Oiapoque : grenzeloos groezelig…

Brazilië - Oiapoque, 01-03-2009 - (dagboek 23)


Grensdorpjes hebben vaak iets troosteloos en stralen een stoffige groezeligheid uit. Oiapoque op de grens tussen Brazilië en Frans-Guyana beantwoordt als geen ander aan dat beeld.

Het is zondagmiddag. Het dorpje lijkt afgesnoerd van zijn laatste levensadem en geeft me het gevoel er nooit meer bovenop te komen. De zon is verschroeiend heet. De straten zijn leeg en verlaten. De zware winkelrolluiken achter een traliewerk van smeedijzer hangen zwaar tegen de grond. Alleen op de weinig aantrekkelijke wandelpromenade die uitgeeft op de Oiapoaque rivier, de natuurlijke scheidingslijn tussen Brazilië en Frans-Guyana, hangen wat mensen bijeengetroept rond een knalgeel geschilderde ´lanchonete´; een kleine kiosk waar dorstigen zich laven aan het zoveelste gerstenat. Er vlak achter dobberen enkele haveloze bootjes. Een losgeslagen zeilmast wappert in het ijle. De weerspiegeling in het felle zonlicht kleurt het wateroppervlak vormeloos blauw. Een schipper leunt vermoeid over de reling van zijn gammele houten boot en laat zijn blik rusten op nergens. Tijdloosheid is er troef. Ik stuur mijn fiets op het ritme van Oiapoque een zijstraatje in. Onder het afdak van een openluchtcafé zitten enkele mannen ineengezakt op een betonnen muurtje. Ze geven met een doorzopen stem commentaar op een partijtje biljart. Even verderop staat een olijk beschilderde ijsjeskar werkloos te wachten op een toevallige passant. De uitbaatster van la pousada Fronteira leunt verveelt tegen de deurpost van haar weinig uitnodigend etablissement. Een verdwaalde klantloze taxi rijdt zich bijna vast in de modder van een niet geasfalteerde straat.

Oiapoque draagt zijn ziel vol weemoed onder de arm en sjokt verder. Ter hoogte van restaurant ´Sabor Brasileiro´ bestuderen enkele eendagjestoeristen de menukaart. "Mais ça c´est marrant, regarde, il y a même île flotante sur la carte…" Ja, denk ik bij mezelf, een drijvend Frans eilandje op smaak gebracht op zijn Oiapoques, stoffig en troosteloos…

De laatste loodjes...

Brazilië - Oiapoque, 27-02-2009 - (dagboek 22)


De laatste loodjes wegen het zwaarst en dat heb ik geweten. Zeventig kilometer lang fiets ik over een piste die herschapen is tot een modderpoel. De regen van de voorbije nacht heeft de weg omgetoverd tot een modderige brij waar mijn banden zich in vast rijden.

De tocht is hels en doet me heel even terugdenken aan de ´hel van Bojuri´, nu alweer meer dan twee jaar geleden, ten zuiden van Brazilië. De modder klit samen tot een smurrie van klei en zelfs na het uitpulken van de kleverige aardklonters kan ik nauwelijks verder rijden. De leemkluiten zuigen zich vast als de tentakels van een inktvis aan de onderkant van mijn spatborden. Alles schuurt en de weerstand maakt het fietsen vaak onmogelijk. Ik moet tot vervelends toe alle bagage loskoppelen en de wielen eruit halen om de onderkant van de spatborden moddervrij te maken. Ik verlies eindeloos veel tijd, want de kleimassa blijft zich verankeren aan mijn remblokken. Mijn banden verliezen steeds meer en meer grip op het wegdek. Ik wals, slip en twist in het rond. Of is het een vorm van breakdance op twee banden die er stilaan beginnen uitzien als geboetseerde wielen. Hoe zot moet een mens zijn om dit traject in volle regenseizoen met de fiets af te leggen? Zot zijn doet geen zeer. Ik moet eerlijk bekennen dat ik het na een zoveelste noodgedwongen schoonmaakbeurt toch wel serieus in vraag durf te stellen.

Eindelijk! Zonder enige vorm van signalement gaat de piste over in een geasfalteerde baan. De hel is voorbij. Even verderop duikt een verkeersbord op die aangeeft dat ik nog 50 km verwijderd ben van de grens met Frans Guyana. Het laatste Braziliaanse grensdorpje, Oiapoque, moet er zowat tegenaan leunen. Ertussen ligt het absolute niets. Of toch enkele indianennederzettingen, goed verscholen in het diepe regenwoud. De klok tikt reeds vier uur in de namiddag voorbij. Ik voel me leeggefietst en doodop. Ik heb er al een dagtaak opzitten van haast negen fietsuren. Het liefst zou ik het vandaag voor bekeken willen houden, maar ik heb geen keuze. Mijn watervoorraad is nauwelijks voldoende om de avond mee door te komen. Ik moet kost wat kost tot in Oiapoque zien te geraken. Tot overmaat van ramp blijft de weg stijgen en dalen, maar is gelukkig goed geasfalteerd. Ik spreek mijn laatste reserves aan en trap me een weg naar de beschaving.

Net voor de duisternis het grensdorpje omhult in een gitzwarte sluier fiets ik Oiapoque binnen. Ik heb het gehaald. In vijf loodzware fietsdagen heb ik 630 km overbrugd. Nog voor ik op zoek ga naar een hotelletje om als een blok in slaap te vallen, drink ik alle vermoeidheid van me af met een fris pintje. Het Braziliaanse merkbier ´Brahma´ smaakt verfrissend, maar mist het karakter van een goed Belgisch biertje. Ik heb op mijn lange zwerftocht weinig het gevoel gehad dat ik echt iets heb gemist, al moet ik toegeven, er gaat toch niets boven een goed blond Belgisch werkmanspintje...

Fietsen, opnieuw een feest...

Brazilië - Cassiporé, 26-02-2009 - (dagboek 21)


Na regen komt zonneschijn, ook in het tropische Brazilië. Het is stilaan een ochtendlijk ritueel aan het worden: bij het opstaan dadelijk mijn neus buitensteken om mij te vergewissen van de weerssituatie. De hemel kleurt nog halfduister waardoor ik moeilijk ooghoogte kan nemen van het bovendrijvende wolkendek, maar droog is het in ieder geval. Het is alvast een gunstig teken.

Driekwartier later fiets ik het dorpje Calcoene uit. Ik laveer mijn zwaar beladen fiets tussen grote waterplassen waarin het luchtruim zich weerspiegelt als de vacht van een grijs-wit gevlekte koe. Een verkeersbord herinnert me eraan dat ik nog 219 km heb af te leggen tot aan Oiapoque, mijn laatste stopplaats op Braziliaanse bodem. Na een tiental kilometer verandert de piste in hard aangestampt grind en slaag ik erin om een gemiddelde van 12 km per uur te halen. De weg slingert zich steeds dieper het tropisch regenwoud in en kenmerkt zich door een glooiend landschap. Het fietsen is terug een feest en rond tien uur in de morgen komt er zelfs een lentezonnetje doorheen de wolken piepen. De ellende van gisteren lijkt plots haast een nare droom. Ik geniet opnieuw met volle teugen van het pedalensyndroom. Ook nu kan ik het verkeer op twee handen tellen. Een voorbijstekende jeep houdt vijftig meter verderop halt. Ik zie aan de nummerplaat dat de wagen afkomstig is uit het Franse Cayenne, de hoofdstad van Frans Guyana. Uit de wagen verschijnt een rijzige gestalte. De man blijkt eveneens een fervent fietser te zijn en heeft een aantal maanden terug dezelfde weg (van Macapá tot Cayenne) afgelegd. Hij luistert geboeid naar mijn voorbije zwerftocht. Bij het afscheid nemen, stopt hij me nog zijn telefoonnummer toe. "Je ziet maar, als je zin hebt om samen iets te drinken, geef me dan een seintje als je in Cayenne aankomt." Gelijkgestemde zwerverszielen, je komt ze overal tegen.

Rond twee uur in de namiddag is het feest voorbij. Donkere regenwolken komen opzetten en even later gutst het water met bakken uit de hemel. Ik maal er niet om. Met een gemiddelde temperatuur van 32 graden voelt de regen vandaag aan als een natte klapzoen. Mijn banden denken daar evenwel anders over. Op de trage hellingen verliezen ze alsmaar meer grip en lijdzaam moet ik me steeds vaker te voet een weg banen doorheen de aanzwellende modderstroom. Twintig minuten later is de regenbui reeds voorbij. De rest van de weg spelen fikse regenbuien en opklaringen een soort kat en muisspel. Bij een zoveelste afdaling gaat het heel even mis. Ik merk te laat een aaneenschakeling van oneffenheden op waardoor mijn fiets van de ene put in de andere stuitert. Ik voel hoe ik de controle over mijn stuur verlies en enkele tellen later smak ik tegen de grond. Terwijl ik de schade opmeet, strijden pijnsignalen om de felbegeerde top drie. Een straaltje bloed kleurt mijn knie vuilrood en ook mijn schouder vertoont een serieuze bloeduitstorting. Mijn hoofd is gelukkig buiten schot gebleven, maar best ook want mijn fietshelm bengelt spottend aan mijn bagagedrager. Mijn bewaarengel volgt me nog steeds op de voet.

Het fietsen vlot na de onverwachte harde knieval beduidend minder vlot. Vooral de pijn aan de schouder zwelt aan. Wanneer ik rond vijf uur voorbij een groot restaurant rij, probeer ik er mijn geluk uit. Logies bieden ze niet aan, maar ik kan er wel probleemloos mijn tent neerpoten onder de werkplaats van een achterliggende garage. Een geur van oliesmeer en benzine waait me tegemoet. Om de hoek hoor ik hoe een stel varkens hun keel openzetten. Ik heb duidelijk wel mijn plekje uitgekozen.

´s Avonds geniet ik van een heerlijk buffet. Het restaurant blijkt een vaste eetstop te zijn voor de drie bussen die dagelijks het traject Oiapoque - Macapá aandoen. Het restaurant leeft er op het ritme van de reizigers. Over het ganse traject van ongeveer 630 km doen ze er in de beste omstandigheden 11 tot 12 uur over; in het slechtste geval 18. Een tijdspanne die de komende jaren fel zal ingekort worden, want men is druk in de weer om de hele route te asfalteren. De aan te leggen weg onthaalt de uitbater van het restaurant ongetwijfeld met gemengde gevoelens. De tijdswinst van de bussen zal onvermijdelijk nefast zijn voor de omzet van zijn restaurant. Of hoe de vooruitgang voor de één een zegen is en voor de ander een doodsteek...

Regen in het kwadraat...

Brazilië - Calcoene, 25-02-2009 - (dagboek 20)


Mijn blik uit het raam stemt me niet bepaald vrolijk. Vanonder het blauwe lichtschijnsel van enkele straatlantaarns zie ik hoe regendruppels opspatten tegen het geasfalteerde wegdek. Rond kwart voor zes in de morgen heet de nieuwe dag me regenachtig welkom.

De lucht ziet potloodgrijs en lijdzaam moet ik toezien hoe ik de ene fikse regenbui na de andere over me heen krijg. Soms twijfel ik tussen verder rijden of schuilen, maar de plaatsen van beschutting tegen de onophoudelijke regen zijn zo schaars en de regen zo ongenadig striemend dat het me vaak beter lijkt om door te fietsen. Ik probeer de sombere door regen doordrongen gedachten te laten zwerven naar warme oorden, naar wat achter me ligt en komen moet. Maar de verkrampte kou in vingers en voeten verstrammen mijn hersenen en het heuvelend landschap met zijn aaneenschakeling van molshoopjes maakt de tocht alleen maar vermoeiender. Als er iets is waar ik na mijn lange zwerftocht honderd procent van overtuigd ben dan is het wel dat de wereld vals plat is.

