Zes uur in de ochtend. Ik word wakker door de oorverdovende, opstartende machine van de houtzagerij. Ik voel me belabberd en uitgeput. Mijn lichaam en vooral armen en benen vertonen onmiskenbare sporen van insectenbeten. Ik tel: één, twee, drie... Na twintig hou ik het voor bekeken. De nachtwaker zegt me een goeiemorgen met een kop warme mate. Hij vraagt of ik een foto van hem wil maken. Vermoeid ga ik op zoek naar mijn fototoestel en maak van de gelegenheid gebruik om mijn ‘luxe-hotelkamer’ te digitaliseren. Als ontbijt krijg ik les in ‘mate drinken’.
Plechtig demonstreert hij me hoe ik de thee moet bereiden en op smaak moet houden. Het klaarmaken is als een heilig ritueel, bijna net zo gewichtig als het drinken zelf. De houten beker wordt voor driekwart gevuld met verkruimelde blaadjes. Vervolgens druppelt hij er wat koud water op om de thee te laten wennen. Daarna giet hij met ronddraaiende bewegingen heet water bij. Er ontstaat een dikke, licht schuimende, donkergroene smurrie die reikt tot aan de rand van de houten beker. Tot slot volgt de belangrijkste handeling: het schuin insteken van het zilverkleurig rietje dat aan het uiteinde een soort zeefje heeft. Na enkele malen slurpen draait hij het rietje voorzichtig verder doorheen de brij, op zoek naar een nieuwe nate plek. Als het vocht op is, giet hij -even plechtig als voorheen- opnieuw heet water op en reikt mij de dampende mate aan. Mate weigeren wordt hier beschouwd als een belediging, als het niet aanvaarden van de aangeboden gastvrijheid. Zijn theorie kan mijn echte honger evenwel niet stillen en ik besluit om op te stappen. Met de belofte de gemaakte foto eerstdaags op te sturen, neem ik dankbaar afscheid.
Ik prijs me gelukkig dat ik de vorige avond niet willens en wetens ben doorgereden, want nauwelijks vertrokken, slingert de weg zich honderden meters de lucht in. Na een half uur fiets ik een andere fietser voorbij. Vreemd, de fiets leek me verdacht zwaar geladen… Niet echt het type wereldfietser, maar toch… Ik hou even verderop halt en zie hoe de aanrijdende fietser me breed glimlachend toezwaait. “Soy Carlos, mucho gusto!” Zijn bruin getaand gezicht steekt fel af tegen zijn witte, lange, versleten broek die wellicht meer olie- en moddervlekken telt dan mijn benen insectenbeten. Zijn bagagedrager vertoont dezelfde slordige indruk als de fietser zelf: een opeenstapeling van allerlei plastic vuilniszakken die dmv touwen bijeen worden gehouden. Deze 58-jarige Argentijn is op doorreis naar de watervallen van Foz do Iguaçu in Brazilië en wil dan via Bolivië, Peru en Chili terugkeren naar zijn thuishaven, Buenos Aires. Hoe hij dit zal klaarspelen is me totaal onduidelijk, want zijn moutainbike heeft niet eens versnellingen. Een tent heeft hij niet bij, wel een slaapmatje, een deken en een plastic zeil om zich te beschermen tegen de regen. Een wereldfietser avant-la-lettre… Hij vraagt of ik niet met hem wil meerijden, maar bedank hem hartelijk voor het aanbod. Als ik even later afscheid neem en de volgende helling bijna voorbij ben, zie ik nog net vanuit mijn linkerspiegel dat de man is afgestapt en te voet de helling opgaat. Nu ja, een wandel-fietsvakantie moet ook best gezellig zijn… Amper drie kilometer verder komt er uit de tegenovergestelde richting eveneens een wereldfietser aangereden. Hij is duidelijk beter uitgerust en ook zijn fiets lijkt me stukken robuster. Eduard is pas drie dagen geleden vertrokken vanuit zijn geboorteland Brazilië en wil per fiets naar Cusco (Peru) rijden. De ontmoeting is hartelijk. Tien minuten later komt ook de gekke Argentijn hijgend aangefietst. ´t Is gek, maar onder wereldfietsers bestaat er zoiets als een samenhorigheidsgevoel. De drang om de wereld in al zijn facetten per fiets te leren ontdekken… We maken foto´s en wisselen email-adressen uit. Even later scheiden onze wegen…
Als ik in het bewuste grensstadje, Bern de Irigove, aankom heb ik er dertig kilometer opzitten. Een hotel is er niet en dus besluit ik om de grens over te steken en bij de eerstvolgende stad halt te houden en er te overnachten. Wanneer ik mijn paspoort laat afstempelen, weerklinkt de zoetzemige, zachte stem van James Blunt: “Goodbye my friend, goodbye my lover…” Mijn gedachten dwalen af en voor het eerst voel ik een vleugje heimwee…
Na een miezerige, troosteloze dag, waarbij de fietsconditie ondermaats was, voel ik intuïtief aan dat het vandaag een superdag zal worden. Ik begeef me momenteel in het noorden van Argentinië om vandaaruit Brazilië binnen te fietsen. Tegen één uur in de namiddag ben ik reeds aangekomen in San Pedro en heb ik inmiddels 95km in de benen. De eerlijkheid gebiedt mij te vertellen dat ik ook in de meest optimale omstandigheden fiets: een stralende zon, relatief weinig hoogteverschillen en een brede geasfalteerde pechstrook. Fietspaden zijn hier nergens te bespeuren en dus is de pechstrook een ideaal alternatief. Ik probeer in te schatten of ik nog de laatste stad voor de Braziliaanse grens, Bern de Irigove, kan halen voor het donker. Ik twijfel… Wegwijzers zijn hier schaars en dus ben ik aangewezen op de informatie van de mensen ter plaatse. De afstand varieert van 80, 90 tot zelfs 100km. Op de kaart valt het zo te zien best mee. Ik besluit het erop te wagen. Nauwelijks 5km vertrokken splitst de weg zich. Ik neem mijn kaart bij de hand en merk dat de weg zich inderdaad splitst.
