult door stofwolkjes, telkens er een wagen voorbij denderd.
Ik heb geluk. Er blijken vandaag relatief weinig klimmers te zijn. Ik krijg nummer 33 toegewezen. In sierlijke letters schrijf ik mijn naam in het grote register. Het nummer 33 wordt met een groene fluo-stift omkransd, alsof het een geluksgetal is op weg naar de besneeuwde hemel. Vervolgens wordt mijn rugzak aan een grondige inspectie onderworpen. Alles wordt eruit gehaald: winterjas, muts, handschoenen, pikkel, stijgijzers, slaapzak,... Het lijkt wel of ze op zoek zijn naar een dubbele bodem waarin ik een paar kilo´s cocaïne verberg. Mijn rode ogen en druipende neus tengevolge van een aanhoudende verkoudheid, doet hen misschien vermoeden dat ik met de regelmaat van de klok een lijntje snuif. Men begint te discussiëren. Ik vang flarden van woorden op, maar slaag er niet in er een samenhangend verhaal van te maken. Ik blijk één iets te hebben vergeten: mijn zonnebril. Andermaal! Ik voel hoe het kind in mij vloekt, stampvoet en huilt. Gelukkig weet ik alle opborrelende gevoelens van teleurstelling de kiem te smoren en als een neergeslagen hond druip ik af. Vijfenzestig kilometer lang schreeuw ik al mijn frustaties uit. Wanneer ik rond vijf uur opnieuw Junin de Los Andes binnenfiets is mijn woede gemilderd tot het zingen van ‘Ach, was ik maar bij moeder thuis gebleven...’ Ik heb er vandaag 188 km opzitten, voor niks. Ik troost me met de gedachte dat ik morgen alvast mijn plaatsje op de top heb verzekerd...
Op weg naar een nieuwe uitdaging... |
Argentinië - Junin de Los Andes, 10-01-2007 - (dagboek 23) |
 |
 |
Een oude Chinese zegswijze noemt drie dingen die je gedaan moet hebben voor je doodgaat: een boom planten, een reis maken en een boek schrijven. Ik heb er één aan toegevoegd: een vulkaan beklimmen. Ik heb mijn zinnen gezet op de vulkaan Lanín, een goeie 110 km verwijderd van mijn verbroedering met de vier jonge franse fietsers. Er zit duidelijk nog wat teveel promille in mijn benen en dus besluit ik Junin de Los Andes, op een 45 km, te kiezen als uitvalsbasis voor mijn nieuwe uitdaging.
Bij de toeristische dienst word ik doorverwezen naar het infobureau van het Nationaal Park Lanín. Daar verneem ik dat ik moet beschikken over een behoorlijke uitrusting om de klim te kunnen aanvatten. Uiteindelijk beland ik in een speciaalzaak waar ik allerlei materiaal huur: pikkel, stijgijzers, skibroek, walky-talky, gasbrander, EHBO-kit,... Door het achterlaten van een deel van mijn bagage in Bariloche, moet ik extra materiaal huren. Vervolgens ga ik op zoek naar een transportmiddel om tot aan de voet van de vulkaan te geraken. Slechts twee busmaatschappijen rijden er op hun route naar Chili langs. De eerste wil me niet meenemen, tenzij ik dezelfde prijs betaal als voor het traject Junin-Santiago. Hallo... Bedankt voor het aanbod! De tweede maatschappij maakt er geen probleem van, maar heeft ten vroegste pas zaterdag een plaatsje vrij. Ik besluit uiteindelijk om er met de fiets naartoe te rijden. Om mijn fietstassen achter te kunnen laten, zoek ik één van de drie jeugdherbergen op. De ontvangst is er niet bepaald hartelijk te noemen en bij nader toezien kan ik enkel mijn bagage achterlaten mits een vergoeding, hetzelfde equivalent als een overnachting. Ronduit belachelijk! Ik stem toe, goed wetende dat het laatste woord nog niet is gevallen. De rest van de namiddag ben ik druk in de weer met de voorbereidingen. Ik voel me als een eerste communicant die voor het eerst naar de grote school mag. Op de veel te smalle matras van de jeugdherberg liggen al mijn spullen uitgestald, als speelde ik voor ‘winkeltje’... Ik vul mijn schooltas, fier als een gieter en voor het eerst zonder het alziend oog van het ouderlijk gezag. De tent kan ik achterwege laten wegens de aanwezigheid van een refugio halverwege de top. Mijn schooltas is duidelijk niet geschikt voor de grote sprong in de duisternis. Uiteindelijk krijg ik het toch voor elkaar. Ik voel hoe de adrenaline doorheen m´n lichaam stroomt en met een hoofd vol vraagtekens val ik weer eens veel te laat in slaap...
De Ronde van Vlaanderen... |
Argentinië - San Martin de Los Andes, 09-01-2007 - (dagboek 22) |
 |
 |
 |
 |
Ik heb geluk. De schaarse verlichting van de camping stelt me in staat om mijn tent af te breken en mijn spullen bij elkaar te sprokkelen. Het is vijf uur in de ochtend en de maan kleurt het luchtruim vuilwit. Gisteren heb ik een rustdag ingelast en ervan geprofiteerd om het dicht begroeide schiereiland Quetzihué te bezoeken. Op dit schiereiland bevindt zich immers het Nationaal Park ´Los Arrayanes´, genoemd naar de grillige, oranjekleurige bomen die er welig groeien. Ik twijfelde om de catamaran te nemen tot aan ´El bosque de Arrayanes´, maar besloot op de valreep om er toch met de fiets naartoe te rijden. De route voerde me doorheen een uitgestrekt bos en ik genoot er van de schaduwrijke bomen. Bij aankomst had een net aangemeerde catamaran er een horde toeristen uitgespuwd. Het leek wel of ik terechtgekomen was te midden van één of andere schoolreis. Stapvoets vervolgde ik mijn weg langsheen de kaneelachtige boomstammen. Best indrukwekkend. Op de terugweg liep ik twee bekenden tegen het lijf, François en Cindy, het frans-engels fietsend koppel dat ik helemaal aan het begin van mijn tocht in Foz de Iguaçu had ontmoet. Wegens aanhoudende knieproblemen van Cindy legden ze nu hele stukken per bus af.
Het is op aanraden van hen dat ik vroeg uit de veren ben. De weg langsheen het merendistrict ligt er namelijk grotendeels ongeasfalteerd bij. Dit impliceert niet alleen dat het fietstempo beduidend lager ligt, maar evenzo dat voorbijrijdende wagens je eindeloos hullen in een stofwolk. Een paar kilometer na het verlaten van het dorpje Villa La Angostura gaat de geasfalteerde weg inderdaad over in een stoffige, zanderige grindweg. Drie uur lang ben ik de koning te rijk en ontvouwt zich het ene natuurspektakel na het andere. Het lago Nahuel Huapi en het Lago Espejo ontwaken in de warme ochtendkleuren van een schoorvoetende zon. De heuvelende bergtoppen weerspiegelen zich schuchter in de uitgestrekte gletsjermeren, terwijl ze nog omringd worden door een zacht kleurenpalet van paarsblauwe tinten. Adembenemend mooi! Na drie uur wordt de rit overschaduwd door voorbijrijdende wagens en autobussen die me tientallen kilometers onderdompelen in een gordijn van stof. In gedachten denk ik terug aan ‘Motorcycle diaries´, de roadmovie waarin Che Guevara met zijn kompaan, Alberto Granada, vanuit Buenos Aires naar Patagonië, het uiterste zuiden van Zuid-Amerika trekken om vandaar via Chili, Peru en Colombia terecht te komen in het meest noordelijk punt van het continent, meerbepaald in Venezuela. Eén van hun haltes was eveneens San Martin de Los Andes, mijn volgende stopplaats. Hun moeizame tocht doorheen dit stoffig stukje Argentinië werd hier ingeblikt. Ik mag me dan wel niet verplaatsen met een aftandse Norton 500, het idee geeft me extra energie om door te zetten. Ook de ontmoeting met lotgenoten geeft met een extra impuls. Deze route lijkt wel de Ronde van Vlaanderen. Ik kruis tientallen fietsers, in hoofdzaak Argentijnen die er voor een weekje met de fiets op uittrekken. Ze onderscheiden zich van de echte fietsende globetrotters door hun geringe bagage. Maar ook behoorlijk wat Europeanen blijken de zevenmeren-route te hebben gevonden. Zo ontmoet ik er Tom en Eleanor uit Engeland, al tien maanden onderweg. Maar ook vier franse knapen, allen rijdend op dezelfde fietsen, met knalgele fietstassen. Best een grappig zicht. De meest vreemde eend op mijn weg was evenwel Miss Brwagner. Een losgeslagen Amerikaanse vijftigster die net gestart was voor een fietstocht van drie maand. Ze had zo te horen al heel wat watertjes doorzwommen en leefde deeltijds in Bolivië en deeltijds in haar vaderland. Een bizarre, maar leuke ontmoeting.
Ik fiets door tot in San Martin de Los Andes. De laatste tientallen kilometers zijn wederom geasfalteerd, maar nog steeds slingert de weg zich doorheen de bergen en de bossen. De opeenvolgende lagunes schitteren in de late middagzon en onderscheiden zich van elkaar door de begroeiing en de lichtinval. Ik kom superlatieven tekort om de sereenheid van de grootse meren te omschrijven. Wanneer ik uiteindelijk na een fikse afdaling de camping van San Martin de Los Andes bereik, blijk ik mijn tent net naast die van de vier fietsende fransen te hebben geplaatst. We delen er samen het avondmaal en ik luister vol ongeloof naar hun sterke verhalen en hun eindeloos gevecht met de Patagonische wind. We zakken door tot in de vroege uurtjes, wetende dat er toch niemand op ons wacht...
Een glimp van de gaucho-gemeenschap... |
Argentinië - Villa La Angostura, 07-01-2007 - (dagboek 21) |
 |
 |
 |
 |
Ik ben vertrokken voor een reis van zeven dagen naar het merengebied “7 lagos” aan de voet van de Andes. De klok wijst reeds in de richting van half elf wanneer ik ‘het klein Zwitserland’, Bariloche, uitfiets. De zon staat reeds hoog aan de hemel en ik voel instinctmatig dat ik een fantastische week tegemoet fiets. Het fietsen vlot behoorlijk, mede door het achterlaten van een deel van mijn bagage in Bariloche.
Na een goeie 25 km kruist mijn pad kleine groepjes mannen, allen te paard en getooid in traditionele gaucho-klederdracht. Sommige van hen dragen een banier met zich mee. Mijn nieuwsgierigheid wordt dusdanig gewekt en dus maak ik rechtsomkeer en volg hun hoefslagspoor. De groep zwelt aan tot een kleine dertig man, van alle leeftijden. Ze blijken op weg te zijn naar een gaucho-treffen, een soort gaucho-feest, een vijftal kilometer verderop. Na een klein half uurtje nemen ze een afslag. De zanderige weg leidt naar een omheinde, grote vierkante piste met aan het uiteinde een bescheiden podiumpje. De paarden rijden de houten omheining binnen en nemen in slagorde plaats, recht tegenover het podium. Ik laat mijn fiets achter en stel me wat opgedekt op, maar met mijn fototoestel in de aanslag. Ik ben terechtgekomen te midden van een officiële bijeenkomst. Terwijl de gaucho´s worden toegesproken, vergaap ik me aan hun outfit. De ruiters zijn gekleed op hun best. Sommige van hen dragen de typische tirador, een brede leren riem die rijkelijk versierd is met zilveren en gouden versierselen. Naar het schijnt is de tirador één van de belangrijkste kledingstukken, omdat ze de rijkdom en de kwaliteit van de gaucho weergeven. Terwijl uit de boxen het nationaal volkslied van de gaucho´s weerklinkt, wordt de rode gaucho-valg gehesen, samen met de Argentijnse. De toespraken worden afgewisseld met gaucho liederen en dans ter nagedachtenis van hun leider Gil. In Buenos Aires had ik het geluk een documentaire te kunnen zien over deze nationale volksheld.
Gaucho Gil was een soort Robin Hood, die opkwam voor de zwakken in de samenleving. Hij schrok er evenwel niet voor terug om van de rijken te plunderen, maar steeds in het belang van de minderbehoeden. Op een dag werd hij op heterdaad betrapt. Een paar dagen later werd hij geëxecuteerd. Net voor het sterven, vertelde hij aan het hoofd van de politie dat zijn zoon thuis op sterven lag. Hij vroeg de man om in naam van Gaucho Gil te bidden, want alleen dan zou zijn zoon blijven leven. Thuisgekomen trof de politieman inderdaad zijn stervende zoon aan. Hij bad in naam van Gaucho Gil en de jongen bleef in leven. Althans zo vertelt de legende. Een legende die blijft verder leven in de geest van de gaucho-gemeenschap, die Gaucho Gil hebben verheven tot een soort Christus figuur. Zo heb ik hier langs de weg al vaak kleine, roodgeschilderde kapelletjes zien staan, soms in the middle of nowhere. Naast een uit kalk vervaardigde beeltenis van Gaucho Gil, liggen er allerlei persoonlijke spullen in en rond de miniscule tempeltjes die steevast worden geflankeerd door de rode Gaucho-vlag. Een verering die me een beetje doet terugdenken aan de voodoo-cultuur die ik jaren terug ontdekte in het West-Afrikaanse Benin. Al was er daar wel sprake van een extra religieuze dimensie.
