Fietsen doorheen de West-Vlaamse polders... |
Brazilië - Arroio Grande, 10-11-2006 |
 |
 |
Gisteren mateloos genoten van het zalig zomerweer, de schaduwrijke pleinen, de nostalgische sfeer die sommige gebouwen uitademden, de overheerlijke camarões a moranga (gebakken garnalen geserveerd in pompoen) en –hoe kan het ook anders- de passionele dansvoorstelling “Fascinio... todo Tango”. Heel even leek het wel of ik terecht gekomen was in een avondje uit van de bejaarde vrouwenbond. En ik die dacht dat de tango een dansvorm was op de golven van het verlangen, het verlangen te minnen en bemind te worden... Ach, als reiziger vergeet je soms wel eens de wetmatigheden van de menselijke natuur.
Mijn stelling ivm de tango hoef ik na het zien van de verbluffende vertoning niet echt bij te stellen. Reeds van bij de eerste melancholische noot was de juiste toon en vooral danspas gezet. Vijf koppels schoven gracieus over de dansvloer en via een samenspel van lichaam en ziel vertolkten ze de tango in al haar facetten. Via diverse thema’s werd de expressiviteit van deze dansvorm tot in de details tentoongespreid. Thema’s die werden ingekaderd via wisselende beeldprojecties en meteen het decor vormden van de gemoedsingesteldheid van de tango. Zo te merken had de choreograaf een zwak voor het werk van de schilder Henri de Toulouse-Lautrec, want heel wat van zijn werken vormden het achtergronddecor voor de voorstelling. Ik had ogen tekort om alle driftige en vaak miniscule choreografische bewegingen van de 10-koppige dansgroep te volgen. Onvoorstelbaar hoe de bovenlichamen aan elkaar leken vastgeklit, terwijl de onderste ledematen als gekken tekeer gingen. De weemoed, het verlangen naar de liefde, ... het zat vervat in elke danspas, elke beweging, elke blik, elke muzikale noot. Tango is wellicht de enige vorm van droefheid die zich zo laat dansen...
‘Café de Manhã’ wordt in het hotel Jandaia niet geserveerd en dus sta ik reeds om 7 uur vertrekkensklaar. Best tevreden dat ik in dit hotel ben terechtgekomen. Niet zozeer voor de luxe -die is er totaal niet-, maar voor de sfeer die er rondhangt. Ik heb een sterk vermoeden dat twee derden van de kamers permanent bewoond zijn. In ieder geval is dit hotel de biotoop van de lagere klasse en iedereen kent er zowat iedereen. Het leven zoals het is... op zijn Braziliaans.
Ik heb besloten om niet langer via de kust af te zakken, maar meer landinwaarts Uruguay binnen te rijden. Helemaal tot in Pelotas hoef ik niet te fietsen, want via een zijweg kan ik een serieuse hoek afsteken. De zijweg staat wederom gemarkeerd als een dunne rode lijn, maar erger dan wat ik tot dusver heb gehad lijkt me haast ondenkbaar. Nauwelijks de zijweg ingeslagen, stopt een wagen met twee man erin. Ze vragen me waar ik naartoe rij. “Sta Isabel do Sul en vervolgens naar Arroio Grande...” “Impossible!”, luidt het haast in koor. De hel van Bojuri doemt wederom als een spookbeeld voor m´n ogen. “... no barca.” Geen boot? Ik wist niet eens dat ik het water over moest! De landkaart wordt bovengehaald en inderdaad, Sta Isabel do Sul is afgescheiden door een rivier. Miljard, m´n fietstocht valt eens te meer in het water. “No es possible con una barca pequeña?”, dring ik met enige ontgoocheling aan. Dit blijkt misschien mogelijk, als ik al zwaaiend de aandacht kan trekken van één van de bewoners aan de andere kant van de rivier. Het lijkt me een haalbare kaart en dus fiets ik verder.
Al gauw fiets ik naast het kanaal dat 20 km verderop uitmondt in de rivier die mijn doortocht belemmerd. Gek, het lijkt wel of ik naast de vaart Ieper-Diksmuide fiets. Het vlakke landschap met zijn vele honderden koeien doet me denken aan onze West-Vlaamse polders. Na 20 km verdwijnt de piste inderdaad in het water. Twee vissers uit Rio Grande zijn er aan het vissen. Ze nodigen me uit om samen te picknicken. Net zoals zovele Brazilianen vinden ze mijn onderneming te gek en met veel enthousiasme helpen ze me de aandacht te trekken van de bewoners aan de overkant. Sta Isabel do Sul lijkt evenwel ingeslapen...
Met de verrekijker in de hand merkt één van hen toch wat beweging. Een jongen van een jaar of tien vaart langzaam onze kant op. Ik neem afscheid van de twee joviale vissers en met mijn hebben en houden word ik veilig naar de overkant gebracht. De rest van de weg slingert het grindpad zich rustig langsheen uitgestrekte velden. Naarmate ik Uruguay nader, wordt het landschap heuvelachtiger en ook hier en daar merk ik de eerste sporen van de gaucho-cultuur. Uruguay is eindelijk in zicht...
Uruguay wenkt... |
Brazilië - Rio Grande, 9-11-2006 |
De voorbije dagen heb ik de fiets eventjes op stal laten staan, de website wat bijgewerkt en vooral wat (nacht)rust ingehaald. Ik was er echt wel aantoe, na de tot nu toe zwaarste week van mijn onderneming. Ja, aan een zeker gebrek aan avontuur kan ik alsnog niet klagen…
De zomer is hier volop in het land (26 graden) en het is dan ook een wat vreemde gedachte dat het binnen een zestal weken kerst is. Nog een geluk dat sommige etalages me eraan laten herinneren. Rond Kerstmis zit ik ongetwijfeld in Buenos Aires. Dit betekent dat ik de komende weken een totaal ander land ga opzoeken, met name Uruguay.
Vanavond ga ik nog een voorstelling meepikken van ‘El Grupo Ballet de Pelotas’ die in het ‘Teatro Municipal’ de voorstelling “Fascinio… todo Tango” brengen. Morgenochtend verlaat ik dan Rio Grande en vermoedelijk zaterdag, 11 november, fiets ik Uruguay binnen. Maar eerst nog genieten van het zalig zomerweertje en de toch wat aparte sfeer die Rio Grande uitademt…
Paris-Dakar... |
Brazilië - Rio Grande, 6-11-2006 |
Ik heb de hele nacht nauwelijks een oog dicht gedaan. Het geroffel van de regen op de aluminiumen golfplaten van het dak in combinatie met onophoudelijke windstoten, zorgden voor een hels lawaai. Ik ben doodop. Hoe ik uit deze hel zal weggeraken is mij een raadsel. Met de hevige regenval van de voorbije nacht moet de piste herschapen zijn in één grote modderpoel. Mijn fietstassen en mijn fiets zitten door mijn voorbije tocht van gisteren volledig bedolven onder de modder. Net naast het schuurtje merk ik een wasbak op en dus begin ik maar met de grote kuis. De eigenaar komt polshoogte nemen en nodigt me uit voor het ontbijt. De regen heeft ook hier lelijk huis gehaald. De hele living is ontruimd en overal liggen dweils en staan er wel tien emmers in alle kleuren en maten. Het is op zich wel een leuk zicht… De dakgoten hebben de grote hoeveelheid aan water niet kunnen slikken en via het plafond slijpelen nog steeds regendruppels naar beneden. De man weet me te vertellen dat er vannacht maar liefst 265 ml water is gevallen. Dat beloofd! Na het ontbijt ben ik nog een uur zoet met de fiets. De modder klit aan alle onderdelen. Wellicht een maat voor niks, maar is er een andere uitweg?
Moedeloos hervat ik mijn tocht. Wanneer ik na 600 meter het einde van de dreef van de estancia bereik, zit de fiets al behoorlijk onder het slijk. De lijdensweg begint opnieuw. Door de hevige regenval lijkt het mulle zand op sommige plaatsen wat aangestampt, maar de illusie is van korte duur. Hier en daar is de weg herschapen tot één grote waterplas. Het slijk zoekt zich een weg tussen m´n voeten, m´n tenen en m´n wielen. Het water reikt op sommige plaatsen tot halverwege mijn knieën en ook mijn fietstassen worden meermaals gedoopt. Hier en daar doe ik toch een poging om te fietsen, maar na 20, 25 meter zak ik opnieuw weg in een brij van modder en slijk. Het gekke is dat een mens in zo´n situatie toch doorzet, ondanks alles. Nu ja, veel keuze heb ik niet…
Mijn gedachten dwalen af naar de soldaten die tijdens de 1ste W.O. maandenlang moesten ploeteren in de tranchées van de Westhoek. Het moet een onvoorstelbare, helse tijd geweest zijn. We kunnen alleen maar hopen dat de geschiedenis zich niet herhaalt…
Dit lijkt hier wel het einde van de wereld. Ik vorder, 100 meter, 200 meter, … Om de haverklap moet ik met m´n vingers het slijk verwijderen dat zich als een magnet vasthecht aan mijn remblokken. Na drie uur heb ik nauwelijks 4 km overbrugd. De situatie wordt met het half uur uitzichtlozer. Ik moet steeds vaker van kant wisselen om de loodzware fiets nog voort te duwen. Vanuit m´n mp3-speler weerklinkt “500 miles away from home…” Toepasselijker kan haast niet. Ik trek me op aan de muziek van Stef, de uitbater van het stadscafé “Het Vervolg” te Ieper en aan de vele bemoedigende mails die ik reeds ontvangen heb, vaak van mensen die ik niet eens ken.
Na 6 km hou ik het voor bekeken. Ik ben bekaf en mijn gemoedstoestand zweeft rond het vriespunt. Als ik zuinig omspring met mijn rantsoen kan ik hooguit nog twee dagen rondkomen. Indien nodig sla ik mijn tent op in the middle of nowhere! De klok wijst in de richting van 1 uur in de namiddag. Sinds mijn vertrek heb ik geen levende ziel bespeurd. Een half uur later hoor ik in de verte een gemotoriseerd voertuig. God, red mij! Ik gooi al mijn tassen van de fiets en hol in de richting van het aanzwellend geluid. Een vrachtwagen… Haast door het dolle heen, spring ik als een kind in het slijk dat als een schilderspalet vol bruine tinten opspat. De vrachtwagen stopt. De chauffeur kijkt me lachend aan. Even later helpt hij me met het inladen van mijn fiets en toebehoren. Ik dank God en nog meer de goodwill van de chauffeur.
In ware Paris-Dakar stijl walst de vrachtwagen doorheen de modder. De gebroeders Clouseau zouden hier nog iets van kunnen leren. De truck slingert van links naar rechts en heel even vrees ik dat ons laatste uur geteld is, maar moeiteloos krijgt de reddende engel z´n truck terug in het rechte spoor. Over de resterende 27 km doen we nog ruimschoots anderhalf uur, Ik word afgezet in het stadje San José de Norte en bedank de chauffeur met een fikse belonging. Hij weigert echter het bedrag aan te nemen en vriendschappelijk klopt hij op mijn schouders. Uiteindelijk aanvaardt hij $10, één vijfde van datgene wat ik hem wou geven.
En daar sta ik dan… Moe, uitgeput, maar dolgelukkig dat ik de hel voorbij ben. De fiets heeft, tot mijn eigen verbazing, de dolle rit heelhuids overleefd. Voor de tweede keer op rij maak ik de fietszakken opnieuw vast. Mijn maag grolt door de eenzijdige en schaarse voeding van de voorbije dagen. In de eerste beste padaria bestel ik koffie, sandwiches en gebak. Nauwelijks neergezeten hoor ik: “Spreekt u nederlands?” Voor mij staat een blonde dame, gekleed in trekkings-outfit. Het blijkt mevrouw Arnouts te zijn, afkomstig uit Nederland. Op haar 13de is ze samen met haar ouders naar Brazilië geëmigreerd. Na haar studies heeft ze 25 jaar lang een apotheek gerund en onlangs heeft ze in de buurt van San José de Norte een klein boerderijtje gekocht. Ze vertelt me dat de boot naar Rio Grande om vijf uur vertrekt en dat ik voorzichtig moet zijn. Rio Grande lijkt geen te beste reputatie te hebben inzake veiligheid. Een gewaarschuwd man… Ze beschikt over informatie hoe ik, al werkend op een cruiseschip, toch Antartica zou kunnen aandoen. Ze belooft me de gegevens door te mailen.
