Oogjes van verwondering en dankbaarheid... |
Bolivië - Isla del Sol, 12-10-2007 - (dagboek 56) |
 |
 |
 |
 |
De wielen van onze fietsen rijden zich meteen vast in het mulle zand nadat we zijn aangemeerd op het eiland Isla del Sol. De schipper had er ons voor gewaarschuwd: ‘No hay caminos por andar en bicicletta.’ ‘Hay muchas piedras.’ Fietsende globetrotters zijn nu eenmaal een speciaal ras en willen vaak tegen beter weten in toch bepaalde delen per fiets afleggen. Het heuvelachtig eiland met zijn mediterrane vegetatie is evenwel een labyrint van stenen treden die hier en daar wordt afgewisseld met strookjes grindpaden. Niet de meest ideale piste om per fiets te verkennen, maar de prachtige omgeving en de vele baaien doen het klimwerk -met de fiets op de schouder- al gauw vergeten.
Volgens de Inca mythologie is op dit eiland de zon geboren. Hier zou ook de allereerste Inca-koning, Manco Kapak, zijn opwachting hebben gemaakt. Onze eerste stopplaats ten noorden van het eiland is dan ook de zonnetempel. Voor de ruïnes zit een meisje van een jaar of tien geduldig te wachten tot toeristen voorbijwandelen langs haar mini-winkeltje. Op een kleurrijke doek liggen fossielachtige steentjes. “Solo cinco Bolivianos…” Haar stem klinkt zo vertederend dat ik erdoor aangetrokken word. “No tienes escuela?”, vraag ik nieuwsgierig. Het blijkt een vrije dag te zijn en dus profiteert ze ervan om een centje bij te verdienen. Haar lange zwarte vlechten glinsteren in de ochtenzon en steken fel af tegen de doffe, half beschadigde kiezelsteentjes. De gevonden steentjes koestert ze, als waren het diamantjes. “Solo cinco Bolivianos…”, herhaalt ze nu haast smekend. Ik pik er eentje uit en leg het in haar kleine handjes. “Tengo, un regalo.” In haar ander handje leg ik het muntstukje van 5 bolli´s (€ 0,5). Ze sluit haar kleine vingertjes tot een speelbal en kijkt me wat verlegen aan. Achter haar doffe ogen zie ik heel even een lichte fonkeling. Oogjes van verwondering en dankbaarheid. Ze staan in mijn visueel geheugen gegrift.
We vervolgen onze weg en nemen ruimschoots de tijd om foto´s te maken. Het zonovergoten eiland charmeert door z´n vele inhammen en zijn idyllische ligging. In de verte zien we de besneeuwde toppen van Cordillera Real, sneeuwpieken als half afgelikte waterijsjes. Na vijf uur bereiken we het andere punt van het eiland. Een steil pad, dat naar het meer leidt waar de boot ons reeds opwacht, is aan weerzijden geflankeerd door eettentjes. We doen ons tegoed aan een versgebakken ‘trucha’ (forel), terwijl we genieten van een panoramisch uitzicht over het Titicacameer dat diep onder ons ligt. De omringende heuveltoppen omzoomen het meer en spelen een schaduwspel met de ondergaande zon. Het wateroppervlak lijkt een gebroken spiegel waarbij de ene helft dof glanst en de andere helft zilverkleurig glittert. Ik staar naar die onmetelijke watermassa en de scheidingslijn tussen vreugde en droefenis, de grens tussen fonkelende en donkere ogen. Het frêle gezicht van het meisje met haar zwarte vlechten drijft als een waas over het rimpelloze wateroppervlak. Aan de oever gooit een jonge knaap steentjes tot kringen. De ogen vervagen en het gezicht lost op als waterverf. De scheidingslijn balanceert tussen droom en werkelijkheid, tussen verwondering en dankbaarheid…
Landen-shopping per fiets... |
Bolivië - Copacabana, 11-10-2007 - (dagboek 55) |
 |
 |
Daar ik reeds vijf dagen illegaal –wegens een verstreken visum- in Bolivië vertoefde, had ik het plan opgevat om per bus tot in Copacabana te rijden, vervolgens de fiets op te springen tot aan de Peruaanse grens om er een stempel op te halen en terug te keren naar Copacabana (Bolivië). Mijn busrit was evenwel een maat voor niets, want de grensautoriteiten bleken volgens hun boekje te werken. Binnen de 24 uur de grens overwippen en terugkeren kon enkel mits betaling van 10 dollar. Regels zijn regels, ook voor een verdwaalde zwerver per fiets.
Op de terugweg naar Copacabana ontmoette ik Lejan, een fietsende Sloveen die in vijf jaar tijd zowat de wereld rond wilt fietsen. Rondtrekkende fietsers zijn als nomaden, reizend van oase tot oase, van stad tot stad. Lejan is zo´n nomade, maar die zich evenwel niet laat leiden door het tempo van zijn grazende karavaan. Tijd en afstand zijn primordiaal op zijn lange tocht. Sinds zijn vertrek, 18 maanden geleden, heeft hij maar liefst 40 landen aangedaan over een afstand van 45.000 km. Een kleine berekening: gemiddeld fietste hij 81 km per dag en verbleef hij 13,5 dagen in elk land. Reizigers die aan landen-shopping doen tref je overal aan, zelfs per fiets…
Een buitenbeentje... |
Bolivië - La Paz, 10-10-2007 - (dagboek 54) |
 |
 |
 |
 |
Op de vooravond van mijn vertrek naar Copacabana, aan de oevers van het idyllische Titicacameer, maakte ik nog kennis met Lien Ostyn. Een tweetal weken geleden had ze me per mail uitgenodigd voor een ‘Vlaamse’ babbel. Lien is wat je zou kunnen noemen een buitenbeentje. Na haar studies pedagogie besloot ze immers om zich een half jaar vrijwillig in te zetten voor ‘het goede doel’. Haar oog viel op het project “Alalay” te Bolivië (www.alalay.org) .
“Alalay” is zo´n 16 jaar geleden ontstaan als een soort ‘historia de amor’. Op een welbepaalde dag ontmoette Claudia Gonzales, toen een jonge negentienjarige ingenieursstudente, een straatkind zonder toekomstperspectieven. Ze nam het haveloze kind mee naar huis en ontfermde zich over hem. Via zijn levensverhaal ontdekte ze een andere wereld, de verborgen façade achter de glimlach van de straatkinderen. Al gauw werd haar huis een soort ‘open’ huis waar alsmaar meer kinderen hun toevlucht zochten. Zestien jaar later is de toevallige ontmoeting uitgegroeid tot een organisatie die niet alleen in La Paz en in de arme buitenwijk El Alto actief is, maar tevens in Santa Cruz. Momenteel huisvesten ze zo´n 500 tal kinderen en helpen ze dagelijks een 11.000 kinderen en adolescenten op weg naar een betere toekomst. Educatie staat centraal, omdat dit de enige manier is opdat ze een betekenisvolle plaats in de maatschappij zouden verwerven.
“Alalay” doet het leven van vele kinderen veranderen. Zo proberen straathoekwerkers ouders te overtuigen om hun kind vrijwillig af te staan aan de vereniging. Het overtuigingswerk duurt soms meer dan een jaar, maar zorgt er wel voor dat op die manier vele kinderen van de straat in het tehuis terechtkomen. Ze krijgen een dak boven hun hoofd, eten, een bed, schone kleren en educatie. De problemen van de straat kunnen (en moeten) ze op die manier achter zich laten: lijm snuiven, stelen, geweld en misbruik, geld verdienen als schoenpoetsertje of autoruitenwasser, slapen in riolen, goten of portiekjes,… Het project draait voor een groot deel op vrijwilligers, zoals Lien Ostyn die hier sinds begin september aan de slag is. Als pas afgestudeerde pedagoge is het voor haar een uitgelezen kans om haar theoretische kennis in de praktijk om te zetten.
Ik had blijkbaar geen betere avond kunnen uitkiezen om haar op te zoeken, want die bewuste avond was er een benefietbuffet ten voordele van de organisatie. Maar liefst 1.000 sympathisanten hadden een toegangskaart gekocht voor de walking dinner. In de conferentieruimte van het luxueuze Radisson-hotel was het dan ook aanschuiven aan het feestelijk buffet. De feestdis was opgedeeld in diverse standen die elk een eigen land vertegenwoordigden. Zodoende stapte ik om de vier meter van de ene wereldkeuken in de andere. De culinaire wereldreis bracht me van Mexico tot Turkije en van Israël tot Italië. Mijn smaakpapillen wisten nauwelijks raad met de overdaad aan specerijen. Bij de laatste halte was het hek helemaal van de dam: een dessertbuffet om duim en vingers af te likken. Niet bepaald het meest vitamine-rijke voedsel om morgen -na een lange rustpauze- opnieuw op de trappers te springen. Maar goed, een verdwaalde zwerver krijgt dan ook niet elke dag de kans om een culinaire reis rond de wereld te maken...
Balancerend tussen religie en puur vermaak... |
Bolivië - Entre Rios, 07-10-2007 - (dagboek 53) |
 |
 |
 |
 |
Lallende mannen, rumoerige jongeren, zwetsende wijven, dronkenmanspraat, kampvuurliederen, rinkelend glas, kletterende regendruppels, dichtslaande portieren, startende motoren, voorbijtuffende bussen,… De geluiden van de nacht, ik heb ze allemaal gehoord. Het leven van een clochard bestaat uit koude korte nachten, want wanneer ik rond zes uur ´s morgens voor een zoveelste maal wakker word, zijn mijn kameraadvagebonden reeds uitgezworven.
De striemende regenvlagen van de voorbije nacht mogen dan wel een domper hebben gezet op de muzikale apotheose, het drankfestijn daarentegen heeft er weinig of niet onder geleden. Op het centrale plein staan, hangen en waggelen nog enkele honderden feestvierders. De lucht is gevuld met de pregnante geur van alcohol en urine. Tientallen mannen liggen er als levenloze pionnen hun roes uit te slapen. Het plein ligt bezaait met ontelbare bierflessen alsof er een veldslag heeft plaatsgevonden. Overdadig drankgebruik zit ingebakken in de Boliviaanse levenswijze.
Wanneer ik even later een kijkje neem in de San Luis kerk zie ik dat ze alles in gereedheid brengen voor de zondagsmis. Misdienaren in zwart-wit steken kaarsen aan en enkele koorknapen schrapen hun keel. De laatste dag van ‘La fiesta de la Virgen de Guadalupe’ kan van start gaan.
Ondertussen kleurt het dorpsplein feestelijk. Beschilderde mannen, vrouwen en kinderen, getooid in felkleurige gewaden, leggen de laatste hand aan hun opmerkelijke kostumering. De mannen dragen opvallende halssnoeren van schelpen en kalebassen, terwijl de vrouwen zich onderscheiden door een sierlijk lint in hun haar. Het zijn stuk voor stuk verwijzingen naar de Guarani-cultuur. Deze cultuur maakt deel uit van Gran Chaco, een provincie in het departement Tarija dat verdeeld is in drie gemeenten: Carapí, Villamontes en Yacuiba. Dansend en zingend lopen ze doorheen de dampende straten. Klokslag elf uur volgt er wederom een processie. Ditmaal lijkt de helft van het dorp op de been. De bontgekleurde stoet houdt halt op de open vlakte waar het slotfeest zal plaatsvinden.
De verklede feestvierders hebben inmiddels het gezelschap gekregen van de Chiriguanos en de Mataos, ruiters te paard. Ze dragen een camouflagevacht uit gedroogd gras. Ze draven strijdlustig over het uitgestrekte plein om zich vervolgens in twee groepen op te splitsen. Twee per twee galopperen ze elk om beurt naar het beeld van de heilige maagd Maria, nemen hun hoofddeksel af en bidden voor een goeie afloop van de op til zijnde strijd. Uiteindelijk is het zover. Na de obligate handdruk dagen ze hun tegenstander uit door die te lijf te gaan met een zweep. Tot groot jolijt van de vele kijklustigen slagen sommige ruiters erin hun rivaal uit het zadel te lichten. Het zwiepend geluid gitst de gemoederen op en onder het aanmoedigend gejuich van de omstaanders gaat de strijd onverminderd voort. Wanneer het gevecht dreigt te ontaarden, worden de tegenstanders uiteen gedreven door de hoofdaanvoerders van elke groep. De bekamping verwijst naar een minder vredelievende periode uit de geschiedenis toen twee volksstammen, de Chiriguanos en de Mataos, op voet van oorlog leefden. De tijden zijn gelukkig veranderd en de oorlogsvoering is nu nog slechts puur vermaak. Ook enkele vrouwelijke ruiters werpen zich in de strijd. De amazones beperken hun vaardigheden tot een acte de présence. Rond vijf uur in de vooravond verlaat ik het strijdtoneel. In de verte hoor ik knallende zweepslagen en opstijgende vreugdekreten. Het feest zal hier nog een tijdje duren.
Omdat ik niet nog een tweede dakloze nacht tegemoet wil gaan, neem ik de eerstvolgende bus terug naar Tarija. Morgen reis ik door naar La Paz vanwaaruit ik eindelijk terug op de fiets spring richting Laca Titicaca in Peru.
Slapen tussen clochards en dorpsgekken... |
Bolivië - Entre Rios, 06-10-2007 - (dagboek 52) |
 |
 |
 |
 |
Donkere, potloodgrijze stapelwolken hangen dreigend boven het dorpsplein wanneer ik rond 10 uur ´s morgens mijn hotel verlaat. Het sombere hemeldecor steekt fel af tegen de azuurblauwe tentzeilen die als gedrapeerde vlaggen over de zijstraten hangen. Handelaars zijn er druk in de weer om hun koopwaar uit te stallen, terwijl kooklustige dames kwistig aan de slag gaan met specerijen. Kolossale, zwartgeblakerde kookpotten staan er te pruttelen boven vuurtjes van brandhout. Het typeert andermaal Latijns Amerika: een continent van geuren en kleuren. De zuiderse smaken laat ik aan me voorbijgaan, want mijn beurs laat het helaas niet toe. Ik stil mijn honger met pan dulce en agua. Water en brood, na mijn culinaire verwennerij ten huize van Benjamin Rieder is het even wennen. Ik kuier straat in, straat uit en geniet van de manier hoe verkopers naar de portemonnee dingen van de vele kooplustigen. Kopen en verkopen... Het is in Bolivië een wereld apart.
Rond vijf uur ´s avonds wordt eindelijk het startschot gegeven voor het feestelijk gebeuren. ‘El Virgen de Guadalupe’ wordt onder muzikale begeleiding doorheen de straten van Entre Rios gedragen. Hier en daar last men een halte in. Er wordt gebeden voor een voorspoedig jaar. Mensen, jong en oud, vatten post aan hun voordeur wanneer de processie voorbijkomt. Met oprechte devotie richten ze zich tot de heilige maagd. Na de ingetogen stoet volgt een eucharistieviering. De kerk zit afgeladen vol. De aanbidding van ‘el Virgen de Guadalupe’ refereert naar een periode waarin twee volkstammen (de Chiriguanos en de Mataos) met elkaar oorlog voerden. De verschijning van de Maagd Maria zorgde voor de nodige verzoening.
Geloof en religie worden ook hier afgewisseld met vermaak. Na het religieuze gedeelte barst het feest los onder een regenboog van spetterend vuurwerk. Feestelijke tinten knallen met grote tussenpauzes en kleuren de gitzwarte hemel met fonkelende, vrolijke sterren. Het schouwspel op de begane grond is haast even fascinerend als datgene wat er boven mijn hoofd afspeelt. Zo wordt het vuurwerk afgestoken door een man die al behoorlijk boven zijn theewater is. Ik kijk geamuseerd toe hoe hij de ene sigaret na de andere aansteekt om het lont van elk projectiel aan te kunnen steken. In Bolivië is vuurwerk niet alleen gevaarlijk, maar evenzo ongezond...
Veiligheidsmaatregelen zijn er onbestaande. Op een afstand van nauwelijks drie meter staan mensen er in bosjes toe te kijken. Eenmaal het projectiel is afgeschoten, spurten kinderen naar de bewuste plek om de vaak nog brandende restanten op te rapen. Wanneer in het geharrewar een vuurwerkpijl ei zo na in de handen van één van de jonge snaken ontploft, barst de menigte uit in een lachsalvo. Het spektakel is niet alleen glinsterend, maar evenzo hilarisch. Rond half tien verplaatst het feestgedruis zich naar ‘el campo’, een open vlakte waar naast tribunes ook een podium is opgesteld. Op de affiche staan folkloregroepen uit binnen- en buitenland. Het vuurwerk heeft evenwel de weergoden wakkergeschud, want de hemelsluizen zetten hun poorten wagenwijd open. In een mum van tijd is het plein herschapen tot een modderpoel. De stortregen blijft aanhouden en tot grote teleurstelling van de vele duizenden feestvierders wordt het festijn vroegtijdig afgesloten. Onder een striemende regen ga ik op zoek naar een schuilplaats voor de nacht. Vlakbij de overdekte markt zie ik tientallen mensen schuilen onder een betonnen afdak. Een kruideniersvrouw is net bezig met haar winkeltje te sluiten. Wanneer ze merkt dat ik aanstalten maak om mij te slapen te leggen, stopt ze me wat karton toe. Ik voel me als ‘een cartonero’, een clochard in een huis van karton. Een half uur later heb ik het gezelschap gekregen van enkele lotgenoten. We liggen er als één haveloze familie. Mijn flinterdunne kredietkaart zit evenwel veilig opgeborgen in mijn onderbroek...
Het geluk zit soms in je broekzak, soms... |
Bolivië - Entre Rios, 05-10-2007 - (dagboek 51) |
Als je te lang in grootsteden vertoeft, vergeet je dat het niet overal evident is om zomaar geld uit de muur te halen. Op weg naar Entre Rios, een busrit van vier uur doorheen een heuvelachtig landschap, begin ik argwaan te krijgen. De stoffige aarden weg kronkelt zich in alle bochten en verwijdert zich steeds verder van de bewoonde wereld. Mijn vermoeden wordt bevestigd: in Entre Rios is er geen bankautomaat. Daar sta ik dan... Met een waardeloze Visakaart op zak. Ik kijk beteuterd naar de klinkende 83 pesos (€8,3) in mijn hand. Het centrale dorpsplein telt slechts één lokale bank: ‘abierto de lunes a viernes: 08.00 – 16.00’. Ook de hotels lijken dun gezaaid. Na veel moeite vind ik alsnog een bed voor de nacht. Weliswaar slechts voor één nacht, want het hotel is voor het weekend volledig volgeboekt. Bij het lichtschijnsel van een zwak peerlichtje reken ik m´n benarde financiële toestand uit:
kostprijs hotel: 30 pesos (€3)
kostprijs busticket: 20 pesos (€2)
(terugreis Tarija) + ------------------
50 pesos (€5)
Ik moet welgeteld met 33 pesos (€3,3) het weekend zien te overbruggen: twee overnachtingen en eten incluis. Een onmogelijke opdracht. Het geluk zit soms in je broekzak, zeggen ze. Het is een mooie gedachte om in te slapen, maar of de nacht enig soelaas zal brengen, is wel erg twijfelachtig.
Een tussenfiguur... |
Bolivië - Tarija, 05-10-2007 - (dagboek 50) |
 |
 |
 |
 |
Ik ga mijn derde en laatste dag tegemoet in Tarija. De voorbije dagen heb ik vooral genoten van de gastvrijheid ten huize van Benjamin Rieder of beter gezegd ten huize van zijn schoonouders. Twee dagen voor mijn komst was er immers een stuurloze bus tot stilstand gekomen tegen de voorgevel van zijn huis waardoor hij noodgedwongen met vrouw en kind bij zijn schoonouders logeert. Benjamin is wat je zou kunnen noemen een tussenfiguur; iemand die pendelt tussen het land waar hij woont en werkt en de plek ‘waar zijn navelstreng begraven ligt’. Benjamin ruilde een tweetal jaar geleden zijn vaderland in voor Bolivië. Zijn sabbatjaar tussen twee studies in bracht hem tot in Tarija waar hij verliefd werd op de knappe Evelyne. In die periode vervaagden de contouren van België en kreeg het sprookjesverhaal gestalte door het eeuwig verbond en de geboorte van een prinsenkind, Anaïs. De Europese jachtigheid heeft bij hem plaats gemaakt voor de rustig aan-mentaliteit die Bolivianen zo typeren. Een half jaar geleden heeft hij samen met enkele vrienden een communicatie-consultingbureau opgestart en tussendoor loopt hij nog school. Geregeld pendelt hij nog tussen België en zijn nieuwe thuis en het ziet ernaar uit dat dit de komende jaren niet anders zal zijn. Ik luister naar zijn vrij jong levensverhaal en hoor soms flarden van heimwee. Het besef van dat andere als een gemis of een tekort zal blijvend aan de oppervlakte drijven. Mensen als Benjamin geraken stilaan ontheemd. Ze voelen zich nergens thuis, maar toch ook een beetje overal thuis.
Tarija, op een steenworp van de Argentijnse grens, is met een populatie van bijna 100.000 inwoners zowat de grootste stad van het zuiden. Desalnietemin ademt de stad eerder een gezellige drukte uit. In de talrijke pleinen en parken flaneren de Chapacos (de inwoners van Tarija) als was het elke dag zondag. Ik heb het gevoel in een ander soort Bolivië te zijn terechtgekomen. Gebolhoede dames die leuren met allerlei koopwaar vallen hier niet te bespeuren, evenmin tokkelende kinderen op goedkope, houten speelgoed-charrango´s die op die manier hun steentje bijdragen in het huishoudgeld. Tarija is, net als Santa Cruz, de draaiende motor van Bolivië. Door het gematigd klimaat is er een rijk aanbod aan groenten en fruit en wordt er zelfs rondom de heuvels wijn verbouwd. Kortom: Tarija is de plek bij uitstek om echt vakantie te nemen en te genieten van dingen waar een mens anders niet toe komt, zoals een wedstrijdje voetbal of een verkwikkende zwempartij.
Deze namiddag neem ik de bus richting Entre Rios om er meteen het laatste feest mee te pikken: ‘La fiesta de la Virgen de Guadalupe’. Ik begin stilaan te beseffen dat Bolivianen een zwak hebben voor ‘maagden’…
Een laatste zijsprong... |
Bolivië - La Paz, 01-10-2007 - (dagboek 49) |
Haast en spoed is zelden goed. Bij de update van mijn avontuur in de jungle viel gisteren de stroom uit en ik zag het eerlijk gezegd niet meer zitten om nog een ander internetcafé op te zoeken. Vandaar de nogal warrige indruk en de vele onnauwkeurigheden. Maar goed, ook dit is inmiddels van de baan.
Ondertussen ben ik na een busrit van 20 uur opnieuw aangekomen in La Paz. Mijn kennismaking met het tropisch regenwoud was fascinerend en verrijkend en zal ongetwijfeld navolging kennen in landen als Ecuador, Venezuela, Brazilië en Costa Rica. De voorbije dagen heb ik dan ook heel wat nuttige info verzameld en diverse gedachtengangen neergepend. Kritische beschouwingen over het behoud van het tropisch regenwoud, het op mars zijnde ecotoerisme en de verstrekkende gevolgen op lange termijn; het zijn één voor één boeiende thema´s die uitvoerig aan bod zullen komen in m´n reisboek. Even boeiend, maar van een totaal ander genre, wordt m´n bezoek aan Tarija dat voor morgen gepland is. Daar wil ik niet alleen de Belg, Benjamin Rieder (een vriend van vrienden) opzoeken, maar wil ik tevens ‘la Fiesta de la Virgen de Guadelupe’ meepikken. Tarija ligt op een slordige 1000 km van La Paz, helemaal te zuiden van Bolivia. Het wordt meteen m´n laatste zijsprong per bus.
Rond negen oktober spring ik opnieuw de fiets op, richting het Peruaanse Titicacameer. Het afscheid van Bolivië nadert met rasse schreden. Andermaal heb ik veel langer in eenzelfde land vertoefd dan voorzien, maar ongetwijfeld zal Bolivië in de top drie belanden van de landen waar ik de fijnste herinneringen aan overhou…
Wroeging en spijt: een onafscheidelijk echtpaar... |
Bolivië - La Selva, 27-09-2007 - (dagboek 48) |
 |
 |
 |
 |
Zweetdruppels parelen kleverig op m´n voorhoofd wanneer ik me doorheen het dichte struikgewas een weg baan om de groep bij te benen. Rond mijn lichaam zwermen tientallen soorten insecten. Ik hoor nu eens gezoem, dan eens gebrom. Voorzichtig laveer ik over het te smalle wandelpad, goed uitkijkend waar ik m´n eenenveertigers neerzet. M´n gezichtsveld wordt beperkt tot nauwelijks twintig meter, want overal in het rond staan gigantische boomstammen en reiken felgroene planten tot net boven ooghoogte. Sommige bomen hebben een diameter van vijf of meer meter en slingeren oneindig hoog de hemel in. Hun kruinen vormen een parasol van bladeren waar zonnestralen als diffuse lichtbundels doorheen schijnen. Mijn gedachten dwalen af naar de bühne. Als kleine rakker zet ik m´n eerste passen in het jeugdtoneel onder een sterrenhemel van spots. Acht jaar oud spring ik verkleed als een groene kikker over de houten plankenvloer. M´n eerste kennismaking beperkte zich tot slechts een handvol zinnen. De figurantenrol was evenwel het begin van een nieuwe wereld die voor me openging. Duizenden kilometers van de scène verwijderd en zovele jaren later zie ik mezelf terug tussen het bladgroen van de jungle.
Wolkenflarden komen opzetten en dekken m´n droomwereld toe. Ik hoor m´n naam weergalmen in de jungle. M´n dromerij heeft me net iets te lang doen dralen. Wanneer ik me twee minuten later opnieuw bij de groep aansluit, zie ik hoe onze gids een zoveelste plant aanduidt die z´n nut heeft bewezen in de medische wereld. Hij probeert ons de geheimen van het tropisch regenwoud eigen te maken door te wijzen op het onzichtbare web van interacties waardoor alle organismen met elkaar verbonden zijn. Het is een soort legpuzzel. Des te meer stukken op hun plaats liggen, des te impossanter wordt het beeld. De rijke plantenwereld en de bizarre insecten mogen dan wel hun plaats opeisen in deze fascinerende wereld, ik blijf het moeilijk vinden om m´n waarnemingen te plaatsen in het groter geheel. M´n zintuigen zijn duidelijk niet aangepast aan de groene wereld waar alles op elkaar lijkt. Alleen de woudreuzen met hun kaarsrechte stammen van tientallen meters hoog vormen een herkenbaar decor. Kluwen dikke lianen hangen er als feestslingers bij. Tarzan zou zich hier ongetwijfeld thuis voelen…
Wanneer we na drie uur stappen opnieuw het campement bereiken, blijkt ons groepje van zes aangedikt tot een zevende man. Bryan is afkomstig uit hartje Londen. De voorbije vijf maand was hij met z´n gezin op rondreis doorheen grote delen van Azië en Amerika. Zijn drie kinderen zitten inmiddels terug op de schoolbanken en ook zijn vrouw is opnieuw aan de slag. Hij vond van zichzelf dat hij er nog niet klaar voor was om al terug te keren naar z´n vertrouwde leven en besloot om verder te reizen. Ik luister geboeid naar z´n levensverhaal en ontdek hoe de reis met z´n gezin voor hem een keerpunt is geweest. “Voor het eerst heb ik m´n kinderen echt leren kennen, heb ik ervaren hoe belangrijk een vaderrelatie is en ben ik tot de vaststelling gekomen dat tijd het kostbaarste is wat je je kinderen schenken kan.” In z´n woorden weerklinkt verdriet. Gevoelens van spijt vormen zowat de rode draad in zijn verhaal. “Ik heb tijd nodig om me te herbronnen, een gulden middenweg te vinden tussen werk en gezin.” Zijn managersbaan heeft hij inmiddels vaarwel gezegd. Het is een eerste beslissende stap in de richting van een totaal nieuw leven.
Ons gesprek wordt plots verstoord door een ijzingwekkende gil. Ter hoogte van het sanitaire blok zie ik hoe Katrien, de Duitse toeriste als een speer wegspurt en verschrikt troost zoekt bij haar vriend die zalig schommelend ligt te luieren in één van de hangmatten. Haar spinnenfobie werd zwaar op de proef gesteld, want ze blijkt zowat één van de meest gevreesde spinnen te hebben ontdekt: de tarantula. Terwijl ze van de schrik bekomt, neem ik de gelegenheid te baat om het behaarde exemplaar te digitaliseren.
Na het overvloedige avondmaal is, mede door het voorval, het enthousiasme voor een nachtelijke wandeling geslonken tot slechts twee kandidaten: Michael, de Duitse vriend van Katrien, en mezelf. Gewapend met zaklamp en een dosis scoutsinstinct volgen we onze gids. De dierengeluiden lijken nog indringender en hoe dieper we de jungle instappen, hoe sterker het volume toeneemt. De nachtelijke wandeling heeft iets weg van een dropping. Op een gegeven ogenblik lijken wel tientallen zaklampen in onze richting te schijnen. De felgele lichtbronnen zijn afkomstig van vuurvliegen. Hun ogen weerkaatsen als dansende theelichtjes tussen een muur van groen.