Rond elf uur in de voormiddag fiets ik voorbij een onbeduidend dorpje. Een piepklein winkeltje met een afdakje trekt mijn aandacht. Wanneer ik mijn druipnatte fiets tegen de houten wand van het kruidenierswinkeltje parkeer, steekt een kereltje van een jaar of acht zijn hoofd van achter de sjofele toonbank. Het winkeltje bestaat slechts uit een paar schappen waarop met de grootste zorg een twintig producten geëtaleerd staan. Zo´n winkeltje zou zelfs in het kleinste dorpje van België -Herstappe, als ik me niet vergis- zelfs geen kans van bestaan hebben. Zou de dagelijkse omzet hier ooit de kaap van tien euro overschrijden? Kinderen zouden in dit minimalistische winkeltje in ieder geval aan hun trekken komen, maar ook de eigenares die ondertussen is komen opdagen, lijkt zich best goed in haar vel te voelen; letterlijk en figuurlijk. Ik schat dat ze om en bij de 60 kilo teveel meesleept. Haar huid hangt in vuistdikke vetkwabben over elkaar en doet me denken aan het bekende Michelinventje. Terwijl ik enkele boterhammen uit één van mijn fietstassen opdiep, vraagt ze me spontaan of ik een kop koffie lust. Met zo´n nat regenweer is dit hartverwarmend opkikkertje meer dan welkom. Onze communicatie houdt op na enkele woorden want mijn uiterst beperkte kennis van het Portugees reikt niet verder dan een tiental beleefdheidswoorden. Het niet spreken van dezelfde taal is een serieuze barrière en zorgt er voor dat het reizen en het contact met de plaatselijke bevolking toch een stuk minder intens verloopt. De koffie dampt heerlijk warm en uit dankbaarheid koop ik een pakje koekjes. Haar eerste verdiende Real (€ 0,30) van de dag heeft haar kassa toch al heel eventjes doen rinkelen.

De regen is ondertussen ietsje in hevigheid afgenomen en dus profiteer ik ervan om mijn route te vervolgen. Nauwelijks goed en wel vertrokken, openen de hemelsluizen andermaal. Ik vrees dat ik er vrede mee zal moeten nemen tot bij de invallende duisternis. De ellende stapelt zich op, want kort na de middag waarschuwt een verkeersbord me dat de geasfalteerde weg binnen 300 meter ophoudt. De route verandert in een piste met stukken grind en modder. Mijn fietsritme daalt tot een ongekend dieptepunt. Ik haal nauwelijks nog zeven kilometer per uur. Op bepaalde plaatsen is de weg een vijver groot. Er zit niets anders op dan te voet door het water te waden. Mijn voeten zakken weg in de modderige smurrie. Nu, modderbaden schijnen goed te zijn tegen reuma. Zelfs in momenten van pure ellende moet je proberen de positieve kant ervan in te zien. Alhoewel, hoe verder ik fiets, hoe groter de weerstand. Kleffe modderklodders klitten zich zowat overal aan vast en het fietsen wordt een ware lijdensweg van afstappen, van modder wegpulken en mezelf opnieuw op gang trekken.

Rond zes uur bereik ik eindelijk het dorpje Calcoene, nauwelijks 600 zielen groot, maar gezegend met een drietal kleine pousades. Ik vind een bescheiden stulpje. De slaapruimte ruikt naar beschimmelde vochtplekken en het gonst er van de muggen. Mijn muskietennet dat ik al meer dan twee jaar en een half doelloos meezeul zal eindelijk van pas komen...

Het slenterend gevoel van Macapá...

Brazilië - Macapá, 24-02-2009 - (dagboek 19)


Morgen verlaat ik Macapá, de laatste stad van enige betekenis ten noorden van Brazilië. Op de kop 630 km scheidt me van de grens met Frans-Guyana. Een weg die slechts voor twee derden geasfalteerd is; de rest bestaat uit grind en aangestampte aarde.

Vooral dat laatste stuk boezemt me wat angst in. Ik zit volop in het regenseizoen en dat vertaalt zich in afwisselende hevige stortbuien en tropische verschroeiende hitte. Ook inzake de veiligheid tast ik een beetje in het duister. De grens met Frans-Guyana was de voorbije jaren meer dan eens het toneel van gewapende overvallen, voornamelijk na het invallen van de duisternis. De weg is er eenzaam, de bewoning uiterst schaars. Het enige alternatief is een lange, vervelende busrit van minstens twaalf uur. Maar ik heb het niet zo begrepen op bussen. Na meer dan twee jaar en een half ben ik zo verknocht geraakt aan mijn stalen ros dat ik er haast onafscheidelijk van ben geworden. Ik ken haar intiemste geheimen, haar zwakke plekken, haar formidabel uithoudingsvermogen. We hebben samen zoveel lief en leed gedeeld, elkander zo vaak innig omhelsd wanneer de eindmeet eindelijk weer eens in zicht was. We zijn een stukje met elkaar vergroeid geraakt, als twee verstrengelde geliefden.

In Macapá had ik gehoopt om alsnog wat van het Braziliaanse carnaval te kunnen opsnuiven, maar helaas. Op de avond van de grootse apotheose kreeg ik nog een laatste stuiptrekking van mijn dengue-aanval. Barstende hoofdpijn en het uitkosten van zowat de helft van mijn darmen, noodzaakten mij om mijn bed op te zoeken. Wanneer je lichaam signalen uitstuurt dat je nood hebt aan rust, dan kan je er beter gehoor aan geven. We mogen ons dan wel vaak superieur en oersterk voelen, af en toe moet je ook eens durven gas terug nemen en je lichaam de herstelperiode geven die het nodig acht.

Mijn tweedaagse verblijf in Macapá heb ik dan ook eerder al slenterend doorgebracht. Deze hoofdstad van het departement Amapá wordt doorkruist door de evenaar. De evenaarslijn heeft het stadsbestuur met weinig gevoel voor architecturale esthetiek in een lelijk betonnen gedrocht gegoten. ´El monumento Marco Zero de Equador´ heeft me niet bepaald het gevoel dat ik op een bijzondere plaats vertoef. Nu ja, aan de andere kant, hoe maak je zo´n plek op een visueel manier enigszins aantrekkelijk? Wie weet zou Christo de onzichtbare lijn wel hebben ingepakt? Maar wellicht zou hij zich meer hebben uitgeleefd bij de kunstzinnige benadering van ´la Fortaleza Soa José´. Dit fort is zowat de trots van Macapá. Deze vesting in stervorm met vier tentakels werd in de tweede helft van de achttiende eeuw door de Portugezen gebouwd om hun aanwezigheid in het gebied te verzekeren. Het gerestaureerde fort ligt te baden in de late middagzon, terwijl even verderop schuimkoppen kabbelend aanspoelen op een zandstrookje, nauwelijks breder dan een spaghettisliert. Macapá straalt rust uit en innige vrede. Of heeft het te maken met mijn slenterig gevoel en het besef dat ik er eindelijk terug bovenop ben. Morgen fiets ik opnieuw het avontuur tegemoet. Na iets meer dan twee weken eindelijk weer op mijn stalen ros. Het zal terug wennen worden...

De Amazone, gewikt en gewogen...

Brazilië - Macapá, 23-02-2009 - (dagboek 18)


Het anker is uitgegooid. De lange tocht over de machtige Amazone zit erop. Ik blik met gemengde gevoelens terug op mijn boottochten. De 6.500 km lange rivier die voor de helft door Brazilië stroomt mag dan wel een onweerstaanbare aantrekkingskracht hebben op ontdekkingsreizigers en avonturiers, ik moet eerlijk bekennen ik het me net ietsje anders had voorgesteld.

Het is een illusie dat deze lange boottrip je een goed beeld heeft van het alledaagse leven langs de regenwoud-rivieren. De boot klieft zich een weg doorheen de zoute Amazone, vaak op tientallen meters afstand van de groene oevers waar af en toe kleine nederzettingen opduiken. Het zijn alleen de kleine, korte tussenstops aan de rivierdorpjes die voor enige commotie zorgen en dan nog. Als ik terugdenk aan een gelijkaardige boottrip die ik jaren geleden in het Afrikaanse Mali ondernomen heb tussen het poëtische kustdorpje Mopti en de geheimzinnige woestijnstad Timboektoe, dan is dat met heimwee. Weemoed overvalt mij bij de gedachte hoe ik vier dagen lang deel uitmaakte van een drijvend dorp, waar het alledaagse leven zijn gewone gang ging. Het aanmeren aan de kleine kustdorpjes was voor de inwoners een waar feest en zowat de enige wekelijkse verstrooiing in hun desolaat bestaan te midden van de brousse. Het was ook vaak de enige dag waar ze wat centjes konden bijverdienen. In een mum van tijd werd de boot omgetoverd tot een marktplein waar zowat alles te koop was, tot levende kakkelende kippen toe. Joelende kinderen klauterden als grappige aapjes langsheen de scheepsromp tot op het bovenste dek om daarna als een soort torpedo een duik te nemen in de bruine Nigerrivier. Ze waren zo glad als een aal en zo snel als een vis in het water. De boot was hun springplank, de rivier hun zwembad. Het feest werd helemaal compleet toen ze gezelschap kregen van een blanke bleekscheet die er niets beters op vond om de volwassenheid in te ruilen voor zijn kinderjaren en als een gelukzalige dreumes samen met hen te ravotten in het bruine sop. Zelfs de gedachte dat de Niger krioelde van de bilharzia kon me niet deren. Ja, het was toch een heel andere ervaring. Maar ach, dat is ook alweer tien jaar geleden en een mens wordt ook wat ouder. Ouder, wijzer en minder kinds? Neen, het kind zijn zal ik nooit helemaal verloochenen, gelukkig maar...

Ik denk dat mijn teleurstelling wellicht vooral te maken heeft met de laatste naweeën van mijn dengue-aanval. Als een zombie over het soms woelige water klotsen, kan je niet bepaald een leuke ervaring noemen. Het gebrom van de scheepsmotoren voelde allerminst aan als het geluid van ontsnapping, weg van het aardse bestaan. Het eentonig eindeloos lawaai van de naar benzine geurende en jankende motors die vaak nog eens overstemd werden door onvervalste oorverdovende sambaklanken zorgden voor een muzikale cocktail die ik niet bepaald wist te appreciëren. Als je je niet in topvorm voelt dan slagen zelfs de snelle opzwepende melodieën er niet in om de meest onwillige heupen en voeten in beweging te krijgen. Misschien is het stilaan de hoogste tijd om terug de trappers op te springen...

Hier wil ik water zijn...

Brazilië - Macapá, 22-02-2009 - (dagboek 17)


Het is een vreemde gedachte dat het hele Amazonegebied, met Manaus als metropool, afgesloten is van elk wegennet met de rest van Brazilië. Voor eenieder die hier woont is de boot de bus en de rivier de tergend langzame snelweg. Maar evenzo word ik getroffen door het idee dat de aarde uit 71% water bestaat. Onze aarde is niet meer dan een aaneenschakeling van continenten die als eilandjes dobberen in een grote waterpoel. Denk al de rivieren weg, alle zeeën en alle oceanen en er blijft van onze aardbol slechts een verschrompeld stukje landstrook over. De nog te ontdekken wereld is onmetelijk groot, maar terzelfdertijd ontzettend eindigend.

Vanop het bovendek lijkt het eentonig gehuil van de motor -drie etages onder mij- op een zacht gebrom. Ik zit aan een wit formicatafeltje met bijhorende tuinstoel. De ontwakende zonnestralen worden artificieel afgeblokt door een afdakje vervaardigd uit plastieken latten. Het soort materiaal dat bij ons gebruikt wordt als goedkoop keukenplafond. Voor het eerst geniet ik terug van het reizen, van het voortbewegen, van het onderweg zijn. Ik kan opnieuw met gevoel voor detail doelloos turen naar de oever, naar het voorbijschuivende achtergronddecor, naar de wereld om me heen. De boot vaart traag, maar zo heb ik het graag: traag en intens. De vorige boottocht van Manaus naar Santarém was me te snel. De rápido gaf me het gevoel elke greep op het nu-moment te verliezen. Vandaag kabbelt de boot voorbij, net als de tijd. De Amazone is minstens een kilometer breed, maar we varen netjes een eindje van de linkeroever af, voorbij een slagorde aan hoge bomen en struikgewas. Hier en daar duikt een kleine nederzetting op: houten huisjes op palen met heel af en toe een kerkgebouwtje. Onze boot is een drijvend dorp waar handel de hoeksteen vormt van de watereconomie. Bij iedere halte komen nieuwe passagiers aan boord. Hoe ze nog een plaatsje weten te bemachtigen op de al té krappe boot is mij een raadsel. Soms mindert onze boot vaart en wordt de jankende motor stil gelegd. Langwerpige kano´s vlijen zich dan dicht tegen onze romp aan. Er worden pakjes en hele dozen overgeladen van de kano naar ons schip en omgekeerd. Geen mens die zich vragen stelt over de inhoud.