De gaucho-gemeenschap intrigeert me wel en via wat opzoekingswerk en verkregen informatie van mensen die ik per toeval ontmoette in de directe nabijheid van de kleine tempeltjes, kom ik aardig wat te weten over deze tot de verbeelding sprekende gemeenschap. Zo lieten de gaucho´s voor het eerst van zich horen in de 18de eeuw. Ze trokken te paard door de vlakte en groeiden op met het talrijke vee dat vrij door de pampa graasde. Op het einde van de 18de eeuw kwam de veeteelt op, met in zijn kielzog het grootgrondbezit. De gaucho zag zich verplicht zich ten dienste te stellen van van de veeboer en de grootgrondbezitter. Ondanks het opgeven van hun vrijheidsleven, bleven hun tradities, kleding en gedragsregels overeind. De gaucho is anno 2007 de vereenzelviging van de romantiek en het vrije leven op de pampa.
Rond het plein worden tentjes opgezet en wordt het houtskool aangestoken voor de asado, het geroosterd vlees. De verzengende hitte brandt ongenadig hard. Het officiële gedeelte is voorbij. De resterende uren worden doorgebracht zoals het op elk goed feest, met eten en drinken. Ik maak nog wat foto’s van enkele schattig uitgedoste kinderen en besluit om mijn weg te vervolgen.
De rest van de weg slingert zich doorheen het Nationaal Park van Nahuel Huapi, het oudste Argentijnse natuurpark dat zich kenmerkt door een oogverblindend mooie fauna en flora. Cipressen en araucaria´s wissen elkaar in snel tempo af. Ik fiets er langsheen klaterende bergriviertjes en zie in de verte bergen en vulkanen met sneeuwtoppen. Na een goeie 70 km bereik ik mijn eerste halte, Villa La Angostura, een populair vakantiedorpje dat meteen het startpunt is van de zevenmeren-route. Ik zoek er de plaatselijke camping op, gelegen aan de zijarm van de Río Limay. De voorbije, korte nacht en de brandende hitte zorgen ervoor dat ik reeds om acht uur doodop in slaap val...
Nog eventjes geduld... |
Argentinië - Bariloche, 15-01-2007 |
Net terug van een fantastische week langsheen de zeven-merenroute en net iets hoger... Van een onrustige
bezoeker kreeg ik reeds een mail met de vraag of ik
soms echt verdwaald was geraakt. Neen, wees gerust,
mijn wielen volgen nog steeds het juiste spoor!
Daar ik een weekje verweg van de virtuele beschaving was, zal ik de komende twee dagen met terugwerkende kracht de verslagen online plaatsen. Het was in ieder geval een zeer bewogen week! Via deze weg wil ik eenieder nog bedanken voor de vele wederwensen voor 2007. Met hetzelfde doorzettingsvermogen zet ik de reis verder, zodat jullie via de site een stukje kunnen meegenieten. Heel binnenkort zal ik wellicht ook te horen zijn op Radio 2, tijdens het programma “Koffers & Co“, waar ik een bijdrage zal leveren in de rubriek ´reistips voor de luisteraars´. Wordt vervolgd... Rest mij nog te vertellen dat de 10.000ste bezoeker zich al een tijd geleden heeft aangemeld, maar ik vergat het tot dusver te melden. De tienduizendste bezoeker was Annelies Schotte uit Klerken. De fles Spaanse Cava is reeds onderweg...
De laatste etappe... |
Argentinië - Bariloche, 05-01-2007 - (dagboek 20) |
 |
 |
 |
 |
De wekker loopt af rond kwart voor zes. Geluidloos sluip ik de tent uit, de kou tegemoet. Over de tentzeilen ligt een rijmlaagje. Mijn sokken voelen klam aan en mijn trekkingschoenen lijken wel bevroren ijsklompen. Voeg daar nog eens 2 voeten aan toe met een gemiddelde temperatuur van 36 graden en binnen het halfuur heb je gegarandeerd zweetvoeten. Nu ja, ook dit hoort bij lange bergwandelingen.
De reden van dit ontiegelijk vroeg ochtenduur is andermaal de zonsopgang. De berghut, omringd door besneeuwde bergtoppen, ligt vlak aan een meer. Een gedroomd decor voor elke fotoliefhebber. Rond zes uur kleurt de opkomende zon de hoogste toppen bruingeel. Ze weerspiegelen zich als een soort fata morgana in de rimpelloze laguna. Het lijkt haast trucage. Na een half uur heeft de zon ook de laatste bergkam ingepalmd en is de betovering zo goed als doorbroken. Wanneer ik terugkeer naar de berghut is de eigenares net begonnen met het aansteken van de houtkachel. Hier en daar zie ik slaperinge ogen ontwaken. Net als de avond ervoren deel ik de ontbijttafel met ‘les faux belges’ en Larry, de man uit het Canadese Québec. Rond half tien vangen we onze laatste bergtocht aan. De zon staat reeds hoog aan de hemel en heeft de helderblauwe lucht een warme gloed. Op het programma staat een tocht van veertien kilometer met een daling van om en bij de 700 meter. Het smalle bergpad slingert zich een weg doorheen de vallei “Casa de Piedra”. Afdalingen zijn vaak nog zwaarder dan felle klimpartijen en hier is dit niet anders. Het landschap en de bosrijke omgeving doen de gewrichtspijnen evenwel vergeten. Op sommige plaatsen lopen we tientallen minuten langs de bedding van een rivier die op sommige plaatsen de vorm aanneemt van een waterval. Het klaterend water straalt een gevoel van rust uit. Hier en daar is het wandelpad doorbroken door kleine riviertjes die zich een weg banen langsheen tientallen kleine rotsblokken. Ze liggen er als afgevlakte dobbelstenen en vormen een natuurlijke brug naar de overkant. We hinkelen van de ene steen naar de andere. Ik waan me opnieuw tien jaar oud. Mijn broekzak is gevuld met kiezelsteentjes. Ik gooi, balanceer op één been en huppel, vastberaden te winnen, naar nummer tien. Jezus, waar is de tijd gebleven? Vandaag speel ik het spel opnieuw, een wedstrijd die niemand winnen kan. Ik balanceer tussen droge en natte voeten, tussen slijk en moeras. In gedachten denk ik terug aan het prachtige lied van Bram Vermeulen 'De steen'. "... Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde
nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten
ik leverde bewijs van mijn bestaan
omdat door het verleggen van die ene steen
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan."
Een man met ongeloofelijk veel talent, die helaas veel te vroeg is heengegaan...
Sommige trajecten lijken wel één groot hinkelspel, een zalig gevoel...
We zijn blijkbaar niet de enigen die ervan genieten, want op een bepaald moment worden we zowaar opgegeten van stekende vliegen en bijen. Ik voel me als een stroopwafel die net iets te lang in het suikerbad is blijven liggen. Zelfs vijf seconden stilstaan om een foto te nemen is een ware marteling. Op een gegeven moment realiseren we dat één van ons de hoofdreden is van het ongedierte. Aan de rugzak van Bertrand bengelt een vuilniszak. Vuilnis kon je in geen enkele berghut achterlaten en dus sleur je je afval mee. Maar zelfs nadat de vuilniszak is opgeborgen in de rugzak blijven we een gegeerd doelwit. Er zit niks anders op dan door te stappen... De aanvallen van de insekten zorgen er evenwel voor dat we er een flinke tred op na houden. Rond drie uur in de namiddag bereiken we het grindpad, het eindpunt van drie onvergetelijke dagen doorheen de bergen. Ik voel hoe mijn ledematen stram worden van de fysieke inspanningen van de voorbije dagen. Ik verlang naar een bed en een warme douche. Bussen komen hier niet langs en dus zit er niks anders op dan nog 8 kilometer te stappen tot aan de eerstvolgende splitsing, vlakbij het dorpje Colonia Suiza. Drie uur later spoel ik het stof, het zweet en de vermoeidheid van de voorbije dagen af met een heerlijke douche. Doodop, maar intens gelukkig slaap ik het klokje rond...
Een adembenemende (hoge) tocht... |
Argentinië - Bariloche, 04-01-2007 - (dagboek 19) |
 |
 |
 |
 |
Ik word wakker door het gestommel van mijn onderbuur. De wijzers van de klok tonen acht uur aan. De hoogste tijd om op te staan. In de veel te kleine slaapruimte hangt een indringende onfrisse lijfgeur. Ik probeer het piepkleine venster te openen, maar het slot is door de jaren heen vastgeroest. Inzake brandveiligheid voldoet deze berghut geenszins aan de normen. Mocht er hier ooit brand uitbreken dan overleefd niemand dit inferno. Nu ja, wie ligt er hier wakker van? Niemand, want op één lege matras na ligt eenieder nog te ronken. De wind is gaan liggen, maar heeft plaats gemaakt voor dreigende onweerswolken. Dit ziet er niet zo best uit...
Een driekwart uur later zit de eetruimte van de berghut wederom afgeladen vol. Eenieder ontwaakt langzaam bij de geur van oploskoffie of maté. Terwijl ik mijn picknick klaarmaak, maant de eigenaar van de herberg ons aan om niet alleen te vertrekken. Het weer blijkt hier vaak heel onvoorspelbaar te zijn, ook tijdens de zomer. Ik sluit me aan bij ‘les faux belges’ die ik gisteravond heb leren kennen. Wanneer we uiteindelijk vertrekken is ons groepje aangedikt tot zeven man: 5 Belgen, 1 Canadees en 1 Israëliër. Er staat een lange bergtocht op het programma, met een daling van 900 meter en een stijging van 1000 meter. Ik voel me wat meer op mijn gemak, nu we in groep vertrokken zijn. De tocht begint meteen vrij stevig, want we moeten via een steile klim naar een bergpas die ons uitzicht biedt op de vallei van Rucaco. De sneeuw ligt er hard bij en dus kappen we ons een weg doorheen het ijs door met de punt van onze schoenen kleine ijsholtes te maken, een halve voetstap groot. De regen blijft gelukkig uit en na een uur stappen priemen de eerste zonnestralen zelfs doorheen het dichte wolkendek. Gelukkig niet voor lang, want door het vergeten van mijn zonnebril voel ik hoe de sneeuw bij de geringste zonnestralen pijnlijk weerkaatst in mijn ogen. Eenmaal de top bereikt, volgt er een steile afdaling via los gruis. Ik voel hoe mijn natte bergschoenen wegzakken in het mulle steengruis en meermaals lijkt het alsof ik alle controle over mijn lichaam verlies. Ik schuif, balanceer, zoek evenwicht en schuif opnieuw. Uiteindelijk geraakt iedereen heelhuids beneden. In het dal volgen we verder het pad dat zich kronkelend een weg baant doorheen bos en drassige weilanden. Een adembenemende wandeling. Na twee uur gaat het bos over in struikgewas en rotshellingen. We beginnen de laatste klim naar de bergpas Brecha Negra op 2000 meter hoogte. Wanneer we opnieuw de sneeuwgrens bereiken, voel ik dat het stappen moeilijker wordt. De rugzak weegt nog even zwaar als voorheen, ook al heb ik mijn watervoorraad beperkt tot een strikt minimum. De Israëliër heeft er duidelijk nog zin in, want eenmaal aangekomen op de top stelt hij voor om, ditmaal zonder rugzak, door te steken naar de hoogste top. Ik aarzel... De Canadees en de andere Belgen kiezen eieren voor hun geld. De top ligt zeker nog vijfhonderd meter hoger. Uiteindelijk beslis ik om mee te gaan. We klauteren over steile rotswanden en slagen erin om bijna een uur later de top te bereiken. Het uitzicht is adembenemend mooi en inwendig voel ik het aan als een kleine overwinning op mezelf. We zijn blijkbaar niet de enigen die houden van grote hoogtes, want even later krijgen we het gezelschap van een groep jongeren. Met zijn allen zetten we een half uur later de lange tocht in naar de refugio Jacob. Het is reeds half negen wanneer we de berghut binnenwandelen. Met een pauze van drie keer een half uur hebben we negen uur gewandeld. Ik ben bekaf. De Israëliër nodigt me uit om samen de tent te delen. Na het opzetten schuiven we aan om te genieten van een welverdiend avondmaal. Electriciteit is er niet en dus wordt de berghut stemmig verlicht met kaarslicht. De vermoeidheid van de voorbije dag wordt weggespoeld met heerlijke rode wijn. Alleen het kampvuur ontbreekt nog...
