Afscheidsbrief...

Uruguay - Real San Carlos, 06-12-2006 - (dagboek 20)



Ook de volgende dag ga ik op zoek naar de ziel en het kloppend hart van een eens welvarende stad. Niet alleen Colonia del Sacramento weet me te bekoren. Ook het stadje Real San Carlos, waar ik eerder per toeval een onderkomen heb gevonden, heeft een toeristische troef in handen zoals ik er maar zelden één heb gezien. Aan de rand van de stad bevindt er zich namelijk ´La Plaza del Torres´, een arenavormig theater dat nog vrij intact is en in de glorieperiode 10.000 toeschouwers kon ontvangen. Ik sta perpleks van de schoonheid en de grootsheid van dit rondvormig complex en in gedachten zie ik hoe de toreador onder het luidkeels enthousiasme en het aanzwellend applaus van de duizenden omstaanders het publiek in z´n greep heeft, de spanning weet op te voeren en na een zoveelste dodelijke aanval de stier weet te verschalken, z´n roodfluwelen vlag in de hand, wapperend als een trofee van onvolprezen heldenmoed. “Brood en Spelen”..., het reflecteert zich als een ver verleden vol levenskracht in de middagzon. Maar de barsten in het metselwerk tonen eens te meer aan dat de tijd vergankelijk is...
Laat op de avond keer ik terug naar m´n residentiële plek en doe er een vrij lugubere ontdekking. Op mijn bed liggen kaarten en info-boekjes over Uruguay en Argentinië, gewikkeld in een afscheidsbrief. “Colonia, 6/12/06 – Grégory: Es una pena que no pueda despedirme personalmente, pero tengo que resolver unos problemas de salud y para eso tengo que viajar a Montevideo por algunas días. Surgió todo que me atienda un buen médico allí mañana... Un abrazo, che. Feliz viaje! Romina.”
Ik lees en herlees en voel hoe de rillingen over mijn lijf lopen. In de keuken zit de moeder stilletjes voor zich uit te huilen. Een hartonderzoek heeft uitgewezen dat Romina een ernstige hartafwijking heeft. De ernst heeft ertoe geleid dat ze meteen werd doorgestuurd naar een specialist in de hoofdstad, waar wellicht eerstdaags de nodige ingrepen zullen worden uitgevoerd. Ik probeer de moeder te troosten, maar voel hoe machteloos ik sta tegen het moederlijk verdriet. Ik neem afscheid in mineur en druk de wens uit dat alles terug wordt zoals voorheen.
Terwijl ik m´n fietstassen inpak, hoor ik een Spaanse zanger zingen over ‘el corazon´. Mijn gedachten dwalen af en eens te meer besef ik dat een mens moet genieten van elke minuut, elke seconde, omdat de vergankelijkheid van het leven zich achter elke hoek verschuilt...

Uruguay

Land van pampa´s en gaucho´s,
op het kruispunt van hier en nu.
Fietsend lijk je haast eindeloos.

Land met een sterk geweten,
koesterend een koloniaal verleden.
Door de buitenwereld haast vergeten.

Land van nationale helden,
bewierookt tot in de eeuwigheid,
ondanks de talrijke slagvelden.

Land van groene maté,
verstrengeld met je linkerarm,
net zoals je onovertroffen carné.

Je hebt me weten te bekoren,
met je pure eenvoud en schoonheid.
Daarom heb ik er m´n hart in verloren.


Het poëtisch gevoel van de eeuwigheid...

Uruguay - Real San Carlos, 05-12-2006 - (dagboek 19)



Al er één stad is waar het koloniaal gevoel allesoverheersend is, dan is dit wel in Colonia del Sacramento. De Portugese kolonisten hebben hier in 1680 onuitwisbare sporen achtergelaten toen ze deze stad uitbouwden tot één van de belangrijkste strategische punten langs de Rió de la Plata. Ik flaneer er via hobbelige steegjes langsheen kleine vakwerkhuisjes en voel er de tijdloosheid als nevelslierten hangen, al was deze stad ingedommeld voor de eeuwigheid.
De oude toegangspoort is het beginpunt van m´n zoektocht naar restanten uit een ver verleden. De wirwar van steegjes, zoals ´el Calle de los Suspiros´ en ´el Calle de Solis´, vormen eens te meer het kruispunt van twee koloniale periodes, elk met hun eigen typische kenmerken. Zo lopen de Portugese regengoten in het midden van de straat, terwijl de Spaanse aan de zijkant liggen. Maar ook diverse musea houden de band met het verleden levendig. Ik wandel als een toeschouwer, dankbaar voor het poëtisch gevoel van de eeuwigheid. Niet ten onrechte heeft UNESCO het hele oude stadsgedeelte in 1995 op de lijst geplaatst van “monumenten van werelderfgoederen”, het enige centrum trouwens in heel Uruguay. Colonia del Sacramento ligt op een zeeëngte van het bruisende Buenos Aires en vormt dan ook een aantrekkingspool voor eendagstoeristen. De plaatselijke middenstand is er duidelijk op afgestemd, want naast restaurants en cafeetjes, bulkt het hier van winkeltjes die voornamelijk artisanale produkten te koop aanbieden.
Mijn fietstassen barsten reeds uit hun voegen en dus beperk ik mij tot spaghetti-ingrediënten om m´n gastzin te verrassen met m´n beperkte kookkunsten. ´s Avonds krijg ik alle lof toegezwaaid door de vrouw des huizes en ook Romina weet m´n culinaire kwaliteiten te appreciëren. We praten tot een stuk in de nacht en kom er ondermeer te weten dat Uruguay in het begin van de jaren ´60 beschouwd werd als “het Zwitserland van Latijns-Amerika”, mede dankzij z´n export van vlees en wol. Met de oliecrisis in de jaren ´70 en het hanteren van de principes van de vrijemarkteconomie waardoor een grote stroom van buitenlandse produkten de eigen nationale industrie overspoelde, verloor Uruguay zijn status als het meest welvarende land. Door de lage lonen zien vele Uruguayanen zich genoodzaakt om drie jobs uit te oefenen. De werkoosheid, de 12 jaar durende militaire dictatuur (1973-1985) en de bureaucratie hebben vele jongeren het land doen ontvluchten, op zoek naar meer welvaart. Zo ook de twee zussen van Romina. Een aantal jaar geleden hebben ze hun vaderland ingeruild voor het Spaanse Valencia, waar ze met man en kinderen een nieuw bestaan hebben opgebouwd. De massale vlucht van de jongeren heeft Uruguay een niet mis te verstane bijnaam opgeleverd: “het bejaardentehuis van Latijns-Amerika”...

Van zwerver tot halfgod...

Uruguay - Real San Carlos, 04-12-2006 - (dagboek 18)



Na m´n langste fietstocht sinds mijn vertrek op 11 september, 198 km om precies te zijn, ben ik aangekomen in Colonia del Sacramento, meteen ook mijn allerlaatste halte op mijn doorreis in Uruguay. Het stralend zomerweer nodigt zelfs om zes uur ´s avonds uit om te kamperen. De kokette dame van het toeristisch info-kantoor weet me echter te vertellen dat de ‘camping municipal’ al jaren buiten dienst is en dus zit er niks anders op dan een hotel op te zoeken. De plaatselijke jeugdherberg is ook een mogelijk alternatief, maar ik voel er weinig voor om m´n laatste dagen van mijn verblijf in Uruguay door te brengen tussen backpackers die elkaar de loef proberen af te steken met wilde verhalen en anekdotes, die evenwel een aureool van zuinigheid met zich meedragen, al waren het geboren Hollanders. Tijdens m´n laatste verblijf in zo´n jeugdherberg ontmoette ik een jong Frans koppel dat vijf maand rondtrok doorheen Zuid-Amerika. Toen ik hen vroeg om samen ‘el casa pueblo’ te bezoeken was hun antwoord negatief. Hun enig motief was dat de toegangsprijs (3 euro) te hoog was. Sorry, maar dit gaat mijn verstand te boven. Een vliegtuigticket van 40 à 50.000 Bfr. is hen dan niet teveel? Backpackers willen een stuk van de wereld zien, met vaak een verkeerde rugzak op hun schouders. Één met heel veel tijd, maar met bitter weinig geld. Het zijn twee zaken die niet samen gaan. Als je een land echt wilt verkennen dan heb je inderdaad veel tijd nodig, maar evenzo een pak centen. Ze waren al een week gelogeerd in dezelfde jeugdherberg omdat het er goedkoop was. Nu ja, ik moet niet iemand anders zijn rekening maken, maar indien ik op zo´n manier zou moeten reizen dan bleef ik liever thuis.
Wanneer ik relatief vroeg aankom in een verre, vreemde stad, dan hou ik ervan om eerst wat op verkenning te gaan. Het vergemakkelijkt m´n oriëntatievermogen als ik de dag erop de stad echt onder de loep neem en tevens geeft het me de gelegenheid om er al meteen de heersende sfeer op te snuiven. Ook nu fiets ik ongestructureerd en op een slakkengangetje de ene straat in, de andere straat uit, zoekend naar herkenningspunten als waren het pionnen van een dambordspel. Op een bepaald moment geraak ik aan de praat met een jonge twintigster, Romina genaamd. Wanneer ze verneemt dat ik twee jaar lang een deel van haar continent per fiets doorkruis, lijk ik precies wel een soort nieuwe halfgod. Prompt nodigt ze me uit om bij haar te logeren. Een aanbod dat ik met dank aanneem, ook al woont ze op een kleine 10 km van Colonia del Sacramento. Ik voltooi mijn verkenningstocht en begeef me naar Real San Carlos, de woonplaats van Romina. De villa ligt op een behoorlijk stuk grond en verraadt enigszins de levensstandaard van de familie Rebour. Bij m´n aankomst wordt alles in gereedheid gebracht om de verdwaalde zwerver optimaal te ontvangen. Ik krijg een logement aangeboden in het achterhuis. Naast een slaapkamer en een privé-badkamer, kan ik er beschikken over een volledig ingerichte keuken mét wasmachine. Terwijl de vrouw des huizes een koningsmaal klaarmaakt, palm ik ietwat verlegen m´n privé-domeintje in. Een luxueuzere plek om m´n tocht van 26 dagen doorheen Uruguay af te sluiten, had ik niet kunnen bedenken...