Wanneer we terug het campement bereiken, heeft Bryan een kampvuur aangestoken. Eenzaam zit hij voor zich uit te staren. Doorheen de vlammen van het knetterend brandhout ontwaar ik de contouren van z´n gelaat. In het schemerdonker van het invallende maanlicht zijn de diepe groeven in z´n voorhoofd, de littekens van een jachtig businessleven, haast onmerkbaar en in profiel lijkt hij wel op een jonge padvinder. Vreemd hoe een mens duizenden kilometers van het thuisfront verwijderd opnieuw zijn jeugdidealen terugvindt en tot het besef kan komen dat hij de mooiste jaren van z´n leven heeft opgeofferd aan de mallemolen van de consumptiemaatschappij. De jungle heeft hem een geweten geschopt dat verstrekkende gevolgen zal hebben voor de komende jaren. Gevoelens van medelijden en opluchting borrelen in me op. Medelijden omdat ik zie hoe de man onzichtbaar zijn vuisten balt tot een bolster, alsof hij alsnog de laatste jaren van zijn actief leven wil afschermen en voor geen geld ter wereld nog wil prijsgeven aan de buitenwereld. Maar ik voel ook opluchting wanneer ik mezelf reflecteer. Ik heb gelukkig niet gewacht tot m´n vijftigste en ouder om m´n jeugddroom te realiseren. Wroeging en spijt dansen als een onafscheidelijk echtpaar rond het kampvuur. Ik kijk hen aan, maar hun blikken gaan aan me voorbij. Uit één van z´n ooghoeken zie ik een traan opwellen. Zijn verdriet om wat voorbij is, zal het knagend vuur in z´n ziel niet blussen. De tijd is genadeloos en onomkeerbaar…
Ecotoerisme anno 2007: een vaudeville? |
Bolivië - La Pampa, 25-09-2007 - (dagboek 47) |
 |
 |
 |
 |
Nevelslierten stijgen op uit het bos aan de overzijde van de rivier. Aan de oever zie ik hoe een witbuikreiger met een arendsblik het wateroppervlak afspeurt, zoekend naar een stuurloze vis. Een fluwelen bries deint wiegend mee in de richting van de haast onmerkbare stroming en verdrijft de kilte van de voorbije nacht. Overal om me heen hoor ik hoe de natuur ontwaakt. Het kakofonisch concert lijkt zo repetitief dat je haast zou vermoeden dat Philip Glass hier zijn muzikale stempel heeft doorgedrukt. Ik kom niet verder dan het geluid van een neotropische aalscholver en de kleurrijke roodkuifkardinaal. In de verte hoor ik opnieuw hoe brulapen hun ochendlijke lawaaisessies inzetten. Rond een uur of vijf deden een drietal zwarte brulapen hun naam alle eer aan. Net boven onze lodge hadden ze post gevat in de kruin van een boom. Met een scala aan geluiden communiceerden ze met soortgenoten uit de verre omgeving. De klanken waren zo allesoverheersend dat zowat iedereen wakker werd. Wie in de pampa vertoeft, heeft geen nood aan een wekker…
Rond negen uur is onze zeskoppige groep vertrekkensklaar voor een vier uur durende wandeling doorheen de pampa´s. Het moerasgebied strekt zich uit zover het oog reiken kan. Hier en daar zie ik watervogels elegant over de groene rietstengels scheren. Ze vliegen rakelings voorbij om even later opnieuw te verdwijnen in het dichte struikgewas. In de buurt van enkele kreken vertragen we onze pas, terwijl de gids behoedzaam de omgeving afspeurt. In waterplassen en poelen houden de anaconda's zich meestal schuil. De zoektocht naar ongevaarlijke slangen maakt nu eenmaal deel uit van de tropische excursie. Slangen zijn, net als krokodillen, koudbloedig en verlaten pas hun schuilplaats wanneer de zon hoog aan de hemel staat.
Over de maximale lengte van de anaconda, Zuid-Amerika´s grootste slang, doen vele legenden de ronde. In dagboeken van avonturiers worden lengten beschreven van 10 tot 50 meter. We zullen het de fantasten maar niet kwalijk nemen dat ze -met hun beperkte kennis en de vele legenden die de ronde deden- hun biezen, en niet een liniaal, pakten bij het zien van zo´n kolossale slang. Echte eensgezindheid over de maximale lengte is er niet, maar algemeen wordt aangenomen dat dit varieert van acht tot elf meter.
Zelfs ondanks hun gigantische verschijning blijken we geen geluk te hebben. Net op het moment dat de zoektocht wordt afgeblazen, horen we hoe de gids van de andere groep toch beet heeft. Enkele minuten later gaat de glibberige, driemeter lange anaconda als een trofee van hand tot hand. Lefgozers leggen het dier als een sjaal in hun nek en laten zich uitgebreid fotograferen. Ook ik kan niet aan de toeristische valkuil weerstaan en sta even later te pronken met de slang. Een fotosessie met een anaconda gedrapeerd rond de hals is voor vele backpackers ongetwijfeld een hoogtepunt op hun doorreis door Zuid-Amerika. Ik voel me echter een beetje als Adam die er in het Hof van Eden door een slang wordt ingeluisd…
In de namiddag nemen we plaats op de harde, ongemakkelijke houten bankjes van een kano. De buitenboordmotor overstijgt de natuurlijke geluiden en doet her en der watervogels opschrikken. Ze klapperen hun vleugels breedzwaaiend uit en vliegen sierlijk en laagscherend over de stroom om enkele honderden meters verder met een haast sierlijke buiging opnieuw neer te dalen. Het schouwspel levert enkele prachtige natuurfoto´s op van reigers in volle vlucht. Aan de rand van het water doen een handvol capibara´s zich tegoed aan het malse gras. Ze zijn zowat de grootste knaagdieren ter wereld. Met hun lange vacht en hun grappige snuit zijn het best opvallende gasten in de ‘wildlife’ van de tropische pampa´s. Doordat hun vlees goed smaakt en hun huid tot leer kan worden bewerkt zijn ze voor de jagers hier een gewilde buit. Gelukkig kan een vrouwtje tot acht jongen per jaar werpen, zodat de populatie zich op de meeste plaatsen toch weet te handhaven. Ook alligators zijn hier niet meteen tot uitsterven bedreigd. Zowat overal liggen ze met opengesperde ogen op de loer. Het lijkt wel alsof ze elk ogenblik tot de aanval zullen overgaan. Vredelievender zijn evenwel de Terekay schildpadden. In een rij liggen ze te zonnen op drijvende boomstammen. Wanneer we voorbijvaren, plonzen ze één voor één het water in.
Bij valavond trekken we er nogmaals op uit. Met onze krachtige zaklantaarns zoeken we de oever van de rivier af. In de lichtbundels zien we om de haverklap twee felrode lampjes schijnen. Soms knipperen ze, andere keren verdwijnen ze geruisloos onder water. De gloeiende kooltjes zijn de ogen van alligators die oplichten omdat het netvlies het licht van de lantaarns weerkaatst. Door het verblindende licht slaagt onze gids erin een klein exemplaar te vangen. Triomfantelijk prijkt hij met het argeloze dier boven zijn hoofd, als was het een soort circusattractie. Tropenexcursies balanceren net iets te vaak op de lijn van entertainement en oppervlakkig, goedkoop toerisme. De reisbureaus en de gidsen die dergelijke arrangementen aanbieden staan steeds vaker onder druk. Toeristen willen alsmaar meer waar voor hun geld. Touroperators gedragen zich als circustenten waar lokale gidsen zich omturnen tot clowns die inspelen op de eisen van hun klanten. Ecotoerisme is in vele gevallen een klucht…
Tiwanaku: een aparte wereld... |
Bolivië - Tiwanaku, 21-09-2007 - (dagboek 46) |
 |
 |
 |
 |
De archeologische site ligt er nog slaperig bij wanneer we ons om zes uur ´s morgens naar de hoofdingang begeven. Aan de horizon zie ik hoe de dag verwoede pogingen onderneemt om z´n plaats op te eisen. De lucht kleurt grijsblauw en de temperatuur blijft steken op een schrale twee graden. Ik trek de ritsluiting van mijn fietsjas een paar graden hoger op.
Gisteravond trakteerden de studenten ons nog op een peña folklórica, een bonte avond waar de authentieke muziekcultuur centraal stond. Waar muziek is, wordt er ook gedanst, zeker in Bolivia. Het blijft me trouwens verbazen dat de jongeren zich hier nog kunnen uitleven op traditionele muziek. Techno en hiphop zijn hier nog niet doorgedrongen, gelukkig maar… Het muzikaal dansfeest zal ongetwijfeld tot in de vroege uurtjes hebben geduurd, want de studenten komen slechts druppelsgewijs het administratief gebouw binnengewandeld.
Rond halfzeven is de groep vroege vogels aangedikt tot een 70-tal man. Twee vlaggendragers lopen voorop, met in hun kielzog enkele mannen in typische klederdracht. De dageraad zet z´n eerste passen en hult zich in een geeloranje gloed. Op het uitgestrekte ceremoniële plein, Kalasasaya geheten, danst een mist van licht over de ruïnes van Tiwanaku. De broze lentezon scheert als een lage roofvogel over de monolitische zonnepoort waardoor de ingebeitelde figuren en tekens haast iets sacraals uitstralen. Twee zonnepriesters zijn ondertussen begonnen met het offerritueel, ‘de Inti Jalsu’, naar aanleiding van de intrede van de lente. In rieten manden ligt een allegaartje van vreemde voorwerpen: kleurrijke stukjes plastiek die voor mij vormloze figuren voorstellen, zilverpapier, gouden slingers, cocabladeren en de onontbeerlijke lamafoetus. Onder het uitspreken van rituele gebeden wordt alles in papier gewikkeld en op een brandstapel gelegd. Ze heffen hun armen in de lucht en bidden voor een voorspoedig jaar. Opnieuw wordt er alcohol geofferd voor Pachamama (Moeder Aarde). Kloksgewijs strooi ik eveneens in de richting van de vier windstreken wat alcohol op het vuur. De vlammen schieten als brandende fakkels in de lucht en verdrijven heel even de ochtendlijke kou. Met een vredeshanddruk sluiten we het ceremonieel gebeuren af.
Daarna krijgen we nog een rondleiding op de archeologische site. Tiwanaku (ook wel gespeld als Tiahuanaco) verwijst naar de naam van een pre-Inca volk dat vermoedelijk ca 1500 voor onze jaartelling moet zijn ontstaan. Ze leefden vlakbij het Titicacameer en vormden met 40.000 inwoners op een hoogte van 4000 meter zowat de hoogste hoofdstad van de Oude Wereld. In zijn bloeitijd overheerste het volk zowat de zuidelijke helft van het latere Incarijk, met name Zuid-Peru, Noord-Chili, een flink stuk van Bolivië en een deel van Noord-Argentinië. Het Tiwanakurijk telde waarschijnlijk zo´n miljoen onderdanen. Ze verwierven een sterke machtspositie, mede door hun ingenieuze landbouwtechnieken en hun omvangrijke veestapel. Rituelen waren voor hen heel belangrijk. Niet alleen dieren maar ook mensen
werden geofferd. Condors en slangen zagen ze als de personificaties van de goden. Dieren die dan ook veelvuldig op het aardewerk uit die tijd terug te vinden zijn. Opgravingen hebben delen van een tempel blootgelegd en met enige verbeelding ontwaar ik ook restanten van een piramide.
Naast Pachamama kon ook de zonnegod, Viracocha, rekenen op een uitbundige aanbidding, vooral op het moment dat de zon z´n eerste stralen in de tempel liet schijnen. De centraal opgestelde monoliet die de zonnegod voorstelt, doet me denken aan de reuzegrote beelden op Paaseiland. De zonnegod staat er als een raadselachtige bewaker die angstvallig de geheimen van een bijzonder volk verborgen houdt. Zoals de wijze waarop deze cultuur rond 1200 na Chr. plots ophield te bestaan. Een geschrift hadden de Tiwanaku niet. Men vermoedt dat een langdurige droogte leidde tot chaos, burgeroorlog en epidemieën. De geleerden zijn het er wel over eens dat de Inca´s veel van de ontwikkeling en kennis van dit volk hebben overgenomen. Het grootste feest vindt hier plaats op 21 juni, het feest van de zonnewende. Misschien wel geen slecht idee om mijn trip doorheen Zuid-Amerika hier tijdens het zonnewende-feest af te sluiten…
Morgen vertrek ik naar een heel ander stukje Bolivië, deze keer naar het groene Amazonegebied. Eerst had ik gedacht om er met de fiets naartoe te rijden, maar omdat de weg in zo´n slechte staat is, zal het een busrit worden van 20 uur. Vijf dagen lang de jungle in! Dit wordt ongetwijfeld een beklijvende confrontatie met een weelderige en voor mij onbekende fauna en flora...
Spiegelende puzzelstukken als eb en vloed... |
Bolivië - Tiwanaku, 20-09-2007 - (dagboek 45) |
 |
 |
 |
 |
Om zes uur dertig ‘en punto’ word ik opgehaald door Frederico van de toeristische dienst van La Paz. Ik heb me ingeschreven voor een tweedaagse excursie naar Tiwanaku en omgeving. De uitstap kadert in de seizoensovergang van winter naar lente en is een initiatief van ‘los estudiantes de la Carrera du Turismo Rural de la Universitad Académica Campesina de Tiwanaku. In het mini-busje zit een Boliviaans-Argentijns koppel. Met z´n drieën blijken we, naast een vijftigtal studenten, de enige toeristen te zijn voor de excursie. Een absolute luxe, want naast een privé-chauffeur en een personeelslid van de toeristische dienst, krijgen we op elke plaats die we aandoen een lokale gids toegewezen.
De eerste stopplaats is Laja. De Spanjaarden hadden La Paz oorspronkelijk hier gesitueerd, maar al snel merkten ze dat de nachten er bitterkoud waren. Laja ligt namelijk op de Altiplano, de hoogvlakte van het Andes gebergte. Toen men veertig kilometer verderop een vallei ontdekte die door zijn natuurlijke omgeving was afgeschermd van de grillen van de natuur, verliet men Laja en werd de hoofdstad uitgebouwd waar La Paz momenteel is gevestigd. Het is nog vroeg in de ochtend en het dorpje ontwaakt slechts moeizaam. Desalniettemin werpt de zon reeds lichtbundels warmte af waardoor de symmetrisch gebouwde kerk er nog impressionanter uitziet. Even verderop zie ik een handvol kinderen verstoppertje spelen. Wanneer ik m´n camera bovenhaal, zetten ze hun mooiste gezichtje op. Het levert vertederende beelden op. Na de rondleiding in de kerk krijgen we een rijkelijk ontbijt voorgeschoteld, waarbij we ons tegoed doen aan het plaatselijk gebakken brood. De ronde, platte koeken zijn een lokale specialteit en zijn genoemd naar het dorp: pan de Laja.
Rond half tien zetten we koers naar Lloko Lloko, een mirador op een hoogte van een goeie 4000 meter van waaruit we een schitterend uitzicht krijgen op de lager gelegen Altiplano-vlakte. De excursie is vooral bedoeld om de studenten te wijzen op het belang en behoud van hun eigen cultuur en de daarmee gepaarde gaande tradities. Op de heuveltop worden we dan ook opgewacht door een aantal mannen en vrouwen in traditionele klederdracht. Om de intrede van de lente te vieren, wordt een offer gebracht aan Pachamama (Moeder Aarde). Mannen in ribfluwelen poncho´s laten panfluitklanken weerklinken over de Altiplano. De sfeer is mysterieus en beklijvend. Terwijl alles in gereedheid wordt gebracht voor de offering, spreekt een soort opperpriester getooid in geborduurde gewaden vol Tiwanaku-symbolen de menigte toe. Waarschijnlijk moet hij de menselijke en aardse gedaante van de zonnegod voorstellen. Brandhout wordt aangebracht en offermanden worden samengesteld. Ik zie hoe plastieken gelukbrengers op een deken van cocabladeren worden gelegd. Terwijl het opperpriester enkele gebeden in de eigen Aymara-taal uitspreekt, wordt een gedroogde lama-embryo aan het offerpakket toegevoegd. De muziek zwelt aan en enkele tellen later verschroeien de offergaven onder een vlammenzee. Er volgt een rituele dans waarbij eenieder alcohol en cocabladeren over de brandstapel strooit, in elke uithoek. Dit gebruik zou een verwijzing zijn naar de vier belangrijkste elementen die het voortbestaan op aarde verzekeren: la tierra, el fuego, el agua y el aire (grond, vuur, water en lucht). Het zijn één voor één elementen die verbonden zijn met Pachamama, het symbool van de vruchtbaarheid en de bron van materiële welvaart. In de belevingswereld van de Bolivianen zijn ze diep ingeworteld. De mengeling van mysterie en spiritualiteit te midden van de Boliviaanse hoogvlakte blijft me intrigeren. Als leek probeer ik hun fabelachtige wereld vol symbolen en verwijzingen naar de Inca-beschaving te ontcijferen, maar keer op keer voel ik hoe het geheim angstvallig bewaard blijft tussen de besneeuwde toppen van de Andes. Ik laat me meevoeren op hun reis terug in de tijd, maar stel vast dat ik niet voorbij de zijlijn kom en dat hun universele waarden en gebruiken ondoorgrondelijk blijven…
Na het ceremonieel gebeuren gaat de tocht verder richting Guaqui, daar waar het vasteland overgaat in het lazuursteenblauw van het Titicacameer. We schepen in voor een boottocht en een muzikaal feestbuffet. De typische lokale gerechten ogen kleurrijk en gezond, maar ik speel op veilig en beperk m´n bordschikking tot een garnituur van ingrediënten die me min of meer bekend voorkomen. De in poncho getooide muzikanten hebben ons gezelschap vervoegd en toveren na de maaltijd het middendek om tot een balzaal. Een gebolhoede dame vraagt me ten dans. Een verzoek dat ik moeilijk kan afslaan.
Een half uur later zoek ik de koelte op aan het bovenste dek. De zonnestralen weerkaatsen op het wateroppervlak en miljoenen diamantjes glinsteren tot zover het oog reiken kan. Ik tuur over de eindeloze watermassa en hoor hoe de muzikanten het ritme opdrijven. De sereenheid van het meer en de ophitsende muziek vormen een wereld van verschil, maar dobberend te midden van het heuvelachtig landschap versmelten beiden tot één ontroerende emotie. Eén jaar reeds onderweg, een jaar van intens geluk om zoveel schoonheid, om zoveel onverwachte gebeurtenissen en hartverwarmende ontmoetingen. Ik buig over de reling en zie m´n evenbeeld weerspiegelen als een mozaïek van glasscherven. De puzzelstukken bollen op als eb en vloed tot een herkenbaar beeld. Het reizen heeft me in vele opzichten veranderd, maar bovenal heeft het me de schoonheid van het leven en de liefde leren herontdekken. Uit mijn rechter broekzak haal ik enkele verkruimelde cocabladeren tevoorschijn. Enkele ogenblikken later drijven ze in m´n spiegelbeeld en dansen ze veilig te midden van een fonkelend tapijt. Het is mijn manier om Pachamama te bedanken voor wat geweest is en komen zal…
Vogelvrij verklaard... |
Bolivië - La Paz, 18-09-2007 - (dagboek 44) |
 |
 |
Laat mij maar meteen met de deur in huis vallen en alle twijfels uit de wereld helpen: ik ben vogelvrij verklaard. Zowel het bloed- als het cardiologisch onderzoek hebben niks abnormaals aangetoond. Het vrij lage hartritme is ongetwijfeld te verklaren door m´n hoge sportprestatie van het voorbije jaar. Toen de arts opmerkte dat ik van België afkomstig was, wist hij me zelfs te vertellen dat Eddy Merckx in z´n topperiode een hartslag had van 52. Met 48 slagen per minuut zou ik hem in de sprint wellicht hebben verslaan...
Naar de oorzaak van m´n duizeligheid tast men een beetje in het duister, maar vermoedelijk zou het te wijten zijn aan een combinatie van factoren: de zware fietsinspanningen, de niet geringe hoogte en mijn eenzijdige voeding. Ik zal in de toekomst wat meer fruit in m´n fietstassen stoppen en de versnelling een tandje lager zetten wanneer ik me weer eens op een hoogte van 4000 meter bevind.
De voorbije dagen heb ik m´n ontdekkingstocht doorheen La Paz verder gezet, met als hoogtepunt het bezoek aan Padre Juan. Deze Brusselaar woont reeds 25 jaar in Bolivië; een land waar hij vooral zijn kinderhart heeft verloren. Als priester kwam hij in Potosí nauw in contact met de mineros en hun familie. Hij stelde vast dat vele mijnwerkerskinderen niet of nauwelijks naar school gingen. Daarenboven doolden diegene die school liepen vaak uren langs de straat, want een schooldag telt hier maar een halve dag. Hij besloot dan ook een project op te starten, ‘Nidelbarmi’ (Niños del barios de los mineros), om de kinderen weg te halen van de straat en hen op een zeer pedagogische manier te onderwijzen. ‘Al spelend leren’ werd zowat het uithangbord van Nidelbarmi. Hij zocht naar nieuwe leermethoden en vond een gedreven pedagoge die meteen gewonnen was voor de bijzondere aanpak. Het succesverhaal beperkte zich niet tot Potosí, maar breidde zich tevens uit tot de hoofdstad. Dagelijks vinden zowat 1300 kinderen de weg naar Nidelbarmi. Omdat pedagogisch materiaal ontzettend duur is, werd enkele jaren terug een eigen atelier opgestart. Zelfs op een leeftijd van 79 jaar blijft Padre Juan koortsachtig zoeken naar nieuwe leermethoden die dan worden uitgewerkt in z´n atelier in La Paz. De aanpak is zo vernieuwend en het pedagogisch materiaal zo inventief dat er meer en meer interesse is ontstaan uit de onderwijswereld om het materiaal aan te kopen. Het project zit momenteel in de startfase van een commercieel succes en zou wellicht het voortbestaan kunnen verzekeren van Nidelbarmi. Momenteel zijn er om en bij de 45 personeelsleden werkzaam in de verschillende centra. Hun lonen betaalt Padre Juan eigenhandig met de maandelijkse rente uit de erfenis van zijn ouders. De andere kosten worden gedekt door buitenlandse fondsen.
Tijdens het boeiend gesprek voel ik hoe hij met enige angst de toekomst tegemoet ziet. “Je suis devenu trop vieux pour tout diriger. Il me faut un remplaçant, quelqu´un qui peut prendre la responsabilité du projet.” Met een ondeugende blik kijkt hij me aan en zegt: “Quelqu´un comme vous par exemple...” Ik zit er wat perplex bij, niet goed wetend wat ik moet aanvangen met zo´n voorstel. Een tiental maanden geleden had ik wellicht volmondig 'ja' gezegd. Het lijkt me een boeiende, verrijkende opdracht die ik met veel inzet en hartstocht zou verderzetten voor een jaar of twee, misschien wel langer... Maar mijn zwerversbestaan heeft de band met België niet volledig doorgeknipt, daar zit mijn nieuwe geliefde voor tussen. Ik kan alleen maar hopen dat Padre Juan een opvolger vindt met dezelfde idealen en dezelfde gedrevenheid...
La Paz: één grote openluchtmarkt... |
Bolivië - La Paz, 16-09-2007 - (dagboek 43) |
 |
 |
 |
 |
De verplichte rust heeft me al enkele dagen de kans gegeven om La Paz te verkennen. Toch blijft de wirwar van straten en steegjes vaak een ondoorgrondelijk kluwen. Telkens wanneer ik me naar het centrum begeef, overvalt de drukte me keer op keer. Minibusjes en taxi´s wriemelen zich doorheen de mensenmassa. Naast de ontelbare kraampjes leuren nog eens honderden straatventers met alles wat maar enigszins verkocht kan worden. Om de haverklap steken bejaarde vrouwen me hun vuilgrijze hoed of een plastieken bekertje bedelend toe of roepen gebivakeerde schoenpoesters, me wijzend naar m´n schoenen, “moreno, moreno”. Ze verbergen hun gezicht uit schaamte voor de wijze waarop ze moeten overleven in deze grootstad. Leven, maar vooral overleven is een dagelijkse strijd voor de vele gelukzoekers die uit alle streken van het uitgestrekte Bolivië komen toestromen. In deze miljoenenstad gonst het dan ook van bedrijvigheid, dag en nacht. Driehonderdzestig graden in het rond hoor ik verkopers hun waren aanprijzen. Op elke straathoek, vanuit het openstaande raampje van een minibus schreeuwen jonge knapen in een ijltempo een resem straatnamen, gevolgd door de prijs van de rit, tussen de 1 à 2 bolli´s (0,1 tot 0,2 euro). Het zijn marktkramers op vier wielen...
Agenten proberen de verkeerschaos in goeie banen te leiden. Her en der worden ze geholpen door jonge gasten verkleed als zebra´s, die de mensen proberen aan te manen om niet tussen het verkeer te lopen, maar gebruik te maken van het zebrapad. Het spitsvondig idee heeft al lang aan kracht ingeboet, want de zebra´s hebben inmiddels het gezelschap gekregen van een ezel...
Het dagdagelijkse leven speelt hier eens te meer op straat af, waarbij La Plaza San Francisco met z´n gelijknamige barokke kerk zowat het epicentrum vormt. Op het grote, zonovergoten plein valt er altijd wel iets te beleven of te zien. Toeristen en Bolivianen strijken er neer om wat op adem te komen. Ze kijken naar de oneindig lange stroom voertuigen die voorbijrijden op de brede hoofdstraat, ‘El Prado’. Deze aorta van La Paz snijdt het centrum van noord naar zuid in twee delen. Ten oosten ervan ligt het oude en mooie stadsgedeelte. De bekendste straat, Sagarnaga, bevindt zich vlak naast La Plaza San Francisco. Deze kasseistenen straat wordt aan weerszijden geflankeerd door reisbureaus en artisanale winkeltjes. De Fjäll Raven broeken en Gore-Tex schoenen flaneren moeizaam de steile helling op en slaan steevast rechtsaf. De zijstraat Linares staat immers te boek gesteld in elke reisgids als ‘heksenstraat’. Je treft er niet alleen gedroogde embryo´s van lammetjes aan, maar evenzo allerlei obscure dingen om zogenaamde boze geesten uit je huis te verdrijven. Wanneer ik net iets te lang alle curiositeiten van een kraampje observeer, vraagt een gebolhoede verkoopster of ik geen interesse heb voor een amulet. “Por todas problemas, tengo una solución! Por la salud, la inteligencia, el amor, la suerte,...” Ik twijfel even. Een amulet om steeds het geluk aan mijn kant te hebben... Ach, ik fiets reeds een jaar rond met een zilveren condor om m´n hals en een ‘Lucky Travel Bag’ met beschermende en gelukbrengende edelsteentjes in m´n broekzak. Er kan mij al lang niks meer overkomen...
Sommige straten tellen wel honderd trappen, zoals ‘Santivanez’ dat uitkomt op de grote winkelstraat ‘Buenos Aires’. Een halve dag loop ik er rond, struinend van de ene zijstraat in de andere. Elke straat heeft zo z´n eigen specialiteit. Zo zijn er straten waar je enkel de kleurrijke, brede rokken kunt kopen die de ‘cholas’ zo graag dragen. Andere straten lijken dan weer één gigantisch speelgoedparadijs. Ouders die liever geen jengelende en zeurende kinderen willen huiswaarts nemen, vermijden beter deze buurt. Vegetariërs op hun beurt maken dan best weer een ommetje wanneer ze in de buurt komen van ‘Manuypata’. Half in het bloed gedrenkte vleesbrokken liggen er te bakken in de zon. De aanblik en de pregnante geur van ingewanden doen me heel even kokhalzen. Ik denk dat ik voortaan wat meer vis zal eten...
In deze buurt wordt ook de zogenaamde ‘Thanta Kathou’ gehouden; een markt waar gestolen spullen voor een prijsje aan de man worden gebracht. De plaats van de heling wisselt voortdurend, maar mocht m´n fiets in La Paz ooit gestolen worden, dan weet ik alvast waar ik ongeveer moet gaan zoeken...
Medisch onderzoek... |
Bolivië - La Paz, 14-09-2007 - (dagboek 42) |
Ik ontwaak in gesteven wit met op de achtergrond het geluid van druppelende serum. Doorheen de brede ramen zie ik hoe een nieuwe morgen ontwaakt, schoorvoetend... De voorbije nacht heb ik niet echt veel geslapen. Zowat om de twee uur kwam men m´n bloeddruk meten en in het holst van de nacht vond de ‘transistorman’ er niks beter op om een dweiltje te slaan. Uit z´n radiootje klonk de opwindende stem van een voetbalreporter à la Rik de Saedeleer.
Nauwelijks terug ingedommeld, word ik alweer gewekt, ditmaal door de ‘weegschaalman’. Opnieuw floepen de lichten aan. Op bevel moeten we een ochtendlijk plasje maken om vervolgens één voor één op de mobiele weegschaal te gaan staan. Mijn wekker wijst zes uur...
Mijn gedachten dwalen af naar het medisch onderzoek op school. Ik zie me nog aanschuiven in de ongezellige, halfverlichte gang. Blootvoets op het bruine, geribbelde tapijt, rillend van de kou of was het eerder omdat ik me onbehaaglijk voelde, halfnaakt tussen de andere klasgenoten? Het obligate plasje, het eenogig aflezen van het verlichte alfabet, de gehoortest, ... De meesten vonden het natuurlijk leuk, liever op de weegschaal dan rekenen op het programma. Ik heb er evenwel nooit van gehouden...
Rond half zeven is er van slapen helemaal geen sprake meer. Een defilé van personen loopt in en uit: de koffiedame, de verpleegster, de schoonmaakploeg en tot slot de dokter, ... Zelden zoveel bezoek gekregen. Rond de middag mag ik het ziekenhuis verlaten. Voor de resultaten van het onderzoek is het afwachten tot maandag. Op de terugweg naar de hostal loop ik nog even langs bij ‘la Clinica Alemana’. Volgens het bloedonderzoek ben ik kerngezond. Duimen maar dat ook het cariologisch onderzoek me terug ‘vogelvrij’ verklaart...