Een bergtocht met vallen en opstaan... |
Argentinië - Bariloche, 03-01-2007 - (dagboek 18) |
 |
 |
Ik ontwaak drie bussen voorbij acht uur. Mijn voornemen om de eerste bus te nemen richting ‘Villa Catedral’, het skidorp dat tevens de startplaats is van mijn trektocht doorheen het Nahuel Huapi-berggebied ten zuiden van Bariloche, valt volledig in duigen. Gisteravond heb ik te lang blijven plakken aan de keukentafel van de jeugdherberg. De huiselijke sfeer en de haast nachtelijke update van de website zorgden ervoor dat ik pas in het holst van de nacht mijn bed opzocht. Ik aarzel of ik er niet beter aandoe mijn trektocht met een dag uit te stellen, maar dit impliceert dat ik nog een dag verder verwijder ben van mijn volgende bestemming, het zeven merengebied. Uiteindelijk slaag ik erin om de bus van twaalf uur te halen. Een dik half uur later gooi ik mijn loodzware rugzak over mijn schouders. Naast winterkledij, zeul ik twee en een half broden mee, 250 gr margarine, 350 gr aardbeienconfituur, wat salami en kaas, vier bananen, een pak koekjes en vier liter water. Ik voel me als een padvinder die één of ander survivaltocht tegemoet trek. Omdat ik er geen idee van heb hoeveel uren ik zal moeten stappen alvorens de eerste berghut tegen te komen, besluit ik voor het eerste stuk gebruik te maken van de kabelbaan. Dit bespaart me alvast een klimpartij van een goeie 900 meter. Terwijl ik in de rij sta aan te schuiven, stopt plots de kabellift. Er blijkt een technisch mankement te zijn. Na een half uur schiet de kabelbaan opnieuw in gang, maar de verantwoordelijken zijn er duidelijk niet gerust in. De kabelbaan wordt tijdelijk afgesloten om het technisch probleem op te sporen. Lap, daar gaat mijn voorsprong... Het is inmiddels 13u30. Er zit niks anders op dan een andere kabellift te nemen die me ongeveer halverwege van mijn voorgenomen startpunt afzet. Het is kwart voor twee, de tocht kan eindelijk beginnen. De weg wordt gemarkeerd door gele verfstrepen die al snel overgaan in rode stippen. Ik had me verwacht aan een mooi afgelijnd wandelpad doorheen valleien met bergmeertjes, omgeven door hoge rotspieken en bergkammen. Niet het klassieke gezinswandelpad, maar toch... Al gauw blijkt mijn voorstelling nogal af te wijken van hun interpretatie over een bergpad. De stippen voeren me mee langsheen steile rots- en puinhellingen. Het pad klimt op en neer en ik klauter over stenen en rotsblokken. Op een bepaald moment ben ik het noorden of beter gezegd het spoor van de rode stippen volledig kwijt. Uit vrees helemaal verdwaald te lopen, maak ik rechtsomkeer. Ook het feit dat ik hier tot op heden nog niemand heb zien voorbij wandelen, maakt me enigszins ongerust. Tot driemaal toe moet ik een stuk terugkeren. Het spoor van de rode stippen loopt dood. Ik vloek en word me stilaan bewust van de benarde situatie waarin ik verzeild ben geraakt. Volledig terugkeren zie ik evenmin zitten en dus klauter ik opnieuw rotsblok op, rotsblok af. Net wanneer ik het juiste spoor heb teruggevonden, voel ik hoe mijn bergschoenen wegschuiven. Ik probeer me nog vast te klampen, maar tevergeefs. Ik glij twee en een halve meter naar beneden. Het wordt heel even zwart voor mijn ogen. Kort daarop zie ik hoe rode stippen op en neerdansen op het ritme van technobeats om daarna feilloos over te gaan in de tango. Ik voel hoe mijn elleboog en dijbeen om aandacht schreeuwen. De tango maakt plaats voor hersenprikkels die pijn lokaliseren op plaatsen waar schaafwonden mijn huid rozerood kleuren. Ik kijk naar beneden en besef dat ik van geluk mag spreken. Verdomme, waarom moest ik zo nodig die route nemen? Er zal wel een reden zijn waarom ik hier niemand aantref. Een beetje met de moed der wanhoop zet ik mijn tocht verder. Wanneer ik een halfuur later mijn picknick verorber, merk ik dat de mijn margarinevlootje door de val de vorm heeft aangenomen van een ineengedrukt sardinenblikje. De magarine druipt er als vette olie uit en heeft van mijn rugzak één smeerboel gemaakt. Ook dat nog... Neen, het zit me niet echt mee. Op een gegeven ogenblik hoor ik stemmen. Drie jonge kerels verschijnen vanachter de rotsblokken. Ik haal opgelucht adem. Ik scharrel mijn proviand opnieuw bijeen en volg hun spoor. Na een heel eind lopen, zien we hoe een jongeman in de tegenovergestelde richting komt aangerend. Volledig buiten adem vraagt hij of er iemand van ons een gsm bij zich heeft. Zijn vriend heeft even verderop een pijnlijke val gemaakt en heeft wellicht zijn voet gebroken. Een gsm hebben we niet bij de hand en dus besuit de jongeman verder door te lopen tot aan de kabellift. Tien minuten later treffen we inderdaad het slachtoffer aan. We spreken hem moed in en beloven hem om hulp te vragen bij aankomst in de herberg. Het laatste stuk van het traject leidt ons langsheen een steile besneeuwde helling naar een groot meer. Ik zoek tevergeefs naar mijn zonnecrème en zonnebril. Verdorie, in al mijn haast heb ik de meest essentiële zaken in de jeugdherberg laten liggen. Nu, ik zal het wel overleven... Aan de oever zie ik reeds de refugio Frey liggen, het eindpunt van mijn eerste, bewogen bergtocht. Ik heb zin om me naar beneden te laten glijden, maar ik merk evenwel dat op sommige plaatsen het ijs fel aan het smelten is, waardoor er onder de dunne sneeuwkap stromende riviertjes ontstaan. Behoedzaam volgen we onze weg en uiteindelijk bereik ik pas om acht uur ´s avonds het eindpunt. Ik krijg een plaatsje toegewezen op de veel te krappe slaapzaal die plaats biedt voor achttien personen. De versleten matrassen liggen er tegen elkaar aangedrukt, negen op een rij, twee hoog. Het maakt in feite niet veel uit, zolang ik maar een bed heb. Even later schuif ik mijn vermoeide benen onder tafel en geniet ik in het gezelschap van een viertal Belgen uit de streek van Liège van een voortreffelijk avondmaal. Ondanks de vermoeidheid zoeken we nog heel even de kilte op van de nacht. De wind waait onophoudelijk en in de verte hoor ik het wapperen van een tentzeil. Ik prijs me gelukkig dat ik mijn tent deze keer niet heb meegenomen. Mijn jas voelt warm aan en ik trek mijn muts nog iets verder over mijn koude oren. We lopen zwijgzaam rond het grote meer en genieten van de natuurelementen die hier eens te meer vrij spel hebben. Heel in de verte horen we een helicopter. De jongeman is ongetwijfeld gered. Terug aangekomen in de berghut vernemen we van de eigenaar dat we het volledige traject niet kunnen afleggen, wegens teveel sneeuw. Er zit niks anders op dan mijn geplande vierdaagse trektocht met een dag in te korten. Na de avonturen van vandaag ben ik er eerlijk gezegd niet geheel rouwig om...
Het hotel Llao Llao: een gevestigde waarde... |
Argentinië - Bariloche, 02-01-2007 - (dagboek 17) |
 |
 |
 |
 |
Na een valse start (rechtsomkeer gemaakt om wat extra kledij mee te nemen), vat ik mijn fietstocht opnieuw aan naar Llao Llao, een vakantiedorp voor de gegoede burgerij op een goeie 40 km van Bariloche. Het doel van mijn dagtip is het gelijknamig hotel en de verblindend mooie natuur in de nabije omgeving. Ik had het hotel op mijn eerste verkenningstocht reeds opgemerkt, meerbepaald vanuit het 'Punte Panorámico'. Van hieruit had ik een prachtig zicht op het hotel dat omringd was door hoge besneeuwde bergkammen. Ik voelde intuïtief aan dat er een verhaal achter zat, een stukje geschiedenis dat ik vandaag wou ontrafelen. Wanneer ik de slagboom van het hotel bereik en probeer een glimp op te vangen van het overdonderend decor van de unieke ligging, vraagt de verantwoordelijke van de parking wat ik kom doen. Ik ben duidelijk geen hotelgast en dus moet ik met een smoes zien binnen te geraken. "Buenos tardes! Es posible de tomar un cafe o de almorzar?" Als niet-hotelgast kan je hier blijkbaar enkel op reservatie iets eten of drinken. Daar gaat m´n smoes... De jongeman geeft met het telefoonnummer waarop ik kan reserveren. Gelukkig hoef ik niet te reserveren om een paar vragen te stellen en zo kom ik te weten dat het hotel inderdaad een stukje geschiedenis bevat.
Het hotel dateert van de jaren dertig en was lange tijd in handen van een groep artistocraten die hier de zomer doorbrachten. De houten lodge, te midden van het merengebied Llao Llao, was groot genoeg om er de diverse families en bedienden te herbergen. Een jaar later ging het gebouw evenwel in vlammen op. Men bleef echter niet bij de pakken zitten en prompt bouwde men een nieuw buitenverblijf, ditmaal met grote delen in steen. Het noodlot sloeg opnieuw toe, deze keer onder de vorm van een economische crisis. In 1978 sloot het buitenverblijf zijn deuren en dit voor vijftien jaar. Pas negen jaar geleden pompten nieuwe investeerders geld in het verloederde bouwwerk, pasten het aan aan de nieuwe noden van het opkomend toerisme en deelden de gigantische ruimtes op in 150 kamers en 11 suites. Op mijn vraag hoeveel een nachtje in de duurste suite me kost, krijg ik evenwel geen antwoord. De zwijgplicht over de ronde getallen met wellicht veel nullen, zegt voldoende... Ik bedank de jonge man voor zijn rijke, historische kennis van het hotel en besluit mijn geluk inzake het nuttigen van een koffie te beproeven in het clubhouse van de golf.
Het clubhuis ligt al op een even idyllische plek, een paar groene heuvels verder. Wanneer ik de knus ingerichte ruimte betreed, begint mijn hart net iets sneller te slaan. Vanuit de bar weerklinkt de zachte stem van de Amerikaanse singer songwriter Tracy Chapman. Ik glijd diep weg in de rode fauteuil, van waaruit ik een grandioos zicht heb op de besneeuwde bergtoppen. Een kleine kerstboom met donkerrode fluwelen strikken blikt nog heel even terug op het voorbije jaar. Ik bestel er ‘cafe doble e tarta manzana con mantecado helado e nata batida’. Ik geniet er mateloos van de muziek, de aroma van de dampende koffie, het gebak en het schouwspel van de golfers die met engelengeduld streven naar een betere handicap. Gek, net nu word ik overvallen door een vleugje eenzaamheid. Mijn gedachten dwalen af en ik voel hoe mijn hoofd rust op de boezem van m´n geliefde. We kijken zwijgend, onder het genot van een bakje troost, naar de wijze waarop een man van middelbare leeftijd in sportoutfit zijn swing probeert te vervolmaken. De golfballen schieten het luchtruim in als waren het welgericht, afgevuurde kogels. Ik zak dieper weg en voel hoe de boezem de vorm aanneemt van de armleuning van de sofa. De muziek draait door, op het nummer 'Fast Car' dan nog wel en ik voel hoe de droom is doorprikt. Tijd om op te stappen...
Morgen vertrek ik voor een vierdaagse trekking de bergen in. De rugzak bevat naast winterkledij, voedsel en drank voor vier dagen. De bergschoenen zijn ingesmeerd en de mp3-player opgeladen. Nu alleen maar hopen dat de wind en de sneeuw niet teveel roet in het eten gooit. Nu, sneeuw schijnt hier ook veel vitaminen te bevatten...
Van oud naar nieuw... |
Argentinië - Bariloche, 1-01-2007 - (dagboek 16) |
 |
 |
 |
 |
De techno beats dreunen onophoudelijk en ik voel plakkerige bezwete lichamen die als kronkelende slangen meebewegen op de tonen van de veel te luide muziek. Ik bevind me op een oudejaarsparty op een 20 km van Bariloche. Het is half drie ´s nachts en de dansvloer davert zowat op z´n grondvesten. Ik zoek af en toe de kilte van de nacht op, om mijn linker- en rechterbuis van Eustachius wat op adem te laten komen. Op het grote balkon van het gebouw hebben ze een soort chillout room ingericht. Een verkleumde dj draait er wat rustiger muziek. Ik verkies liever deze naar wietruikende ruimte, dan het hels kabaal even verderop. De nachtelijke kou noodzaakt me evenwel om terug de dreunende newbeats op te zoeken en zo pendel ik een paar uur lang tussen bevroren, halfslaperige dansers en onvermoeibare techno-nachtraven. De eerste bus die naar Bariloche terugkeert is pas om half negen ´s morgens...
In wezen vergezel ik drie Nederlanders, die net als ik overnachten in dezelfde jeugdherberg te Bariloche. Voor het vertrek naar de party had de eigenaar een grootse barbecue klaargemaakt. Een avond lang verbroederden tientallen nationaliteiten en zongen we het nieuwe jaar in met vredesliederen, alsof we zo hoopten de laatste donkere bladzijde van het voorbije jaar te kunnen verdoezelen. De wereldvrede leek heel even een feit...
Het Frans koppel waarmee ik in Buenos Aires had afgesproken, bleek bij mijn aankomst spoorloos. Wellicht was de jeugdherberg toen zij aankwamen volboekt en hebben ze een ander onderkomen gezocht. Jammer, maar het lot zal wel bepalen of we elkander opnieuw tegen het lijf lopen.
De jeugdherberg ademt dezelfde sfeer uit als de rest van Bariloche, met name ‘Zwitsers’. De houten chalet lijkt zo weggeplukt uit een Zwitsers bergdorpje en ook de huizen errond met hun lichtbruine cipressen- en pijnboomhout, vertonen onmiskenbare tekenen van Zwitserse invloeden. Invloeden die de eerste bewoners van dit stadje in het begin van vorige eeuw vanuit Zwitserland met zich meebrachten. Bij mijn eerste verkenningstocht in de stad, begon ik zelfs te twijfelen of de bus me niet in een ander land had gedropt. Zelfs de etalageramen van de winkels puilen hier uit van chocolade, Zwitserse natuurlijk. En om de verwarring nog completer te maken is de natuur hier op en top Zwitsers: besneeuwde bergtoppen, diepgroene bossen en azuurblauwe meren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Bariloche het belangrijkste wintersportgebied is van heel Argentinië. De seizoenen zijn hier omgekeerd dan in België en dus heeft het skiën hier plaats gemaakt voor andere sportmogelijkheden: raften, bergbeklimmen, trekkings, kajakken,... De huiselijke sfeer van de jeugdherberg en de fantastische verhalen van de medebewoners over onvergetelijke bergtochten, heeft me ertoe aangezet om hier wat langer te blijven hangen. Zo heb ik een vierdaagse trekking gepland, alsook een bezoek aan het zevenmerengebied. Het gevecht met de Andes is –gelukkig- nog niet voor morgen...