Het is nog ruimschoots anderhalf uur voor de boot vertrekt en dus fiets ik nog wat doorheen het stadje. Op mijn verkennningstocht zie ik hoe een man zijn wagen schoonmaakt met een hogedrukreiniger. Opnieuw gaan de fietszakken eraf en wat later is er van mijn helse tocht doorheen het slijk der aarde niks meer te bespeuren. Ook tijdens de overtocht die een klein half uurtje duurt, word ik gewaarschuwd voor diefstal. Ik zal de waarschuwing maar niet in de wind slaan.
De zoektocht naar een hotelletje verloopt minder vlot dan anders. Ik fiets de ene straat in, de andere uit. Het lijkt wel of ik van een andere planeet kom. Overal word ik aangestaard. Of is deze indruk ingegeven door het onveiligheidsgevoel dat mij werd ingepeperd? Paris hotel is volzet, hotel Atlântico te duur voor m´n beurs… Tenslotte kom ik terecht in hotel Jandaja. Niet geheel naar mijn zin, want het ligt vlak achter de haven en niet bepaald in de meest riante buurt van Rio Grande. Het hotel heeft iets weg van een appartementsblok met één grote binnenkoer. Het kamertje is piepklein en de fiets kan er nog net in. In de sobere badkamer hoor ik constant water lopen en als ik de lavabo of het toilet gebruik krijgen mijn voeten op hetzelfde ogenblik een douche. De huur is belachelijk laag, maar het comfort is dan ook navenant. Maar goed, ook dat zal ik wel overleven…
De hel van Bojuri... |
Brazilië - Bojuri, 5-11-2006 |
Na de baaldag van gisteren, voel ik aan dat ik onmiddellijk het juiste ritme heb gevonden en -niet geheel onbelangrijk- de wind heeft vandaag mijn kant gekozen. Het is zondag en dus liggen de wegen er traditiegetrouw wat rustiger bij. De relatief goed geasfalteerde weg naar Mostardas is zo goed als verlaten en met de wind in de rug haal ik een gemiddelde snelheid van 26 km/u. De weg wordt geflankeerd door weidse graslanden en op sommige percelen staan honderden koeien te grazen. Visvangst en toerisme hebben plaats gemaakt voor noeste arbeid op het land. Ondanks de overschakeling naar de zomer, waardoor ik de klok een uur heb doorgedraaid, kom ik reeds rond half één in Mostardas aan. Op de kilometerteller prijkt in grote cijfers het getal 85. Het lijkt me nog wat te vroeg om er het bijltje bij neer te leggen en dus beslis ik om verder te fietsen.
Over het vervolg van de weg heb ik tegenstrijdige berichten opgevangen. Volgens de ene onberijdbaar per fiets, volgens de andere geen probleem. In ieder geval staat de resterende 161 km op de kaart aangeduid met een ultradunne rode lijn, wat wijst op een niet geasfalteerde weg. De wind waait in alle hevigheid, maar gelukkig steeds in de goeie richting. Als deze wind een voorsmaakje is van wat me in Patagonië te wachten staat, dan ben ik duidelijk nog niet aan het einde van mijn latijn…
Het wegdek blijft geasfalteerd, al worden de gaten in het wegdek groter en talrijker. Als fietser rij ik er gezwind omheen. Het lijkt wel autoloze zondag. Op tientallen kilometers valt hier, op een verdwaalde schildpad en een verloren gelopen paard na, geen mens te bespeuren. De weg dat het Nationaal Park van Lagoa do Peixe doorkruist, is zelfs volledig vernieuwd en mateloos geniet ik van mijn fietspad, twee rijvakken groot. Ik voel dat ik m´n record van 177 km probleemloos zal verpulveren. Op m´n tocht kruis ik een lichte vrachtwagen die moeizaam voorbijrijdt. Met z´n vracht neemt hij bijna de volledige breedte van de baan in. Bij nader toezien bestaat z´n vracht uit een houten huisje. Nu ja, best gemakkelijk als je klein behuisd bent… Naast akker- en landbouw is bosbouw voor de geringe bewoners van deze streek een bron van inkomsten. Ontbossing is hier alomtegenwoordig.
Op 164 km verandert het wegdek compleet. Het asfalt verdwijnt en maakt plaats voor één grote zandbak dat hier en daar is aangevuld met stukjes hout. De weg is inderdaad onberijdbaar. Er zit niks anders op dan de fiets voort te duwen, meter per meter, zandkorrel per zandkorrel… Na tien minuten ben ik nauwelijks 100 meter opgeschoten. Aan de zijkant zie ik een lager gelegen grasberm. M´n alternatieve route wordt het begin van een ware hel, want na 15 meter zakt m´n fiets en ikzelf weg in het drassige gras. Met veel getrek en gesleur kan ik de fiets uit het slijk halen. Mijn sandalen en voeten zitten volledig onder het slijk, net als m´n fietsbanden. Er zit niks anders op dan terug de piste te kiezen. Het slijk klit zich vast aan m´n remmen en spaken, waardoor de fiets totaal onstuurbaar wordt. Een voorbijganger weet me te vertellen dat de piste een goeie 38 km lang is. De moed zakt me in de schoenen. Heel even krijg ik een sprankeltje hoop. Doorheen het struikgewas heb ik een pick-up opgemerkt. Desnoods geef ik de eigenaar een royale vergoeding. De ballon van de hoop wordt al snel doorgeprikt wanneer ik enkele ogenblikken later merk dat de wagen niks meer is dan een wrak zonder wielen. Moeizaam zet ik de tocht verder. Ik sleur, trek, hijg, puf en zweet… Als ik aan dit tempo verder stap dan zal het me dagen kosten om deze 38 km te overbruggen. Onbegonnen werk! Terugkeren is evenmin een alternatief. Wachten op onverwachte hulp lijkt me zinloos. Tot op heden heb ik welgeteld 1 jeep voorbij zien rijden en dan nog de andere kant op…
Ik stap verder, meter per meter, zandkorrel per zandkorrel… Na vier uur stappen valt de duisternis. In de verte zie ik bliksemschichten oplichten. Ook dat nog! Verder stappen heeft geen zin, mijn tent opslaan evenmin. Door de harde wind maak ik geen schijn van kans om het tentzeil recht te kunnen zetten. In gedachten denk ik terug aan de beelden uit de film “Diarios de Motocycleta”. Che Guevara en z´n kompaan probeerden in gelijkaardige omstandigheden hun tent op te slaan, maar de wind blies hun tent metersver de lucht in, nog voor ze vaste voet aan de grond had gekregen.
Ik sla een zijweg in die me toegang verschaft tot een estancia. Vijfhonderd meter verder merk ik op dat het hekken gesloten is met een ijzeren ketting en op het woonerf zie ik geen teken van leven. Er zit niks anders op dan m´n geluk ergens anders te gaan beproeven… Bij de volgende estancia is er wel iemand thuis, maar de man die de deur opent, stuurt me wandelen. Wanneer ik het erf verlaat, beginnen de eerste regendruppels al te vallen. Driemaal is scheepsrecht en dus doe ik nog een laatste poging. De estancias liggen hier ver uiteen en de weg lijkt eindeloos. Ik ben inmiddels doornat en ook de fiets glijdt meer en meer weg onder het slijk. Jesus, waar ben ik in godsnaam aan begonnen? De oprijlaan is herschapen tot een modderpoel en ploeterend begeef ik me in de richting van het licht. Een deurbel is er niet en dus klop ik maar beleefd op de houten vensterluiken. Tot driemaal toe, daarna floept het licht aan op het overdekte terras. Een man van een jaar of vijftig kijkt me wat vreemd aan. Ik probeer hem de situatie uit te leggen en vraag of hij me geen onderdak kan bieden. Door de striemende regen neemt de man me mee naar een belendend schuurtje. In de kleine ruimte staat een smal bed en een nachtkastje. Ik duw m´n fiets binnen en de man verdwijnt opnieuw in het donker van de nacht.
Het onweer barst in alle hevigheid los. Het regent onophoudelijk. En zeggen dat ik nog de idee had geopperd om de hele nacht door te stappen… Ik val uitgeput in slaap met de zekerheid dat ik hier zonder hulp van buitenaf nooit op m´n eindbestemming geraak. Nu ja, dat zijn zorgen voor morgen…
Tegenstrijdige berichten... |
Brazilië - Bacopari, 4-11-2006 |
Mijn voornemen om opnieuw het strand op te fietsen, laat ik na een verwoede poging van om en bij de 5 km varen. De strakke zeebries maakt het fietsen haast onmogelijk en dus zit er niks anders op dan terug de weg op te fietsen. Een bejaarde man stuurt me de verkeerde richting uit, waardoor ik al vlug een 25 km moet omrijden. Terug op m´n beginpunt kan ik maar niet de juiste route vinden. Wegwijzers zijn schaars en de informatie van voorbijgangers tegenstrijdig. Ik neem het zeker voor het onzekere en fiets terug het strand op. Zolang ik de kustlijn volg, zit ik goed. Ik maak nauwelijks snelheid en ter hoogte van Quintão kies ik opnieuw voor het asfalt.
Op de kaart staat de weg aangegeven als een tweederangsweg, maar veel keuze is er niet. Veiligheidshalve vraag ik aan de man, die druk in de weer is met het aan de praat te krijgen van zijn barbecue, naar de juiste weg. Hij nodigt me uit om samen een apero te drinken. Als ik hem vertel dat ik richting Mostardas fiets, kijkt hij me bedenkelijk aan. Deze weg blijkt niet te fietsen. Vreemd, ook nu weer tegenstrijdige berichten. M´n enig alternatief is om volledig terug te keren en via Porto Alegre proberen zuidwaarts te fietsen. Een alternatief van minstens 200 km omrijden. Ik bedank hem voor de tip en den apero, maar beslis toch om door te fietsen.
De tweederangsweg is zoals verwacht, slecht tot barslecht. M´n gemiddelde snelheid daalt drastisch en reeds kort na de middag beslis ik om bij het eerstvolgende dorp te overnachten. Afstanden in Brazilië zijn hier groot, ook deze tot het volgende dorp. Onderweg zie ik opvallend veel platgewalste slangen en zelfs één levende. Wild kamperen lijkt me dus niet echt aangewezen. Bij valavond en na 115 km fietsen kom ik doodop aan in Bacopari. Een hotelletje is er niet, wel een camping of drie. Campings liggen doorgaans niet in het centrum en zeker hier niet. Het dorp bestaat slechts uit een straat met enkele huizen en -hoe kan het ook anders- een kerkje. Nog 10 km te gaan. Ik hobbel opnieuw van kei tot kei… Ik kies de laatste camping uit, met de weinig aantrekkelijke naam “Novo Hamburgo”. Ze verhuren er ook chalets. Ik heb geen zin om mijn tent op te zetten, maar na het inspecteren van de totaal verwaarloosde chalet en het degoutante sanitaire gedeelte, verander ik snel van gedachten. Ietwat uit de wind zet ik m´n royaal paleis op en spoel het zand en stof van de voorbije dag door met de lokale cerveza, Skol…
Herwonnen vrijheid... |
Brazilië - Cidreira, 3-11-2006 |
Om half zes word ik gewekt door de agent die zichzelf chef noemt. Ik voel me nog slaperig en suf. Ik snak naar koffie en knaperige ontbijtkoeken. De gebruikelijke ‘cafe de mañana’ mag ik hier wel vergeten. Zijn collega hangt halfleunend tegen de deuropening en gunt me nauwelijks een blik. De chef haalt mijn paspoort uit zijn bureaulade en ploft met een zucht neer in z´n bureaustoel en wijst me naar de lege stoel voor z´n bureau. Wanneer ik plaats neem, zwaait hij met mijn paspoort dat hij stevig omklemt tussen duim en wijsvinger. Hij brabbelt iets in het portugees, neemt een blad papier en schrijft in koeien van cijfers het getal $50 op. Vervolgens trekt hij er een groot kruis doorheen en bergt m´n paspoort terug in zijn lade. “Corruption”, zeg ik half verontwaardigd. “No, Brasil!”, klinkt het vastberaden. Ik voel me machteloos en hulpeloos. Deze man stelt hier de wetten, zoveel is me duidelijk. Ik heb geen zin om nog langer dan nodig hier te blijven en besluit het onderspit te delven. Ik gooi de vijftig real (omgerekend een kleine 20 euro) nonchalant op zijn bureau. Triomfantelijk legt hij m´n paspoort in m´n uitgestoken linkerhandpalm. Terwijl hij me recht in de ogen aankijkt, zegt hij me nog “Boa Viagem”. Mijn kl... “Bon Voyage”! Ik zwijg in alle talen, bijt op mijn tanden en verlaat haast emotieloos het politiekantoor. De fiets staat nog steeds op dezelfde plaats, godzijdank!