Slapend tussen de helden van Walt Disney... |
Bolivië - La Paz, 13-09-2007 - (dagboek 41) |
 |
 |
Een ziekenhuisopname is in een niet-Westers land toch altijd een beetje anders. Zo werd de geplande opname van 11 september met twee dagen uitgesteld. De secretaresse had m´n naam blijkbaar niet op de planning gezet en zo werd 1 jaar zwervend bestaan dan toch nog feestelijke afgesloten. Bureaucratie en de ermee gepaard gaande trip van het kastje naar de muur maakt ook hier blijkbaar deel uit van de ontvangst in het ziekenhuis. Het duurt een eeuwigheid voor alle nodige papieren zijn ingevuld en uiteindelijk word ik pas tegen de middag -voorzien van de nodige elektroden om gedurende 24 uur mijn hartritme te controleren- naar de kamer gebracht, sala 2, cama 8. Zit ik wel op de juiste afdeling? Want de in lichtblauw geschilderde muren zijn opgefleurd met Walt Disney-figuren zoals Woody Woodpecker, Tom & Jerry, Donald Duck en Micky Mouse. Frivole en kleurrijke tekeningen die een wereld van verschil vormen met m´n twee kamergenoten. Ze moeten beiden rond de zestig jaar schommelen. Op het gerochel en de zware ademhaling na, vertonen ze niet bepaald een levenslustige uitdrukking. Er zal hier vanavond geen party gevierd worden, zoveel is duidelijk. Maar een mens moet steeds hoopvol zijn. De slaapzaal telt immers zes bedden...
Het toilet bevindt zich op de gang en zoals overal in Bolivië word je geacht om toiletpapier op zak te hebben, een beetje zoals een gsm in de Westerse landen. Voor het eerst op m´n lange zwerftocht heb ik betaald voor volpension, maar de geserveerde maaltijden kunnen niet echt tippen aan de gastronomische kwaliteit van ‘La Casa Colonial’ waar ik de voorbije dagen zowat vaste klant ben geworden. Het bestek beperkt zich hier trouwens tot een soeplepel. Met het nodige geduld en inventiviteit blijkt zelfs een lepel geschikt om kip mee te snijden. Na de maaltijd komt de klusjesman langs met een plasticzakje. In de rechterzak van z´n stofjas weerklinkt een transistorradiootje. Op panfluittonen worden de kipperestjes discreet meegenomen...
Het eten mag dan wel wat tegenvallen, het panoramisch uitzicht maakt evenwel veel goed. Zittend in mijn bed zie ik de flanken van ‘El Alto’, een soort gigantische arena die tot aan de rand is volgebouwd met lage huizen en waar de arme indianenbevolking woont. De schrale namiddagzon verleidt me zelfs heel even om met m´n dreadlocks aan draden het ruime balkon op te zoeken en te genieten van wat frisse lucht. Bij valavond krijgt het ‘El Alto’-decor een haast feeërieke uitstraling. Duizenden oranjekleurige lichtjes klimmen feestelijk tot aan de heuveltop en vormen een schril contrast met de koele, TL-verlichting die de kamer vult met een irriterend gezoem. Nu ja, het is eens iets anders en geef toe, wie kan er zeggen dat hij in La Paz is ingedommeld tussen de helden van Walt Disney?
Eén jaar zwervend bestaan: een keerpunt... |
Bolivië - La Paz, 11-09-2007 - (dagboek 40) |
 |
 |
Verjaardagen... In de geschiedenis hebben mensen duizend-en-één herdenkingen bedacht. De ene al vredelievender dan de andere. In familieverband beperkt zich dat veelal tot geboorte, huwelijk, de aankoop van een huis, de start van een nieuwe job,... De viering van één jaar zwervend bestaan is slechts voor weinigen weggelegd. Het vergt nu eenmaal moed en doorzettingsvermogen. Maar bovenal gaat er een proces van wikken en wegen aan vooraf, van twijfel en onzekerheid en van vele slapeloze nachten. Een streep trekken onder de dagdagelijkse levensgang is geen sinecure. Je weet wat er voor die lijn ligt, maar allesbehalve wat erachter komt. Het vertrouwde geeft ons zekerheid, een houvast. Wellicht is dat de reden waarom het voor de meesten tot een droom blijft.
Twaalf maanden lang leef ik reeds van moment tot moment, van uur tot uur, van dag tot dag. Het reisschema is nu eens vaag, dan weer concreet. De route die ik uitstippel verandert voortdurend en dat maakt het precies ook zo boeiend. Het geeft je de zekerheid en het constante gevoel dat de blik waarmee je naar de wereld kijkt, voor altijd aan het veranderen is. Door het reizen wordt je referentiekader ook veel groter. Doordat elke plaats iets nieuws in je prikkelt, ontdek je ook steeds meer van jezelf. Je ontmoet als reiziger voortdurend grenzen: geografische, maar evenzo economische, culturele en psychologische. Je balanceert vaak tussen twee werelden en je tracht er een realistisch beeld uit te destilleren. Je zoekt en tast af, je observeert en nuanceert, je minimaliseert en optimaliseert... Dat de fiets als vervoermiddel daar een belangrijke rol in speelt, heb ik al vaak aan den lijve ondervonden. Het stelt je in staat om de grens te ontdekken tussen schijn en werkelijkheid, tussen moderniteit en traditie, tussen volksverlakkerij en authenticiteit.
Een jaar lang heb ik nauwgezet deze verrijkende confrontatie in woord en beeld proberen weer te geven via deze website. Uit de vele honderden mails heb ik vaak kunnen afleiden dat ik niet alleen reisde, maar op de voet gevolgd werd door vele, vele mensen; bekenden en totaal onbekenden. Het gaf me vaak de impuls om ermee door te gaan. Alles kent evenwel zijn prijs. De veelal ellenlange dagboekverslagen en honderden foto´s noodzaakten me vaak om langer op eenzelfde plaats te blijven, ten einde de belevenissen van de voorbije week online te kunnen zetten. Het gaf me meer dan eens het gevoel een ‘internet reizende’ verdwaalde zwerver te zijn. Ik betrapte me er meermaals op dat ik bij het binnenfietsen in een dorp of stad eerst rondkeek of er een internetcafé in de buurt was, zonder zelfs maar oog te hebben voor de eigenheid van de bewuste plaats. Het gaf me het gevoel dat ik vergat te reizen. Ik leek mijn doel, het ongedwongen reizen, voorbij te surfen.
Na één jaar zwervend bestaan heb ik dan ook besloten om terug te keren naar de essentie van m´n reis; met name om opnieuw de tijd te nemen om op zoek te gaan naar die ene verre streep, om te kijken naar de einder, de lijn die horizon heet. Opdat m´n rusteloze ziel verder zou dwalen, verweg van de virtuele snelweg die soms dagelijks werd bereden. De dagboekverslagen zullen bijgevolg beknopter worden, de fotoreeksen minder uitgebreid. Enerzijds omwille van de bovenvermelde reden, maar anderzijds omdat het uitgeven van een boek omtrent mijn avontuurlijke zwerftocht zijn doel zou voorbijschieten. Waarom nog een boek kopen als alles al in ´t lang en ´t breed online staat? Een boek moet blijven verrassen en geen flauw afkooksel zijn van wat men al lang weet. Daarenboven is het de bedoeling om, eenmaal terug thuis, op de boer te gaan met een reportage onder de titel ‘poetische, muzikale omzwerving doorheen Zuid- en Midden-Amerika’. Als ik nu al alles prijs geef, wie zal er dan nog komen opdagen? Vandaar... Dat het bezoekersaantal ongetwijfeld zal dalen, moet ik er dan maar bijnemen. Wat betekent trouwens populariteit? Weerspiegelt zich dat in cijfers en getallen? Ach, het bijzonderste is dat een mens gelukkig is, volmaakt gelukkig. Door me iets minder een internettende reiziger te voelen, zal dat geluk alleen maar volmaakter worden en zal u, beste lezer, tenminste geen lauwe koffie hoeven te drinken na het lezen van de ellenlange dagboekverslagen. Maar wees gerust, de website zal u nog steeds de kans geven om een blik te werpen op andere culturen en een boeiend zwerversleven.... Beloofd!
Eén jaar zwervend bestaan in mineur... |
Bolivië - La Paz, 09-09-2007 - (dagboek 39) |
 |
 |
Inmiddels ben ik aangekomen in La Paz, de officiële hoofdstad van Bolivië en meteen ook de hoogste hoofdstad ter wereld. La Paz ligt ingebed in een soort cañon en zou je gemakkelijk kunnen opsplitsen in twee delen: een lager en een hoger gedeelte, trapsgewijs gebouwd tegen de flanken van de omringende heuvels. Helemaal bovenaan, op zo´n hoogte van 4000 meter, woont de arme indianenbevolking. Daar, op de zogenaamde ‘El Alto’, is het klimatologisch gezien ettelijke graden kouder dan in het lager gedeelte (3000 m) waar voornamelijk de meer gegoede burgerij woont.
La Paz kreunt onder de droeve sfeer die haast elke Zuidamerikaanse grootstad uitademt. Ze telt bijna twee miljoen inwoners en heeft vaak iets weg van een kakelbonte, lawaaierige en overdrukke heksenketel waar eenieder op zijn manier probeert te overleven. Mijn allereerste indruk is er één van complete chaos. Maar zonder twijfel zal dit beeld de komende dagen genuanceerder worden. Want een stad moet je stapsgewijs en hier misschien wel letterlijk trapsgewijs leren ontdekken.. Dat ik daartoe alle tijd zal hebben, werd me meteen duidelijk toen ik langsging bij ‘la Clinica Alemana’. Daar hebben ze vastgesteld dat ik een uitermate lage hartslag heb en de thorax-foto toonde een uitzetting van de linkerzijde van mijn hart. De langzame hartslag zou wellicht de oorzaak zijn van mijn duizeligheid omdat de zuurstof in de bloedsomloop te traag m'n hersenen bereikt. De cardioloog heeft me daarom aangeraden om minstens één week volledige rust in te lassen. Hij wil ook nog enkele bijkomende onderzoeken verrichten waarbij ik me laat opnemen voor een observatie van 24 uur. Welgerekend op 11 september! Mijn éénjarig zwervend bestaan zal niet bepaald feestelijk verlopen...
De crisis voorbij... |
Bolivië - Caracollo, 04-09-2007 - (dagboek 38) |
 |
 |
De crisis lijkt voorbij. Heel even had ik gevreesd voor een verplichte ziekenhuisopname, maar de situatie stabiliseert zich en ook mijn eetlust keert langzaam terug. Ondertussen zit ik terug op de fiets, na een hartelijk afscheid met de gastvrije familie in Japo. Terwijl ik me moeizaam naar boven hijs, druk ik de wens uit dat de kinderen van het arme gezin een beter bestaan zullen leiden dan waarin ze opgroeien.
Ik ben onderweg voor een laatste etappe met als hoogste punt ‘La Cumbre’ (4496 meter). Op bepaalde plaatsen heb ik het gevoel dat ik haast over de wolken fiets. Het landschap is enig mooi. Kale, afgeronde bergtoppen ontwaken in het prille zonlicht en lijken zo binnen handbereik. In de verte zie ik hoe stapelwolken boven de bergtoppen drijven. De wind waait de geur van regen het dal in. Maar met de nakende afdaling zal ik de mogelijke regenbui ongetwijfeld schaakmat kunnen zetten. Hier en daar zie ik adobehuisjes. Wat bezielt een mens toch om zich in zo´n uithoek te gaan vestigen, mijlenver weg van de beschaving? Nu ja, zoiets kan men zich ook afvragen van een verdwaalde zwerver. Wat bezielt een jonge gast om duizenden kilometers van zijn geboorteland te gaan fietsen in een onherbergzaam gebied? Ach, noem het maar de drang naar de horizon, de zoektocht naar de reden van het bestaan...
Op de top ontmoet ik een man van middelbare leeftijd die doelloos voor zich uit staart. Hij is getooid in traditionele klederdracht: een geborduurd felgroen jasje en een lichtbruine bolhoed. Wanneer ik vraag of ik hem mag digitaliseren, stelt hij voor om de rollen om te keren. Ik trek zijn jasje aan en zet z´n hoed op. Als een beroepsfotograaf vereeuwigt hij me. Ongetwijfeld is het de eerste keer in z´n leven dat de man een digitale spiegelreflexcamera in z´n handen houdt. Na de beklimming volgt een verdiende, lange afdaling en rond twee uur in de namiddag bereik ik Caracollo, een middelgrote stad. De ideale plaats om even op krachten te komen. Na drie dagen van ontbeering lijkt zelfs het krappe, muffe slaapkamertje in het hotel ‘Panamericana’ op een koninklijke suite. Luxe... het is en blijft een relatief begrip.
Schrijnende armoede... |
Bolivië - Japo, 03-09-2007 - (dagboek 37) |
De bussen die met de regelmaat van de klok halt houden om reizigers in en uit te laten stappen, zijn geen schoolbussen, maar lange afstandsbussen. In het kleine dorpje Bombeo is er geen school. Ik zie hoe een handvol kinderen naar de bussen toerennen. Ze leuren met snoepgoed en roepen opgewekt “Caramelo, caramelo…” De straat is hun school…
M`n afdwalende gedachten worden opnieuw verstoord door een zoveelste buikkramp. Mijn verhoogde dosis medicijnen heeft zijn uitwerking niet gemist, maar nog steeds voel ik me belabberd en allesbehalve fit genoeg om terug op de trappers te staan. La Paz ligt nog een goeie 350 km verwijderd. De bus lonkt, maar ik wil mezelf nog een laatste kans geven. Rond negen uur ´s morgens vat ik opnieuw m´n tocht aan. De weg blijft stijgen, onverminderd. De reuzegrote elektriciteitsmasten vormen als het ware ankerpunten die de hoogteverschillen in het landschap aangeven. Hun roerloze aanblik doet me vaak duizelen. Vrachtwagens en bussen vervolgen hun weg op een slakkengang en kruipen langzaam aan me voorbij. Mijn buikloop is afgenomen, maar ik voel hoe mijn lichaam blijft sputteren en vaak moet ik minutenlang aan de kant van de weg op adem komen. Alle energiestoffen zijn opgebrand en mijn spieren snakken naar voedsel. Met enig argwaan bestel ik in een wegrestaurant ‘el menu del día’: pollo con arroz. De kippebout drijft in een waterachtige, pikante en oranjekleurige soep en ringvormige pasta zwemt er tussen een torentje sneeuwwitte rijst. Met lange tanden werk ik met moeite de helft van mijn bord naar binnen. Hopelijk heb ik voldoende proteïnen binnen om de tocht verder te zetten. De weg kronkelt zich onverstoord verder de hoogte in. Met een gemiddelde snelheid van 4 km/u fiets ik rond zes uur ´s avonds het dorpje Japo binnen. Ik heb welgeteld 38 km haast onafgebroken geklommen en mijn hoogtemeter wijst inmiddels 4200 meter aan. Het is ijzig koud en de gierende wind fluit als een koudegolf doorheen mijn winterjas, muts en handschoenen.
Het dorpje telt met moeite 200 zielen. Ook al ken ik reeds het antwoord, toch vraag ik aan een 16-jarige jongen of er ergens een slaapgelegenheid is. Hij schudt zelfverzekerd zijn hoofd, maar nodigt me uit bij hem thuis. In de hoek van de woonkamer staat een bed, twee banken met een paar houten planken. Vuilnis allerhande ligt er als laminaat over de vloer verspreid. Aan de muur hangen uitgescheurde kalenderposters van het jaar 2004. Op een wankel tafeltje speelt een kleurentelevisie ‘Schwarzenegger’. Grote nieuwsgierige ogen kijken me aan. Het gezin telt vijf kinderen, allen tussen de leeftijd van 3 tot 16 jaar oud. De vader, een haast tandeloze man met een getaand en vermoeid gezicht, is duidelijk opgetogen met de onverwachte gast. Hij staart eindeloos lang en haast sprakeloos naar mijn fiets. Hij vraagt over alles en nog wat de prijs. Ik verminder bewust de waarde met drie vierden. Ook over de prijs van m’n pas aangekochte charango (een mini-gitaar) lieg ik schromelijk. Het professionele muziekinstrument kost naar Boliviaanse normen bijna drie maandlonen. De man moet ooit een goeie muzikant geweest zijn, want moeiteloos tovert hij er de mooiste klanken uit. Zijn ogen lichten op van geluk en heimwee. Wanneer ik ´s avonds laat m´n matje uitrol en de warmte opzoek van m´n donzen slaapzak, zie ik hoe hij zich nestelt in het haveloze bed in de hoek van de kamer. Het bed deelt hij met z´n 10-jarige zoon. Naast mij liggen de andere gezinsleden op jutten zakken en gewikkeld in dunne dekens. De schrijnende armoede wordt hier niet weggemoffeld. Ik schaam me diep voor zoveel gastvrijheid…
De eerste schooldag... |
Bolivië - 03-09-2007 - (dagboek 36) |
Als sip kijkende peuter tuur je wat verwarrend over die grote, betegelde speelplaats vol jengelende kinderen. Je klampt de vertrouwde rechterhand wat steviger vast en je twee bange oogjes richten zich angstvallig naar je laatste houvast. Je hebt er zo vaak over horen vertellen, over die grote school, de eerste schooldag. Het leek haast een verjaardagsfeest, maar alles lijkt zo anders. De speelkameraden zijn veelal drie koppen groter, de speelplaats lijkt allesbehalve op een knuffelhoek en de schooljuf met haar doordringende parfum lijkt wel op strenge tante Esmarelda. Tranen wellen op en wanneer de schoolbel rinkelt, wil je maar één ding: terug de auto in, terug naar huis. Neergehurkt worden je tranen weggeveegd, worden je troostende woorden toegefluisterd en krijg je een stevig pakkerd als tijdelijk afscheid. Dag mam, dag pap…
De eerste schooldag valt hier niet op de 1ste maandag van september, maar rond 20 februari. Op de grote steden na, is er geen kleuterschool en ligt de school vaak op uren loopafstand. Er is geen grote speelplaats en de schooljuf ruikt niet naar parfum. Kinderen worden niet per auto afgezet aan de grote schoolpoort en evenmin kunnen ze troost zoeken bij moeke of va. Neen, als ze al het geluk hebben om naar school te kunnen gaan, stappen ze mee aan de hand van grote broer of zus. School is hier voor velen evenwel een vaag begrip, want thuis is er zoveel te doen en zijn helpende handen (zelfs hele kleine) meer dan welkom. Het harde werk op het land of het hoeden van geiten in de bergen is voor vele Boliviaanse kinderen de enige leerschool op weg naar morgen. De eerste schooldag… het is een wereld van verschil.
Kritieke gezondheidstoestand... |
Bolivië - Bombeo, 02-09-2007 - (dagboek 35) |
 |
 |
Ik ben er niet helemaal gerust in. Sinds m´n vertrek uit Uyuni sukkel ik met m´n gezondheid. Niet zozeer de aanslepende verkoudheid baart me zorgen, maar wel de toenemende duizeligheid. Gisteren moest ik mij nog tot tweemaal toe ergens gaan neerzetten, omdat ik andermaal ei zo na het bewustzijn verloor. Sinds enkele dagen heb ik bovendien last van buikloop en braakneigingen. Aanvankelijk vreesde ik geveld te zijn door soroche (hoogteziekte), maar daar ik me slechts op 2300 meter hoogte bevind, is deze diagnose nagenoeg uitgesloten. Maar dat er iets grondig mis is, lijkt me stilaan duidelijk. Ik twijfelde zelfs vrij lang of ik niet beter per bus naar La Paz zou trekken. Uiteindelijk heb ik toch geopteerd voor de fiets. In ieder geval zal ik me bij aankomst eens grondig laten onderzoeken.
Tref ik het niet met mijn gezondheid, dan tref ik het wel inzake de verkeersdrukte. Wanneer ik het hotel verlaat, merk ik dat het anders zo drukke Cochabamba volledig verkeersvrij is. Elke eerste zondag van september is het autoloze zondag. Fietsers en voetgangers domineren het straatbeeld en zelfs de drierijstrokenbaan naar Quillacollo is volledig afgesloten voor gemotoriseerde voertuigen. Een echte luxe!
De eerste vijfendertig kilometer vlotten bijzonder goed. Ik voel me niet echt in topvorm, maar de weg is geasfalteerd en vrij vlak. Rond twee uur in de namiddag lijkt het tij te keren. De weg slingert zich als een lint doorheen het gebergte en evenredig met de stijgende hoogte nemen ook de buikkrampen toe. Op een bepaald moment vertoef ik meer in de bosjes dan op de fiets. Het is net alsof ik achterwaarts plas en steeds meer voel ik mijn krachten wegkwijnen. Drie uur later fiets ik een zoveelste onbeduidend dorpje binnen. Een slaapgelegenheid blijkt er niet te zijn, maar één van de inwoners verzekert me dat er tien kilometer verderop, in het dorpje Bombeo, wel ‘alojamiento’ is. In normale omstandigheden zou ik m´n tent ergens neerzetten, maar ik voel
me daarvoor evenwel te ziek. Ik kan niet anders dan verder fietsen, hopelijk een degelijk onderdak tegemoet. Aan de beklimming lijkt geen einde te komen. Mijn snelheid daalt tot een absoluut minimum en wanneer de duisternis invalt ben ik nog een goeie 7 km verwijderd van m´n eindbestemming. Straatverlichting is er evenmin en bijgevolg moet ik me concentreren op de witte stippellijnen en de reflecterende paaltjes. Ik hou er niet van om te fietsen in het donker, temeer omdat het verkeer ´s avonds fel toeneemt. Om oververhitting van de motor te voorkomen, verkiezen veel chauffeurs om bij valavond en ´s nachts te rijden. Daar ik niet beschik over voor- en achterlicht, trek ik m´n fluojasje aan. Ik bevind me reeds op een hoogte van 3200 meter en de vlijmscherpe wind waait me vermoeiend tegemoet. Ik trap, duw, maar kom nauwelijks nog een meter verder. De situatie is uitzichtlozer dan ooit voorheen. Echt waar, al heb ik zoiets al meerdere malen gedacht tijdens mijn jaar zwerven, dit is echt het toppunt! Uiteindelijk zit er niks anders op dan te voet verder te gaan. Totaal verzwakt duw ik m´n loodzware fiets verder, meter per meter. In het dal achter mij lichten honderden koplampen op. Ze werpen goudgele lichtbundels tegen een knalzwarte achtergrond. Ze vormen een haast surrealistische autosnelweg vol licht.
Hoelang of hoeveel kilometer ik uiteindelijk stap, is me een raadsel. Wanneer je te uitgeput, te leeg en te moe bent, verdwijnt zelfs het besef te denken. Je lichaam schakelt in op automatische piloot want je moet vooruit, er is geen andere keus. Je stapt de duisternis in en laat je blik rusten op de honderden achterlichten die één lange rode verfstreep schilderen. Vuurtorens als een veilige thuishaven?
Rond negen uur bereik ik eindelijk het Bombeo. Het dorpje is één straat lang dat aan weerszijden geflankeerd wordt door eettentjes en kraampjes. Bombeo ligt op de grote doorgangsroute naar La Paz en heeft zich de voorbije decennia opgeworpen tot een vaste rustplaats op de grote trek naar de hoofdstad. In het eerste beste restaurant informeer ik naar een slaapgelegenheid. De moed zakt me zowaar in de schoenen wanneer ik verneem dat er geen alojamiento is. De restaurantuitbater merkt m´n hulpeloosheid. Of hoort hij eerder z´n kassa in de verte rinkelen? “Cuantos quires pagar?” De man ruikt geld, zoveel is duidelijk. Afgaande op de schamele inrichting van z´n eettent, zal de aangeboden accomodatie wellicht de sterrenstatus niet bereiken. M´n aangeboden prijs (€2) blijkt zelfs nog te hoog, want in de groezelige kamer staat een bed waarvan de matras lijkt opgevuld met betonblokken en het hemelsblauwe deken vertoont meer gaten dan gruyere-kaas bevatten kan. Maar ik maal er niet om. Zolang er maar een toilet in de buurt is. Omdat m´n gezondheid zo fel achteruit gaat, verdubbel ik m´n medicatie: immodium, O.R.S. (Oral Rehydration Salts) -kant-en-klare zakjes zout met glucose- en een zelf gebrouwd drankje met zout en suiker. O.R.S. werkt vochtherstelend en ook m´n eigen preparaat dient om uitdroging en beschadiging van de vitale organen te voorkomen. Op de achtergrond hoor ik hoe zwaar vrachtverkeer zijn weg vervolgt. Bij de afdaling weerklinkt het remmend geluid van de motor als een gedempte stoomketel in de nacht. Het geraas zal ook vannacht ongestoord zijn gang gaan…
Eco-toerisme: nog in de kinderschoenen... |
Bolivië - Cochabamba, 01-09-2007 - (dagboek 34) |
 |
 |
 |
 |
Na het feestgedruis in Potosí ben ik terug in Cochabamba aanbeland. Vanhieruit heb ik een laatste busuitstap gedaan, een tweedaagse excursie naar Villa Tunari. De vier uur durende rit bracht me naar een totaal ander deel van Bolivië. Het bergachtig, dorre landschap maakte plaats voor weelderig groen en tropisch regenwoud. Villa Tunari ligt in de tropische Chapare-streek, aan de rand van het immense Amazonegebied. Landbouw, en dan vooral de cocateelt, vormt er zowat de voornaamste bron van inkomsten.
Ik ben naar dit Amazonestadje getrokken met de bedoeling 'El Parque Ecoturístico Machia' te bezoeken. Daar huist sinds een tiental jaar de vereniging ‘Wara Yassi’. Het is een opvangcentrum voor dieren die in gevangenschap hebben geleefd, en waar ze nu opnieuw de wetten van de jungle en de vrije natuur aangeleerd krijgen. In het registratiekantoortje vernam ik dat de organisatie in hoofdzaak draait op vrijwilligers. Over de hele wereld strijken ze minimum voor een tweetal weken neer om er een handje toe te steken. Ze helpen mee aan het bouwen van kooien, het schoonmaken ervan of ze gaan op stap met een poema, aan de leiband weliswaar. Op die manier proberen ze de dieren die zaten opgesloten bij particulieren of die moesten meedraaien in een circus opnieuw de vrijheid te geven. Wanneer de balie-verantwoordelijke vernam dat ik op doorreis was, vroeg ze prompt of ik geen zin had om me als vrijwilliger ten dienste te stellen. Ik moet eerlijk bekennen dat ik al vaker heb gedacht om een tijdje als vrijwilliger ergens aan de slag te gaan, maar ik zie mezelf niet meteen twee weken lang met een poema aan de leiband door de jungle wandelen. Ik denk dat ik me nuttiger kan maken door mee te helpen met een project rond straatkinderen.
Het park kon me niet meteen bekoren. De variatie aan diersoorten, voornamelijk apen en papegaaien, was niet bepaald overweldigend en ook de handvol vrijwilligers die ik ontmoette, leken maar matig enthousiast omtrent hun toebedeelde taak. Een Gaia-fan zou het wellicht met andere ogen bekijken... In de nabijheid bezocht ik ook nog 'el Orquidario', een orchideeënpark. Het park vertoonde een nogal verwaarloosde indruk en de orchideëen moest je echt wel met een loep gaan zoeken tussen het weelderig groen. Het eco-toerisme heeft hier nog een lange weg af te leggen.
Inmiddels ben ik alweer in Cochabamba. Morgen spring ik opnieuw de fiets op, richting La Paz. Aanvankelijk had ik gedacht om eerst nog richting Santa Cruz op te rijden om vandaar de missieposten van de Jezuïeten te verkennen. Maar bij nader inzien lijkt het me niet echt haalbaar. Mijn visum van Bolivië verstrijkt binnen een vijftal weken. Maar niet getreurd, er ligt nog zoveel moois op mijn weg noordwaarts. De Amazone, La Paz en het Titicaca-meer zullen me ook wel kunnen bekoren...
Een dansend swingpaleis... |
Bolivië - Potosí, 26-08-2007 - (dagboek 33) |
 |
 |
 |
 |
Aan de ontbijttafel maak ik kennis met Filip uit Antwerpen. Hij is voor een vijftal weken op doorreis en de reden van zijn bezoek aan Potosí heeft niets te maken met het feest van San Bartolomé. Hij komt er een verre oom bezoeken, Jean Claessens, die al meer dan vijftig jaar als priester werkt in Bolivië. De man is er inmiddels 82 jaar en nog steeds actief. Volgens Filip is hij een soort Boliviaanse père Gilbert. Al tientallen jaren komt hij op voor de mijnwerkerskinderen en heeft hij in de buitenwijken van Potosí al diverse scholen opgericht en ook in La Paz heeft hij een paar projecten uit de grond gestampt. Omdat hij sinds enkele jaren last heeft van de hoge hoogte in de mijnstad, verblijft hij overwegend in La Paz. Misschien geen slecht idee om de man er te gaan opzoeken.
Het Ch´utillos-feest gaat vandaag zijn derde en laatste dag in. Net als de dag voordien vormt het feest één gigantische lange parade. Daar waar gisteren het accent lag op het traditionele, het authentieke, is de toon vandaag meer carnavalesk. De vermoeidheid zit de feestvierders nog duidelijk in de kleren, want met ruim twee uur vertraging trekt de stoet zich moeizaam op gang. Het parcours van de carnavalvierders vormt een onsamenhangende, lusvormige lijn; voorzien van een heuse startplaats en halverwege het traject een lange boulevard aan tribunes. De stoet wordt geopend door enkele flamenco-danseressen. Een orkestje speelt ten dans. Het feest kan beginnen.
