Voet aan wal op Vuurland...

Chili - San Sebastian, 21-02-2007 - (dagboek 52)


Mijn gezelschap blijft Europees gekleurd. Na mijn 10-daagse trip langsheen de Ruta 40 in het gezelschap van de twee Catalanen, ben ik sinds gisteren op stap met twee fietsende Italianen. Bij het verlaten van Punta Arenas, -waar ik naast de pinguïnkolonie ´Seno Otway´, ook nog een bezoek bracht aan de riante villa van de puissant rijke familie Braun-Menéndez-, maakte ik kennis met Marco en Miguel, twee jonge Italianen op weg naar Ushuaia. Na een boottocht van twee en een halve uur, zetten we voet aan wal op het eiland Tierra del Fuego (Vuurland).
Vuurland wordt gescheiden van de rest van het Zuid-Amerikaanse continent via de Magallenestraat. ´El Strecho de Magallanes´ verwijst naar Fernão de Magalhães die tijdens zijn reis rond de wereld in 1520 voor het eerst het uiterste zuiden van Latijns-Amerika bereikte. Over de oorsprong van de naam ´Vuurland´ lopen de meningen nogal uiteen. De meesten gaan ervan uit dat Fernão de Magalhães bij zijn aankomst kampvuren van de Indianen zag en bijgevolg doopte hij het gebied tot ´Tierra del Humo´ (Rookland). De kampvuren moesten de Yamana verwarmen, de oorspronkelijke bewoners van het eiland. Keizer Karel die de uiteindelijke sponsor was van Magalhães, opperde dat waar er rook is, ook vuur is en aldus was Vuurland geboren. Minder romantische zielen zijn de mening toegedaan dat de naam ´Vuurland´ verwijst naar de typische rode kleur van de bergen op het eiland.
De twee Italianen wilden bij aankomst in het havendorpje Porvenir het plaatselijk museum bezoeken. Een museum dat niet alleen gewijd is aan de historie van het dorpje, maar dat tevens een beeld ophangt van de Fueguinos, de oorspronkelijke bewoners. In wezen waren er vier indianenvolkeren: de Ona, de Yamana, de Manekenk en de Alakalufe. Net zoals in de rest van Amerika waren deze indianenstammen een doorn in het oog van de conquistadores en de kolonisten. Eind 18de eeuw werden de indianenstammen massaal uitgemoord. De enkele honderden overlevenden van de volkerenmoord werden naar het eiland Dawson verbannen, waar ze door missionarissen werden ´opgevoed´. Het isolement, het gebrek aan sociale en familiale contacten en de ziekten die de blanken hadden meegebracht, betekenden ook voor hen het definitieve einde. Ik heb gemengde gevoelens wanneer ik zie hoe de huidige regering, onder vorm van musea, nu munt slaat uit de door hen aangerichte genocide...
Na het museumbezoek sloegen we nog wat proviand in. De fietsroute voerde ons langsheen de wondermooie kustlijn. We hadden haast continu de wind in de rug en moeiteloos bereikten we na 100 km onze eindbestemming, San Sebastian, een plekje in the middle of nowhere. De felle wind zorgde er evenwel voor dat het opzetten van de tent een heel huzarenstukje werd, maar uiteindelijk slaagden we er toch in om de tent rechtop te zetten. Met het geluid van de gierende wind en het klapperende tentzeil viel ik uiteindelijk in een diepe slaap...

Koga Miyata, oprecht bedankt...

Chili - Porvenir, 20-02-2007 - (dagboek 51)