Een moeizaam vertrek uit Buenos Aires... |
Argentinië - Bariloche, 1-01-2007 - (dagboek 15) |
 |
 |
“Buenas días a todo el mundo. En cinco minutos llegamos in Bariloche. La companía ‘Via Bariloche’ vos agradece para viajar con nosotros...” De buschauffeur ratelt zijn woorden af als zat hij aan de kassa van de droge voeding. De twintig uur durende busreis is al bij al nog vlot verlopen, vlotter dan het vertrek.
Bij het verlaten van Buenos Aires werd ik nog getrakteerd op een sneeuwval van witte papiersnippers. Voor kantoorbedienden is het een vast ritueel om op de laatste werkdag van het jaar al het gebruikte kladpapier van het voorbije jaar door de kantoorramen te kieperen. Een absolute hoogdag, niet alleen voor de bedienden, maar tevens ook voor de honderden cartoñeros die hier leven of beter gezegd overleven van het ophalen van papier en karton.
Door de onverwachte sneeuwval was ik te lang in het centrum blijven hangen, met alle gevolgen vandien. Niet alleen vond ik het juiste platform niet van waaruit de bus vertrok, maar tevens kreeg ik te horen dat de fiets volledig ontmanteld moest worden én ingepakt. In de gigantische busterminal was er een inpakdienst die -tegen betaling natuurlijk- de klus ging klaren. Nu moet je weten dat zo´n busterminal zowat fungeert als een vlieghaven. De helse drukte laat zich al raden... Ondertussen tikte de klok ongenadig verder in de richting van het vertrekuur. Ik beperkte de ontmanteling van mijn fiets tot het verwijderen van het voorwiel. De inpakdienst had zijn handen vol en met de minuut zag de situatie er uitzichtlozer uit. De roltrap was buiten dienst en dus moest ik nog eens mijn loodzware fietstassen één voor één naar boven sleuren. Nog vijf minuten te gaan. De bus startte de motor en maakte zich klaar om te vertrekken. Ik probeerde de buschauffeur duidelijk te maken dat de fiets nog niet volledig was ingepakt, maar hij leek evenwel weinig begripvol en gaf me duidelijk te verstaan dat ik maar vroeger had moeten opdagen. Ik holde trappen af, trappen op, met onder mijn arm loodzware tassen. De laatste fietstas werd in de bagageruimte gegooid. Negentien uur achttien... het vertrekuur van de bus. Het zweet gutste in beekjes doorheen al mijn poriën en ik werd zowaar verlamd van angst bij de gedachte dat de bus zou wegrijden met al mijn fietstassen, terwijl ik alleen zou achterblijven met een ingepakte, ontmantelde fiets. Ik stak de persoon van de inpakdienst 10 pesos in zijn handen en als in een te snel afgedraaide film wriemelden we ons met de ingepakte fiets boven ons hoofd naar de bushalte. We waren geen seconde te vroeg...
Afscheid van Buenos Aires... |
Argentinië - Buenos Aires, 31-12-2006 - (dagboek 14) |
 |
 |
 |
 |
Ik sluit mijn verblijf in Buenos Aires af op een wereldse, haast diplomatieke wijze. Althans als ik de portier van het café Tortoni mag geloven. Al sinds 1858 is Tortoni dé ontmoetingsplek bij uitstek van tal van beroemdheden uit de wereld van de politiek, theater en film. Om mij te overtuigen raadt hij me aan om een blik te werpen in de vitrinekast met foto´s van tal van grootheden die er ooit het café hebben gefrequenteerd. “Moesten die beroemdheden ook in de rij staan om hun koffie te nuttigen?”, grap ik ondeugend. De portier antwoordt wat geïrriteerd met de typische Spaanse uitdrukking: “Claro que no!” (Natuurlijk niet!) Een bezoek aan het etablissement is ook een vaste waarde voor elke toerist en dus vormen er zich vaak dichte rijen bij de ingang. Koppels krijgen er voorrang wegens financieel interessanter. De business moet draaien en dus wordt er maximaal gebruik gemaakt van de capaciteit van het aantal ronde tafeltjes. Alleen reizen heeft af en toe wel eens zijn nadelen. Uiteindelijk krijg ik toch een plaatsje toegewezen. Het café zit stampvol en ademt de verwachte grandeur uit van een ver verleden. De wanden hangen vol met prenten en foto´s uit de tijd toen Tortoni de stamcafé was van onsterfelijke artistieke grootheden als Carlos Gardel, Jorge Luís Borges en Frederico Garcia Lorca. Bronzen bustes vormen de stille getuigen van hun aanwezigheid, lang geleden. Helemaal achterin is er een intiem theaterzaaltje, veertig man groot. Ook hier snuif ik de weemoed van de tango die danst op de tonen van een vervolgen tijd. Ik bestel er koffie met bijhorende ‘facturas’ (kleine koffiekoeken) en geniet van de sfeer die er als een waas van nostalgie is blijven hangen. Bij het verlaten van het stukje cultureel erfgoed, merk ik dat Hillary Clinton ook al haar vast stekje in de vitrinekast heeft gekregen. Een foto van een verdwaalde zwerver valt er evenwel nergens te bespeuren...
8/ Plaza de Mayo
Plazo de Mayo is zowat het hart van Buenos Aires. Naast de fraaie architecturale bouwwerken is dit plein voor mij een beetje een herkenningspunt doorheen het kluwen van straten en pleinen. Voor de bewoners van Buenos Aires is Plaza de Mayo een doorleefd stukje geschiedenis. Tal van gebouwen hebben elk hun verhaal. Zo blijft ‘el cabilo’, het oude gemeetehuis, verbonden met de onafhankelijkheid die de vrijheidsstrijders in mei 1810 uitriepen. Het Casa Rosada (Roze Huis) roept dan weer herinneringen op aan de turbulente periode van Péron. Naar het schijnt was het toen voor het eerst in de Argentijnse geschiedenis dat het gewone volk bezit nam van het plein. Het Casa Rosada fungeert nog steeds als presidentieel paleis en is zowat het centrum van de macht waar tal van buitenlandse gasten nog steeds met de nodige ceremonie worden ontvangen. Een verdwaalde zwerver is hier geen eregast en dus beperk ik mij tot een blik te werpen op het balkon van het zalmkleurig gebouw. Van hieruit hielden Juan Perón en zijn vrouw Evita hun legendarische toespraken. Ik wandel er langs en in gedachten denk ik terug aan de archiefbeelden die ik zag in het Evita museum. Net voor het paleis prijkt het standbeeld van de grote vrijheidsstrijder, José de San Martin, ruiterlijk op zijn paard. Zijn stoffelijke resten liggen opgeborgen in het mausoleum dat is ondergebracht in ‘el Catedral Metropolitana’ dat zich eveneens op hetzelfde plein bevindt. De kathedraal heeft een haast keizerlijke façade en is voor vele Argentijnen een heilige plek, precies omwille van het mausoleum.
Plaza de Mayo is een stukje legende geworden. Een legende die nog elke donderdagmiddag nieuw leven wordt ingeblazen door de ‘Madres’, de ‘dwaze’ moeders die hier nog elke week hun rondjes lopen rond ‘el pirámida de Mayo’, een monument ter herinnering aan de revolutie van mei 1810. In april 1977 kwamen ze voor het eerst in het nieuws, toen ze getooid met hun witte hoofddoek als herkenningsteken, rond het monument liepen, vragend naar hun verdwenen familieleden. Het militaire tereurbewind pakte in die periode duizenden onschuldige burgers op, waarvan velen verdwenen in massagraven of al dan niet levend in de Río de la Plata of de oceaan werden gedumpt. De moeders hebben zich in de loop der jaren zelf verenigd en verrichten zelfs nu nog onderzoek naar de misdadige praktijken van het militaire regime van toen.
Ik zie ze rondjes lopen in de blakende zon met in hun kielzog een horde fotograferende toeristen. Ik voel opborrelende gemengde gevoelens bij dit schouwspel. De ‘madres’ zijn uitgegroeid tot een toeristische attractie waar ook de organisatie zelf munt uit slaat. Op een steenworp van de rondlopende moeders zie ik hoe stokoude dames allerlei zaken, gaande van T-shirts, boeken en sleutelhangertjes, proberen te slijten aan de tientallen toeristen.
Ze mogen dan wel de belichaming zijn van het burgerverzet tegen de schendingen van de mensenrechten en de militaire dictatuur, ik vrees dat er weinigen er nog echt van wakker liggen. Voor touroperators zijn ze een dankbaar verkoopprodukt geworden en voor de huidige regering is het een afgesloten hoofdstuk uit de trieste Argentijnse geschiedenis. De ‘madres’ van toen zijn inmiddels bejaarde vrouwen geworden en fel uitgedund doorheen de jaren. Ze blijven zich vastklampen aan die ene foto die ze wekelijks uit dezelfde lade halen, met trillende hand in hun handtas stoppen om die even later een half uur lang te tonen aan de toeristen die het geheel als een leuk stukje entertainment beschouwen tussen de obligate museabezoeken. De kern van de zaak verdwijnt in het digitaal geflits en de moeders blijven alleen achter met de vergeelde foto en de herinnering die met de jaren vager wordt...
9/ Avenida de Mayo
Vanuit het centrale plein, Plaza de Mayo, vertrekt één van de bekendste boulevards, ‘la Avenida de Mayo’. Ik wandel er op de Champs-Elysées van deze wereldstad om er voornamelijk te genieten van de uitzonderijke architecturale imposante bouwwerken die deze avenida flankeren. Zo word ik bekoord door het palácio de la Prensa (het hoofdkantoor van de oudste krant). Bovenop het gebouw zie ik een bronzen beeld met lantaarn en krant in de hand. Het licht van de wijsheid?
Ook het wereldvermaarde café Tortoni is hier gevestigd, evenals het statige hotel Catelar. De glimmende houten draaideur aan de ingang roept nog wat het belle-époque-gevoel op van weleer. Een goudkleurig bordje aan de ingang bevestigd dat Garcia Lorca er ooit nog een tijdje heeft vertoefd. Het is een mooie gedachte te weten dat faam ook hier nog hoog in het vaandel wordt gedragen. Hotels, bars en confiteria´s volgen er elkaar in snel tempo op. Sommige staan in steigers voor broodnodige renovatiewerken. Het heeft me een goed gevoel te zien dat Buenos Aires, na de devaluatie van de peso in 2002, er stilaan bovenop komt. De bars doen opnieuw gouden zaken en zelfs de laatste centavos rollen er opnieuw als voorheen. Het absolute paradepaardje bevindt zich evenwel helemaal op het einde van de avenu, met name ‘el Congreso Nacional’. Het politiek establishment, senaat en huis van afgevaardigden bouwen hier de verdere toekomst van Argentinië en Buenos Aires in het bijzonder verder uit. Ik vergaap me aan de weelderige ornamenten en de corintische zuilen die de hoofdingang domineren. Ook binnenin is de aankleding even stijlvol. Marmer, bronzen scultpuren en keizerlijke kroonluchters zijn er alles overheersend. Wanneer ik buitenstap zie ik hoe het congresgebouw zich weerspiegeld in de getinte ruiten van het moderne kantoor aan de overkant. Het is me eens te meer duidelijk dat Buenos Aires een kruispunt vormt van heden en verleden...
Op naar de Andes... |
Argentinië - Buenos Aires, 28-12-2006 - (dagboek 13) |
 |
 |
De digitale weegschaal geeft 4 kg en 720 gram aan. Goed voor 85 pesos (21,5 euro) overgewicht. De voorbije dagen heb ik een grondige analyse gemaakt van mijn bagage. De recente aankoop van winterjas, muts en handschoenen noodzaakte me om bepaalde zaken als overbodig te gaan beschouwen. De landkaarten van Paraguay, Brazilië en Uruguay en de reisgids van Brazilië behoorden tot de gemakkelijke selectie, evenals de verzamelde folders van allerlei bezienswaardigheden. Daarna volgde een langzaam proces van wikken en wegen. Je begint essentiële vragen te stellen over wat er in bepaalde omstandigheden primeert en dan kom je tot de slotsom dat het leven van een verdwaalde zwerver draait rond twee levensbehoeften: ‘eten’ en ‘lichamelijke warmte’. De derde levensbehoefte, ‘liefdevolle, huiselijke warmte’, heb ik een maand of drie geleden reeds ingeruild voor een ongemeen boeiende ontdekkingstocht doorheen een verrassend mooi en verscheiden continent. Voor mezelf primeert de laatste behoefte en dus werd de rest van mijn doos volgestouwd met een kookset van potten en pannen en het bijhorende campingvuurtje. Tot slot voegde ik er nog mijn fietsschoenen aan toe. Met het oog op de vele trekkings, lijken mijn bergschoenen meer aangewezen. Sorry Luc (beter bekend als dé vélomaker uit Boezinge), maar met het oog op de Andes moet ik hier meer dan ooit “kill your darlings” toepassen.
Ondertussen zijn de fietstassen opnieuw ingepakt: propvol en loodzwaar. De mp3-player is terug opgeladen en ook de fiets heeft een grondige inspectie ondergaan. Deze morgen, nog voor het kraaien van de haan, de fiets heimelijk binnengesmokkeld in de doucheruimte voor een broodnodige carwash. Waar hotels toch allemaal niet goed voor zijn...
Ik vertrek met een dag vertraging uit Buenos Aires. Reden is mijn toevallige ontmoeting met een koppel uit de streek van Toulouse. Ze zijn net aangekomen voor een tien maand durende fietstocht doorheen Zuid-Amerika. Hun vertrekpunt is Bariloche. Om de saaie, lange afstand van 1500 km tussen Buenos Aires en Bariloche te overbruggen hebben ze een busticket aangeschaft. Ze overhaalden mij om hetzelfde te doen en een stukje met hen mee te fietsen. Ik vond evenwel geen ticket meer om op dezelfde dag te vertrekken en dus vertrek ik twee dagen later dan het koppel.