Het valt me op met welk gevoel voor detail de groepen zijn aangekleed. Ze hebben echt aan alles gedacht, zelfs de schoenen en de hoofddeksels zijn één voor één modieuze kunstwerken. Sommig groepen dragen laarzen die feestelijk opgesmukt zijn met rinkelende kattebelletjes die bij elke nieuwe danspas de cadans aangeeft. Hier en daar zie ik hoeden die lijken op een kleurrijk rad. Wanneer de dansers een zoveelste pirouette maken, vloeien de kleuren als een draaimolen in elkaar over en werpt de zon een schaduw neer van ronde wiekmolens. Een studerende modeontwerper doet hier op één dag tijd duizend-en-één ideën op.
Torenhoge praalwagens waarop geoliede schoonheden staan te pronken met hun strategisch geplante veren zie je er niet. Wel dansende feestvierders getooid in kostuums die lijken op snoepjes, als waren het vrolijke zuurtjeskleuren. Sommige groepen nemen dinosaurische properties aan en worden aangevoerd door en twintigkoppige band: percussie in alle maten en blazers in alle vormen. De fanfares spelen ononderbroken dezelfde melodie, als een dronkemansorkest in een film van Kusturica. Nauwelijks is de ene groep feestvierders voorbij getrokken of daar verschijnt reeds de volgende blaaskapel ten tonele, vergezeld van feestelijke, sensuele danseressen. De muziek zwelt aan, de dansers worden opgezweept en het publiek juicht. Het is één adembenemend volksfeest waar het -hoe kan het ook anders?- op een stevig drinken wordt gezet. Sommige feestvierders dansen op een slakkengangetje alsof ze een teveel aan promille binnen hebben.
De grote volkstoeloop is natuurlijk voor vele minder gegoede Bolivianen de gedroomde kans om een centje bij te verdienen. Zo zeulen rondvormige vrouwen af en aan met belegde broodjes die vaak al uren liggen te bakken in de zon of ze zwaaien zelf opgevulde plastic zakjes met chips in de lucht. Ze dingen met z´n allen naar de te stillen honger van de duizenden kijklustigen. Er wordt gefeest van zonsopgang tot ver na zonsondergang. Drie dagen lang kleurt een bonte stoet de asgrauwe mijnstad feestelijk. De harde realiteit van het mijnwerkersbestaan wordt weggedanst en doorgespoeld met een zoveelste paceña, het plaatselijk gebrouwen bier. De anders zo onverstoorbare ‘Cerro Rico’ die als een reus over de mijnstad waakt, lijkt verder weg dan ooit. Wanneer ik rond half elf het dansend swingpaleis verlaat, toeteren de fanfares onverminderd over de kasseien. Voor wie dol is op kostuumrijke parades, opzwepende fanfare-deuntjes en onvervalst feestgedruis is ‘la fiesta de los Ch´utillos’ een gedroomde rendez-vous. De kater van drie dagen feesten moet je er wel bijnemen…
Klank- en kleurrijke authenticiteit... |
Bolivië - Potosí, 25-08-2007 - (dagboek 32) |
 |
 |
 |
 |
Het feest van San Bartolomé in Potosí is toch wel folkloristischer dan het Urkupiña-festival nabij Sucre. De parade die vorige week door de straten van Quillacollo stapte was vooral carnavalesk getint. In Potosí merk ik reeds bij de opening van de stoet dat de kostuums, gedragen door de duizenden figuranten, dichter aanleunen bij de authentieke folklore en culturele eigenheid van de plaatselijke bewoners. Elke dorpsgemeenschap heeft zijn eigen typerende danstijl waardoor je goed kan zien hoe rijk de cultuur in het departement Potosí wel is. Fanfares zijn er veel minder nadrukkelijk aanwezig. De mestiezen en indigena´s begeleiden zich meestal zelf met gezang of typische fluitinstrumenten. Niet alleen de alomgekende panfluiten passeren de revue, maar ook voor mij totaal onbekende blaasinstrumenten. In hun traditionele klederdracht van hun dorpen, klinkt de muziek hier stukken authentieker dan in de westerse winkelstraten. De sfeer lijkt er nog uitbundiger, nog feestelijker.
De bonte mengeling van kleuren is een streling voor het oog. Heel even had ik gevreesd dat de parade een soort flauw afkooksel ging zijn van datgene wat ik tijdens het Urkupiña-feest had gezien, maar niets is minder waar. Wat ik te zien krijg is zowat een staalkaart van de heersende cultuur. Voor elke toerist een ware must. Al vallen er hier evenwel geen te bespeuren. Het is vreemd dat dergelijke festiviteiten zo weinig toeristen aantrekken. Nu, misschien maar goed ook, want zo blijft de eigenheid van het jaarlijks feest ongetwijfeld het langst bewaard. Hier en daar kan ik reeds bepaalde volksgroepen herkennen, zoals de inwoners van Tarabuco uit het gelijknamig dorp nabij Sucre. Hun leren helmen, geïnspireerd op de Spaanse conquistadores en hun roodzwart geweven poncho´s onderscheiden hen duidelijk van de anderen. Ook inzake muziekinstrumenten vallen ze op. Hun blokfluiten zijn authentieker, aparter van vorm en lengte. Twee muzikanten dragen een soort hoorn die via een lange blaaspijp wordt bespeeld. De klanken klinken nogal hol, maar het schouwspel is wel fotogeniek. Het nemen van foto´s is echter niet evident, want constant lopen mensen heen en weer. De chaos is op sommige momenten niet te filmen. Straatventers en kijklustigen lopen continu heen en weer en belemmeren vaak de doorgang van de dansende feestvierders. De onruststokers worden één voor één door de uniforme dansers opzij gedrongen. De wanorde die erdoor ontstaat, levert niettemin een boeiend schouwspel op. Alles kan, alles mag. Bolivië feest en danst alle regels en wetten weg en dit drie dagen lang…
San Bartolomé: Urkupiña in het klein... |
Bolivië - Potosí, 24-08-2007 - (dagboek 31) |
 |
 |
 |
 |
Ik had gelukkig een hotel geboekt voor ik uit Sucre vertrok, zodat ik niet verplicht was om in het holst van de nacht op zoek te moeten gaan naar een overnachting. De trip in de open vrachtwagen was ijzig koud, maar misschien wel stukken veiliger dan het nemen van een bus. Toeval of niet, maar precies deze morgen bloklettert de krant ‘El Potosí’ op zijn frontpagina: “La flota ‘El Dorada’ suma más muertos en su haber”. In het begeleidende artikel lees ik dat het ongeval reeds het vierde opeenvolgende is bij dezelfde maatschappij. In nog geen jaar tijd kwamen daarbij maar liefst 60 doden om. Ik zal blij zijn als ik terug op de fiets zit…
Het is een vreemde vaststelling, maar het feest van San Bartolomé -ook wel la fiesta de los Ch´utillos genaamd- wordt niet bepaald toeristisch gepromoot. Het is in de eerste plaats een feest voor en door Bolivianen. Zelfs de toeristische dienst kan me geen folder met het programma bezorgen. Het enige wat ze me wisten te vertellen, is dat het openingsfeest plaats vindt in ‘La Puerta’, een tiental kilometer buiten Potosí. Wanneer ik na een korte rit met een minibus uitstap, zijn de straten reeds bontgekleurd door marktgangers. ‘La Puerta’ blijkt niet meer te zijn dan een klein dorp, een tiental huizen rond één centrale kerk. Net als op het Urkupiña-feest is het kleine gehuchtje omgetoverd tot één groot marktplein van eettentjes en kraampjes. Er wordt gekocht, verkocht, gegeten, gedronken, gekeuveld en gelachen. Het is allemaal wat kleinschaliger, maar desalnietemin niet minder feestelijk. Fanfares lopen af en aan die elkaar in kakafonie proberen te overstemmen. In hun kielzog dansen tientallen dames met Engelse bolhoed breedzwaaiend in het rond. Hun lange, fleurige en wijde rokken draaien als losgeslagen parasols in een regenboog van kleuren. Het spektakel blijft me boeien.
Rond een uur of elf zie ik hoe een stoet zich langzaam vanuit de dorpskern naar de dichtsbijzijnde heuvel begeeft. Op kop lopen enkele misdienaars en een priester, gevolgd door een honderdtal gelovigen. Boven uit de groep toren twee poppen, getooid in roodfluwelen gewaden. Ze stellen respectievelijk San Bartolomé en San Igancio de Loyola voor; de twee heiligen waarrond het feest allemaal draait. Op de top van de ‘Calavario’ heuvel houdt de stoet halt. Het feest wordt plechtig geopend met een openluchtmis die wordt afgesloten met een soort wijding. Mensen stoppen de priester allerhande dingen toe om die te laten besprenkelen en op de terugtocht naar het dorp merk ik hoe ze het kleed van San Bartolomé eerbiedig eventjes aanraken. Dit allemaal wellicht met de hoop op voorspoed. De kleine kapel is inmiddels veranderd in een zee van kaarslicht. Een roodoranje gloed spreidt zich als oplichtende schaduwvlekken over de kleine ruimte. Tientallen mensen staan rechtstaand te bidden en nog eens honderden staan buiten aan het portaal geduldig aan te schuiven. Devotie en volksgeloof gaan hier hand in hand, want eenmaal ik me terug naar de heuvel begeef, zie ik nagenoeg dezelfde taferelen als bij het Urkupiña-feest. Ook hier wordt monopoly-geld, miniatuur auto’s en huisjes aangekocht. De offering verloopt wel serener. Sjamanen lopen er niet rond en uit de heuvel worden geen stenen gekapt. Met de losliggende stenen worden wel offerhuisjes gemaakt. Het offerritueel is minder uitbundig. Het hele gebeuren lijkt meer op een familiale, zondagse uitstap.
Wanneer ik rond vier uur in de namiddag een bus zoek om terug te keren naar Potosí zijn sommige marktkramers reeds beginnen in te pakken. Tegen valavond zal de rust in het dorpje volledig zijn teruggekeerd. Het dorpsleven zal er opnieuw verder kabbelen zoals dat 364 dagen per jaar het geval is. Deze plek zal opnieuw indommelen, een jaar lang…
Gegijzeld... |
Bolivië - Potosí, 23-08-2007 - (dagboek 30) |
 |
 |
De straten lijken verdacht stil wanneer ik me rond kwart voor acht ´s morgens naar het centrale plein begeef om er een minibus te nemen naar de busterminal. Op het anders zo drukke plein is het abnormaal rustig. Het lijkt wel een soort autoloze zondag. Niets is echter minder waar. De straten zijn geblokkeerd door vrachtwagens, auto´s en bussen die zich dwars over de weg hebben geplaatst. Sucre gaat een zoveelste stakingsdag tegemoet en zo te zien wil men het sociaal en economisch leven volledig lam leggen. Ik vind bij wonder nog een taxi die een hele omweg moet maken om alsnog bij de busterminal te geraken.
De grote parking is hermetisch afgesloten en bussen vallen er nergens te bespeuren. Mijn vrees dat ik Sucre niet zal kunnen verlaten, wordt meteen bevestigd door een dienstdoende agent. “No hay buses.” De man vermoedt dat ten vroegste rond vijf uur in de namiddag de wegblokkades zullen worden opgegeven. Andere bronnen spreken dat dan weer tegen en beweren dat de staking zal blijven duren tot zondagavond. Ik word er een beetje moedeloos van. Het opwerpen van wegblokkades is een favoriet stakingsmiddel die Bolivianen hanteren om op die manier de regering onder druk te zetten. Vooral boze mijnwerkers en misnoegde cocatelers hebben in de voorbije jaren vaak gedurende weken hele delen van het land plat gelegd. Dat ze daarbij ook de lokale bevolking gijzelen, lijkt hen niet te deren. De staking draait andermaal rond de eis om de politieke macht terug te brengen naar Sucre. Ik kan alleen maar hopen dat ze toegangswegen van en naar Sucre zo snel mogelijk terug openstellen.
Rond de klok van vier uur is het aantal gegijzelde reizigers al behoorlijk aangedikt. De speculaties over de toestand nemen hand over hand toe en met het uur wordt de situatie chaotischer. De onrust bij de gestrande reizigers stijgt en heel even laaien de emoties hoog op wanneer één of andere woordvoerder meedeelt dat de blokkades pas rond middernacht zullen worden opgegeven. Voor mij ziet de situatie er nog slechter uit, want er blijken geen bussen meer te rijden richting Potosí. De eerst volgende zou pas morgenochtend rond zes uur vertrekken. Wellicht de enige, want daarna zouden de wegen opnieuw worden afgegrendeld. Ik zoek troost bij een handvol toeristen. De meesten gaan richting La Paz, de hoofdstad. Een Frans koppel is er duidelijk niet gerust in, want morgenavond vertrekt hun vliegtuig naar Parijs.
De invallende duisternis doet me beseffen dat ik wellicht noodgedwongen een nacht langer in Sucre zal moeten blijven. Plots komt er toch wat beweging op gang. Rond half acht ´s avonds is de busterminal omgetoverd tot een heksenketel, een wirwar van auto´s, bussen en hoopvolle reizigers die bepakt en bezakt op zoek gaan naar een transportmiddel. Naar Potosí gaat er geen bus, wel een vrachtwagen. Met tientallen kruipen we in de open vrachtwagen en proberen zo goed en zo kwaad als het kan het ons comfortabel te maken. Sommigen lijken wel hun hele huishouden mee te sleuren. Onwaarschijnlijk! De rit kost de helft van mijn waardeloos busticket, 10 pesos (€1). Het comfort is dan ook navenant. Als vee liggen en zitten we op en over elkaar. De geur van cocabladeren en zweet is pregnant aanwezig, maar eenmaal de tuck zich in beweging zet, verdrijft de kou alle onaangename geuren. Mijn medereizigers zijn duidelijk voorzien op onverwachte omstandigheden, want nauwelijks vertrokken, nestelen ze zich in wollen dekens. Als hoofdzakelijk fietsende reiziger ben ik op veel voorbereid, behalve op een nachtelijke lift in een open truck. Het belooft een koude rit te worden…
'La ciudad blanca de Americia'... |
Bolivië - Sucre, 22-08-2007 - (dagboek 29) |
 |
 |
 |
 |
Voor één keer heb ik de fiets ingeruild voor de bus en ben ik na een nachtelijke, dolle rit van twaalf uur opnieuw aangekomen in Sucre, ‘la ciudad blanca de America’. Ik heb het niet voor bussen, zeker hier niet. De slechte staat van de weg, de weinig comfortabele zitjes en het roekeloze rijgedrag van de chauffeurs zijn niet bepaald bevorderlijk voor een vlekeloze rit. Ook het feit dat ze er de voorkeur aan geven om ´s nachts te rijden -zo voorkomt men oververhitting van de motor-, zint me niet. Maar goed, wil ik eind deze week het feest van San Bartolomé bijwonen in Potosí, ook wel 'la fiesta de los Chíutillos' genaamd naar de dansers op dat feest, dan zit er niks ander op dan de 600 km met de bus te overbruggen. De terugkeer naar de mijnstad geeft me de ideale kans om een tussenstop te maken in Sucre. Bij m´n vorig bezoek, een kleine twee weken terug, had ik te weinig tijd gehad om de stad grondig te verkennen.
Sucre draagt niet geheel ten onrechte het label van ‘witte stad’ in zijn vaandel. Majestueuze witte gebouwen domineren het stadsplein, la plaza 25 de mayo. Ook in de zijstraten die uitgeven op het centrum toren hoge, ranke, witgekalkte kerkgebouwen naar de hemel. Het lijkt wel of de overheersende witte kleur de hoop uitdrukt dat Sucre opnieuw een volwaardige hoofdstad wordt. Eind 19de eeuw verhuisde de politieke macht naar La Paz en dommelde Sucre langzaam in. De politieke verhuizing is zelfs een eeuw later nog niet verteerd. Wanneer ik ‘La Casa de la Libertad’ bezoek, hoor ik in de verte hoe demonstranten hun ongenoegen uiten. Voor de zoveelste opeenvolgende dag lopen ze rondjes in het centrum. Als ik de gids vraag of er een kans bestaat dat de politieke macht binnen onafzienbare tijd opnieuw in Sucre zal zetelen, schudt hij vastberaden zijn hoofd. De man vreest zelfs dat de aanhoudende eis ertoe zal leiden dat ze nog meer geïsoleerd zullen geraken omdat de provincies in oost en west (zoals Santa Cruz) met autonomie dreigen. Hij ziet de toekomst van Bolivië met lede ogen aan en maakt zelfs heel even gewag van een op til zijnde burgeroorlog. Laat ons hopen dat hij het niet bij het rechte eind heeft...
‘La Casa de la Libertad’ ademt nog steeds de koloniale sfeer uit van eeuwen terug. Met enige fierheid vertelt de gids de toehoorders dat hier de mooiste bladzijden van de Boliviaanse geschiedenis werden geschreven. Het was namelijk hier dat in 1825 de onafhankelijkheid werd uitgeroepen. Levensgrote schilderijen vormen een eerbetoon aan de grote helden van de Boliviaanse geschiedenis, zoals Bolivar en Sucre. Gek genoeg zijn deze vaders van de Boliviaanse staat beiden Venozolanen. De eerste, Simón Bolivar, de grote bevrijder van het continent, schonk zijn naam aan het land. De tweede, maarschalk Sucre, was de eerste president van de republiek en verbond zijn naam aan de toenmalige hoofdstad.
Het textielmuseum toont dan weer een staalkaart van de geschiedenis van de textielnijverheid, met een bijzondere aandacht voor de verschillende etnische groepen. Elke groep hanteert zowat zijn eigen motieven en refereert naar een bepaalde streek, zoals Tarabuco (nabij Sucre) en Macha (nabij Potosí). Aan de ingang van één van de expositieruimtes zit een Quechua-indiaanse op ambachtelijke wijze te weven aan een wandtapijt van één bij anderhalve meter. Een karwei dat maar liefst twee tot drie maand in beslag neemt, acht werkuren per dag. Engelengeduld is hier meer dan ooit een kunstige gave.
Heilige engelen en andere soorten devote voorwerpen vind ik dan weer terug in het Recoleta-klooster dat voornamelijk religieuze schilderkunst uit de 16de en 17de eeuw herbergt. Het klooster bevat vier bloemrijke patio´s waarvan de laatste wordt gekenmerkt door een 1400 jarige cederboom. De omtrek zou te vergelijken zijn met acht mensen die elkaar een hand geven. De gids weet me te vertellen dat de boom iets sacraals heeft. Volgens het volksgeloof zouden al je wensen werkelijkheid worden als je driemaal rechts rond de stam loopt en zou een huwelijk zich voltrekken als je driemaal links rond de boom stapt. De wens ooit een zwerftocht per fiets te kunnen ondernemen in Zuid- en Midden-Amerika is al bijna een jaar werkelijkheid. Ik heb dan maar gekozen om links rond de boom te lopen...
Ongekende volksverlakkerij... |
Bolivië - Quillacolla, 16-08-2007 - (dagboek 28) |
 |
 |
 |
 |
Wanneer ik me iets over middernacht naar ‘la Plaza 14 de septiembre’ begeef, zijn reeds honderden pelgrims samengestroomd voor een voettocht van 13 km vanuit Cochabamba naar Quillacollo. De grote pelgrimstocht maakt deel uit van de laatste dag van het Urkupiña-feest. De sfeer is er sereen en ingetogen. Rond half één zet de stoet zich in beweging. Geëscorteerd door twee politiewagens, agenten per fiets en te voet verlaat de aanzwellende mensenmassa het centrum van Cochabamba. Uit een megafoon weerklinken religieuze liederen. Af en toe wordt er een rustpunt ingelast en spreekt een priester de menigte toe. Er wordt gezongen en gebeden ter ere van de maagd Maria. Wanneer we in Quillacollo aankomen is de groep pelgrims aangegroeid tot een wriemelende mensenzee. Voor de San Idelfonso kerk hebben nog eens duizenden gelovigen post gevat. Ze zitten en liggen tussen een oase van brandende kaarsjes. Het schouwspel is vertederend mooi en enig. Klokslag vier uur ´s morgens wordt de pelgrimstocht afgesloten met een openluchtmis. Ik sta verbijsterd van de devotie waarmee vooral jongeren hun geloof betuigen. Religie is in Bolivië nog tastbaar aanwezig.
Op het punt waar de nacht de dag raakt, volgt een nieuwe en tevens laatste etappe in het onvergetelijk Urkupiña-feest. De tienduizenden gelovigen verlaten het kerkplein en vormen een bedevaart naar de Calvary-heuvel. De dag ontwaakt en de zon werpt nog schuchter zijn eerste stralen af op een nooit geziene volkstoeloop. Ik schuifel voetje voor voetje mee, stroom voorwaarts met de massa. Aan de kant van de weg staan opnieuw honderden kraampjes. Opvallend is dat hun koopwaar in hoofdzaak beperkt blijft tot speelgoed: miniatuurhuisjes, babypoppen, autootjes, monopoly-geld,... Massaal wordt er speelgoed aangeschaft om die dan later, eenmaal op de Calvary-heuvel, te offeren. Een soort ritueel in de hoop dat hun wensen ook zullen vervuld worden. Het lijkt wel een soort Sinterklaas-feest voor grote mensen. Ik kan m´n ogen niet geloven. Overal hoor ik marktkramers hun waren aanprijzen: “Dollares, dollares,..” Het monopoly-geld gaat bij miljoenen over de toonbank. Het meest verbijsterend is dat de aangekochte goederen worden bewierookt. Het lijkt wel of de marktkramers een soort toverformule uitspreken om het geluk optimaal te bespoedigen. Hier en daar zie ik mannen (zgn: Yatiri´s) aluminium smelten en afkoelen in water. Uit de vormloze voorwerpen lezen ze de wensen van geluk. Onwaarschijnlijk! Maar de waanzin komt pas tenvolle tot uiting, eenmaal op de Calvary-heuvel.
Naar analogie met de legende hakken de gelovigen massaal stenen uit de berg. De stenen staan synoniem voor geluk. Hoe groter de stenen, hoe groter het geluk. De loodzware stenen worden samen met de aangekochte speelgoed-offers in plastieken draagtassen gestopt. Vervolgens gaan de gelukzoekers op zoek naar ‘un kallawaye’, een soort tovenaar of sjamaan die de offers met toverbezweringen bezegelt. Het ritueel is onthutsend en een pure vorm van volksverlakkerij. Wat ik te zien krijg, tart alle verbeelding. De bezweringen vinden meestal plaats waar de stenen worden uitgehakt, maar evenzo op speciaal daartoe voorziene offerplaatsen. De sjamaan roept een soort God aan, terwijl hij z´n armen in de lucht verheft. De offergeschenken worden gewikkeld in serpentines en bewierookt. Terwijl de toverbezweringen elkaar in ijltempo opvolgen, vliegen de confetti´s weelderig in het rond. Ter ere van Pachamama (Moeder Aarde) worden er liters bier verspild. Het bier wordt over de offergeschenken gegoten, rondom rond op de aarde en feestelijk in de lucht gespoten, alsof men een soort overwinning heeft te vieren. Tot slot besprekelen ze de offers nog eens met alcohol en wordt er vuurwerk (voetzoekers) afgestoken. Het knallend ritueel wordt afgesloten met een handdruk van de ‘kallawaye’ die vervolgens een niet onaardig bedrag opstrijkt voor z´n bewezen diensten. Twee minuten later heeft de ‘kallawaye’ reeds twee nieuwe slachtoffers uitgepikt. De volksverlakkerij neemt hier ongewone vormen aan. Het geheel vind ik zo ontstellend dat ik bepaalde dingen op film vastleg. Terwijl de mensen de wens uitdrukken op een voorspoedig jaar met veel geluk, wens ik alleen dat ik hier ooit eens met mijn kroost terug mag staan, opdat m´n kinderen zich bewust zouden worden van de waanzin van het volksgeloof.
Even verderop zie ik kleine, afgebakende percelen. Wie dat wenst kan er een lot kopen, voor één dag. Een soort imaginair stukje woonerf waar het ritueel dan plaats vindt, in de hoop dat men in de toekomst ook een echt stukje eigendom kan aankopen. Terwijl het vuurwerk op de achtergrond in alle hevigheid toeneemt, zie ik hoe mensen met hun gezegende offers in een lange rij staan te wachten. Eén voor één willen ze nog een laatste groet brengen aan de heilige maagd Maria. Ze drukken hun offers tegen de glazen vitrinekast, hopend op geluk.
Bij het verlaten van de heuvel staan aan de ingang van de arabeskachtige, sneeuwwitte poort een handvol kinderen. Ze dansen bedelend op de tonen van hun frêle keelklanken. Samen met tienduizenden anderen vormen ze de Boliviaanse armen van morgen. Kinderen geboren zonder toekomst, zonder enig perspectief op een volwaardig bestaan. De duizenden en duizenden speelgoedgeschenken die hier worden gekocht en geofferd vertegenwoordigen een gigantisch bedrag; ruimschoots voldoende om deze bedelende kinderen en vele andere weg te halen van de straat en educatie te geven opdat ze een toekomstvol leven zouden kunnen uitbouwen. De volksverlakkerij is blind voor de schrijnende armoede in z´n eigen land. De tienduizenden pelgrims keren terug huiswaarts met de hoop op een voorspoedig jaar, wegdromend en hunkerend naar veel geld en veel materieel bezit. De bedelaars van morgen dromen echter al lang niet meer...
Devotie met een flinke scheut feestvreugde... |
Bolivië - Quillacolla, 15-08-2007 - (dagboek 27) |
 |
 |
 |
 |
Terwijl gisteren de feestneuzen de plak zwaaiden, is de tweede dag van het Urkupiña-feest voorbehouden voor de gelovigen. Met duizenden zijn ze samengestroomd op het plein voor de San Idelfonso kerk. Wanneer ik er een uur voor de start van de openluchtmis aankom, kan ik met moeite nog een plaatsje bemachtigen. Er is een nooit geziene politiemacht op de been en de ordetroepen hebben duidelijk het strikte bevel gekregen om niemand zonder een geldig pasje toegang te verlenen tot de centrale zone, vlak voor het altaar. Hier en daar zie ik mensen een poppen replica van het mariabeeld stevig om de arm klemmen. Naarmate de klok van elf uur nadert, stijgt de spanning. Koorleden, orkest en dirigent nemen plaats naast het altaar. Snaren worden gestemd, kelen geschraapt. Wanneer vier gaucho´s zich een weg banen naar het podium stijgt er spontaan applaus op uit de menigte. Op speciaal verzoek zijn ze vanuit Cordoba (Argentinië) overgevlogen om de misviering mee te helpen opluisteren. Naast mij staat een groepje vrouwen, vijftigsters, allen afkomstig uit het Argentijnse Salta. Al voor de twaalfde opeenvolgende keer wonen ze dit uitzonderlijk feest bij. De praatgrage dames vertellen me dat ze geloven dat hun aanwezigheid hen voorspoed zal brengen, een jaar lang. Ondertussen weerklinkt uit één van de zijstraten marsmuziek. Een stoet van priesters en hoogwaardigheidsbekleders trekt aan m´n oog voorbij. Wanneer de president, Evo Morales, ten tonele verschijnt, weerklinkt er een oorverdovend applaus. De netelige, politieke kwesties en de sociaal-economische achterstand van het land wordt voor één keer feestelijk op de achtergrond verdrongen. Het festijn staat bekend als het feest van de nationale integratie tussen de westerse en de inheemse volkeren in Bolivië en vandaag is dat niet anders. De misviering is een mengeling van religie en devotie. Er wordt gezongen, gebeden en gemusiceerd. Tussen de mensenzee in zie ik opvallend veel jongeren. Het geloofsfeest is er één voor alle leeftijden. De viering duurt welgeteld twee uur en wordt afgesloten met een mini-processie rond het kerkplein. Ik word meegezogen door de menigte en volg gedwee de stoet. Aan de kant van de weg staan honderden en honderden gelovigen te bidden en te zwaaien met witte wimpels, zakdoeken van hoop en vrede...
Na het religieuze gedeelte eclateert het feest opnieuw in alle hevigheid. Tot m´n eigen verbazing merk ik dat de feestvierders van gisteren de draad opnieuw hebben opgepikt en dat de hele stoet andermaal door de straten van Quillacollo paradeert. De sfeer is zowaar nog uitbundiger. Daar waar gisteren de ordetroepen het geheel probeerden in goeie banen te leiden, heerst er vandaag totale chaos. Mensen, groot en klein, lopen tussen en door de verschillende dansgroepen heen waardoor het feestgedruis een ware heksenketel wordt. Op de tribunes en langs de kant van de weg staan mensen te applaudisseren op het ritme van de fanfaremuziek. Hier en daar vermengen mensen zich al dansend tussen de folkloristische dansgroepen. Er heerst een te gekke sfeer. Het alcoholgehalte is bij sommige feestvierders duidelijk af te lezen op de manier waarop ze zich voortbewegen. Zwalpend en waggelend proberen ze de maat van de opzwepende muziek te volgen, tevergeefs. Ook al is de stoet een kopie van gisteren, het geheel blijft boeien. Het feest zal ook vandaag tot in de vroege uurtjes duren. Met het oog op de nachtelijke processie, keer ik rond een uur of acht ´s avonds terug naar Cochabamba. In Bolivië gaat devotie gepaard met veel feestvreugde, zoveel is duidelijk...
Feesten van zonsopgang tot zonsondergang... |
Bolivië - Quillacolla, 14-08-2007 - (dagboek 26) |
 |
 |
 |
 |
Intensief reizen moet je doen wanneer je jong bent, wanneer je lichaam nog in staat is om zich vlug te herstellen na zware fysieke krachtinspanningen. De rust van gisteren was duidelijk het beste medicijn en ook de vlooienbehandeling heeft zijn uitwerking niet gemist. Gelukkig maar, want het feest van ‘el Virgen del Urkupiña’ belooft alvast een zware driedaagse te worden...