Ik heb mijn vaste stek gevonden, op het bovendek, althans net zolang tot de opzwepende sambaklanken niet uit de speakers schallen. Brazilianen houden van ritme en lawaai, heel veel lawaai. Gelukkig beperkt het volume zich overdag zodat ik alsnog kan genieten van die dobberende wereld. De rivier glanst en is zachtbruin. De lucht is hoog, weids en meeslepend. Hierboven, verweg van het eentonig gegrom van de dieselmotor, voelt de zwoele bries aan als een zacht draaiende ventilator. Ik voel me drijven op een slagader van water, op de vloeibare snelweg die de Amazone heet. Heel even besef ik dat dit de plek is waar ik altijd eens had willen zijn...

De laatste bootetappe...

Brazilië - Santarém, 21-02-2009 - (dagboek 16)


Ik slenter op de kade, flaneer tussen ergens en nergens. Soms hou ik mijn pas in en neem de wereld om me heen op, langzaam en moe. Ik voel mijn slome polsslag, even traag als dat van het voorbijschuivende leven in Santarém. De zon maakt de stad loom. Het leven struikelt voorbij. Vanuit mijn gezichtsveld zie ik hoe een drager op het glibberige ponton van de kade ei zo na zijn evenwicht verliest. Zijn propvolle jutten zak lijkt heel even te zweven, maar vingervlug herwint hij zijn balans en zet zijn tred verder alsof er niks is gebeurt. Zijn bloot bovenlijf parelt zweetdruppels en kreunt onder een prehistorisch karkas. Zijn nekspieren trillen en verraden hard labeur. Ook ik zweet me te pletter, maar niet door zware arbeid, wel door de koorts die nog met de regelmaat van de klok even om de hoek komt loeren. Ik wil hier weg, weg hier vandaan, weg van de dengue, de mooie arts ten spijt.

Een tiental rivierboten ligt aan een vlottende steiger. Ter hoogte van de stuurcabine prijkt in koeien van letters de bestemming. De boot die me naar Macapa brengen moet, ziet er opvallend klein uit en is niet bepaald vaarwaardig te noemen. De geblutste scheepsromp boezemt me niet meteen veel vertrouwen in. Het benedendek is reeds volgestouwd met grote kratten in piepschuim die een pregnante visgeur verspreiden. Ertussen hangen bonte hangmatten waarin enkele reizigers verveeld zitten te schommelen. Ik begeef me naar het bovendek en zoek een plekje uit voor mijn hangmat. Veel keuze is er niet, want de kleine slaapruimte heeft zo goed als zijn maximale draagkracht bereikt. Het vooruitzicht op alweer een slapeloze wiebelende nacht stemt me niet bepaald vrolijk.

Met de nodige vertraging trekt de boot zich uiteindelijk rond half zeven ´s avonds op gang. Bij het uitvaren van Santarém hult de stad zich liefelijk in het schemerduister. Ik vervolg mijn ontdekkingstocht op de kleine boot. Tot mijn verbazing bevindt de bar zich niet op het bovenste dek, maar achteraan, op een steenworp van mijn hangmat. Hopelijk blijft het vannacht wat rustig. Ernaast zijn de toiletten, annex doucheruimtes. Alles is piepklein, nauwelijks gemaakt op mensenmaat. Zittend op de wc kan je zo een douche nemen. De krappe ruimte op de boot heeft ook zo zijn gevolgen bij het slapengaan. Ik lig letterlijk te wiebelen tussen billen en benen. Door de onstuimigheid van de Amazonerivier zwiep ik van de ene kant naar de andere. Ik word haast zeeziek van het geschommel.

Ik kan de slaap maar niet vatten en dus begeef ik me naar het bovendek om er te genieten van de zachte avondlucht. Turend over de reling merk ik hier en daar kleine lichtbronnen op, tekenen van menselijke aanwezigheid. We varen voorbij als een eigen dynamische wereld; een luchtbel van slapende nachtdromers en slapeloze dagdromers. Misschien moet ik toch maar eens de dag voor de nacht ruilen...

Dengue...

Brazilië - Santarém, 20-02-2009 - (dagboek 15)


Ik ben aangekomen in Santarém, ongeveer halverwege mijn Amazonetrip. Mijn voornemen om de boot te nemen tot in Belem heb ik laten varen. Vijf dagen lang ononderbroken dobberen en schommelen in mijn gemoedstoestand tussen leven en dood lijkt me meer dan zelfkwelling. Voor één keer pas ik.

Santarém is een grote stad aan de samenloop van de Tapajós en de Amazone. De haven lijkt mijlenver verwijderd van het centrum. Heeft Santarém überhaupt een centrum? Ik dool fietsend rond om uiteindelijk vast te stellen dat ik probleemloos de lange promenade van de kade had kunnen volgen. Als een mens zich niet honderd procent in orde voelt, dan doet hij domme dingen. Ik vind een onderkomen in een bescheiden hotel. De wanden van de kamer zijn opgetrokken uit spaanderplaten. Er gaapt minstens een meter tussen het eigenlijk plafond en de tweemeters hoge scheidingswanden. De promotie in de houtzagerij was duidelijk niet per lopende meter. Naast het enkel bed staat een tafeltje met daarop een aftandse tv. Op een wankele poot staat een half ontmantelde ventilator. Het mag een wonder heten dat ik het vooroorlogs tuig alsnog aan de praat krijg. Ik leg me uitgeteld neer op de flinterdunne matras. Eindelijk, na bijna een week in een sofa te hebben doorgebracht en een nacht lang schommelend in een hangmat, kan ik me opnieuw te rusten leggen op een matras. Drie uur later word ik wakker, andermaal met bonkende hoofdpijn. Ik sleep me naar de receptie en informeer naar een ziekenhuis in de buurt. Ik wil uitsluitsel, ik wil zekerheid.

Ik voel me als een vreemdeling die zonder enige kennis van de taal een dokter moet consulteren. Gelukkig is de naam van de ziekte waarmee ik vermoedelijk al meer dan een week mee rondloop, universeel. Het woordje 'dengue' begrijpt hier iedereen. Ik word doorverwezen naar de spoedafdeling en krijg een soort veldbed toegewezen. Een verpleegster komt langs en geeft me een spuitje. Ik heb er het raden naar wat de inhoud mag wezen. Drie kwartier later lig ik er nog. Niemand schijnt zich om mij te bekommeren, evenmin de mug naast me, die zich onbeweeglijk tegen de muur heeft vastgezogen. Uiteindelijk veer ik recht en ga naar de balie. Na lang aandringen belt de receptioniste iemand op. Vijf minuten later krijg ik het gezelschap van een dame van middelbare leeftijd die gebrekkig Engels spreekt. Ik word doorverwezen naar een vrouwelijke arts, nadat ik eerst 100 Real (ongeveer 33 Euro) heb neergeteld voor de consultatie. Hier wil men boter bij de vis, zoveel is duidelijk. De arts is mooi, gekleurd blond en charmant. Ik val voor haar muiltjes. De zeeblauwe kleur staat beeldig met haar topje waarin de tepels van haar boezem een duidelijk afdruk hebben nagelaten. Ik voel me plots minder ziek, meer op mijn gemak. Of ik enkele testen wil ondergaan? Mijn schatje toch, voor jou alles.

Enkele tellen later klopt een verlepte verpleegster aan. Ze begeleidt me uit de spreekkamer, verweg van Assepoester. Haar haren heeft ze opgestoken als dat van een oude bomma, in een knotje. Ze neemt een blad papier waarop de hoofdtitel verwijst naar de labo afdeling. Ze stipt met een afgeknabbelde Bic enkele kruisjes aan. Andermaal moet ik contant betalen; deze keer 140 Real of een goeie 47 Euro. Mochten ze bij ons in België aan elke vreemdeling boter bij de vis vragen, dan vrees ik dat er velen onverrichterzake zouden mogen huiswaarts keren. Hier lijkt het de normaalste zaak van de wereld. De verpleegster snoert met een bruine elastiek mijn bloedsomloop ter hoogte van mijn rechter elleboog af en plant onzacht een naald tussen mijn aderen. Ik geef een lichte krimp van pijn. Bloeddruppels sijpelen rood in een proefbuisje. Ik krijg twee potjes toegestopt, één voor een urinetest, de andere voor mijn stoelgang. Ik voel me terug zieker en ellendiger dan ooit voorheen.

Anderhalf uur later zit ik opnieuw voor de mooie verschijning, mijn dokter. Ze wisselt haar blik tussen de uitgeprinte cijfers van de labotesten en mijn lijkbleek gezicht. Ze windt er geen doekjes om. Ik heb -wat ik al zolang vreesde- dengue. Mijn bloedplaatjes zijn gezakt tot een absoluut dieptepunt: 61.000 /mm³ ipv de normale 150.000 tot 440.000. Niet echt hoopgevend met een sporthart dat het bloed al een stuk trager doorheen mijn aderen pompt. Medicatie is er niet voor handen. Het enige wat de arts me kan aanraden, is rust en mijn ziek zijn te ondergaan. Haar muiltjes lijken plots niet meer zo mooi als die van Assepoester. Wanneer de waarheid van een ziektebeeld tot je doordringt, wordt zelfs schoonheid plots uitermate vergankelijk...

Schommelen tussen ziek en erg ziek...

Brazilië - Manaus, 18-02-2009 - (dagboek 14)


Ik weet niet of ik er goed aan doe om in mijn toestand verder te reizen, maar het gevoel doelloos en gelaten te zitten wachten op een verbetering van mijn gezondheidstoestand, maakt me alleen nog wreveliger. Tenslotte, of ik nu ziek in een sofa lig, of ziek hangend in een hangmat op een boot; wat is uiteindelijk het verschil?

Terwijl ik mijn zwaar beladen fiets behendig over de wiebelende loopplank manoeuvreer, word ik haast omvergelopen door een blootvoetse jongeman die kratten vol bananentrossen op zijn schouders zeult. De haven van Manaus is een drijvend dorp waar boten urenlang worden volgeladen met kisten, dozen, kratten en balen. Ze vinden allen hun weg in de romp van het schip of onderaan op het benedendek. Ik heb voor alle zekerheid een 1e klasse ticket aangeschaft, op het middendek. Nadat ik er mij van vergewis dat het merendeel van mijn bagage en mijn fiets een veilig onderkomen hebben gekregen in de laadruimte van het schip, begeef ik me naar de plaats waar ik de komende twee dagen schommelend zal doorbrengen. Over de volledige ruimte hangen reeds tientallen hangmatten, dicht tegen elkaar aan gedrukt. Helemaal achteraan vind ik nog twee haken waar ik mijn wiebelend stulpje kan aan vasthaken. Het dek lijkt me plaats te bieden voor maximum veertig man, maar ik tel er een uur voor afvaart reeds honderd. Als we hier maar niet met man en muis vergaan .

Met meer dan twee uur vertraging trekt de boot zich op gang. We zijn vertrokken voor een rit van twee volle dagen en één lange nacht. Ik voel opnieuw hoe koortsaanvallen als eb en vloed voorbijschuiven. Het ene moment ril ik van de kou, terwijl een half uur later me het zweet uitbreekt. Het geschommel lijkt allesbehalve bevorderlijk voor mijn misselijkheid en tot vervelends toe moet ik mijn toevlucht zoeken tot het toilet, annex doucheruimte. Er hangt een pregnante geur van pis en uitwerpselen. Ik vloek honderduit en verwens mezelf dat ik niet een paar extra dagen heb gewacht om mijn reis verder te zetten. Ook op het bovendek vind ik allesbehalve de broodnodige rust, want daar knallen golven van salsaklanken en carnavalsmuziek uit loeiharde boxen. Het benedendek vermijd ik als de pest. De hitte is er ondraaglijk, evenals het lawaai van de jankende motor. Ik begrijp niet hoe mensen hier tussen deze stank van oliesmeer en benzine de tijd en de verveling kunnen wegschommelen. Al snap ik evenmin hoe ik op het tussendek de nacht zal doorbrengen. Vanzodra ik een poging onderneem om me te rusten te leggen, schommel ik tegen billen en benen. Ik had me de tocht op de grote Amazone toch enigszins anders voorgesteld...

