

Terwijl we steeds dichter de Venezolaanse grens bereiken, mijmer ik weg naar mijn lang uitgelopen verblijf in dit fantastisch land. Gisteravond ontdekte ik tot mijn eigen verbazing dat ik hier maar liefst 5.000 km heb afgefietst. Als er één land is dat ik echt heb leren kennen, dan is het wel Colombia. Inwendig hoop ik dat ik binnen enkele maanden mijn twijfels en onzekerheden omtrent mijn volgende bestemming, Venezuela, kan toeschrijven aan vooroordelen en een vertekend werelds denkbeel. Gevoelens die ik evenzeer had toen ik begin dit jaar mijn ontdekkingstocht doorheen Colombia startte. Mijn grootste wens is evenwel niet in vervulling gegaan: de vrijlating van Ingrid Betancourt. De grote vredesbetoging van 4 februari en het beklijvende vredesconcert van 16 maart hebben de guerrillastrijders niet op andere gedachten kunnen brengen. Wie weet zal het nieuwe decreet dat gisteren door de Colombiaanse regering werd goedgekeurd de onderhandelingen terug op het goeie spoor zetten. Het decreet voorziet dat guerrillero´s in aanmerking kunnen komen voor strafvermindering als ze de wapens inleveren. Een soortgelijke, controversiële maatregel bestond al voor de paramilitairen.
Al wegdromend naar een vredevol Colombia fietsen we rond vier uur in de namiddag Maicao binnen. De stad ligt slechts op 12 km verwijderd van Venezuela en dat merk je. De grensstad floreert door de invoer van goedkopere, al dan niet gesmokkelde handelswaren. Electro- en kledingszaken domineren het drukke stadscentrum en roepen bijna een Westers beeld op. De betovering van het wondermooie, verrassende Colombia wordt hier definitief doorprikt. Het is tijd om afscheid te nemen…




Het is nog relatief vroeg op de dag wanneer we Uribia binnenrijden, maar desalnietemin heerst er al een gezellige drukte. Straatventers dingen luidruchtig naar de geldbeugel van de passanten, taxichauffeurs eisen al toeterend de aandacht op in de hoop ook hun laatste zitplaatsje verkocht te krijgen en eetkraampjes verspreiden in de vroege morgen een baklucht van druipende beignets. Kleine tafereeltjes die Latijns-Amerika met z’n kleinschalige economie zo typeren. Het is één van de zovele facetten die ik echt zal missen. Fred heeft zich ondertussen geïnstalleerd op het terras van een dranktent en bestelt zijn eerste pint van de dag. “When I’am on holiday, I’m drinking like a fish…”, zei hij enkele dagen geleden nog. Het ziet ernaar uit dat de vis andermaal een lome, nutteloze dag tegemoet gaat. Met enige moeite overhaal ik Fred om naar het 30 km verderop gelegen dorpje Salinas de Manaure te fietsen, een kustplaatsje dat vooral bekend is om zijn zoutwinning.
Bij aankomst in Salinas maken we een kleine verkenningstocht. Vlakbij de haven bevindt zich een deel van de zoutfabriek. Hier worden tonnen zoutkorrels uit de zee gewonnen om vervolgens per boot naar de zoutraffinaderij in Cartagena te vervoeren. Na diverse verwerkingsprocessen wordt het eindprodukt uiteindelijk naar de rest van de wereld verscheept. Terwijl Fred terugkeert naar het hotel, fiets ik nog wat verder door. Na een vijftal kilometer strekken zich eindeloze zoutvlaktes voor me uit. Het lijkt wel alsof ik temidden van een bevroren landschap sta. Gebarsten, gekartelde witte aarde zorgvuldig in bergjes opgehoopt, tekent zich af tegen de vloedlijn van de onstuimige zee. Het beeld roept herinneringen op aan Salar de Uyuni, de grote zoutvlakte in Bolivië. Voor het eerst dringt het echt tot me door dat ik al lang, heel lang aan het zwerven ben…




Inmiddels zijn we met een vertraging van drie en een half uur op weg naar onze volgende bestemming, Cabo de la Vela. Doordat Fred met een koersfiets rondrijdt en de weg naar Cabo de la Vela enkel geschikt is voor alle-terrein-fietsen, zijn we genoodzaakt om de rest van de tocht via een jeep af te leggen. Vanuit het centrum vertrekken er elke morgen een tiental terreinwagens. Het zijn stuk voor stuk gammele karren waar je tegen elkaar aangedrukt in een open laadbak zit. Fred heeft evenwel zijn oog laten vallen op een afgesloten Landcruiser. De rit kost bijna het dubbele van wat je bij de andere bestuurders moet neertellen en vertrekt pas wanneer er minstens acht passagiers zich hebben aangemeld. Terwijl de ene jeep na de andere met een volle lading passagiers voor onze neus wegrijdt, blijven we vruchteloos wachten op medereizigers. Ik probeer Fred te overhalen om een gewone jeep te nemen, maar Fred houdt deze keer het been stijf. Rond half twaalf krijgen we het gezelschap van nog vier andere toeristen en twee autochtonen. De reis kan eindelijk beginnen.
Aan de rand van het dorp bemerk ik dat de smokkelhandel in goedkope Venezolaanse benzine ongekende vormen aan. Overal zijn er kraampjes waar je voor een habbekrats je tank kan laten bijvullen. De Guajira-streek is afgelegen en dun bevolkt en dus een ideale smokkelzone. De rit voert ons doorheen een woestijnachtig landschap. Af en toe ontwaar ik in de verte een stoffige rookwolk. Het zijn de zichtbare sporen van naderende rammelende Toyota pick-ups die hier als taxi´s fungeren. De onverharde weg loopt parallel met de spoorbedding die speciaal werd aangelegd om steenkolen te vervoeren van de mijn, el Cerrejón, naar de haven. De kaarsrechte baan wordt aan weerszijden afgesloten door kurkdroge struiken en stekelige cactussen die alleen in dit soort landschap weten te gedijen. Het is een voedselarm gebied waar slechts een paar insectensoorten, hagedissen en geiten overleven. Toch zijn er ook duidelijke tekenen te zien van menselijke aanwezigheid. Naast de schamele woningen opgetrokken uit leem, liggen her en der restanten van onze consumptiemaatschappij: plastic flessen, bierblikjes, een versleten schoen,… In de droogte van de woestijn vergaat niets. De woestijn stelt onze zintuigen meermaals op de proef, want vaak lijkt het alsof we afstevenen op een glanzende waterspiegel. We verlaten de hobbelige weg en rijden verder doorheen een immense open vlakte. Het gevoel van het grote niets dringt zich wederom op en doet me terugdenken aan de desolate Atacamawoestijn in Chili. Ook daar bulderde de wind in alle hevigheid en werd de stoffige aarde mijlenver meegevoerd als een flinterdun vliegend tapijt.
Drie uur lang klotsen we over de onverharde piste om uiteindelijk onze tenten op te slaan langs de vloedlijn in het woestijndorpje aan de uiterste noordkust van Colombia. Cabo de la Vela ademt een ouderwetse wild-west stijl uit en voelt ongeloofelijk afgelegen aan. Nauwelijks bekomen van de dolle rit reikt Fred me een flesje ijsgekoeld bier aan. De lokale kruidenierswinkel wordt voor de rest van de dag Freds´ toevluchtsoord. Terwijl hij post vat aan de deur van de kruidenierszaak en zijn dorst lest met liters bier, zoek ik de vuurtoren op die heel in de verte niet groter is dan een vage stip. Na drie uur stappen bereik ik net voor zonsondergang de hoog uitstekende rots met bijhorende vuurbaken. Terwijl de zon steeds roder kleurt en dieper wegzakt, vraag ik me af hoelang het huwelijk met Fred nog stand zal houden. We zijn duidelijk niet uit hetzelfde hout gesneden. Gelukkig maar…


De zon staat al hoog aan de hemel wanneer we Riohacha, het meest noordelijke punt van Zuid-Amerika, uitfietsen. Het belooft een drukkend warme, stilzwijgende dag te worden. Heel even vrees ik dat Fred rechtsomkeer zal maken, want al gauw blijkt dat we de hele dag zullen moeten opboksen tegen een felle tegenwind. Ik begin me mateloos te ergeren aan zijn slakkengangetje en verdenk hem er zelfs van dat hij bewust het fietsritme vertraagd om op die manier maximaal van de zon te kunnen genieten. Ik heb nog nooit een wereldfietser ontmoet die rondfietst met een bloot bovenlijf. Fred wil bruingebrand huiswaarts keren en trekt zich niks aan van de schadelijke UV-stralen. De hele dag door smeert hij aftersun over zijn alsmaar roder wordende rug. Ik zeg wijselijk niks, want de voorbije dagen heb ik vastgesteld dat hij een ongeloofelijke egotripper is, eigenwijs en verwend. ´s Middags wil hij steevast warm eten en een siësta inlassen, wat ervoor zorgt dat we eindeloos veel tijd verliezen. Toen ik alleen rondtoerde, fietste ik op één voormiddag hetzelfde aantal kilometers bijeen van wat we nu op een volledige fietsdag afleggen. Rond vier uur in de namiddag zijn we nog 35 km verwijderd van onze eindbestemming, Uribia. Het vooruitzicht om een deel van de relatief verlaten weg in het duister te moeten afleggen, doet me besluiten om m´n eigen fietstempo te volgen en Fred op te wachten aan de ingang van de woestijnstad. Drie uur later zijn we opnieuw verenigd en zoeken we een hotelkamer op.
Tijdens het avondmaal maken we kennis met twee drinkebroers die ons voorstellen om hen morgenochtend te vergezellen. Ze moeten een ton zand ophalen op een goeie 40 km hier vandaan. Ik voel er weinig voor, maar stem uiteindelijk toch in omdat de af te leggen route me een idee zal geven over de staat van de weg die leidt naar onze volgende bestemming, Cabo de la Vela. Rond elf uur stap ik op, terwijl Fred op zoek gaat naar nachtelijk vertier. Ik begin stilaan te vermoeden dat Fred het verkeerde land heeft uitgekozen…


Riohacha is een havenstad die op toeristisch vlak weinig te bieden heeft. Vanhieruit loopt de ‘Ruta 2’ door tot aan de grens met Venezuela. We besluiten er te overnachten en morgenvroeg verder te fietsen tot Uribia, ons startpunt van de Guajira-streek. Bij aankomst in Riohacha vinden we een kamer op de derde verdieping van 'La Brisa hotel'. Niet dat er viersterren op de gevel prijken, maar alles in acht genomen geen slechte keus om er de nacht door te brengen. Fred denkt daar evenwel anders over en doopt het hotel al gauw om in 'a Shithole'. Nu ja, het kind moet nu eenmaal een naam hebben...
Wanneer we rond tien uur 's avonds terugkeren van het dichtsbijzijnde restaurant, laat Fred zijn oog vallen op een van de talrijke nachtbars. Er hangt een zwoele zuiderse sfeer van valse romantiek. Weinig tot de verbeelding sprekende opgetutte chicas werpen ons steelse blikken toe en duwen achteloos hun borsten in de juiste positie. Fred zijn gedachten dwalen af, verweg van de lange reisroute die we morgen moeten overbruggen. Vijf minuten later zoek ik alleen onze hotelkamer op. Het ziet ernaar uit dat we morgen niet voor dag en dauw zullen vertrekken...