Ik heb geluk. De zee ligt op amper een goeie 6 km van mijn uniek hotel en al vlug slaag ik erin om m´n gedachten te verzetten. De wind zit goed en ik geniet volop van mijn herwonnen vrijheid en het ontwaken van de ochtend.
Het leven zit toch gek in elkaar. Op de ene plaats steken ze je achter slot en grendel en op de andere plaats word je als een held ontvangen. Zonnebadende mensen steken hun duim in de lucht of applaudiseren als ik hen voorbij fiets. Wat kan het leven toch zalig zijn...
Sporen
Een visser leunend op één been,
kijkt moeizaam over zijn schouder heen.
Met ongeloof staart hij me minutenlang aan:
Deze reiziger fietst ongetwijfeld naar de maan...
Ik rij honderd kilometers,
volg de voetsporen in het mulle zand.
Flanerende schoenen zonder veters,
maar met sandalen aan de hand.
In het water joelen kinderen van de pret,
maar worden keer op keer schaakmat gezet
Door opspattende golven
worden ze doornat bedolven.
Ik fiets m´n eigen spoor,
hoor kinderstemmen zingend in koor.
Opslorpend door de wind en de ruisende zee.
Hier heerst nog rust en vree...
Een uniek hotel... |
Brazilië - Ar. do Silva, 2-11-2006 |
Vandaag zit er niks anders op dan een groot stuk de iets drukkere weg naar Torres op te fietsen. De laatste 40 à 50 km zal ik wellicht via het strand kunnen fietsen. Het zou wel eens een superlange fietsdag kunnen worden, want ik schat dat de afstand Laguna-Torres een goeie 165 km moet zijn.
De drukte is inderdaad niet gering. De hele tijd heb ik af te rekenen met voorbij flitsend verkeer. Gelukkig is er vaak een goed geasfalteerde pechstrook. De tegenwind en de wegenwerken maken de tocht superlastig. De weg lijkt wel een bouwwerf en dit (zo blijkt althans) honderden kilometers lang. Het gekke is dat er slechts sporadisch enige bedrijvigheid te bespeuren valt. Zijn deze wegenwerken een verkiezingsstunt geweest van de vorige legislatuur en hebben ze met de nieuwe verkiezingen hun belofte alsnog willen waarmaken? Misschien maar best dat Lula zichzelf als president opvolgt. Op die manier zullen de werken binnen vier jaar wellicht voltooid geraken.
Het is reeds 6 uur in de vooravond als ik de splitsing bereik die me de mogelijkheid verschaft om de resterende 50 km langs de kust te fietsen. Ik twijfel of ik er niet beter aandoe om het vandaag voor bekeken te houden. Een wegwijzer toont aan dat Arr. do Silva op 11km ligt. Vandaaruit kan ik ongestoord langs de zee fietsen. Ik zal onvermijdelijk een stukje in het donker moeten rijden, maar met dat grote verschil dat ik er geen rekening moet houden met voorbij flitsende auto´s en vrachtwagens.
Ik sla de splitsing in en zet koers richting zee. De pechstrook bestaat andermaal uit losliggende keien en kiezelstenen. Ik kies dus resoluut voor de weg. Wanneer ik een wegcontrole voorbijfiets, doen de agenten duidelijk teken dat ik op de berm moet fietsen. Ja, hallo... Dag Jan! Mijn ongehoorzaamheid t.a.v. het wettelijk gezag zint hen blijkbaar niet, want even later snijden ze me de weg af. Furieus stappen ze uit en vragen mijn paspoort. Hun woede werkt aanstekelijk en in half spaans, half engels maak ik hen duidelijk dat fietsen er onmogelijk is. Om m´n woorden kracht bij te zetten, neem ik een handvol keien als bewijsmateriaal voor hun ongelijk. Ze zijn onverwurmbaar. Ik kom ervan af met een berisping. Wanneer ze uit m´n vizier verdwenen zijn, stuur ik m´n fiet wederom naar de geasfalteerde weg.
Compleet verrast merk ik hen een goeie 3 km verder terug op. Blijkbaar hebben ze me via een binnenroute voorbijgestoken. Ik spoor vliegensvlug naar de berm, maar het kwaad is geschied. Twee minuten later fiets ik onder escorte van de lokale brigade naar hun politiekantoortje. De wijzers van de klok naderen zeven uur. M´n eindbestemming Torres mag ik wel vergeten. In het kantoortje zit er een derde agent te suffen achter zijn schrijfmachine. Hij wordt op de hoogte gesteld van de reden van m´n aanwezigheid en begint fel tegen zijn zin een soort procesverbaal op te maken. Opnieuw overhandig ik mijn paspoort. Hij stelt me vragen die ik enkel schouderophalend kan beantwoorden. Een goeie vijf minuten later valt het getik van de ouderwetse typmachine stil en enkele ogenblikken later ligt voor mij een procesverbaal waar ik behalve mijn naam en geboortedatum niks van kan opmaken. Hij schuift een balpen naar me toe en wijst me de plaats aan waar ik moet signeren. Als die man denkt dat ik hier ook maar iets zal tekenen, dan is hij morgen nog niet thuis. Ik vraag hem om de chef te spreken. Met een brede grijns slaat hij met een gebalde vuist op zijn linker borstzak en maakt me duidelijk dat de chef voor me zit. Ja,... dat zal wel. Wanneer het tot hem doordringt dat ik weiger het verhoor te ondertekenen, ontsteekt hij in een ‘Franse colère’. Hij verlaat heel even het bureau en nog geen twee minuten later komt hij terug met één van zijn collega´s. Ik word meegenomen naar een kamertje, wat verderop. In de kamer staat er enkel een brits. Voor ik het goed en wel besef, valt de deur in het slot en hoor ik hoe de sleutel wordt omgedraaid. Miljard, zeg dat het geen waar is... Ik vervloek mezelf en nog meer mijn koppigheid. Iets later hoor ik opnieuw de sleutel in het slot. De deur gaat open en een deken wordt naar binnen geworpen. Zoveel is me duidelijk: vannacht slaap ik voor het eerst in een uniek hotel...
1 november... |
Brazilië - Laguna, 1-11-2006 |
De regenachtige dag dwingt me ertoe een dagje vrijaf te nemen. Mijn voornemen om in acht dagen de grens met Uruguay te bereiken valt nogal letterlijk in het water. Nu ja, een dagje de batterijen opladen, kan nooit geen kwaad. Mede door het druilerige weer neem ik de gelegenheid te baat om het stadje en het aangrenzende strand te verkennen.
Vreemd dat er in mijn reisgids niks vermeld staat over dit zuidelijk deel van Brazilië. Nochtans straalt Laguna de grandeur uit van een welvarend verleden. Zelden zo´n pracht aan gerestaureerde gebouwen gezien. Tussen de regenbuien door probeer ik er enkele te digitaliseren.
Ook hier is 1 november de herdenkingsdag bij uitstek voor gestorven dierbaren. Ik bezoek er het kerkhof en denk aan m´n zus, m´n pa, m´n grootouders, Clio, Paul,... Mensen van alle leeftijden , soms heel jong, die op één of andere manier mijn denken en zijn hebben bepaald. De vergankelijkheid van het leven... We staan er vaak te weinig bij stil.
Aan de oever van de zee zie ik hoe vissers, zittend in een bootje, met hun visnetten proberen de vele honderden vissen te verschalken. Een eeuwenoude traditie, als je het mij vraagt. Even verderop zie ik er nog een tiental. Zij trotseren evenwel het koude zeewater, want ze staan tot heuphoogte in de zee. Ze hebben het niet zo gemunt op kleine of middelgrote vissen. Neen, ze hebben hun oog laten vallen op enkele rondzwemmende dolfijnen.
Het schouwspel inspireerde me tot onderstaand gedicht...
Kat en muis...
Dolfijnen spelen hun eindeloos spel
van kat en muis.
Ach, de vissers ze weten het wel...
Maar wat moeten ze anders thuis?
Ze staan er als soldaten op de wacht,
supergeconcentreerd en uitermate gedisciplineerd.
Het absolute toonbeeld van menselijke macht,
ook al staat er hier en daar eentje verkeerd.
Als de dolfijnen naderen,
stijgt de spanning ten top.
Dan stroomt de adrenaline doorheen hun aderen
en weerklinkt het rumoer hogerop.
Eensklaps verdwijnt elke vorm van discipline.
Vallen ze moeiteloos uit hun rol.
Ontpoppen ze zich als een opgefokte machine
en luiden hun strijdlustige kreten uitermate hol.
Als olympische speerwerpers gooien ze hun netten,
die als geborduurde tafellakens verdwijnen in de zee.
Maar de dolfijnen kennen nu eenmaal hun wetten
en dartel springen ze even verder met de golven mee.
Een gewone fietsdag... |
Brazilië - Laguna, 31-10-2006 |
Ik heb het niet zo voor jeugdherbergen. Het voelt zo ‘vakantieachtig’ aan en je lijkt allesbehalve te vertoeven in het land dat je doorreist. De voertaal is er engels en er wordt in hoofdzaak gesproken over andere, goedkope overnachtingsplaatsen. Bovendien wekken deze jeugdherbergen de idee dat ze uitermate goedkoop zijn. Geloof me vrij, dat zijn ze vaak niet. Neen, geef mij maar een gewoon hotelletje waar de kans groot is dat je er ook mensen van het land zelf aantreft. Daarenboven wordt het ontbijt er vrij laat geserveerd, 7u30. Dit betekent dat je als fietser ten vroegste rond half negen, negen uur -ik hou van lang tafelen- kunt vertrekken. Dit lijkt een aannemelijk uur, maar met de verzengende hitte van de voorbije dagen verkies ik toch om wat vroeger de fiets op te stappen. Nu ja, beter een brandende zon, dan striemende regen...
Florianópolis uitfietsen is allesbehalve een pretje. Andermaal moet ik het zuidelijk deel van deze stad, die gescheiden is door het Largo do Afõndega, opfietsen. De lange brug is ontoegankelijk voor fietsers, maar bij gebrek aan een alternatief (althans die heb ik toch niet gevonden), trek ik een laatste maal mijn stoutste fietsschoenen aan. Automobilisten toeteren alsof hun leven ervan afhangt.
De rest van de dag probeer ik zoveel als mogelijk kleine wegen te kiezen. De zon stelt zich de hele dag wat verdoken op achter de wolken, maar zolang de gevreesde regen uitblijft, maal ik daar niet om.
Na een behoorlijk lange fietsdag van 130 km en een tweede lekke band, kom ik om zeven uur aan in Laguna. Voor morgen wordt er regen voorspeld. Ik zal maar een dagje vrijaf nemen; tenslotte is het morgen 1 november.
De duivel heeft gewonnen... |
Brazilië - Florianópolis, 30-10-2006 |
De jarige lijkt in rook opgegaan en bij het verlaten laat ik uit beleefdheid maar een briefje achter: ‘Muchas gracias, el vagabundo perdido... (29/10/2006)’
Wannneer ik in het eerste beste supermarktje wat inkopen doe, merk ik aan de grote koppen op de frontpagina´s van diverse kranten dat Lula de presidentsverkiezingen heeft gewonnen. De duivel heeft het gehaald boven God...
Ik fiets terug naar de hoofdstad van Santa Catarina em maak alles in gereedsheid om morgen verder zuidwaarts te fietsen. Uruguay wenkt, maar eerst zal ik nog halt houden in Laguna, Torres, Cidreira, Mostardas en Rio Grande. Om en bij de 700 km. De vakantie zit er heel eventjes op...