Ecotoerisme: verpakking belangrijker dan inhoud...

Brazilië - Manaus, 16-02-2009 - (dagboek 13)


Ik had beter moeten weten. Nauwelijks zet de boot zich in gang of ik voel hoe mijn misselijkheid zijn uitweg zoekt via mijn strottehals. Ik spurt naar het toilet om even later als een slingerende kotszak over de wc-pot te hangen. Vanuit de luidsprekers hoor ik hoe de perfect tweetalige gids ons welkom heet. "Het wordt een rustige tocht, de stroom is uitermate kalm..." Ik lach schamper, kijk lijkbleek in de vuile spiegel en denk ´welkom aan kotsboord...´

Enkele dagen terug heb ik me ingeschreven voor deze dagexcursie: o encontro das águas (de ontmoeting der twee stromen, in het Portugees deze keer) op zo´n 18 km varen van Manaus stad. Bij het verlaten van de haven valt het me op hoeveel drijvende benzinestations hier ronddobberen. Hun aantal wordt geschat op 17 en het zegt meteen iets over de belangrijkheid van boten als transportmiddel. Bij gebrek aan wegen over land wordt hier zowat alles over de Amazone vervoerd, mensen inclusief. Alleen al in Manaus zouden er maar liefst 70.000 boten geregistreerd zijn. Onze plezierboot, de Amazone Explorer zal daar ongetwijfeld bijhoren. In de hoop om de misselijkheid de kiem in te smoren, zoek ik het bovenste dek op en hap naar verse lucht. Gisteren maakte Jander voor het eerst gewag van dengue, een variante vorm van malaria. Ik had tot dusver deze mogelijke hypothese als ziektebeeld bewust verdrongen, maar na het raadplegen van het wereldwijde web spreken mijn symptomen boekdelen. ´Plotse koorts, met zware hoofdpijn, pijn in gewrichten en spieren, en soms een uitslag, die uit helderrode petechiën bestaat en meestal op de onderbenen en de borst begint. Er kan ook een maagdarmontsteking bestaan met misselijkheid, overgeven en/of diarree.´ Ik denk dat ik de lotto heb gewonnen...

Na ongeveer een uur varen, openbaart zich een curieus natuurspektakel. Daar waar de Rio Negro van Manaus met zijn typische zwarte kleur in aanraking komt met de bruine, leemkleurige Solimões rivier of de Amazone, treedt er geen vermenging op. De beide rivieren stromen netjes naast elkaar. Er ontstaan hier en daar melkwolkjes, maar ze blijven afgesloten eilandjes in het zwarte water van de Rio Negro. Om het verschil in kleur duidelijk te onderscheiden heeft de gids twee waterkannen gevuld en poseert er olijk mee voor de camera. De reden waarom de twee rivieren zich over een afstand van ongeveer zestig kilometer niet vermengen heeft ondermeer te maken met het verschil in dichtheid, temperatuur en snelheid van elk van de stromen. Om de toeristen het gevoel te geven dat de excursie meer om het lijf houdt dan enkel een boottochtje waar je van dichtbij een glimp kan opvangen van de niet verstrengelde waterlopen, meert de boot na een rondrit van een half uur aan bij een drijvend restaurant, annex artisanale winkelruimte. We laten de prullaria voor wat ze zijn en trekken te voet verder over een loopbrug die ons tot een km ver een weg baant doorheen het dichte woud. Op het einde ervan staan we oog in oog met een moerassig gebied waar cirkelvormige grasgroene reuzeborden liggen te dobberen. Het zijn de bladeren van de grootste waterlelies ter wereld, de ´Vitória Régia´ die enkel hier in de Amazone te vinden zijn en voornamelijk van mei tot juni in al hun pracht bloeien. We moeten ons tevreden stellen met ons voorstellingsvermogen, maar de wijde diameter van de bladeren die tot twee meter kan gaan, geeft ons al enigszins een beeld van de omvang van deze reuzenlelies.

Op de terugweg wordt ons een gemotoriseerde canoetrip aangeboden om zodoende de grootsheid van de Amazone vanop het water in levende lijve te kunnen ervaren. We slaan een zijrivier van de Amazone in en laten ons drijven te midden van de jungle doorheen het ontwarbaar kluwen van het regenwoud. Op een gegeven moment komt een pendelende kano langs ons heen varen. In de wiebelende boot zitten drie jonge snaken, een meisje en twee jongens. Wanneer ze ei zo na onze boot raken, halen ze elk een beest tevoorschijn: een aap, een kaaiman en een luiaard. Ik kan mijn ogen niet geloven. Hier wordt met medeweten van de reisorganisatie een dierencircus opgevoerd waarbij kinderen gewillig poseren voor de camera van de toeristen. Elke ingeblikte foto wordt beantwoord met een uitgestrekt handje dat begerig en opdringerig een aalmoes eist. Is dit ecotoerisme? Kinderen die moetwillig dieren in gevangenschap houden om er zich mee te laten fotograferen tegen klinkende munt? Ik schaam me andermaal toerist te zijn.

Mijn verbolgenheid heeft nauwelijks kans om te zoeken naar enige rechtvaardigheid of ik word in een tijdspanne van een uur tijd opnieuw geconfronteerd met de donkere schaduwzijde van het ecotoerisme. Terwijl we nog een tussenstop maken bij een verzameling paalwoningen, ontpopt de nederzetting zich tot één grote circustent. Jong en oud zeult er rond met kaaimannen, kapucijnaapjes en luiaards. Wie ermee op de foto wil, betaalt met klinkende munt. Als kers op de taart komt een vijftienjarige jongen aandraven met een anaconda van minstens anderhalve meter lang. De slang kronkelt zich rond het lichaam van de jongen, terwijl hij de kop in een veilige wurggreep houdt. Tot groot plezier van de omstanders voelen enkele lefgozers zich uitverkoren om ermee op de foto te staan. De gids lacht tevreden, de toeristen krijgen waar voor hun geld.

´s Middags wordt ons een lunchbuffet aangeboden. Ik heb geen trek, enerzijds omdat mijn darmen nog steeds overhoop liggen, maar anderzijds omdat ik mijn gedachten niet kan afwenden van wat ik zopas allemaal heb gezien. Voor mij zit een man van middelbare leeftijd, een Duitser. Hij vindt het eten geweldig, net als de hele excursie. Als ik hem erop attent maak dat ik niet echt opgezet ben met de hele dierenvertoning, kijkt hij me verontwaardigd aan. "Ik vind het geweldig", zegt hij terwijl hij een reuzebrok varkensvlees op zijn vork spietst. "Hoe kunnen we anders die beesten ooit van zo dichtbij te zien krijgen?" Ik weiger in te gaan op zijn kortzichtigheid en laat de man verder de schrokop uithangen. Ik begrijp het niet dat een gereputeerd reisbureau zich zo kan zondigen aan dergelijke praktijken en dat ze autochtonen op een verkeerde manier leren omgaan met het toerisme. Ecotoerisme, de verpakking is vaak veel belangrijker dan de inhoud...

Manaus: het belle epoque gevoel...

Brazilië - Manaus, 15-02-2009 - (dagboek 12)


Mijn gezondheidstoestand kent ups, maar helaas ook heel veel downs. De koortsaanvallen verminderen soms, maar de gewrichtspijnen zijn veelal constant voelbaar. Ik grijp steeds vaker naar ontstekingsremmers, naar sterkere middelen, hogere dosissen. Ik probeer mezelf te verloochenen dat ik teveel hooi op mijn vork heb genomen, te veel geput heb uit mijn fietsreserves. De symptomen wijzen evenwel in een andere richting. Elke lichte verbetering grijp ik aan om mijn tijd zinvol te besteden: het bijwerken van de website, mijn reisroute uitstippelen doorheen de Guyanas, een blitsbezoek aan Manaus stad.

Manaus is een luidruchtige miljoenenstad: hectisch chaotisch en verpletterend groots. De busrit naar het centrum is er al meteen een voorsmaakje van. Je scheurt door de bochten, remt op het nippertje voor de stoplichten en slingert zowat in alle windrichtingen. Eenmaal terug vaste grond onder de voeten, word je overstelpt door oorverdovend geblèr afkomstig uit torenhoge luidsprekers. De contaminatie is hier al lang niet meer enkel visueel. Het centrum heeft iets weg van een braderie. Overal staan stalletjes waar de inwendige mens aan zijn trekken komt. Brazilianen houden van zoet en van veel, althans als ik mag afgaan op hun weinig tot de verbeelding overlatende rondingen. Opvallend veel inwoners lopen er ook rond met een paraplu. Het is één van de voorwerpen die hier een dubbel gebruik kennen. In een tijdspanne van een uur dient het zowel voor zonnescherm als voor regenscherm. Na elke regenbui hervat het leven op straat trouwens zijn eigen ritme, alsof er nooit een druppel uit de hemel is gevallen.

Ik had me voorgenomen om wat musea te bezoeken, maar haast overal sta ik voor een gesloten deur. Op de toeristische dienst verneem ik dat mijn bezoek samenvalt met de jaarlijkse carnavalsperiode en dat bijgevolg zowat alle officiële instanties dicht zijn. Het pronkstuk van Manaus is gelukkig wel open; ´el Teatro Amazonas´. Het operagebouw doemt op als uit het niets, als uit een oase van rust te midden van een bruisend centrum. Het kenmerkt zich door een reusachtige koepel van geglazuurde daktegels. Ik onderscheid in de mozaïek aan kleuren de Braziliaanse vlag. Het gebouw is in de voorbije decennia uitgegroeid tot hét symbool van de rubberboom.

De geschiedenis van het grote rubberavontuur kende zijn bloei vanaf het jaar 1839. Het was in die periode dat Charles Goodyear het vulkaniseren ontdekte van de witte, elastische gom. Duizenden arbeiders zakten af naar de streek van Manaus. Aangelokt door het vooruitzicht op enige welvaart werkten ze er aan de latexoogst voor rekening van de nieuwe rubberbaronnen. Als in 1884 de slavernij in Manaus wordt afgeschaft, introduceren de rubberbaronnen een feodaal systeem dat de rubbertappers in een uitzichtloze greep houdt. Zo werden de arbeiders op de rubberplantages verplicht om alle gereedschappen (kapmessen, vislijnen) en voedsel in de winkels te kopen die -hoe kan het ook anders- eigendom waren van de rubberbaronnen. Wie geen geld had, kon op krediet kopen. Daar de rubberbaronnen over het absolute monopolie beschikten in de rubberhandel, waren de rubbertappers voor de prijs van hun latexballen volledig overgeleverd aan de willekeur van de rubberbaronnen. De arbeiders kregen vaak zo´n lage prijs dat ze langzaam maar zeker in een uitzichtloze positie geraakten. Hun schulden liepen op, jaar na jaar. Wie wou weglopen of opkomen voor zijn rechten kwam oog in oog te staan met de ´pistoleros´, de ingehuurde handlangers van de plantage-eigenaars. Het werk op de plantage was hard en vaak dodelijk. Rubbertappers vielen bij bosjes door malaria en andere parasieten. Ondertussen maakten de rubberbaronnen enorme fortuinen. De uitvinding van de rubberband door Dulop in 1887 vertienvoudigde de vraag naar rubber. In een mum van tijd ontpopten de rubberbaronnen zich tot miljardairs die Manaus ombouwden naar Parijs model. Ze lieten paleizen en villa´s bouwen en kleedden zich volgens de heersende Europese mode. Manaus schitterde in de jungle van de Amazone. Cultuur, hoogstaande cultuur; dat ontbrak nog in Manaus. De rubberbaronnen lieten midden in het centrum een cultuurtempel neerpoten -met de fijnste bouwmaterialen- die voor geen enkel operagebouw waar ook ter wereld moest onderdoen.