De laatste verkenningstocht langsheen ‘La Plaza en la Avenida de Mayo’, alsook de laatste fotoreportage van Buenos Aires, hebben jullie nog te goed. Maar eerst de bus op voor een 20 uur durende rit naar het startpunt van mijn tocht doorheen de Andes...
10.000ste bezoeker... |
Argentinië - Buenos Aires, 28-12-2006 |
 |
De dure klassewijn van gisteren smaakt nog na en in gedachten denk ik
terug aan de onvergetelijke avond. Ik hoor opnieuw hoe de bandonéon inzet
en zie hoe de dame aan het belendende tafeltje mij ten dans vraagt. Twee
tellen staan we onbeweeglijk, als een standbeeld van verkrampte liefde.
Daarna hef ik mijn hoofd, strek ik mijn been naar achteren en glijdt mijn
sandaal gracieus over de dansvloer. En zij, zij volgt...
Ik had gisteren trouwens iets te vieren. Op tweede kerst stond de
bezoekersteller van mijn website nl op 10.000! Ronde getallen hebben iets feestelijks en dus verdient de 10.000ste bezoeker een fles Spaanse Cava. De persoon (man of vrouw) is mij onbekend, maar ik heb wel het IP-adres van de desbetreffende persoon kunnen opsnorren. Wie de trotse eigenaar is van volgend IP-nummer( 84.193.70.150), gelieve u zich kenbaar te maken! Een ijsgekoelde fles Cava ligt alvast voor u klaar!
Een IP adres is een uniek nummer dat verwijst naar een fysieke server/computer. Iedere computer met internet verbinding heeft zo’n nummer. Een heel gemakkelijke manier om je eigen IP-adres te vinden,kan je via onderstaande website. Je nummer verschijnt automatisch op het scherm! http://www.whatismyip.com
Als troostprijs voor de vele andere trouwe fans, heb ik speciaal een exclusieve fotoreportage van het Recoletakerkhof op de site geplaats. Alvast veel kijkgenot!
Op de golven van het verlangen... |
Argentinië - Buenos Aires, 27-12-2006 - (dagboek 12) |
 |
Ik zit aan een vierkant tafeltje in het Argentijnse ‘Los 36 Billares’, een begrip in de tangowereld. Rondom mij zitten uitgedoste dames en afgeborstelde heren in drieledig pak. Ik voel me wat verlegen en onwennig. De dame aan het belendende tafeltje heeft reeds diverse malen een minachtende blik geworpen in m´n richting. Je zou voor minder... Met m´n trekkersbroek, fiets T-Shirt en teva-sandalen val ik hier duidelijk uit de toon. Of is ‘noot’ hier beter op zijn plaats?
De menu- en wijnkaart stralen eenzelfde klasse uit als het restaurant: duur en stijlvol. Mijn voorlaatste avond in Buenos Aires. Ik heb zin in wijn, klassewijn. Wanneer de ober met vlinderstrik de ijsgekoelde ‘Luigé Bosea Chardonnay’ neerzet en aan tafel ontkurkt, geef ik de met minachting kijkende buurvrouw een vette knipoog. Met een speelse glimlach beantwoordt ze mijn non-communicatief gedrag. De driekoppige band zet de tango-avond in en ik droom weg op de golven van het verlangen, die worden weggespoeld door nostalgische klanken van onvervulde liefde. Drie kwart liter later word ik ten dans gevraagd -inderdaad- door de dame die ik trakteerde op een vette knipoog. “Extranjero?” Vreemde manier om iemand ten dans te vragen... Dansen kan ik geenszins en tango allesbehalve. De wijn benevelt mijn verstand , mijn voeten en mijn benen, maar ik dans: weemoedig en hunkerend naar liefde, op de golven van het verlangen. Ik word weemoeddronken en dans alsof ik al jaren de tango dans. De muziek stopt, het applaus zwelt aan en ik voel tientallen blikken van uiteenlopende gevoelens. De accordeon zet opnieuw in. Traag slepend als een kreupel en ik voel hoe het rubber van mijn sandalen contact zoekt met de muisgrijze tegels. De tristesse maakt me droevig. Of is het de drank? Ik doe nog een laatste danspas, groet mijn toeschouwers en verlaat de dansvloer, gracieus zoals het past in de tangowereld. Op de tonen van 'Mi Buenos Aires querido' verlaat ik een begrip in de tangowereld. Honderd en twaalf jaar oud, gedrenkt door historie en anekdotes. Ik denk dat ik er vandaag een bladzijde heb aan toegevoegd...
Een ongewone kerstavond... |
Argentinië - Buenos Aires, 27-12-2006 - (dagboek 11) |
 |
Wat doet een verdwaalde zwerver, duizenden kilometers ver van huis en haard op een avond als kerstavond? Het is een vraag die me de voorbije dagen vaak werd gesteld, ook door sommige porteños...
Kerstavond, iets over zes uur ´s avonds. Het internetcafé zit halfvol. Uit de kleine boxen weerklinkt ‘Feliz Navidad’, alsof we dit zouden kunnen vergeten. Ik verras mijn familie met een telefoontje vanuit het verre Argentinië. Kerstavond is traditioneel een familiegebeuren, ook bij ons. Skype lijkt hier zowat een kerstgeschenk. Voor 0,017 euro per minuut bel ik met de computer naar een vast telefoonnummer, duizenden mijls over land en zee. Onvoorstelbaar! Iets voor negen wordt de volumeknop enkele decibels hoger gezet. De uitbater roept over de tonen van de muziek: “Feliz Navidad! Tiempo de salir a su casa para comer parilla con su familia!” (Tijd om naar huis te vertrekken en te barbecuen met het gezin!)
Het is even zoeken naar een restaurant dat op kerstavond zijn deuren opent voor eenzaten en een verdwaalde zwerver. De Chinees om de hoek van la calle Lavalle is zowat de enige die open is. De Chinees heeft zich aangepast aan de noden van zijn klanten, want helemaal achteraan prijkt er een bord met rode letters: PARILLA. Wil je Argentijnen over de vloer krijgen dan zijn geroosterde ribstukken, kip en worsten een sine qua non. Het is kerst en dus bestel ik een fles rode Argentijnse wijn. Achteraf gezien niet de beste beslissing, want bij het afrekenen wordt mij nog een glaasje goedkope schuimwijn aangeboden. Rond middernacht snurk ik het hotel half wakker. Gelukkig niet voor lang, want anderhalf uur later loopt mijn wekker af. Lichtjes beneveld spring ik in mijn kleren en begeef me gewapend met stratenplan en een ‘dulce de pan’ (typisch Zuid-Amerikaans brood, meestal gekonfijt), naar la calle ‘Riobamba 1050’. Via een flyer met als titel ‘Una Navidad para Todos’, ben ik enkele dagen terug in contact gekomen met een groep jongeren die zich op diverse manieren inzet voor de minstbedeelden. Wanneer ik iets over twee uur ´s nachts aankom, is men net begonnen met de verdeling van de groepen. Ik sluit me aan bij de vijf jonge gasten, allen woonachtig in Buenos Aires. We krijgen elk twee grote plastiekzakken, gevuld met `dulce de pan’, alsook een gedetailleerd stratenplan met daarop enkele, in fluo aangebrachte kruisjes. Het zijn plaatsen waar mensen ondanks de feestavond toch moeten werken (portiers, ziekenhuispersoneel, nachtwakers,...) De organisatoren drukken ons nog even op het hart om ook extra aandacht te besteden aan de daklozen. Gedurende drie en een half uur wandelen we doorheen de donkere straten van Buenos Aires en verrassen tal van mensen: de bloemist, de portier van het hotel, de nachtwaker van de parkeergarage, de clochard,... Ik heb mijn fototoestel op zak, maar vind het niet gepast om de armoede op een avond als deze op de gevoelige plaat vast te leggen. De wijze waarop sommige een dagelijkse strijd tegen de armoede voeren in deze miljoenenstad is ronduit schrijnend. Ze leven en overleven, tussen het vuil, weggedoken in een portiek of in één of ander park. We treffen er mensen van alle leeftijden aan, zelfs kinderen die alleen ronddwalen, hunkerend naar geborgenheid en huiselijke warmte. Rond half zes beeindigen we onze tocht op de plaats van afspraak en nemen met een gemengd gevoel afscheid van elkaar. Op de terugweg zie ik hoe een bejaarde vrouw wakker wordt en onbegrijpend in het rond kijkt, haar ‘dulce de pan’ zacht drukkend tegen haar borst...
Palermo: rustplaats van beroemdheden... |
Argentinië - Buenos Aires, 26-12-2006 - (dagboek 10) |
 |
 |
 |
 |
7/ het grote, oude Palermo:
Meer in het noordwesten ligt het andere Palermo, het oude Palermo. Riante villa´s hebben hier plaats gemaakt voor middenklassehuisjes die eigendom zijn van porteños die zich hier kwamen vestigen nadat eind 19de eeuw epidemieën waren uitgebroken ten zuiden van de stad, meerbepaald in 'La Boca' en 'San Telmo'. Maar ook immigranten uit vnl. Oost-Europa streken hier neer. Onder hen ook de familie van de bekende Argentijnse dichter Jorge Luis Bourges.
De reden van mijn bezoek aan deze wijk heeft ondermeer te maken met zijn recentste aanwinst, met name het museum dat gewijd is aan het leven en werk van de beroemdste first lady van Zuid-Amerika, Evita Perón. Voor het eerst krijg ik een totaalbeeld van de persoon achter het bekende gezicht. Op een aanschouwelijke manier word ik wegwijs gemaakt in het leven van deze toch wel bijzondere dame: haar jeugd, haar loopbaan als actrice, haar huwelijk met Juan Perón, haar strijd voor de minstbedeelden en de vrouwen, alsook haar tragische einde op de zeer jonge leeftijd van 33 jaar. Evita bezweek na een korte strijd aan baarmoederkanker. Oud filmisch beeldmateriaal brengt de puzzelstukken van haar leven samen en geeft een indringend beeld van Evita en de samenleving die haar zo nauw aan het hart lag. De aangrijpende filmbeelden die verslag uitbrengen over de in rouw gedrenkte bevolking n.a.v. haar massale begrafenis in 1952, maakt me duidelijk waarom ze tot op de dag van vandaag verder blijft leven in de geest en vooral het hart van miljoenen Argentijnen. Met haar enorme charisma, haar tirades tegen de gehate oligarchie en haar onverbiddelijke inzet voor de armen en de zwakke positie van de vrouw, is ze anno 2006 uitgegroeid tot hét symbool van sociale gerechtigheid.
De tweede reden van m´n bezoek aan deze wijk is het 'Cementerio de la Chacarita' en meerbepaald het graf van een andere icoon uit de Argentijnse geschiedenis, die van Carlos Gardel. Als er één man voor eeuwig verbonden zal blijven met de tango dan is het wel Gardel. De tangolegende die heel Argentinië aan het zingen bracht en zichzelf onsterfelijk maakte met 'Mi Buenos Aires querido' en 'Mi noche triste'. Zijn graf dat zich kenmerkt door een groot bronzen standbeeld is net als dat van Evita uitgegroeid tot een bedevaartsoord. Tussen zijn vingers zie ik een sigarettenpeukje, een restant van een brandende sigaret, aangebracht door een fan. Ik vind het aandoenlijke manier om de legende levendig te houden. Aan de gedenkplaten en de bloemenzee kan ik duidelijk afleiden dat de man de status van eeuwigheid moeiteloos zal overtreffen.
Het 'Cemeterio de la Chacarita' is tevens ook de grootste begraafplaats van de stad. Het is een stad op zich, met brede lanen, straten en pleintjes. Autobestuurders freewheelen er rustig tussen de graven. Een vreemd zicht... Om ruimte te scheppen voor extra capaciteit hebben ze tientallen meters onder de grond columbariums gebouwd. Meterslange gangen vormen er kille muren van de dood. Het lijken wel gigantische ladenkasten met honderden uitschuifbare vierkante laden. Een ladder verschaft je toegang tot de restanten van je dierbaren...
Chacarita mag dan wel als begraafplaats bekend zijn door het graf van Gardel, ook andere volkshelden uit de wereld van de sport, de muziek en de literatuur liggen hier begraven. Ik tref ze in het 'Recinto para Personalidades', te midden van de graven van de 'gewone porteños' . Hier liggen tal van beroemdheden zoals Osvaldo Pugleise, zittend achter zijn piano of de bandoneon spelende Aníbal Troilo. Ook de man die 'La Boca' kleur gaf, heeft hier zijn laatste rustplaats gevonden. Zijn graf bevat sculpturen van gekleurde blokken. Wanneer ik bij het verlaten van het immense kerkhof aan één van de onderhoudsmensen vraag waarom de tangolegende niet bij de andere beroemde volkshelden ligt, zegt hij: “Gardel was en blijft enig in zijn soort. Zo iemand verdient extra aandacht!” Een stelling die ik alleen maar kan beamen...