Een idyllische overnachting... |
Brazilië - Caieira, 29-10-2006 |
 |
 |
 |
 |
Wanneer ik de weinig gezellige camping verlaat, is er reeds een behoorlijke drukte op de baan. Niet alleen profiteert menig Braziliaan van het schitterende weer om z´n zondag door te brengen aan één van de 42 tellende stranden, maar tevens is het 29 oktober, de verplichte kiesdag voor de vorming van een nieuw parlement. In elk dorp zijn er kieslokalen en tot laat in de namiddag kan er worden gestemd. Ik ontvlucht de drukte en probeer zoveel als mogelijk op het strand te fietsen. Een zalig gevoel...
Helemaal rond het eiland kan ik niet en dus zit er niks anders op dan rechtsomkeer te maken om het meest zuidelijke punt van het eiland, Naufragados, te bezoeken. Ik fiets er langs schitterende begroeiing en ongerepte stukjes natuur. Hotels, pousades, campings zijn hier nergens te bespeuren. Wellicht omdat deze kustdorpjes niet beschikken over uitgestrekte droomstranden. Misshien maar best ook, want hier snuif ik nog de authentieke sfeer op van vissersdorpjes die leven op het ritme van een lome zomerse zondagnamiddag. Bewoners leven hier van de oesterkweek en de garnaalvangst.
Het meest zuidelijke punt, Naufragados, blijkt niet over weg bereikbaar te zijn en boten meren er vandaag niet meer aan. Jammer, want precies daar had ik de nacht willen doorbrengen.
Het is reeds vijf uur in de avond, tijd om overnachting te zoeken. Aan het water liggen behoorlijk wat kleine optrekjes, vermoedelijk buitenverblijven van Brazilianen. De meeste ervan liggen er verlaten bij. Keuze zat dus. Ik kies er eentje met een balkon dat me een prachtig uitzicht biedt op de oeverloze zee. Nauwelijks mijn tent opgezet of ik hoor naderende voetstappen en mannenstemmen... Ik sta plots oog in oog met drie mannen die nogal vreemd opkijken als ze mijn tent, fiets en bagage verspreid zien liggen op het balkon. Ik merk dat ik niet echt welkom ben en dus probeer ik maar hun vertrouwen in te winnen. “No soy bandiniero, soy turista perdido...” Het ligt op mijn lippen om “Vagabundo” te zeggen, maar het lijkt me in deze situatie net iets te pejoratief. Mijn beste Spaans kan hen allesbehalve overtuigen. Ze ratelen iets in het Portugees, maar kan duidelijk het woord politie en privaat eigendom onderscheiden. Ik denk dat ik beter opstap... Miljard, net nu ik het meest idyllische kampeerterreintje had gevonden.
Nauwelijks op de fiets kom ik opnieuw de man tegen aan wie ik de weg naar Naufragados had gevraagd. Hij vraagt me waar ik heen ga en probeer hem de vervelende situatie uit te leggen. Als ik hem zeg dat ik op het strand mijn tent zal opzetten, schudt hij vastberaden zijn hoofd. Hij neemt me mee naar een houten barak, vlakbij het water. Iets minder romantisch em uitermate bescheiden, maar misschien iets veiliger dan op het strand. Op een gegeven ogenblijk haalt hij een bord tevoorschijn, een zakje met wit poeder en een plastieken lepeltje. Ik zie hoe hij een deel van het witte poeder op het bord schept en netjes verdeelt in twee lange, lijnvormige hoopjes. Hij brabbelt iets in het Portugees en ik kan eruit opmaken dat hij vandaag 50 geworden is. Hij trakteert zichzelf op een lijntje cocaïne. Met een half opgerold blaadje snuift hij zijn deel van de coke op en triomfantelijk heeft hij zijn handgemaakt snuifpijpje door. “Die man is gek”, flitst het door mijn hoofd en beleefd, maar vastberaden maak ik hem duidelijk dat ik zijn verjaardag liever vier met een cerveza. Alsof hij mijn antwoord had verwacht, snuift hij gulzig ook het andere lijntje coke op. Jesus, waar ben ik hier terechtgekomen... Hij bergt alles op en neemt me mee naar zijn broer die even verderop, tegen de flanken van de heuvel, woont. We drinken er agua de coco. Op de achtergrond hoor ik hoe een verslaggever goochelt met uitslagen van de verkiezingen. Ik zet mijn verstand heel even op nul en probeer enkel te genieten van het adembenemend uitzicht.
Op de terugweg houden we nog even halt aan de enige nog open zijnde bar en we klinken op z´n geboorte, een halve eeuw geleden. Na veel te veel drank keren we huiswaarts. Hetzelfde ritueel herhaalt zich. Vreemd, maar sinds mijn aankomst op dit eiland werd me al tot tweemaal toe marihuana en coke aangeboden. Het wordt tijd dat ik eens een kapper opzoek en een scheerbeurt zal misschien ook wel wonderen verrichten. Ook nu bergt hij alles netjes op. Hij geeft me de sleutel van het slot en verdwijnt met de noorderzon. Ik begrijp er niks van. Met het geluid van de klotsende golven val ik vermoeid in slaap.
Surfles |
Brazilië - Barra do Lagoa, 28-10-2006 |
 |
 |
 |
 |
De gardien heeft hier de job van z´n leven gevonden. Als ik om 9 uur ´s morgens het vissershaventje verken, ligt hij nog ongestoord in dromenland. Barra do Lagoa ligt aan de rand van een grote lagune die via een kanaal verbonden is met de oceaan. Aan de oever werpt een visser z´n visnet over het water. Zijn vangst is niet bepaald gering te noemen. Tientallen vissen zitten verstrikt in zijn gevlochten vangnet. Deze plek is duidelijk ook een favoriete trekpleister voor diverse katten. Als aasgieren liggen ze op de loer, hopend een deel van de vangst, buit te kunnen maken. Het is een vertederend schouwspel. Vingervlug slaan ze toe en eenmaal de buit vast, zoeken ze een schuilplaats om in alle rust te genieten van hun culinaire vangst.
Barra do Lagoa is net als vele andere kustdorpjes een geliefd oord bij surfers. Wind is er niet, golven des te meer. Ik informeer of er geen surfschool in de buurt is. Ik blijk geluk te hebben: om 3 uur in de namiddag wordt er een initiatiecursus gegeven. Het voornemen om vandaag een ander deel van het eiland aan te doen, laat ik varen. Wie weet is dit wel de enige kans om deze watersport in de meest optimale omstandigheden uit te oefenen. Vier uur later lig ik te dobberen op een surfplank, probeer ik de golven te ontwijken en mijn evenwicht te zoeken. Het lijkt een simpele sport, maar is het geenszins. Het is een kwestie om in de richting van de aanspoelende golf, liggend op je plank, je reeds voort te bewegen. Net voorbij de golf, veer je recht en balancerend op de kracht van de golfslag probeer je als surfend de baan van de kolkende watermassa te volgen. Vaak word ik genadeloos bedolven onder liters en liters water. De kracht van zo´n golfslag is onvoorstelbaar groot. De gevaren van de zee zijn me na deze sportieve kennismakingsles me evenwel heel concreet geworden...
Camping Fortaleza do Lagoa... |
Brazilië - Barra do Lagoa, 27-10-2006 |
 |
 |
De receptionist van de guesthouse heeft gelijk. “Het noorden van het eiland is volgebouwd met appartementen en grote hotelcomplexen. De authentieke vissersdorpjes liggen meer naar het zuiden, iets over Barra do Lagoa...”
Barra do Lagoa heb ik dan ook als uitvalsbasis gekozen om mijn tocht te beginnen. Nu ja, beginnen... Dit kustdorpje ligt aan de andere kant van het eiland of op een fietsdag verwijderd van Florianópolis. Tien kilometer voor m´n aankomst fiets ik doorheen het nationaal park van Rio Vermelho. Net voor de uitgang merk ik een indringende geur op. Uit de torenhoge bomen stijgt even verderop een witte rookpluim op. Mijn vermoeden wordt bevestigd door een voorbijrijdende brandweerwagen. De brand is gelukkig vroegtijdig opgemerkt, want de vlammen hebben slechts een paar vierkante meter in de as gelegd. Bosbranden komen hier wellicht vaker voor, want op mijn tocht heb ik reeds diverse verschroeide plekken aangetroffen.
De gardien van de camping heeft duidelijk geen bezoek meer verwacht. In zijn hangmat ligt hij languit te genieten van een extra lange siësta. Ik besluit alvast mijn tent op te slaan.
Ik vermoed dat hij een jaar of 23 moet zijn. Een beetje zwak gestoord en goedlachs. In zijn tent staat plank op 2 bakstenen dat dienst doet als kleerkast en een versleten bed. Op een versleten dekentje liggen oorringen, armbanden, haarbandjes en andere prullaria. Zijn schat aan verloren voorwerpen, achteloos achtergelaten door kampeerders. Als ik hem vraag of ik een foto mag nemen, haalt hij nog vlug een zetel vanonder het bed en zet zijn zwarte zonnebril op. De gardien voelt zich duidelijk in zijn sas met z´n onverwachte gast. Hij praat honderduit en zelfs als ik hem erop attent maak dat ik er geen jota van snap, blijft hij onverminderd verder ratelen. Het moeten ongetwijfeld lange en eenzame dagen zijn...
Wandelen en verdwalen door de tijd... |
Brazilië - Florianópolis, 26-10-2006 |
 |
 |
 |
 |
Florianópolis is de hoofdstad van de staat Santa Catarina en wordt beschouwd als een parel van de Braziliaanse zuidkust. Deze flaterende naam heeft het vooral te danken door zijn ongelooflijke diversiteit. Niet alleen grenst de hoofdstad aan een eiland, maar tevens telt deze stad nog heel wat voorbeelden van koloniale architectuur. Monumenten, kerken en pleinen maken deze hoofdstad tot een stad waar ik eindeloos in kan verdwalen. Het praça VX de Novembro is zowat het meest centrale plein en wordt gekenmerkt door een levensgrote boom die reeds 115 jaar (1891) oud is. Sommige takken zijn tientallen meters lang en worden gestut door ijzeren, ronde palen. De tentakels vormen een natuurlijke beschutting tegen de felle zon. Rond de boom heerst dan ook een gemoedelijke sfeer. Verliefde paren nestelen zich op één van de vele zitbanken en oudjes spelen er kaart of domino. Het lijkt een ideaal rustpunt te midden van de dagdagelijkse drukte. Aan de overkant ligt het palácio Cruz e Souza, genoemd naar een beroemde dichter uit Santa Catarina. Het lijkt wel of ik een wandeling door de tijd maak. Barok en neoklassiek gaan hier hand in hand. Het paleis is versierd met prachtig beschilderde ornamenten en is onderverdeeld in diverse ruimtes: een rooksalon, een eetkamer, een muzieksalon,… Fotograferen is verboden, maar stiekem slaag ik erin om toch enkele foto´s te maken. Ik flaneer en geniet van de zorgeloze tijd, het vakantiegevoel en de vele indrukken.
Morgen verlaat ik Florianópolis om gedurende vier dagen per fiets de rest van het eiland te verkennen. Het eiland is slechts 56 km lang en 18 km breed, maar biedt me de mogelijkheid om 260 km te fietsen langs rustige wegen. Naar het schijnt zouden hier nog betoverend mooie vissersdorpjes te ontdekken zijn. Benieuwd of de betovering ook mij zal kunnen bekoren…
De kleren maken de man... |
Brazilië - Florianópolis, 25-10-2006 |
 |
 |
 |
 |
Na vier dagen kuierend fietsen, ben ik aangekomen in Florianópolis, 300 km verwijderd van het aards paradijs van Emmanuel. De tocht leidde me langsheen pittoreske kustdorpjes met al even aantrekkelijke plaatsnamen: São Francisco do Sul, Barra do Sul, Porto Belo,... Sommige kustdorpjes zijn vanop bepaalde plaatsen enkel per boot bereikbaar, wat de fietstocht extra aangenaam maakte. Vooral het historische badplaatsje São Francisco do Sul met z´n koloniale woonhuizen en zijn indrukwekkende kerk met twee blauwe koepeltjes, kon me best bekoren. Of was ik teveel beïnvloed door de overtocht met een heus piratenschip?