Wanneer ik rond acht uur ´s morgens in Quillacollo aankom, is er reeds een drukte van jewelste. Langs de grote boulevard die toegang verschaft naar het centrum hebben honderden marktkramers post gevat. De meeste verkopers hebben hun waren uitgespreid op een plastieken zeil. Het tafereel doet me terugdenken aan de tijd toen ik op een blauwe maandag zelf marktkramer was. De aankleding was toen haast even belangrijk als de verkoop. Hier speelt présence helemaal geen rol, als er maar verkocht wordt... Het aanbod tart alle verbeelding. Een getrouwd stel kan er zo z´n hele huishouden aanschaffen. Onwaarschijnlijk! Ook de smulpapen komen er ruimschoots aan hun trekken. Torenhoge manden gevuld met gebak staren de hongerigen verleidelijk aan. Evenzo vind je er eettentjes waar vooral pollo (kip) wordt geserveerd. De openluchtmarkt beperkt zich niet enkel tot de brede laan, maar spreidt z´n tentakels uit tot ver buiten het epicentrum van het feestgebeuren. Hier en daar zijn er tribunes opgesteld en staan er op de stoep stoelen, geduldig wachtend tot het feest in alle hevigheid losbarst.
De hoofdact van de eerste dag van dit driedaagse festival is ongetwijfeld de parade ter ere van de maagd Maria. Een tocht die duurt van zonsopgang tot zonsondergang. Bolivianen interpreteren de zonsondergang wel op hun eigen manier, want blijkbaar trekt de laatste groep feestvierders pas rond een uur of twee ´s nachts doorheen de straten. Ik heb me een plaatsje veroverd ongeveer halverwege het traject. Met een serieuze vertraging wordt de stoet geopend. Op kop van de parade lopen enkele priesters, gevolgd door ‘el Virgin del Urkupiña’, gedragen door een viertal man. De honderden omstaanders zwaaien, applaudisseren en bidden. De kopgroep wordt begeleid door een fanfare en afgesloten door een drietal wagens die kitscherig zijn versierd met poppen, zilverwerk en kleurrijke stoffen. De groep wordt gevolgd door een menigte die alsmaar aanzwelt. Ter hoogte van de San Idelfonso kerk staan nog een honderdtal (duizenden?) kijklustigen. Ze proberen allen een glimp op te vangen van de maagd Maria die centraal wordt opgesteld voor de ingang van de kerk. De ordediensten hebben alle moeite van de wereld om alles in goede banen te leiden. Eenieder wil de glazen kast waarin de heilige maagd is uitgestald aanraken. Sommige drukken een jaarkalender tegen het glas. Wellicht hopend op een voorspoedig jaar.
Het feest van de maagd van Urkupiña is gebaseerd op een legende. Het verhaal vertelt dat de maagd Maria verscheen voor een vrouw van arme huize die haar schaapjes aan het hoeden was op de heuvel van Urkupiña. Ze droeg de vrouw op haar draagdoek vol te laden met stenen. Terug thuis bleken de stenen in zilver veranderd te zijn. Een uur later barst het feest in alle hevigheid los. Duizenden dansers gekleed in de prachtigste kostuums trekken er doorheen de straten en laten hun beste Caporales, Tinkus, Diabladas, Morenos en vele andere traditionele dansstijlen zien. Elke folkloristische dansgroep wordt begeleid door een fanfare. Het gekke is dat deze muziekgroepen ei zo na hetzelfde opzwepende deuntje spelen. Het feest is een festijn voor het oog. Ik moet bekennen dat ik zelden zoiets heb gezien. De ambiance is er overweldigend, klank- en kleurrijk. De stoet sluit allesbehalve aan, maar dat lijkt de vele duizenden kijklustigen niet te deren, integendeel. Er wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om de benen te strekken, te eten en te drinken. Honderden verkopers lopen af en aan om hun zoetigheden en gekoelde dranken (voornamelijk alcoholische) aan de man te brengen. De sfeer heeft iets weg van ‘de Gentse Feesten’ en ‘het Carnaval van Aalst’, maar is stukken uitbundiger en kleurrijker. Praalwagens zijn er niet, dansgroepen des te meer. Aan de stoet lijkt geen einde te komen. Naar verluidt zouden maar liefst 50.000 mensen doorheen de straten van Quillacollo dansen. Hun danskunsten zijn een soort offer aan de heilige maagd van Urkupiña. De sfeer is uitgelaten en wordt naarmate de dag vordert abundanter. Nu ja, kan ook moeilijk anders als je weet dat de dansgroepen liters bier worden toegestopt om hun dorst te lessen. Het alcoholgebruik in combinatie met de brandende zon lijkt geen vat te hebben op de geestdrift waarmee er gefeest wordt. Rond een uur of negen ´s avonds hou ik het feestgedruis voor bekeken. Op de terugweg merk ik dat sommige straten zijn omgetoverd tot een heuse kermis. Het feest is hier nog lang niet afgelopen...
Aangekomen in Cochabamba, doodop... |
Bolivië - Cochabamba, 12-08-2007 - (dagboek 25) |
Ik ben aangekomen in Cochabamba, gelukkig maar want ik voel me eerlijk
gezegd niet echt lekker en zit helemaal onder de vlooienbeten. Ik heb vannacht geen oog dicht gedaan, daar in dat fameuze hotel 'Colonial'. Om het uur werd ik gewekt door oorverdovend klokkengeluid en om vijf uur deze morgen was er in de benedenverdieping van het hotel al volop ambiance. Een drietal giechelende tienermeisjes waren het restaurant aan het dweilen. Een karwei dat blijkbaar aangenamer verliep op de tonen van loeiharde zuiderse ritmes. Wellicht waren ze zich niet eens bewust van de onverwachte gast die broodnodig zijn slaap nodig had. Ik heb me pas deze morgen gerealiseerd hoe onvoorstelbaar smerig er alles bij lag. Zo was er in de piepkleine badkamer een niet te harden stank van uitwerpselen. De wc-pot zag zwart van stront in staat van ontbinding. Nu ja, kan ook moeilijk anders als er geen water is om door te spoelen. Ook uit het kraantje aan de al even smerige lavabo kwam er geen druppel uit en een douche viel er nergens te bespeuren. Zo los je natuurlijk het waterprobleem voor een stuk op. Het vierkanten huizenblok was rondom rond één grote waslijn. Tussen de kleurrijke kleren hingen stukken vlees te drogen. Bij het vertrek wou de eigenares me 20 Bolli´s (€2) aanrekenen. Op zich een belachelijk lage prijs, maar voor het aangeboden comfort en de ondermaatse service schandalig hoog. M´n onvrede heb ik duidelijk laten merken, niet alleen woordelijk, maar ook op de manier hoe ik het geld op de nog natte vloer heb gegooid. Sorry, maar als ze denken te sollen met een verdwaalde zwerver dan zijn ze aan het verkeerde adres. In Bolivië bestaat er noch een controle, noch een wettelijke reglementering inzake het runnen van een hotel of restaurant. In Bolivië lijkt alles mogelijk...
Door oververmoeidheid en het geringe, eenzijdige voedsel van de voorbije dagen was ik totaal doorheen mijn krachten. Halverwege de weg naar Cochabamba voelde ik me zo ziek dat fietsen een ware marteling werd. Doodziek, zittend langs de kant van de weg, kreeg ik andermaal hulp uit onverwachte hoek. Een pick-up stopte en twee jonge gasten gaven me een lift tot in Cochabamba. Ik werd afgezet aan één van de vele hostals vlakbij het centrum. Rond vijf uur in de namiddag kroop ik na het slikken van een portie vitaminen en een vlooienbehandeling doodop onder de lakens. Gelukkig begint het feest van ‘el Virgen del Urkupiña’ pas dinsdag...
Een min vijf sterren hotel... |
Bolivië - Totora, 11-08-2007 - (dagboek 24) |
 |
 |
Als er iets is wat ik zeker missen zal, eenmaal terug in België, dan is dat de warme openhartigheid waarmee de Bolivianen me aanspreken, me begroeten en me verwelkomen. Bolivië steekt inzake gastvrijheid met kop en schouders uit boven alle vorige landen die ik reeds heb aangedaan. Hoe armer een land, hoe gastvrijer?
Wat ik dan weer helemaal niet zal missen, zijn de vlooien en de agressieve honden. Wie in Bolivië een vlooienvrije nacht wenst door te brengen, kiest er in de kleinere dorpjes beter voor om z´n tent op te slaan. De hygiëne is hier vaak ver zoek. Nadeel is dan weer dat de honden mijn tent aanzien als pispaal. Nu, daar kan ik nog mee leven. Met hun agressiviteit evenwel allesbehalve. Honden zijn hier een ware plaag. Vooral bij valavond ontpoppen ze zich tot gevaarlijke bewakers die er nogal een vrij ruim begrip op na houden inzake het te beschermen territorium. Niet alleen de woning en het bijhorende erf, maar ook de aanpalende straat beschouwen ze als hun terrein, met alle nare gevolgen vandien. Ik mag dan wel in het bezit zijn van een dazzer, maar sommige honden (dove?) glippen feilloos doorheen de sonorische mazen van het net en slagen er moeiteloos in om me bij te benen. Bijkomend probleem is dat Bolivianen niet één viervoeter als huisdier hebben, maar drie, vier. Geloof me vrij, maar in Bolivië leer je spurten. Tegen de tijd dat ik het land verlaat, kan ik Tom Boonen met gemak in de eindsprint verslaan...
Op de 30 km lange klim naar Totora zou ik wellicht de duimen moeten leggen. Nu ja, ik zie onze nationale wielerheld ook niet zomaar met 70 kilo naar boven spurten. Zeker als je weet dat de weg geplaveid is met kinderkopjes, Boliviaanse dan nog wel. Nu, nog een geluk dat ik een mens uit één stuk ben, want na bijna 100 km over kasseien te hebben gereden, zitten mijn darmen niet meer echt op hun oorspronkelijke plaats.
Ik heb andermaal de rit wat onderschat, want bij valavond ben ik nog precies 18 km verwijderd van Totora. Er zit niks anders op dan door te fietsen, want nergens valt er een kampeerplaats te bespeuren. Aan de ene kant van de weg gaapt een kloof van enkele honderden meters en aan de andere kant staat enkel dicht struikgewas. Bovendien ben ik zo goed als volledig doorheen m´n watervoorraad. Met behulp van mijn hoofdlamp vervolg ik mijn weg. Met de regelmaat van de klok moet ik de sprint inzetten, omdat ik andermaal het gezelschap krijg van enkele uitgehongerde viervoeters. Totaal leeggefietst kom ik rond half elf in Totora aan.
Op aanwijzen van twee jonge gasten vind ik een hotel, annex restaurant, ‘Colonial’. Ik merk meteen op dat hygiëne hier niet meteen de eerste prioriteit is. De dormitorio (slaapzaal) die ik krijg toegewezen ziet er allesbehalve fris uit. De betonnen vloer is al maanden niet meer geveegd en de bedden -die wellicht nog uit de koloniale periode stammen- zijn ei zo na in staat van ontbinding. Wanneer ik mijn fietstassen in de kamer neerzet, zie ik hoe een rat schichtig dekking zoekt onder een vuilgrijze matras die op de grond ligt. Ook een goeie nacht! Miljard... en zeggen dat dit hotel tevens een restaurant heeft. Ontzet ga ik terug naar beneden en vraag de eigenares of ze wel weet dat er een rat in de kamer huist. O ja, zegt ze op een totaal normale toon, er zitten er vijf. Hallo? Mijn verbazing maakt me sprakeloos en dit tot groot jolijt van de uitbaatster en haar 14-jarige dochter. Verdorie, waar ben ik hier in hemelsnaam terecht gekomen? De klok wijst inmiddels elf uur aan en veel zin om nog in het holst van de nacht een ander hotel te zoeken, heb ik allesbehalve. Bovendien zal het niet-toeristische Totora inzake slaapgelegenheden niet bepaald een ruime keuze hebben, vrees ik. Uiteindelijk krijg ik een andere kamer, eveneens een slaapzaal, maar gelukkig zonder ratten. Uitgeput zoek ik het beste bed op en val doodvermoeid in slaap. Het leven van een zwerver verloopt niet altijd over rozen...
Euro´s en dollars in het kwadraat... |
Bolivië - Totora, 11-08-2007 - (dagboek 23) |
 |
 |
Ik heb er geen goed gevoel bij. Ik voel me een beetje als een autobestuurder die in zijn koffer een spiksplinternieuw reservewiel heeft, maar waarbij de krik ontbreekt. De achterband heeft het tot dusver goed overleefd, maar het besef dat ik de volgende 100 km kasseien onder de wielen krijg, baart me enigszins wat zorgen. Ik maak me al lang geen illusies meer over de Boliviaanse wijze waarop de straat geplaveid is met kinderkopjes. In Alquile -zowat het grootste dorp dat ik op mijn route tegenkom- besluit ik daarom op zoek te gaan naar een bicicletteria, in de hoop er een fietspomp te vinden.
Al vrij snel vind ik in de lange hoofdstraat, la avenida Bolivar, een fietsenhersteller die druk in de weer is met het vervangen van enkele spaken. Ik heb blijkbaar geluk, want tussen z´n rommelige voorraad vindt hij een fietspomp, maar al gauw blijkt dat het ventiel niet past op mijn mountainbike-banden. Door het uitproberen is de achterband volledig plat en moet de man zijn eigen, oude fietspomp gebruiken om de band terug op te blazen. Enigszins uit beleefdheid vraag ik hem wat mijn schuld is. Onverwijld denk ik terug aan ongeveer een jaar geleden toen ik in de leer was bij Luc Ostyn, de vélomaker uit Boezinge, die me met veel geduld en enthousiasme de knepen van het vak bijbracht. Haast dagelijks kwamen er mensen over de vloer die vroegen om hun banden wat bij te pompen. Een klantvriendelijke dienst die met de glimlach werd betaald. Alquile neemt inzake grootte dezelfde proporties aan als Boezinge, maar de gulle, brede glimlach van Luc Ostyn staat in schril contrast met de 15 Bolli´s (€1,5) klinkende munt die de fietsenhandelaar me wil aanrekenen. Luc, jong, als in je leven schatrijk wilt worden dan is dit the place to be! Ik kan m´n lach met moeite onderdrukken, te meer als je weet dat je hier in de kleinere dorpjes voor 7 Bolli´s (€0,7) een volwaardige maaltijd kan nuttigen.
Het typeert andermaal Bolivië. De Bolivianen zijn ontzettend vriendelijk, openhartig en gastvrij, maar sommige zien in de ogen van de gringo´s enkel dollartekens en eurogetallen. Mijn fietsenhersteller ziet ze echt wel in het kwadraat. Als je als reiziger niet sterk in je schoenen staat en je in het Spaans niet wat uit de slag kan trekken, dan word je hier vaak in de zak gezet. Nu, na een tijdje ken je zowat de prijzen van de elementaire levensbehoeften. Als ik niet zeker ben over de kostprijs van bepaalde goederen, dan wacht ik meestal tot er een paar mensen voor mij in de winkel staan. Ik luister en kijk aandachtig toe hoeveel ze exact betalen. Het is een tactiek die je veel geld kan doen besparen.
Ik probeer de fietsenhandelaar duidelijk te maken dat indien hij een eerlijke prijs had gevraagd, nu 5 of 7 Bolli´s rijker was geworden. Zijn oneerlijkheid brengt hem deze keer niks op. Ik stap op mijn fiets en geef de verbolgen fietsenhersteller het nakijken. Misschien had ik beter het adres van Luc Ostyn achtergelaten. De man zou er nog wat kunnen opsteken over klantvriendelijke service. Ik kan alleen maar hopen dat hij er een les uit trekt. Gringo´s... dollars... euro´s...
Een onverwachte gast... |
Bolivië - Tilipampa, 10-08-2007 - (dagboek 22) |
 |
 |
Het asfalt is inmiddels veranderd in een aarden grindweg, maar is naar Boliviaanse normen vrij goed berijdbaar. De weg slingert zich langsheen een glooiend landschap en in gedachten denk ik terug aan de diefstal van de voorbije nacht. Ach, zelfs zoiets heeft z’n positieve kanten. Als ik nu een lekke band rij, dan begint het avontuur pas echt. Ik heb al meerdere malen ondervonden dat de vakantie pas echt begint wanneer je in nesten raakt. Onvermijdelijk moet je beroep doen op derden, geraak je in contact met de plaatselijke bevolking en kom je op plaatsen waar je als toerist anders nooit terecht komt. Toen enkele weken terug één van m´n bagagedragers het begaf, heb ik zowat alle fietsenhandelaars van Uyuni afgelopen om uiteindelijk terecht te komen bij een garagist. Hij slaagde erin om feilloos de bagagedrager opnieuw te lassen. Mijn zoektocht naar hulp had me de kans gegeven om op een niet voyeuristische manier een glimp op te vangen van het dagelijkse leven van een gewone man in zijn eigen biotoop. Daarenboven is het de ideale manier om je kennis van een vreemde taal bij te schaven. Dankzij het voorval van de voorbije nacht weet ik nu tenminste dat een fietspomp in het Spaans ‘un inflador’ heet. Waar een diefstal allemaal niet goed voor is...
Rond een uur of drie in de namiddag fiets ik voorbij een dorpspleintje waar er een feest aan de gang is. Uit de boxen galmt oorverdovende Boliviaanse muziek en overal staan groepjes mensen te keuvelen. Ik vertraag en probeer het geheel gade te slaan. Enkele feestvierders merken me op en komen naar me toegerend. Ik krijg een kalebas met een voor mij onbekend brouwsel toegestopt: chicha, een mengsel gemaakt uit maïs, water en suiker. Het drankje laat men een tiental dagen fermenteren in aarden kruiken om het daarna in grote hoeveelheden te consumeren. Ze dringen aan om met hen mee te feesten en voor ik het goed en wel besef ben ik de eregast op het feest. Ik hou een korte toespraak waarin ik mezelf voorstel en het dorp bedank voor de onverwachte uitnodiging. Als teken van welkom en bescherming strooit men even later wat confetti over mijn hoofd. De ene chicha na de andere wordt me aangeboden. Het bruine sop wordt met een kalebas uit een plastic emmer geschept. De kalebas gaat van hand in hand tot de emmer leeg is. Aan drank is er duidelijk geen tekort en aan voedsel evenmin. Ik krijg een torenhoog bord met rijst, aardappelen, macaroni, kip en een onbeduidend ander stuk vlees voorgeschoteld. Enkele jonge gasten spelen wat verderop voetbal, terwijl enkel paartjes heel even de benen strekken. De sfeer is gemoedelijk. Er wordt gelachen, gekeuveld, gegeten en gedronken. Ik ben terecht gekomen in ‘la fiesta del campesinos’, een soort dorpsfeest. Terwijl ik de ene chicha na de andere naar binnen giet, stel ik me toch wel wat vragen bij de wijze waarop we in Europa met zachte dwang worden gepushed om allerlei dure snufjes aan te schaffen om ons te beschermen tegen diverse bacteriën. Zo zeul ik zelf al 11 maanden lang een peperdure waterfilter mee die ik tot dusver nog nooit heb gebruikt. Haast overal vind je flessenwater en wees nu eens eerlijk: Wie gaat er op zo´n dorpsfeest nu z´n waterfilter bovenhalen om het aangeboden drank te zuiveren? Wordt ons niet meer omwille van economische (lees: lucratieve) belangen allerlei zaken opgedrongen? Ik denk dat een lichaam een stuk resistenter wordt tegen allerlei ziektekiemen door een stuk de gewoonten en gebruiken van de plaatselijke bewoners over te nemen. Nu ja, het ene lichaam is ook het andere niet...
De naar cider smakende chicha vloeit rijkelijk en naarmate het feest vordert, merk ik dat heel wat feestvierders serieus boven hun theewater geraken. Het drankje wordt door sommigen voorzien van een flinke scheut alcohol. Ik begin stilaan te begrijpen waarom de chicha is uitgegroeid tot de lievelingsdrank bij uitstek van de streekbewoners.
De fiets staat geduldig te wachten op zijn berijder, maar voor één keer denk ik niet aan de nog lange af te leggen weg. Ik kijk, observeer en geniet. Niet met het oog van een zoveelste toerist die al lang zijn camera zou hebben bovengehaald, maar als een toevallige, onverwachte gast; zonder binnen te dringen in de ziel van de feestvierders. De beelden sla ik op in mijn fotografisch geheugen, zonder geklik en zonder schaamtegevoel.
Rond een uur of zeven verlaat ik het feestgewoel dat stilaan begint te ontaarden in een dronkemansfeest. Door één van de dorpelingen krijg ik een bed voor de nacht aangeboden. Het was andermaal een dag van uitersten; een dag met hoogtes en laagtes, letterlijk, maar des te meer figuurlijk...
Een beroofde gringo... |
Bolivië - Tilipampa, 10-08-2007 - (dagboek 21) |
Het is haast een automatisme, maar nog voor ik goed en wel ben aangekleed, rits ik het tentzeil open en werp ik een blik in de richting van m´n stalen ros. Ik hou er niet van om m´n fiets onbeheerd achter te laten, ook al mag hij dan goed vastgeketend zijn aan een boom, op een kindersteenworp van m´n tent. Bolivië heeft niet meteen eenzelfde slechte reputatie inzake diefstal als zijn buurland Peru, maar 100 % veilig is het nergens.
M´n trouwe reisgenoot staat nog steeds op dezelfde plaats, maar toch merk ik meteen dat er iets aan ontbreekt. Bij nader toezien bemerk ik dat mijn fietspomp is ontvreemd, evenals een kapotte binnenband die in m´n zadeltasje zat. Merde! Vooral het feit dat de weg er binnen enkele kilometers ongeasfalteerd bij ligt en dit voor een goeie 250 km, stemt me niet bepaald gelukkig. Als ik lek rij, kan ik me niet eens behelpen.
Even verderop zie ik dat de restaurantuitbater -waar ik de avond voordien iets gegeten had- doelloos voor zich uitstaart, zittend op een houten bankje. Ik kan mijn teleurstelling nauwelijks onderdrukken en vertel hem ontzet over de diefstal. Vooral het feit dat ik Bolivië vergelijk met Peru inzake onveiligheid stemt de man niet bepaald vrolijk. Hij drukt me op het hart dat Bolivië een veilig land is en dat zijn dorp nog nooit te maken heeft gehad met delinquentie. Dan ben ik in ieder geval het allereerste slachtoffer. Terwijl ik m´n tent afbreek, verspreidt het nieuws van de diefstal zich als een lopend vuurtje. Wanneer ik vertrekkensklaar sta, is zowat de helft van het dorp komen opdagen. Ze vormen als het ware een erehaag van ongeloof. Het voorval zorgt voor de nodige beroering in het dorp. De gemoederen laaien zelfs heel even hoog op wanneer er een vemoedelijke dader wordt aangeduid. Vooral de ouderen van het dorp staan er wat perplex bij. De verontwaardiging is hoe dan ook groot. Op een gegeven moment stapt een oude man naar me toe en reikt me een fietspomp aan: “un regalo del pueblo...” De haast rituele overhandiging van het dorpsgeschenk wordt door enkele omstaanders op applaus onthaald. Ik voel me verlegen en ongemakkelijk, te meer omdat ik vind dat een eerlijke, onschuldige burger niet hoeft op te draaien voor de wandaden van een malafide persoon. De fietspomp heeft iets weg van een stuk antiek en ik merk meteen dat het ventiel niet past op mijn mountainbike-banden. Wanneer ik het geschenk teruggeef is de teleurstelling zichtbaar af te lezen op het gezicht van de weldoener. Desalniettemin bedank ik hem voor zijn royaal gebaar. Ik neem afscheid en spring op m´n fiets voor een volgende etappe. De dorpelingen wuiven me uit en wensen me een goeie reis toe. De beroofde gringo zal ongetwijfeld het gespreksonderwerp van de dag zijn...
Een zinvol project... |
Bolivië - Moytulo, 09-08-2007 - (dagboek 20) |
 |
 |
Sucre heb ik zojuist verlaten en ik ben op weg naar m'n volgende bestemming, Cochabamba. Ik hoop de 380 km in vier dagen af te leggen, zodat ik ruimschoots op tijd ben om ten volle te genieten van het feest van Urkupiña te Quillacollo. Het Mariafeest (Virgen de la Urkupiña) is een mengeling van religie, folklore en losbandigheid. Een feest dat drie dagen duurt.
Ik moet in alle eerlijkheid bekennen dat ik in Sucre relatief weinig cultuur heb opgesnoven. De haast zomerse temperaturen waren een ware verademing na de ‘vorstelijke’ weersomstandigheden van de voorbije weken en nodigden niet bepaald uit tot musea- en kerkbezoeken. Nu, daar ik wellicht eind augustus terugkeer naar Potosí om er ‘la fiesta de los Chíutillos’ (het feest van Bartolomé) bij te wonen, zal ik van de gelegenheid gebruik maken om een tussenstop in te lassen in Sucre om er alsnog één en ander te bezoeken.
Gisteren heb ik wel nog de kans gekregen om een instelling te bezoeken voor kinderen en volwassenen met een mentale handicap. De uitnodiging kwam er op vraag van twee andere fietsers die ik voor het eerst had ontmoet in Uyuni. Stefan en Anita zijn reeds drie jaar met hun tandem onderweg; vertrokken van hun thuisfront Oostenrijk voor een fietstocht rond de wereld. Op een gegeven ogenblik kregen ze een mail van iemand uit Sucre met de vraag of ze hun toestemming wilden geven om hun dagboekverslagen op een dvd te zetten en te verkopen. De opbrengst zou integraal ten goede komen van een project (het ITE) ter bevordering van de integratie van mensen met verlammingsverschijnselen. Bij mijn bezoek stelde ik vast dat ook de Belgische stad Hoogstraten het project heeft mee helpen financieren. Ik kreeg een rondleiding en kon met eigen ogen zien hoe efficiënt de verworven centen werden aangewend. Tien jaar geleden was er voor deze groep uit de samenleving geen enkele opvang voorzien. In Bolivië worden vrouwen die een kind met een handicap baren, vaak door de man in de steek gelaten. Om te overleven zijn de vrouwen verplicht werk te zoeken, waardoor het kind de hele dag verwaarloosd aan z´n lot wordt overgelaten. Vrouwen die door een ongeluk in een rolstoel terecht komen zijn vaak hetzelfde lot beschoren. Met de oprichting van het fysiotherapeutisch centrum krijgen kinderen en volwassenen de nodige aandacht. Vrouwen die een kind hebben met een handicap krijgen bovendien de kans om te werken in het centrum als naaister. Door het afsluiten van contracten met scholen en organisaties slagen ze erin om opdrachten binnen te rijven die hen in staat stellen om een deel van de werking te bekostigen. Binnenkort wordt een banketafdeling opgestart, enerzijds ten behoeve van het centrum, maar anderzijds om de zelfgebakken produkten te verkopen. Het initiatief zal ongetwijfeld het voortbestaan van de instelling verzekeren.
Bij m´n vertrek uit Sucre stel ik vast dat ik een lekke band heb; de zevende op m´n zwerftocht en de tweede in Bolivië. Het zou me niet verwonderen mocht ik hier alle records verbreken inzake lekke banden. Het late vertrekuur wordt ruimschoots gecompenseerd door een fikse en lange afdaling. Ik voel me evenwel niet 100 % op mijn gemak, want enige tijd geleden heb ik mijn fietshelm verloren. Het Oostenrijkse koppel wist me evenwel te vertellen dat ik in Cochabamba een goeie fietsenzaak kan vinden, waar zowat alles te koop is. Met het glooiend Boliviaans landschap zal de aankoop van een fietshelm geen overbodige luxe zijn.
Na een goeie 60 km kom ik aan in Moytulo, een piepklein dorpje van amper een 200-tal zielen. Een hostal is er niet en dus zet ik er maar m´n tent op. In een mum van tijd krijg ik assistentie van een zestal kinderen. Het opzetten van ‘m´n huisje’ is voor hen dé attractie van de dag. Sommige haringen moeten er wel aan geloven, maar al doende leert men. Ze vinden het reuzeleuk en het liefst zouden ze met z´n zessen de nacht in mijn tent willen doorbrengen. Helaas is er maar plaats voor één zwerver, een verdwaalde...
Dag van de onafhankelijkheid... |
Bolivië - Sucre, 06-08-2007 - (dagboek 19) |
 |
 |
 |
 |
Tricolore vlaggen en banners fleuren ‘la Casa de la Libertad’ op en vanuit één van de zijstraten weerklinken vrolijke marsdeuntjes. Het is zeven uur in de ochtend, 6 augustus en nationale feestdag in Bolivië. Langs de kant van de weg staan gewapende soldaten in slagorde opgesteld, als waren het pionnen van het ‘Risk’-gezelschap. De fanfaremuziek zwelt aan en enkele honderden kijklustigen reiken hun hals een paar centimeter hoger. Giraffen met nieuwsgierige kinderogen...
Opeens hoor ik handgeklap, gevolgd door “Viva el presidente!”. Op de drempel van het Vrijheidshuis zwaait een wat vermoeid uitziende Evo Morales een hondertal vroege vogels toe. Zijn lijfwachten springen schichtig om hem heen, als waren het paashazen op zoek naar eieren. De meute volgt zijn spoor tot hij even later doorheen het portaal van de kathedraal verdwijnt.