Ik sluit me aan bij een groep toeristen voor een rondleiding doorheen het symbool van absolute rijkdom. We hebben geluk, want het filharmonisch orkest is net bezig met de laatste repetities voor de uitvoering van vanavond. Ik nestel me in de knusse fauteuils en droom weg naar de tijd van weleer, toen rubberbaronnen zich met paard en koets lieten afzetten aan de ingang van deze cultuurtempel. In die tijd zouden de straatstenen rondom het gebouw vervaardigd zijn geweest uit een mengeling van steen en rubber, zodat de koetsen van de laatkomers het reeds aan de gang zijnde spektakel niet zouden verstoren. Zouden de heren zich dan ook op rubberzolen hebben voortbewogen? Terwijl ik mijn oren muzikaal laat verwennen, dwalen mijn ogen af naar de weelde om me heen. Zowat alles werd per schip aangevoerd vanuit Europa, aangezien de boten die het rubber vervoerden anders toch leeg terugkwamen. Nu werden ze volgestouwd met marmer uit Carrara, meubilair uit Parijs, daktegels uit de Elzas, kroonluchters uit Italië, spiegels uit Venetië, staal uit Engeland,... Alleen het hout was afkomstig uit de Amazone. Al werd het eerst naar Europa verscheept om in Portugal gebeeldhouwd te worden. Het operagebouw in hartje Amazone is op en top Europees. Terwijl de muziek van het orkest langzaam wegsterft, begeven we ons naar één van de balzalen. Om het parketvloer te beschermen moeten we muisgrijze pantoffels aantrekken. Ze zijn zo groot dat ik er moeiteloos met mijn teva-sandalen en al in kan glippen. Ik schuif over de geboende vloer zoals de vrouwen van de rubberbaronnen dat een eeuw geleden ook wellicht deden, maar dan ongetwijfeld iets gracieuzer en met iets elegantere muiltjes aan de voeten.

Zoals met alles in het leven, kende ook dit pronkstuk zijn glorieperiode en zijn ondergang. Toen rond 1910 in Maleisië het productieniveau van rubber zowat dat van Manaus bereikte, kelderde de wereldkoers. De economische crash in 1915 versnelde alleen maar het tanend succes van Manaus als wereldstad. Wanneer tijdens de Tweede Wereldoorlog het synthetische rubber wordt ontwikkeld, is de genadeslag voor Manaus onafwendbaar. Manaus wordt een dode stad die zich terugplooit op het belle epoque gevoel van weleer...

Doodziek...

Brazilië - Manaus, 13-02-2009 - (dagboek 11)


Gisteren in de namiddag ben ik aangekomen in Manaus stad; een grote metropool waar maar liefst 2 miljoen mensen samenleven. Het kostte me vier en een half uur om het huis van Jander te vinden, de couchsurfer bij wie ik ben uitgenodigd. De weg vragen in het Portugees is al een hele stap; de uitleg over de te volgen reisroute vaak een stap te groot. Ik reed eindeloos verloren; kwam diverse malen terug op hetzelfde punt uit en werd bijna van mijn sokken gereden door een aanstormende ambulance. Eenmaal aangekomen leek het alsof alle krachtinspanningen van de voorbije week als een zware last van mijn schouders vielen. Maar terzelfdertijd voelde ik hoe oprukkende ziektekiemen mijn lichaam begonnen te overwoekeren. In een tijdspanne van enkele uren werd ik ziek, doodziek.

Ik heb de hele nacht gezwalpt tussen het ijskoude Spitsbergen en het tropische Jamaica. Ook deze morgen duren de koortsaanvallen onverminderd voort. Ik voel me leeg, misselijk, uitgeblust en kotsziek. Ik verwijs mezelf noodgedwongen naar de sofa, bij gebrek aan iets beters. Couchsurfing is een ideale manier van reizen, maar niet als je doodziek bent. De familie van Jander mag me dan wel met de beste zorgen toedekken, hun leven gaat evenwel verder zijn gewone gang. Jander woont in een volkse buitenwijk van Manaus, samen met zijn ouders en zijn gescheiden zus. Overdag werkt hij als computeranalist voor een architectenbureau en ´s avonds volgt hij lessen om zijn baccalaureaat te behalen. De rest van de familie zit thuis, hangt van bij het eerste ochtendgloren voor de beeldbuis en zapt de verveling weg. De vader neemt hierin het voortouw. Na het ontbijt vlijt hij zich langgerekt in één van de drie sofa´s en kijkt naar zowat alles wat hem ook maar enigszins kan boeien. Zelden iemand ontmoet met zo´n uitgebreide interesse: teken- en actiefilms, history channel, kookprogramma´s, politieke debatten, soaps, Big Brother Brasil,... Zijn vrouw en gescheiden dochter volgen in zijn voetspoor. Tussen deze drie personen in loopt er ook nog Gijani Victoria, het dochtertje en kleinkind van 1 jaar en acht maand oud. Nu ja, loopt... Het kind straalt iets vreemd uit, iets afwezigs. Het lijkt alsof de wereld om haar heen geen vat heeft op haar leefwereld. Het liefst trekt ze de schoenenkast open om er hoge muiltjes uit te halen waarmee ze dan urenlang doorheen de keuken sloffert. Op zulke momenten is ze volledig in zichzelf gekeerd, alsof ze Alice in Wonderland is in eigen persoon. Haar communicatie beperkt zich tot gebrabbel van onverstaanbare woorden. Het is een vreemd zicht: die liggende volwassen wereld opgeslorpt door het beeldbuisgekwetter en dat kleine meisje dat als een soort Assepoester in haar eigen droomwereld vertoeft.

Tussen die twee werelden in lig ik, draaiend op mijn zij, zoekend naar een houding om me af te sluiten van die loeiende TV-kast die zijn klanken dolby-surround de woonkamer uitspuwt. Zelfs de cocktail aan medicatie haalt niet het verhoopte resultaat. Integendeel, nieuwe ziektesymptomen duiken op: buikkrampen, hevige diarree en hoofdpijn. Ik begin me zorgen te maken. Het Amazonegebied staat bekend als rode zone waar malaria en dengue (een gevaarlijke vorm van malaria) welig tieren. Een resistent geneesmiddel tegen dengue bestaat er niet. Wie erdoor geveld wordt, moet zijn doodziek-zijn laten ondergaan en hopen dat hij er snel terug bovenop komt.

Tegen valavond vult de woonkamer zich met een groepje mensen en een stel jengelende kinderen. Vanuit mijn horizontale positie zie ik hoe ze plaats nemen aan de keukentafel. Enkele bijbels worden tevoorschijn gehaald en even later vult de kamer zich met gebeden. De fanatieke wijze waarop sommige aanwezigen hun geloof belijden tart elke verbeelding en nog meer mijn trommelvliezen. Wanneer één van de kinderen het op zijn heupen krijgt en uit pure verveling zijn keel openzet, wordt het gehuil moeiteloos overstemd door nog hogere geloofsklanken. Ik zink weg in mijn ellende en hoop heel even dat ik hier nooit was terechtgekomen...

Voorbarige zorgen?

Brazilië - onderweg naar Manaus, 11-02-2009 - (dagboek 10)


Gisteren heeft het tropisch regenwoud zijn naam alle eer aangedaan. Zelfs toen ik het Waimiri Atroari-reservaat uitfietste -netjes op tijd overigens- bleef het miezeren. Deze morgen lacht een stralende zon me opnieuw toe. Ook reizen tijdens het regenseizoen zorgt voor de nodige afwisseling.

Zijn het de lange, zware fietsdagen die stilaan hun tol beginnen te eisen of is er iets anders gaande? Sinds gisteren heb ik voor het eerst sinds de start van mijn zwerftocht last van gewrichtspijn. Mijn linkerknie roteert niet meer zo vlotjes als voorheen en ook mijn rug laat van zich horen. Daarenboven sukkel ik al geruime tijd met diarree. Over het algemeen maak ik me daar niet druk over. Het is zoals zoveel zaken in het leven; als het met de regelmaat van de klok terugkeert, dan leer je er voor een stuk mee leven. Het is voor mij zoiets als een verkoudheid die af en toe opduikt en dan weer even plots verdwijnt. Maar deze keer sputtert de stoelgang net iets te lang naar mijn gevoel. Ach, misschien maak ik me zorgen om niets. In ieder geval heb ik me voorgenomen om de nog resterende 250 km op te splitsen in drie etappes.

Voor het eerst sinds mijn vertrek uit Boa Vista bereik ik een dorp van enige betekenis: Presidente Figueiredo. Ik vind er een betaalbaar hotelletje met gering comfort. Uit de douchekraan sijpelt er slechts druppelsgewijs water uit, maar na een weekje zeep noch water te hebben gekend, voelt de kleine waterstraal hemels aan. Onvoorstelbaar hoe vlug een mens zich leert aanpassen aan de omstandigheden waarin hij reist. ´s Avonds spring ik nog binnen in een lanhouse en probeer na een week virtueel contact te krijgen met de buitenwereld. Het valt dik tegen. De internetcafés worden in Brazilië hoofdzakelijk gefrequenteerd door jonge gasten die afstompende computerspelletjes spelen in de trant van ´Counter Strike´. De breedbandsnelheid daalt zo drastisch dat ik er nauwelijks toe kom om mijn e-mails te lezen, laat staan om de website up te daten. Soms hoopte ik dat ik deze fietstocht had gemaakt nog voor het internettijdperk...

Het reservaat van de Ianomami-indianen...

Brazilië - onderweg naar Manaus, 10-02-2009 - (dagboek 9)


Het weer in Brazilië is wispelturig. De ene dag is zelfs factor 50 als zonnecrème nauwelijks voldoende; de andere dag wenste je dat je net toch iets meer regenkledij had meegenomen. Het heeft zowat de hele nacht geregend en ook bij het ontwaken van de ochtend hangen donkere regenwolken dreigend laag boven het gladde asfalt.

Terwijl mijn kleddernatte tent nog wat nadruipt, doe ik me, ter hoogte van een nabijgelegen benzinestation, tegoed aan enkele empanadas met kaas. Ik geraak er in gesprek met een Venezolaanse truckchauffeur uit Santa Elena die bananen vervoert. Reeds bij de eerste woorden is de toon gezet. De man steekt zijn onvrede over de gesloten toegangsweg tussen zonsondergang en zonsopgang niet onder stoelen of banken. "De Braziliaanse regering blijft maar toegevingen doen aan die naakte indianen, maar staat er niet bij stil dat wij economisch verlies lijden." Hij vertelt me dat hij gemiddeld acht keer per maand deze weg aflegt. Als hij geluk heeft kan hij doorrijden, maar in het slechtste geval -zoals vannacht- zit hij vast. Hij ergert zich ook aan de grote vrijgevigheid van de toenmalige Braziliaanse president Fernando Collon die in 1991 via een omstreden decreet de 9000 Ianomami-indianen maar liefst 95.000 vierkante kilometer oerwoud officieel in bruikleen gaf. Dat moet zowat drie keer de oppervlakte zijn van België...

Wanneer ik rond acht uur voorbij de slagbomen fiets, roept dezelfde jongeman van gisteravond me nog na. Ik begrijp niet wat hij bedoelt, maar ik vermoed iets in de trant van dat ik ten laatste om zes uur ´s avonds het reservaat moet verlaten. De weg is in een abominabele staat. Op vele plaatsen is het asfalt weggevreten en kringen modderplassen als minuscule watereilandjes in het rond. De reden dat de weg die door het reservaat loopt sinds lange tijd niet meer werd hersteld, heeft ongetwijfeld te maken met de nare voorgeschiedenis waarmee de indianen geconfronteerd werden bij de aanleg ervan in de jaren 70. De bouwvakkers van weleer brachten namelijk nieuwe ziekten mee. Ongeveer duizend indianen stierven korte tijd later aan een mazelepidemie.