De tijd dat fietsfabrikanten avonturiers een fiets cadeau gaven als vorm van sponsoring om hun grote droom te helpen te verwezenlijken, behoort al jaren tot de annalen van de geschiedenis. En begrijpelijk ook. Tenslotte ben ik al lang niet meer de enige die de stress en de dagelijkse sleur van onze commerciële welvaartstaat wil ontvluchten. Hoe meer ik me naar het uiterste zuiden van de wereld begeef, hoe meer ik de indruk heb dat de halve wereldbevolking ´on the road´ is. Maar zelfs in de mallemolen van onze economische samenleving zijn er nog fietsfabrikanten die avonturiers een warm hart toedragen. Zo kon ik aan den lijve ondervinden hoe “Koga Miyata” mijn vraag om de door slijtage gebroken onderdelen (voorste spatbord en achterste pekkel) gratis op te sturen naar mijn fietsenhersteller, Luc Ostijn, positief werd beantwoord. Drie dagen na het versturen van mijn mail, werden de gevraagde onderdelen keurig afgeleverd op de plaats van bestemming, factuurprijs: € 0. Van service gesproken! ´Koga Miyata´, voor u misschien een kleine moeite, maar voor mij een wonderlijk gebaar! Oprecht bedankt!

Een mooie beloning...

Chili - Punta Arenas, 18-02-2007 - (dagboek 50)


De woonkamer ruikt naar verse koffie en knapperige ontbijtkoeken. Bladerend in mijn reisgids, laat ik me lui verwennen: sinaasappelsap, chocolademelk, koffie, pistolets, confituur, gebak,... Ik word er op mijn wenken bediend. Het is zondagmorgen. Diverse musea blijken gesloten en dus beslis ik om naar Seno Otway te fietsen, een pinguïnkolonie, 65 km ten noordwesten van Punta Arenas. Wanneer de vrouw des huizes verneemt dat ik de ´Pinguinera de Seno Otway´ ga opzoeken, snelt ze naar de keuken. Enkele tellen later stopt ze me het resterende gebak toe, gewikkeld in een plasticzak. Dank je wel, grootmoedertje...
De zon mag dan wel wat moeizaam doorheen het dichte wolkendek priemen, de wind daarentegen is reeds volop van de partij... Tot aan de afslag lukt het me om tempo te maken, daarna is het huilen met de pet op. Achtendertig kilometer lang voer ik een gevecht tegen de wind. Onvoorstelbaar! Ik hou mijn kilometerteller angstvallig in het oog. Ik moet minstens 10 km/u halen, wil ik er ruimschoots voor sluitingstijd aankomen. De wind is ongemeen hard en ook al sta ik loodrecht op mijn trappers, ik haal amper 7 km/u. Op mijn weg zie ik enkele estancia´s. Ze liggen er wat verloren bij, te midden van een schrale door de wind gegeselde steppe. Onwaarschijnlijk hoe mensen hier kunnen leven. Afgesloten van de rest van de wereld moeten ze over een ijzeren gestel beschikken om de bijtende koude en de zware stromen te trotseren. Een halve dag lijkt me al een hele opgave... De ripio wordt alsmaar slechter en op een bepaald ogenblik fiets ik niet meer, neen, ik schuif voorbij, stapvoets. Mijn ogen tranen alsof ik voor een heel regiment uien aan het schillen ben. Ik trek me op aan de gedachte dat ik beloond zal worden voor mijn ongelijke strijd.
En beloond word ik. Vijf uur later paraderen honderden pinguïns voor mijn lens. Ze behoren tot de groep van de Magalhães-pinguïns. Met hun geringe lengte van 70 cm en hun dubbele, zwarte halskraag lijken het wel kleine dreumesen. In hun zwart-witte oberpak waggelen ze grappig voorbij. Vooral wanneer ze huilend als een baby hun keel openzetten, zijn ze meer dan ooit fotogeniek. Op de toppen van hun tenen, met hun vleugels opengespreid, richten ze hun smalle nek en snavel de hoogte in en gedurende een halve minuut vullen ze het luchtruim met hun doordringend gehuil. Het gevecht met de wind lijkt verder weg dan ooit...

Een laatste, vage glimlach...