Meer nog, de uitgebreide digitalisering van deze planeet zorgt ervoor dat onze reistassen tegenwoordig uitpuilen van technische snufjes: laptop, gsm, gps, memorystick, mp-3, I-pod, digitale foto- en/of videocamera,... Het zit allemaal in onze rugzakken en reiskoffers alsof het er standaard wordt bijgeleverd. Het avontuurlijk aspect van het reizen heeft er evenwel een grondige deuk door gekregen. Het gekke is dat het gros van de reizigers deze vertrouwde digitale apparaten als een vorm van 'veilig reizen' gaat beschouwen. Ik heb er zo mijn bedenkingen bij. Precies deze waardevolle spullen zorgen ervoor dat toeristen tegenwoordig gegeerde slachtoffers zijn van gauwdieven en malafide jeugdbendes. Het risico op veel weerstand of dat ze tegen de gerechtelijke lamp lopen is eerder gering. Bovendien levert de commerciële marktwaarde van de gestolen spullen hen een aardige stuiver op. Anno 2008 zijn gringo's rondreizende bankautomaten geworden.
Ook Fred behoort tot deze categorie. Op zich moet eenieder voor zich bepalen hoe hij wil reizen, maar wanneer het gebruik van die technische gadgets het reisgedrag zo ingrijpend gaan bepalen dat ze zelfs de medereiziger in hun greep houden, dan krijg ik het wel wat op mijn heupen. Zo is voor Fred zijn gps heilig en onmisbaar. Voor zijn vertrek uit Amerika had hij z'n route al volledig uitgestippeld. Via Google Earth en driedimensionele wegenkaarten heeft hij een netwerk van tracks en waypoints vastgelegd. Deze slaat hij op in zijn memorycard die hij vervolgens in zijn gps plugt. Zijn routekaart is nauwelijks een notitieboekje groot en prijkt als een onvervalste en gestroomlijnde richtingaanwijzer op het stuur van zijn koersfiets. Nee, geef mij maar liever een grote, onhandelbare landkaart waar ik vingersgewijs mijn route kan aflijnen. Een tastbaar stuk papier, de grootte van een badhanddoek, die ik kan open- en dichtvouwen al naargelang de afstand die ik afleg of de route die ik volg. Een wegenkaart moet na het einde van de reis goed beduimeld zijn, met koffievlekken, scheuren en ezelsoren incluis. Dan pas heb ik de vaste zekerheid dat mijn reis ook lang na mijn thuiskomst een tastbaar gegeven is geweest, een gewaarwording die geleefd en doorleefd werd. Tijdens het fietsen, merk ik trouwens op dat Fred zijn gezichtsveld vaak niet breder is dan die ene bewegende digitale lijn. Neen, Fred is echt wel niet mijn type wereldfietser...
Na onze luie
stranddag van gisteren zijn we nu op weg naar de Guajira-streek. Gisteren rolden we nog een laatste
maal onze strandlakens uit, ontdekten hoe we in een mum van tijd een kokosnoot konden openen en genoten
van twee afleveringen van 'The Sopranos' (dankzij de laptop van Fred die dienst deed als videoscherm).
Wegens de vrij grote afstand tot in het uiterste noorden zullen we de lange etappe opsplitsen in een
drietal dagen, met een eerste tussenstop in Dibulla. Net voor zonsondergang komen we in het kustplaatsje
aan en neemt de dag afscheid van ons met een kleurrijk recital. De zoektocht naar een hotel verloopt
iets minder vlot dan voorzien. Niet zozeer omdat er geen keuze is, maar omwille van de kieskeurigheid
van mijn fietspartner. Inzake overnachting stel ik allesbehalve hoge eisen: een bed en een douche
(lees: regenton met plastiek slakom) is voor mij al vaak een vijf sterren waard. Fred denkt daar
helaas anders over en dus belanden we uiteindelijk in het peperdure recreatieoord 'Ma Ziruma'.
Voor een habbekrats en het gebruik van dezelfde faciliteiten (biljartruimte, zwembad, bar, ontbijt, ...)
kunnen we er ook onze tent opzetten, maar Fred heeft evenwel zijn zinnen gezet op wat meer luxe en dus
laat ik me andermaal overhalen. Ik begin stilaan te vermoeden dat ons huwelijk niet altijd even
vlekkeloos zal verlopen...




Aan de ingang van het nationaal park lost het probleem van de onverharde wegen zich vanzelf op. Fietsen is in het domein namelijk niet toegestaan en dus zetten we onze tocht te voet verder. Het dichtsbijzijnde strand met bijhorende camping ligt op een goed uur stappen, zodat we een ezel inhuren om onze fietstassen te vervoeren. Het Tayrone Park bevindt zich aan de voet van het Sierra Nevada gebergte en strekt zich uit over een afstand van 35 km langsheen de Caraïbische kust. Vooral de maagdelijke, witte stranden dragen ertoe bij dat dit gebied aan populariteit inwint. Het helderblauwe zeewater leent er zich uitstekend om te snorkelen en te diepzeeduiken. De zandstroken zijn met elkaar verbonden door wandelpaden die nu eens de kustlijn volgen, dan weer eens doorheen het jungelachtige regenwoud lopen. Tegen valavond zoeken we een plekje op de verlaten camping en koken een maaltijdverpakking Japanse noedels tot een gastronomisch zwerversdiner. De hemel kleurt inktzwart, terwijl felle sterren het luchtruim een feestelijk tintje geven. Onze eerste echte fietsdag zit erop. Morgen willen we het vakantiegevoel nog wat aanhouden en wordt het een luie dag aan het strand. Daarna zetten we koers richting Guajira en Venezuela...


De kans is dan ook klein dat ik nog in Colombia zal vertoeven wanneer Ingrid Betancourt wordt vrijgelaten. Vandaag zet ik immers na ruim drie maanden van omzwervingen de uittocht in. Voor het eerst sinds lange tijd reis ik in het gezelschap van een fietskompaan, Fred Hess. Drie dagen geleden landde hij vanuit Amerika in Baranquilla, ten noorden van Colombia. We hebben het plan opgevat om samen een stukje van Venezuela te verkennen. Als je met z´n tweeën optrekt, moet je onvermijdelijk compromissen sluiten. Zo rijdt Fred bijvoorbeeld rond op een koersfiets met bobtrailer. Zijn bagage is een sporttas groot en past perfect in zijn fietskar. Door zijn fijne koersbanden is off-road rijden uitgesloten. De eerste tussenoplossing dringt zich al op. Het Tayrone Park met z´n diverse stranden is op sommige plaatsen enkel te bereiken via een niet-geasfalteerde weg. Volgens Fred zouden we het park evenwel vanuit het vissersdorpje Taganga en per boot kunnen bereiken. Ik twijfel evenwel aan de haalbaarheid van zijn voorstel.
Bij aankomst in Taganga blijken mijn vermoedens te kloppen. Na een rondvraag bij enkele vissers is er slechts één schipper bereid het avontuur aan te gaan. De zeelui haken af omwille van de risicovolle golven en wij tenslotte omwille van de exorbitant hoge prijs die de zeeman vraagt voor de overtocht. Fred haalt evenwel een plan B tevoorschijn: een luie, zomerse dag in het hotel 'Divanga'. Een kwartier later zetten we onze fietsen tegen de voorgevel van het bewuste etablissement. Het aardsparadijs wordt gerund door een Frans koppel en bevat zowat alle ingrediënten om het vakantiegevoel te stimuleren: zwembad, hangmatten, bar, restaurant, kabeltelevisie, sfeervolle achtergrondmuziek,... De oversteek met Venezuela laat nog heel even op zich wachten...




Op mijn weg ernaartoe merk ik opvallend veel checkpoints op. Om de vijf kilometer staan soldaten in groepjes van twee tot zes man langs de kant van de weg. Echt onopvallend kan je ze niet noemen. De fluokleurige opschrift 'ejercito' reflecteert van mijlenver in het felle zonlicht. In de code van oorlog en vrede kan hun verhoogde aanwezigheid enkel verklaren dat dit rood gebied is. Ik fiets over een patchwork van asfalt dat hier en daar dringend aan herstelling toe is; rijd langsheen weilanden met grazende koeien; dorpjes met poppenhuisjes die ontsierd worden door schreeuwlelijke frisdrankreclameborden op mensenmaat. Een wulpse vrouw met blauw carnavalskapsel promoot de suikerzoete, felgekleurde nationale 'Postobon'. De eenzaamheid wordt hier weggespoeld met kleverige limonade met prik.
'Honderd jaar eenzaamheid' beschrijft de opkomst en de ondergang van een dorp door een bananenplantage. Landerijen werden door 'United Fruit Company', een Amerikaans bedrijf, opgekocht en beplant met hectaren bananenbomen. Het was het begin van een uitbuiting die meer dan 3.000 plantagearbeiders de dood in joeg. Tevens is deze klassieker in de wereldliteratuur een familiesage dat doorspekt is met onvervalste begrippen als noodlot, eenzaamheid en verloren liefde. Bij het binnenrijden van het dorp hangt een geblutste banner als een verkleurde verjaardagsslinger over de straat: "Bienvenidos al mundo magico! Aracataca - Macondo: Tierra Nobel" (Welkom in de magische wereld! Aracataca - Macondo: Nobel gebied) Het paneel straalt een verwaarloosde indruk uit, net als het ouderlijk huis van Márquez dat twee blokken verwijderd ligt van het dorpsplein. De tand des tijds grijpt hier welig om zich heen en heeft het huis der herinneringen laten wegkwijnen in de vergetelheid. Een bordje aan de voorkant van de gevel vertelt me dat het huis is geklasseerd tot nationaal monument. Wellicht zal deze status het proces van verval een halt kunnen toeroepen. Doorheen de bestofte ramen gluur ik naar binnen, naar de kamers waar zijn grootmoeder de lakens uitdeelde, zijn tantes bordurend de middag doorbrachten en de doden 's nachts ronddwaalden.
Om mij toegang te verschaffen tot het huis en het achtererf moet ik de sleutel ophalen in het postkantoortje. Er hangen een handvol krantenknipsels en vergeelde foto's die samen een exhibitie in miniformaat moeten voorstellen. Als ik de vrouwelijke bediende vraag of Márquez soms nog eens langskomt, schudt ze ietwat verontschuldigend haar hoofd. "Vorig jaar is hij hier nog geweest naar aanleiding van de veertigste verjaardag van zijn boek 'Honderd jaar eenzaamheid', maar daarvoor dateert zijn laatste bezoek van 24 jaar geleden." Aracataca is al decennia lang te klein geworden voor de dorpsheilige...
Niets is meer wat het was. Van het huis waar de schrijver ooit heeft gewoond, werd de helft gesloopt. Alleen de slaapkamers met zinken dak waar de tantes sliepen bleef gespaard van de hamerslinger. Er zijn plannen om het huis te herstellen in zijn oorspronkelijke staat en er een museum in onder te brengen. De fantasie zal er binnen enkele jaren verheven worden tot toneel van de wereldliteratuur. In een eerste fase om Aracataca uit te bouwen tot een literaire toeristische trekpleister heeft men naast het stationsgebouwtje een standbeeld neergezet. Uit een gebeiteld opengevouwen boek fladderen goudgele vlinders op en leunt Remedios de Schone als een droevige sfinks tegen de bladzijde aan. Het lijkt wel alsof ze echt heeft bestaan. De fantasie neemt hier een loopje met de werkelijkheid, althans in de ogen van de schaarse toeristen die deze troosteloze plek opzoeken. De bewoners van Aracataca worden geconfronteerd met aardsere zaken en hebben zo hun eigen manier over Márquez´ roem. "Waarom heeft hij zijn Nobelprijs nooit aangewend om zijn geboortedorp uit de vergetelheid te halen en de infrastructuur te verbeteren?", zegt een bejaarde man zittend op één van de stenen bankjes onder het afdak van het fantasieloze stationsgebouw. "Kijk naar die dreigende onweerswolken. Binnen enkele minuten gutst het water met bakken uit de hemel. Straten zullen blank komen te staan en voor enkele uren zal het dorp zonder stroom zitten. Onze eenzaamheid duurt al veel langer dan honderd jaar!" Zijn woorden zijn nauwelijks koud of de hemelsluizen zetten hun deuren wagenwijd open. Op weg naar mijn hostal zie ik nog de restanten van de viering die hier vorig jaar plaats vond. Op een muur staan enkele kleurrijke welkomstzinnen geschilderd: "Gabo, nadie mas que nosotros para sentirmos felices por tu retorno. Bienvenido a casa." (Gabo, niemand meer dan wij voelen de vreugde van jou terugkomst. Welkom thuis.) Dikke regendruppels spatten kleurloos uiteen tegen de geblokte letters en vermengen zich met de stoffige aarde. Ik slalom langsheen grote plassen en stel vast dat enkele zijdelingse straten herschapen zijn tot rivieren. Wanneer ik even later druipnat mijn hotelkamertje betreed en de schakel van de ventilator aanzet, blijven de wieken roerloos hangen. De bejaarde man had gelijk...