Palermo: de groene long van Buenos Aires... |
Argentinië - Buenos Aires, 25-12-2006 - (dagboek 9) |
 |
 |
 |
 |
Mijn virtueel nomadenbestaan was er eentje van korte duur. Palms zijn uiterst gebruiksvriendelijk, maar hebben het grote nadeel dat ze niet functioneren als een externe harde schijf of een memorystick. Dit betekent dat je telkens opnieuw de volledige software moet installeren. Niet alleen tijdrovend, maar bovendien vaak onmogelijk wegens het ontbreken van een cd-rom drive of het ‘niet gemachtigd zijn’ om software te installeren. Gelukkig had ik nog de volledige verpakking bewaard en was de bediende heel begripsvol. Nu, mijn haast dagelijkse bezoekjes aan de ‘locutorio’ (cybercafé) zal de komende weken sowieso drastisch beperkt worden, vrees ik. De 27ste december verlaat ik Buenos Aires definitief en begin ik aan -wellicht- de zwaarste tocht van mijn hele reis. Een goeie 4000 km scheiden me namelijk van Ushuaia, het uiterste zuiden van Argentinië. De confrontatie met de natuur (de uitgestrekte pampavlaktes, de Patagonische winden, het ruige Andesgebergte en de zo gevreesde ‘Ruta Quarenta’ – R 40) zal ongetwijfeld overweldigend zijn, maar vaak evenzo frustrerend. De eigenlijke trip start vanuit San Carlos de Bariloche, dichtbij de Chileense grens. Om de drukte van Buenos Aires te omzeilen, zal ik per trein sporen naar de verste bestemming, met name Bahia Blanca. Van daaruit zal ik Argentinië volledig dwarsen om na een goeie 1000 km het gevecht met de Andes aan te gaan. Maar zover zijn we nog niet. Ik vertoef nog steeds in de droomstad Buenos Aires.
6/ het kleine (chique) Palermo:
Ik hou van m´n straat, ‘la calle Lavalle’ en de wijze waarop de porteños (inwoners van Buenos Aires) het uitspreken. Niet echt op zijn Spaans met een nadrukkelijke ‘lj’, maar op zijn Argentijns, met een schurende ‘sje’. ´t Is gek, maar de inwoners hier lopen vaak niet hoog op met deze straat: te druk, te onveilig. Het eerste kan ik beamen, het tweede gelukkig niet. ‘Lavalle’ vormt samen met ‘Florida’ de bekendste, autovrije winkelstraat en doet me denken aan de Gentse veldstraat. De porteños strijken liever neer in het groene Palermo. Met z´n brede lanen (avenida’s), reuzegrote parken en verzorgde bloemperken is het zondermeer de deftigste woonwijk van Buenos Aires. Wellicht niet toevallig dat in deze wijk zowat alle buitenlandse ambassades gevestigd zijn, in weelderige kasten van huizen. Palermo kan je gemakkelijk opsplitsen in twee delen: het kleine, chique Palermo en het grote, oude Palermo. Het is vooral in het mondaine Palermo dat ik me terugtrek om de drukte van de grootstad te ontvluchten en te genieten van de immense parken. Het lijken me vaak openluchtmusea waar opzichtige beeldhouwwerken in graniet, marmer of brons de geschiedenis van Argentinië gestalte geven. Ik probeer een glimp op te vangen van de weelde door een bezoek te brengen aan de villa van de puissant rijke Chileense aristocraat Errázuriz. Alleen al de voorgevel in onmiskenbare neoclassieke stijl en corintische kapitelen nodigt uit om ook door te dringen tot de ziel van het majestueuze huis. De Chileen spendeerde een deel van zijn fortuin aan juweeltjes van meubels en kostbare kunstwerken. Een privé-collectie waar een gewone sterveling niet eens van durft dromen...
In de stijl van de glamour en de glitter is het kleine Palermo uitgegroeid tot een stad op zich, met bijhorende dure attracties, zoals de hippodroom waar paardenrennen worden gehouden of het stadion rechttegenover waar voor even grof geld gegokt wordt op de vermoedelijke uitslagen van de polowedstrijden. Ik moet nog een jaartje of twee verder doorreizen en dus besluit ik maar het minder dure ‘jardin zóologico’ op te zoeken. De dierentuin biedt een staalkaart van wat er zoal leeft in Argentinië. De echte leefruimte van de diverse dieren heeft men hier met de grootste precisie weten na te bootsen. Eenzelfde nauwkeurigheid vind ik terug in de kleine oosters getinte ‘Jardin Japonés’. Het park met zijn watervalletjes, brugjes en bonsais lijkt me net iets té gekunsteld. Voor fotografen misschien wel net de reden om er modellen te digitaliseren. Ik loop er langsheen een handvol ‘chicas’ die met een zwoele blik en dromend van een carrière als topmodel in de lens kijken van een fotograaf. Zelfs wanneer ik mijn camera bovenhaal blijven ze glimlachend en dromend voor zich uitstaren. Het begin van een carrière in het verre België?
Ondank is ´s werelds loon... |
Argentinië - Buenos Aires, 22-12-2006 - (dagboek 8) |
 |
 |
 |
 |
Hip, hip... Ja, inderdaad ook een verdwaalde zwerver ontsnapt niet aan een jaartje ouder worden. Of ik me ook een jaartje wijzer voel, laat ik maar in het midden... Persoonlijk hou ik niet zo van verjaardagen, athans nu niet meer. Als je puber bent verlang je hartstochtelijk naar het magische getal 18, alsof je het idee hebt dat alle meisjes van de wereld aan je voeten komen te liggen. Eenmaal de dertig voorbij bekijk je het leven en de inmiddels volwassen geworden vrouwen toch enigszins anders en bovenal groeit het besef dat het leven als een TGV voorbij raast. Zo ben ik reeds bijna drie en een halve maand onderweg... Niet te geloven.
Voor m´n verjaardag heb ik mezelf wat verwend. Alhoewel... De aanschaf van een ‘palm’ (mini-mini laptop) heb ik eerder uit economisch standpunt aangeschaft, want het updaten van de site (lees: het intypen van ellenlange dagboekverslagen) heeft me toch al een behoorlijke duit gekost. Met mijn nieuwe aankoop verwijder ik me evenwel een stukje verder van het echte nomadenbestaan, maar misschien behoor ik eerder tot de nieuwe lichting nomaden, de virtuele... Mijn ontdekkingstocht doorheen de wijk Retiro was gelukkig niet virtueel...
5/ Retiro
Net zoals de Recoleta-wijk gekoppeld is aan het kerkhof van Evita Perón, wordt de Retiro-wijk geassocieerd met het station van Retiro, het grootste treinstation van de hoofdstad. Het bestaat eigenlijk uit drie gebouwen waarvan het hoofdgebouw genoemd werd naar een lang vergeten president, Bartolomé Mitre. Ik snuif er nog de tijd van weleer op, ook al is de glans van het verleden aan het wegebben. De hoogtijdagen van het spoor behoren stilaan tot de geschiedenisboeken. Ooit liep er een trein van het uiterste zuiden van Argentinië naar het Boliviaanse ‘La Paz’. Ruw geschat, moet dit een goeie 5000 km zijn. Als ik aan de loketbediende vraag hoe ver ik per spoor kan reizen vanuit de hoofdstad, blijkt dit nog slechts 500 km te zijn, meerbepaald tot in ‘Bahia Blanca’. Ondanks het afschaffen van heel wat treinlijnen, tref ik een drukte van jewelste aan. Retiro is het knooppunt van het openbaar vervoer en dus rijden bussen (collectivos) hier af en aan. Tel daar nog eens de duizenden zwart-gele taxi´s bij en de chaos is compleet. Het mierennest aan forensen is een gedroomd paradijs voor straatventers die onvermoeid hun waren aanprijzen, evenals voor ronddolende bengels uit de sloppenwijken die argeloze reizigers proberen hun bezittingen afhandig te maken. De loketbediende geeft me de raad om mijn fototoestel veilig op te bergen. Vreemd hoe vaak mensen me erop attent maken hoe onveilig hun stad wel is. Paranoia of harde werkelijkheid?
Retiro grenst aan de Plaza San Martin waar -hoe kan het ook anders- een groots monument van de gevierde onafhankelijkheidsstrijder, San José de San Martin, is neergezet. Vooral zijn heldhaftige veroveringstocht met zijn beroemde ‘granaderos a caballo’ (grenadiers te paard) over de Andes, heeft hem onsterfelijk gemaakt. De verdrijving van de Spanjaarden uit Argentinië, heeft hem toen evenwel slechts tijdelijk de status van held opgeleverd. Moegestreden trok hij zich terug uit de politiek en ging hij zich vestigen in het Franse Boulogne-Sur-Mer. Daar stierf hij, eenzaam en door iedereen vergeten en dit na een leven lange strijd voor de vrijheid van zijn eigen land. Ondank is ´s werelds loon. Gelukkig wisten andere generaties het belang van zijn verdiensten wel naar waarde in te schatten. In het midden van het plein prijkt hij dan ook heldhaftig op zijn paard, zijn troepen aanvoerend over de Andes.
Het plein heeft meer iets weg van een lommerrijk park, waar liefkozende paartjes neestrijken als mussen op zoek naar een schaduwrijke plek. Misschien niet toevallig dat er net hier een tijdelijke openluchtmuseum loopt over ‘el corazón’. Ik kuier er langsheen tientallen beschilderde harten. Sommige kunstenaars hebben hun inspiratie gezocht in de tango. Anderen hebben weer de link gelegd naar de echte liefde in al zijn dimensies. De kunstwerken worden hier letterlijk overschaduwd door het gigantisch moderne gebouw, el ‘Edificio Kavanagh’. Het immens hoge complex was lange tijd het hoogste (120 m) en modernste gebouw van Buenos Aires en staat in schril contrast met het Palacio Paz. Het neoclassieke paleis was eigendom van de krantenmagnaat José Paz en is geïnspireerd op het Parijse Louvre.
Even verderop ontsieren strakke, rechtlijnige gebouwen het ander deel van het park. Ze vormen een glazen lijnenspel dat haaks staat op het architecturale verleden.
Aan de voet van het park verwijst een herdenkingsmonument dan weer naar een andere periode uit de rijke, maar veelal trieste, geschiedenis van het land, met name ‘El Monumento a los Héros de la Guerra de las Malvinas’. Ik zie er de namen van honderden gesneuvelde soldaten, gebeiteld in zwart marmer. Een soort Argentijnse Menenpoort, maar veel kleinschaliger. De oorlog tussen Argentinië en Engeland om de Faklandeilanden duurde ook slechts twee maand. Een waanzinnige oorlog, net zoals alle oorlogen... De Falklands liggen aan de oostkust van Argentinië en vormen een Engelse kolonie. Voor Argentijnen is dit steeds een doorn in het oog geweest en mede daarom hebben ze de eilanden dan ook omgedoopt tot ‘las Islas Malvinas’. Een goeie raad: spreek nooit tegen een Argentijn over de Falklands, want gegarandeerd mag je je aan een berisping verwachten. Ik kan ervan meespreken. Toen in april 1982 Argentijnse militairen voet aan wal zetten op de Malvinas, zag de iron lady, Margret Tatcher, haar kans schoon om politiek munt te slaan uit deze provocatie en heroverde met geweld haar Falklands. Voor het monument houden mariniers de wacht. Benieuwd of ik eenzelfde vorm van aandenken zal terugvinden wanneer ik de Falklands ga verkennen?
Recoleta: elegantie troef... |
Argentinië - Buenos Aires, 21-12-2006 - (dagboek 7) |
 |
 |
 |
 |
4/ Recoleta (deel 2)
Recoleta mag dan wel geassocieerd worden met het gelijknamige peperdure kerkhof, ook buiten de muren van deze dodenstad hangt een geur van luxe en glamour. Het lijkt wel of ik in een ander soort Buenos Aires ben terechtgekomen. Ruime parken, met groteske beeldhouwwerken die de rijke geschiedenis van Argentinië etaleren, voorzien de chique wijk van de nodige groene longen. Maar ook de merkwinkels en trendy bars en restaurants maken de omgeving tot een geliefd oord bij de betere klasse. Zo tref ik achter het ‘Centro Cultural Recoleta’ een design center waar strakke meubels en moderne huishoudapparaten volledig voldoen aan de lifestyle van zijn inwoners. Italiaanse design en stijlvolle woonwinkels liggen er naast hippe eet- en drankgelegenheden. Opgetutte dames op leeftijd nippen er zuinig aan ‘Illy koffie’ in de smaakvol ingerichte bar ‘Champs Elysées’, alsof ze zelf de koffiebonen hadden geplet.
Hoe dieper ik in het hart van Recoleta doordring, hoe nadrukkelijker de zweem van rijkdom en glitter zichtbaar wordt. Oude statige gebouwen gaan hier hand in hand met moderne, dure appartementen en worden opgefleurd met even prijzige antiekwinkels, modeboetieks en kunstgalerijen. Geheel in dezelfde stijl staan er diverse cultuurtempels en openbare gebouwen. De faculteit van de rechten en de sociale wetenschappen is er een typisch voorbeeld van. Een kolosaal gebouw met impossante trappen en romeinse zuilen. Ook het nationaal museum voor schone kunsten moet evenmin onderdoen. Het gebouw is zo gigantisch groot en het aantal aanwezige kunstwerken zo overweldigend, dat ik er het noorden bij kwijtgeraak. Ik sluit mijn tocht af met een wandeling in de duurste straat van deze wijk, ‘la Avenida Alvaer’. Monumentale woonpaleizen volgen er elkaar moeiteloos op. Hier ligt ook het tweede oudste hotel van Buenos Aires, het ‘Alvaer Palace Hotel’. Een monument in zijn soort en de voorbije eeuw zowat hét logeeradres van alle grootheden, van regeringsleiders tot wereldvermaarde schrijvers, van filmsterren tot wereldberoemde musici. Het luxueuze hotel ademt peperdure klasse uit. Beautiful people bevolken er de barokke bar of vergapen er zich in de lobby aan exclusieve kunstwerken en decoraties. Elegantie is hier meer dan ooit troef. Voor een suite moet je dan ook diep in je geldbeugel tasten. De nacht van je leven kost hier al gauw een slordige 4.000 dollar of een goeie 120.000 Bfr. Wanneer ik aanstalten maak om mijn voyeurisme te digitaliseren, word ik vriendelijk verzocht om het luxe oord te verlaten.