Chili - Punta Arenas, 17-02-2007 - (dagboek 49)


Puerto Natales ligt nog te sluimeren in de kilte van de nacht wanneer ik rond vijf uur ´s morgens de sombere straten van het stadscentrum uitfiets. De wind giert langsheen mijn lijf en voelt vochtig aan. Regenwolken troepen samen, onheilspellend... Bij het verlaten van Puerto Natales fiets ik langsheen een soort bedevaartsoord, ´Difunta Correa´. Honderden waterflessen leunen er schuin, zij aan zij, als in een kegelspel. Ze vormen een tapijt van plastic, een soort rode loper die uitgeeft op een kleine kapel. Omringd door kaarsen ligt een jonge vrouw met aan haar borst een baby. De legende wil dat de jonge vrouw rond het jaar 1840, bij het volgen van het bataljon van haar dienstplichtige man, in de woestijn van dorst omkwam. Toen haar lichaam werd gevonden, bleek de baby dankzij het moedermelk nog te leven. Een nieuw wonder was geboren...Voor de bevolking van Patagonië zijn deze kapelletjes bakens van hoop en symboliseren ze het overleven in een vijandig landschap. Ook al wordt Difunta Correa niet door de katholieke kerk als heilige erkend, toch blijft de bevolking ze vereren als een god. Het vertelt veel over de manier hoe de inwoners geloof hechten aan bepaalde legendes.
De eerste zeventig kilometer heb ik de wind in de rug en moeiteloos haal ik snelheden tot 30 km/u. Het dorre, desolate landschap flitst als een trein langs me voorbij. Lang leve de Patagonische wind... Nu ja, zolang weg en wind een team vormen. Op een bepaald moment draait de weg totaal tegen de wind in en ik moet me tevergeefs tevreden stellen met een slakkengangetje van 9 km/u. Niet alleen de beukende wind speelt me parten,ook de regensluizen zijn inmiddels wagenwijd opengezet. Geen twee zonder drie... Mijn buitenband sleept andermaal. Bij nader toezien merk ik dat de binnenband er op een bepaalde plaats als een etterbuil doorheen komt. Er zit niks anders op dan in de gietende regen de band er volledig af te halen en opnieuw te monteren. Welkom in Chili...
Rond acht uur ´s avonds voel ik me volledig leeg gefietst. Mijn kilometerteller geeft 147 km aan. Net wanneer ik aanstalten maak om er het bijltje bij neer te leggen en een plekje te zoeken om mijn tent ergens neer te poten, stopt er een minibus. Een zwaarlijvige vijftiger met varkenskop kruipt vanachter zijn stuur vandaan. Alweer een nieuwsgierige Chileen, denk ik. “You want a lift? I go the same direction, Punta Arenas...” Ik werp een blik naar het regenachtige wolkendek. Nog een kleine honderd km te gaan. “Yes or no?” “Euh, yes, why not...” Nigel is geboren in Chili, net als zijn vader, maar zijn grootouders zijn van Engelse origine. Engels heeft hij geleerd van zijn grootvader, zittend op zijn knie als kleine jochie. Hij is op weg naar Punta Arenas om er toeristen op te halen. Bij aankomst raadt hij me aan om te overnachten in hospedaje ´Nena´.
Een half uur later bel ik aan. De deur gaat schoorvoetend open. De klok wijst inmiddels kwart over tien aan. Een piepklein, oud dametje kijkt me wat verwonderd aan. Wanneer ze mijn fiets ziet staan, fronsen haar wenkbrauwen tot grote vraagtekens. “Viajas con bicicleta?” “Si, por que no?” “No es verdad! Pero entrada por favor, entrada...”
Een half uur later luister ik vermoeid, maar geboeid naar haar levensverhaal. Haar ouders zijn Spaanse migranten, gevlucht naar Chili tijdens de Franco-oorlog (1936-1939). “Een verkeerde beslissing, want hier in Chili zijn we jaren gefnuikt geweest door Pinochet.” Ze vertelt haar verhaal met zoveel vurigheid en droefheid, alsof ze het al jaren vertellen wou. Ze schenkt me een zoveelste kop koffie in en schuift het bord met zelfgemaakte cakejes alsmaar dichter naar me toe. Aan de muur hangen slechts twee foto´s, van de dochter van haar gestorven broer. Het meisje van achttien, gekleed in schooluniform, kijkt wat verlegen in de lens. Een vage glimlach, de enige wellicht die als een laatste zijarm doorheen het door oorlog getekende leven stroomt van Maria Rivera...