Onvoorstelbaar trouwens hoe verlaten al deze kustdorpjes erbij liggen. Nochthans moet het hier tijdens het hoogseizoen een tweede Blankenberge zijn. De ene pousade (Braziliaanse hotelletje) leunt tegen de andere aan en overal zijn er lanchonetes (Braziliaanse pubs) waar je je dorst kan lessen en je kleine honger kan stillen. Het toeristisch seizoen start hier pas binnen een drietal weken en valt samen met de grote vakantie. Ook hier sluiten de scholen twee maanden hun deuren, van half november tot half januari. Voor vele Brazilianen het uitgelezen tijdstip om af te zakken naar de kust en wat koelte op te zoeken. Van december tot maart is het hier drukkend heet en loopt de gemiddelde temperatuur al gauw op tot 40 graden en meer. Geen nood, tegen die tijd vertoef ik ergens aan het eind van de wereld, Vuurland.
Kustdorpjes mogen dan wel een zekere charme uitstralen, de weg ernaartoe is dat soms allesbehalve. Vaak bestaat de weg uit één lange zandpiste. Zo moest ik bij het verlaten van Barra do Sul, me bijna drie uur lang doorheen het mulle zand werken. Fietsen was onbegonnen werk en dus zat er niks anders op dan zwetend, puffend en hijgend de loodzware fiets meter per meter vooruit te duwen.
In datzelfde kustdorpje had ik eerder op de dag, tijdens m´n vroege ochtendwandeling langsheen de kustlijn kennis gemaakt met een nogal bizarre figuur: een grote, grijze man van edelachtbare leeftijd, getooid in een rode zwembroek en in het gezelschap van een langharige, slordig uitziende hond. De zon zat nog verscholen achter de verre horizon en de lichte zeebries versterkte de kilte van een te vroege ochtendwandeling. Het was halfzes in de morgen... Alsof de man aanvoelde dat ik nieuwsgierig was naar zijn aanwezigheid, stapte hij op me af. “Buenos días! Soy Stamm. Turista?” “Si”, zei ik, nogal verbaasd over zijn directheid. “Sprechen Sie Deutch?” “Un poco...”, zei ik, totaal uit mijn lood geslagen. Het ijs was gebroken... De man woonde sinds anderhalf jaar vlakbij het strand van Bacco do Sul. Zijn duits had hij geleerd door te corresponderen met iemand uit Duitsland. Elke morgen kwam hij hier naartoe, om te sporten: lopen, zwemmen, wandelen. Hier had hij rust gevonden, verweg van de Braziliaanse hoofdstad, Brasília, waar hij 35 jaar had gewoond. Zijn huis lag inderdaad vlakbij de zee en vanuit zijn moestuin hoorde ik het ruisen van de golven, als het kloppen van een regelmatige hartslag. Terwijl hij zich omkleedde, probeerde ik vanuit de openstaande keukendeur een glimp op te vangen van de woonkamer. De inrichting was sober en de zetels waren gedrapeerd met een bordeauxachtige, fluwelen stof. In één van de hoeken van de leefruimte stonden twee heiligenbeelden.
Hij droeg een blauwe, katoenen broek, een ongestreken hemd en rond zijn nek bengelde een groot, zilverkleurig kruis. “Sind Sie priester?” “Nein, bisschop.” Miljard... zeg nu nog eens dat de kleren niet de man maken! Als een daad van barmhartigheid toverde Dom Paulo Antonia Stamm in een mum van tijd een heel ontbijtbuffet tevoorschijn. Het leek wel alsof hij wist dat ik een zware voormiddag voor de boeg had.
Ik vroeg hem wat hij vond van het politiek beleid van de huidige president Lula. Hij had er duidelijk zijn bedenking over. Volgens hem teerde Lula op het werk en de vruchten ervan die zijn voorganger had verricht. “Lula rooft de staatskas leeg, maar niemand slaat er acht op. Men staart zich blind op de bloeiende economie en zijn buitenlandse uitstraling...” Op mijn vraag of hij kans maakt om aanstaande zondag (29 oktober) de presidentsverkiezingen te winnen, antwoordde hij laconiek: “Als de Brazilianen de keuze hadden om te kiezen tussen God en de duivel, dan stemden ze massaal op de duivel. De meeste Brazilianen zullen nooit veranderen...”
Afscheid van het aards paradijs... |
Brazilië - Guaratuba, 21-10-2006 |
 |
Na drie dagen verlaat ik het aards paradijs. Bij het afscheid merk ik dat Emmanuel
heeft genoten van mijn aanwezigheid. Mijn
onverwacht bezoek zal het verdriet om zijn verloren geliefde Alexandra wellicht wat
gemilderd hebben. Ook ik heb mateloos
genoten van de lange filosofische gesprekken bij valavond, zijn heerlijke culinaire
kookkunst en de niet te versmaden
caipirinha -sterk alcoholisch drankje (cachaça = suikerrietalcool) met limoen en
suiker.
Drie dagen lang was het alsof we ahw een thuismatch speelden.
Bij het vertrek stopt hij me nog wat proviand toe: een fles limonade gevuld met
Paraná-wijn en twee opgevulde courgettes, een
koningsmaal voor een verdwaalde zwerver. Ik weet hem best te appreciëren, die
zonderlinge Bruggeling. Ik heb respect voor
zijn sobere levenswijze en zijn vastberadenheid inzake zijn Braziliaanse droom. Een
droom waarvan ik stellig hoop dat hij het
ooit eens waar zal kunnen maken.
Op zijn krakkemikkige fiets rijdt hij nog mee tot in het centrum van Morretes, waar
we nog samen de stokerij bezoeken van
zijn lievelingsdrankje, caipirinha . Hij biedt me een aperitiefje aan, maar sla zijn
aanbod wijselijk af. Het is inmiddels
stilletjes beginnen regenen en ik heb nog een goeie 80 km voor de boeg. Afscheid
zwaaiend, fiets ik de regenwoken tegemoet.
Aards paradijs of vlucht uit het reële bestaan? |
Brazilië - Porto de Cima, 19-10-2006 |
 |
 |
Ik hoor gestommel in de keuken. Emmanuel zet er koffie. Tijd om op te staan. Ik zet de matras terug in het propvolle logeerkamertje en schik de sobere leefruimte terug zoals voorheen. Door het openstaande raam hoor ik enkel het getsjirp van vogels. Emmanuel neemt me na het ontbijt mee naar zijn tuin. Hij maakt me wegwijs in de voor mij onbekende wereld van orchideeën, bromelia’s, succulenten, heliconia en ontelbare andere planten en bloemen. Emmanuel heeft overduidelijk zijn hart verloren aan dit stukje paradijs.
Hij blijkt niet de enige te zijn. In de namiddag brengen we een bezoek aan Adriano en zijn gezin. Hij is Braziliaan van Duitse origine en getrouwd met Inka, een meisje uit Frankfurt. Sinds maart dit jaar zijn ze hier met hun drie kinderen (5, 3 en 1 jaar) neergestreken. Als veganisten leven ze hier zonder elektriciteit, zonder toilet, zonder badkamer. In hun houten huisje hangen enkel wat hangmatten en staat een houtkachel waarop ze koken. Als we aankomen zit hij tokkelend te spelen op zijn gitaar. We drinken er koffie en eten popcorn. Ik heb respect voor hun manier van leven, maar stel me toch vragen bij de consequenties van hun levenswijze naar de kinderen toe. Tenslotte hebben zij geen keuze in de wijze waarop zij worden grootgebracht. Persoonlijk heb ik er moeite mee. Geef je kinderen de kans om te leven in een ‘normale’ leefomgeving en laat ze dan, wanneer ze er zich rijp voor voelen, zelf kiezen welke levenswijze ze verder willen uitbouwen. Hier zou ik graag 10 à 15 jaar later opnieuw eens willen langskomen. Al was het maar om te zien welke impact dergelijke levensfilosofie heeft op hun drie kinderen.
Op de terugweg is het opnieuw fel beginnen regenen en in een mum van tijd wordt de aarden weg herschapen tot één grote modderpoel. Vlak voorbij de bocht maak ik een pijnlijke val en hou er naast een pijnlijke pols, een gebroken spiegel aan over. Nu ja, scherven brengen geluk, zegt men…
Rechtsomkeer voor een landgenoot... |
Brazilië - Porto de Cima, 18-10-2006 |
 |
 |
Met een strikt minimum aan bagage verlaat ik Guaratuba. Op de veerpont die Guaratuba verbindt met Matinhos, ontmoet ik Manoel, een professor landbouwkunde. Hij nodigt me uit om een rondleiding te geven in de gloednieuwe universiteit. De universiteit telt een 500-tal cursisten en is één van de weinige staatsuniversiteiten die Brazilië rijk is. De meeste universiteiten zijn hier in privé-handen. De leerplicht is in Brazilië verplicht tot 14 jaar. Niettegenstaande de leerplicht blijft onderwijs voor vele kinderen een illusie en dit ondanks de vele inspanningen van de overheid.
De alternatieve weg naar Morretes ligt er nagenoeg verlaten bij. Het fietsen vlot behoorlijk en rond drie uur kom ik eraan. De Belgische landgenoot, Emmanuel Serruys, blijkt echter verhuisd naar het dorpje 6 km verderop.
De dame van het immobiliënkantoor blijkt een goeie kennis te zijn en maakt me met handen en voeten duidelijk dat ik het huis van Emmanuel nooit alleen kan vinden. Ze stelt me voor om te wachten tot haar man terug is. Twee uur later begeleidt hij me met zijn wagen naar het huis van Emmanuel.
Zijn vrouw had inderdaad gelijk. Het huisje van Emmanuel ligt te midden van een tropisch regenwoud, verweg van de bewoonde wereld. De ontvangst is, zoals verwacht, hartelijk. Emmanuel (57 j) is van Brugge afkomstig, maar woont hier sinds vorig jaar permanent. Twaalf jaar geleden bracht hij een bezoekje aan een vriendmissionaris, eveneens een Bruggeling. Een reis die sindsdien zijn hele leven heeft veranderd. Elk jaar is hij er teruggekeerd en in 2000 heeft hij er voor 275.000 Bfr. zijn stukje aards paradijs aangeschaft. Drie jaar later leerde hij via het internet Alexandra kennen, een Braziliaanse schone (36 j) uit de streek van Bella Horizonte, op een slordige 1000 km van Morretes. Twee jaar pendelde hij over en weer naar zijn geliefde en zijn stukje hemel op aarde. In mei 2005 werd de vriendschap met het huwelijk bezegeld. De droom van Emmanuel leek compleet. Alexandra droomde echter van een leven in het natte, welvarende België; verweg van het paradijselijk niemandsland waar Emmanuel zich thuis voelde. Het huwelijk liep op de klippen en Alexandra verdween met de noorderzon en een deel van zijn zuurverdiende spaarcenten. Emmanuel bleef alleen achter op zijn idyllisch plekje, een zoveelste illusie rijker.
De werkzaamheden in z´n geliefd oord liggen inmiddels stil, wegens geldgebrek. Tevergeefs probeert hij nu werk te vinden, maar zijn beperkte kennis van het Portugees maakt het er niet gemakkelijk op. Hij troont me mee naar de achterkant van zijn huisje en denkbeeldig probeer ik me zijn verbouwingsplannen in te beelden. Dromen die wellicht nooit gerealiseerd zullen worden.
Hij overleeft door in het weekend wat bij te kussen in een plaatselijk restaurantje. Wagen, TV, internet, … het zijn luxeproducten die hij zich al lang niet meer kan veroorloven. Hij heeft leren leven met weinig. Elke week stuurt hij een lange brief naar zijn nu 84-jarige moeder. Het lijkt me voorlopig zijn enige houvast in het leven te zijn. Sinds enige tijd put hij ook wat energie uit de bijeenkomsten van de methodisten. Ook vanavond is er een bijeenkomst en samen gaan we er heen. De kleine zaal telt een zevental zitbanken en wanneer de dienst begint, tel ik hooguit acht aanwezigen. Vooraan staat een man te prevelen uit de bijbel. Liturgische gezangen worden afgewisseld met ellenlange preken. Ik vind het maar een saaie bedoening.