Een lappendeken van een ver nostalgisch verleden...

Uruguay - Montevideo, 03-12-2006 - (dagboek 17)



Montevideo is de voorbije decennia uitgegroeid tot een wereldstad op kinderformaat. Op een populatie van 3,7 miljoen inwoners woont ongeveer de helft in de hoofdstad. Een kosmopolitisch centrum dat heeft leren leven met de onvermijdelijke groeipijnen. Zo kijken de verloederde koloniale herenhuizen neer op vuilnisbelten van een te geconcentreerde consumptie en graaien daklozen er hun laatste honger uit. Slaken graffiti-spuiters een zoveelste kleurrijke noodkreet en zoeken nachthoeren nog driftig naar een laatste ochtendklant. Liggen gauwdieven als gevreesde waakhonden op de loer en banjeren dertienjarige nietsnutten doelloos rond op de talrijke pleinen, vragend om een zoveelste ´dinero´, alsof het een nationale sport is. De tijd dat je ´s avonds rustig kon slenteren langs de mercado del puerto stamt nog uit de stoere zeemansverhalen van weleer en ook op de pleinen nabij het Teatro Solis en la Eglesia Matriz is het opgeletten geblazen. Zo kon ik met eigen ogen zien hoe een fietsende handtassendief een mooi uitgedoste dame beroofde van haar laatste gevoel van geborgenheid in haar eigen stad. Maar ondanks het wegglippend veiligheidsgevoel blijft Montevideo een stad om te koesteren.
Vijf dagen lang dwaal en verdwaal ik erin. Ik snuif er de zoete sfeer op van een ver verleden. De naam alleen al, Montevideo, doet me terugflitsen in de tijd, al was het de naam van een ter anker aangelegd overjaars cruiseschip. Ooit glinsterend als een fonkelende diamant op de Rió de la Plata, nu nog slechts een roestig en nostalgisch wrak. En toch vind ik er nog de grandeur terug van het vroegere Montevideo. De diverse pleinen zijn er één voor één een ode aan de heldhaftige krijgsheren die Uruguay en Montevideo in het bijzonder een naam, een gezicht hebben gegeven: Artigas, Zambla, Lavalleja,...
Doorheen de wirwar van straten en steegjes ontdek ik dat sommige buurten Zuid-Amerika in kaart hebben gebracht. De straatnamen dragen welklinkende namen van, veelal nog onbekende, landen en steden met zich mee: Chili de Santiago, Paraguay, Paz, Buenos Aires,... Het duurt even voor ik er m´n weg in vind, maar eenmaal de logica onder de knie, doorkruis ik in een mum van tijd een half continent. Het toeristisch gedeelte concentreert zich in ´La Ciudad Vieja´ en de ertegen aanleunende nieuwe stad. Ik heb een onderkomen gevonden in ´Hotel City´, in het midden van het oude stadsgedeelte. Het hotel straalt een muffe, donkere en ouderwetse sfeer uit die als een walm doorheen de spleten en kieren walst, net zoals de vingerlange kakkerlakken die hier een koninklijk verblijf hebben bemachtigd tussen de etensresten en de lekkende kranen. Het hotel lijkt me bij tijden een toevluchtsoord voor straatmadeliefjes en sjacheraars met een teveel aan promille in het bloed. Ik slaap er doorheen, wetend dat ik de volgende morgen opnieuw kan genieten van een eindeloos herhalende droom die Montevideo is.
Diverse plaatsen weten me te bekoren. Zo vind ik het fijn om bij etenstijd de mercado del puerto te zien omtoveren tot één groots barbecuefestijn. In tientallen eettentjes liggen ribstukken, worsten, entrecôtes,... te grillen onder een smeulend vuurtje van houtskool. Michel Vanden Bossche zou hier hallucinante visioenen zien bij dit bourgondisch stilleven... Al is het architecturale, overdekte 19e eeuwse gebouw uit staal en glas op zich ook al een bezoekje meer dan waard. In de wereldvermaarde bar ´Roldos´ proef ik er een medio y medio, een soort mengeling van witte wijn en schuimwijn. Een drankje dat wellicht meer door het toerisme de status van champagne overstijgt, maar dat naar mijn gevoel meer iets weggeeft van prikkelende limonade.
De mercado ligt op een boogscheut van de rambla dat het oude stadsgedeelte volledig omringd. Overdag en bij valavond joggen inwoners er of zoeken vissers er de lichte zeebries op. Ik vertoef liever op de pleinen die een rust uitstralen temidden van alle drukte en waar ik onder de schaduw van gigantische palmbomen een blik kan werpen op het kruispunt van heden en verleden. Op de Plaza de la Constitutión staan straatventers te jongleren met antieke spullen die zo lijken weggehaald uit het leger des heils en op de trappen van de koepelvormige Iglesia Matriz zit een oud vrouwtje te bedelen. Twee werelden, elk op hun manier dingend naar de klinkende munt van de passant. De pleinen staan hier allemaal in verbinding met elkaar: Plaza Zambla, Plaza Constitutión, Plaza Independencia, Plaza del Entrevero en Plaza Cagancha. Zelfs een blinde zou hier z´n weg terugvinden. Sommige lijken op een etalage waar de geschiedenis van Uruguay gedrapeerd wordt met het stof van vervlogen tijden. Het immense plein, Plaza independencia is daar wellicht het beste voorbeeld van. Gekneld tussen moderne gebouwen ontdek ik overblijfselen uit gracieuze tijden: het 18de eeuwse neoklassieke Palacio Estévez en het Teatro Solis, de oude toegangspoort van een eens versterkte burcht, het magistrale Palacia Salvo dat refereert naar de in 1920 rijkste man van Uruguay, José Salvo en als kroon op het werk, in het epicentrum van de symbolen van een ver verleden, pronkt het ruiterstandbeeld van Artigas. Wanneer ik er het zwartmarmeren ondergrondse mausoleum bezoek, ben ik minutenlang sprakeloos van de wijze waarop de gouden urne met de as van deze patriottische held wordt vereerd. Het marmeren complex lijkt op een balzaal waar naast de verlichte urne twee levenloze mimespelers de wacht houden. Alleen bij de wissel van de wacht hoor je het getik van zwart opgepoetste legerbottines die zich weerspiegelen in de marmeren vloer. Geen afdruk, geen spoor, niks...
Ik wandel er langs een koloniaal verleden en gluur binnen in de ziel van prachtige statische gebouwen. Het Palacio Taranco op de Plaza Zabala verschaft me zelfs toegang tot de eetkamer, het salon, de muziekruimte,... Metershoge plafonds en marmeren schouwen verraden er de levensstandaard van de gebroeders Ortiz de Taranco. Even prestigieus is de binnenkant van het Teatro Solis dat dateert uit 1856. Ik krijg er, in het engels, een privé-rondleiding en stel vast dat men noch kosten noch moeite heeft gespaard om de 1250 theatergasten optimaal te verwennen. Vijf jaar lang, van 1999 tot 2004, was het theatergebouw gesloten voor het grote publiek. Ingrijpende renovatiewerken, die vooral de akoestiek ten goede kwam, lagen hiervan aan de basis. Zelfs de bekleding van de roodfluwelen zetels is voorzien van geluidloze stof. Misschien wel op vraag van de president die hier z´n eigen theaterstoel heeft...
In de nieuwe stad tref ik een drukte van jewelste aan. De Avenida 18de Julio vormt er zowat het kloppend hart van het commerciële centrum en is bijgevolg een weinig aantrekkelijke winkelstraat die gelukkig hier en daar wordt onderbroken door groene pleintjes. Naast enkele musea staan hier ook enkele schitterende neoklassieke gebouwen die hand in hand gaan met art deco en art nouveau. Ze lijken zo overgevlogen uit diverse Europese grootsteden.
Het absolute pronkstuk vind ik evenwel net buiten het toeristisch centrum, op de Avenida Libertador Lavalleja. Hier staat het monumentale Palacio Legislativo. Het ontwerp is van de hand van de Italiaanse architect Cayetano Moretti. Marmer voert ook hier de boventoon en tijdens een rondleiding in dit megalomaan meesterwerk uit het begin van de 20ste eeuw, treed ik toe in het hart van het politiek democratisch stelsel: de kamer en de senaat. De lederen fauteuils alleen al nodigen uit om een zitje te veroveren...
La ciudad vieja mag dan wel in het verlengde liggen van de nieuwe stad, de echte oude volksbuurt tref ik echter nog meer noordwaarts. De armtierige buurt ligt er in de schaduw van het magistrale Palacio Legislativo en straalt ondanks z´n troosteloosheid toch een sfeer van hoop en gemoedelijkheid uit. Leerling-architecten hebben hier een aantal jaar geleden de Calle Emilio Reus opgesmukt door de huizen te beschilderen met opzichtige kleuren. Ik wandel doorheen een regenboog van kleuren en waan me heel even terug in Cuba. Ook daar trof ik in het pittoreske Trinidad dezelfde kleurenpracht aan. Maar zelfs de rijkdom aan kleuren kan de armoede slechts oppervlakkig verhullen. Kinderen spelen er met een versleten lappenpop of voetballen er met platgetrapte blikjes bier. Bejaarde vrouwen, zittend in hun portaal, staren in het ijle en geven de fel gekleurde gevels een doffe schijn. In de Barrio Reo hoor ik flarden tango en zwarte candomblé-muziek doorheen de openstaande ramen en deuren. De candomblé-muziek kenmerkt zich door allesoverheersende tromgeroffel en is een overblijfsel van de slavernij uit een koloniaal verleden. Ondanks de smeltkroes van nationaliteiten wordt deze muziek ook vandaag nog levendig gehouden. Ook de tango is hier niet weg te denken. Buenos Aires mag dan wel de bakermat zijn van deze weemoedige dansvorm, de beroemdste tango´s, La Cumparsita, werden hier in 1917 door de Uruguayaan Geraldo Matos Rodriguez gecomponeerd. Ook de legendarische tangozanger Carlos Gardel is geboren in Montevideo.
De hoofdstad dankt trouwens zijn naam aan een Galicische zeevaarder die vanuit Buenos Aires de boot nam richting Montevideo. Het eerste wat hij reeds vanuit de verte zag was de heuvel. In volle extase riep hij: ´Monte vi eu´ (ik zag een heuvel), zo vertelt althans de legende en wordt me bevestigd door de soldaat aan de ingang van het militair museum, bovenop de top van de bewuste heuvel.
Ik sluit mijn verblijf aan deze droevige, nostalgische stad af door op zondagmorgen de straatmarkt in de Calle Tristan Narvaja te bezoeken. Wat verscholen tussen de vele groentenkraampjes en goedkoop ondergoed, tref ik er diverse antiekkraampjes aan. Ze hebben hun prullaria als een lappendeken van ouderwetse, maar dure vroomheid over de straatstenen uitgespreid. De zon reflecteert zich in het vals antiek en ik stap er als in een droombeeld van een zoet verleden omheen. Op de terugweg koop ik er nog ´Manuel del guerro de la luz´ ('Strijders van het licht') van de hand van de Braziliaanse schrijver Paulo Coelho.
Morgen verlaat ik deze eindeloos herhalende droom en fiets ik naar mijn laatste halte in Uruguay, Colonia del Sacramento.