Rechtdoor, een korte, maar niet geasfalteerde weg. Linksaf, een langere, maar geasfalteerde weg, evenwel zonder pechstrook. Ik moet tempo maken en dus sla ik linksaf. De weg begint langzaam te klimmen en ook de temperatuur stijgt zienderogen. Ik moet steeds vaker schakelen en op een gegeven moment zie ik enkel nog dicht struikgewas. Onder een verzengende hitte (38 graden), gutst het zweet uit al mijn poriën. De afdalingen wegen niet op tegen de hellingen. Ik zoek tevergeefs naar kleinere versnellingen. Hier en daar zie ik houten huisjes staan, vaak niet meer dan 8 vierkante meter groot. Het zijn nederzettingen van hooguit vijf tot tien woninkjes. Plots gaat de weg steil naar beneden. Ik daal in een mum van tijd 700 meter en zie in mijn vlucht, langs de kant van de weg, kraampjes staan waar enkele artisanale spullen te koop worden aangeboden. Wie koopt dit in godsnaam. Hier komt nauwelijks een kat voorbij en toeristen al evenmin. Het is een vraag die ik me wellicht nog vaak zal stellen: "Hoe leven en vooral overleven mensen hier?"
De euforie van de afdaling is van vrij korte duur, want in een recordtempo volgen de hellingen elkaar opnieuw op. Ik kom uiteindelijk op de splitsing waar beide wegen opnieuw samenkomen. Nog 60km te gaan, zo blijkt… Het is vijf uur en binnen twee uur is de zon definitief verdwenen. Ik aarzel… De laatste kilometers zal ik sowieso in het donker moeten fietsen. Uiteindelijk beslis ik om door te zetten. De weg wordt drukker en soms zit er niks anders op dan de berm te kiezen. Mijn snelheid daalt drastisch. Na 140km begint de vermoeidheid voelbaar te worden. De zon verdwijnt achter de horizon en even later komt de maan reeds tevoorschijn. Ik rij verder. Wegenwerkers op weg naar huis bieden mij wat cola aan en waarschuwen me voor het gevaar van de aanrijdende vrachtwagens. Een half uur later is het pikdonker. Ik trek mijn fluojasje aan, in de hoop dat ik op die manier niet helemaal van de baan word afgereden. Ik zie amper nog de wegmarkering op het asfalt. Aandravende koplampen verblinden me…
Om mijn tent nu nog ergens neer te planten is het te laat en daar ik reeds meer dan 15km door een soort bos fiets, is dit evenmin een optie. Ik daal andermaal, honderden meters… Ik suis ahw doorheen één groot, zwart gat. Eén verkeerde beweging, één technisch mankement, een put of een steen kan fataal zijn. Ik zie in de verte lichtjes, een dorp. Totaal uitgeput stap ik van de fiets. De kilometerteller staat op 177km. Ik ben stikkapot. Nog 30km te gaan, zo blijkt… Ik kies eieren voor mijn geld en vraag of ik ergens slapen kan. De nachtwaker van een kleine houtzagerij is best bereid om zijn bed af te staan. Ik voel me doodop, maar opgelucht. Hij biedt mij warme mate aan. Het is inmiddels acht uur ´s avonds. Het geluid in de houtzagerij is oorverdovend. Ik snak naar een warme douche, lekker eten en een comfortabel bed… De nachtwaker merkt mijn vermoeidheid en neemt me mee naar een aangebouwd schuurtje. Het is er pikdonker. Ik kan er mijn fiets veilig achterlaten. Een doorgang geeft uit op een armtierig kamertje. In het licht van zijn veel te zwakke zaklamp ontwaar ik een houten bed. Geen matras, enkel een houten kist met wat planken. Ik durf me geen vragen te stellen over het ongedierte dat hier rondloopt. De zaklamp wordt gedoofd en de deur valt in het slot. Ik moet mezelf heel even vermannen… Ik zoek in het donker radeloos naar mijn slaapzak en opwindbare zaklamp. Ik durf nauwelijk licht te maken uit vrees dat ik een aantrekkingspool zal vormen voor allerlei insekten. Ik kruip als een mummie in mijn slaapzak, om me zoveel mogelijk af te schermen van kruipend, ongewenst bezoek. Vijf minuten later lig ik te zweten als een otter. Het lawaai van de machines is hels. Miljard, waar ben ik in hemelsnaam terechtgekomen? Een uur later vallen de machines stil. Ik hoor mannenstemmen, gelach en het geluid van wel honderden krekels, aangezweld met tientallen andere dierengeluiden. Een eenzame mug houdt me nog uren wakker. Het gezoem maakt me zowaar gek en gewapend met mijn zaklamp ga ik op zoek naar anti-muggenspray. Na tien minuten val ik, onder een wolk van pesticiden, uitgeput in slaap…
|