De wegenbouwers vormden evenwel niet de enige bedreiging. In de jaren 80 ontdekte men dat het meest primitieve volk ter wereld boven een schat aan edelmetalen woonde: goud, diamanten, tinerts, ... Het lag er allemaal voor het rapen. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje en maar liefst 40.000 goudzoekers zakten af naar de regio. Het gedolven goud schitterde voor de Ianomami-indianen allesbehalve. Hun rivieren vol vis raakten bevuild door het gebruikte kwik waarmee het goud werd gezuiverd en andermaal stierven vele indianen aan ziektes, zoals tbc en malaria. Maar de ontwrichting ging nog verder. De goudzoekers gaven de indianen rijst en macaroni waardoor ze ophielden met het verbouwen van voedsel. De goudzoekers mogen dan wel begin de jaren 90 met harde hand zijn verwijderd uit het gebied, de sporen van hun verblijf zouden nog duidelijk aanwezig zijn. De Ianomami die steeds hebben geleefd zoals in het steentijdperk; zonder schrift, zonder kleren en levend van de jacht en de visvangst, zijn hun geschiedenis stilaan aan het verliezen. De eigen gemaakte aardewerken kookpotten zijn al lang vervangen door roestvrij kookgerief; een geschenkje van de goudzoekers. De kanoes met peddels hebben inmiddels ook al een buitenboordmotor waardoor hun onafhankelijkheid zwaar in het gedrang kan komen en de integratie in de geldeconomie bijna onvermijdelijk is. Ik zeg wel zou, want de Ianomami-indianen leven opvallend teruggetrokken, diep in het oerwoud.

Toeristen worden er via grote borden op gewezen dat filmen of fotograferen ten strengste verboden is. Meer nog, sommige borden vragen je met aandrang nergens halt te houden. Honderdvijfentwintig kilometer fietsen zonder een rustpauze in te lassen. Het is zelfs voor een getrainde wereldfietser met een zwaar bepakte fiets een nobele gedachte...

Fietsen tussen klinkers en medeklinkers...

Brazilië - onderweg naar Manaus, 09-02-2009 - (dagboek 8)


De weg naar Manaus is lang, eindeloos lang. De eenzaamheid knaagt aan mijn zwerversziel, de verschroeiende zon aan mijn huid. Om de leegte op te vullen, jongleer ik met woorden. Ik laat mijn geest goochelen door aftelrijmpjes te verzinnen. Tekstballonnen vol klankrijke klinkers en medeklinkers pakken als welkome regenwolken boven mijn hoofd. Ze dwarrelen als stofregen tot woorden vol betekenis. Sommige bengelen heel even aan mijn stuur, proberen mee te dingen voor een plaatsje in ´Het Groot Dictee der Nederlandse Taal´. Dictees hebben meer gemeen met valstrikken en ongewone spellingskronkels dan met rijm. Ze halen niet de eindmeet. Sommige woorden weten me wel te charmeren, omdat ze beelden oproepen, gevoelens van leegte, van eenzaamheid, van hoe ik me voel. Ik stop ze in een onzichtbare verzameling vol emoties. Laat ze tientallen kilometers lang met elkaar ravotten, uitdagen en liefkozen. Elke wedstrijd is nu eenmaal een aflossingskoers. Hier is dat niet anders. Zovele uren later balanceren sommige op een dunne rode draad. Wie te licht wordt bevonden, tuimelt er alsnog genadeloos af. Eindelijk is het zover, het spel met schuiven en schrappen kan nu pas echt beginnen. Voegwoorden, verkleinwoorden, tussenwoorden, zelfstandig naamwoorden, werkwoorden... Ze passeren allemaal de revue. Ik spreek ze langzaam uit, nu eens met intonatie, dan weer op een neutrale toon. Probeer klanken met elkaar te verzoenen, ze een extra dimensie te geven. En plots... valt alles samen als een gestroomlijnde meanderende rivier. Het taalspel heeft de eenzaamheid tientallen kilometer verderop verdrongen.

In de verlatenheid van de stilte
roteert de wereld om me heen,
rechtlijnigheid splijt mijn gedachten
mijn kilometerteller houdt me op de been.

Oneindigheid in numerieke eenheden
Links en rechts, een zee aan land,
kolonisatie is haar vreemd
geen teken van een mensenhand.

Of toch... een verdwaald stoffig spoor
schijnbaar verloren in de onmetelijkheid,
de weg naar een onzichtbare ´fazenda´
te ver voor een ziel met weemoeddronkenheid.

Op een bepaald moment trekt een niet alledaagse wegwijzer m´n aandacht: ´Vila do Equador a 10 km´. Plots herinner ik het me weer. De loodrechte weg van Santa Elena tot Manaus loopt dwars over de evenaar. Op het bewuste kruispunt staat een kegelvormige rotsblok. Een smalle ijzeren glijbaan leunt er zachtjes tegenaan. De ontwerper heeft er voor alle duidelijkheid het geblokletterde woord EQUADOR op aangebracht. Dit moet minstens de tweede keer zijn op mijn trip dat ik de evenaar overschrijd. De memorabele plaats krijgt ook hier een digitale vereeuwiging.

Ik ben reeds twee fietsdagen verwijderd van Boa Vista en het blijft me opvallen hoe schaars de bewoning hier is. Slechts af en toe duikt er een verroest bordje op. Ik ontcijfer uit de afgeschilferde letters het woord ´Fazenda´ (boerderij) - km 520. Het zijn de enige tekenen van een westerse beschaving. Op het einde van alweer een lange fietsdag blijkt ook deze beschaving op te houden te bestaan. Een slagboom verspert me de weg. Ik sta aan de ingang van het territorium van de Ianomami-indianen. Terwijl ik enkele waarschuwingsborden (gedragsregels) lees, komt een jongeman tevoorschijn uit een winkeltje waar artisanale spullen te koop worden aangeboden. Hij maakt me duidelijk dat verderrijden verboden is. De 125 km lange weg is tussen 6u ´s avonds en 6u ´s morgens ontoegankelijk gebied. De hoofdreden is dat het zware vrachtverkeer en personenwagens vooral ´s nachts een bedreiging vormen voor het voortbestaan van de dieren die er in het wild leven. Blijkbaar maakt een verdwaalde zwerver per fiets daar geen uitzonderling op...

Afscheid nemen in stijl...

Brazilië - Boa Vista, 07-02-2009 - (dagboek 7)


Soms doet het fysiek pijn. Mensen die in je leven schuiven; of jij die heel even in hun leven binnenschuift -soms geruisloos- om na een tijdje weer te vertrekken. Mensen waarmee je op dezelfde golflengte zit, gesprekken uitwisselt waarbij de rode draad gedragen wordt door dezelfde aanknopingspunten. Mensen die een normaal leven leiden, bescheiden, maar oprecht gelukkig zijn met datgene wat de dag hen dagelijks brengt. Zo´n ontmoetingen zijn niet alleen ontzettend verrijkend, ze zijn ook moeilijk om afscheid van te nemen.

De immense goedheid van het gezin Eliseu kwam gisteren, op de vooravond van mijn lang verblijf, nog eens overduidelijk naar voren. Zo had Eliseu twee vrienden opgebeld die respectievelijk op 125 en 270 km wonen van Boa Vista, in de richting van Manaus, en waar ik probleemloos de nacht kan doorbrengen. De grootste verrassing hield gisteren rond vier uur in de namiddag halt voor het huis van Eliseu: een reportagewagen van de Braziliaanse televisie. Eliseu was erin geslaagd om de televisieredactie warm te maken om de jongensdroom van die Ieperse verdwaalde zwerver in te blikken.

En voor het eerst heb ik zelfs het geluk om het eindresultaat met eigen ogen te kunnen aanschouwen op tv. In het ochtendjournaal dien ik als de toepasselijke ´uitsmijter´. Het clipje duurt ongeveer drie minuten, is dynamisch en speels gemonteerd. De cameraman en de monteur hebben er een professioneel stukje van gemaakt met de nodige afwisseling in beeld en klank. Wanneer ik een uur later afscheid neem van Eliseu en de rest van het gezin, word ik bij het uitfietsen van de stad achternageroepen door een toevallige passant. "Olá, boa viagem belga" (Hoi, goeie reis Belg). Het lijkt erop dat ik een dagje lang bekende Belg zal zijn in Brazilië...

Bolsa Familia...

Brazilië - Boa Vista, 06-02-2009 - (dagboek 6)

Daar waar Chavez aardig op weg is om in de voetsporen te treden van zijn goeie Cubaanse vriend, Fidel Castro, inzake de duur van zijn leiderschap als president -zondag 15 februari stemt het Venezolaanse volk via een referendum in met het onbeperkt herkiezen van de president- is de huidige Braziliaanse president Lula al best tevreden met zijn tweede ambtstermijn die nog loopt tot eind 2010.

Acht jaar regeringsschap moet volgens Lula volstaan om zijn ambities waar te maken. Na zes jaar aan het bewind is hij al aardig op weg om een groot deel van zijn verkiezingsbeloftes waar te maken. Onlangs nog kondigde de Braziliaanse regering aan om het voortouw te nemen bij de grootschalige actie van de Verenigde Naties die tot doel heeft om tegen 2015 elk kind overal ter wereld lager onderwijs aan te bieden. In feite timmert Brazilië reeds sinds 2003 aan een soortgelijke sociale weg. In dat jaar zag het project ´Bolsa Familia´ (familie subsidie) het levenslicht. Het is tot op heden het grootste sociale subsidieprogramma ter wereld en bereikt maar liefst 36 miljoen Brazilianen. Het programma komt er in het kort op neer dat arme families financiële steun ontvangen op voorwaarde dat hun kinderen ingeënt worden en naar school gaan. Een project dat inmiddels ook al zijn navolging kent in Nicaragua en El Salvador (cfr. dagboekverslagen Nicaragua en El Salvador). Men bestrijdt dus terzelfdertijd twee vliegen in één klap: de honger en het probleem van de ongeschooldheid. Lula heeft met zijn ´Bolsa Familia´ in ieder geval nationale en internationale erkenning gekregen.

Eliseu is vol lof over het project, maar ik maak mezelf wel enkele bedenkingen. Als ik denk hoe in België allerlei gunstige sociale maatregelen ertoe hebben bijgedragen dat voor sommige huismoeders met een laag inkomen en kleine kinderen, halftijds werken haast lucratiever is (of veelal een nul-nul operatie) dan wanneer ze voltijds zouden gaan werken, dan kan ik me best voorstellen dat ´Bolsa Familia´ ook wel leidt tot gelijksoortige verschijningen. Moet een regering er niet juist voor zorgen dat haar volk financieel onafhankelijk wordt? Eliseu ontkent niet dat de maandelijks ontvangen subsidie voor sommige armen een excuus is om geen werk te zoeken. Toch drukt hij me op het hart dat het om een heel beperkte minderheid gaat.

Het zoeken naar de juiste balans bij het uittekenen en realiseren van een dergelijk grootschalig sociaal project moet in een land als Brazilië dus te moeilijker zijn. Brazilië staat in de top 10-wereldlijst van landen met de grootste inkomensongelijkheid. Het programma ´Bosla Familia´ zal dan ook niet meteen een oplossing bieden voor het probleem van de kinderarbeid. Ondanks het feit dat kinderen naar school gaan, is de kinderarbeid het voorbije jaar slechts met 0,3 procent afgenomen. Het geld dat ze immers op straat verdienen is vele malen meer dan de subsidie die maandelijks via de ´Bolsa´ binnenkomt. Naar schatting 2,5 miljoen kinderen tussen 5 en 15 jaar klussen op de één of andere manier bij opdat het gezin op het einde van de maand de eindjes aan elkaar kan knopen. Het bedrag van de ´Bolsa´ is met andere woorden te klein om de inkomsten uit kinderarbeid te kunnen vervangen.

Eliseu blijft, zoals altijd trouwens, optimistisch over de verre toekomst. "Kinderen hebben nu, dankzij het programma, de kans om naar school te gaan. Voor het eerst durven ze dromen over een toekomst, een job. Mijn ouders hebben zelfs niet eens die droom kunnen koesteren..."