Een eindeloos herhalende droom...

Uruguay - Montevideo, 02-12-2006 - (dagboek 16)

Montevideo,

je huilt op de tonen van de tango
en danst langsheen de schaduw van je verleden.
Je ontwaakt met de weemoed van een eindeloos herhalende droom
en dommelt in bij de schemerzone van de nacht,
met je onafscheidelijke maté in de linkerhand,
mijmerend over wat geweest is en komen zal.

Wanneer de eerste zonnestralen filteren doorheen de morgendauw
en je gevels opnieuw de kleur aannemen van verloren gewaande grandeur.

Wanneer je ondeugend knipoogt naar je grote zus aan de overkant
en je nog slaperig de eerste verdwaalde toerist omarmt.

Wanneer de mercado del puerto bij lunchtijd volloopt
en de geur van geroosterd vlees de ruimte vult.

Wanneer de flanerende pleinen opnieuw schitteren in de late middagzon
en de held Artigas zich weerspiegelt in je wapperende vlag.

Wanneer de straatmuzikanten de stad omhullen met oeverloze klanken
en de straatstenen nog een laatste, gezellige drukte uitademen.

Wanneer de bejaarde ijsjesventers met schorre stem huiswaarts keren
en het nachtleven langzaam begint te bruisen op het ritme van de rambla.

Dan weet je dat je rustig inslapen kan.
Ook al blijf je dromen, wegdromen naar de overkant,
omdat je heimelijk weet dat de zoete droom van weleer
zich zal blijven herhalen, eindeloos en eindeloos.


Fietsende pelgrim...

Uruguay - voorstad van Montevideo, 28-11-2006 - (dagboek 15)



Na een lichte wijziging van mijn medicijnenbrouwsel beslis ik rond tien uur ´s morgens om toch nog te vertrekken, richting Montevideo. Op m´n weg zie ik een wegwijzer naar het bewuste bedevaartsoord en ik beslis om er alsnog naartoe te rijden. Reeds vanuit de verte zie ik hoe Maria als een vrome engel vanuit de heuveltop van ´Verdún´ de stad Minas overschouwt. De steile helling van de grindweg noodzaakt mij om halverwege de route te voet verder te gaan. Op de heuveltop, in de schaduw van Maria, zit een man stilletjes voor zich uit te bidden. Een indringende geur van kaarsvet waait me tegemoet. Aan het gesloten hek hangen plastic bloemen, kledingstukken, plukjes haar, foto´s, ... Er hangt zelfs een truitje van één of andere boksvereniging. Benieuwd of de aanbiddingen van victorie door Maria werden aanhoord. De biddende man weet me te vertellen dat hier elk jaar, op 19 april, meer dan 70.000 gelovigen naartoe stromen. Maria lijkt hier even populair als John Lennon of Kurt Cobain...
Vijf kilometer verder fiets ik langs het ´Parque Salus´. Hier is de bron gevestigd van Uruguays bekendste watermerk: ´Salus´. Het park nodigt uit tot lange wandelingen, maar ik beperk me tot een verkenning per fiets, want Montevideo wenkt. Het is twee uur in de namiddag en een wegwijzer maakt me erop attent dat ik nog 108 km voor de boeg heb. De rit voert me wederom langsheen weidse pampavlaktes en zelfs op deze verbindingsweg naar de hoofdstad is het opvallend rustig. Uruguay is echt wel een zalig fietsland.
Rond acht uur ben ik slechts 15 km verwijderd van Montevideo, maar toch beslis ik om m´n tent ergens op te slaan. Om tot in het centrum te geraken mag ik er minstens het dubbele bijtellen en dit betekent dat ik een deel in het halfduister zou moeten afleggen. De voorstad is duidelijk de woonplaats van de mindergegoede klasse. Sjofel gekleede kinderen spelen voetbal of lopen er wat doelloos bij. De stoffige straten weerspiegelen zich in de armtierige gevels en geven me niet meteen een gevoel van geborgenheid en veiligheid. Aan de nieuwsgierige blikken te zien is er hier in geen jaren een toerist voorbij gewandeld, laat staan een fietsende Belg. Deze keer geven de verwonderende blikken me geen goed gevoel en daarom vraag ik dan ook aan een man, die nog druk aan het sleutelen is aan zijn aftandse motor, of ik mijn tent niet in z´n binnentuin mag neerzetten. Een kwartier later lijkt de halve buurt wel opgetrommeld om mijn tent en fiets in al hun glorie te keuren. De man is zo in de wolken met z’n onverwachte gast, dat ik prompt een entrecôte voorgeschoteld krijg. Uruguay is over de landsgrenzen bekend om z´n vlees en ook dit kan ik beamen. De avond wordt afgeloten op de wijze zoals Uruguay het wenst: met maté...

Noord-Frankrijk...