´s Avonds laat eten we spaghetti en ik luister naar zijn levensverhaal. Op de achtergrond weerklinkt de warme stem van Willem Vermandere die zingt over ‘Blanche en z´n peerd’. West-Vlaanderen lijkt heel even op de hoek van de straat te liggen…
Een opvallende mail... |
Brazilië - Guaratuba, 17-10-2006 |
 |
Het regenseizoen is hier volop aangebroken. De hele nacht heeft het hier fel geregend en ook ’s morgens hangen regenwolken laag boven het stadscentrum van Guaratuba. Het centrum van dit kuststadje heeft weinig te bieden, maar de ligging bij de zee maakt veel goed. Ik wandel doorheen de kustlijn en bezoek er naast de grot van Lourdes, eveneens Monto Cristo. Als een beschermheer met uitgestrekte hand kijkt hij uit op het strand van Guaratuba. Het heeft me een veilig gevoel. ´s Avonds laat profiteer ik van het gratis internetgebruik om m’n website wat bij te werken. Tussen mijn elektronische post vind ik een opmerkelijke mail van Steven Vangheluwe. In een vorig leven ooit nog een tijdje klasgenoot geweest, nu de uitbater van ’t Hemelryck in de Menenstraat te Ieper. Hij kent iemand die in Morretes woont, een West-Vlaming notabene. Ik zou er zeker hartelijk welkom zijn… Verdorie, Morretes had ik vier dagen geleden reeds achter me gelaten. Indien ik niet via de kust zou terugfietsen, dan moet Morretes –in vogelvlucht- een 70-tal kilometer achter me liggen. Wat is uiteindelijk honderdveertig kilometer als je twee jaar op reis bent en ettelijke duizenden kilometers per fiets aflegt? Ik kruip in bed met de overtuiging dat m’n beslissing om terug te keren, m’n reis enkel maar een stuk rijker kan maken…
Verbazing in alle opzichten... |
Brazilië - Guaratuba, 16-10-2006 |
 |
 |
Voor ik Paranaguá verliet, bracht ik nog een bezoek aan de plaatselijke vismarkt. Het valt me op dat de welvaart aan de kuststeden hoger is dan in het kleine gedeelte dat ik tot dusver in Brazilië heb doorkruist. Toerisme en visvangst zullen hier ongetwijfeld een rol in spelen. Wat me ook ontzettend opvalt, is de sterke concentratie van Evangelische groeperingen en dit -wellicht- over gans Brazilië. In haast elke stad trof ik tot dusver meerdere zalen aan waar Evangelische gemeenschappen er samenkomen. In Paranaguá vond er net een vijfdaags congres plaats. Voor de gelegenheid hadden ze op het centrale stadsplein een reuzegrote festivaltent neergezet. Er waren hier gisteravond een goeie tweeduizend gelovigen bijeen. Nog nooit gezien! Ook op de slotavond waren er gastspreker te gast, overwegend mannen, keurig gekleed in drieledig pak. Via grote videoschermen kon je zelfs helemaal achteraan in de tent de toespraken, afgewisseld met begeleide geloofsliederen, volgen. De gastsprekers leken wel politiekers die vaak brullend te keer gingen. De begeestering bij de menigte was al even verbijsterend. Sommigen van hen gingen echt helemaal uit de bol. Onvoorstelbaar hoe mensen zich zo kunnen laten indoctrineren! In ieder geval moet deze organisatie goed bij kas zitten, want naast professioneel geluids- en filmapparatuur, stonden er minstens drie trucks en twee bussen op het plein. Afgaande op de aangebrachte reclame, zal ook dit rollend materiaal toebehoren aan deze groepering.
De rit naar Guaratuba verliep vrij vlot, ondanks de haast onophoudelijke regen. Via de toeristische dienst van Antonina, had ik een boekje gekregen met daarin enkele logies te Guaratuba. Ter afwisseling besloot ik om er de plaatselijke jeugdherberg op te zoeken. Bij aankomst bleek de jeugdherberg een luxe-hotel te zijn, zwembad incluis. Toen ik de ruime kamer met privé-badkamer werd binnengeloodst, vroeg ik veiligheidshalve toch of ik wel aan het juiste adres was. De eigenares vertelde me dat de jeugdherberg volledig was gerenoveerd en niet langer als dusdanig fungeerde als trekpleister voor backpackers. Niettemin kon ik op vertoon van mijn lidkaart genieten van alle comfort en dit aan een sterk verminderde korting. Zelfs het gebruik van het internet was gratis. Een pure luxe, want in Brazilië betaal je gemiddeld tussen de 1 à 1,5 euro per uur. Ik besloot om er maar meteen twee dagen te blijven en de thuisblijvers eens extra te verwennen met een resem verslagen en foto´s van de voorbije week…
Een stukje aardsparadijs... |
Brazilië - Ilha do Miel, 15-10-2006 |
 |
Na een tocht van anderhalf uur meer ik aan op het eiland Ilha do Miel, een paradijselijk eilandje dat door de erosie van de zee gescheiden is in twee delen en nog alleen met elkaar verbonden zijn door een zandbank. Het ene deel bevat een dicht begroeid ecologisch reservaat, het andere deel is het terrein van toeristen en surfers die er neerstrijken omwille van de mooie golven. De zon komt slechts sporadisch doorheen de wolken piepen, maar dreigende regen blijft gelukkig uit. Op het eiland laat ik me droppen ter hoogte van ´Brasilia´. Via een immens uitgestrekt strand, maak ik een kilometerslange wandeling naar het fort Fortaleza. Dit fort dateert van 1767 en moest Brazilië beschermen tegen eventuele Spaanse aanvallen. De ruisende zee straalt een intense rust uit. Het strand ligt er verlaten bij. Niet alleen nodigt de schaarse zon niet echt uit tot zonnebaden, ook de geringe uitgebouwde faciliteiten zorgen ervoor dat menig toerist het andere eindpunt van het eiland aandoet, Encantades. Ik geniet mateloos van de oeverloze rust, het geluid van aanspoelende golven, het eindeloos uitzicht, het onophoudelijk spel van eb en vloed… Ik mijmer en besef andermaal dat ik de juiste keuze heb gemaakt.
Het fort ligt er als een rots in de branding en steekt mooi af tegen de horizon. De opgestelde kanonnen versterken des te meer de onaantastbaarheid. De zon heeft ondertussen het pleit gewonnen en de zee ligt te glinsteren als een onschatbare diamant. Het lijkt wel of dit deel van het eiland onbewoond is, of toch bijna. Op mijn tocht kom ik nauwelijks een handvol mensen tegen. In de verte zie ik een vuurtoren reikhalzend uitsteken te midden van een groene heuvel. De vuurtoren dateert van 1872 en fungeert nog steeds als navigatieindicator. De zon schijnt ongenadig fel en ik zoek de koelte op van de golvende zee. De zwempartij is verkwikkend en overheerlijk. De zon heeft blijkbaar meer mensen op de been gebracht, want op mijn terugweg ontmoet ik een groepje dertigers, zittend te genieten van de zorgeloze tijd. Een overjaarse hippie tokkelt op zijn gitaar en zingt verloren gewaande liedjesteksten van zijn popidool, Bob Dylan. De muzikale klanken sterven weg op het ritme van de golven…
Ilha do Miel (honingeiland) is nog een stukje aardsparadijs, gevrijwaard van bouwpromotoren en commerciële druk. Voor wie echt nog wil onthaasten, is dit ‘the place to be’!
Flanerend tussen een koloniaal verleden... |
Brazilië - Paranagua, 14-10-2006 |
 |
 |
 |
 |
Ik ben aangekomen in Paranaguá, het beginpunt van mijn tocht doorheen de Braziliaanse kust. Heel even had ik overwogen om vanuit Curitiba de trein te nemen, om aldus de drukke ochtendspits te vermijden. Aan het station had ik evenwel een soort jaagpad ontdekt dat netjes naast de spoorbedding liep. Met een beetje geluk leidde dit pad me tot buiten de stadskern.
Terwijl ik voor mijn vertrek nog wat proviand insloeg, viel mijn oog op een fietsende reclamejongen. Op zijn bagagedrager was een muziekbox geïnstalleerd, alsook een publiciteitsbord met een foto van een indringende blik, met eronder ‘Galdino 43021’. Naast hem liep een veertigjarige man in witte stofjas. Het bleek professor Galdino te zijn, de man met de indringende blik, die op 29 oktober een gooi doet naar een parlementsfunctie. In haast vlekkeloos Frans schetste hij me de politieke situatie in dit gigantisch land.
De huidige president, Lula, mag dan tijdens zijn voorbije ambtsperiode de economie met 5% hebben laten stijgen; die groei werd evenwel op geen enkele manier omgezet in een vermindering van de armoede of van de ongelijkheid in dit land. Maar liefst 80 miljoen van de 182 miljoen Brazilianen verkeren niet in de mogelijkheid om dagelijks voldoende te eten. Naast de schrijnende armoede is er ook nog het probleem van de landlozen. Jaren geleden zijn honderduizenden mensen verjaagd geweest van huis en haard. Het stukje land dat ze eigenhandig bewerkten en voor een groot stuk voorzag in hun levensonderhoud, werd ingepikt door grootgrondbezitters. In zijn verkiezingsbelofte had Lula beloofd om dit onrecht ahw met de grond gelijk te maken en de landlozen in ere te herstellen. Een belofte die slechts voor 10% werd ingelost en voor vele kiezers van toen, een doorn in het oog is. Professor Galdino roept zijn medeburgers op om hun stem op hem uit te brengen. In ruil belooft hij een herverdeling van de rijkdom en structurele maatregelen om een nieuwe dynamiek op gang te brengen voor de armen. Benieuwd of hij voldoende kiezers achter zich zal kunnen scharen…
Het jaagpad bracht me inderdaad tot ver buiten de stadskern. Toegegeven, het was eens iets anders dan de E17… Ook de rest van de weg fietste ik langsheen landelijke wegen. Alleen de regen gooide wat roet in het eten. Tot vervelends toe moest ik meermaals schuilen. Rond drie uur in de namiddag zag de hemel muisgrijs en beperkten mistslierten het zicht tot amper 20 meter. Brutte pech, want tijdens de kilometerslange afdaling (950 m hoogteverschil), was er van panoramische vergezichten allesbehalve sprake. Door de aanhoudende regen was het bovendien aardig gald op de glibberige kasseien. Gelukkig bereikte ik voor het vallen van de duisternis Morretes, een koloniaal stadje aan de voet van de bergen. Op een luxe-hotel na, was er maar één budget-pension. Alle éénpersoonskamers waren bezet en bijgevolg wou de eigenares me de prijs laten betalen voor een tweepersoonskamer. Hallo? Zelfs als ik zei dat ik er eventueel twee nachten ging logeren, bleef ze onverwurmbaar. De deal ging niet door, zoveel was duidelijk. Eenmaal buiten besefte ik dat ik weinig keuze had. Ofwel nog 10 km in de gietende regen en in de duisternis verder fietsen of opnieuw proberen te onderhandelen. Ik opteerde voor de laatste optie. Mijn overredingskracht was succesvoller dan ooit. Ze haalde bakzeil en voor de helft van een éénpersoonskamer kreeg ik zelfs een driepersoonskamer. De lekkende kraan heb ik er maar voor lief bijgenomen…
Voor dag en dauw was ik reeds wakker, wellicht door de lekkende kraan. Vroeg uit de veren heeft het fantastisch voordeel dat je een stad ziet ontwaken en dat straten en pleinen er verlaten bij liggen. Ideaal om gewapend met fototoestel en voldoende geheugen op pad te gaan.
´s Morgens is de charme die koloniale gebouwen uitstralen des te authentieker. De flamboyanten en reuzepalmen versterken als stille getuigen dit gevoel. Diezelfde dag besloot ik toch om verder te trekken, meerbepaald naar Antonia, slechts 12 km verderop. Ook hier werd ik gecharmeerd door de koloniale sfeer. Misschien iets minder expliciet aanwezig als in Morretes, maar door z´n ligging aan de baai van Antonina wist dit stadje me best te bekoren. De volgende morgen vertrok ik dan eindelijk naar Paranaguá.
De dualiteit van een grootstad... |
Brazilië - Curitiba, 12-10-2006 |
 |
 |
 |
 |
Drie dagen geleden ben ik aangekomen in Curitiba, een goeie 100 km van de Braziliaanse kust verwijderd. De tocht ernaartoe was zwaar, druk en hels. Een grootstad binnenfietsen is op zich al geen lachertje en daarom wou ik dan ook kost wat kost er op zondag aankomen. En gelijk had ik. Het kostte me ruim anderhalf uur om het centrum te bereiken. Dankzij 2 moutenbikers, die me hulpeloos de weg hadden zien vragen, geraakte ik op mijn eindbestemming, hotel Maia. Als twee bodyguards escorteerden ze me doorheen het centrum.