Verstoppertje in een verkeerde ketel…

Brazilië - Boa Vista, 06-02-2009 - (dagboek 5)


Eliseu roffelt met zijn vingers op zijn stuur waarvan de buitenbekleding er half is uitgeplukt alsof muizen de helft hebben weggevreten. "Deze wagen laat me nooit in de steek, ook al nadert hij zijn zesentwintigste verjaardag!" De triomfantelijke zekerheid waarmee hij zijn bewering de lucht inslingert, kenmerkt hem. Eliseu is een man die overloopt van optimisme, die houdt van het leven, van zijn vrouw en zijn gezin, ook na 22 jaar huwelijk. We zijn op weg naar -wat hij noemt- het echte Boa Vista: de gordel van ellende. De rammelende wagen verwijdert zich alsmaar verder van het ingenieus neergeplante centrum. De goed geasfalteerde weg verandert in een stoffige piste. De banden wippen van de ene put in de andere. We balanceren moeiteloos zachtjes mee. In de verte doemen houten kippenhokken op, kwistig en ordeloos neergestrooid op een uitgestrekte zandvlakte. De hitte van de vroege morgen is reeds voelbaar en ik draai langs het piepende raam wat frisse lucht binnen. Verder dan tien centimeter kom ik niet. Het glas hangt zijdelings uit zijn omlijsting. "Je moet het raam met je hand zachtjes naar beneden duwen terwijl je aan de hengel draait", roept Eliseu me toe. "Mijn wagen is als een rijpere vrouw, die vraagt ook om wat meer aandacht..." Ik zie vanuit mijn achteruitkijkspiegel hoe zijn vrouw op de achterbank heel even gniffelt.

Hoe verder we rijden, hoe meer orde er in de chaos lijkt te komen. De houten barakken maken plaats voor bakstenen dominohuisjes; de stoffige gruyèrepiste voor een hard aangestampte aarden weg. Grote rioleerbuizen wachten geduldig om vroeg of laat hun weg te vinden in de ondergrond. We bevinden ons in één van de arme buitenwijken van Boa Vista. De plek was jarenlang een braakliggend terrein, tot op de dag dat duizenden emigrantenfamilies er hun haveloze tenten opsloegen. De landeigenaar ondernam pogingen om de ongewenste indringers te verjagen. Tevergeefs. Het gemeentebestuur zag zich genoodzaakt te onderhandelen met de grootgrondbezitter en kocht de grond op. Na jarenlange beloftes om het terrein te voorzien van huisvesting en alle ermee gepaard gaande nutsvoorzieningen, is men sinds vorig jaar van start gegaan. Eliseu vertelt me in een notendop dat het woonwijkproject tegen 2012 volledig zal afgerond zijn. Het moet plaats bieden aan 1700 woningen, goed voor zo´n vier à vijfduizend minderbehoeden.

We houden halt te midden van de woonwijk in aanbouw. Grote, logge vrachtwagens draven af en aan; kuipwagens volgeladen met uitgegraven aarde. Mijn ogen vallen op geblokte letters die de voorgevel van een gebouwtje een blauw tintje geven: Ministerio cristo para todos - Projecto ´Amigos da Comunidade´. Eliseu heeft hier twee jaar geleden, samen met broeders uit zijn Evangelische geloofsgemeenschap, een centrum opgetrokken ten behoeve van de inwoners. Elke werkdag brengt hij zijn vrouw hier naartoe. Samen met nog een handvol vrijwilligers maken ze eten klaar om die dan rond etenstijd gratis aan te bieden aan de omwonenden. Hun kleine, maar praktisch ingerichte keuken is het werkdomein van de vrouwen. We stemmen beleefd, maar opgelucht, in wanneer ze ons wandelen sturen.

Eliseu troont me mee naar een goeie vriend, niet toevallig een fietsenhersteller. Zijn winkeltje, annex werkplaats is overzichtelijk, maar ouderwets. Ik laat mijn ogen glijden over de schappen met fietsonderdelen. Nieuwe remblokken, denk ik bij mezelf; die zouden nog eens van pas kunnen komen. Zijn gamma beperkt zich tussen oorlogse en vooroorlogse. De shimano-remblokken van mijn fiets zijn bedacht door ingenieuze fietsenbouwers die een loopje nemen met de fietsgeschiedenis van weleer. Ik grabbel tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog naar iets waarvan ik op voorhand weet dat ik nimmer op mijn zwerftocht zal kunnen gebruiken. Ach, denk ik bij mezelf, misschien kan ik ze ooit nog eens monteren op het koersveloke van één van mijn ukkies. Jonge beloftevolle koereurkes -of zullen het pedalerende zwervertjes worden?- zijn nog niet zo veeleisend...

Wanneer we anderhalf uur later opnieuw het heiligdom van de keukenprinsessen betreden staat Eliseu´s vrouw te roeren in een gigantische kookpot. De ketel neemt zo´n afmetingen aan dat ze een opstapje nodig heeft om met zichtbare grote draaibewegingen het pruttelende voedsel om te roeren. Het beeld doet me heel even wegdromen naar mijn jeugdjaren, naar beenhouwerij Puydtjes op de Grote Markt in Ieper. Ik zie nog hoe ik als kind van nauwelijks negen jaar me wegstop in een gelijkaardige ketel. De geur van vers gemalen gehakt scherpt terug de herinnering aan, weggedoken met opgetrokken knietjes in de hoop om niet gevonden te worden. Ik hoor opnieuw de naderende voetstappen van de al even jonge Pascal, de enige zoon van de beenhouwer en toenmalig klasgenoot. Ik hou mijn adem in, net zolang tot de zoekende voetstappen een andere kant uitkiezen. Ik voel me prinsheerlijk met mijn schuilplaats. Zo zou ik nog uren verstoppertje willen spelen. De seconden tikken weg. Ze lijken op eindeloos lange minuten. Ik schrik, hoor andere voetstappen, zwaardere, minder zoekende. Mijn afgesloten metalen cocon wordt ontdaan van zijn deksel. Ik sta, even perplex, oog in oog met vader Depuydt. Ik ben er na die bewuste woensdagnamiddag nooit meer mogen gaan spelen...

De radeloosheid van Sandro...

Brazilië - Boa Vista, 05-02-2009 - (dagboek 4)


De hitte in de kleine huiskamer ten huize van Eliseu slaat op me neer als een alles verpletterende zon. Of heeft de warmte te maken met de beklemmende beelden die voor mijn ogen dansen? Met ongeloof kijk ik toe hoe een hopeloze jongeman een bus kaapt in hartje Rio de Janeiro. Het geheel heeft iets weg van een goed nagespeelde thriller, maar de waarheid laat evenwel een wrange nasmaak na. ´Ônibus 174´ is een documentaire, gebaseerd op een tragedie die zich op 12 juni 2000 afspeelde nabij ´el Jardin Botanico´ in de voormalige Braziliaanse hoofdstad Rio de Janeiro.

De film is veel meer dan louter een adembenemende reconstructie van een buskaping door een schijnbaar gefrustreerde losgeslagen jongeman. Het is een verhaal van een uitzichtloos leven en de spiraal aan geweld waar zowat alle straatkinderen in Rio vroeg of laat mee in aanraking komen. Het is het levensverhaal van Sandro Rosa do Nascimento, geboren in de sloppenwijken van Boa Vista op 7 juli 1978. Zijn biologische vader laat zijn moeder in de steek wanneer hij verneemt dat ze zwanger is. Sandro wordt vaderloos geboren. Op zesjarige leeftijd is hij getuige hoe zijn moeder, hoogzwanger van een tweeling, vermoord wordt door drie mannen. Sandro staat er van de ene dag op de andere helemaal alleen voor.

De armoede drijft hem naar de voormalige hoofdstad, Rio de Janeiro waar zich een klassieke favela-loopbaan ontrolt. Lezen en schrijven zijn hem vreemd. Zijn huis is de straat. Diefstallen om te overleven krijgen al gauw een nieuwe dimensie. Lijm snuiven en cocaïnegebruik worden een deel van zijn leven. Een gedwongen opname in een opvoedingsgesticht haalt niet het verhoopte resultaat. Hij ontsnapt. De diefstallen volgen elkaar op en de overvallen krijgen een gewelddadiger karakter. Na een kort verblijf in de gevangenis weet hij te ontsnappen. Totaal radeloos en op zoek naar een manier om zijn cocaïneverslaving te bekostigen, overvalt hij op 12 juni 2000 met een 38 kaliber een lijnbus, ´Ônibus 174´. Maar het draait anders uit dan hij had verwacht. Door een passagier wordt de politie getipt. Het is het begin van een gijzeling die heel Brazilië vierenhalf uur in de ban houdt. Zowat alle grote tv-stations brengen liveverslag uit op de plaats van het drama.

De beelden zijn ontluisterend, maar nog meer de woorden van de hopeloze jongeman. "Dit is geen actiefilm", schreeuwt Sandro de camera´s toe. Hij leunt uit het raam, zijn pistool hard tegen het hoofd van één van zijn gijzelaars drukkend. "Film me maar. Ik heb niets te verliezen!" "Brazilië, kijk maar goed." Het is een schreeuw om hulp, maar evenzo een aanklacht tegen een regering die aan zijn verplichtingen tekort schiet en de straatkinderen liever kwijt is dan rijk. Hij haalt oude wonden open door nadrukkelijk te verwijzen naar één van zijn zwartste bladzijden uit zijn troosteloos leven. "Ik ken jullie van Candelária", roept hij tegen de agenten. Sandro was erbij, die bewuste nacht van 23 juli 1993. Hij lag er samen met 69 andere straatkinderen te slapen onder het portaal van de Candelária kerk toen een aantal auto´s plotseling voor de kerk stopten met daarin een groep mannen die in het wild het vuur openden. Acht kinderen lieten het leven: Paulo Roberto de Oliveira - 11 jaar, Anderson Thome Pereira - 13 jaar, Valderino Miguel de Almeida - 14 jaar, Marcelo Candido de Jesus - 14 jaar, Nogento - 17 jaar, Gambazinho - 17 jaar, Paulo José da Silva - 18 jaar en Marcos Antonio Alves da Silva - 20 jaar oud. De daders bleken later politiemannen te zijn.

Het gijzeldrama loopt slecht af voor de onderwijzeres Geisa Frimo Goncalves. Terwijl Sandro haar als een menselijk schild gebruikt om de bus te verlaten, wordt hij onder vuur genomen. De lerares is op slag dood. Sandro wordt overmeesterd en onder het aanzwellend geluid van een woedende menigte die hem wil lynchen, wordt hij in een politieauto geduwd. De opgehitste agenten verliezen hun controle en knijpen hem even later de keel dicht.

Terwijl de aftiteling als een trage reclameband voorbijschuift, blijf ik wat verweesd achter. Hoe radeloos moet je zijn om je leven, je toekomst en je ziel te offeren? Sandro heeft het probleem van de straatkinderen een gelaat willen geven, zichtbaar willen maken naar de buitenwereld toe. Zijn hopeloze daad hebben de filmmakers Felipe Lacerda en José Padilha geïnspireerd om er twee jaar later een documentaire over te maken. Ze werd bekroond op het jaarlijks Filmfestival van Rio de Janeiro. Ik vrees dat zelfs de gelauwerde documentaire negen jaar na de feiten het leven van de tienduizenden straatkinderen in Rio er niet minder uitzichtloos op heeft gemaakt...

Het gelaat van Boa Vista...

Brazilië - Boa Vista, 04-02-2009 - (dagboek 3)


Boa Vista is een grote stad, ontstaan in de hoofden van urbanisten en in een vaste vorm gegoten op de tekentafel door ruimdenkende architecten. Het gelaat van de stad kenmerkt zich door een opvallende overzichtelijkheid met aandacht voor open ruimtes en verscholen plekjes waar geliefden elkaar ongestoord zeemzoete woorden kunnen toefluisteren. Het moet ooit anders zijn geweest. Enkele jaren terug knoopte een vrouw de burgemeesterssjerp om haar lijf en kwam haar verkiezingsbelofte meer dan ooit na. Ze maakte van Boa Vista een leefbare, aangename stad met een weids centrum, groene parken en een kilometerlange wandelpromenade vol leuke pleintjes en hoekjes. Ook aan de opgroeiende jeugd werd gedacht. Netjes centraal gelegen in de stad worden zowat alle denkbare recreatiemogelijkheden aangeboden. Misschien moet de Franse president Sarkozy hier maar eens zijn licht komen opsteken...