Uruguay - Minas, 27-11-2006 - (dagboek 14)



In een eerste aanblik ademt Minas de leeftijd uit van z´n bewoners: oud tot stokoud. De kleine, vervallen asgrauwe arbeiderswoningen geven het straatbeeld een wat troosteloze aanblik. Flanerend langsheen de huizen zonder ziel, waan ik me precies in Noord-Frankrijk. Dezelfde tristesse, dezelfde levenloze bezieling... Of wordt mijn indruk beïnvloed door het druilerige weer? Wellicht een combinatie van beide. Minas ontleent z´n naam aan de granieten heuvels die het stadje omringen. Eén keer per jaar wordt deze stad overspoeld door enkele 10.000den pelgrims die het nabijgelegen ´Cerro y Virgen del Verdún´ bezoeken. Ik had me voorgenomen om er een kijkje te gaan nemen, maar de aanhoudende misselijkheid noodzaakt me om het ook vandaag wat rustiger aan te doen. Blijkbaar heeft mijn medicijnencocktail toch niet het verhoopte resultaat opgeleverd...

Futloosheid...

Uruguay - 10 km voor Minas, 26-11-2006 - (dagboek 13)



Na een ‘verplichte’ rustdag wegens misselijkheid en braakneigingen en het innemen van een driedubbele dosis medicijnen, waarvan ik –wegens het niet meer terugvinden van de bijhorende bijsluiters –het raden naar heb of mijn medicijnencocktail wel een positieve werking zal hebben, loopt mijn wekker af om vijf uur in de morgen. Niet dat er een zware etappe op het programma staat. Neen, het vroege zondagmorgenuur is het gevolg van mijn stilaan verslavende passie om de zonsopgang in al zijn dimensies te digitaliseren. Als locatie heb ik ditmaal de Playa Brava uitgekozen. Niet te verwarren met de Costa brava, want ik bevind me wel degelijk in het wondermooie Uruguay. Op de Playa Brava staat ¨La Mano¨, een kunstwerk van de Chileense kunstenaar Mario Irrarazabal. Vijf vingers steken er uit het zand, reikend naar de hemel. De vermenging van kunst en natuur gaat hier haast letterlijk hand in hand. Tegen de zwarte achtergrond van een te vroege dageraad ontwaar ik slechts de contouren van de vingers. Rond twintig voor zes, wanneer de schemerzone tussen dag en nacht zijn intrede doet, krijg ik het gezelschap van Marie-Josée, een Columbiaanse op doorreis. We geraken aan de praat en ze probeert me te overtuigen om ook haar land te doorkruisen. Ze is zelfs bereid om mij te gidsen doorheen haar woonplaats, de hoofdstad Bogotá. Nu, Colombia ligt nog verweg. We zien wel... De vingers vormen inmiddels herkenbare silhouetten die tegen de horizon van de opkomende zon ten volle tot hun recht komen. Ze lijken wel filmsterren aan het idoolfirmament, want ook een toevallige voorbijganger -of is het een verdwaalde nachtraaf na een nachtje stappen?- haalt zijn digitaal kleinood tevoorschijn. Ik maak alweer veel te veel foto´s en moet mezelf dwingen om op te stappen.
Punta del Este ontwaakt moeizaam wanneer ik rond negen uur de stad verlaat. Op de kaart heb ik gezien dat ik via een kleine omweg het optrekje van een West-Vlaming kan bereiken. Na een twintigtal kilometer bereik ik de bosrijke heuvels van Cumbres die me hier en daar een panoramisch uitzicht bieden op ¨La Laguna del Sauce¨. Ik slinger mijn fiets de hoogte in, hopend op een hartverwarmende ontvangst. Na wat zoeken vind ik de ingang van de dreef die me leidt naar ¨Chavales¨, het bewuste buitenverblijf. Tevergeefs zoek ik naar een bel om mijn onverwacht bezoek aan te kondigen. Ik twijfel of ik er wel goed aan doe om het privé-terrein zomaar te betreden, want het opschrift aan de ingang van het openstaande hekken kan niet bepaald uitnodigend worden genoemd: “PROPIEDAD PRIVADA – PROHIBIDO PASAR – Art. 356 Cod. Penal – CUIDADO CON LOS PERROS!” Ik besluit m´n fiets achter te laten, want het grindpad lijkt me, bij een eventuele achtervolging door bloeddorstige pitbulls, niet meteen het meest ideale fietspad. Gewapend met m´n ´dazzer´ (apparaatje om honden op een veilige afstand te houden) en mijn fototoestel, ga ik op verkenning. De langwerpige crèmekleurige villa ligt wat verscholen in de diepte en heeft een Spaanse architecturale inslag. De centrale inkomhal splitst het huis op in twee ongelijke delen. Doorheen de vensters vang ik een glimp op van de wooninrichting die gekenmerkt wordt door een sfeer van cocooning. Veel teken van leven valt er evenwel niet te bespeuren en met enige aarzeling trek ik aan de klok die onder het afdakje naast de deuropening hangt. Mijn aanwezigheid wordt meteen beantwoord met hondengeblaf en enkele ogenblikken later komt er een blaffende viervoeter op me afgestormd. Zoekend naar de beginwoorden van een schietgebedje richt ik de ´dazzer´ in zijn richting en nog voor ik het goed en wel besef, druipt de hond het af, de staart tussen z`n poten achterna. Op de trouwe, wakende hond na blijkt er niemand thuis te zijn. Er zit niks anders op dan verder te rijden.
Het zonnige weer van de voorbije dagen heeft plaats gemaakt voor guur herfstweer. De strakke wind en de opeenvolgende hellingen maken de tocht bijzonder lastig. Of is het trage tempo te wijten aan mijn futloosheid? In ieder geval schiet ik maar uiterst moeizaam op. Op een gegeven ogenblik zie ik vanuit de verte ahw een kleine krab de weg oversteken. In een flits denk ik terug aan een foto die Hans en Martine Vanhoutte, een Iepers koppel met gezond trekkersbloed in de aderen, me nog voor mijn vertrek hadden getoond. Op hun rondreis door Cuba stootten ze op honderden krabben die de weg overstaken, alsof ze verloren gelopen waren. Wanneer ik nader, blijkt de krab evenwel een spin te zijn, de grootte van een mensenhand. Miljard en ik die dacht om hier ergens m`n tentje neer te zetten. Vanop een veilig afstand bestudeer ik de behaarde achtpotige spin. Neen, die zou ik liever niet als bedgenoot willen hebben.
De hellingen nemen toe en de futloosheid blijft me parten spelen. Rond acht uur ´s avonds en tien kilometer voor m´n eindbestemming Minas, ben ik volledig uitgeteld. Op een braakliggend terrein zet ik, na een grondige spinvrije inspectie, mijn tent op.
Net voor het slapengaan verricht ik nog wat opzoekingswerk en wordt mijn vermoeden bevestigd dat de behaarde krab wel degelijk een vogelspin was. Angst voor deze grote tropische spin hoef ik evenwel niet te hebben, want hun grootste prooien zijn in het beste geval kleine gewervelde dieren zoals kikkers of kleine vogels. Vermoeid en opgelucht val ik in een diepe, rustige slaap...

Het kunstige Punta del Este...

Uruguay - Punta del Este, 24-11-2006 - (dagboek 12)