"De criminaliteit en de onveiligheid bevinden zich op een uiterst verontrustend niveau. Deze criminaliteit is voornamelijk in Caracas geconcentreerd, alsook in het westen van het land, in het bijzonder aan de grensgebieden met Colombia (in de staten Zulia, Tachira, Apure en Amazonas), waar gespecialiseerde maffia in ontvoeringen en drugshandel operatief zijn. Het eiland Margarita, waar vele georganiseerde reizen plaatsvinden, blijft tot nu toe redelijk gespaard hiervan. In de grote steden zijn het voornamelijk de gewapende overvallen (op voetgangers en stilstaande automobilisten): in beide gevallen wordt het ten sterkste aangeraden om nooit weerstand te bieden en onmiddellijk alle voorwerpen af te geven die de aanranders eisen. De risico's op kidnapping van vreemdelingen tegen losgeld zijn de laatste tijd eveneens toegenomen in Venezuela. Ook het kopiëren van bank- en kredietkaarten zijn frequent. De internationale luchthaven Simón Bolívar van Carácas is het decor voor talrijke delicten (in de aankomsthal of op het 25km lange traject naar het stadscentrum), vaak gepleegd door valse taxichauffeurs.
Om risico's verbonden aan de onveiligheid te beperken, is het aangeraden om volgende preventieve voorzorgsmaatregelen in acht te nemen:
- de minder bedeelde wijken van de grote steden ("barios" of "zonas rojas") ontwijken;
- op de luchthaven en op de weg van de luchthaven beroep doen op de zwarte taxi's, vaak type Ford Explorer 4x4, met gele nummerplaten, die zich op de eerste verdieping bevinden en die als relatief betrouwbaar kunnen worden beschouwd;
- in de stad worden officiële taximaatschappijen aangeraden, die telefonisch te bestellen zijn. Taxi's hebben geen meter, dus u wordt geadviseerd vooraf een prijs af te spreken;
- geen aandacht trekken met waardevolle voorwerpen (horloges, juwelen)
- beperk uw verplaatsingen 's avonds laat en 's nachts en vermijdt u alleen te verplaatsen;
- het wordt sterk afgeraden om wild te kamperen en aan auto-stop te doen.
- Tracht gedurende de dag geld af te halen en doe dit op publieke plaatsen, geef creditcards ook nooit uit handen vanwege het risico dat deze worden gekopieerd;
- Neem steeds een kopij van uw paspoort mee en contacteer altijd meteen uw Ambassade in geval van arrestatie of geschillen met politie. Het wachtnummer van de lokale politiediensten is 177."
Niet echte een aanlokkelijke uitnodiging om meteen op het eerste beste vliegtuig te stappen en het land te gaan verkennen. Gelukkig zijn er ook bronnen die een totaal ander geluid laten horen. Trouwens als je de proef op de som neemt en eens gaat grasduinen naar het reisadvies dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken meegeeft over andere Zuid-Amerikaanse landen, dan kom je tot de slotsom dat je beter thuis kan blijven. Al moet ik eerlijk bekennen dat ik een tijd lang overwoog om m'n koers radicaal bij te sturen. De voorbije weken heb ik dan ook diverse kanalen geraadpleegd om een duidelijker beeld te krijgen over de huidige situatie, maar toegegeven, het blijft behelpen. Zoals zo vaak wanneer je je bevindt in een fase van twijfel en onzekerheid, dient het antwoord of de oplossing zich vanzelf aan. Zo trof ik bij m'n terugkomst van het idyllische havenstadje Taganga Fred Hesse aan in mijn hostal, een Amerikaan die net is gearriveerd in Colombia en het plan heeft opgevat om een deel van Venezuela per fiets te verkennen. We hebben de koppen bij elkaar gestoken en besloten om alvast de komende maand samen te fietsen. Daarmee sluit je natuurlijk het risico op beroving niet geheel uit, maar je vermindert toch de kans. Tenslotte mag je ook niet paranoïde worden. Bussen worden overvallen, vliegtuigen gekaapt,... Waakzaamheid moet je nu eenmaal altijd als een soort zevende zintuig aanwenden, waar dan ook.
Samen reizen betekent in de eerste plaats overleggen en wederzijdse toegevingen doen. Zo zou Fred na ons bezoek aan het Tayrona Park nog graag het uiterste noorden van Colombia willen verkennen, meerbepaald de Guajira streek. Een ommetje van een kleine 1000 kilometer. Het gebied schijnt wondermooi te zijn, ongerept en niet ingepalmd door de toeristische sector. Met deze laatste zijsprong zal ik echt wel alle uithoeken van Colombia hebben gezien...




Vandaag hebben we het Sierra Nevada-gebied definitief verlaten en zijn we met z´n allen teruggekeerd naar Santa Marta. Zelfs na zes dagen te vertoeven in het afgelegen gebergte voelt een terugkeer naar een grootstad als Santa Marta wat onwennig aan. Het drukke verkeer toetert de geluiden van de jungle weg, terwijl het winkelcomplex -waar neonreclame als sneeuw uit de lucht valt- artificiëler lijkt dan voorheen. Mijn droombeeld wordt volledig doorprikt wanneer ik in de afdeling van elektronische apparaten een indianengezin opmerk. Moeder en dochters zijn getooid in hun traditionele witte katoenen klederdracht, terwijl de huisvader een sierlijke haarvlecht draagt op een afgebleekte jeans. De confrontatie met de twee uiteenlopende werelden wordt nog versterkt wanneer ik even later de man zijn bankkaart zie bovenhalen.
Ik bevind me op een breuklijn tussen twee werelden die in een tijdspanne van een etmaal pendelen tussen moderniteit en traditie, tussen werkelijkheid en authenticiteit, tussen heden en verleden. De filmband die zich ontrolt vertoont sequenties die niet bij het verhaal lijken te passen. Ben ik in de verkeerde filmzaal terecht gekomen? Ik betrap me erop dat ik moeite heb om die twee werelden te zien samensmelten. Het beeld dat we hebben van een indianengemeenschap dat in de diepe wildernis van de jungle leeft, afgezonderd van de kapitalistische welvaartstaat, wordt grondig verstoord. Als toeristen willen we nu eenmaal een wereld zien zonder vooruitgang, waar de tijd is blijven stilstaan en bij voorkeur dan nog in hun levenswijze. Vreemd eigenlijk dat we de onbeperkte materiële luxe die we ons toeeigenen niet gunnen aan minderheidsgroepen. Is het een soort van frustratiegevoel omdat de overgang naar de nieuwe, moderne wereld zich bij ons te snel heeft voltrokken of moet de verklaring eerder gezocht worden in de sfeer van heimwee en melancholie? Ik heb me tijdens m´n lange zwerftocht al vaker de vraag gesteld of we binnen vijftig jaar niet anders gaan reizen, de confrontatie met de bereisde landen niet met andere ogen zullen zien. Zullen we nog honderden euro´s willen ophoesten om een indianengemeenschap te zien leven in bakstenen huizen voorzien van alle comfort en waar hun oorspronkelijke nederzetting en klederdracht een levenloos museum zijn geworden, een tweede Bokrijk? De drang naar het ontdekken van de eigenheid van een land, stad of dorp dat ooit enkel nog in de geest der herinneringen zal zweven, zal in ieder geval de discripantie vergroten tussen schijn en werkelijkheid, tussen volksverlakkerij en authenticiteit. De grenzen zullen vervagen waardoor er een symbiose zal ontstaan tussen de Eerste en de Derde wereld. Misschien is de tijd dan wel aangebroken om op reis te gaan in eigen land…




Hoog boven de terrassen zie ik rookpluimen opstijgen. In het hoogste kampement zijn soldaten hun ontbijt aan het nuttigen. Wanneer ik hen even later opzoek, stoppen ze me een ronde, in vet gedrenkte maïskoek toe en een beker avenamelk. Ik profiteer ervan om een glimp op te vangen van hun leefwereld. Hun geïmproviseerd bivak heeft iets weg van een scoutskamp: bruingroen gevlekte tentzeilen waarin kakikleurige hangmatten hangen. Ernaast staat een camouflagekleurige rugzak, vertrekkensklaar. Het lijkt er wel op dat ze elk moment een verrassingsaanval verwachten. Elke soldaat brengt hier zes maanden ononderbroken door. Na een vakantie van twintig dagen worden ze opnieuw voor zes maand gestationeerd, maar wel op een andere locatie. Het bataljon bestaat uit 28 manschappen. De hele Sierra Nevada wordt bemand door 300 soldaten. Ze maken deel uit van de veiligheidspolitiek van Uribe. Ik neem afscheid van de jonge gasten en keer terug naar mijn basis.
Na het ontbijt krijgen we een geleide rondleiding over de uitgestrekte site. Het bestaan van de Verloren Stad kwam eerder toevallig aan het licht toen enkele goudzoekers in 1975 oog in oog kwamen te staan met deze nederzetting. Archeologen vermoeden dat ze gebouwd moeten zijn tussen 500 en 700 na Christus en deel uitmaken van de Tayrone cultuur. Liggend op de steile bergkam van de Cerro Corea, zo'n 1100 meter hoog, ontvouwt zich een uitgestrekt complex van muren, stenen trappen en paden die terrassen en plateaus vormen die via een ingewikkeld netwerk met elkaar verbonden zijn. De eeuwenoude mystiek zit hier in elke steen en vertelt het verhaal van een volk dat 1500 jaar geleden hier zijn hoogtijdagen vierde. Vermoed wordt dat de Tayrone stad tussen de 2000 en 4000 inidianen telde. We struinen rond cirkelvormige plateaus waarvan zo´n 150 zich uitstrekken over een gebied van twee vierkante kilometer. De meeste platformen vormden funderingen voor hun woningen. De grootste cirkels die zowat in het epicentrum van de site liggen, werden gebruikt voor ceremoniële gelegenheden. Hun huizen bouwden ze volgens de niveaus van het grillige landschap, waarbij het irrigatiesysteem zo deskundig werd aangelegd dat de hevige regenval, die hier het gebied haast elke dag in mistnevels omhult, het land niet overspoelden en erosie werd tegengegaan. Extensieve landbouw vormde de basis van hun economie, terwijl de grote aanwezigheid van goud ervoor zorgde dat ze meesters waren in de goudsmidkunst. De goudvondsten bracht evenwel een grote migratiestroom van Spanjaarden naar Colombia. De meeste indianen werden verdreven of stierven door de Europese ziekten die deze Spanjaarden meebrachten. Vermoedelijk werd rond 1600 de Verloren Stad voorgoed verlaten. Een groot deel van het gebied ligt nog onaangeroerd verborgen onder een tropische begroeiing en zal wellicht nooit worden blootgesteld. De schaarse indianenstammen die er in het gebied nog leven vrezen dat door het verder ontginnen van de site hun levenswijze door een massale toestroom van toeristen in het gedrang komt. Laat ons hopen dat hun grieven gerespecteerd blijven zodat ze niet, zoals zo vaak, het slachtoffer worden van de exploitatiedrang van de toeristische sector...




Vandaag staat een vijf uur durende voettocht op het programma, met als beloning 'la Ciudad Perdida'. Voor het vertrek krijgen we door onze gids Wilson nog enkele strikte regels opgelegd. Zo wordt ons aangeraden om de paden niet te verlaten. Een verdwaalde zijsprong zou door de aanwezigheid van giftige slangen in het struikgewas wel eens de laatste kunnen zijn. Ook vraagt hij met aandrang om geen enkel dier aan te raken. Vooral insekten voelen elke aanraking aan als een bedreiging en beantwoorden die meteen door in de tegenaanval te gaan. Een gewaarschuwd man is er twee waard.
Door de hevige regenval van gisteren is het wandelpad op vele plaatsen herschapen tot een modderpoel. Op andere plekken is de doorgang nauwelijks een voetzool groot en lijkt het pad eerder geïmproviseerd aangelegd. De uitgesleten groeven van rotsblokken vormen minitreden, de aangestampte aarde een wandelpad. We moeten meermaals de rivier oversteken, waarbij het water tot boven de knieën rijkt. In volle regenseizoen worden touwen gespannen als een soort artificiële brug. Na vier uur stappen bereiken we de ingang van de Verloren Stad. Het centrum openbaart zich slechts 1270 treden hoger. Geheel in de stijl van zijn ligging zijn de treden ongelijke rotsblokken. De inwoners moeten een goede conditie gehad hebben om de treden -soms met een halve meter hoogteverschil- te bestijgen. Na veertig minuten wordt de beklimming eindelijk beloond. Voor mij spreiden er zich rondvormige plateaus uit, restanten van een ver verleden. Terrasvormig zijn ze aangelegd en worden met elkaar verbonden door stenen trappen. Het geheel oogt surrealistisch, een gevoel dat nog versterkt wordt door de plaats die het heeft ingenomen in het landschap. De magie die er als een mysterieuze sluier rondhangt, wordt verstoord door jongelui in camouflagepakken, strategisch opgesteld tussen de terrassen. Het is duidelijk; de Farc zullen we hier niet meteen tegen het lijf lopen. Onze basis ligt iets hogerop en kijt uit op één van de platforms. Hier zullen we twee nachten doorbrengen. De echte ontdekking van deze verloren mysterieuze stad is voor morgen, want kort na onze aankomst pakken regenwolken zich samen tot mistslierten. Het belooft een druilerige, lange namiddag te worden...