De film heel even teruggespoeld...

Chili - Puerto Natales, 16-02-2007 - (dagboek 48)


Puerta Natales gaat een zoveelste winderige nacht tegemoet. Vanuit mijn sober hotelkamertje hoor ik hoe het natuurgeweld in alle hevigheid toeneemt. Het belooft morgen een moeizame tocht te worden naar Punta Arenas.
Puerta Natales kon me als havenstadje niet echt bekoren. Kwam het door de felle rukwinden en de dreigende regenwolken of werd mijn gevoel ingegeven door het gemis aan mooie, architecturale gebouwen? Ik weet het niet. Puerto Natales heeft iets onwerkelijks, alsof het nooit een echte stad is geweest. De straten bulken uit van in der haast opgetrokken hospedajes. Golfplaten huisjes die hier en daar werden beschilderd in soms afzichtelijke, lelijke kleuren. Smakeloosheid en troosteloosheid gaan hier hand in hand.
Puerto Natales heeft op zich weinig toeristische troeven en telt slechts twee musea. Eén ervan is gevestigd in het Salesiaans lyceum, het museo Salesiano. In een te kleine ruimte word ik ondergedompeld in een dierentuin vol opgezette dieren. Tegen een beschilderd natuurlandschap liggen de dieren er onder een dikke laag stof. Een bescheiden expositie van het dierenrijk uit de omgeving. Puerto Natales heeft zijn plaats in de toeristische brochures in hoofdzaak te danken als uitvalsbasis voor excursies naar het nationaal park Torres del Paine. Mijn ontdekkingstocht doorheen het nationaal park zal ik bewaren voor op het einde van mijn tocht doorheen Chili, ergens rond halverwege april. De natuur is er dan op zijn mooist en tevens zijn de meeste rugzaktoeristen dan alweer huiswaarts gekeerd.
Vijf dagen lang ben ik in Puerto Natales gebleven, enerzijds om er mijn website up te daten en anderzijds om terug wat op krachten te komen na de zware fietstocht op de Ruta 40. Mijn Catalaanse vrienden zijn reeds vertrokken, helaas. Mijn artikel voor het maandmagazine Intro en het bijwerken van de website namen meer tijd in beslag dan verwacht. In de voorbije dagen heb ik ook vaak de film teruggespoeld, de film van onze tocht op de Ruta 40. Een 700 km lange rit te midden van de Patagonische steppe, een gebied dat zich kenmerkt als een spel van natuurelementen. Een spel zonder spelregels en waar je het raden naar hebt wat de volgende zet is. Een gebied dat vier seizoenen in een halve dag kan verenigen, zonder voorspel. De eenzame vlakte, het krakende ijs van de Perito Moreno gletsjer, de mistroostige dorpjes met hun lelijke, vervallen huizen opgetrokken in fletse, door de natuur verbleekte golfplaten, de verroeste metalen bakken die ooit auto´s zijn geweest, de inwoners met hun gezichten van leer, doorgroefd en getekend door de Patagonische wind, de huilende wind, het opwaaiende stof en daar tussen dat alles in... drie fietsende dagdromers, telkens op weg naar een nieuwe morgen. Ik heb er van genoten, mateloos...
Een geslaagde onderneming. Ik heb vaak moeten denken aan de woorden van Mahatma Ghandi: “Sterkte heeft niets te maken met fysieke kracht. Sterkte komt van een onverzettelijke wil.” Iets wat ik alleen maar kan beamen. Al moet ik toegeven dat er nog een andere factor een belangrijke rol speelt, het duurzaam materiaal. Op de hele Ruta 40 had ik niet één lekke band. De bevestiging van wat ik al lang wist: Luc Ostijn verkoopt kwaliteit! “Voor fietsen groot of klein, moet je bij Luc Ostijn zijn!” Zeker weten! Maar ook Bart Decuyper mag meer dan één pluim op zijn hoed bevestigen. Het kampeermateriaal heeft tot dusver moeiteloos de Patagonische wind doorstaan. Kwaliteit, het is een label dat firma Decuyper al jaren hoog in zijn vaandel draagt...