Punta del Este kan je zondermeer bestempelen als de Uruguayaanse Riviera bij uitstek. Voornamelijk Argentijnen frequenteren hier de playas die in de vorm van een hoefijzer rond Punta del Este liggen. Argentijnen noemen Uruguay dan ook vaak halfspottend ¨één van hun provincies¨. Het centrum is dan ook volledig afgestemd op het toerisme: bars, restaurants, nachtclubs, casino´s,... Naar het schijnt komen rijke Argentijnen hier in hoofdzaak om hun ´zwart´ geld te spenderen. De dame aan de balie van het hotel weet me evenwel te vertellen dat er de laatste jaren een terugval is inzake het toerisme, wellicht voor een deel te wijten aan de economische ineenstorting van Argentinië tussen 2002 en 2004. Misschien daarom dat de lokale autoriteiten het topless zonnebaden opnieuw ongestraft toelaten...
Als bruingebrande fietser ruil ik de stranden en de half ontblote, sensuele ´chicas´ in voor een uitstap naar het nabijgelegen Maldonado. In deze stad zou Charles Darwin gedurende 10 weken een vaste stek hebben gehad terwijl hij verder werkte aan zijn bekendste werk ´On the Origin of Species´ waarin hij de evolutie van leven op aarde beschrijft. Het huis bevindt zich op de Plaza San Fernando en is volop in restauratie. Wanneer ik er een kijkje ga nemen, merk ik tot m´n verbazing dat men druk in de weer is om het huis om te vormen tot een eettent. Eén van de werklieden weet me te vertellen dat er ter nagedachtenis van z´n verblijf een gedenkplaat zal worden aangebracht. Is deze schrale gedachtenis het gevolg van zijn omstreden theorie die haaks tegenover het ontstaan van de aarde stond volgens de leer van de kerk? Of heeft het meer te maken met de populariteit van de generaal José Artigas. Maldonado lijkt wel in de ban van deze Uruguayaanse held en vrijheidsstrijder. Op het centrale plein prijkt niet alleen zijn standbeeld, ook elders in de stad zijn sporen van zijn heldhaftig optreden in de slag bij Las Piedras (18 mei 1811) duidelijk terug te vinden. In het museum Didáctio Artiguista bekleedt hij in de ´sala de los heroes´ van Zuid-Amerika, de ereplaats. De ironie van het verhaal wil echter dat het land dat hij bevrijdde, moest ontvluchten en de laatste jaren van zijn leven in ballingschap doorbracht in Paraguay, meerbepaald in Artigas, de woonplaats van de Vlaamse pater Juan Dormal. Ook het bezoek aan het nabijgelegen kunstmuseum is een aangename en vooral verfrissende afwisseling op deze snikhete dag.
In de late namiddag fiets ik nog tot in Punta Ballena om er het wereldvermaarde kunsthuis van de bekendste Uruguayaanse artiest Carlos Páez Vileró te bezoeken. Het witgekalte onconventionele huis ligt op de flanken van een heuvel met uitzicht op de Rió de la Plata. De invloeden van de Spaanse architect Gaudi zijn niet alleen terug te vinden in zijn droomhuis ´Casa del Pueblo´, maar evenzo in zijn kunstwerken. De nu 83-jarige Vilaró is op z´n minst een duizendpoot te noemen inzake de diverse kunstvormen die hij beheerst. Een documentaire over zijn leven toont aan dat hij een groot deel van zijn inspiratie heeft opgedaan tijdens zijn vele, verre reizen. Centraal in zijn werk staan Afrika en de vrouw als symbool van absolute schoonheid. Ook als cineast heeft hij zijn sporen verdiend. Zo sloot hij in 1967 het filmfestival van Cannes af met zijn Afrikaanse documentaire ¨Batouk¨. ´Casa del Pueblo´ is betoverend mooi en straalt de grandeur van deze veelzijdige kunstenaar in al zijn facetten uit. Bij valavond ben ik nog net op tijd om op de playa Brava te Punta del Este het kunstwerk van de Chileense kunstenaar Mario Irrarazabal te digitaliseren. In het zand steken vijf kolossale vingers uit die tegen de achtergrond van de ondergaande zon een extra dimensie krijgen. Punta del Este mag dan wel als vakantieoord niet zozeer mijn cup of tea zijn, inzake interessante bezienswaardigheden weet deze badplaats me best te bekoren...

Een ander Uruguay...

Uruguay - Punta del Este, 23-11-2006 - (dagboek 11)



Ik word wakker met de eigenschappen van moeder aard: zacht, intens en liefdevol. Tijdens het ontbijt, dat bestaat uit twee boterhammetjes die ik bewust de vorige dag had opgespaard, staar ik minutenlang naar het glinsterend wateroppervlak en kijk ik naar de schuimende golven die als zacht piepschuim verdwijnen in het niets. Tijd en tijdloosheid versmelten samen als de contouren van twee geliefden in een haast perfecte cirkel van pure eenvoud.
Helaas moet een dromende zwerver de tijd ook af en toe geweld aandoen en bijgevolg zit er niks anders op dan opnieuw de fiets op te springen, voor de laatste rechte sprint, richting Punta del Este. Reeds wanneer ik het eerste kuststadje, José Ignacio, binnenfiets, kom ik terecht in een heel ander Uruguay. Hier heeft de authenticiteit het pleit verloren en reeds van ver zie ik hoe appartementsblokken als kleurrijke legoblokjes opdoemen. Aan de kustlijn rijzen nieuwe optrekjes er als paddestoelen uit de grond. Naar het aantal immobiliënkantoren te zien, moeten hier nog gouden zaken te doen zijn. Sommige optrekjes hebben eerder iets weg van residentiële villa´s. In één van die kuststadjes heeft een West-Vlaming ook ergens z´n stekje neergeplant. Ik heb de man een paar maand terug ontmoet toen ik als kelner in restaurant ´De Zaligheid´ (Beveren aan de IJzer) wat bijkluste om deze reis voor een stuk te kunnen bekostigen. Een aantal weken later vernam ik dat hij actief was in de vleeshandel, meer bepaald in de exportsector en dat hij een bescheiden buitenverblijfje had in de buurt van Punta Ballena. Nu ja, zo bescheiden zal het wel niet zijn, want het bevindt zich te midden van het mondaine oord Cumbres en via het immobiliënkantoor ´Alejandro Perazzo´ kan je er een deel van afhuren tijdens het hoogseizoen. Mijn beurs laat het niet toe om een week lang in dit mondaine oord te vertoeven, maar desalniettemin zou ik er wel graag eens een glimp van willen opvangen. Als bij toeval fiets ik op een gegeven ogenblik naast het bewuste immobiliënkantoor en ik besluit om eens polshoogte te nemen. De ontvangst is er hartelijk en vijftien minuten later stap ik opnieuw buiten met onder mijn arm een nauwkeurige wegbeschrijving die de jongeman van het kantoor via ´Google Earth´ heeft afgeprint.
Wanneer ik uiteindelijk Punta del Este binnenfiets, word mijn aandacht getrokken door een pittoresk torentje dat boven de kruinen van de bomen uitsteekt. Ik laat me leiden door mijn nieuwsgierigheid en even later fiets ik te midden van het Sint-Martens-Latem van Punta del Este. Ik vergaap me aan sprookjesachtige huizen die welklinkende namen dragen. Superrijke Argentijnen, Brazilianen, Amerikanen en Europeanen hebben hier hun residentieel buitenverblijf te midden van wijken die al evenmin tot de verbeelding spreken: ´Bevery Hills´, ´Monaco´, ... Op de straatnaamborden staat overal reclame van Visa met de niet mis te verstane boodschap: ¨Porque la vida es ahora.¨ Welkom in Uruguay, het mondaine Uruguay...

Een onontgonnen pad...

Uruguay - Laguna Caracola, 22-11-2006 - (dagboek 10)



Globetrotters en wereldfietsers in het bijzonder hebben wel eens de neiging te denken dat ze overal kunnen geraken, alsof de wereld aan hun voeten ligt. En in wezen is dat ook wel zo. Alleen de wijze waarop ze het in gedachten hebben strookt niet altijd met de werkelijkheid. Neem nu bijvoorbeeld de weg Paloma-Punta del Este, slechts een slordige 125 km van elkaar verwijderd en dit via een goed geasfalteerde weg. Er bestaat echter ook een mooie, alternatieve route, die op de kaart evenwel over een traject van een goeie 10 km wordt aangegeven met een rode stippellijn en waar expliciet vermeld staat ´´Senda/Footpath´´. Die twee enkele woorden waren voor mij voldoende om voor de alternatieve route te kiezen. Tot aan het eerst volgende kustdorpje lukte het me probleemloos, maar daarna liep het goed mis. Wegindicaties nihil, de informatie van de geringe passanten vrij verwarrend en paden die alsmaar smaller werden en zich meermaals opsplitsten. Het pad leidde me evenwel kilometersver doorheen een schitterend bos vol naaldbomen en struiken. Het pad veranderde echter hoe langer hoe meer in een zanderige piste en bepaalde stukken moest ik noodgedwongen stappend verder afleggen. En plots was er niks meer, geen pad, geen spoor, niets. Verder fietsen leek me te riskant. De bijnaam ´verdwaalde zwerver´ kon wel eens heel toepasselijk worden. Er zat niks anders op dan terug te keren, terug naar af. Na drie en een half uur stond ik terug aan mijn beginpunt. Op zich een verloren voormiddag, maar het gevoel heel even als ontdekkingsreiziger onontgonnen paden te hebben bewandeld verhevelde zelfs de niet geslaagde ontdekkingstocht tot een leuke herinnering.
De klok wees echter reeds één uur aan en met de vrij strakke tegenwind kon ik de geplande eindbestemming voor vandaag, Punta del Este, wel vergeten. Nu ja, morgen zal deze badplaats nog niet van de landkaart geveegd zijn. Ik gooide wederom de kaart open en merkte, geheel tot mijn verbazing, dat er vanaf de geasfalteerde route na 20 km een zijweg liep die me de mogelijkheid gaf om toch nog langs de kust verder te fietsen. De afslag was een grindweg, 2 auto´s breed. Ik fietste opnieuw tussen eindeloze pampavlaktes. Het leek wel of ik doorheen uitgestorven gebieden reed. Desolaatheid alom. Geen auto´s, bromfietsen, fietsers, voetgangers, ... Helemaal niks.
Uiteindelijk kwam ik aan de splitsing die me leidde naar de parallelle weg met de zee. Onwaarschijnlijk. Ik fietste 60 km langsheen de kust en nergens, maar dan ook nergens was er enig menselijk teken te bespeuren. Zalig in alle dimensies. Tijdloosheid en vrijheid waren nimmer zo voelbaar als daar. Rond zeven uur merkte ik een meer op aan de overkant van de weg. Een mooiere overnachtingsplaats kon ik me niet inbeelden. Het schilderspalet van de ondergaande zon weerspiegelde als een regenboog van duizend en één kleuren op het wateroppervlak en in de verte hoorde ik de ruisende golven van de zee. Een avond om nimmer te vergeten...