Ik ben er wel in geslaagd om nog wat extra informatie in te winnen over mijn volgende bestemming, Venezuela. De weinig positieve geluiden die ik de voorbije weken had opgevangen over de veiligheid in dit land zijn na mijn rondvraag bij m´n medereizigers wat genuanceerder geworden. Venezuela blijft een land dat nog niet op de grote Gringo-Trail ligt en dus moet ik me ook hier tevreden stellen met twee onafhankelijke bronnen. De vrijpostige Londenaar, Bryan -die nogal zeer ingenomen is met zichzelf- windt er geen doekjes om. "Venezolanen zijn achterlijk, onbeschoft en onbetrouwbaar! Als er één land is waar ik nooit nog een voet neerzet dan is het wel Venezuela." Hij is, net als zovele backpackers, een rondreis door de wereld aan het maken en werd voor het eerst sinds anderhalf jaar in Venezuela beroofd. Beroving staat voor mij synoniem met een gewapende, gewelddadige overval. Wanneer ik echter de details van zijn verhaal hoor, lijkt het om een kleine diefstal te gaan waarbij hij zijn spullen ter goeder trouw had achtergelaten in het kantoortje van een busmaatschappij. Terwijl hij de stad wat nader verkende, werden enkele gadgets uit zijn rugzak ontvreemd. Een heel ander verhaal krijg ik van het Franse koppel te horen. Zij zijn net terug van een trip van twee maand doorheen Venezuela en hebben niks anders dan lof over het land en zijn mensen. Ik begin stilaan te vermoeden dat Venezuela niet minder of meer gevaarlijk is dan zovele andere Zuid-Amerikaanse landen. Waakzaamheid moet je tenslotte altijd als een soort zevende zintuig aanwenden, waar dan ook.
Reeds bij aanvang van onze tweede dagtocht verwijderen we ons van de open vlaktes en dringen we steeds dieper het gebergte in. Op onze weg komen we kleine indianengemeenschappen tegen; ronde hutjes opgetrokken uit leem met daken van stro. De grootste nederzetting bestaat uit hooguit twintig poppenhuisjes. Ze vormen de leefwereld van de Kogi indianen. Gehuld in een katoenen witte hemd en dito broek houden ze zich aan de levenswijze van hun voorouders. Een bestaan dat ze liever niet prijsgeven aan het digitale oog van de toerist. Militairen daarentegen laten zich wel met plezier inblikken. Met de regelmaat van de klok blijven ze ons pad kruisen. Rond twee uur in de namiddag bereiken we reeds onze basis, la cabaña de Gabriel, waar een kabbelend riviertje voor de nodige verfrissing zorgt. Of is het de regen? Trietste waterstralen vallen onafgebroken op de golfplaten beschutting. Het roffelend geluid heeft iets melancholisch. Na het avondeten deelt de opgewonden Sloveense toeriste Maya haar tafelgenoten mee dat ze net ontdekt heeft dat ze zwanger is. Na een rondvraag blijkt de vader een Colombiaan te zijn die ze drie weken geleden in Bogotá heeft ontmoet. Haar opgewondenheid heeft iets theatraals, alsof ze voor de rest van de tocht de hoofdrol wil vertolken. Terwijl ze een sigaret tussen de vingers omklemt, belooft ze plechtig dat dit tevens haar allerlaatste is. Haar belofte voelt kurkdroog aan, net als het hele zwangerschapsverhaal. Leugen of waarheid; de grens is vaak moeilijk af te bakenen...




Een chiva (kleurrijke open bus) brengt ons na een hobbelige, stoffige bergrit van twee uur en een lekke band naar het startpunt van onze zesdaagse voettocht, het dorpje 'El Mamey'. We worden er opgewacht door een achttal zwaarbewapende militairen die ons één voor één fouilleren en onze rugzakken grondig onderzoeken op eventueel wapenbezit. Hier wordt duidelijk niets aan het toeval overgelaten. Na een kwartier krijgen we een vrijgeleide van de commandant. Onze tocht kan beginnen.
Onder een verschroeiende hitte zetten we onze eerste passen richting de Verloren Stad. Het wandelpad kronkelt zich doorheen een adembenemend landschap waarin de Buritea-rivier meermaals onze weg kruist. Na vier uur stappen bereiken we de cabaña Don Adán. Onder een beschutting van verweerde golfplaten wachten een vijftiental hangmatten (lees: bedden) ons op. De kok is reeds volop bezig met het avondmaal te bereiden. Zijn keuken is een tuinhuisje groot waar een geïmproviseerd houtvuurtje dienst doet als kookeiland. Een gastronomisch vijfsterren maaltijd zal ik de komende week niet echt moeten verwachten...




Santa Marta beweert parmantig dat ze de mooiste badplaats van de Caraïbische kust heeft. Ik moet eerlijk bekennen dat de koningin der badsteden me niet echt kan bekoren. De wuivende palmbomen, het parelwitte strand en de turkooisblauwe zee ogen in de vakantiebrochures mooier dan in werkelijkheid. Of wordt mijn negatief observatievermogen vertroebelt door de drukkende hitte? Ik moet toegeven, ik ben niet echt een zonneklopper. Ik voel er weinig voor om als een haring in een ton op het strand te liggen in een verschroeiende zon. Ik parel al genoeg zweetdruppels uit wanneer ik me al fietsend naar een nieuw avontuur begeef. De echte paradijselijke stranden liggen daarenboven in het nationaal park ‘Tayrone’, op een goeie 30 km van Santa Marta. Misschien dat ik daar wel niet aan de verleiding van ‘strand, zee en vakantie’ zal kunnen weerstaan.
In afwachting van mijn begeleide trektocht naar de ‘la Ciudad Perdida’ besluit ik daarom maar op zoek te gaan naar het sterfhuis van Simon Bolivár, de bevrijder van Zuid-Amerika. Bolivár is een figuur die tot de verbeelding spreekt, niet in het minst door de wijze waarop hij telkens weer wordt afgebeeld. Op de vele centrale pleinen die in menig stad zijn omgedoopt tot ‘la Plaza Bolivár’ prijkt een bronzen standbeeld van de held, vorstelijk voor zich uitstarend op een bronstig paard in galop. De held heeft evenwel tot na zijn dood moeten wachten om uit te groeien tot een legende.
Op 24 juli 1783 werd hij in het Venezolaanse Caracas geboren uit een vooraanstaande familie. Op zijn negende werd hij wees en stonden afwisselend zijn oudere zussen, zijn leraar Rodríquez en de vooraanstaande dichter en denker Andrés Bollo in voor zijn opvoeding. Zoals gebruikelijk in aristocratische kringen genoot hij een militaire opleiding. Op zijn negentiende huwde hij met een Ecuadoraanse die noodlottig stierf een jaar na hun huwelijk. Hij reisde door Europa en de Verenigde Staten waar hij invloedrijke personen en wetenschappers ontmoette, zoals de ontdekkingsreiziger Alexander von Humboldt en Francisco de Miranda, een avonturier die een revolutie op het getouw wilde zetten in Venezuela. Bij zijn terugkeer in Venezuela was hij gesterkt in zijn ideaal: één grote Zuid-Amerikaanse staat. Bolivár schaarde zich achter Miranda, maar moest aan den lijve ondervinden hoe hun onafhankelijkstrijd tegen Spanje niet geheel vlekkeloos verliep. Miranda werd na een mislukte invasie gevangen genomen en geëxecuteerd, maar Bolivár zijn strijdlust bleef onverminderd heroïsch. Zo zette hij ondermeer met zijn troepen een gigantische tocht van Venezuela naar Colombia, te paard en over de Andes. Vlakbij ‘el Puente de Boyacá’ (Colombia) bracht hij de Spanjaarden een definitieve nederlaag toe. De veldslagen volgden elkaar op en schonken Ecuador, Venezuela, Peru en Bolivia hun onafhankelijkheid. Het onderkoninkrijk Granada werd omgedoopt tot Groot-Colombia. (Colombia, Panama, Ecuador en Venezuela). De euforie was helaas van korte duur. Lokale krijgsheren en politici die om de macht vochten deden zijn levenswerk als een kaartenhuisje ineenstorten. De eenheid versplinterde en Bolivár moest lijdzaam toezien hoe hij door het Congres dat hij zelf had opgericht tot aftreden werd gedwongen. Totaal gedesillusioneerd en geveld door tuberculose stierf hij in 1830 op 47-jarige leeftijd in ‘la Quinta San Pedro Alejandrino’ in Santa Marta. Daar wachtte hij op een boot die hem naar zijn ballingsoord zou brengen. De ironie van het lot heeft ervoor gezorgd dat hij stierf in het landgoed van zijn gastheer, don Joaquín de Mier, een Spanjaard.
Over het sterfbed is de Colombiaanse vlag gedrapeerd en in de hoek van de sober ingerichte kamer wijst de antieke klok het sterfuur aan: 1 uur 3 minuten en 55 seconden in de namiddag. De gids troont me mee langsheen de quinta (landgoed) dat diverse hectaren beslaat met centraal een groot koloniaal okerkleurig pand te midden van een weelderige tuin met wilgen en palmbomen. Een beduimelde foto als een versleten postkaart toont de held aan de zijde van zijn vrouw. Het kader kijkt schuin aan tegen het schilderij van zijn bekendste minnares, Manuela Sáenz. “Hij had er 35.”, merkt de gids droogjes op, alsof hij er een zekere afkeuring omtrent zijn losbandigheid mee wil benadrukken. Een belendende ruimte is volgestouwd met postume parafernalia: foto´s en uniformen van officieren die bij zijn honderste verjaardag van zijn dood een wake hielden, vlaggen en medailles. De overdadige lof staat bijna haaks op de wijze waarop hij z´n laatste adem uitblies: eenzaam en verstoten. Net als het imposante mausoleum dat vloekt met de rest van het koloniale landgoed. Het witte, inspiratieloze gebouw is een cadeau van alle Latijns-Amerikaanse staten die hiermee de tweehonderdjarige geboortedag van de bevrijder wilden herdenken. De kale ruimte wordt opgevuld door het standbeeld van Bolivár. Zijn gezicht is uitgesneden in koud marmer en toont twee gelaatsuitdrukkingen. Aan de rechterzijde merk ik een jong, strijdlustig adelaarsprofiel op, aan de linkerzijde een vermoeide, verouderde blik. Op een steenworp van het mausoleum staat een zoveelste beeltenis van de held. Op de sokkel is een plaat aangebracht met de woorden: “Colombianos: Mis últimos voltos son por la felicidad de la patria. Si mi muerte contribuye a que cesen los partidos y se consolide la union, yo bajaré tranquilo al sepulero.” (Colombianen: mijn laatste geloften zijn voor het geluk van het vaderland. Als mijn dood kan bijdragen tot het beëindigen van de verdeeldheid en het behoud van de eenheid, dan daal ik langzaam naar het graf.) Het heeft niet mogen zijn.
Morgen verlaat ik voor een week de broeierige hitte van Santa Marta en ga ik voor zes dagen op trektocht naar ‘la Ciudad Perdida’ (de verloren stad ). Een avontuurlijke voettocht naar één van de best bewaarde pre-Colombiaanse steden die in 1975 werd ontdekt in het dichte oerwoud van la Sierra Nevada. Wordt vervolgd...




In de namiddag struin ik nog wat doorheen de pittoreske straatjes van het oude stadscentrum. Er heerst een gemoedelijke sfeer. Straatventers met kroezelhaar duwen karren volgeladen met exotisch fruit en geven de stad een zuiders, haast Afrikaans tintje. Een gevoel dat nog wordt versterkt door de zogenaamde Palenqueras, negerinnen getooid in kleurrijke stoffen, die heupwiegend een grote ijzeren teil met fruit torsen. Voor 3000 pesos (€ 1) schotelen ze je een gezonde en gevarieerde fruitsla voor. De naam 'palenqueras' zou verwijzen naar een stadje in de buurt van Cartagena, 'Palenque', vanwaaruit vrouwen vroeger afzakten naar het strand van Cartagena om fruit te verkopen. Tegenwoordig wordt de traditie in stand gehouden door een handvol vrouwen die er een toeristische attraktie van hebben gemaakt.
´s Avonds zie ik op het journaal hoe een verbolgen Correa, president van Ecuador, reageert op verklaringen van het Witte Huis dat Ecuador beschuldigt van nauwe banden met de Farc-rebellen. Tijdens een regeringszitting roept hij de Amerikaanse president George W. Bush op om troepen naar de grens met Colombia te sturen om er te komen sterven. "Stuur troepen naar de grens of zwijg en probeer te begrijpen wat in Latijns-Amerika gebeurt!" Zijn heldhaftige woorden worden door de voltallige aanwezige regering op applaus onthaald. Grootsprekerij, het is van alle tijden...
Positiever nieuws komt dan weer van de Colombiaanse regering die in een officiële verklaring zich bereid verklaart te onderhandelen over de vrijlating van ondermeer Ingrid Betancourt. De regering wil over de brug komen door een humanitair akkoord af te sluiten en een minimum aan eisen in te willigen. In ruil voor 500 leden van de Farc zouden 39 gijzelaars worden vrijgelaten waaronder de Frans-Colombiaanse politica Betancourt en drie Amerikanen. Wellicht heeft de knieval van de Colombiaanse regering te maken met de alarmerende berichtgeving over de verontrustende gezondheidstoestand van Betancourt. Het gerucht doet de ronde dat de uitgemergelde presidentskandidate in een diepe depressie is weggezonken en ze al enige tijd weigert voedsel tot zich te nemen. Probeert Betancourt -die naar verluidt aan hepatitis B en leishmaniasis (een tropische ziekte die door een parasiet wordt veroorzaakt) lijdt- met haar hongerstaking de Farc-leden te overtuigen van de onderhandelingen op te voeren? Tenslotte is zij voor de rebellen de belangrijkste pion in hun eisenbundel. Het ziet ernaar uit dat Colombia een nieuwe historische periode tegemoet gaat...