Hoe exclusiever, hoe ontoegankelijker. Zo kan ik aan den lijve ondervinden hoe een bewaker me bij het binnenwandelen van ‘el Patio Bullrich’ meteen wandelen stuurt. Dit voormalig slachthuis is volledig omgebouwd tot een extravagant winkelcomplex met ondermeer stinkend dure boetieks van haast alle wereldse topmerken. Met m´n trekkingsbroek, rugzak en teva-sandalen behoor ik duidelijk niet tot de happy few...
Recoleta: een prijzige (laatste) rustplaats... |
Argentinië - Buenos Aires, 19-12-2006 - (dagboek 6) |
 |
 |
Deze morgen, tijdens de Spaanse les, een leuke discussie gevoerd over het nomadisch gevoel dat reizigers soms hebben als ze voor lange tijd ‘on the road’ zijn. Zelf voel ik me niet echt een nomade, ook al is het een mooi en romantisch beeld. Ik zou bovendien met deze benaming de echte nomade onrecht aandoen. Een nomade trekt niet de wereld rond met kilo´s bagage en sleurt evenmin al die rommel -speciale kledij, gsm, gps,...- mee die wij, westerse trekkers, zo onmisbaar achten. Nu, misschien zal ik toch iets dichter bij de echte nomade komen te staan, wanneer ik eind deze week mijn fietstassen aan een grondige selectie zal onderwerpen.
De foto van de week heeft reeds een tip van mijn vierde ontdekkingstocht opgelicht, met name het wereldvermaarde Recoletakerkhof.
4/ Recoleta (deel 1)
Het is nog vroeg in de ochtend wanneer ik het Recoletakerkhof betreed. De ochtendauw hangt er nog als zacht suikerspin over de grafzerken. Hoog aan de hemel zie ik hoe de zon verwoede pogingen onderneemt om zich doorheen het dichte wolkendek te worstelen. De graven kleuren in het sombere ochtendlicht asgrauw. Alleen de tientallen zwerfkatten besprenkelen de dood met een spatje verf, van sneeuwwit tot kastanjebruin.
Het Recoletakerkhof werd in 1822 aangelegd in de voormalige boomgaard van het ‘recollectenkerkhof’ en lijkt wel een Latijns-Amerikaanse versie van het even gekende ‘Père Lachaise’ te Parijs. De grootsheid wordt nog versterkt door de straatnamen die me wegwijs maken in dit labyrint van de dood. Het lijkt wel een kleine dodenstad. Het kerkhof is in één adem verbonden met het graf van Evita Perón, de -wellicht- bekendste dame uit de Zuid-Amerikaanse geschiedenis. Het duurt even voor ik het pompeuze, marmeren familiegraf van Evita Duarte vind. Het zijn voornamelijk de bronzen plaquetten van organisaties die de vrouw eren, die verwijzen naar haar eeuwige rustplaats. Voor het traliewerk hangen plastiekbloemen van aanhangers, want ook iets meer dan een halve eeuw na haar dood (1952), bijft ze voor velen het symbool van de strijd tegen het onrecht.
Ik snap enigszins de aantrekkingskracht van dit graf, maar moet bekennen dat de graven rondom me veel meer charmeren, mede door hun fotogenieke uitstraling. Individuele graven tref ik hier nagenoeg niet aan, wel familiegraven die zich kenmerken door een weelde aan beeldhouwwerken en vaak iets weg hebben van een basiliek op kinderformaat. Ze herbergen de resten van beroemde personen en aristocratische figuren. Bij sommige van die graven kan ik zelfs doordringen tot in de kelder. Maar het liefst had ik het verhaal gekend achter deze graven, het gezicht achter de vergankelijke dood. De plechtstatige grafkelders liggen er als rijhuizen in doodlopende steegjes die een doolhof van de dood vormen, alsof men ten alle prijze wou verhinderen dat de doden ooit nog de bewoonde wereld zouden bereiken. Ik wandel in eindeloze dodengangen en sta perpleks van het architecturale karakter van sommige grafzerken. Als de pracht en de praal een weerspiegeling vormen van hun leven, dan moeten ze echt wel in grootse luxe hebben geleefd. Sommige graven lijken de tand des tijds te doorstaan, andere zijn verzakt en laten een verloederde indruk achter.
In sommige grafkelders tel ik wel tien lijkkisten. Het verweerde hout ligt er onder het stof van tientallen jaren en ademt geluidloos op het ritme van de dood. Een opzichter vertelt me dat de overledenen op elkaar worden gestapeld. Degene die het laatst overlijdt, krijgt een plaatsje bovenaan. De vorige schuift gewoon een plaatsje naar beneden. Wanneer de grafkelder vol is, worden de resten van de oudste overledenen in een urne geplaatst. Als ik informeer naar de prijs voor zo´n laatste rustplaats, glimlacht de bewaker wat verlegen: “Mucho, mucho... Recoleta es el mas caro de todos lugares de Buenos Aires!” Met een bedrag van 10.000 dollar (een kleine 310.000 Bfr) voor 3 vierkante meter moet dit inderdaad zowat de duurste grond zijn in Buenos Aires. Voor wie zich geroepen voelt kan ik je alvast de raad geven om nu reeds je laatste rustplaats te reserveren, want er komen zelden plaatsen vrij...
Ook in de kerk ‘Nuestra-Señora-del-Pilar’, net naast het kerkhof, lijkt er geen plaatsje meer vrij. Reden is het concert dat er gegeven wordt door ‘El Coro de la Basílica Nuestra-Señora-del-Pilar’. Anderhalf uur lang geniet ik van een uiterst gevarieerd zangprogramma en ben er getuige van hoe de grootmeester van de tango, Carlos Gardel, nog levendiger is dan ooit. Een absoluut hoogtepunt!
Puerto Madero: weerspiegeling van oud naar nieuw... |
Argentinië - Buenos Aires, 18-12-2006 - (dagboek 5) |
 |
 |
 |
 |
De Spaanse lessen gaan hun tweede week in en stilaan begin ik inzicht te verwerven in bepaalde klanken en woorden die zo eigen zijn aan de Argentijnen. Ik deel de klas met twee jonge Ieren die hier reeds een week of drie rondhangen. Het zijn wat vreemde twintigers die niet echt een bepaald reisdoel voor ogen hebben. Op mijn vraag om samen bepaalde wijken te verkennen, voelen ze weinig voor. Ze brengen de dag door met siësta´s, squash en uitgaan. Nu, met de tropische temperaturen (gemiddeld 36 graden en meer) is een verkenningstocht niet echt aangenaam te noemen. Ook in mijn sober hotelkamertje blijft de temperatuur er constant zweven rond de 30 graden en dit ondanks de dag en nacht draaiende ventilator. Mijn verkenningstocht van de voorbije week bracht me ondermeer naar de oudste haven van Buenos Aires, el Puerto Madero.
3/ Puerto Madero
Het ooit eens florerende havengebied dat dateert van het jaar 1887 is pas recentelijk volledig opgewaardeerd. Door de aanleg van een nieuwe, nog grotere haven (Puerte Nuevo) in 1925, was de oude haven hopeloos achterop geraakt. Een vijftiental jaar terug werd er een ontwerpwedstrijd uitgeschreven om de oude haven nieuw leven in te blazen. Het geselecteerde ontwerp had gelukkig oog voor de aanwezige karakteristieke bakstenen pakhuizen die nu dienst doen als appartementen, kantoorruimtes en horecavoorzieningen. Met de vernieuwing groeide ook de interesse om net achter deze haven nieuwe complexen neer te zetten.
Zo kan ik aan de lijve ondervinden hoe de oude kades en gerenoveerde pakhuizen een doorleefde sfeer van nostalgie uitademen, die zich wel heel letterlijk weerspiegelt in de glazen trendy kantoorcomplexen aan de overkant. Het ultramoderne Hilton-hotel heeft hier ongetwijfeld de hoofdvogel afgeschoten inzake het gebruik van glas en staal. De inkomhal vormt een zee van licht. Keurig afgeborstelde portiers verwelkomen de gasten met een obligate glimlach en loodsen hen in één beweging naar de receptie. De inkomhal is knus aangekleed met een pianobar, een leeshoek en een lounge-ruimte. Een gigantische kerstboom maakt de gasten er attent op dat nieuwjaar in aantocht is. De muzikant achter de piano speelt klassieke deuntjes terwijl de gasten nippen aan sprankelende cocktails die worden opgediend met witte handschoenen en op zilveren dienbladen. Ik geniet van het aanblik en voel me omgelucht bij de gedachte dat mijn tikkeltje voyeurisme hier wellicht het enige is dat gratis wordt aangeboden...
Ondanks de ingrijpende veranderingen in het oude havengebied, heeft men met grote zorg de nodige aandacht geschonken aan de leefbaarheid. Brede groene zones met wandelpaden, gazons en wandelpromenades die her en der geflankeerd worden door opvallende kunstwerken, geven het geheel een waardig karakter en nodigen uit om te slenteren, verweg van het drukke stadsrumoer. Voor wie ten voeten uit wil onthaasten is het achterliggende ecologisch natuurreservaat ‘Costanera’ the place to be. Over een gebied van 19 ha strekt dit natuurgebied zich uit en is met de jaren een broedplaats geworden voor talrijke watervogels. Op mijn verkenningstocht kruis ik tientallen joggers, wandelaars en fietsers. Het immense park is waarschijnlijk de enige plek waar de aanvaardbare ozondrempel niet wordt overschreden...
La Boca: brood en spelen... |
Argentinië - Buenos Aires, 14-12-2006 - (dagboek 4) |
 |
 |
 |
 |
2/ LA BOCA
´s Anderdaags is de wijk ‘La Boca’ aan de beurt en hier vind ik warempel datgene waar ik tevergeefs naar op zoek was in San Telmo, nl. de tango. Deze volkswijk blijkt zelfs de echte bakermat te zijn van deze droevige dansvorm. De Argentijnen associëren ‘La Boca’ eerder met de thuishaven van ‘Boca Juniors’ en in het bijzonder met Maradona, de beroemdste speler ooit van de voetbalclub. Ikzelf associeer deze volkse buurt met de wijk ‘El Barrio Reó’ in Montevideo. Ook hier vind ik dezelfde kleurrijke huizen terug. Het idee achter de kleurenpracht is in feite ontstaan door het werk van Benito Quinquela Martin. Als inwoner van deze wijk begon hij op een dag het dagelijkse leven te schilderen die zich afspeelde in de nabijgelegen haven, op straat, in de plaatselijke kroeg,... Zijn fantasievolle kleuren inspireerde de wijkbewoners om hun uit golfplaten opgetrokken huizen ook daadwerkelijk op te smukken. Tientallen jaren later is de kleurrijke wijk zowat hét handelsmerk geworden en een toeristische attractie bij uitstek. Ik wandel doorheen een regenboog aan kleuren, maar bemerk ook hier hoe de kleuren de armoede achter de golfplaten nauwelijks kunnen verhullen.
Ik wandel wat weg uit het kleurvolle epicentrum en kom eerder toevallig in de straat terecht die toegang verschaft tot het stadion van de overbekende club ‘Boca Juniors’. Het is twee uur in de namiddag en ik zie her en der groepjes supporters, alsook opvallend veel politie. Na rondvraag blijkt er rond half zeven een topmatch plaats te vinden tussen ‘Boca’ en ‘Lanus’. ‘Lanus’ mag dan wel niet aartsrivaal nummer één zijn, toch staan de doorgewinterde fans van beide clubs elkaar letterlijk en figuurlijk naar het leven. Vandaag zal dat niet anders zijn, want de wedstrijd blijkt een finale te zijn om het kampioenschap, een soort Zuid-Amerikaanse tegenhanger van de Europese Champions League. Zelf ben ik allesbehalve een voetbalfanaat, maar ik voel er wel iets voor om deze match in levende lijve mee te maken. De club, ‘Boca Juniors’, heeft een gigantische aanhang en de sfeer in het stadion blijkt er uniek te zijn. Ik informeer naar tickets, maar de wedstrijd blijkt al dagen uitverkocht. Als Buenos Aires alle allures aanneemt van een grootstad, dan zal er ook hier een zwarte markt bestaan. Ik klamp diverse supporters aan, maar stuit op een muur van stilzwijgendheid. Wellicht ligt de grote machtsontplooiing van de politie aan de basis van hun terughoudendheid. Tijdens mijn zoektocht ontmoet ik Sergio, een Boliviaan die speciaal voor deze match is overgevlogen, maar net als ik tevrgeefs op zoek is naar een felbegeerde ticket. Op een gegeven moment blijken we de juiste man te hebben gevonden, een jonge veertiger met een ware boeventronie. Op onze vraag antwoord hij met slechts twee woorden: “¡Si, siguerme!” (Ja, volg mij!) Hij loodst ons buiten het bewaakte territorium en neemt ons mee naar een verlaten steegje. De instructies zijn kort en krachtig: “¡Cien pesos, no regatear!” (100 pesos, niet afdingen!) Ik reken vlug om en vind het klein fortuin van 25 euro nog best schappelijk. We stoppen hem elk 100 pesos toe en krijgen dadelijk onze tickets. Zonder een woord te zeggen, draait hij zich om en met snelle tred loopt hij de straat uit. In een flits voel ik argwaan en kijk naar het toegangskaartje dat verdacht veel lijkt op een metroticket. Zijn we belazerd en hebben we ons een nepticket laten aansmeren? Ook Sergio is er niet gerust in. Er zit niks anders op dan af te wachten en te hopen.