De winterslaap net niet voorbij...

Uruguay - Paloma, 21-11-2006 - (dagboek 9)



De voorbije twee dagen heb ik de tijd en vooral het ritme proberen te verschalken. Nu, veel moeite heb ik daar niet voor moeten doen, want hier in het kleine kuststadje Paloma moet je al halsbrekende toeren uithalen om jezelf voorbij te hollen. Op het eindeloze ritme van eb en vloed na, dat als een rustgevende constante tot in mijn hotelkamertje doordringt, heb je hier niet eens het gevoel dat je in een badplaats vertoeft. Paloma leeft op het ritme van het toeristisch seizoen dat binnen een tweetal weken op gang komt. Eind maart, vier maand later, dommelt het kustplaatsje terug in voor een heel lange winterslaap. Het is haast onwerkelijk. De seizoenen aan de kust zijn hier zo afgemeten. Het merendeel van de restaurants en hotels zijn hier zelfs nog niet open, ook al lopen de temperaturen hier al aardig op. Gisteren piekte de thermometer zelfs net uit boven de 30 graden. Met zo´n temperaturen is het bij ons file rijden naar de kust. Zelfs mijn voornemen om een filmpje mee te pikken in de plaatselijke cinéma mocht ik opdoeken. De bisocoop leeft hier eveneens op het ritme van het hoogseizoen...
Tijd in overvloed dus om de website wat up te daten en vooral om eens te grasduinen in enkele leesboeken die tot op heden alleen maar zorgden voor extra overgewicht. Ik heb me trouwens voorgenomen om in Buenos Aires alles wat ik tot dusver niet heb aangewend -en geloof me, de lijst zal indrukwekkend zijn- terug op te sturen naar het thuisfront. Want ook al zal ik bij aankomst in Buenos Aires een 5000 km in de benen hebben, het zal niettemin een zware dobber worden om de Andes te verslaan. Komt daarnog bij dat ik, ook al doet de zomer hier stilaan zijn intrede, mij nog wat winterkledij (jas, muts, handschoenen, ...) zal moeten aanschaffen. Materiaal waarvoor er tot op heden geen plaats meer is in mijn fietstassen. De hoogste berg in Chili situeert zich rond de 6000 meter. Een extra ´pulleke´ zal ik best kunnen gebruiken. Morgen staat een lange fietstocht naar Punta del Este op het programma. De naam doet het al enigszins vermoeden. Punta del Este ligt op een schiereiland, aan de oostkant van de monding van de Riõ Plata. Naar het schijnt het episch centrum van alle badsteden. Benieuwd of dit zich ook zal weerspiegelen in het levensritme aldaar...

Vadsige koningen...

Uruguay - Paloma, 19-11-2006 - (dagboek 8)



Het gebeurt niet vaak, maar deze morgen loopt de wekker of om half zes. De reden van dit ontiegelijk vroeg zondagmorgen uur heeft alles te maken met een zeehondenkoloniem een achttal kilometer verderop. Deze kolonie (naar het schijnt de tweede grootste van Uruguay) heeft zijn thuishaven gevonden in de omgeving van Cabo Polonio, een kustdorpje te midden van de duinen.
De weg ernaartoe is een zanderige piste die enkel bereikbaar is als je over de nodige 4x4-wielaandrijving beschikt. Aan de ingang van de weg staan dan ook jeeps en omgebouwde vrachtwagens die de toeristen ernaartoe brengen. Mijn schoenen mogen dan wel niet beschikken over dezelfde aandrijving, maar al stappend zal ik er ook wel geraken. In de schemerzone van de ontwakende morgen baan ik me een weg doorheen het mulle zand. De wandeling is schitterend. Van alle kanten hoor ik tientallen dierengeluiden harmonieus samensmelten met de kleurenpracht van de ochtenddauw die glinstert in het lichtspel van de opkomende zon. Het duinenlandschap is prachtig en ik geniet, andermaal, mateloos! Niet te geloven dat mensen er de voorkeur aan geven om als een kudde dieren te worden vervoerd doorheen dit uniek natuurgebied. Mensen zijn soms toch vreemde wezens...
De klok wijst zeven uur aan wanneer ik in Cabo Polonio aankom. Het dorp ligt nog te soezen en ontwaakt slechts heel langzaam. Op een drietal koeien na die in de vroege ochtendzon pootje baden op het strand, tref ik nergens ook maar één zeehond aan. Of toch, een dooie. Nu ja, ook voor hen is het zondagmorgen...
Een centrum is er niet echt en de bruinrood geschilderde vuurtoren lijkt me zowat het enige referentiepunt te zijn te midden van kleine, veelal houten, huisjes die als een dominospel verspreid liggen tussen de zandvlakte. De omgeving van de vuurtoren blijkt ook de trekpleister te zijn van de zeehondenkolonie. Ik kan mijn ogen nauwelijks geloven. Tientallen logge zeehonden liggen te baden in de ochtendzon. Een vertederend stilleven... Onwaarschijnlijk mooi en haast onbeschrijfelijk...

Cabo Polonio

Zie ze daar liggen als vadsige koningen,
badend in de vroege ochtendzon.
Naar een verdwaalde reiziger zien ze al lang niet meer om.

Ongestoord en languit op hun dikke buik.
Hun zwemvliezen keurig naast hun lijf.
Voor op de foto net wat te stijf.

Liever huppelend en waggelend,
balancerend op en neer...
Voor de foto mag het wel nog een keer.

Eenmaal haast uitgedroogd
kiezen ze resoluut opnieuw voor het zoute sop.
En ja hoor, ook deze staat erop.

Ik trek er maar op los.
Druk af, zoom in, zoom uit...
Kom toch wat dichter met die snoezige snuit.

Ach het laat hen allemaal koud,
mijn fluisterende woorden en zeemzoeterig gevlei.
Want de status van koning zijn ze al lang voorbij.

Wanneer ik rond elf uur Cabo Polonio verlaat, worden de eerste horden toeristen gelost. De hoogste tijd om op te stappen.

Dankjewel Luc...

Uruguay - Cabo Polonio, 18-11-2006 - (dagboek 7)



Het ontwaken deze morgen is iets minder luxueus. Geen naar lavendel ruikende lakens, geen zondagmorgengevoel en geen frisse zeebries die me een goeiemorgen toewenst. Neen, niets van dat alles. Mijn ledematen voelen stram en mijn slaapzak voelt klam aan. Het ventiel van mijn slaapmat heeft het begeven -Het gevolg van een overgewicht aan Braziliaans gebak?-, waardoor ik ei zo na op de grond lig. Nu ja, er zijn ergere dingen dan dat in het leven. Mijn fiets bijvoorbeeld. Wanneer ik aanstalten maak om het Nationaal Park Santa Teresa te verkennen, merk ik dat er iets grondig mis is met de fiets. Een schakel van de ketting blijkt afgebroken, waardoor de ketting zijn greep op het voorste tandwiel verliest. Er zit niks anders op dan de net goed ingeoliede ketting te repareren. Het glibberige vet maakt de klus des te moeilijker en tot overmaat van ramp komt er geen druppel water meer uit het kraantje in het nabijgelegen sanitair blok. Een voorbijwandelende militair komt een handje toesteken, maar ook hij slaagt er niet in om de ketting te herstellen. Goddank heeft Luc Ostyn, de ´vélomaker uit Boezinge´ aan alles gedacht. In mijn materiaalkoffertje zit er een reserveketting die ik met de nodige omzichtigheid op de tandwielen leg.
Het druilerig weer van de voorbije dagen heeft plaats gemaakt voor stralend zomerweer en de zon staat dan ook reeds hoog aan de hemel wanneer ik mijn geplande verkenning kan aanvangen. Ook in dit natuurpark is er een fort aanwezig. Evenmooi, maar net iets groter dan dat van San Miguel. Het fort dateert van eind de 18de eeuw en ook hier zijn verschillende ruimtes aangewend om een beeld op te hangen van de tijd van toen. Vanop de versterkte burcht zie ik de zee glinsteren als een kleurenpalet van witgrijs tinten. Adembenemend mooi. Het plantenconservatorium blijkt echter niet open over de middag en dus besluit ik maar om verder te rijden.
Mijn volgende halte is Cabo Polonio. Na een goeie 70 km fietsen, bereik ik de afslag. Een matedrinkende man zit lurkend te genieten langs de kant van de weg. Als ik hem vraag hoeveel kilometer ik nog moet afleggen, kijkt hij me bedenkelijk aan. Cabo Polonio ligt te midden van de duinen en is per fiets niet bereikbaar. Hij stelt me voor om mijn tent naast zijn houten barak neer te zetten en morgen de tocht te voet of per jeep aan te vangen. Na m´n ervaringen met ´de hel van Bojuri´, neem ik zijn aanbod dankbaar aan.
Laat op de avond komt hij me nog opzoeken. Onder zijn arm draagt hij een ouderwetse thermoskan en in de andere hand een uit kleiwerk vervaardigde matebeker. Als teken van vriendschap biedt hij me de beker aan. Uruguay is in alle opzichten een fantastisch land...