Ondanks het vroege uur lopen de temperaturen al aardig op, maar in tegenstelling tot gisteren kleuren de koloniale panden nog melancholisch. Het zonlicht is nog mild en nestelt zich nauwelijks vast in de barsten en de voegen van de oude binnenstad. Het blijft me trouwens opvallen dat Zuid-Amerika een zwak heeft voor zachte pasteltinten, vooral in de steden, alsof men de schrijnende armoede wil verhullen. Is het om zichzelf wat op te vrolijken of om hun pover bestaan te onttrekken aan het oog van de toerist? De fluwelen weemoed die de koloniale herenhuizen oproepen, straalt voor de vele daklozen al lang geen herinnering aan een ver en statig verleden uit. Ze leven in een spiraalvormige wereld van uitzichtloosheid. In tegenstelling tot de Afrikaanse slaven die hier in het begin van de 17de eeuw massaal naartoe werden gebracht, beschikken ze wel nog over hun vrijheid. Al vrees ik dat hun dagelijkse strijd om te overleven hen niet bepaald een vrijheidsgevoel schenkt. Misschien hadden de slaven nog een beter bestaan. De Afrikaanse zwarten die onder onmenselijke omstandigheden op slavenschepen werden aangevoerd, konden immers rekenen op de niet aflatende steun van de jezuïet Petrus Claver. Jarenlang bedelde hij voedsel en medicijnen bijeen ten bate van de slaven. Zijn nobele inzet leverde hem niet alleen de bijnaam ‘slaaf der slaven’ of ‘apostel van de zwarten’ op, maar ook de status van heilige, meerbepaald in 1888. De kloosterkerk is dan ook naar hem genoemd, San Pedro Claver. Zijn gebalsemd lichaam ligt als een vorm van laatste, dankbare groet opgeborgen in een glazen sarcofaag. In Colombia hoeven niet alle helden revolutionaire ideeën te hebben...
Aan helden ontbreekt het Cartagena geenszins. Naast -hoe kan het ook anders- een ruiterlijk standbeeld van Simon Bolívar, verfraaien nog enkele andere historische figuren de vele pleinen. Zo kijkt de stichter van de stad, Pedro de Herida, als een vorstelijke krijgsheer neer op ‘la Plaza de las Coches’, terwijl de eenogige Blas Lezo -die de stad op heldhaftige wijze verdedigde en de overmoedige Vernon zijn kapsones voorgoed afleerde- zijn stekje heeft veroverd vlakbij het immense fort. Ook president Rafael Nuñez werd voor zijn bijzondere bijdrage aan het Colombiaanse politieke bestuur vereeuwigd voor het nageslacht. Hij schreef niet alleen de tekst van het Colombiaanse volkslied, maar is tevens medeauteur van de constitutionele grondwet die van 1886 tot 1991 gehandhaafd bleef. Zijn verdiensten vertalen zich anno 2008 in een museum dat is ondergebracht in zijn riante houten villa.
De havenstad Cartagena vertoont een zee van geschiedenissen waarin
Spanjaarden, piraten, negerslaven, helden en heiligen een rol hebben
gespeeld. Cartagena is een schijnbaar andere wereld. Het kleurenpalet is
er schriller, de muziek net iets uitbundiger en meeslepender, de inwoners
iets vrijgevochtener. Het is een zoveelste stukje wereld die me met de
nodige verwondering laat binnengluren in de ziel van zijn bestaan...




Het is paasmaandag en het anders zo drukke toeristische oude stadsgedeelte ligt er haast verlaten bij. De ingang van het historisch centrum wordt versierd door een dubbele stenen boog met in het midden een torentje met een grote klok. Van hieruit loopt een stenen omwalling, die als een bufferzone tot aan de zee loopt. Ik volg de wallen en zie hoe de metersdikke muren schuin aflopen. Ronde, elegante torentjes met schietgaten vormen hoekstenen die de lijn van de omwalling een andere kant opstuurt. Hier en daar vertoont de muur een kroontjespatroon. In de inkepingen steken verroeste kanonnen uit, allen met hun neus naar de zee gericht. De tand des tijds heeft hier geen vat gehad op het verleden; alles ligt er nog vrij intact bij. De vestingen wekken de indruk van een oninneembare stad.
De geschiedenis vertelt evenwel een heel ander verhaal, want de in 1533 gestichte stad werd van meet af aan geteisterd door zeerovers en Spaanse veroveraars. Zij hadden het voornamelijk gemunt op het goud en de kostbaarheden die welig aanwezig waren in Cartagena. De roofexpedities keerden keer op keer huiswaarts met in het ruim van hun galjoenen een onschatbare buit. De aanval van de professionele zeerover Sir Francis Drake die in 1586 met een legertje van 1300 manschappen de stad schier leegplunderde, deed het tij keren. De inwoners van Cartagena besloten hun stad af te sluiten van verdere ongewenste indringers door er een muur van 18 meter dikte omheen te bouwen, met als neusje van de zalm het grote fort 'San Felipe de Barajas'. De aanleg nam ruim 20 jaar in beslag, maar bleek doeltreffend te zijn. Er brak een tijd aan van ongekende rust. Hoog op de bunker wappert de Colombiaanse vlag, als een soort Spaanse trots. De hitte is evenwel zo drukkend, dat ik besluit mijn bezoek aan het meesterwerk van de Spaanse vestingbouwkunst in te ruilen voor een lome wandeling langsheen de vele straatjes. Rijk versierde gevels in de beste traditie van de koloniale stijl zijn helverlicht door de harde middagzon. De melancholie wordt er weggebrand en ik voel hoe het ware gelaat van Cartagena zich niet zal prijsgeven. Wil je de weemoed van een stad die doordrenkt is van het bloed en de vreugdetranen van de bevrijding aan den lijve ondervinden, dan moet je die ontdekken in alle vroegte, nog voor dag en dauw. Mijn echte ontdekkingstocht moet nog beginnen...




Naarmate de dageraad stilaan doorbreekt, vertoont de zwarte vacht van de nacht steeds groter wordende melkvlekken. De contouren van het landschap nemen langzaam hun ware gedaante aan: de uitgelopen Chinese inkt wordt een boom, de gekartelde lijn aan de horizon een bosrijke heuvelrug. De nieuwe morgen ontvouwt zich als een tango waar de choreografie zich vertaalt in de details. Het is een dansvorm die me blijft achtervolgen...
Na 40 km fiets ik voorbij een lange rij wachtende tientonners en auto´s. Een vrachtwagenchauffeur heeft van de nood een deugd gemaakt en ligt loom te soezen in een hangmat die hij onder zijn truck heeft vastgeknoopt. Het oponthoud blijkt een zijarm te zijn van de grote Magdalena-rivier. De doorgang is enkel mogelijk per ferry. Ik heb geluk want de eerste boot (per dag zijn er slechts drie afvaarten) nadert als een stip de kade. Tijdens het wachten kruisen tientallen nieuwsgierige blikken mijn richting. Nieuwsgierigheid is een mooie gave, omdat minder introverte personen zich steevast ontpoppen tot reporters. Op een haast journalistieke wijze knopen ze een gesprek aan. Het valt me trouwens op, naarmate ik steeds dieper het noorden van Colombia opfiets, dat Paraguay -het startpunt van mijn zwerftocht- voor velen van hen een onoverbrugbare afstand lijkt; zeker per fiets. Afstand en tijd zijn voor mij heel relatieve begrippen geworden.
Ik heb een zwak voor boten, zeker in Afrika en Zuid-Amerika. Het zijn kosmopolitische drijvende eilandjes die door hun beperkte ruimte op maat gesneden zijn voor ons observatievermogen. Het aanmeren alleen al is een toneelstuk meer dan waard, waarbij je kost wat kost op de eerste rij wilt zitten opdat je niks van het schouwspel uit het oog zou verliezen. De aanlegstijger wordt gevormd door aangestampte aarde. Tijdens het droogseizoen is het hoogteverschil tussen de neergelaten metalen oprijbrug en de begane grond te groot, waardoor er van de chauffeurs, die de logge, stugge en lange bussen besturen, behoorlijk wat rijbehendigheid wordt vereist. Ze krijgen hierbij de hulp van enkele handige kerels die zich -tegen een kleine vergoeding weliswaar- opwerpen als gedegen navigators. Ze geven de chaufferus aanwijzingen en leggen loodzware houten blokken tegen de monsterachtige rubberen wielen. De bussen kruipen op een slakkengangetje het dek af. Eenmaal de voertuigen wiebelend bijkomen op de begane grond, collecteren de loodsers hun verdiende loon. Ook wanneer auto´s vlotjes het schip verlaten, vertolken ze hun rol met branie waardoor je als automobilist het gevoel krijg dat je zonder hun deskundige hulp, die zich in hoofdzaak vertaalt in gesticulerende armbewegingen, nimmer of nooit het schip zou kunnen verlaten. Het toneel blijft me boeien, want ook het lot van de bussen die het dek van het schip oprijden, ligt in handen van de instructeurs.Vanop afstand heeft het geheel iets weg van een colwnesk spektakel. Het leven zoals het is, op een Colombiaanse oever...
Een goeie 150 km voor Cartagena is het langverwachte moment aangebroken. De kilometerteller tikt triomfantelijk de 20.000ste kilometer voorbij. Ik slinger een vreugdekeert de ruimte in en dwing mezelf even halt te houden. Elke overwinning is natuurlijk relatief, maar ik moet toegeven dat zo´n magisch getal toch wel iets doet. Niet zozeer het besef dat ik miljoenen keren de trappers rond hun as heb laten draaien -dat zou nog eens een goeie prijsvraag van de maand geweest zijn- maar wel het feit dat deze lange afstand me tot in de verste uithoeken heeft gebracht. Anderhalf jaar lang heb ik een droom beleefd waar landschappen en mensen als in een spannende feuilleton m´n pad hebben gekruist. Elke dag opnieuw was een ontdekkingstocht met mijn zintuigen als gids. Reizen als een soort levensdoel waarbij de uitdaging van het zwerven, het verdwaald zijn, je drijfveer blijft. Het klinkt vanop de zijlijn heroïsch, maar het is natuurlijk niet allemaal goud wat blinkt. Avontuurlijk reizen is vaak afzien. Vier dagen geleden bijvoorbeeld haalde ik op 25 km na net niet mijn vooropgestelde eindbestemming, Mompox. Noodgedwongen moest ik m´n tentje ergens neerpoten. Het schemerdonker noodzaakte me om te kamperen aan de ingangspoort van een verlichte elektriciteitsturbine. De haast tropische hitte had om acht uur ´s avonds nauwelijks aan warmte ingeboet waardoor mijn nylon stulpje de temperatuur van een bakoven benaderde. Zwetend als een otter probeerde ik de slaap te vatten. Ik was volledig door mijn waterreserve heen en het eerst volgende bevoorradingspunt lag 25 km verderop. Na drie slapeloze uren realiseerde ik me dat mijn tent boven een asfaltlaag stond waar ondergrondse motoren de bodem hadden herschapen tot een broeikast. Er zat niks anders op dan mijn hebben en houden vijftig meter verderop te verhuizen, verweg van de de onnatuurlijke sauna.
Op zulke momenten is de lyriek van het reizen mijlenver zoek, maar ook dat maakt deel uit van het zwerversbestaan. Het is een vorm van overleven in vele werkelijkheden, maar steeds met het besef dat je grenzen verlegt; de grenzen in de wereld, in het leven en in je gedachten. Het op pad gaan zonder een vaste route of tijdschema ervaren vele reizigers als het wegvallen van hun belangrijkste houvast. De ongrijpbare zekerheden voel ik eerder aan als een bevrijdend gevoel. Het heeft me de kans te blijven fietsen doorheen een carrousel van mogelijkheden ver over de horizon heen. Als ik terugblik dan moet ik toegeven dat ik de mooiste episode uit mijn leven opteken. Reizen heeft gaandeweg een andere dimensie gekregen. Het fotografisch geheugen vertolkt zich meer en meer in woorden, reflecties, historias minimas, ... Met m´n schrijfsels probeer ik de vele landen een gezicht te geven waarbij het telkens weer een grote uitdaging is om de werkelijkheid treffend te ver-beelden. Misschien schuilt daar wel het puur geluk in: de vrijheid om een mix te kunnen neerpennen van impressies en verhalen over ontmoetingen, indrukwekkende landschappen, feiten en toevalligheden. Dat de fiets daarbij de inkt vormt van mijn pen is misschien nog wel mijn grootste geluk...