In wezen is het vreemd: met grootsteden heb ik een soort haat-liefde verhouding. Enerzijds vind ik het fantastisch om de drukke mensenzee te aanschouwen in hun vertrouwde biotoop, om te flaneren tussen groteske, oude gebouwen en architectonische staaltjes van het menselijk brein, om een stad te zien ontwaken en een halve etmaal later opnieuw de nacht in te zien duikelen... Anderzijds wil ik me onttrekken aan de levendigheid van zo´n stad, de drukte, de niet-aflatende stroom aan mensen en auto´s, de ellenlange straten die geflankeerd worden door torenhoge kantoren, het claustrofobisch gevoel... Met deze moderne stad is dat niet anders. Met zijn perfect uitgebouwd netwerk van openbaar vervoer (nog nooit gezien!), haar transparante architectuur en talloze wokenkrabbes, waan ik me precies in een Europese, moderne grootstad.
Het historisch stadsgedeelte leunt vermoeid tegen het gloednieuwe centrum aan, maar ademt nog de nostalgie uit van weleer. Verkeersvrije met klinkers geplaveide straten en brede pleinen herstellen het oude gedeelte van Curitiba in zijn waardigheid. Hier kan je nog rustig slenteren, ontsnappen uit de greep van schreeuwlelijke lichtreclames, fastfoodketens en superbazars.
Bij het binnenrijden van de stad had ik enkele malen een wegwijzer zien staan met het opschrift: ‘Opera De Arme’. Ik beslis om er een kijkje te gaan nemen, maar neem wegens een te grote loopafstand de omnibus. Een belevenis op zich. Bushaltes zijn hier omgevormd tot busterminals waar je bij de ingang je ticket aanschaft. Eenmaal vertrokken, vlieg je ahw door het centrum, omdat zij gebruik maken van speciaal voor hen aangelegde rijstroken. Mijn bezoek aan de opera is een tegenvaller. In plaats van een oeroud gebouw aan te treffen die reeds aan de buitenkant de elegantie en de grandeur van een muzikaal theaterspektakel weet te weerspiegelen, word ik geconfronteerd met een arenavormige constructie die volledig is opgetrokken uit glas en metaal én bovendien neergeplant in een natuurpark. Nu ja, hoe zegt men het ook alweer: ‘Les gouts et les couleurs ne se discutent pas...”
De charme van een gezellig, intiem theatertje vind ik wel terug in het Teatro Paiol. Hier straalt het rondvormig gebouwtje nog pure nostalgie uit. Een gevoel dat nog wordt versterkt door de grote zwart/wit foto´s die aan de binnenkant hangen en die onvergetelijke momentopnames tonen van muzikale grootheden die hier ooit het beste van zichzelf hebben gegeven. Foto´s van vroeger geven duidelijk aan dat er, op enkele akoestisch-technische ingrepen na, niks is veranderd aan het oorspronkelijke theaterconcept. Hier kunnen optreden moet voor elke kunstenaar een must zijn!
Ik sluit mijn driedaags bezoek aan de stad af met een lange wandeling doorheen het Tanguá park en de 170 ha grote botanische tuin.
Op de terugweg zie ik wederom de vele sympathisanten van parlementskandidaten zwaaien met vlaggen. Terwijl in Vlaanderen de politieke luwte over haar toppunt heen is, barst de verkiezingsstrijd hier in alle hevigheid los. Eind deze maand vindt hier namelijk de laatste ronde plaats van de parlements- en presidentsverkiezingen. Vurig kan ik alleen maar hopen dat de nieuwe bewindsmannen iets doen aan de schrijnende armoede in dit land. Zelden zoveel bedelaars en daklozen gezien als hier in Curitiba. Ik heb het er vaak lastig mee, te zien hoe mensen hier niet eens de eindjes aan elkaar weten te knopen. Ik hoop dat ik met mijn kleine schenking aan sommige van hen, een klein beetje de armoede (al was het maar voor een dag) uit de wereld heb geholpen. Alhoewel...
Morgen verlaat ik Curitiba om terug volledig de schoonheid van de natuur op te zoeken. Mijn eerste halte wordt het charmant, historisch stadje Morretes, gelegen aan de voet van de bergen en te midden van de natuur. Daarna staat me nog een serieuze beklimming te wachten van een goeie 75 km door de bergen, om uiteindelijk af te zakken naar Paranagua, het startpunt van minstens twee fietsweken langsheen de ongerepte Braziliaanse stranden.
De tijden zijn veranderd... |
Brazilië - Palmeira, 07-10-2006 |
 |
Voor het eerst word ik gewekt met ontbijt aan bed. Neen, ik vertoef niet in een vijf-sterren hotel, maar ontwaak tussen de talrijke houten eettafels van het restaurant ‘Armando’. Mijn neus wordt geprikkeld door de aroma van dampende koffie. Ik rol mijn bed op en neem een uitgebreid ontbijt.
Ik ben goed geluimd, mede omdat ik op de kaart heb ontdekt dat ik de drukke E17 kan inruilen voor een alternatieve, kortere route. De kans dat ik Curitiba zondagavond bereik, wordt nu wel heel reëel. Het geraas van aandravend verkeer is herleid tot amper 10%. Ik maak ongestoord gebruik van het brede wegdek. De zon breekt pas laat na de middag doorheen het dichte wolkendek en in tegenstelling tot de vorige dagen kom ik reeds om vijf uur aan op mijn eindbestemming, Palmeira. Een hotel vinden zal hier geen probleem opleveren, want reeds bij het binnenrijden zie ik een uithangbord hangen. Ik rij verder, omdat ik de voorkeur geef aan een hotel in het centrum van een stad. Op die manier kan ik ´s avonds nog een een glimp opvangen van het stadsleven. Ik hou halt voor een gebouw met opvallend bruin getinte ramen: ‘Clima Hotel’. De naam straalt al enigszins een zekere grandeur uit en ook de aan het raam bevestigde stickers ‘Diners Club’ en ‘Visa’ verraden een hogere prijsklasse. De ruime luxeuse eenpersoonskamer kost 44 real (16 euro), ontbijt inclusief. Na drie dagen van basic comfort en heel wat kilometers in de benen, mag ik mezelf best eens verwennen. Ik profiteer van het stromende, warme water om wat kleren uit te wassen.
Als ik rond 7 uur het dorpsplein opzoek, wordt mijn aandacht getrokken door opgewekt gezang. Doorheen de openstaande, grote, houten kerkdeuren merk ik dat er een dienst aan de gang is. De kerk zit afgeladen vol en het is even zoeken naar een zitplaatsje op de de harde, bruine, lange banken. Naast het altaar staat een lifeband, bestaande uit synthesizer, saxofoon en electrische gitaar. De muzikaal begeleide liederen worden luidkeels meegezongen. Het lijkt wel op een Vlaamse zangcrochet-avond… De kerk heeft een prachtige lambrisering die in symmetrische vormen is beschilderd met bijbelse taferelen. Ik geniet van de serene rust, de engelachtige stem van de soliste die de menigte in vervoering brengt en het samenhorigheidsgevoel wanneer de gelovigen het refrein uit volle borst meezingen. Ik voel hoe mijn ogen beginnen te tranen. Tijd om op te stappen… Op de trappen van de kerk zie ik hoe de volle maan bezit heeft genomen van de nacht. De gesloten cirkel doet me denken aan de aangegeven hoogteverschillen op mijn landkaart; lichtbruin gevlekt met hier en daar grijsachtige strepen. De muziekband zet opnieuw de eerste noten in, gevolgd door het haast sacrale gezang van de gelovigen. Inwendig voel ik aan dat ik de juiste weg heb gekozen…
Wanneer ik rond 10 uur opnieuw over het dorpsplein loop, is er van de sacrale rust niks meer te merken. Honderden jongeren hebben zich meester gemaakt van het kerkplein dat is omgetoverd tot een soort city-parade. Ik kan mijn ogen en oren niet geloven. Een eindeloze stoet van auto´s rijdt stapvoets rond het plein. Uit elke wagen dreunen de muziekboxen. Hier en daar zitten er volledig getunde wagens tussen. De meeste auto´s beschikken evenwel niet over de meest gesofistikeerde geluidsinstallatie, maar over een draagbare radio- en/of cd-speler die loeihard muziek produceert vanuit hun openstaande koffer. Er is voor elk wat wils: techno, samba, new wave, reggae, … De honderden jongeren op de stoep van het grote plein passen hun dansritme moeiteloos aan. Grote, meegesjouwde koelboxen met alchoholische dranken zorgen voor de nodige afkoeling. Onwaarschijnlijk! Brazilië leeft, bruist en danst! Aan de overkant van de straat zie ik nog net hoe een hoogbejaarde vrouw hoofdschudend de ramen van haar slaapkamertje afsluit voor het muzikaal, jong feestgedruis. Ja, de tijden zijn onmiskenbaar veranderd…
Fietsen op de E 17... |
Brazilië - Reolígo, 06-10-2006 |
 |
 |
Ik word wakker met een gloeiende pijn ter hoogte van de ogen en ook mijn linkerwang lijkt te lang blootgesteld aan een verschroeiende zon. Als ik in de spiegel kijk, zie ik hoe mijn oogkassen uitpuilen en ook mijn wang is zichtbaar opgezwollen. Ik kijk in de richting van mijn geïmpregneerd muskietennet… Ik had het kunnen weten. De chemisch aangebrachte stof waarmee mijn klamboe is behandeld, dient om insekten weg te houden. Dit impliceert evenwel dat je de klamboe dan ook op een correcte wijze gebruikt en niet als een soort slaapmatje…
Bar ‘San Fransisco’ ruikt nog naar verschraald bier wanneer ik rond zeven uur bepakt en bezakt mijn fiets naar de uitgang loods. Hier zal het leven onverminderd verder zijn gang gaan, elke avond opnieuw.
Na een goeie 30 km bereik ik eindelijk de langverwachte tolweg. Ik profiteer van het aanwezige wegrestaurant om het ontbijt te nuttigen. De frisse ochtendwind heeft een positieve werking op mijn gloeiend gelaat en ik voel hoe de pijn langzaam verdwijnt. De weg is inderdaad behoorlijk rustiger en beschikt over een geasfalteerde pechstrook. Het fietsen gaat vlot en tegen de middag ben ik al aardig opgeschoten. Plots neemt het verkeer drastisch toe en opnieuw zoeven vrachtwagens en auto´s om me heen. Noodgedwongen moet ik tot vervelends toe de pechstrook op. Mijn snelheid daalt drastisch, want ook hier vertoont de pechstrook grote gaten en her en der ligt er steengeruis. Ik besluit om het voor bekeken te houden en voorbij de grote stad, Guarpuva, een hotelletje te zoeken. Op de kaart staat immers een goeie vijf kilometer verderop een stadje aangegeven. Het stadje is evenwel nergens te bespeuren en evenmin vind ik een wegwijzer.
De wijzers van de klok tikken in de richting van drie uur. De eerst volgende stad ligt op een goeie 45 km. Zonder al teveel hoogteverschillen moet dit een haalbare kaart zijn. Alles gaat vlot tot 15 km voor mijn eindpunt.