Maar niet alleen de gewezen burgemeester verdient alle lof -inmiddels is ze opgeklommen tot hoog op de ministerladder-, maar ook de huidige president Lula scoort hoge ogen in de wijze waarop hij zijn land bestuurt. Mijn gastgezin neemt me ´s middags mee naar een immense comedor (eethuis) dat volledig gefinancierd wordt door de regering en waar iedereen op weekdagen terechtkan voor een volwaardig middagmaal. Dankzij zware overheidssubsidies worden de maaltijden (hoofdgerecht, dessert en vruchtensapje) aangeboden tegen de symbolische prijs van 1 Real, omgerekend nauwelijks 0,30 euro. Dagelijks schuiven om en bij de 3000 hongerige magen aan het buffet. In het totaal telt de stad Boa Vista drie gelijkaardige comedors. Ze maken deel uit van een ganse voedselketen die verspreid ligt over het hele Braziliaanse land.

Omdat ik wel nieuwsgierig ben hoe al die voedzame producten er vóór de bereidingsfase uitzien, neemt het gezin me mee naar één van de vele groentemarkten die de stad rijk is. Ik word er ondergedompeld in een zee aan geuren en kleuren. Ook mijn culinair vakjargon wordt deftig bijgespijkerd, al moet ik toegeven dat de haast onuitspreekbare Portugese benamingen van de bizarre vruchten me als Chinees in de oren klinken. Probeer je zelf maar eens een beeld te vormen bij volgende woorden: ´pupunha´, ´tucuma´, ´jaca´, ´jatobá´, ... Mijn verwondering spreekt blijkbaar boekdelen, want één van de fruitverkopers snijdt zonder een woord te zeggen een ´jatobávrucht´ open en biedt me een witte slijmerige boon de grootte van een knikker aan. Het smaakt vleesachtig zoet, maar verduiveld lekker. Mijn smaakpapillen worden nog meer op de proef gesteld, want onder het alziend oog van de hele familie Eliseu krijg ik een hele reeks suco´s (vruchtensapjes) aangeboden: graviola, goiaba, cupuacó, acai,... Zet zo´n kraampje tijdens de zomermaanden op de Ieperse zaterdagmarkt en je broodje is gebakken.

´s Avonds is het mijn beurt om het hele gezin eens te verwennen. Ik neem ze mee uit eten. Omdat ik het Portugees niet machtig ben, laat ik de bestelling maar over aan Eliseu. Even later komt de dienster aandraven met slechts drie schotels. Heeft de vriendelijke dame zich vergist of zit Eliseu hiervoor iets tussen. Al snel valt mijn Real (de Braziliaanse munteenheid). Om die verdwaalde zwerver niet teveel op kosten te jagen, heeft Eliseu twee schotels minder besteld en worden de drie borden netjes onder ons vijven verdeeld. Een mens wil dan eens vrijgevig zijn...

De actuele problemen van Brazilië...

Brazilië - Boa Vista, 03-02-2009 - (dagboek 2)


Bij mijn eerste kennismaking met Brazilië, nu ook alweer meer dan twee jaar geleden, toen ik de kuststrook helemaal ten zuiden van het land affietste, was het me reeds opgevallen: Brazilianen zijn verslaafd aan tv. Je kan geen bar, geen restaurant, geen kiosk voorbijwandelen of je hoort van alle kanten het beeldbuisgekwetter. Ten huize van Eliseu is dat niet anders. Reeds bij het serveren van het ontbijt zit eenieder gekluisterd rond de televisiekast. De ochtendprogrammering is gelukkig stukken informatiever dan ´s avonds waar Big Brother Brasil in primetime zowat de meeste huiskamers domineert. Het ochtendnieuws drukt mijn neus meteen op één van de actuele problemen waarmee Brazilië te kampen heeft: de armoede en de ermee gepaard gaande criminaliteit in de favela´s van Sao Paolo en Rio De Janeiro.

Ik zie live-beelden in ware CNN-stijl van speciale interventie eenheden van de politie die met gepantserde wagens een doorbraak proberen te forceren doorheen een barricade van brandende voertuigen. Vanuit de lucht tonen helikopterbeelden in één van de zijstraten hoe muitende inwoners vernielingen aanrichten. Winkelramen sneuvelen en auto´s worden als dominoblokjes omver geduwd. Over de stad hangt een inktzwarte rook van vlammende autobanden en voertuigen. Hier en daar liggen lijken in plassen van geronnen bloed. Ik zie hoe Eliseu zijn hoofd schudt. Aan de grondslag van de muiterij ligt deze keer de moord op een vermeende drugstrafikant uit de bewuste favela. Hij kwam gisteravond tijdens een vuurgevecht met de politie om het leven. Voor de arme bevolking uit de favela´s een zoveelste reden om de oorlog te verklaren aan de daders en hun vermeende vijanden, de politie.

Brazilië heeft helaas nog andere kopzorgen die iets dichter van ons bed liggen dan we op het eerste zicht zouden vermoeden. De massale ontbossing van het Amazonewoud is nefast voor de opwarming van de aarde. Het grote Braziliaanse regenwoud is de zogenaamde ´long van de wereld´, omdat ze als geen ander woud in staat is om enorme hoeveelheden broeikasgassen op te nemen en zuurstof uit te ademen. Sinds vorig jaar moet de Braziliaanse regering met het schaamrood op de wangen toegeven dat men, na een periode van opeenvolgende successen om de ontbossing tegen te gaan, terug de teugels aan het verliezen is. In een tijdspanne van amper vijf maanden verdween maar eventjes 3.253 vierkante kilometer bos of een gebied dat groter is dan de provincie West-Vlaanderen. Toch leek het heel even de goeie kant uit te gaan. De strengere toezicht op de kaalkap van de voorbije jaren profiteerde tevens van de dalende sojaprijzen en de mond- en klauwzeercrisis in de veeteelt die er indirect toe bijdroegen dat er minder woud tegen de vlakte ging. Maar ondertussen is de veestapel terug gezond en zijn de prijzen van grondstoffen zoals soja -mede door de grote vraag uit China en de Verenigde Staten- opnieuw fors gestegen. Voor de boeren is de verleiding dan ook groot om winstgevende gewassen te verbouwen ten koste van het regenwoud.

Eliseu toont me een recent krantenartikel waarin staat dat sinds de jaren zeventig ongeveer één achtste van het Amazonewoud is vernield. Niet alleen arme boeren bezondigen zich aan de kaalkap. De hoofdbrok wordt toegeschreven aan multinationals die uit puur winstbejag ´de long van de wereld´ dichtsnoeren. Vorig jaar werd een Amerikaans sportbedrijf dat gekend staat voor zijn tennis- en ski-uitrusting, een boete opgelegd van 275 miljoen dollar wegens het illegaal wegkappen van maar liefst 230.000 bomen. Klein maar pittig detail: de Zweedse zaakvoerder Johan Eliasch is tevens stichter van de Britse NGO ´Cool Earth´ die net tot doel heeft het Amazonewoud te beschermen...

Boa Vista, ten huize van Eliseu…

Brazilië - Boa Vista, 02-02-2009 - (dagboek 1)


Door mijn langdurig getreuzel en mijn veel te laat vertrek uit het grensstadje Santa Elena beperkte mijn eerste etappe op Braziliaanse bodem zich gisteren tot amper 60 km. De grensovergang verliep vlot al was de confrontatie met hun officiële taal, het Portugees, toch even wennen.

Geruisloos breek ik onder de flauwe lichtbron van mijn ledlamp mijn tent af en sprokkel ik mijn spullen bijeen. De wijzers van mijn kleine reiswekker tikken moeizaam de nacht weg. Het is amper half vijf in de morgen. Op een grommende hond na, ligt de kleine commune waar ik gisteren voor de invallende duisternis was aangekomen, nog verzonken in de stilte van de nacht. Eenmaal op de geasfalteerde baan danst de witte stippellijn binnen de contouren van een cirkelvormige volgspot. Het is zowat mijn enige oriëntatiepunt in de nog pikdonkere nacht. Heel af en toe duiken lichtbundels op van tegemoet rijdende vrachtwagens. Ook in Brazilië is time money.

Ik blijf me verbazen hoe de natuur zijn verborgen schoonheid in de ontwakende morgen schoorvoetend prijsgeeft. Het landschap tekent zich donker gekarteld af tegen een bewegend behang dat met geen penseeltrek te benaderen valt. Voor mijn ogen voltrekt zich een kleurenspectrum waar zelfs Van Gogh niet op uitgekeken zou raken. Ik wentel me in de spiraal aan zachte tinten en fiets een zoveelste nieuwe dag dankbaar tegemoet.

De reden van mijn vertrek op dit haast onchristelijk uur heeft alles te maken met de lange fietsdag die zich aandient. Ik wil namelijk voor de invallende duisternis de stad Boa Vista bereiken waar ik verwacht wordt ten huize van Eliseu. Ik ontmoette hem en zijn familie zo´n anderhalve week geleden, aan de voet van de Piedra del Virgen, op weg naar de Gran Sabana. Ze waren er op doorreis en keerden na een korte vakantie in buurland Venezuela terug naar hun thuishaven Boa Vista. De vluchtige ontmoeting resulteerde prompt in een uitnodiging en voor ik het goed en wel besefte kreeg ik zijn telefoonnummer toegestopt. Het reizen met de fiets blijft nog steeds de beste manier om een land en zijn volk te leren kennen. Toch moet ik bekennen dat ik met enige terughoudendheid de uitnodiging heb aangenomen. Vooral het feit dat Eliseu in ons kort gesprek zich liet ontvallen dat hij en zijn gezin aanhangers zijn van de Evangelische kerk, boezemde me wat schrik in. Het bekennen van kleur tijdens een eerste ontmoeting heeft me steeds het gevoel in een bepaalde richting te worden geduwd, willens nillens.

De weg is kaarsrecht, eentonig en eenzaam. Op zulke momenten is het gemis aan een goeie fietspartner des te nadrukkelijker voelbaar. Na een halve etmaal van roterende bewegingen fiets ik rond vijf uur ´s avonds Boa Vista binnen. Mijn kilometerteller heeft vandaag bijna de kaap van 165 km bereikt. Mijn enige referentiepunt om het huis van Eliseu te vinden is zijn in der haast opgekrabbeld telefoonnummer. In een stad die maar eventjes 280.000 inwoners telt zou ik me best wel nog eens heel ver van mijn eindbestemming kunnen bevinden. Aan een verkeer regelende politieagent probeer ik met handen en voeten te vragen waar ik een telefooncel kan vinden. Na me zowat twee en een half jaar te hebben uitgedrukt in het Spaans is de overschakeling naar het Portugees niet voor de hand liggend, temeer omdat de gelijkenissen zich beperken tot een handvol woorden. Mijn hoofdzakelijk non-communicatief gedrag werpt uiteindelijk zijn vruchten af. De agent belt zelf het bewuste nummer en vraagt de te volgen wegbeschrijving. Wellicht door mijn hulpeloos gedrag laat de agent zijn opdracht voor wat het is en escorteert me even later doorheen de drukke avondspits. Agenten, ze zijn zo lief mijnheer...

De ontvangst is buitengewoon hartelijk, bijna broederlijk. Eliseu woont samen met zijn vrouw en vier zonen in één van de buitenwijken van de stad. Het huis is opvallend sober, maar gerieflijk ingericht. Ik krijg een bed toegewezen in de slaapkamer die ik deel met de jongste zoon, Michael. Eliseu is de enige die Spaans spreekt en zo fungeert hij een beetje als tolk voor de andere familieleden. Na een verkwikkende douche en een stevig avondmaal willen ze me kost wat kost de stad tonen bij valavond. Ik voel me doodop, maar wil hun enthousiaste gastvrijheid niet bederven. Rond de klokslag van half twaalf val ik als een blok in slaap. Zelfs de ronkende motor van de ventilator die iets weg heeft van de schroeven van een propellervliegtuig sterven weg nog voor ik er enige geluidshinder van ondervind...