Mompox straalt een weelde aan authenticiteit uit dat zijn gelijke niet kent. De aparte architectonische, koloniale stijl heeft hier zelfs z´n eigen naam verworven: 'la arquitectura momposina'. Het zijn niet zozeer de witgekalkte huizen die hier in het oog springen, wel het ijzeren traliewerk dat rust op sierlijke voetzuilen. Het smeedijzer sluit de ramen af die ambachtelijk vervaardigd zijn uit duurzaam hout. De uitspringende steunberen worden hier en daar geaccentueerd door een opvallende kleurtint. Ook de deurstijlen roepen een sfeer op van weleer. Het zijn massieve houten poorten met een piepkleine deur als doorgang. Fraaie metalen kloppers in de vorm van een hagedis of een leeuwenkop vervangen anno 2008 nog steeds de schelle deurbel waarmee de onverwachte gast zijn komst aankondigt. Sommige huizen hebben een sierlijk balkon waarop kleurrijke geraniums prijken. Ik moet eerlijk toegeven dat ik stil word bij zoveel schoonheid.
Recht tegenover 'la iglesia de San Agustin' waar Santo Sepulero in een zilveren doodskist -één van de voornaamste objecten die worden gedragen tijdens de processie- ligt te pronken, staren een tweetal mannen van hoge leeftijg me achter het traliewerk van een oud koloniaal pand aan. Aan de voorgevel prijkt het opschrift 'Casa de recuerdo' (huis van herinnering). De voordeur staat op een kier en dus glip ik ongemerkt binnen. Ik kom terecht in een wereld van aftakelende dementie waar mannen en vrouwen de dagen doorbrengen in vergetelheid, waar de herinnering aan een zinvol bestaan af en toe eens opflakkert om even snel opnieuw te verdwijnen tussen de voegen en de barsten van het krakende pand. Ik wandel voorbij kamers waar drie tot zes bedden staan opgesteld. Een muffe, slapende geur vermengt zich met een broeierige, kleverige hitte. Mannen en vrouwen zitten her en der verspreid, soms in groepjes, soms eenzaam weggedoken in een schommelstoel. Ze schommelen het verleden weg, haast letterlijk. Een verwilderde grijsaard merkt mijn aanwezigheid op. Woordloos wijst hij naar mijn camera, suggereert vervolgens met duim en wijsvinger een oog terwijl hij met de andere hand aan een onzichtbare hengel draait. Het klankloos portret van een cameraman wordt gebroken door zijn schorre lach. Op een steenworp van hem zit een gebrilde oude man blootvoets heen en weer te wiebelen. Hij probeert tevergeefs de juiste maat te volgen van het mondharmonicageluid dat doorheen een openstaande deur klinkt. De klanken houden heel even aan, alsof ze de herinnering aan wat definitief voorbij is nog even willen vasthouden, als een te snel vervlogen droom. Mijn gedachten dwalen af naar de dood van Hugo Claus. Twee dagen geleden heeft hij zijn droom ingepakt in woorden, letters en verhalen opdat hij ze alsnog zou kunnen koesteren in een besefvolle wereld. Ongrijpbaar afscheid moeten nemen van elke herinnering uit je leven; het moet een moedige en pijnlijke stap naar het eeuwig leven zijn...
Rond de middag loop ik nog even langs op het plaatselijk kerkhof. Versteende devote beelden verheven sommige graven tot artistieke kunstwerken. Zijn ze de verpersoonlijking van de overledenen? Op het trottoir zitten bewoners schommelend te keuvelen voor hun huis. De handgemaakte stoelen met uitnodigende armleuning zijn hier uitgegroeid tot een commercieel handelsmerk. 'Los muebles momposinos' zijn een wereldwijd exportprodukt geworden. Vlakbij de Santo Domingo kerk -Mompox telt maar liefst zes kerken- hebben kinderen van de plaatselijke tekenacademie aan de hand van gekleurd zaagmeel schitterende bijbelse figuren en tekeningen aangebracht op het wegdek. Met een uiterste precisie hebben ze de juiste kleuraccenten weten aan te brengen waardoor de kunstwerken iets weg hebben van meesterlijke schilderijen. Devotie wordt hier in alle vormen beleefd.
Rond vier uur in de namiddag zie ik honderden mensen samenstromen in 'la iglesia de San Agustin'. Vanuit een ouderwetse preekstoel die hoog boven de menigte uitzweeft spreekt een priester de gelovigen toe. Het beeld doet me denken aan de Vlaamsgezinde kapelaan Cyriel Verschaeve die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn Duitse sympathieën vanuit zijn kansel niet onder stoelen of banken stak. De preek gaat hier evenwel over het recht op leven en stemverheffend wijst de priester elke vorm van levensbeëindiging af. Ik vrees dat de demente bejaarden aan de overkant van de straat er af en toe een andere mening op nahouden.
Buiten wordt ondertussen alles in gereedheid gebracht voor een nieuwe processie, ditmaal om de kruisiging van Christus te herdenken. Vrouwen op hun paasbest, getooid in gitzwarte kleren en kanten hoofddoek vormen een menselijke ketting. Elkeen heeft een brandende kaars vast die ze allen in een hoek van 45 graden houden. Het kaarsvet laat druppels van gestolde herinneringen achter op de geasfalteerde straat. De bidkaarsen verspreiden een scherpe brandlucht die zich vermengt met de zoete geur van wierook. Heel de sfeer is bevreemdend. Hetzelfde voorbijschrijdende ritueel als gisteren herhaalt zich. Evenwel is de processie deze keer geslonken tot slechts een tweetal bijbelse taferelen die boven de gelovigen uitzweven. In hun kielzog worden ze gevolgd door een handvol priesters die onder een baldakijn van fijngeweven stof met gouddraad schoorvoetend voorbijschuiven. Achter hen flikkeren tientallen kaarsjes als een zee van herinnering. Het Paasfeest in Mompox zal ik in ieder geval niet gauw vergeten...




Na een spurttocht van 370 km ben ik deze middag eindelijk aangekomen in het dorpje Mompox. Het kost me behoorlijk wat moeite om een overnachting te vinden, want met het verlengde paasweekend voor de deur stellen hoteleigenaars hun deuren liever open voor kroostrijke gezinnen. Na een zoektocht van bijna twee uur weet ik een hoteluitbater te overhalen zijn driepersoonskamer te verhuren tegen een zwerversprijs. Eenmaal in de kamer, alles netjes uitgepakt, stel ik me evenwel de vraag of hij dit vertrek überhaupt wel verhuurd ging krijgen. Vochtplekken en schimmelgroei geven de gebarsten muren een natuurlijk karakter, terwijl de bedden uit verroest staal half ineengezakt tegen de grond aanleunen. In de badkamer wekken buizen en kranen het idee op van een waterleiding, maar de eerste lavabo moet hier nog het daglicht zien en de douche is niet meer dan een grote regenton gevuld met brak water.
Wanneer ik later op de middag een eerste verkenningstocht maak, is er al behoorlijk wat volk op de been. Rond zes uur gaat hier immers het Paasfeest officieel van start. Mannen getooid in blauwe, lange gewaden, dito puntige hoofdkap en grote witte sjaal, fraai gedrapeerd over de schouders, lopen de wagenwijd openstaande kerken binnen en buiten. Ter hoogte van hun buikgordel hangt een wit touw met vijf witte kwasten. In elke kerk voeren ze een gelijkaardige handeling uit. Vanuit het hoofdportaal begeven ze zich gemaskerd naar het altaar, knielen vervolgens neer, spreken enkele gebeden uit -waarbij het touw met de kwasten dient als paternoster-, gooien vervolgens een muntje in het offerblok en verlaten tot slot met achterwaartse tred de kerk. Het ritueel maakt deel uit van hun functie als drager, hier beter bekend onder de naam 'el Nazareno'. Zij torsen immers de loodzware bijbelse taferelen doorheen de straten van Mompox.
In de San Francisco kerk tref ik een drukte aan van jewelste. Vrouwen leggen er de laatste hand aan de opsmuk van de bijbelse episodes, terwijl mannen hun typische outfit aantrekken. Juan is één van de vele honderden Nazarenos. Al meer dan vijvenvijftig jaar loopt hij mee in de processie. Een drager kan je reeds worden aan de leeftijd van 10 à 12 jaar. Zijn deelname ziet hij als een soort verering voor Christus, als het vervullen van een belofte. Nazareno zijn is een familietraditie die wordt overgegeven van vader op zoon. Achter de kledij gaat een wereld vol symboliek schuil. Zo wordt het witte touw tussen riem en borstkas 33 keer om het middel gedraaid. Het aantal windingen verwijst naar de leeftijd waarop Jezus gestorven is. De vijf kwasten symboliseren dan weer de vijf wonden van Christus.
Net voor de duisternis invalt, komt de stoet op gang. De straten worden omzoomd door een menselijke haag van gelovigen. De processie heeft iets weg van een waggelende stoet feestgangers, maar voor de gelovigen is het devote ernst. Hoog boven de hoofden heen wiebelen levensgrote maquettes uit de bijbel heen en weer. Ze stellen taferelen voor die zich voltrekken op Witte Donderdag; zoals het laatste avondmaal en het verraad van de apostel Judas. De dragers lijken wel zeemansbenen te hebben. Op de maat van eentonig trompetgeschal schrijden ze van links naar rechts, schoorvoetend. Vooral in de bochten is het een kwestie van de juiste maat aan te houden. Een verkeerde balans kan immers fatale gevolgen hebben, want de decorstukken wegen doorgaans enkele honderden kilo`s. Sommige praalstukken worden dan ook omhoog gehouden door groepen van vijftig tot zestig dragers. Ze lopen als een schakel achter elkaar, allen in dezelfde pas. Tussen de mannen in blauw-wit merk ik Juan op. Hageldikke zweetdruppels parelen op zijn voorhoofd en zijn gelaat vertoont onmiskenbare pijngrimassen. Het volbrengen van een familietraditie is in Mompox veel meer dan een zoveelste verkleedpartij...




Bucaramanga is de hoofdstad van de provincie Santander en heeft zich ontwikkeld tot een commerciële stad van maar liefst 1 miljoen inwoners. Het centrum gaat uit van het Santader park en de belendende kathedraal van de Sagrada-familia. Bucarmanga wordt wel eens de stad van de parken genaamd, maar ondanks de vele groene plazas weet ze me niet echt te bekoren. Het drukke verkeer geeft me een beklemmend gevoel en in de straten vol reclameborden en overhangende elektriciteitskabels vind ik geen bezieling. Visuele contaminatie of heeft m´n weinig inspirerend gevoel eerder te maken met de hevige naweeën na mijn tandartsbezoek? Wellicht een combinatie van beide. De gemoedelijke gezelligheid die ik niet in Bucaramanga tegenkom, vind ik wel negen kilometer verderop in het koloniale dorpje Girón. De ontstaansgeschiedenis van dit dorp gaat terug tot het jaar 1631 en heeft zijn karakteristieke eigenheid weten te bewaren. Girón ademt eenzelfde sfeer uit die ik enkele weken geleden aantrof in Villa de Lejva.
Precies omwille van zijn authenticiteit werd het hele dorpje in 1963 op de Unesco-lijst van nationale monumenten geplaatst. De gerestaureerde huizen zijn wit gekalkt, terwijl het hout en traliewerk zijn donkerbruine kleur mocht behouden. Het contrast tekent zich sfeervol af op de met kinderkopjes belegde straten die er door de jaren heen hobbelig bij liggen. Mijn verbeelding heeft weinig moeite nodig om me terug te flitsen naar een tijdperk waar zwart gelakte houten koetsen over de straten rollen, waar troubadours post vatten op de afgesleten treden van het kerkportaal, hun mandoline in de aanslag en waar prinsen afgezoomd met gesteven kant de frele jonkvrouwen het hof maken. De tijd is hier als geen ander blijven stilstaan. Benieuwd of ik eenzelfde authenticiteit zal terugvinden in Mompox, waar ik de viering van ‘la semana Santa’ wil meepikken...