Ik maak een zoveelste afdaling en dus kies ik resoluut de grote baan. De pechstrook is bij een afdaling door de vele oneffenheden niet echt aan te raden. Een vrachtwagen haalt me in, net op het moment dat een auto hetzelfde manoeuver uitvoert. Vanuit mijn kleine, ronde spiegel merk ik dat de vrachtwagen opnieuw uitzwenkt en vervaarlijk dicht nadert. Ik hoor een ellenlange en oorverdovende claxon, voel hoe de kolossale rubberen banden rakelings om me heen schuren en uit alle macht probeer ik bij te sturen. Ik voel hoe de verplaatste luchtdruk me weg blaast en in een fractie van een seconde besef ik dat er geen andere uitweg meer is: de pechstrook. Met een snelheid van 50 km/u stuiter ik 20 cm lager. Ik hoor hoe mijn achterwiel onzacht in aanraking komt met het beton, gevolgd door een scheurend geluid van mijn velg. Ik rem uit alle macht en vloek even hard… Mijn eerste lekke band is een feit. Elke lekke band komt ongelegen, maar deze eens te meer. Ik moet me haasten, want binnen een half uur is het donker en dan mag ik het wel helemaal vergeten. Luc Ostyn, de fietsenhersteller uit Boezinge, zou ongetwijfeld elke lekke band blindelings kunnen stoppen of vervangen, maar ikzelf zie me daartoe nog niet in staat. Net voor ik met enige moeite alle bagage weer op de fiets vasthecht, valt de duisternis over de drukke tolweg. Ik vrees voor een tweede lekke band en probeer zoveel als mogelijk de pechstrook te vermijden. Opeens daalt de weg, kilometers lang. Verkeersborden manen bestuurders aan om te remmen met de moter. Dit alleen al wijst op een fikse afdaling. De pechstrook is niet langer een alternatief, want om de 10 meter krijg ik een soort verkeersdrempel voor de wielen geschoven. Dan toch maar weer de baan op. Het is pikdonker en alleen het lichschijnsel van de koplampen afkomstig van de wagens achter me tekenen de contouren van de te volgen weg. De vrachtwagen voor me remt constant en ook ik trek voortdurend alle remmen dicht. De lucht vult zich met de geur van verbrand rubber… Er lijkt geen einde aan te komen. Ik daal 475 meter. Ik hou mijn adem in en concentreer me op de achterlichten van de remmende vrachtwagen vlak voor mij. Uiteindelijk kom ik aan in Reolígo.
Bij het eerste wegrestaurant hou ik halt. Op mijn vraag of er een hotel in de buurt is, is het antwoord negatief. De moed zakt me zowaar in de schoenen. Het eerstvolgende hotel is hier minstens 20 km vandaan en ligt niet eens op mijn route. Ik kijk om me heen. Het restaurant telt een vijftiental tafels, ruim genoeg om een verdwaalde zwerver onderdak te bieden. Ik leg de eigenaar uit dat ik drie lekke banden heb gehad en om mijn woorden kracht bij te zetten, haal ik mijn enige lekke band tevoorschijn en toon breed gesticulerend het cijfer drie. Met een hulpeloze blik van een neergeslagen hond, kijk ik de man recht in de ogen aan. “Ben je alleen?”, vraagt hij aarzelend. “Neen, er komen nog tien kleine negers achter...”, flitst het doorheen mijn hoofd. “Euch, ja…” “Ok, je kunt hier overnachten.” Uit pure blijdschap haal ik reeds mijn slaapmatje tevoorschijn. “Na sluitingstijd!’ en met een geruststellend gebaar verzekert de waard dat alles in orde komt. Ik geniet er van een heerlijke maaltijd. Wanneer de laatste klant de eettent verlaat, schuift de gastheer vermoeid enkele tafels aan de kant. De lichten worden gedoofd en ik blijf alleen achter met de geur van een verre wereldkeuken…
Bar 'San Francisco'... |
Brazilië - Paza, 05-10-2006 |
 |
 |
 |
De tolweg is nog minstens 130km verweg en dus zit er niks anders op dan mij neer te leggen bij het drukke verkeer. Tot overmaat van ramp wordt de pechstrook herleid tot een strook keien met hier en daar plukjes gras. Ik heb geen andere keuze dan de weg op te rijden. Ook nu toeteren truckers en automobilisten erop los. Deze keer vraag ik me evenwel af of het uit sympathie is, dan wel omdat ik 1/3 van hun terrein in beslag neem… Wanneer een tientonner reeds van veraf begint te claxonneren, stuur ik mijn fiets resoluut de berm in. Dergelijke vrachtwagenchauffeurs voelen zich vanuit hun stuurcabine heer en meester en daar kan een keine, fietsende Belg weinig aan veranderen.
Er staat een strakke wind en ik schiet niet op. De kilometers kruipen voorbij. Op de koop toe barst er rond de middag een hevig onweer los. Ik moet mij overgeven aan het natuurgeweld en zoek beschutting tegen de regen. Terwijl ik mijn belegde broodjes van de vorige dag naar binnen werk, denk ik terug aan de kleine diefstal. Heimelijk hoop ik dat de malafide knaap denkt dat het potje vet stroperige caramelconfituur is en er deze morgen rijkelijk zijn boterhammen mee heeft belegd…
Ik schuil drie uren voor de regen en geniet ondertussen van een spannend schouwspel van leven op dood… Tientallen padden steken in de neerplensende regen de drukke verkeersbaan over. Ik hou mijn hart vast telkens ik vrees dat er eentje wordt platgewalst. Het lijkt wel Russische roulette…
Ik verlaat mijn schuilplaats, want als ik nog langer blijf dralen, kom ik nergens. Ik hou er niet van: fietsen in de regen. Het wegdek is op veel plaats behoorlijk glad, mede door de modder die vaak op de weg ligt. Blijkbaar ben ik niet de enige, want na een goed uur fietsen zie ik hoe een wagen net de bocht heeft gemist en al slippend een drietal meter lager in de gracht is terechtgekomen. De chauffeur komt er met de schrik vanaf.
De duisternis heeft reeds bezit genomen van de regenachtige dag wanneer ik aankom in Paz, een klein, ongezellig dorpje langs een drukke verkeersweg. In het halfduister van een straatlantaarn zie ik op een gevel: hotel-bar San Francisco. De verf is afgeschilferd en het gebouw is weinig uitnodigend. Als ik de bar binnenstap, voel ik hoe nieuwsgierige ogen mijn richting uitkijken. Een jonge snaak met voetbalbroek en dito T-Shirt komt vanachter de lange toog vandaan. Ik kan een kamer krijgen, maar moet wel vooruit betalen. Het zint me niet en wil eerst de kamer inspecteren. Hij neemt me mee naar een lange gang achter de bar. Het gebouw heeft iets weg van paardenstallingen. Overal liggen grote plassen water, de electriciteitsdraden hangen er als verdwaalde slingers van een lang vergeten verjaardagsfeest kriskras over elkaar en het ruikt er naar verdorven etensresten. De eerste kamer heeft meer iets weg van een cel. Twee versleten bedden staan er in elke uithoek van de piepkleine kamer. Het ruikt er muf. De uitbater troont me mee naar de gemeenschappelijke wasruimte. De wastafel doet me denken aan voederbakken en wil je er een douche nemen dan kan je meteen ook beter een toilet nemen, want de doucheknop hangt nauwelijks op 30 cm boven de wc-pot. Voor 1 euro meer kan ik ook een privé-badkamer krijgen. De “luxe-hotelkamer” wordt in ieder geval niet vaak verhuurd, want het duurt minutenlang vooraleer de eigenaar de juiste sleutel vindt. De kamer oogt al even ongezellig en de tweepersoonsbed bevat een matras dat wellicht al ouder is dan het hotel zelf. Zo te zien heeft de matras ooit dienst gedaan als prototype van de eerste Zuid-Amerikaanse hangmat… Ik betaal met tegenzin. Op het blauwe, stoffige deken leg ik mijn geïmpregneerd muskietennet. Naar het schijnt werkt dit ook effectief om vlooien en ander ongedierte naar pierenland te helpen. Na de gebruikelijke douche, zoek ik de vunzige bar op, bar San Francisco…
Bar San Francisco
Als lijnrechters kijken ze het leven voorbij
hun gegiste roes nooit verweg, maar steeds dichtbij.
Tijdloze figuranten, zonder dialoog
uitzichtloos leven, zonder proloog.
Een tandloze man danst carnavalesk heen en weer
gekscherend en blootvoets, elke avond keer op keer.
Een doorzopen vrouw schuifelt moegeleefd over de klamme vloer
een gracieuze koorddanseres of een ordinaire hoer?
De Braziliaanse ritmes vloeien als vergiftigd bier
doorheen hun troosteloos bestaan.
Terwijl de nacht donkerder kleurt
ondanks het lichtschijnsel van de maan.
Even verderop denderen de vrachtwagens de nacht tegemoet
vastberaden, omdat het nu eenmaal moet.
Alleen in bar San Francisco staat de tijd nog heel even stil
omdat de harten der gebroken liefdes het zo graag hebben wil.
Ongewenst bezoek... |
Brazilië - Pato Branco, 05-10-2006 |
Midden in de nacht word ik wakker door het geluid van metaal. Ik veer recht, schiet in mijn kleren en hol de trappen af. Op het gelijkvloers zie ik hoe de hoteleigenaar de metalen reclamepanelen dichtklap en één voor één veilig opbergt. De fiets staat nog steeds als een trouwe hond op wacht…
Als ik ´s morgens vertrekken wil, merk ik dat mijn zadeltasje half open is en de inhoud eruit verdwenen. Verdorie, dus toch ongewenst bezoek… De zoon van de hoteluitbater bevestigt dat hij deze nacht een jongen van een jaar of twaalf aan de fiets heeft zien prutsen en bijgevolg heeft wandelen gestuurd. Ik vloek en verwijt mezelf mijn onoplettendheid. In gedachten denk ik terug aan het gesprek dat ik maanden geleden had met de Nederlandse wereldfietser, Frank van Rijn, n.a.v. de fietsbeurs te Amsterdam. “Neem je fiets steeds mee op kamer, ook al is je hotelkamer 22 verdiepingen hoog…” De buit is gering: een speciale sleutel om het zadel af te stellen, een regenhoesje om het zadel te beschermen en een metalen, rond potje met vet om het leder soepel te houden. De alertheid van de zoon heeft wellicht erger voorkomen, want mijn twee geïsoleerde drinkbussen, alsook mijn derde drinkbus met wat fietsherstelmateriaal is onaangeroerd. Mijn slecht humeur wordt al vlug verdrongen door het dolle enthousiasme van de gastvrouw. Tegen iedereen die het horen wil, vertelt ze in geuren en kleuren over mijn reis. Als ik aanstalten maak om te vertrekken, wil ze kost wat kost nog een foto van mij maken. Een digitaal fototoestel heeft ze niet en bijgevolg wordt dochterlief uit bed gehaald. Met veel tegenzin maakt ze met haar gsm twee foto´s. De gastvrouw zwaait me, tot ver uit mijn gezichtsveld, vaarwel. Haar dochter is wellicht al lang terug naar dromenland vertrokken…
Welkom in Brazilië |
Brazilië - Pato Branco, 04-10-2006 |
 |
Ik ben vertrokken voor een tocht van een goeie 600 kilometer. In vijf dagen hoop ik het beginpunt van mijn tocht langsheen de Braziliaanse kust, Curitiba, te hebben bereikt. De brede, geasfalteerde weg beschikt over een goede, berijdbare pechstrook. Alleen het drukke verkeer valt wat tegen. Auto’s, bussen en vrachtwagens razen voorbij. Het getoeter van de gemotoriseerde voertuigen doet me heel even terugdenken aan mijn aankomst in Asunción, Paraguay. Tegenliggers verwelkomen me met knipperende koplampen en voorbijrijdende truckers steken triomfantelijk hun duim doorheen het opengedraaide raam. Brazilianen vinden mijn onderneming hier te gek. Zelfs in het wegrestaurant word ik aangeklampt. Ik spreek hooguit een handvol woorden Portugees, maar met de wetenschap dat 90% van de communicatie via gebarentaal verloopt, kom ik al een heel eind vooruit. Als ik de uitbater vertel dat ik richting Curitiba fiets, vraagt hij me welke weg ik denk te volgen. Ik toon hem mijn gedetailleerde landkaart. Hij geeft me de raad om een andere weg te nemen, namelijk de grote weg die loopt van Foz do Iguaçu tot in Curitiba. De hoofdweg is een tolweg en wordt daarom gemeden door de vele vrachtwagenchauffeurs. Ik besluit zijn wijze raad op te volgen, want al kan ik gebruik maken van de pechstrook, gezellig fietsen is het allesbehalve…
De avond begint reeds te schemeren en ik vind na een vermoeiende rit van 120km een hotelletje in Pato Branco. De sobere kamer is drie verdiepingen hoog. Ik ben moe en beslis om mijn fiets -voorzien van de nodige veiligheidssloten- achter een kitscherige vitrinekast, in de inkomhal achter te laten. In een nabijgelegen kroeg drink ik nog een biertje en kruip doodop onder de lakens.