Rond het stadion heerst er ondertussen al een behoorlijke drukte en ook de politie treedt alsmaar prominenter op de voorgrond. Iets over drie vervoegen we ons bij de lange rij aanschuivende voetbalfans. Op m´n ticket staat er ‘general visitante’. Bezoekers worden hier uit veiligheidsoverwegingen afgeschermd van de tienduizenden blauw, goudgeel getooide fans van ‘Boca Juniors’. De veiligheidscontrole is ongewoon scherp te noemen, zoook de controle op de echtheid van de toegangskaartjes. Ik zie hoe sommige fans de toegang worden ontzegd omdat ze een vals ticket op zak hebben. Miljard, dit ziet er niet goed uit! Eén voor één worden de supporters gefouilleerd. Plastic drinkflessen, aanstekers en batterijen van digitale camera’s worden massaal in beslag genomen. In hooliganmiddens zijn het gegeerde projectielen die vaak de mazen van het controlenet ontglippen. Het zweet breekt me uit. Niet alleen bij de gedachte dat ze m´n batterijen van m´n fototoestel zullen aanslaan, maar nog meer van de angst te worden betrapt op het illegaal bezit van peperspray. Het kleine spuitbuisje heb ik in allerijl kunnen wegstoppen tussen de voering van de regenkap van m´n rugzak. De twee jonge snaken vlak voor mij in de rij blijken over een vals ticket te beschikken en worden zonder genade wandelen gestuurd. Verdorie, dit loopt hier verkeerd af... De zweetdruppels parelen op mijn voorhoofd en met trillende hand toon ik mijn toegangsticket. Ik moet mijn rugzak afgeven en terwijl ik word gefouilleerd, wordt de inhoud van mijn rugzak aan een grondige controle onderworpen. Ik moet de batterijen van m´n digitale camera eruit halen en afgeven. Ik protesteer en probeer hen duidelijk te maken dat deze batterijen geen wegwerpbatterijen zijn en dat ik hier enkel als toerist de wedstrijd kom bijwonen. Met de hulp van Sergio halen ze bakzeil en mag ik “ La Bombomera” (de bonbondoos) binnentreden. Deze naam heeft het te danken aan zijn merkwaardige vorm en de zeer steile opstelling van de tribunes. Niet echt een plek voor wie lijdt aan hoogtevrees. In volle euforie stap ik het gigantische stadion binnen en voel me, badend in het zweet, prinsheerlijk...
Het stadion is nog vrij leeg, maar toch voel ik al een sfeer van victoria over het grasveld waaien. ‘Boca Juniors’ heeft genoeg aan een gelijkspel om de finale te winnen en zelfs de grootste kritikaster gaat ervan uit dat ze met brio de overwinning zullen binnenrijven. Rond vijf uur ziet het stadion zwart van het volk dat wordt opgefleurd door het goudgeel en blauw, de kleuren van de ‘Boca Juniors’-spelers. Naast mijn blok kleurt de tegenploeg rood-wit. De sfeer is er uitbundig. Trommels en trompetten begeleiden de vele voetballiederen die naadloos in elkaar overlopen. Op een bepaald moment is het gejuich, gezang en applaus oorverdovend en allesoverheersend, alsof ‘Boca Juniors’ hun eerste doelpunt heeft gescoord. Op de viptribune zwaait echter het icoon van het Argentijnse voetbal, Diego Maradona, zijn supporters welkom. Het stadion lijkt wel in extase en luidkeels wordt zijn naam tientallen keren gescandeerd. Maradona heeft hier een status opgebouwd die nog steeds behoort tot het heiligdom. Dezelfde euforie rolt over het speelveld wanneer hun lievelingsploeg ten tonele verschijnt. Vijf minuten voor de aftrap dwarrelen honderduizenden blauwgele snippers als sneeuwvlokken naar beneden. Het aangestoken vuurwerk geeft het tafereel iets feeërieks. Voor de zestigduizend voetbalfans is dit hun feest, hun nieuwjaarsfeest. De Boliviaan kan evenmin zijn gevoelens te baas en veert luidroepend recht. Aan temperament ontbreekt het die Zuid-Amerikanen geenszins.
Twee maal vijfenveertig minuten lang ben ik getuige van een waar volksfeest waar diepmenselijke emoties elkaar afwisselen met pure verontwaardiging. Zeker bij de fans die lijdzaam moeten toezien hoe ‘Boca’ op voorsprong komt na een penalty. De ‘Boca’-fans gaan helemaal uit hun dak en ook Maradona verliest haast elke controle over z´n lichaam. Letterlijk nog wel, want met zijn corpulent lichaam hangt hij breedzwaaiend over de balustrade. Zijn lijfwacht klampt hem met man en macht vast, als had hij een goudklomp vast. De één-nul score werkt als een rooie lap op een stier en ik zie hoe sommige heethoofden in het blok naast me de plastieken zittingen afbreken en als vliegende schotels naar de onderliggende tribunes catapulteren. Wanneer ik me tijdens de pauze in het hol van de leeuw begeef, maant een politieagent me aan om m´n camera veilig op te bergen. “We zijn hier om de veiligheid te garanderen, niet om diefstal te voorkomen!” Klare taal, lijkt me...
Ook tijdens de tweede helft van de match is de animo in het stadion onbeschrijfelijk. Mijn allereerste live-match sinds m´n bestaan is er alvast één om nooit te vergeten. Ik geniet van het spel, maar nog meer van de spontane uitlatingen van mijn omstaanders. In een mum van tijd heb ik mijn woordenschat aan schunnige woorden fel uitgebreid. Best grappig hoe mensen in kuddevorm elke vorm van zelfbeheersing verliezen en hun tegenstander met weinig tot de verbeelding sprekende gebaren en scheldwoorden de verdoemenis wensen.
Wanneer ‘Boca’ twee-één komt achter te staan, wordt de sfeer grimmiger. De spanning hangt er als elektriciteit in de lucht en elke begane fout van de tegenploeg slaat als een vonk over en wordt beantwoord met woedeaanvallen. Ik voel een stijgende zenuwachtigheid, niet alleen bij de verliezende ‘Boca’-fans die hun droomfinale in rook zien opgaan, maar evenzo bij de politie. Een halve minuut voor het eindsignaal beslissen we om ons uit de voeten te maken. Blijkbaar zijn we niet de enige, want zowat de helft van het toeschouwers-blok begeeft zich in snel tempo naar de uitgang. Buiten staan politieagenten in slagorde opgesteld, klaar om de woedeaanvallen van de verloren voetbalfans de kop in te drukken. Ik neem afscheid van Sergio en spoed me naar de plek waar ik mijn fiets heb achtergelaten. Wanneer ik een politieagent de weg naar het centrum vraag, raadt hij me aan om me zo snel mogelijk uit de voeten te maken. “We zijn op alles voorbereid, maar vrezen het ergste. Binnen het kwartier breekt hier ongetwijfeld de hel los!” Ik zie hoe winkeliers nog haastig hun rolluiken neerlaten en ouders met kinderen zich naar binnen begeven. Laag boven de wijk cirkelen twee helicopters en enkele straten verder hoor ik hoefgetrappel van agenten te paard. Autobussen met uitbundige fans rijden me voorbij en ik zie hoe de fans zich als een zwerm bijen over de stad verspreiden. Achter mij hoor ik glas sneuvelen. Ik ben geen minuut te laat vertrokken.
In de verte zie ik hoe bliksemflitsen de duistere hemel oplichten. Een half uur later, bij mijn aankomst in m´n sober hotelletje, gutst de regen met bakken uit de hemel. Wellicht is deze wolkbreuk voor de ordediensten een geschenk uit de hemel...
San Telmo: antiek, kunst, kitsch en tango... |
Argentinië - Buenos Aires, 14-12-2006 - (dagboek 3) |
 |
 |
1/ SAN TELMO
Zo ga ik in San Telmo op zoek naar het gezicht achter de tango, de ziel achter de tragedie, de weemoed achter de onvervulde liefde. Mijn eerste verkenningstocht valt wat tegen. Het kloppend hart van San Telmo, de Plaza Dorrega, ligt te soezen in de broeierige middagzon en tangodansers hebben de koelte opgezocht in ‘Plaza Dorrego Bar’, de plaats waar grote zangers en musici uit de wereld van de tango vaak hebben vertoefd.
Ik besluit dan maar om wat rond te slenteren in de wirwar van straten die wel honderden antiekwinkeltjes herbergen. Dit lijkt wel Portobello Road in Londen. Het blinkend vergulde goud- en zilverwerk staat evenwel in schril contrast met de wat verwaarloosd uitziende wijk. Desalniettemin oefent de nostalgie van het verleden een aantrekkingskracht uit op kunstenaars, intellectuelen en studenten. Schilder-kunstenaars stellen hun woning open om de door de tango geïnspireerde schilderijen en tekeningen te koop aan te bieden en studenten proberen hun zakgeld wat aan te dikken door foto´s van hun gestorven held Che Guevara te slijten aan toeristen die wellicht meer uit sympathie dan wel uit devotie in hun beurs tasten. Eén van de studenten weet me te vertellen dat San Telmo pas echt tot z´n recht komt op zondagmorgen tijdens de wekelijkse “Feria de Antegüedades de San Pedro Telmo”. Antiek, kunst, kitsch en tango vormen hier dan de belangrijkste kenmerken van een groots openluchtspektakel. Ik besluit m´n verkenningstocht voorlopig te staken en terug te keren op zondagmorgen...
Buenos Aires, een etalage van Europese hoofdsteden... |
Argentinië - Buenos Aires, 13-12-2006 - (dagboek 2) |
 |
 |
 |
 |
Ik ga m´n zesde dag tegemoet in Buenos Aires en nog steeds sta ik versteld van de diversiteit van deze immense stad. Buenos Aires is een stad die je moet ondergaan, op het ritme van de tango en de Rió de la Plata. Ze straalt één en al elegantie uit en heeft de allures van een Europese grootstad. Brede boulevards die me doen denken aan de Champs-Élysées. De voetgangersstraten ‘Florida’ en ‘Lavalle’ met hun eindeloze mensenmassa als wriemelende mieren doen me terugdenken aan de tijd toen ik flaneerde in ‘Picadilly Circus’ te Londen, het commerciële centrum waar ik ooit eens 6 maand ben blijven hangen. De groteske beeldhouwwerken, pleinen en fonteinen geven me dan weer de indruk in Rome of Venetië te vertoeven. En als ik ‘de porteños’ (bewoners van Buenos Aires) gadesla, weet ik het helemaal niet meer. Druk gesticulerend met de gsm in de ene hand en de aktentas in de andere, hebben ze zelfs Italiaanse trekjes. Maar ondanks al deze verwarring merk ik toch één constante: de weemoed. De tragedie van de onvervulde liefde hangt er als smog over de stad en wordt er in de vijfenveertig wijken via de tango weggedanst, elk op hun eigen manier. Elke wijk is een identiteit op zich en maakt van Buenos Aires één volumineuze stad die met zijn 13 miljoen inwoners en 40 km van oost naar west meteen ook alle Europese grootsteden achter zich laat.
In een etalageraam op de Avenida Corrientes lees ik er een uitspraak van de bekende Argentijnse dichter José Louis Bourges: “This city that I believed was my past, is my future, my present. The years I have spent in Europe are an illusion. I always was in Buenos Aires.” Tegen buitenlandse vrienden die in vervoering waren over zijn geboortestad, drukte hij zich evenwel minder lyrisch uit. De reden waarom hij zo vaak afgaf op de stad was uit jaloezie. “... Ik wil niet dat anderen van haar houden en profiteren.” Ik vrees dat ik me aansluit bij z´n vrienden, want Buenos Aires bekoort, fascineert en verleidt.
Het duurt even voor ik er m´n weg in vind en dan spreek ik slechts over het centrum. Stilaan krijgen bepaalde gebouwen en monumenten een functie als herkenningspunt, zoals de slanke obelisk op de brede Avenue Corrientes of la Casa Rosada (het roze huis) op de Plaza de Mayo waar ooit Juan Perón, geflankeerd door z´n Evita -wellicht de beroemdste vrouw ooit uit de Zuid-Amerikaanse geschiedenis-, er zijn legendarische toespraken hield.
Ik heb me voorgenomen om deze stad grondig te bezoeken en de fiets voor een drietal weken in te ruilen voor lange verkenningstochten langsheen twaalf geselecteerde wijken. Het zullen vermoeiende dagen worden in de aanloop naar Kerst, want naast de temperaturen die hier probleemloos pieken van 39 graden halen, volg ik hier gedurende twee weken Spaanse les. Elke werkdag van 9 tot 13u30, probeer ik me de klanken van de Argentijnen eigen te maken en m´n woordenschat en grammatica bij te spijkeren. De wijken ‘San Telmo’ en ‘La Boca’ zijn ondertussen niet langer een blinde vlek op de plattegrond van Buenos Aires. Beiden wijken bezitten een totaal andere aantrekkingskracht.
Impressies... |
Argentinië - Buenos Aires, 11-12-2006 - (dagboek 1) |
Buenos Aires, |
jij bekoort en fascineert
met je onvermoeide elegantie.
Danst de tango nimmer verkeerd
en prostitueert zonder kwitantie.
Jij permanente hoogmis aan het bruisende leven
met je mimespelers en straatmuzikanten,
blijven kleuren en klanken heel even kleven
aan de centen van de kijklustige passanten.
Jij Babylon van het heelal,
met je roemrijke huizen als paleizen.
Dribbelend met bouwstijlen en voetbal
verleid je zelfs de oude wijzen.
Jij bemint en passioneert
met je zweem voor lyriek,
verschalk je de nacht en domineert,
omdat je bezit één en al esthetiek