Rond half negen baadt de weide al in een verzengende zon en worden de eerste slachtoffers van de hitte afgevoerd naar schaduwrijke oorden. Waterzakjes worden uitgedeeld en spuitgasten zorgen voor de nodige verfrissing. De uren kruipen loodzwaar voorbij en heel even denk ik eraan om het voor bekeken te houden. De zekerheid getuige te zijn van een uniek concert brengt me evenwel op andere gedachten. Rond één uur in de namiddag wordt het lange wachten eindelijk beloond. Via een levensgroot videoscherm zien we hoe de artiesten hun opwachting maken in de loge en even later verschijnen ze -allen gekleed in het wit- op de brug. Een golf van vreugdekreten en extase rolt over de uitgestrekte vlakte. De toon is meteen goed gezet. Vier uur lang geven de artiesten het beste van zichzelf. De Colombiaanse zanger Carlos Vives bijt de spits af en weet met zijn valloneta-muziek de menigte naar zijn hand te zetten. Colombia, Venezuela en Ecuador dansen en zingen tot ver over de vrede heen. De Ecuadoraanse zanger Juan Fernando Velazco pakt uit met stille ballades en krijgt een opendoekje wanneer hij afscheid neemt met de woorden: “Ik kom uit een klein land, maar met een groot hart. Vandaag ben ik niet alleen geboren in Ecuador, maar evenzo in Colombia en Venezuela.” Juan Luis Guerra, van de Dominicaanse Republiek, brengt het publiek opnieuw heupwiegend in beweging met zijn warme stem en zuiderse ritmes. Ook de andere muzikanten, Alejandro Sanz (Spanje), Miguel Bosé (Spanje) en Ricardo Montaner (Venezuela) toveren de weide om tot een bruisende danstent. Wanneer Juanes tenslotte als laatste in de rij zijn poëtische levensliederen ten beste geeft, is de temperatuur opgelopen tot 40 graden en meer. De hitte belemmert de fans niet om volledig uit hun dak te gaan. Vriend en vijand verbroederen op muzikale klanken zonder grenzen. Tussendoor bedankt Juanes de menigte voor hun komst. “Vandaag schrijven jullie geschiedenis door hier aanwezig te zijn als één volk, als één land.” Zelfs op een vredesconcert zonder grenzen is de Bolivariaanse gedachte niet weg te denken...




Het valt me trouwens op dat mensen me hier vaak de vraag stellen wat ik vind van hun land. Colombianen koesteren in hun hart een oprechte vaderlandsliefde en beseffen maar al te goed dat de massamedia een beeld verspreidt over hun land dat weinig rooskleurig is. Er is niet alleen de aanslepende burgeroorlog die Colombia in een slecht daglicht stelt, ook de schrijnende armoede en de ermee gepaard gaande criminaliteit versterken het negatieve imago. Een beeld dat helaas ook door toeristen wordt versterkt. Zo kreeg ik enkele dagen terug een mail van twee Belgen die momenteel in Bogota vertoeven en die ik twee weken geleden ontmoette in Salento. In één of andere obscure buurt werden ze beroofd van hun camera. De diefstal smeerden ze in het lang en het breed uit in hun tweewekelijkse nieuwsbrief en zal bij vrienden en familie hun oordeel over 'het meest onveilige land' alleen maar versterken. Op zulke momenten ontbreekt het ons maar al te vaak om het voorval in een grotere context te plaatsen, waardoor de spiraal van negativisme een draaikolk vormt waar je jaren later nog de pejoratieve klanken van hoort nagalmen. In veel gevallen is diefstal een combinatie van twee factoren: 80% nonchalance en 20% brutte pech. Het geluk moet soms in je broekzak zitten of in mijn geval, in m´n fietstassen...
Het glooiend landschap van ‘la zona cafetera’ heeft plaats gemaakt voor grasgroene weilanden en uitgestrekte plantages van suikerriet, zoete papaya en boomtomaten; een soort kruising tussen onze tomaten met rode blos en passievruchten. Buitensporig lange vrachtwagens en traktors met uitpuilende aanhangwagens vol rietstengels denderen voorbij, richting suikerfabriek; terwijl zwaarbeladen paarden en ezels met ijzeren melkkannen of watermeloenen zich naar een centraal ophaalpunt begeven. Eenieder beweegt zich voort, elk op hun eigen ritme. Elkeen probeert ook op zijn manier te overleven. Zo zag ik de voorbije weken hoe bewoners van het Andesgebergte de bergriviertjes gebruikten als een natuurlijke carwash. Met lange borstels, zeep en water schrobden jongens en mannen het vuile koetswerk van de trucks schoon. In het vlakke weideland proberen sommigen op een inventievere manier hun kost te verdienen. Ze vertolken de rol van amateur-wegenwerkers die op eigen initiatief de putten van het slechte wegdek vullen. Telkens er een wagen komt aangereden gooien ze nog een laatste schep aarde op, draaien hun sombrero 180 graden om tot een aalmoespet en steken hoopvol hun gesterkte arm uit. Automobilisten zijn het in Colombia evenwel gewoon om te slalommen. Het gros rijdt dan ook onverschillig door. Gisteren maakte ik nog een ommetje naar Barrancabermeja, de op één na grootste oliestad van het land. Colombia mag dan wel buiten de landsgrenzen heen geassocieerd worden met koffie, ook andere landbouwprodukten (bananen en coca) en delfstoffen (olie, steenkool en smaragden) worden massaal geëxporteerd. Begin vorige eeuw was de olieexploitatie uitsluitend in handen van internationale multinationals. In 1948 dwong een grote staking van de oliearbeiders de regering evenwel tot de oprichting van het staatsbedrijf Ecopetrol. Ze namen enkele grote concessies over en spraken af om nieuwe velden gezamenlijk te exploiteren. Regelmatig worden nog nieuwe olieterreinen ontdekt. In het verleden kwamen oliemaatschappijen regelmatig in conflict met lokale gemeenschappen. Zo hielden in de jaren negentig de U’wa-indianen in het noordoosten van Colombia een wereldwijde campagne tegen de komst van Occidental en Shell naar hun gebied. Een strijd die ze toen hebben gewonnen. Laat ons hopen dat nieuwe ontdekkingen geen zoveelste bedreiging betekenen voor het voortbestaan en behoud van een authentieke minderheidscultuur...


Gisteren zag ik op het avondjournaal nog beelden van een betoging tegen de rechtse paramilitairen die zich jaren lang hebben bezondigd aan zware schendingen tegen de menselijkheid. De ultrarechtse doodseskaders werden in de jaren tachtig op initiatief van grootgrondbezitters in het leven geroepen ter bescherming tegen aanvallen van linkse rebellen. Ze grepen hun macht evenwel ook aan om boeren massaal van hun land te verdrijven. Grond dat ze vervolgens gebruikten om er op grote schaal drugs te verbouwen. De demonstratie was een initiatief van ‘de Beweging voor de Slachtoffers van het Staatsterrorisme’ ter herdenking van de 4 miljoen vluchtelingen, 15.000 vermisten en 3.000 tot nog toe in massagraven gevonden, vermoede slachtoffers van de paramilitairen. Ook de regering van president Uribe was kop van jut tijdens de betoging. Het is een publiek geheim dat de Colombiaanse overheid nauwe banden onderhield met de inmiddels ontbonden paramilitairen. In 2004 had Uribe een akkoord bereikt met hun commandanten om de organisatie op te doeken. Als compensatie kregen de daders, die hun misdaden bekenden, uiterst lichte straffen tot hooguit 8 jaar gevangenis. Daarop legden meer dan 31.000 paramilitairen hun wapens neer. Overheidsprojecten werden opgestart om hen voor te bereiden op een terugkeer naar het burgerleven. Het bleek voor velen een maat voor niets te zijn, want duizenden van hen zijn intussen opnieuw in dienst van drugsbendes en terroriseren de bevolking net als voorheen.
Ondertussen is er nog een kopstuk van de guerrilla gesneuveld: Jose Juvenal Velandia, alias Ivan Rios. Hij zou evenwel niet gedood zijn tijdens gevechten met het Colombiaanse leger, maar werd omgebracht door zijn eigen medestrijders. Zijn manschappen hopen op die manier de premie van 5 miljoen dollar (3,2 miljoen euro), die de Verenigde Staten hebben uitgeloofd voor de aanhouding van Rios, in de wacht te slepen. Is dit het gevolg van de dood van Raul Reyes, de op één na grootste leider van de FARC , die begin deze maand door het Colombiaanse leger werd omgebracht of vertoont het gepantserde schild van de guerrilla zijn eerste bartsten? Wordt onvermijdelijk vervolgd...
Deze morgen stel ik bij het inpakken vast dat ik tot tweemaal toe ongewenst bezoek heb gehad. Mijn gloednieuw fietstruitje, dat te drogen hing in de patio van het hotel, is spoorloos. De tweede vreemde bezoeker had het eerder gemunt op mijn proviand. Elke fietstas werd doorzocht, zelfs mijn gloednieuwe dagrugzak moest eraan geloven. De dader heeft in ieder geval niet alleen gehandeld en de nagelaten sporen getuigen van weinig professionalisme. Ik ben het slachtoffer geworden van een bataljon minuscule mieren die zowat mijn hele mondvoorraad hebben aangevallen. Hun vraatzucht heeft een spoor van vernieling achtergelaten. Zelfs de in plastiek zakken gewikkelde etenswaren vertonen grote gaten. Onwaarschijnlijk welke ravage dergelijke kleine beestjes kunnen aanrichten. Ik vrees dat ik met sommige eenheden van het regiment nog een tijdje geplaagd zal zitten, want ik ontdek dat velen zich verdoken hebben tussen de binnenwand van mijn fietstassen. Eén voordeel, de aanval heeft er alvast voor gezorgd dat ik met drie kilo minder aan gewicht op pad ga vandaag. Zelfs op weg naar het vlakke kustgedeelte kan dat tellen...




Gisteravond heb ik na het laatavondjournaal met de familie van Juan Carlos nog wat nagepraat over de recentste ontwikkelingen i.v.m. de diplomatieke rel. De plooien blijken ver van glad gestreken. Twee dagen terug heeft de Colombiaanse president Uribe verklaart dat Chavez zich voor het Internationaal Strafhof van de Verenigde Naties zal moeten verantwoorden voor zijn financiering van en steun aan de Colombiaanse rebellenbeweging FARC. Bij de militaire aanval van 1 maart jongsleden waarbij de Farc-ideoloog, Raul Reyes, werd gedood, heeft men een laptop aangetroffen die documenten bevat over een recentelijke financiële steun van de Venezolaanse regering aan de FARC van maar liefste 300 miljoen dollar (194 miljoen euro). De aantijgingen worden door Chaves niet bepaald in dank afgenomen; integendeel zelfs. In een toespraak zag ik hoe Chavez zijn ambtsgenoot Uribe bestempelde als een 'criminele lakei van de imperialisten (Verenigde Staten)'. Het dreigend oorlogsgevaar heeft ondertussen ook andere regeringsleiders van Zuid-Amerika wakker geschud. Zo heeft de Boliviaanse president, Morales, opgeroepen tot dialoog en hebben de twee vrouwelijke presidenten van respectievelijk Chili en Argentinië, Michelle Bachelet en Cristina Kirchner, eveneens hun bezorgdheid uitgedrukt over de escalerende crisis. Met de wetenschap dat de soep zelden zo warm gedronken wordt als dat ze wordt opgediend, blijft men hier in Colombia er voorlopig opvallend kalm bij. Afwachten is eens te meer de boodschap...
Om half zeven in de morgen neem ik afscheid van Juan Carlos en zijn familie. Bij het vertrek stopt zijn zus me nog een overlevingspakket toe om de dag meer rond te komen: rijst, platanos (gefrituurde bananen) en kip. De gastvrijheid neemt in Colombia alsmaar grotere proporties aan. Nauwelijks goed en wel vertrokken, stel ik vast dat het klimwerk van gisteren in het niets verdwijnt bij de bergetappe die ik vandaag voorgeschoteld krijg. Of worden de zware inspanningen bemoeilijkt door het miezerige, regenachtige weer? Ik probeer me op te trekken aan de gedachte dat dit de laatste te verslane berghellingen zijn alvorens ik de vlakke kust tegemoet fiets. De wolken, gevangen tussen de heuveltoppen gaan naadloos over in een dikke mist. Gammele busetas (kleine busjes) steken al sputterend de soms eindeloze colone kruipende vrachtwagens voorbij, terwijl ikzelf campesinos, zittend op paard of muilezel, voorbijfiets. De benige schimmels blazen wolken van warme luchtdamp uit. Naarmate ik hogerop fiets, doen de bomen me denken aan Kerst waarbij grijs mos als ragfijn engelenhaar over de takken naar beneden hangt. Af en toe kom ik voorbij een mariabeeld in plaaster met een krans van prikkeldraad als kroon. Een rots leunt beschermend aan tegen een kapelletje. Een ijzeren ton met open luikjes wordt aan de binnenkant verlicht door brandende kaarsjes, achtergelaten door chauffeurs; hopend op een veilige rit. Op de fiets valt er zelfs in het hoge gebergte altijd wel iets te beleven of te zien.
De regen blijft me parten spelen en 14 km voor de ingang van het nationaal park 'Los Nevados' zoek ik beschutting in restaurant Lucho. Ik bestel er een kommetje dampende agua panela, suikerwater dat Luis Herrera, de beste Colombiaanse bergwielrenner ooit, steevast dronk voor hij de fiets opsprong. Ik geraak aan de praat met Lucho, de eigenaar van het etablissement en zijn veel jongere en charmante vrouw Monica. Lucho is zelf jaren parkwachter geweest in het natuurdomein alvorens hij enkele jaren geleden zijn eigen zaak opstartte. Het nationaal park ligt nog minstens 700 meter hoger en dus stelt hij me voor om mijn zware fietstassen in zijn restaurant achter te laten. Als ik dat wens mag ik er zelfs blijven overnachten. Ik neem zijn gastvrijheid dankbaar aan en vervolg even later, en 50 kilo lichter, m´n weg. De regen heeft plaats gemaakt voor mistflarden die meermaals het adembenemend landschap inpakken al was het Christo in eigen persoon die hier aan het werk was geweest. De groene omgeving gaat uiteindelijk over in paramo waar de 'frailejónes' (een plantensoort die eruit ziet als een reusachtige edelweis en enkel op grote hoogte voorkomt in het uiterste noorden van Ecuador, Colombia en Venezuela) steeds vaker opduiken. Aan de ingang krijg ik te horen dat het natuurpark enkel toegankelijk is van half acht in de morgen tot twee uur in de namiddag. De klok wijst twintig over twee aan. Ik probeer de parkwachters, jonge snaken van een jaar of twintig, nog te overhalen, maar tevergeefs. De jongelui hebben meer interesse voor het tv-scherm dan voor een verdwaalde zwerver die zo gek is om hier per fiets naartoe te komen. Ik zie rechtstreekse beelden van een topontmoeting van de Rio-groep in de Dominicaanse Republiek. Zowat alle presidenten van Zuid-Amerika zijn vertegenwoordigd. Een half uur lang kijk ik aandachtig toe hoe de Colombiaanse president Uribe de aanval op het Ecuadoriaanse grondgebied probeert te rechtvaardigen. Hij weet als geen ander de gevoelige snaar te betokkelen. Net voor ik besluit op te stappen zie ik hoe de beide regeringsleiders van Ecuador en Colombia elkaar de hand schudden, gevolgd door de handdruk van Chavez. Dialoog is nog altijd de beste stap naar vrede. Opgelucht om het verzoenend gebaar, maar teleurgesteld omdat ik het nationaal park niet meer kon bezoeken, daal ik moeizaam terug naar beneden.
Eenmaal opnieuw in het restaurant is Lucho de keuken aan het opruimen. Rond zeven uur ´s avonds overhandigt hij me de sleutel en vertrekt met zijn vrouw naar zijn lagergelegen woning in het dorp. Ik blijf alleen achter in het lege restaurant met het besef dat zoiets alleen in Colombia kan. In België zou geen enkele restaurantuitbater zijn zaak openstellen voor een verdwaalde zwerver, laat staan om er de nacht door te brengen. Colombia, je blijft me grenzeloos verbazen...