Evo Morales kwam in januari 2006 aan de macht, nadat zijn partij, de MAS (Movimento al Socialismo) de verkiezingen had gewonnen. Sinds het bestaan van Bolivië is hij de eerste inheemse president. Evo Morales betekent voor de indiaanse bevolking (goed voor zo´n 72 % van de 8 miljoen inwoners) dan ook wat Nelson Mandela voor Zuid-Afrika betekent. Het gewone volk stelt al hun hoop op hem en ijvert dan ook voor een radicale maatschappijverandering en een verbetering van hun economische en sociale situatie. Een proces van lange adem, want Bolivië blikt terug op een weinig rooskleurig verleden.
Zo heeft het land in de voorbije 175 jaar maar liefst 192 regeringen gekend. Velen daarvan waren militaire dictaturen die vooral grote economische schade hebben aangericht. In het begin van de jaren ’80 was het land volledig failliet. De inflatie bedroeg meer dan 1000 % en binnen een paar jaar was het geldelijk bezit niets meer waard. Sinds 1985 loopt het land aan de leiband van het Internationaal Monetair Fonds en heeft de Wereldbank Bolivië een streng Structureel Aanpassings Programma (SAP) opgelegd. Alle staatsbedrijven -sinds de bekende socialistische revolutie van 1952- zijn geprivatiseerd en overgegaan in handen van buitenlandse multinationals. De aristocraten hebben decennia lang alle macht naar zich toe getrokken waardoor er in het land een schrijnende ongelijkheid is ontstaan tussen rijk en zeer arm.
De overwinning van Evo Morales werd in de VS en door de rijke Bolivianen met argusogen onthaald. De man van het volk richt zijn beleid vooral op gezondheidszorg, scholing, nationalisering van de aardgasexploitatie en de herverdeling van de landbouwgronden. Een beleid waar vooral de begoede Bolivianen, die naar de oppositie zijn verwezen, niet erg mee opgezet zijn. Ook zijn plan om de privatisering -of beter gezegd de plundering van Bolivië door buitenlandse bedrijven- zoveel mogelijk tegen te gaan, stuit op groot verzet.
Toch is hij al aardig op weg om geschiedenis te schrijven. Zo slaagde hij er reeds in om een wet over de herverdeling van de landbouwgronden goed te laten keuren. Arme boeren kregen recht op gronden die al jaren braak lagen. De maatregel tastte rechtstreeks het belang van de grootgrondbezitters aan en zorgde begin dit jaar nog voor zware rellen. De brandhaarden lijken voorlopig geblust en onder controle, maar de spanning blijft voelbaar aanwezig. Op de herdenkingsdag van de onafhankelijkheid (6 augustus 1825) is dit niet anders, integendeel. Wanneer ik twee uur later me een plaatsje weet te bemachtigen voor ‘la Casa de la Libertad’ voel ik een toenemende onrust bij de vele honderden omstaanders. Eenheden van de politie vormen een menselijke barricade tussen de massa. De sfeer wordt steeds grimmiger en voor ik het goed en wel besef, zit ik te midden van een woelige demonstratie. Aan de ene kant bevinden zich de sympathisanten van Evo Morales, aan de andere kant een harde kern van tegenstanders. Het zijn voornamelijk bewoners van Sucre die het niet langer nemen dat hun stad het kleine broertje blijft van de hoofdstad La Paz. In het begin van de 19de eeuw verhuisde de politieke macht (parlement, presidentieel paleis, ambassades,...) naar La Paz en wist Sucre enkel het officiële predikaat van hoofdstad te behouden. De bewoners voelen zich nog steeds verraden en achtergesteld. Ze nemen het Evo Morales kwalijk dat hij geen enkele poging onderneemt om de situatie te veranderen. Op commercieel en industrieel vlak stelt Sucre niets voor en ook de toegangswegen naar Sucre zijn anno 2007 (op de weg naar Potosí na) niet geasfalteerd.
De witte vlaggen met het rode kruis als symbool van de stad zwaaien kleurrijk tussen de geïrriteerde betogers. Ze scanderen leuzes: “Este Sucre, Sucre se respecte!” en “Bolivia! Unidad! Con Sucre Capital!” De stemming wordt alsmaar grimmiger naarmate de aanhangers van de president op hun beurt hun steun luidkeels betuigen. Ik bevind me te midden van twee vuurhaarden, gelukkig veilig afgeschermd door een escorte politieagenten. De bufferzone lijkt ook de plaats te zijn waar pers- en cameralui zich hebben verzameld. Als enige toerist zit ik zowat in de vuurlinie en slaag ik er moeiteloos in om foto´s te maken van de ontevreden betogers. Wachtend om nog een glimp op te vangen van de president, geraak ik aan de praat met François, een fransman die een documentaire maakt over de regeringsperiode van Evo Morales. Hij filmt zowat alle sleutelmomenten en terwijl we soms ei zo na verpletterd worden door een woedende menigte, schetst hij een beetje de politieke situatie van het land. Pas tegen de klok van één uur zet het defilé zich moeizaam in gang. Fanfares en vlaggenzwaaiende groepen defileren één voor één voorbij het oog van de vele kijklustigen die urenlang de brandende zon hebben getrotseerd. Wellicht om de gemoederen niet nog meer op te hitsen, besluit de president zich niet meer in het openbaar te vertonen. Via een geblindeerde en geëscorteerde Mercedes ontsnapt hij aan het oog van de mensenzee die inmiddels is aangezweld tot meer dan duizend. Zijn sluikse vlucht wordt op een fluitconcert onthaald. De ontgoochelde menigte blijft nog een tijdje leuzes scanderen, hopend dat Sucre ooit opnieuw eens een volwaardige hoofdstad wordt. Ik vrees dat Evo Morales andere prioriteiten heeft...
De gestolen gezichten van Tarabuco... |
Bolivië - Tarabuco, 05-08-2007 - (dagboek 18) |
 |
 |
 |
 |
De wekker loopt af rond kwart voor zes ´s morgens. De vermoeidheid van de rit Betanzos – Scure is nog duidelijk voelbaar, maar wil ik de bus naar Tarabuco halen, dan zit er niks anders op dan de nacht in te ruilen voor de dag. Een half uur later zet een collectivo (bus) me af aan de terminal. Bussen naar Tarabuco vertrekken evenwel van een andere plaats en dus wip ik een taxi in. Net op tijd, want de bus staat reeds vertrekkensklaar. De taxichauffeur vraagt een schandalig hoog bedrag. Veel tijd om te negotiëren is er niet en wisselgeld heeft hij al evenmin. Ook de buschauffeur kan m´n 50 Bolli´s (€5) niet wisselen. De taxichauffeur springt de bus op en er ontstaat een hele heisa. Uiteindelijk verdwijnt hij met m´n centen. Enkele ogenblikken later stopt een vrouw me 40 Bolli´s wisselgeld toe. Voor de taxirit van welgeteld zes cuadras (huizenblokken) heb ik 10 Bolli´s of één euro betaald. De busrit Sucre – Tarabuco (60 km) kost slechts 7 Bolli´s (€ 0,7). Reizen in Bolivië zonder kleingeld kan je duur te staan komen, letterlijk...
De bus zit afgeladen vol en zet zich moeizaam in gang. Als een haring in een ton zit ik geplet tussen tientallen autochtonen. Uit de muziekboxen galmen zuiderse klanken, terwijl de bus zich een weg baant doorheen een glooiend landschap. Tien minuten later houden we even halt. De bus wordt bestormd door vrouwen met plastieken teilen waarop etenswaren gewikkeld in plastiekzakken te koop worden aangeboden. Twee kilometer verder geurt de bus naar een wereldkeuken. De specerijen vermengen zich met de indringende reuk van cocabladeren. Geuren en kleuren, ze vormen een constante in het hedendaagse Bolivië.
Het is nog relatief vroeg wanneer we het kleine indianendorp binnenrijden, maar niettemin gonst het er al van bedrijvigheid. Rondom het centrale plein vormt een lappendeken van geweven textiel een zee aan kleurtinten. Je zou er voor minder kleurenblind van worden... Ik moet me inhouden om me niet te laten verleiden tot de aankoop van een handgemaakt wandtapijt. De fietstassen kreunen nu reeds onder het overgewicht... Tarabuco lijkt wel één grote markt, want ook in de aanpalende zijstraten sieren kraampjes het straatbeeld. De handel is hier overduidelijk het werkterrein van de vrouwen. Van overal komen ze samengestroomd. Ze zeulen hun winkeltje op hun rug, gewikkeld in kleurrijke doeken, zoeken een plaatsje tussen de andere kraampjes en spreiden hun koopwaar uit op de grond. Er wordt gekocht, verkocht, gegeten, gedronken, gelachen, geroddeld en gekeuveld. Cocabladeren gaan er vlot van de toonbank, maar ook kruiden, wierookkorrels en gelukbrengers om te offeren aan Pacha Mama (Moeder Aarde) wisselen vlotjes van eigenaar. Het is een wereld op zich waar alle zintuigelijke elementen samenvloeien tot een haast niet te fotograferen beeld. En dit laatste moet helaas letterlijk genomen worden. Tarabuco is in de loop der jaren uitgegroeid tot de meest toeristische Boliviaanse markt. Vooral de unieke klederdracht en de speciale hoofddeksels die de indianen dragen, verklaart de bijzondere aantrekkingskracht. Vanuit Sucre vertrekken dan ook elke zondagmorgen bussen volgeladen met toeristen. Ze dragen op hun buik opvallende spiegelreflexcamera´s waarmee ze binnendringen in de privacy van de dorpelingen. We zijn voyeurs die geen respect tonen voor de eigenheid van de mens. We klikken ongevraagd af, stelen een stukje van hun ziel en lopen nonchalant verder, zonder blikken of blozen. Voor ons zijn ze gewillige mannequins... Ze leiden een leven verweg van de catwalk, zonder glitter en glamour, maar in hun eigen biotoop. Dat maakt hen natuurlijk fotogeniek, maar wat geven we hen terug? We eisen het recht op om hen in te blikken, we plaatsen hen ongevraagd op het wereldwijde web, zonder naam, zonder toestemming... Ik betrap me erop dat ik net zo handel als alle andere toeristen, schaamteloos en oneerbiedig.
Vlakbij de groentenmarkt merk ik een veertigjarige toerist op. Ietwat verdoken opgesteld, richt hij een kanjer van een telelens op het gelaat van een verkoopster. Hij zoemt in, stelt scherp op het getaande gelaat en klikt af. Vijf seconden later is hij weg. Het gestolen gezicht blijft verweesd achter, onwetend en nietsvermoedend... Ondanks het ongemakkelijk gevoel, blijft de drang naar het visueel vereeuwigen zich opdringen. De indianen hebben bijna allen een hoed op, die van dorp tot dorp verschillend is. Sommige hoofddeksels hebben iets weg van de helm van een conquistador. Ook hun kleurrijke poncho´s spreken tot de verbeelding.
Rond drie uur in de namiddag hou ik het evenwel voor bekeken en zoek opnieuw een bus richting Sucre. Voor het vertrek controleert een militair of er niet meer passagiers worden meegenomen dan het aantal beschikbare zitplaatsen. Twee straten verder staan nog eens een vijftiental passagiers de bus op te wachten. Ze worden probleemloos opgepikt, ook al is de toegelaten capaciteit van dertig reizigers al lang overschreden. Het typeert Bolivië in de wijze waarop mensen hier de wet naar hun hand zetten. Vaak heb ik de indruk dat hier totale chaos heerst. Alles kan, alles mag. Zo zag ik op weg naar Sucre een tientonner voorbijrijden, bestuurd door een dreumes van wellicht nog geen dertien jaar oud. De snotneus zwaaide me breedlachend toe, terwijl de (vermoedelijke) vader fier zijn duim in de lucht stak. Veiligheid op de weg kan hier wel in vraag gesteld worden. Ook het probleem van de milieuvervuiling lijkt in Bolivië geen prioriteit te kennen. Bussen spuiten ongestoord zwarte uitlaatgassen uit en de wegen lijken op sommige plaatsen een stortplaats van afval. Mensen hebben geen enkele verantwoordelijkheidszin en gooien alles wat niet langer bruikbaar is langs de kant van de weg. Bolivië heeft nog een lange weg af te leggen...
Een geasfalteerde, zonnige afdaling... |
Bolivië - Sucre, 04-08-2007 - (dagboek 18) |
 |
 |
Op mijn weg naar Sucre ben ik gisteren gestopt in Betanzos, een dorpje op een goeie 40 km van Potosí verwijderd. Aanvankelijk had ik gedacht er de zondagsmarkt mee te pikken, maar inmiddels zijn de plannen gewijzigd. De hoteleigenaar wist me te vertellen dat er van 14 t.e.m. 16 augustus in de buurt van Cochabamba een uitzonderlijk feest plaatsvindt, nl. ´la fiesta de Urkupiña´. Indien ik in Betanzos was gebleven, dan was een bezoek aan de beroemdste Boliviaanse zondagsmarkt te Tarabuco (60 km van Sucre) uitgesloten en zou ik wellicht te laat in Cochabama aankomen.
En zo ben ik dus onderweg naar Sucre om er morgen de kleurrijke indianenmarkt te bezoeken. Voor het eerst sinds mijn aankomst in Bolivië draait asfalt onder mijn wielen. Na de ripio van de voorbije weken voelt het beton aan als een hemels gevoel. Mijn geluk wordt nog versterkt door een dalend hoogteverschil van maar liefst 1300 meter. Ik haal pieken tot 65 km/u en voel de wind als een zachte streling doorheen m´n wilde haren waaien. Omgekeerd evenredig met de dalende hoogte, stijgt de temperatuur tot boven het gemiddeld Belgisch zomerweer. Mijn euforie wordt evenwel wat getemperd wanneer de fikse afdaling gevolgd wordt door een pitte klim.
Het scenario herhaalt zich nog enkele keren en zorgt ervoor dat ik pas rond tien uur ´s avonds de 2700 meter hoge ‘witte’ stad, Sucre, binnenfiets. Ik vind vrij snel een hostal in de buurt van het centrum, alsook een restaurantje. Na de lange fietstocht (110km) heeft 'el bife de lama' nog nooit zo lekker gesmaakt, en de bijhorende overvloedige saladbar maakt het geheel ronduit verrukkelijk. Zelfs de Boliviaanse keuken blijft me hoe langer hoe meer verrassen. Ik ben benieuwd of de kleurrijke zondagsmarkt me morgen evenveel zal bekoren...
Fietsend met God achterop... |
Bolivië - Potosí, 03-08-2007 - (dagboek 17) |
 |
 |
 |
 |
Potosí heeft me, op het onthutsende mijnbezoek na, aangenaam verrast. Het was aanvankelijk wat wennen aan de chaotische verkeersdrukte en de massastroom van mensen, maar dat maakt nu eenmaal deel uit van een grootstad. Als je het centrum wat vermijdt, dan ontdek je het ware gelaat van Potosí, dat van vergane glorie die zich weerspiegelt in prachtige balkonnen die menig huis sieren. Ze vormen naast de koloniale gebouwen de tastbare restanten van de Spaanse overheersing. De kleine, kronkelende straatjes, de afgebladerde gevels, el ‘Cerro Rico’, de verbluffende barokarchitectuur, de majestueuze kerken, la Casa de la Moneda,... Het zijn stuk voor stuk nostalgische elementen die deel uitmaken van een authentieke openluchtverzameling. Dit levendig museum zorgt ervoor dat je eindeloos blijft flaneren, tussen heden en verleden, tussen de liefde en de leegte.
Op m´n zwerftocht naar het mijnverleden in Potosí kwam ik terecht in ‘la Casa de la Moneda’, een grotesk koloniaal gebouw waar de Spanjaarden destijds de munt sloegen van het Spaanse rijk en het hele Zuid-Amerikaanse continent. Reusachtige raderwerken die werden aangedreven door aanvankelijk slaven en later door muilezels, persten het zilver tot zilverstaven die men dan in een later stadium tot munten sloeg. Rond 1870 werden stoommachines ingeschakeld in het produktieproces. Bij het bezoek aan de muntslagerij viel het me op met hoeveel zorg Bolivië zijn patrimonium en erfgoed onderhoudt.
Ook het klooster-museum Santa Teresa is daar een treffend voorbeeld van. Het klooster van de karmelietessen van Santa Teresa de Avila dateert van 1685 en bestond vroeger uit een gemeenschap van 21 gelovigen. Tot halverwege de 20ste eeuw was de toetreding tot de orde enkel weggelegd voor meisjes uit rijke en adelijke Spaanse families. De familie moest immers een gifte doen, een soort bruidschat betalen, in klinkende munt of via het schenken van waardevolle kunstwerken. Op die manier heeft het klooster een fortuin aan schatten weten te verzamelen die momenteel te bewonderen zijn in het immense complex. Twee uur lang werd ik door een zeer gepassioneerde gids op sleeptouw genomen en viel ik van de ene verbazing in de andere bij het horen en zien van de ongelooflijk strenge levenswijze die de zusters erop na hielden. Wie binnentrad in het klooster, verpande z´n ziel en leven aan God. Tot 1975 was uittreding niet mogelijk en zelfs bij hun dood werden hun stoffelijke resten begraven in het klooster. Contact met de familie vond plaats in de ontvangstkamer. Ze konden elkaar horen, maar niet zien. Het familiebezoek gebeurde bovendien in aanwezigheid van een andere zuster. Overdag mochten ze slechts twee uur met elkaar praten, in de recreatieruimte en dit op voorwaarde dat men zich ondertussen bezig hield met ‘nuttige’ zaken (borduren, strijken,...). Zinledigheid en échte ontspanning was er uit den boze. De versoepeling van het regime gaat terug tot 1975, maar zelfs ondanks de minder stoïcijnse levenswijze is het aantal volgelingen geslonken tot acht.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik m´n hoed afdoe voor zoveel devotie, maar prijs me echt wel gelukkig dat ik niet opgesloten zit in deze gouden kooi. Geef mij maar de drang naar avontuur, de lokroep van het zwervers-syndroom, de passie van de pedalen. En wie weet, met een beetje geluk zit God wel af en toe eens achterop...
Hedendaagse slavernij... |
Bolivië - Potosí, 31-07-2007 - (dagboek 16) |
 |
 |
 |
 |
Een mini-busje pikt mij om iets over negen 's morgens op, samen met een tiental andere toeristen, om 'el Cerro Rico' te gaan bezoeken. Aangekomen aan de voet van de majestueuze zilverberg stoppen we aan een mijnwerkersmarktje. Vrouwen in traditionele outfit zitten er op de grond en verkopen er cocabladeren, geluksbrengers, sigaretten, alcohol en frisdrank. Een zijstraat verder kan je dynamiet -vrij te koop- aanschaffen. Het is een ongeschreven wet dat toeristen kleine ‘presentjes’ geven aan de mijnwerkers en dus leidt onze gids ons naar één van de vele kraampjes waar cocabladeren en limonade per eenheidspak verkocht worden. De manipulatie zint me niet en dus sla ik een voorraad cocabladeren in bij de concurrentie. Gezamenlijk beslissen we om één dynamietstaaf te kopen om die dan als een soort ‘regalo’ (geschenk) aan een groepje mijnwerkers te geven.
Vervolgens rijden we hotsend in de kleinste versnelling de heuvel op tot op een hoogte van 4300 meter, vanwaar we een panoramisch zicht hebben op de uitgestrekte stad. Een aantal meter van de mijningang verwijderd knutselt onze gids de lont, ontsteker en dynamietstaaf in elkaar en laat het pakketje springstof even verderop ontploffen. Het hoort blijkbaar bij de toeristische excursie. Geen enkele toerist lijkt verbolgen over het feit dat hij weer eens in de maling is genomen. Wat verderop zit een groepje mijnwerkers cocabladeren te kauwen. Het stilt niet alleen honger en dorst, maar naar het schijnt zou het ook vooral als filter dienst doen voor de vele gifgassen, zoals arsenicum en kwik. Ik vraag me af wat ze denken van ons, verspilzuchtige en oneerbiedige toeristen...
De Rosariamijn die we bezoeken behoort toe aan de coöperatieve Unficada en telt zo´n 50 mijnwerkers. Vandaag bestaat ‘el Cerro Rico’ uit zo´n 39 coöperatieven die samen 16.000 mensen tewerkstelt. Gemiddeld verdienen ze een een goeie 3000 Boli’s (€300). In ruil moeten ze wel 12 uur per dag werken en dit zes op zeven dagen. Sinds een drietal jaar is de wereldmarktprijs van het zilver opnieuw gestegen en is het werken in de Potosí-mijn terug lonend.
De rijkdom van deze mijnberg kwam eerder toevallig aan het licht, toen een Inca-indiaan in 1545 van onder zijn kampvuurtje tranen van zilver zag smelten. Het toenmalig vaderland Spanje zat in die tijd met een wankele staatseconomie en dankzij de ontdekking van die koloniale zilverberg werd zij zo van een verdere ondergang gered. Mede door de invoering van de mita, de dwangarbeid in de mijnen, profiteerde Spanje massaal van de goedkope indiaanse arbeidskrachten en kon op die manier zijn enorme schulden aan de grote Europese banken inlossen. Zo lag de enorme zilvervloed uit de mijn van Potosí mee aan de basis van het jong Europees kapitalisme. Ook Potosí werd rijk en aan het eind van de 16de eeuw was de stad met z´n 160.000 inwoners belangrijker dan Londen en Parijs. De rijkdom vertaalde zich in schitterende koloniale gebouwen en majestueuze kerken. De roof van ‘el Cerro Rico’ kostte evenwel 6 miljoen indianenlevens. Ze stierven door uitputting of vergiftiging door kwikdampen die bij de behandeling van zilver vrijkwamen. Halverwege de 18de eeuw droogden de zilveraders op en de stad raakte langzaam maar zeker in verval. Men schat dat Potosí halverwege de 19de eeuw nog nauwelijks 10.000 inwoners telde. Er kwam een heel korte opleving toen er tin werd ontdekt, maar de bloei was van korte duur omdat de exploitatie na enkele jaren niet meer winstgevend bleek te zijn. In 1952 viel ook deze mijn, mede door de mijnstaking in Pulacayo, in handen van de staatsonderneming Comibol. In 1986 werd de mijn grotendeels gesloten bij gebrek aan voldoende rendement. Mijnwerkers verlieten massaal de eens zo rijke stad en zochten hun geluk in de valleien rond Cochabamba waar massaal coca werd geteeld. Uiteindelijk vormden zich de eerste coöperatieven. Sinds een drietal jaar kent de zilvermijn opnieuw een bloei, mede door de ondekking van een nieuwe zilverader en de vrij sterke handelsprijs van het zilver op de wereldmarkt.
Met elk een mijnlamp in de hand banen we ons via de hoofdingang een weg doorheen de tunnel. Er loopt een smal spoor waarop zwaarbeladen karretjes met erts worden voortgeduwd. Herhaalde malen moeten we ons tegen de wand drukken wanneer zo’n wagonnetje komt aanstormen. De inhoud wordt enkele tientallen of soms honderden meters verder uitgekieperd en via rubberen manden naar boven gehesen. De mijn is 155 meter diep en telt 4 verdiepingen zonder lift. Op sommige plaatsen is het ijzig kou. Daar waar geen ventilatie is, stijgt de temperatuur gemakkelijk tot 45 graden Celsius. In één van de schachten zien we enkele kompels druk in de weer met spade, houweel, beitel en hamer. De temperatuur is er ondraaglijk warm, de lucht verstikkend ongezond. We overhandigen limonade en cocabladeren. Ik schaam me om hier als een soort voyeur rond te lopen, want ondanks coöperatie en syndicaten is het niets meer dan slavenarbeid. Toch bemerk ik een zekere trots bij de mijnwerkers, waarvan sommigen nauwelijks 17 jaar oud zijn. Ze vinden het een hele eer om hier net als hun vaders en voorvaders aan de slag te kunnen.
Het werken in de mijn is naar Boliviaanse normen vrij goed betaald. Het loon van een leerkracht ligt rond de 1200 Boli´s (€ 120) of slechts 1/3de van wat een mijnwerker gemiddeld verdient. Het geld primeert boven een leeftijdsgrens die vaak de 45 jaar (wegens de ongezonde werkomgeving) niet overschrijdt. Ik voel hoe de toxische gassen me onwel maken. Of is het de zuurstofarme lucht? Ik hou me sterk en even later volg ik de groep die zich via een ertslaag toegang verschaft tot een lager gelegen mijnschacht. In de hele mijn zijn er zo´n 10.000 ertslagen of tailles die tussen 50 en 1000 meter lang zijn. Het lijkt wel of ik op stap ben met een speleo-expeditie. We houden nog even halt bij de mijnduivel Tio. Oorspronkelijk sprak men van ‘Dios’, God. In de Quechua-taal ontbreekt evenwel de letter d en dus kreeg de beschermgod van de mijnwerkers de naam ‘Tio’. Cocabladeren, sigaretten, geluksbrengers en slingers versieren het duivelsbeeld. Onze gids legt er op zijn beurt wat cocabladeren bij. Hij bedankt de duivelgod dat het toerisme hem uit de mijn heeft gehaald. Na twee en een half uur zijn we terug bij de hoofdingang.
Op de terugweg vraag ik de gids hoeveel procent van datgene wat de toeristen betalen voor de excursie naar de mijnwerkers gaat. Hij is duidelijk verrast en aarzelend omzeilt hij mijn vraag. Na enig aandringen, beweert hij dat zijn agentschap 15 procent afstaat aan de coöperatieve. Omgerekend zou het agentschap vandaag welgeteld 7 euro hebben afgestaan en zelf 43 euro hebben opgestreken. Ook het toerisme zal de komende jaren de ongelijkheid in de wereld nog niet onmiddellijk uit de wereld helpen. Integendeel...
Opvallende verschillen... |
Bolivië - Potosí, 30-07-2007 - (dagboek 15) |
 |
 |
 |
 |
Inmiddels ben ik aangekomen in Potosí, een rustig, koloniaal stadje gelegen op zo´n 4000 meter hoogte. Nu ja, rustig... Gisteren, zondag, leek de stad zowat ingeslapen. Vandaag, maandag, bruist het hier als geen ander. Op straat tref je niet alleen een wriemelende mensenzee aan, maar evenzo onvoorstelbaar chaotisch verkeer. Toen ik hier twee dagen geleden per fiets aankwam, werd ik haast van mijn sokken gereden. De hele weg doorheen het centrum hoorde ik de ene wagen na de andere calxoneren. Ik begreep er niets van. Pas na een kwartier stelde ik vast dat men hier toch wel een heel bijzondere voorrangsregel op na houdt. Wagens die een kruispunt naderen, kondigen hun komst aan met hun claxon. Wie eerst toetert, krijgt voorrang. Ja, ik sta natuurlijk mooi voor aap met mijn kleine fietsbel...
Potosí is meteen ook mijn eerste grote stad in Bolivië. De verschillen met de vorige landen die ik reeds heb aangedaan zijn opvallend. Zo onderscheiden het gros van de Boliviaanse vrouwen zich door hun typische, traditionele klederdracht: ronde bolhoedjes, brede plooirokken, inktzwarte lange vlechten en wollen poncho´s. Op hun rug dragen ze een kleurrijke, brede sjaal. Aan de vorm kan je meestal opmerken of er een in mummie gewikkelde baby zit opgerold. Als ik hen voorbij zie wandelen dan vraag ik me af hoe zo´n diep ingeduffeld kind in Gods naam kan ademen. Of ligt het meestal vredig te slapen zo dicht tegen de moeder aan?
Een tweede opvallend verschil is dat de straten nog meer dan in Argentinië, Chili, Uruguay en Paraguay één grote markt vormen. Overal staan stalletjes opgestald, vaak niet meer dan enkele opgestapelde kartonnen dozen, torenhoog, waarin ze hun spullen tentoonspreiden. Hun gamma bestaat vaak uit zoetigheid, maar soms ook uit toiletartikelen en elementaire voedingswaren.
Evenzo verschillend zijn de heel rudimentaire hostals, vooral in de kleinere dorpen en steden. Elektriciteit is er vaak niet of soms maar voor een uur of drie. Stromend water is al een grote luxe en warm water een schaarse uitzondering.
In Bolivië leer je tevreden zijn met weinig, soms met bitter weinig. In ruil voor het geringe comfort word je evenwel ontzettend gastvrij ontvangen. Mensen, groot en klein, zwaaien je lachend toe en wensen je een goeie reis. De gastvrijheid omarmt je als een welkome gast. Een gevoel dat ik gisteren nog aan de lijve ondervond toen ik een beurs bezocht waar het lama-produkt in al zijn facetten werd gepromoot. Aanvankelijk wou ik het ‘Tinku’-feest bijwonen, een ritueel gevechtssport dat teruggrijpt naar de Inca´s en bloederige confrontaties, zoals oorlogen, moest voorkomen. Helaas vindt deze bijzondere eendagsstrijd maar één keer per jaar plaats, meerbepaald op de tweede mei. Als alternatief was een bezoek aan de lama-beurs even indrukwekkend: stands met artisanale produkten, een schoonheidswedstrijd onder lama´s, een culinaire wedstrijd met typische Boliviaanse gerechten, een modeshow met diverse artisanale lamaprodukten, ... Als vrijwel enige buitenlander werd ik uitgenodigd om mee te proeven van de culinaire talenten van de Boliviaanse vrouwen. Vraag me niet meer naar de Quechua-namen van de verschillende gerechten, evenmin naar wat ik precies gegeten heb, maar eerlijk gezegd het smaakte naar meer.
De komende dagen wil ik de stad uitgebreid verkennen, met wellicht als absoluut hoogtepunt het bezoek aan ‘el Cerro Rico’, de grootste zilvermijn van Bolivië. Ongetwijfeld zal het een onthutsende confrontatie worden op mijn verdere zoektocht naar het zware en droevige mijnverleden...