Onthaasten in alle schoonheid...

Uruguay - N.P. Santa Teresa, 17-11-2006 - (dagboek 6)



Voor het eerst sinds mijn vertrek word ik wakker met de geur van waspoeder. Zelfs de anders zo doordringende reuk van olie- en vetrestanten die nog aan mijn vingers kleven ten gevolge van mijn haast nachtelijke fietsreparatie, wordt verdreven door de verfrissende lavendelgeur van het donsachtige lakenovertrek en de warme lijfgeur op een ontwakende zondagmorgen. Het is echter vrijdag, 17 november en de klok wijst reeds half negen aan. Vandaag wil ik gewoon luieren, niksen, vakantie nemen! Ik trek de lakens wat dichter naar me toe en snuif de heerlijke bloemengeur zo lang op tot ik weer in slaap val. Rond 10 uur word ik opnieuw wakker en vanuit het opengewaaide vensterraam hoor ik het spel van eb en vloed. Even later geniet ik er nog intenser van wanneer ik met uitzicht op zee eindeloos lang tafel en onthaast bij een hartverwarmend bakje troost en knapperige croissants. De gastvrouw vraagt me nieuwsgierig naar mijn reiroute. Wanneer ik haar vertel dat ik voor 2 jaar ´on the road´ ben, brengt ze me prompt een extra ontbijt. Met een knipoog zet ze het mandje, gevuld met overheerlijke ontbijtkoeken, neer. ¨Tierra del fuego is nog een heel eindje fietsen. Je zal extra energie best wel kunnen gebruiken...¨ Ik dank haar hartelijk en stel mezelf de vraag of ik niet beter elke morgen bij het serveren van het ontbijt mijn reisroute uit de doeken kan doen. Wie weet levert het me telkens een dubbel ontbijt op?
De regenwolken blijven ook nu weer dreigend boven het kustdorpje hangen en wanneer ik goed ingeduffeld me naar het strand begeef voor een extra lange wandeling, begint het lichtjes te motregenen. Hier en daar is men druk in de weer met het herstellen van daken en het oplappen van stoffige en verwaarloosde eettentjes. De man die zijn eettafels voorziet van een extra lakje verf, weet me te vertellen dat het anders zo rustige Punta del Diablo begin december overspoelt zal worden door Argentijnen en Uruguayanen die hier hun vakantie doorbrengen. Normaal wonen hier slechts een 700-tal zielen, in de maanden december en januari loopt dit aantal op tot 15000. Ik had me geen betere periode kunnen indenken om dit liefelijk kustdorpje in al zijn schoonheid te ontdekken...
Rond vijf uur klaart het weer volledig op en ik besluit om alsnog het Nationaal Park Santa Teresa te gaan bezoeken. Rechttegenover de ingang van het park is er een afslag naar ´Laguna Negra´. De wijzers van de klok naderen 6 uur, net iets te laat om het park nog te bezoeken en dus neem ik de afslag naar het meer. Een bord wijst me erop dat er ook een camping aanwezig is, maar wat verderop weet een militair me te vertellen dat de camping gesloten is. Als ik hem vraag of ik er niet wild kan kamperen antwoordt hij afwijzend. De omgeving van het meer blijkt een broedplaats te zijn van slangen en -nog steeds volgens dezelfde bron- niet geheel ongevaarlijke. Hij raadt me aan om de nacht door te brengen in het Nationaal Park. Jammer, want het meer en de natuur errond is van een wonderlijke schoonheid. Een beter plek om je geliefde de hand te vragen kan ik me haast niet indenken. De sereenheid van het meer en de ademloze schoonheid van de natuur maken me heel even week. In gedachten blik ik terug op de voorbije twee maand en besef dat ik zelden zo gelukkig ben geweest. Met behulp van mijn zelfontspanner probeer ik het geluk te digitaliseren voor de eeuwigheid. Als aandenken aan de vele intense momenten van vreugde, verwondering en schoonheid die ik in die korte periode reeds heb ervaren. Ik draal, droom en ja, geniet...

Een stille wens...

Uruguay - Punta del Diablo, 16-11-2006 - (dagboek 5)



Het zat eraan te komen... De hittegolf van de voorbije dagen is volledig omgeslagen in guur herfstweer. Gelukkig staat er slechts een kleine fietstocht van om en bij de 50 km op de agenda. Maar best ook, want de hele weg moet ik om de haverklap schuilen voor hevige regenbuien. Ik had me voorgenomen om te kamperen in het Nationaal Park Santa Teresa, maar met de aanhoudende regen lijkt me dit geenszins een goed idee. Wanneer ik rond drie uur in de namiddag de ingang van het Nationaal Park binnenfiets, openen de regensluizen andermaal. Onder het afdakje van het registratiekantoortje hou ik een zoveelste ´noodgedwongen´stop. Het Nationaal Park Santa Teresa staat volledig onder beheer van het leger en grenst op diverse plaatsen aan zee. Naast een vijftal stranden is er ook een kleine zoo en een soort plantenconservatorium ondergebracht. De militair aan het loket is niet bepaald praatvaardig te noemen en doodt zijn tijd met het aanleggen van een voorraad zelfgerolde sigaretten. In het park zijn er ook cabañas en kleine huisjes te huur, maar enkel tijdens het hoogseizoen, van december tot maart. Een vijftal kilometer verderop is er evenwel een kustdorpje waar er, volgens de militair, wel enkele hotels zijn. Ik besluit door te rijden en morgen, met beter weer, het park te bezoeken.
Het kustdorpje heeft de ietwat vreemde naam ´Punta del Diablo´ meegekregen en lijkt, net als zovele plaatsen hier, haast uitgestorven. Nochthans moet dit een favoriete, toeristische trekpleister zijn, want de te huren cabañas zijn haast niet te tellen. Het dorpje heeft eerder een troosteloze aanblik en straalt allesbehalve het vakantiegevoel uit dat me zo wist te bekoren op m´n tocht langsheen de Braziliaanse kust. Hotels zijn er schaars en relatief duur, maar een alternatief is er niet, want cabañas worden er slechts verhuurd vanaf 2 personen. Ik vind een onderkomen in het knusse en kleine hotel Podasa. Mijn kamer heeft uitzicht op zee en ook de aankleding is best gezellig. Als bij wonder breekt de zon toch nog doorheen het dichte wolkendek en met de ondergaande zon als decor verken ik bij valavond het dorpje.
Punta del Diablo heeft de wedren tegen de tijd en de commerciële druk moeiteloos weten te doorstaan. Meer nog, de tijd heeft hier precies nooit geen vat op gekregen. Zelden zo´n gevoel van tijdloosheid ervaren als hier. Grote, lelijke buildings en appartementsblokken zijn hier -godzijdank- nog nergens te bespeuren. Authenticiteit wordt hier nog hoog in het vaandel gedragen. Eenzelfde gevoel ervaren ook Sigmund en Isabel, een duits echtpaar dat ik ontmoet in een mini-bar op het strand. Voor de vierde keer op rij bezoeken ze Uruguay, maar pas nu hebben ze dit idyllisch plekje ontdekt. We brengen de rest van de avond samen door, filosoferend over het leven en de zin van het bestaan... Op de achtergrond ruisen de golven die zich vermengen met de zachte achtergrondmuziek van de bar. Op de terugweg naar het hotel twinkelen duizenden sterren aan het firmament en stilletjes druk ik de wens uit hier ooit nog eens terug te kunnen komen...

Op zijn Belgisch...