Reizen: de beste leerschool... |
Bolivië - Agua de Castilla, 27-07-2007 - (dagboek 14) |
 |
 |
 |
 |
Gisterennamiddag was ik na m´n leerrijk bezoek aan de zilvermijn van Pulacayo nog doorgefietst tot in Tictica, een onbeduidend dorpje op mijn doortocht naar Potosí. Daar ontmoette ik Jean-François, een wat bizarre zestiger afkomstig uit het Franse Grenoble. In het gewone leven is hij lesgever wiskunde, maar in zijn vrije tijd toert hij rond in Zuid- en Midden-Amerika, letterlijk. Tot vijf jaar terug deed hij dat op zijn eigen Solex. Tegenwoordig koopt hij in het land dat hij aandoet ter plaatse een tweedehandse 125cc moto, rijdt er een week of zes, zeven mee rond en verkoopt die opnieuw door vooraleer hij huiswaarts keert. Zijn bagage bestaat uit een slaapzak, een paar boeken en een reservebroek. Slapen doet hij in eenvoudige hostals of soms, zoals hij het zelf uitdrukte, ‘sous les belles étoiles’. Harder dan 40 km/u tuft hij niet en het liefst brengt hij zijn tijd discussiërend door. Een wat eenzame, afgevlakte weerspiegeling van Che Guevara...
Ook nu weer slingert de weg zich bij het verlaten van Ticatica meteen de hoogte in. Sinds mijn vertrek uit Uyuni gaat de weg als een jojo op en neer. Telkens ik denk eindelijk de top te hebben bereikt, draait de weg nog eens een bocht hoger en hoger. Je zou stilaan denken dat je in de Andes nooit boven geraakt. Afdalingen zijn al vaak even lastig, want door het vele steengruis moet ik met grote omzichtigheid m´n tweewieler veilig naar beneden loodsen.
Rond drie uur in de namiddag kruis ik een fietsend koppel, twee Nederlanders zo blijkt. Rutger en Caroline zijn reeds 4,5 maand onderweg, vertrokken uit Quito (Ecuador) fietsen ze nog tot eind december door Zuid-Amerika met als laatste halte Ushuaia (Argentinië). Bij het uitwisselen van van e-mail- en websiteadres roept Caroline met enige verwondering: “Hé, maar die website ken ik. Dit is die site met de foto van de week.!” Ik val haast achterover van verbazing. “Ja, ik surf er af en toe wel eens naar, te meer omdat we stilaan naar het zuiden fietsen.” Na een half uur kletsen, nemen we afscheid en wensen elkander een goeie voortzetting van de reis.
Ik vervolg mijn weg en bedenk dat reizen in het gezelschap van je geliefde toch ook wel een meerwaarde kan opleveren. Je groeit naar elkaar toe, leert de kleine kantjes kennen en je ontdekt hoe afhankelijk je soms van de ander bent. Reizen lijkt me de beste manier om elkander te leren kennen; weg van alle luxe, van je vertrouwde omgeving, van familie en vrienden. Koppels zouden voor de beslissende stap eerst een paar maanden samen erop uit moeten trekken. Tijdens de reis zal al vlug blijken of de ondergrond van het nakende huwelijk bestaat uit los zand of gewapend beton. Reizen, het is in alle opzichten de beste leerschool...
Ik probeer er wat vaart achter te zetten, want wil ik morgen Potosí binnenfietsen dan zou ik vanavond nog het voorlaatste dorp, Porco, moeten bereiken. Opnieuw stijgt de weg en wanneer de duisternis valt, fiets ik doorheen een soort canyon. Aan weerszijden doemen gigantische rotswanden op. In het lichtschijnsel van een driekwart maan krijgt het landschap een wat luguber uitzicht, het filmisch decor voor een perfecte thriller. Het dorp Porco lijkt eindeloos ver en vooral eindeloos hoog.
Rond negen uur ´s avonds zie ik eindelijk in de verte een oase van licht. Ik moet m´n laatste reserves aanspreken om de resterende kilometers af te leggen. In het dorpje vind ik voor het eerst in drie dagen terug brood. De zoektocht naar een slaapgelegenheid verloopt minder vlot. Er blijkt maar één overnachtingsplaats te zijn, maar wanneer ik aanklop, krijg ik geen gehoor. De temperatuur is inmiddels gedaald tot -5 graden Celcius. Ik ben doodop en verkleum van de kou. Radeloos ga ik verder op zoek. Ik klamp een koppel aan die me de raad geeft om verder te fietsen tot in Porco, want daar is het aanbod aan overnachtingen ruimer. Ik begrijp er niets meer van. Het dorp waar ik aangekomen ben, blijkt Agua de Castilla te zijn. Porco ligt nog 5 km verderop en minstens 300 meter hoger. Ik voel hoe m´n laatste sprankeltje moed als sneeuw voor de zon wegsmelt. De man van het echtpaar is ervan overtuigd dat de eigenaar van het enige pension reeds slaapt en moedigt me aan om er nog eens m´n geluk te beproeven. Enkele minuten later (het is inmiddels iets over tienen ´s avonds) bons ik zowat de hele straat wakker, met succes. Twee slaperige ogen openen even later de metalen voordeur. In de logeerkamer staan twee ijzeren bedden, een houten tafeltje en een halfopgebrande kaarsstomp. Uitgeput plof ik me neer. De metalen veren van de versleten matrasbak zal ik door mijn vermoeidheid niet eens voelen...
Pulacayo: een tastbare, glorieuze geschiedenis... |
Bolivië - Pulacayo, 26-07-2007 - (dagboek 13) |
 |
 |
 |
 |
Toen ik gisteren vertrok uit Uyuni had ik mij een korte, haast zondagse
fietstocht voorgesteld. Niets was echter minder waar, want net als Potosí bleek ook Pulacayo op een hoogte van 4000 meter te liggen. De stenige, zanderige weg bezorgde me andermaal meer arm- dan beenspieren en met veel getrek en gesleur, bereikte ik in de late vooravond Pulacayo, waar de op één na grootste zilvermijn van Bolivië ligt.
Bij het informeren naar een begeleide rondleiding doorheen de stad en de mijn, had ik meteen de juiste persoon te pakken: Angel Riveira, lesgever van beroep, maar tevens ook zowat de wandelende encyclopedie van de stad. Bij gebrek aan enig alojamiento bood hij me z´n toeristisch infokantoortje aan om er te overnachten. We spraken af voor de volgende dag en enigszins opgelucht dat ik m´n tent niet had moeten opslaan, zocht ik de warmte op van m´n donzen slaapzak.
Om acht uur stipt staat m´n gids, Angel, klaar om me doorheen het glorieus verleden van z´n stad te loodsen. Pulacayo telde in zijn bloeiperiode een levendige gemeenschap van 20.000 zielen. Anno 2007 is de stad nog een schim van wat het ooit is geweest, maar waar de glorierijke geschiedenis nog tastbaar aanwezig is. Onze eerste halte brengt ons bij ‘el Estación de Locomotoras’. Verroeste, stalen en imposante locomotieven staan er als versteende monumenten. De ontwakende zon werpt z´n eerste lichtstralen af en versterkt de verloedering. In 1890 waren het de allereerste treinstellen die spoorden tot in het Chileense kuststadje Antofagasto. Tijdens één van die treinritten pleegde Amerika´s meest gezochte gangster, Butch Cassidy, één van z´n vele hold-ups. Het zegt iets over de belangrijkheid van de transporten en het Pulacayo van toen, nu nog slechts een spookstad waar amper 600 zielen wonen. Ze leven er van de landbouw en het hoeden van schapen.
“Het is ooit anders geweest”, vertelt Angel nostalgisch. “In de 19de eeuw was de mijn in handen van Huanchaca, de maatschappij van de zilverpatriarchen. Er werd Westerse kennis ingekocht. Met de komst van de Europese ingenieurs kwamen er ook Europese geneugten overgewaaid. Zo liet de nieuwe eigenaar van de mijn, de heer Patiño, in het begin van de jaren 1900 voor zijn ingenieurs een golfterrein en een bowlingbaan aanleggen.” Wanneer ik Angel vraag of dit geen spanning teweeg bracht met de gewone arbeiders antwoordt hij ietwat aarzelend. “Mijnwerkers hadden het hier bijlange niet zo slecht. Het werk was geen slavenarbeid zoals in de mijn van Potosí. De lonen lagen vrij hoog en er was een zeer goed uitgebouwde gezondheidszorg.” “Waar is het dan misgelopen?”, vraag ik hem met enige aandrang. “De ertsaders geraakten meer en meer uitgeput en de welvaart van toen daalde zienderogen. De Westerse ingenieurs verlieten de mijn en de mijnwerkers werden massaal op straat gezet. Het werken in de mijn was niet langer lonend. “En dit leidde tot de bekende mijnrevolutie van 1952?” Met een zucht beantwoordt hij knikkend mijn vraag, alsof hij er zelf bij was, die 9de april van het jaar 1952. “Die opstand was de allereerste in de mijngeschiedenis van Bolivië. De socialistische idealen hebben evenwel indirect gezorgd voor de sluiting van de mijn. Pulacayo werd beschouwd als een verzetshaard van communisten en in 1959 werd de mijn definitief gesloten. Pulacayo bleef wel nog geruime tijd functioneren als productiecentrum van werkmateriaal voor de mijnen van Comibol.” Ik onderbreek z´n deskundige uitleg met de vraag om enige verduidelijking inzake ‘Comibol’. M´n gepassioneerde gids vervolgt zijn verhaal. “Met de mijnwerkersrevolutie van ´52 kwamen de mijnen in handen van de staat, onder het overkoepelend gezag van de staatsonderneming ‘Comibol’”. “Was dit dan geen goeie zaak voor de de mijnwerkers?” Hoofdschuddend beantwoordt hij mijn vraag. "Wel tijdelijk. Zolang de mijnen goed draaiden bouwden de kompels een pensioen op.” “Een pensioen? Mijnwerkers haalden nimmer de pensioengerechtigde leeftijd!” M´n wat verbolgen opmerking wordt meteen met klem ontkend. “Mensen die een bovengrondse functie uitoefenden waren wel in staat de pensioenleeftijd te halen. Maar helaas gaf de overheid in de jaren negentig alle staatsmijnen op. Het afgedragen pensioengeld verdween in de zakken van de staatsfunctionarissen. De ontslagen werknemers kregen een schamele ontslagpremie, maar moesten eveneens hun huizen verlaten die eigendom waren van de mijn. Een sociaal zorgstelsel is in Bolivië onbestaande, waardoor de gepensioneerde mijnwerkers en weduwen geen enkel bestaansmiddel hebben.”
We zijn inmiddels aan de ingang van gekomen van de beruchte mijn. Die is versierd met een stenen gewelf. Bovenaan zie ik een schild waarop een hamer en een houweel kruislings staan afgebeeld met een beitel en mijnwerkerslamp als afwerking. De ingang heeft bijna iets artistieks. “Is de mijn nog actief?”, vraag ik enigszins nieuwsgierig in de hoop om enkele kompels aan het werk te zien. “Deze mijn is, net zoals de meeste mijnen in Bolivië, in handen van een lokale coöperatieve. Slechts een veertigtal mannen proberen nog op primitieve wijze de mijn verder te exploiteren, maar uit solidariteit met de stakende mijnwerkers in Potosí ligt ook hier alle bedrijvigheid stil.”
Hij reikt me een mijnwerkershelm aan en in het lichtschijnsel van twee zaklampen stappen we de tunnel in. Het is er killig en vochtig. De tunnel is 3,5 km lang en de laagste mijnschacht daalt tot 780 meter diep. We blijven veiligheidshalve in de hoofdtunnel en houden halt bij een soort offerplaats. Mijnwerkers offeren cocabladeren, alcohol en sigaretten aan de mijnduivel Tio in ruil voor bescherming en geluk. Het kleine altaar is nauwelijks te onderscheiden van de vele serpentines die het offerplaatsje opsmukken. De beeltenis van de duivel werd evenwel jaren geleden door de mijnwerkers van Choroloque gestolen. “Leveren de offers ook nog iets op?”, vraag ik nieuwsgierig. Andermaal knikt Angel negatief. “Sinds de mijnduivel is verdwenen, wordt er haast niets meer bovengehaald. Pulacayo brokkelt langzaam maar zeker af.” In zijn stem weerklinkt weemoed en droefenis. Angels vader was er ooit mijnwerker, maar stierf een jonge dood. Bijna onopgemerkt haalt hij wat cocabladeren uit zijn rechter broekzak en legt ze stilzwijgend op het altaar. “Denk je dat zoiets geluk brengt?” Ik schrik zelf heel even van m´n wat brutale vraag, want inwendig voel ik hoeveel belang men hecht aan dergelijke rituelen. “Natuurlijk! Het gebruik gaat terug tot ver voor mijn voorouders. De mijn heeft Pulacayo groot gemaakt!” De klemtoon in zijn stem verraadt een zekere trots. We verlaten de rotsachtige offerplaats en vervolgen onze weg.
We stappen alsmaar verder en op een bepaald ogenblik slaan we een zijgang in. Na twintig meter kruipen, houden we halt. Angel toont me ertslagen en wijst me enkele stalactieten aan. Kwik en arsenicum geven de druipsteenkegels een kleurrijke vorm. De schacht is claustrofobisch klein en beangstigend. Ook al is er geen bedrijvigheid in de mijn, het geeft me toch een beeld van de levensgevaarlijke en moeilijke werkomstandigheden.
Eenmaal terug in de frisse buitenlucht slenteren we nog wat doorheen de verlaten stad. Angel toont me de kleine locomotief die in de glorietijd dienst deed in de tunnel. Het speelgoedtreintje staat er in de schaduw van het opvallend administratief gebouw, ‘la Casa de Aniceto Arce’, uit 1878. Het bouwwerk werd genaamd naar de toenmalige president van Bolivië die tevens aandeelhouder was van de mijn. We nemen afscheid op ongetwijfeld de meest symbolische plek van Pulacayo, bij ‘el Sindicato de Trabajaderos Mineros’. In dit vervallen gebouwtje werd de ontwerptekst, de zogenaamde ‘Stelling van Pulacayo’ neergeschreven dat zes jaar later als socialistisch document zou dienen voor de strijd om meer gerechtigheid. Vijfenvijftig jaar na datum meer dan ooit een dode letter...
Een boeiende zwerftocht... |
Bolivië - Uyuni, 24-07-2007 - (dagboek 12) |
 |
 |
Het ‘Dak van Zuid-Amerika’ heeft de triestige reputatie het armste land van dit continent te zijn. Een land met een onwaarschijnlijk zwaar mijnverleden en waar het verbouwen van coca nog tot op heden voor vele Boliviaanse families het enige middel is om hun hoofd boven water te houden. Twee aspecten die hun stempel hebben gedrukt op Bolivië en die ik in de komende weken van dichtbij wil leren kennen. Het belooft een moeilijke ontdekkingstocht te worden, enerzijds omdat het Chaparegebied -het epicentrum van de cocaplantages- steeds vaker een haard blijkt te zijn van bloederige conflicten tussen de zogenaamde cocaleiros (cocatelers) en de gewapende strijdkrachten en anderzijds omdat de toegang tot bepaalde mijnen, zoals de befaamde Cerro Rico in Potosí, al weken wordt belemmerd door stakende mijnwerkers.
Tussendoor wil ik natuurlijk ook wat de sfeer opsnuiven van het dagelijkse Boliviaanse leven. Zo blijken enkele markten, de zgn mercados bolivianos, een ideale plek te zijn om nog een glimp op te vangen van tradities en culturele identiteiten. Bolivië is daarenboven een land dat bepaalde tradities via feestelijke festiviteiten in ere wilt houden. Het wordt behoorlijk puzzelwerk om één en ander ervan mee te pikken, te meer de feesten zich niet lokaliseren op één en dezelfde plaats. Om het geheel nog boeiender te maken lonken in het diepe zuiden van het land de Jezuïetenmissies. Bolivië bezit bovendien een uniek amazonegebied dat zich kenmerkt door een grote biodiversiteit. Met andere woorden ik zal eens te meer keuzes moeten maken met het besef dat reizen in de eerste plaats ‘veel niet zien’ is. De bestemmingen voor de komende twee weken liggen in ieder geval reeds vast.
Morgen verlaat ik Uyuni en hou ik, op weg naar Potosí, halt in Pulacayo. Deze kleine stad schreef geschiedenis toen in 1952 mijnwerkers en boeren een revolutie ontketenden tegen het regeringsleger. Het MNR (Moviemento Nacionalista Revolucionario) o.l.v. Paz Estenssoro opende de weg naar democratisering: het klein-grondgebied werd heringericht, er kwam een overkoepelende vakbond COB (Central Obrero Boliviana) en de mijnen werden ondergebracht in de staatsonderneming ‘Comibol’. Of de revolutie ook vijfenvijftig jaar na datum zichtbare sporen heeft nagelaten, is alvast een boeiend uitgangspunt op m´n ontdekkingstocht.
Na Pulacayo gaat de speurtocht verder naar de hoogstgelegen koloniale stad (4000 meter) van Bolivië, Potosí. Daar wil ik me laten onderdompelen in de schatrijke barokarchitectuur, maar evenzo een blik werpen op enkele oeroude tradities; zoals ‘de Tinku’, een soort gevechtsritueel dat teruggrijpt naar de Inca´s en ‘het feest van de mijnwerkers’ dat traditioneel plaatsvindt op de 1ste zaterdag van augustus. De zwerftocht doorheen Bolivië belooft in ieder geval zeer verrijkend te worden...
De eerste sneeuw... |
Bolivië - Uyuni, 20-07-2007 - (dagboek 11) |
 |
 |
 |
 |
Gisteren heb ik de hele dag genoten van een onovertroffen vrijheidsgevoel: fietsend over een sneeuwwit lappendeken, waarbij de zoutkorrels onder mijn wielen knisperden als bevroren sneeuwkristallen. Het geluid deed me terugdenken aan het beklijvende kleinkunstlied van Jan Dewilde, ‘De eerste sneeuw’. Bij het zien van de neerdwarrelende sneeuwvlokken denkt hij als volwassen man terug aan zijn kindertijd. Aan de tijd toen sneeuw nog synoniem was voor dolle pret. Zovele jaren later is ‘het kind zijn’ verdwenen en is de lokroep van de eerste sneeuw voorgoed voorbij. ‘Het kind zijn’ heb ik gelukkig nog niet verloren, integendeel. Met de nieuwsgierigheid van een kind fiets ik reeds tien maanden lang doorheen een schitterend continent. De verwondering groeit, elke dag opnieuw en ooit hoop ik dezelfde verbazing terug te vinden bij mijn eigen kinderen, ooit...
Gisteren nog een gezellige avond doorgebracht in het gezelschap van drie Belgen, één Nederlandse en een Zweeds koppel. Toen ik m´n tent opzette naast het hotel Playa Blanca (een hotel volledig opgetrokken uit zoutblokken), bood de eigenaar me spontaan een bed aan en zo maakte ik die avond kennis met het Europees gezelschap. Vier van hen waren hals over kop uit Peru gevlucht. De aanhoudende politieke onrust is sinds enkele dagen aan het escaleren. Stakingen en rellen leggen het land en vooral het toerisme -de belangrijkste bron van inkomsten voor het land- volledig lam. De grote, toeristische stad Cuzco zou volledig zijn afgegrendeld en de topattractie bij uitstek, Machu Picchu, zou eveneens afgesloten zijn voor alle toeristen. Ik zal de ontwikkelingen in ieder geval op de voet blijven volgen, zodat ik eventueel m´n reisschema tijdig kan aanpassen.
Deze namiddag ben ik dan eindelijk aangekomen in de stad Uyuni. De stad zelf is weinig aantrekkelijk en is bij uitstek het vertrekpunt voor tochten door ‘el Salar de Uyuni’ en Zuid-Lipez. Een horde backpackers stroomt hier dagelijks toe en geeft me het gevoel in een verkeerde stad te zijn terechtgekomen. Uyuni leeft van het toerisme en dat voel je op elke hoek van de straat. Schreeuwige reclameborden die tours aanprijzen, restaurants die continental en english breakfast aanbieden, souvenierwinkels die prullaria allerhande proberen te slijten. De stad voelt weinig Boliviaans aan, maar is voor mij wel een ideale plek om terug wat op adem te komen na mijn helse tocht doorheen de Cordillera de Lipez. Ik heb m´n intrek genomen in het hotel Avenida en zal de komende dagen maximaal genieten van een zacht bed, een warme douche, een echt toilet, warm eten en welverdiende rust. Vakantie in de letterlijke zin van het woord...
Een dag om te koesteren... |
Bolivië - El Salar de Uyuni, 18-07-2007 - (dagboek 10) |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
Ik ontwaak als een eerste communicant, met het gevoel dat het een reuzefijne dag zal worden, eentje om nooit te vergeten. Aan peter en meter heb ik een fiets gevraagd, om ermee ‘el Salar de Uyuni’ te doorkruisen. Ooit eens, als ik groot ben... Inmiddels is de fiets vele maten te klein en ligt die ongetwijfeld al jaren tussen het ijzerschroot, maar el Salar daarentegen is nog steeds even groot en indrukwekkend. Vandaag krijgt mijn droom een nieuwe gestalte, want zelden was de zoutvlakte zo dichtbij, zo binnen handbereik...
Gisteren heb ik mijn laatste etappe afgewerkt. De fietstocht leidde me via twee piepkleine dorpjes, Colcha K en Chivuca. Ze leven er op het ritme van de voorbijrijdende jeeps, volgeladen met toeristen die de grootste attractie van Zuid-Bolivië opzoeken. In Colcha K geraakte ik aan de praat met Juan, een hoogbejaarde man die er in de schaduw van de pittoreske, oude kerk een klein winkeltje runt. Hij is geboren en getogen in zijn dorp en wilt er ook begraven worden. Samen met hem zal wellicht de helft van zijn te koop uitgestalde spullen begraven worden, want sommige produkten waren nauwelijks nog te onderscheiden van het stof dat zich al jaren heeft opgestapeld.
Bij valavond fietste ik het laatste dorpje, Chuvita, binnen. Op zoek naar een panaderia, een broodjeszaak, stootte ik op een groep toeristen. Twee Catalaanse dames van middelbare leeftijd en een Boliviaans gezin. Ze nodigden me uit om samen met hen het avondmaal te nuttigen. Het eten was overheerlijk en het gezelschap een welkome afwisseling na de vele eenzame avonden.
Ik hoor hoe de vrouw des huizes de ontbijttafel dekt. Ik kruip incognito wat dieper in mijn donzen slaapzak, want gisteravond hebben de twee goedlachse dames me na het avondmaal binnengesmokkeld in de hostal waar ze verbleven. Ze hadden immers een kamer ter beschikking gekregen met drie bedden. Het derde bed, eveneens gemaakt uit zoutblokken, was er eentje voor een verdwaalde zwerver. Een half uur later droom ik weg bij een kop dampende koffie. Nog heel even en dan is het zover: de kroon op het werk is weldra een feit. Na het ontbijt krijg ik als afscheid nog wat chocolade toegestopt. Een laatste foto, een laatste groet, een laatste kus...
Een gps heb ik niet en op de immense zoutvlakte werkt mijn kompas evenmin. Met m´n flutkaart kan ik al helemaal niks aanvangen en de eerste wegwijzer moet hier nog worden uitgevonden. M´n oriëntatie wordt bepaald door twee factoren: de bandensporen van de jeeps en de vulkaan Tunupa die de omgeving domineert. De eerste 10 km rijden een drietal landrovers me voorbij. De chauffeur toetert en de inzittenden zwaaien me bemoedigend toe. Ondanks de relatieve kou, prijs ik me gelukkig dat ik niet in een blikken doos el Salar doorkruis, want de grootste zoutpan ter wereld is werkelijk verbluffend. Driehonderzestig graden in het rond is de omgeving één grote zoutkoek, gebroken wit en gekarteld alsof het puzzelstukken zijn. De grond lijkt wel één gigantische, geometrische figuur, onderverdeeld in zeshoekige tegels. M´n banden knisperen onder het zout en voor het eerst sinds tien dagen heb ik het gevoel dat ik over een geplaveide boulevard fiets. Een zalig gevoel...
Op een gegeven ogenblik merk ik dat er nergens nog een wagen te zien is en heel even overvalt me een verdwaalde angst. De zoutvlakte is zo groot als Vlaanderen. Wie hier het spoor bijster raakt, is morgen nog niet thuis. Ik blijf de richting volgen van de vulkaan, want daar niet ver vandaan ligt het bekendste eiland: Isla del Pescado. Het eiland kenmerkt zich door zijn reusachtige cactussen, sommige zelfs meer dan 10 meter hoog. De naam van het eiland werd ontleend aan zijn visvormige structuur. Na drie uur fietsen ontwaar ik de eerste cactussen. Hoe dichter ik kom, hoe indrukwekkender ze lijken. Een gevoel dat nog versterkt wordt door de plaats waar ik ze aantref.
Aan de voet van het eiland staan een viertal jeeps geparkeerd. Nog voor ik voet aan grond zet, hoor ik een uitbundige stem: “Hola, Grégory!” Het clubje van gisteravond is er eveneens neergestreken en is net begonnen met het middagmaal. Ook nu weer schuif ik aan de feestdis aan. Het weer is stralend, haast lente te midden van de winter. Terwijl m´n vrienden nog nagenieten van een maté de coca, verken ik heel even het eiland. Het uitzicht is sprookjesachtig en de cactussen zo groot als populieren. Rond drie uur nemen we voor de tweede opeenvolgende keer afscheid. Tot in Uyuni?
Wanneer ik Fish Island verlaat is het aantal voertuigen vertienvoudigd. El Salar is ongetwijfeld een goudmijn voor touroperators. Ik laat de karavaan aan toeristen achter me en fiets in de richting van de vulkaan. In de schaduw ervan zet ik twee uur later mijn tent op. Het is windstil en ik hoop vurig dat dit zo blijft tot morgenvroeg. De bikkelharde zouten ondergrond leent zich niet tot het vastmaken van de tent met enkele aluminiumen haringen. Uiteindelijk gebruik ik mijn fietstassen als bevestigingselement. De zon werpt z´n laatste lichtstralen af op de uitgestrekte vlakte en kleurt de lucht blauwrood. Het kleurspektakel is zo beklijvend dat ik er stil van word. Ik digitaliseer het spel der lichttinten en besef andermaal dat het kunstwerk een diepere dimensie heeft gekregen. Tranen van pure eenvoud wellen op en bij het lichtschijnsel van een verdwaalde kaars neem ik afscheid van een onvergetelijke dag. Een dag waar de fietsdroom van jaren terug werkelijkheid werd. Een dag waar ik groot en volwassen ben geworden. Een dag om te koesteren als een kostbaar geschenk, als een fonkelnieuwe fiets...
Zand, zand en nog eens zand... |
Bolivië - San Juan, 16-07-2007 - (dagboek 9) |
 |
 |
 |
 |
Vandaag wordt het nog spannender, want drie kilometer na m´n vertrek is de weg herschapen tot een kolkende rivier. Net op het moment dat ik de situatie probeer in te schatten, komt een autochtoon van een nabijgelegen dorpje aangefietst. Schouderophalend kijkt hij me aan en zegt: “Het is de tijd van het jaar...” Hij gooit zijn fiets als een lichtgewicht over zijn schouder en stapt zelfverzekerd langs de zijkant van het mulle zandpad. Met mijn 70 kilo geeft hij mij het nakijken. Met veel moeite en een grote omweg probeer ik hem te volgen maar helaas is er van de man evenwel geen spoor meer te bekennen. Ik richt mij dan maar op de stroming van de rivier die zich heeft ingebed langsheen de weg. Nergens is een doorgang mogelijk. Dus zoek ik eerst de smalste strook op en slinger mijn bagage stuk voor stuk met een zevenmijlsworp naar de overkant. De fiets werp ik als laatst met een kogelstoot over het stromende water. Nog een geluk dat m´n Koga tegen een duwtje kan.
Acht kilometer verder en bijna drie uur later kom ik aan in San Angustin. Het dorpje ligt te midden van een zandbak en wordt gedomineerd door één rechte straat, de avenida commercio. Veel bedrijfigheid valt er evenwel niet te bespeuren, want de enige winkel die de straat rijk is, is potdicht. Stappend vervolg ik mijn weg. Het zand op de baan is zo aanzienlijk dat ik slechts te voet vooruit geraak.. De ellende begint pas goed bij het verlaten van het dorpje. Ik trek, duw, sleur en dit vaak tegelijk, maar fietsen doe ik allesbehalve. Ik ben de wanhoop nabij. Het eerst volgende dorp, San Juan, ligt 30 km verder. Een onbegonnen zaak. Maar een alternatief is er niet en dus tsjok ik verder, zandkorrel per zandkorrel. Een weinig later word ik opgeschrikt door een claxon. Een felrode pick-up... Mijn God, dit is mijn kans! Ik gooi m´n fiets in het zand en smeek de chauffeur of ik een lift kan krijgen. Zijn jeep zit afgeladen vol, maar achterin in de laadbak is er nog net plaats voor mijn fiets en een uitgeputte zwerver. De wagen walst doorheen de zanderige piste en ik moet me uit alle macht vasthouden om te beletten dat ik eruit kieper. Vijf kilometer verder is de pret voorbij. De man moet de andere kant op. De overbrugde afstand is net genoeg om mijn moraal terug op te krikken. De lift komt als een zoveelste geschenk uit de hemel en op het gepaste moment.
De rest van de namiddag blijf ik verder ploeteren. Soms slaag ik erin om enkele honderden meters te fietsen en daarna herhaalt het trek- en duwwerk zich opnieuw. De laatste 10 km vlotten gelukkig iets beter, maar desondanks is het reeds pikdonker wanneer ik San Juan binnenfiets. Achter het plaatselijk hospitaal sla ik mijn tent op. Nog één dag en dan heb ik mijn absoluut einddoel bereikt: ‘El Salar de Uyuni’...
Een wedstrijd die niemand winnen kan... |
Bolivië - San Angustin, 15-07-2007 - (dagboek 8) |
 |
 |
 |
 |
Ik ben vanmorgen vertrokken zonder enige verwachting te koesteren, noch wat het aantal af te leggen kilometers betreft, noch inzake de te bereiken eindbestemming. De voorbije dagen ben ik teveel uitgegaan van onrealistische fietsscenario´s: te rimpelloos en te vlekkeloos. Wie het zuiden van Bolivië en in het bijzonder de Cordillera de Lipez wil verkennen op eigen krachten vertrekt beter zonder voorafgaand schema en met de ingesteldheid van een Boliviaan: “lukt het vandaag niet, dan lukt het morgen wel...”
San Angustin is m´n volgende bestemming en ligt op een kleine 40 km verwijderd van Allota. Relatief laat vat ik mijn fietstocht aan, alsof ik aanvoel dat er mij een zware etappe te wachten staat. Nauwelijks vertrokken of de weg kronkelt zich al doorheen een zanderig en rotsachtig landschap. Mijn fiets loopt tientallen meter vast in het rul zand, maar toch blijf ik er de moed inhouden. Keer op keer sluit ik een weddenschap af met mezelf door in te schatten hoe lang ik ononderbroken in het zadel kan blijven zitten. Het lijkt wel een wedstrijd die niemand winnen kan. De route voert me langs haast onbewoonbare stroken landschap die hier en
daar worden opgevrolijkt door een kudde grazende lama's.
San Angustin ligt op een hoogte van 3000 meter, maar wordt evenwel gescheiden door enkele bergruggen. Na twee uur fietsen , zet ik de beklimming in. Maar al snel is fietsen niet langer mogelijk en zit er niks anders op dan mijn hele hebben en houden naar boven te duwen. Het grindpad bestaat enkel uit zand en keien. Drie Landrovers met gringo´s rijden me voorbij. De inzittenden staren me met ongeloof aan. De wagens stijgen tot ver achter de horizon. Mijn lijdensweg zal er één van lange duur worden, zoveel is duidelijk. Ik stap 100 meter, 20 meter, 5 meter, 2 meter... Twee en een half uur lang, haast ononderbroken.
Mijn leed wordt verzacht door een verbluffend panoramisch vergezicht, een prentkaart groot. Hier en daar zie ik adobehuisjes, kleine nederzettingen uit gebakken aarde en leem. Ik vraag me af hoe mensen hier overleven, totaal afgezonderd van de buitenwereld, zonder stromend water en zonder elektriciteit. Op een hoogte van 4160 meter heb ik de top bereikt. De beloonde afdaling kan beginnen. Maar van een beloning is er evenwel geen sprake. Met grote voorzichtigheid stuur ik mijn fiets het dal in, hobbelend van steen naar steen. Hoe ik hier nog geen lekke band heb gereden, is mij een raadsel. Luc Ostyn, de vélomaker uit Boezinge, blijft me verbazen. Mocht er een Award bestaan voor het verkopen van de beste fietsbanden, dan mag die ongetwijfeld richting Boezinge gestuurd worden. Ik knijp mijn remmen tot spleetogen, maar dan nog schokt de fiets gevaarlijk over de losliggende keien. Op een zeker ogenblik begeeft mijn voorste bagagedrager en dus zit er niets anders op dan een schuilplaats voor de nacht te zoeken. Het is inmiddels halfzes. Over een uurtje valt de duisternis in. Met enkele plastieken spanriemen kan ik het defect aan m´n fiets tijdelijk herstellen. Achter een stenen omheining dat dient om dieren opgesloten te houden, zet ik mijn tent op. Ik ga een zoveelste koude nacht tegemoet...
Keep going... |
Bolivië - Allota, 14-07-2007 - (dagboek 7) |
 |
 |
Ik kan m'n ogen niet geloven, en nog minder mijn oren want wanneer ik het campemento Capini verlaat, is het windstil. Het is zo ongewoon om het gesuis van de wind niet te horen. Maar het uitblijven ervan levert niet meteen zomerse temperaturen op. Om negen uur ´s morgens vriest het nog tot drie graden onder nul. Mezelf warm fietsen is meer dan eens de boodschap. Wanneer rond half elf de zon volledig doorbreekt, klimt de temperatuur op tot aangenaam fietsweer, 18 graden celcius. Evenredig met de stijgende temperaturen, neemt ook de weg toe in hoogte. Ik vorder uiterst moeizaam, mede omdat de weg er zowaar nog slechter bij ligt dan alle voorgaande dagen. Zand en keien volgen elkaar in ijltempo op en steeds vaker moet ik de fiets honderden meters ver vooruit duwen.
Het dichtsbijzijnde dorp, Villa Mar, ligt op slechts 35 km van mijn vertrekpunt. Na drie uur fietsen heb ik er welgeteld 12 km van afgelegd. De weg is slechts een Landrover breed en is nimmer aangelegd geweest. El Salar de Uyuni-tour heeft ertoe bijgedragen dat de zandpiste op vele plaatsen is omgetoverd tot een wasbord. Ik klots over de hard aangestampte aarde. Als ik al klots, want vaak wordt de aarde afgewisseld door hele zandstroken waardoor m´n voor- en/of achterwiel in het mulle zand blijven vaststeken. Tot m´n grote ergernis verlies ik meermaals de controle over het stuur en smakt mijn zwaarbeladen fiets tegen de vlakte. In één uur tijd leg ik welgeteld 2,3 km af. Het lijkt wel de week waarin alle records sneuvelen. Een zoveelste Landrover stuift voorbij. “Keep going!”, hoor ik de copiloot geamuseerd roepen. Mijn gevoel voor humor is in dergelijke omstandigheden evenwel ver zoek. Ik probeer troost te vinden bij een pakje Trekking Biscuits, een geschenk dat ik tien maanden terug gekregen heb van een goeie vriendin.
Reeds tien maanden onderweg, maar voor het eerst krijg ik het echt hard te verduren. De bittere kou, de wind -terug volop opnieuw van de partij-, de haast onberijdbare weg, het stof,... Ik moet eerlijk bekennen dat mijn weerstand met de dag afneemt. De zoektocht naar een geschikte formateur lijkt me, ondanks de politieke verdeeldheid, een makkelijkere klus dan een doortocht naar ‘el Salar de Uyuni’ via de Cordillera de Lipez.
Maar zoals zo vaak, wanneer je in zak en as zit, komt de redding uit onverwachte hoek. Een vrachtwagen volgeladen met wit zand stopt vlak naast me. “El camino es muy malo...” Een ondeugende grijns verschijnt op Franco´s gelaat. We zaten enkele uren geleden samen aan dezelfde ontbijttafel. “Si tu quieres, tengo una silla libre...” Twee minuten later zit ik prinsheerlijk te glunderen en te wiebelen in de stuurcabine. De vrachtwagen kruipt voorbij, want ook voor een tientonner is deze weg een Camel Trophy waardig. De behendigheid waarmee hij zijn zware vracht doorheen het ruige landschap loodst, verdient op zich al een ereplaats op het podium. Na een rit van vier uur nemen we afscheid in het dorpje Allota. Het bevat welgeteld één avenida en enkele zijstraten. Alles bij elkaar een woonwijk groot. Allota, mijn eerste Boliviaanse dorp op mijn zwerftocht doorheen Bolivië. Ik voel dat ik terecht ben gekomen in een andere wereld, maar de vermoeidheid doet me enkel op zoek gaan naar een ‘alojamiento’ (slaapgelegenheid). Nog voor de duisternis valt, vind ik de warmte van een echt bed. El Salar is alweer een stukje dichterbij...
Een noodgedwongen alternatieve route... |
Bolivië - Campemento Capini, 13-07-2007 - (dagboek 6) |
 |
 |
 |
 |
De temperatuur heeft de voorbije nacht alle records gebroken. Zelfs de waterzak die ik veiligheidshalve in m´n donzen slaapzak had gestopt, blijkt deze morgen bevroren. Rond acht uur voelt de buitenlucht zo ijzig koud aan dat ik mijn benzinebrander -eenmalig- in de tent gebruik. Ik zal maar niet teveel geloof hechten aan bijgeloof (vrijdag de 13de), zoniet staat de hele tent hier in lichte laaien. Door de extreme kou kost het me behoorlijk wat tijd om alle spullen terug op de fiets te laden. Gelukkig vind ik relatief vlug opnieuw de hoofdweg en vol goeie moed zet ik mijn tocht verder. Even later kom ik terug aan de splitsing, richting Laguna Colorada. Vreemd, de weg is allesbehalve sneeuwvrij en bandensporen zijn er nagenoeg nihil. Parallel loopt er ook een weg, maar evenwel haast in staat van ontbinding. Na vijfhonderd meter moeizaam fietsen, voel ik instinctmatig aan dat er iets niet klopt. Ik laat de zwaar beladen fiets achter en stap terug in de richting van de splitsing. De wegwijzer geeft wel degelijk de juiste richting aan en toch... Ik heb geluk, want tien minuten later komt er een landrover langsgereden. Er blijkt even verderop een nieuwe weg te zijn aangelegd. Ik maak rechtsomkeer en duw mijn fiets terug de goeie baan op.
De alternatieve route ligt er stukken beter bij. Of is het gevoel ingegeven door de continue afdaling? Doordat de weg kronkelt, kan ik af en toe profiteren van de fikse wind in de rug. Het landschap blijft betoverend wit, maar verkleumend koud. Tegen de middag verlaat de weg de bergtoppen en verandert de omgeving van ijzigwit naar goudbruin. Hier en daar steken nog enkele besneeuwde bergpieken hun puntige hoeden tot boven de 5000 meter uit, maar ze vormen geen ononderbroken bergketen meer. De weg daalt steeds dieper en op een hoogte van 4300 meter zie ik hoe in de verte Laguna Colorada zich felrood aftekent tegen de late middagzon. Een haast onwerkelijk kleurspektakel omringd door al even fabelachtige vulkanen. Hoe dichter ik nader, hoe intenser de kleur lijkt. De rood-oranje schijn zou afkomstig zijn van de microscopische algen die op het licht reageren. Flamingo´s vallen er evenwel niet te bespeuren, maar de mythische kleurvorming alleen al is een streling voor het oog. Op een goeie 20 km van de lagune ligt er een bescheiden hostal. Het is twee uur in de namiddag en ik zet koers naar ‘el hostal Colorada’.
Na een halve kilometer hou ik het evenwel voor bekeken. De weg is niet berijdbaar wegens de grote hoeveelheden middelgrote keien. Twee dagen terug had een chauffeur me ervoor gewaarschuwd. De weg van Laguna Colorada tot aan el salar de Uyuni ligt er barslecht bij. Ik heb geen zin om m´n fiets honderden kilometers ver over hobbelige stenen en keien te duwen en daarom beslis ik dan ook om een alternatieve route te nemen. Het is een serieuze omweg, maar nog steeds volgens dezelfde bron ligt de weg er aanzienlijk beter bij. De stenen boom, ‘el arbol de piedra’ en de drie altiplano-meren zullen voor een volgende keer zijn... De piste is vrij zanderig, maar het fietsen vlot toch iets beter dan voorheen. Tegen valavond bereik ik een soort werkkamp, el campemento Capini. De chef biedt me een bed aan in de ziekenboeg en een bord hete soep. Na de vrieskou van de voorbije nacht ziet de sober ingerichte verpleegpost eruit als een koninklijke suite. Alleen de openhaard ontbreekt nog...
Hoog en barkoud... |
Bolivië - Sol de Mañana, 12-07-2007 - (dagboek 5) |
 |
 |
 |
 |
Om zes uur ‘en punto’ word ik gewekt door de vrouw des huizes. Binnen een half uur zullen de verkleumde toeristen binnenstromen om het ontbijt te verorberen. De eetzaal moet minimaal benut kunnen worden en dus word ik vriendelijk verzocht mijn spullen in te pakken. Ik maak van de gelegenheid gebruik om er ook te ontbijten. Rond zeven uur zit de refter afgeladen vol met warm, ingeduffelde backpackers. Het heeft iets weg van een bende uitgelaten kinderen op schoolreis. Ik heb moeite met dat ‘massa-toerisme’-gedoe. Het neemt de drang naar avontuur weg, omdat je intuïtief aanvoelt dat je platgetreden paden betreedt. Zelfs als ‘einselganger’ besef je dat je verstrikt zit in de vangnetten van voorgekauwde excursies en je niet langer zelf de ingrediënten kan bepalen die je trip laat onderscheiden van de rest. Het lekkere ontbijt krijgt een wrange nasmaak en ik beslis dan ook maar om definitief op te krassen. Terwijl ik de fiets belaad, zie ik hoe enkele toeristische ijsberen even verderop een duik nemen in een thermische warmwaterbron. Wanneer ik er enkele minuten later langs fiets, hoor ik luidkeels iemand roepen: “Dit is de goedkoopste jacuzzi van de hele wereld!” Een Nederlander, ik had het kunnen weten...
Voor de zoveelste dag op een rij staat er opnieuw een felle tegenwind. De weg slingert zich andermaal de hoogte in en het fietsen wordt alsmaar moeilijker door de abominabele staat van de weg. Keien ketsen vanonder mijn wielen en ik moet steeds vaker op m´n trappers staan om vooruit te komen. De landrovers hebben de weg herschapen tot een verhard wasbord en tot vervelends toe dribbelt mijn fiets van de ene harde drempel naar de andere. Het klotsend gevoel maakt me haast zeeziek. Mijn hoogtemeter is inmiddels opgeklommen tot 4800 meter. De lucht wordt ijler en het fietsen alsmaar zwaarder. Op een gegeven ogenblik heb ik de sneeuwgrens bereikt en moet ik me steeds vaker een weg banen op een bevroren sneeuwgrond.
Links van mij zie ik een splitsing die leidt naar ‘Sol de Mañana’, de gasbronnen die cementgrijze modder uitspuwen en een rook van zwavelzuur uitademen. Het is reeds vier uur in de namiddag en ik wil kost wat kost Laguna Colorade bereiken. Ik beslis dan ook om de geisers links te laten liggen. Drie kilometer verderop wijst een wegwijzer naar mijn einddoel, nog 41 km te gaan. Verdorie, mijn verkregen info over de te overbruggen afstand bij mijn vertrek deze morgen klopt aan geen kanten. Ik maak geen schijn van kans om voor zonsondergang het hotel gelegen bij de lagune te bereiken.
Ik maak rechtsomkeer in de hoop dat ik bij de geisers een administratief gebouwtje zal aantreffen. Het blijkt een maat voor niets te zijn, want in het verlaten landschap valt er niks te bespeuren. Doelloos en enigszins radeloos fiets ik rond in de buurt van de gasbronnen. De ijzige wind op een hoogte van 5030 meter voelt vlijmscherp aan. M´n tent neerzetten zonder enige vorm van beschutting is totaal zinloos. Niet alleen door de hevige wind, maar tevens omdat de temperaturen hier ´s nachts dalen tot – 20 graden celsius.
Bijna de wanhoop nabij, valt m´n oog op een bruinkleurige silo en een cementachtig hokje. Mijn laatste redding? Door de sneeuw en de vele losliggende keien lukt het me niet om de zwaarbeladen fiets erheen te duwen. Er zit niks anders op om alle bagage van de fiets te halen en één voor één al stappend en al dragend ernaartoe te brengen. Het kost me ruim een half uur vooraleer ik de eerste maal mijn schuilplaats voor de nacht bereik. Het dakloze hokje opgetrokken uit baksteen is volledig ommuurd. Piepklein, maar net voldoende groot om m´n tent zonder voorzeil neer te poten. Uiteindelijk duurt het dan nog bijna twee en een half uur om alle bagage en de fiets naar mijn overnachtingsplaats te slepen. Rond zeven uur is de buitentemperatuur reeds gedaald tot – 8 graden celcius. Verkleumd van de kou en in het vage lichtschijnsel van m´n ledlamp maak ik de grond kampeervrij. Een kwartier lang ben ik in de weer om m´n plekje voor de nacht te ontdoen van zand, stenen en dierlijke uitwerpselen.
Rond acht uur kruip ik eindelijk in mijn tent. Mijn handen en voeten zijn ijsklompen en om erger te voorkomen warm ik even later mijn voeten aan m´n dampende kookpot gevuld met spaghetti. Wanneer ik rond halftien getooid in winterjas, muts en handschoenen de warmte opzoek van m´n slaapzak is de temperatuur in de tent gezakt tot – 14 graden celsius. Ik ga ongetwijfeld mijn koudste nacht tegemoet sinds mijn geboorte...
Het meesterwerk van Salvador Dali... |
Bolivië - Campemento Ende, 11-07-2007 - (dagboek 4) |
 |
Hevige rukwinden hebben me de hele nacht uit mijn slaap gehouden. Of was het de ijzige kou? Mijn waterzak van vier liter en twee flessen water zijn bijna helemaal bevroren. Rond een uur of drie in de nacht was de temperatuur in mijn tent gedaald tot – 7 graden celcius. Ook wanneer ik rond half negen ´s morgens een wandeling maak rond Laguna Verde, voelt de wind vlijmscherp aan. Op een heuveltop zie ik een drietal landrovers staan. Toeristen springen heel even uit de wagen, blikken het meer en het omringende landschap in en zoeken vliegensvlug terug de beschutte warmte op van hun transportmiddel. Ik zal hen op mijn tocht wel meer dan eens benijden...
Na een uur stappen ben ik totaal uitgewaaid en zoek ik terug de beschutting op van mijn tent. Het ontbijt bestaat andermaal uit muesli met banaan en kaneel en een pot dampende koffie. Een haast koninklijk maal in the middle of nowhere. De wind beukt in alle hevigheid en in een fractie van een seconde word ik met tent en al een meter ver weggeblazen. De hoogste tijd om op te stappen. Wanneer ik rond twaalf uur ´s middags nog een laatste blik werp op de lagune, is de kleur van het water ei zo na smaragdgroen. Schuimende boraxkoppen kleuren de rand sneeuwwit. Weldra zullen ze door zon en wind verhard worden tot zoutringen. Zes uur Belgische tijd... Paul, deze foto is voor jou, gemaakt wanneer de kleur het mooist is, met op de achtergrond de gigantische vulkaan Licancábur. Mia zal er in haar nieuw stekje wel een mooie plaats voor vinden, als blijvend aandenken...
M´n volgende stopplaats ligt een goeie 40 km verderop. Een haalbare kaart, alhoewel.... De route slingert zich meteen de hoogte in en de ripio schuift slechts uiterst moeizaam onder mijn wielen weg. Voor het eerst overschrijd ik de 4600 meter. De lucht voelt ijl aan en het fietsen wordt steeds moeilijker. Maar m´n inspanningen worden beloond als geen ander. Voor mij openbaart zich een landschap dat geen gelijke kent: de woestijn van Salvador Dali. Die eer heeft de Catalaanse kunstenaar ongetwijfeld te danken aan het schilderachtig karakter van de omgeving. Voor zover het oog reikt, kleurt de vlakte alle tinten van het schilderspalet. De woestijnheuvels lijken er met fijne penseelstrepen te zijn aangebracht, alsof de kunstenaar zelf zijn ziel erin heeft blootgelegd. Het schilderij baadt in het tedere licht van een lome zon waardoor de kleuren worden verzacht tot pasteltinten die harmonieus in elkaar overlopen als de hemelse klanken van een magistraal orkest. De symfonie aan speelse kleurencombinaties doet me in één oogwenk de moeizame tocht vergeten, alsook de slechte staat van de weg en de felle tegenwind. De fysieke ellende wordt overschilderd door een zoveelste wonder van moeder aarde. Nagenietend van zoveel natuurpracht, bereik ik tegen valavond het ‘Campemento Ende’: Het bestaat in hoofdzaak uit een ruime refter waar toeristen ´s morgens op doortocht naar ‘el Salar de Uyuni’ halt houden om het ontbijt te nuttigen. Na enig aandringen mag ik mijn slaapmatje uitrollen. Het zal vannacht alvast een paar graden warmer zijn...
Vaarwel Paul... |
Bolivië - Laguna Verde, 11-07-2007 - (dagboek 3) |
De hele nacht al wappert mijn tent als een losgeslagen vlag. Ik heb me erop voorbereid, maar de gewijzigde windrichting zet me andermaal schaakmat. Wegens het ontbreken van een natuurlijke hindernis ben ik een gewillige speelbal. Het tentzeil klappert dan ook onophoudelijk, alsof het een lieve lust is. Het geluid bezorgt me, zelfs ondanks mijn oordoppen, een slapeloze nacht. Dan maar van de nood een deugd maken en mijn dagboek bovenhalen.
Elf juli, Feest van de Vlaamse Gemeenschap. M´n gedachten dwalen echter niet zozeer af naar deze feestdag, maar wel naar Paul Van Damme en zijn familie. Vandaag nemen familie en vrienden op een gepaste wijze afscheid van Paul. Paul verdween een tweetal jaar geleden na een wandeling in Zwitserland. Hij was samen met zijn vrouw Mia op weg naar huis, na een drieweekse vakantie. Zelf heb ik Paul maar heel even gekend, als medecursist in de Spaanse les. Hij was een integer man. In het begin haast onopvallend aanwezig tussen het vrouwenclubje dat het leeuwendeel uitmaakte van de cursisten. Misschien wellicht daarom dat we naast elkaar zaten, als een mannenfront tegen het vrouwenoffensief. Of was het omdat hij wist dat ik me voorbereidde op een droom waar hij ontzettend mee begaan was. Centraal-Amerika en El Salvador in het bijzonder lagen hem nauw aan het hart. Als uitgetreden pater-scheutist had hij er steeds een bepaalde band mee gehad. Ik herinner me nog dat hij op een dag naar de les kwam met tijdschriften uitgegeven door de Belgische pater Piet Declercq die al 37 jaar lang in El Salvador zijn tweede thuis heeft gevonden. Paul was iemand die wist wat dromen waren en hoe belangrijk ze kunnen zijn in een mensenleven. Maar Paul was bovenal een heel zachtaardig iemand, die een zeker charisma uitstraalde. Iemand die respect afdwong, zonder meer.
Enkele maanden terug vonden ze stoffelijke resten. Labonderzoek heeft uitgewezen dat het inderdaad stoffelijke resten waren van Paul. Voor de familie brak er eindelijk een nieuwe periode aan, enerzijds één van pijnlijke bevestiging en anderzijds van gedeeltelijke aanvaarding. De zoektocht was voorbij, maar bepaalde vragen zullen voor altijd aan de oppervlakte blijven drijven. Een nieuwe fase van het rouwproces krijgt vandaag gestalte onder de vorm van een afscheidsbijeenkomst, met veel teksten (teksten die Paul bijzonder vond) en veel muziek.
Paul, de klok wijst hier bijna één uur ´s nachts aan, zeven uur ´s morgens Belgische tijd. Een nieuwe dag kondigt zich langzaam aan, jouw dag Paul. Mijn tent staat opgesteld naast Laguna Verde, dat hier vooral rond het middaguur een onwaarschijnlijke kleur uitstraalt. Mijn gedachten zullen eens te meer naar jou uitgaan, hopend dat de verkleurde mineralen door het zonlicht mogen stralen tot in de hemel, opdat je net als ik zou kunnen genieten van dit natuurfenomeen. Paul, bedankt je te hebben mogen kennen en ik schrijf je nog wel...
Adieu Chili, welkom in Bolivië... |
Bolivië - Laguna Verde, 10-07-2007 - (dagboek 2) |
 |
 |
 |
 |
Tijdens de laatste kilometers op Chileens grondgebied, trekt een karavaan aan vrachtwagens voorbij. Wellicht is ‘el Paso de Jama’ opnieuw opengesteld voor alle verkeer. Sommige chauffeurs claxoneren uitbundig wanneer ze me voorbij kruipen. “Hola, vagabundo! Mucha suerte!” Een lachend gezicht zwaait me alle moed toe. Het is één van de mannen waarmee ik gisteren vlak voor mijn vertrek aan de Chileense douanepost een praatje heb gemaakt. Adieu Chili, adieu Santiago, adieu mijn geliefde... Land met fijne herinneringen: waar ik de liefde herontdekte en incognito binnenglipte in het poepchique San Cristobal Tower Hotel. Land met hartverwarmende mensen: waar ik als een koning te gast was ten huize van Mari Lopez en geheel onverwacht kennis maakte met pater Antonio Ghyselen, een rhetorica-student en klasgenoot van mijn gestorven pa. Land met zijn vele mysteries: waar ik kennis maakte met de stenen wachters van Paaseiland en ik stil werd bij het ontdekken van het teloorgegane salpeterverleden. Adieu Chili: land met vele gezichten...
De grens met Bolivië ligt er inderdaad allesbehalve sneeuwvrij bij. Ik laveer tussen de sneeuw door, maar moet vaak noodgedwongen hele stukken stappend doorheen het witte landschap afleggen. Rond twee uur in de namiddag bereik ik, te midden van niemandsland, de Boliviaanse immigratiecontrolepost. Met een klein hartje overhandig ik mijn paspoort aan de douanebeambtenaar. “Viajas solo?” “Si, con bicicleta.” “Ciclista?” “Si, de Belgica!” Het ijs is meteen gebroken en met enig ongeloof en een blik op mijn tweewieler die wat verderop tegen de afgebladerde muur staat, plaatst hij een stempel die me een vrijgeleide van 90 dagen doorheen Bolivië verschaft. Samen met zijn collega loopt hij naar buiten en staart met grote, verbaasde kinderogen naar mijn stalen ros. Vijf minuten later zwaai ik hen glunderend vaarwel, mijn paspoort stevig omklemt tussen duim en wijsvinger...
Na een goeie 10 km fietsen, doemt reeds vanuit de verte de eerste attractie op: Laguna Blanca. Het melkwitte meer kleurt de late middagzon en straalt door zijn fabelachtige ligging te midden van heuveltoppen iets onwerkelijks uit, iets bovennatuurlijks. Naarmate ik verder fiets, wordt het gevoel alsmaar sterker, want grenzend aan het meer ligt Laguna Verde. Een grasgroene lagune waar de gigantische vulkaan Licancábur zich in weerspiegelt. De wind giert er 360 graden in het rond en heel even twijfel ik om er al dan niet mijn tent voor de nacht op te slaan. Volgens de douanebeambte kleurt het meer het mooist rond het middaguur. Wanneer de mineralen in het water verkleuren door het zonlicht. En zo beslis ik om toch mijn tent aan de rand van het idyllisch plekje neer te planten. Terwijl de wind over het wateroppervlak raast, slaag ik er met veel moeite in om mijn stulpje recht te zetten. Mijn eerste nacht op Boliviaanse bodem belooft in ieder geval winderig te worden...
Een patstelling... |
Chili - Paso de Jama, 9-07-2007 - (dagboek 1) |
 |
 |
 |
 |
Met enige wrevel verlaat ik San Pedro de Atacama. Wegens hevige sneeuwval is de ‘Paso de Jama’ voor de vierde opeenvolgende dag afgesloten voor alle verkeer. Doorgang tot Bolivië blijkt wel mogelijk, maar de douanebeambte van dienst weigert me evenwel een stempel te geven waarmee ik Chili probleemloos kan verlaten. Ik kan hem namelijk niet genoeg zekerheid geven dat ik Argentinië links zal laten liggen. Zelfs bij het tonen van de vele Argentijnse douanestempels –het bewijs dat ik het land definitief achter me heb gelaten-, blijft de ambtenaar onverwurmbaar. Een patstelling... Ofwel kan ik bij de pakken blijven zitten en geduldig afwachten tot de weg terug wordt opengesteld of ik kan het erop wagen om Bolivië binnen te fietsen zonder het bewijs dat ik Chili ook wel degelijk heb verlaten. Ik informeer bij enkele chauffeurs over de toestand van het wegdek. Tot aan de splitsing die leidt naar Bolivië is de weg sneeuwvrij. Hogerop, richting Argentinië, is men nog volop in de weer om de doorgang berijdbaar te maken. De klok wijst inmiddels één uur in de namiddag aan. Uiteindelijk beslis ik alsnog om te vertrekken. Op hoop van zegen...
Er staat een vrij strakke wind die voor één keer in mijn kaarten speelt. Doordat de weg afgesloten is voor alle verkeer, ben ik ‘the king of the road’. Een zalig gevoel... De enigen die mijn pad kruisen zijn enkele sneeuwruimers. Eén van hen stopt en vraagt bezorgd of ik ‘el Paso de Jama’ richting Argentinië wil oversteken. Ook hij bevestigt dat de toegang tot Bolivië mogelijk is, maar maant me toch aan om rekening te houden met plaatsen die niet geheel sneeuwvrij zijn. Dat voorspelt in ieder geval niet veel goeds...
Naarmate ik stijg, zie ik in de tegenovergestelde richting steeds vaker zogenaamde ‘pistas emergencia’. Het zijn vluchtstroken uit zand die men, omwille van de steile afdaling, naast de weg heeft aangelegd. Ze fungeren als een soort noodbaan voor vrachtwagens waarvan de remmen het bij de afdaling begeven. Dat de noodpistes wel degelijk nuttig zijn, blijkt uit de verroeste wrakstukken en vermolmde kruisjes getooid met plastic bloemen die ik op mijn weg aantref. Na 36 km en 1800 meter klimmen, hou ik het voor bekeken. Enkele honderden meters weg van de hoofdweg valt mijn oog op een verlaten zwerfhut. De schuilplaats is hermetisch afgesloten, maar biedt wel een prima beschutting tegen de wind. Morgen is het eindelijk zover! Bolivië lijkt dichter dan ooit voorheen...