Uruguay - Chuy, 15-11-2006 - (dagboek 4)



Mocht er ooit een lijst worden opgemaakt van de meest ideale fietslanden, dan belandt Uruguay ongetwijfeld in de top 3. Verkeer is er nagenoeg niet en de loyaliteit die de bestuurders hier ten aanzien van fietsers aan de dag leggen, is een verschil van dag en nacht met de Brazilianen. Uruguay mag dan wel niet die rijke koloniale schoonheid uitstralen als zijn buurland Brazilië, de prachtige fiettochten maken veel goed.
Op mijn korte rit naar Chuy maak ik een tussenstop om ´el fuerte de San Miguel´ uit 1752 te bezoeken. Het granieten fort ligt wat verscholen, te midden van een bosrijke heuvel. De vijandelijkheden tussen Spanje en Portugal in de 18de eeuw liggen aan de basis van dit indrukwekkend bouwwerk. De restauratie ervan heeft tientallen jaren in beslag genomen, maar het resultaat mag er best wezen. In diverse ruimtes heeft men geprobeerd een beeld op te hangen van de tijdsgeest die er ooit moet zijn geweest: de kapel, de cantine, de keuken, ... Het leven ging hier z´n gewone gang verder, binnen de beslotenheid van de onaantastbare burcht. Wat verderop hebben ze een museumpje neergezet waar het leven van de indianen en gaucho´s wordt geschetst. Kleinschalig van opzet, maar best leerrijk.
Rond vier uur fiets ik het stadje Chuy binnen. Bij het binnenrijden merk ik al meteen dat dit grensstadje, net zoals zovele andere grenssteden, leeft van de handel of beter gezegd de vrijhandelszone. Supermarkten, duty-free shops, restaurants en bars ontsieren hier het stadscentrum. Vooral de handel in elektronica en sterke dranken floreert hier in overvloed. Niet echt ´the place to be´ voor een fietser die de voorbije dagen mateloos heeft genoten van een haast onwerkelijke rust en schoonheid. Voetgangers en auto´s kuieren hier tussen de Uruguayaanse en Braziliaanse grens die enkel dmv een grote stoep wordt gescheiden. Het gekke is dat de grote ´duty-free laan´ twee aparte straatnamen heeft. Aan de Uruguayaanse kant wandel je in de ´Avenida Brasil´ en aan de Braziliaanse kant vertoef je in de ´Avenida Uruguai´. Men heeft het probleem hier op ´zijn Belgisch´ opgelost...

BV(Bekende Vlaming) te Uruguay...

Uruguay - San Luis al Medio, 14-11-2006 - (dagboek 3)



Tijdens het opbergen van m´n tent in het openbaar park van Melo, waar ik gedurende twee nachten had vertoefd tussen ronkende motoren, werd ik aangesproken door een joviale dame die uitermate nieuwsgierig was naar mijn doen en laten. De dame in kwestie was Silvia Techera en werkzaam voor de lokale radio ´LW 53 La Voz de Melo´. Mijn verhaal bevatte voldoende stof voor vijf minuten interessante radio en voor ik het goed en wel besefte, werd ontwakend Melo gewekt door een verdwaalde reiziger uit het verre België. Een uur later werd ik in het centrum door een bejaarde dame aangesproken met de vraag of ik die fietsende reiziger van de radio was. Nog voor ik mijn verbazing kon onderdrukken, klampte ze me vast en kreeg ik drie klapzoenen als ontbijt. En ik die dacht dat de Uruguayanen wat gereserveerd waren...
De fietstocht leidde me langsheen een licht glooiend landschap met eindeloos uitgestrekte weilanden. Alleen de aanwezigheid van grazende koeien en paarden deed me enigszins vermoeden dat er ook ergens menselijke activiteit moest plaatsvinden. Zelden was het gevoel van vrijheid zo groot.
Ook vandaag word ik overspoeld door eenzelfde gevoel, al is de dag begonnen met een valse start. Bedoeling is om Chuy te bereiken, een goeie 150 km van mijn vertrekpunt. Op zich lijkt dit een lange afstand, maar met een stevig ontbijt achter de kiezen kan dit geen probleem opleveren. Een ontbijt wordt er in het hotel Olimar blijkbaar niet geserveerd en dus moet ik mij tevreden stellen met drie halfgeplette bananen. Na 25 km fietsen over een grindweg, stopt een wagen. De jongeman maakt er mij attent op dat de weg binnen een twintigtal kilometer versperd wordt door een rivier en er geen doorgang mogelijk is. Vreemd, want op mijn kaart staat er wel degelijk een dorp aangeduid. De inwoners moeten toch op één of andere manier aan de andere kant van de rivier kunnen geraken... Het dorp blijkt slechts een plaatsnaam te zijn. Het geringe aantal bewoners woont hier in estancia´s die vaak tientallen kilometers verspreid liggen. Er zit niks anders op dan rechtsomkeer te maken. Mijn eindbestemming mag ik voor vandaag wel vergeten.
Dertig kilometer voor Chuy en nog net voor zonsondergang, vind ik een romantische overnachtingsplaats, onder de brug aan de oever van Rio San Luis. De clochards die in Parijs onder de brug van de Seine overnachten, zouden ongetwijfeld stikjaloers zijn op mijn lieflijk plekje...

Een vreemde eend in de bijt...

Uruguay - Melo, 12-11-2006 - (dagboek 2)



Ik ontwaak met de geur van geroosterd vlees, olie en benzine. Wanneer ik het zeil van m´n tent open, sta ik te midden van honderden andere gekleurde bolvormige huisjes. Gisteren had ik op m´n tocht naar Melo, 77 km van de Uruguayaanse grens, wel honderd ‘motards’ zien voorbij rijden. Met de duim in de lucht, wuivend of claxonnerend. Ook al was ik aangewezen op mijn eigen paardenkracht, toch leek het alsof ik één van hen was. Meer nog, op 37 km van mijn eindmeet kreeg ik zelfs een cerveza aangeboden, een ijsgekoelde dan nog wel. Met de hitte niet meteen de meest aangewezen drank, maar daar ik mezelf op drooglegging (water wel te verstaan!) had gezet wegens een verkeerde inschatting van het aantal af te leggen kilometers, was het alsof het schuimende bier veranderde in sprankelende champagne...
Het mototreffen in Melo leek me de beste plaats om mijn tent op te zetten en zo geschiedde... Mijn aankomst in het openbaar park waar de ‘motards’ massaal waren toegestroomd, ging niet bepaald onopgemerkt voorbij. Het leek wel of ik met de meest gesofistikeerde moto rondtoerde, want honderden blikken keken mijn richting op. Groepjes motoliefhebbers die me hadden voorbijgestoken, begonnen spontaan te applaudiseren wanneer ik langs hun tentenkamp voorbijfietste. Zeg nu zelf, kan je je als kleine fietsende Belg een betere ontvangst inbeelden?
De nachtrust was evenwel iets minder ‘aangenaam’ te noemen. De hele nacht kletterden de uitlaatpijpen en brulden de motoren tot vroeg in de ochtend. Maar ach, dit maakt nu eenmaal deel uit van zo´n bijeenkomst. Zien en gezien worden, daar draait het uiteindelijk allemaal rond. In bepaalde opzichten zijn we allemaal kinderen die graag ons gloednieuw speelgoed tonen en op een dag als gisteren mag dit eens te meer...
Door de slapeloze nacht had ik niet veel zin om veel inspanningen te verrichten en dus werd het vandaag een ‘klassieke zondag’. Daar Melo niet echt de meest impressionantste stad is inzake bezienswaardigheden, heb ik me, na mijn overheerlijke lunch (merluza of beter gekend als pescado a la plancha, gevolgd met een isla flotante con sambayon) en het uitzwaaien van mijn ‘motard-campinggenoten’, maar wat verdiept in mijn reisroute voor de komende weken. Morgen ga ik naar Treinta y Tres en van daaruit gaat het verder richting Chuy, P.N. Santa Teresa, Barra de Valizas, Cabo Polonia, La Paloma, Punta del Este, Maldonado en Minas. Montevideo is pas voor eind deze maand. Daartussen ligt nog een zee van tijd...

Lieve Sint...

Uruguay - Melo, 11-11-2006 - (dagboek 1)



“Bienvenido a Uruguay!” De woorden van welkom worden bezegeld met de -door vele reizigers fel begeerde- stempel die me toegang verschaft tot het derde land op mijn tocht doorheen Zuid-Amerika. Althans zo had ik het mij voorgesteld. Wat blijkt echter... Ik ben reeds een goeie 10 km op Uruguayaanse bodem aan het fietsen zonder dat ik ook maar ergens een douanekantoortje heb opgemerkt. Best vervelend omdat ik zonder stempel wel eens serieus in de problemen kan geraken wanneer ik Montevideo (hoofdstad van Uruguay) wil verlaten. Vanuit Montevideo wil ik namelijk de boot nemen richting Buenos Aires. Ik neem het zekere voor het onzekere en maak rechtsomkeer.
Tien kilometer terug en na het inwinnen van de nodige informatie, vind ik het bewuste kantoortje. Het ligt wat weg van de geasfalteerde route, maar de kleine wegversperring had evenwel m´n aandacht moeten trekken. Ik ben er gewoon omheen gefietst, omdat het meer iets weg had van een obstakel om naderende werkzaamheden aan te kondigen.
Wellicht was ik teveel in gedachten verzonken. Met m´n hoofd in de wolken was ik aan het denken aan de tijd toen ik elf november niet meteen associeerde met een vrije dag omwille van de herdenking van wapenstilstand, maar omwille van de komst van die lieve, oude man met z´n suikerspinachtige baard en vreemde driepuntige hoed. Neen, vannacht heb ik geen hoefgetrappel gehoord, noch van een paard, noch van een ezel. Ach, met wat verbeelding lijkt de douanebeambte ook wel een beetje op die goeie oude Sint. De stempel die me gedurende 90 dagen ongestoord vrijgeleide heeft om Uruguay te verkennen, is op een dag als vandaag wellicht het mooiste geschenk dat ik van de lieve Sint had kunnen wensen...