Juan Carlos werkt in het laboratorium, meteen ook de plaats waar we onze rondleiding starten. Op een bruin gespikkelde marmeren tafel staan wel twintig tot aan de boord gevulde koffietassen. Een laborante slurpt met een soepvormige lepel de koffie op en spuwt die na een rondrit langsheen de smaakpapillen in een ijzeren beker. Het tafereel doet me terugdenken aan mijn uitzonderlijke wijndegustatie die ik, mede dankzij mijn vrienden Kurt De Waele en Albert Vanacker van de firma ‘Universal Wine’ (www.universalwine.be) uit Beernem, in Chili mocht bijwonen (cfr. Chili & Paaseiland: 29 maart 2007 - 6 mei 2007 – dagboek 19). Toen toverden de wijnkenners een heel arsenaal aan vakjargon tevoorschijn om de wijn te benoemen. Hier gaat alles er iets minder ‘literair’ aan toe. Op mijn beurt degusteer ik enkele koffiebrouwsels, maar ik moet toegeven dat ik de wijndegustatie toch wel net iets pittigers vond... In het labo wordt voornamelijk nagegaan of de koffiebonen van goede kwaliteit zijn. Via microscopisch onderzoek gaat men na of de koffie geen ziektekiemen bevat. Aan de muur hangt een groot bord met de verschillende ziekten die zich kunnen voordoen op een koffieplantage.
Van het laboratorium gaat het naar de eigenlijke fabriek. Monsterachtige machines verwijderen de gele, krokante zilvervliesjes van de bonen. Vervolgens worden de kleverige koffiebonen gewassen en gefermenteerd in watertanks om uiteindelijk via een sneldrogingsmachine te worden gedroogd. Deze zogenaamde ‘natte methode’ is de meest gebruikelijke, omdat ze minder arbeidsintensief is en grote hoeveelheden kan verwerken op korte tijd. De ‘droge methode’ die ondermeer de koffieboer Don Elias toepast, is de alleroudste en meest natuurlijke manier om koffiebessen te drogen. Beide werkwijzen staan garant voor een kwaliteitsverbetering die zich in het kopje vertaalt door een mildere smaak. In wezen kan je de koffie onderverdelen in twee grote families: Robusta en Arabica. Robusta staat tegenover Arabica zoals een landwijn tegenover een grote Bourgogne. In Colombia zijn alle koffiestruiken van de Arabica-familie.
Industriële ventilatiebuizen brengen de koffiebonen uiteindelijk in het fabrieksgedeelte waar de koffie zijn laatste stappen ondergaat in het productieproces. De gepelde en gedroogde groene bonen rollen hier over trillende, computergestuurde roosters. Deze selecteert ze volgens formaat en gewicht en haalt er in een razendsnel tempo de beschadigde of te donkere bonen feilloos uit. De defecte bonen worden vernietigd, terwijl de bonen van tweede keuze terechtkomen in een container waarvan de koffie bestemd is voor lokale consumptie. Een container met als opschrift ‘Excelsor’ bevat de kwaliteitsvolle bonen die uiteindelijk ons land bereiken. De geselecteerde koffiebonen worden tot slot verpakt in jutezakken van 70 kilo en bewaart in het magazijn, klaar om verscheept te worden.
Ik moet bekennen dat ik versteld sta van de weg die een koffiezaadje aflegt tot de dampende aroma in ons bakje troost. Na mijn rondreis doorheen het koffiecentrum van de wereld leg ik mezelf de belofte op om nimmer of nooit nog suiker toe te voegen aan m´n koffie, al was het maar uit eerbied voor de liefdevolle toewijding waarmee de koffieboeren hun cultuurgewassen omringen. Mijn ontdekkingstocht doorheen het epicentrum van de koffieteelt zit erop. De hoogste tijd om de geurende, verslaafde aroma achter me te laten en mijn tocht aan te vatten naar het verre noorden van Colombia, de kuststreek...




Later dan voorzien vervolg ik mijn tocht doorheen het glooiend koffielandschap. Mijn volgende bestemming is Chinchina, in de buurt van Manizales. Daar wil ik het laatste stadium van het koffieproces opsporen. Op m´n tocht maak ik evenwel nog een halte in de grote stad Pereira. Niet zozeer om het naakte standbeeld van Simon Bolívar, gezeten op een strijdlustig bronzen paard, te digitaliseren, maar wel om een kijkje te nemen in het oudste koffiehuis van de stad, ‘Anarkos’. Wie dacht dat de aroma van de koffie mij er blindelings naartoe zou zuigen, heeft het evenwel goed mis, want het kost me behoorlijk wat tijd om het ouderwetse koffiehuis te vinden. Ik wandel er zelfs tot tweemaal toe voorbij. ‘Anarkos’ straalt niet de klasse uit die je zou verwachten van een café dat al 70 jaar lang de Colombiaanse koffie als hét belangrijkste handelsmerk bij uitstek serveert. De voorgevel is afgebladerd en geen enkel opschrift of reclamepaneel wijst je de weg naar dit heiligdom. De ingang bestaat uit twee grote garageachtige openingen die om middernacht worden afgesloten met stugge, verroeste rolluiken. Aan plastieken, ronde tafeltjes met bijhorende goedkope tuinstoelen zitten mannen met een gemiddelde leeftijd van zestig te slurpen aan hun koffie. Het is een typisch mannen-etablissement met biljarten achter in de zaal. De koffie stroomt er uit een antiek expresso-toestel dat zijn vaste plaats heeft veroverd, midden op de langwerpige toog. Geplaatst om er nimmer nog te verdwijnen...
Ik speur het antieke koffiehuis af en probeer de sfeer op te snuiven van een lang vervlogen tijd. Alleen de grijze haren van sommige klanten roepen het beeld op van wat zo goed als verdwenen is. De nostalgie is afgevlakt net als de platte smaak van de donkerbruine koffie. Een grote hoeveelheid suiker moet de minderwaardige kwaliteit van de koffie goed maken. Mijn overzoete koffie heeft zijn eer niet hoog weten te houden, ondanks het feit dat het bakje troost de voorbije jaren verdubbeld is in prijs. Voor 500 pesos (zo´n 7,5 Belgische frank of 0,18 eurocent) gaat een klopje hier over de toonbank. De biljartballen knallen de tijdloosheid weg. Alleen de dromerige stem van de tangozanger Carlos Gardel kleurt nog de bodem van m´n leeg kopje met een vleugje weemoed en authenticiteit. De rijke herinneringen en milde aroma van de koffiehuizen van weleer tikken langzaam weg. Ik bestel nog een tweede in de hoop mijn visie alsnog bij te kunnen sturen. Het is een maat voor niets. De beste Colombiaanse koffie drink je nu eenmaal thuis...
Teleurgesteld zet ik mijn ontdekkingstocht langsheen uitgestrekte koffieplantages verder. Ik twijfel heel even om m´n ontgoocheling af te spoelen met een verkwikkende duik in de thermale baden van Santa Rosa, maar fiets uiteindelijk toch verder. Ik krijg nog een poosje het gezelschap van een medecollega, een Colombiaanse fietser. De vijftigjarige man stinkt uren in de wind en vertoont alle kenmerken van een fietsende vagebond. Zijn zelf gelaste fiets ziet er solide uit, hij daarentegen afgeleefd. Ernesto is al drie maand onderweg en fietst langzaam terug naar zijn thuishaven, Medellín. Hij stelt voor om een stukje samen te fietsen, maar ik wimpel zijn aanbod vriendelijk af met het laatste vleugje koffiearoma dat me nog omringd
Net voor sluitingstijd plaats ik mijn fiets tegen de dranghekkens van ‘Trilla Dora’, één van de pellerijen in de koffiestad Chinchina. Ik blijk meteen de juiste persoon aan te treffen, want in een mum van tijd krijg ik een afspraak geregeld. Morgenochtend ontvouwt zich het laatste luik in het lange productieproces van de koffie. Het belooft andermaal een boeiende dag te worden...




Don Elias is er net 71 geworden en is de trotse eigenaar van een koffieplantage van vier hectaren. Omgerekend levert hem dat jaarlijks 1800 kilo organische koffie op. Aan een gemiddelde verkoopprijs van 8000 pesos per kilo komt dit neer op een brutto opbrengst van 14.400.000 pesos (€ 4.800). Ogenschijnlijk een niet onaardig bedrag, maar schijn bedriegt. De koffieteelt is nu eenmaal zeer arbeidsintensief en tijdens de koffiepluk moet Don Elias dan ook beroep doen op vier extra mankrachten. Ze worden betaald per kilo geplukte koffiebonen. Geroutineerde plukkers halen een gemiddelde van 100 tot 120 kilo per dag. Tegen een prijs van 300 pesos per kilo strijkt een arbeider zowat 30.000 tot 36.000 pesos (10 tot 12 euro) aan dagloon op. De oogst vindt twee keer per jaar plaats, van maart tot april en van september tot november. Na aftrek van de lonen blijft er van de totale opbrengst ongeveer nog de helft van over. Dat betekent dat Don Elias en zijn familie een jaar lang moeten leven van 2.400 euro. Zelfs in het goedkope Colombia is dat geen sinecure. Don Elias klaagt evenwel niet. In de jaren negentig hebben de koffieproducerende landen van Zuid- en Midden-Amerika en Afrika zich verenigd in ‘The Association of Coffee Producing Countries (ACPC) en hebben de schommelende koffieprijs hersteld tot een aanvaardbaar niveau door de export te beperken en de overproduktie tegen te gaan.
Don Elias troont me mee naar zijn heiligdom, de koffieplantage. De felgroene koffiestruiken gedijen het best op berghellingen tussen 1100 en 1800 meter en dat is hier niet anders. De struiken bereiken moeiteloos manshoogte en leveren bonen op die borg staan voor milde koffie vol aroma. De bonen van laaggroeiend struiken geven de koffie evenwel een monotone en harde smaak. Ook al klinkt de koffieboer best tevreden met zijn bescheiden rijkdom, al gauw realiseer ik dat koffie veel te goedkoop wordt verkocht. Koffie verbouwen betekent veel werk voor weinig geld. Het doen en laten op de plantage wordt gedikteerd door de levenscyclus van de koffieboon. Gemiddeld heeft een koffiezaadje 60 tot 70 dagen nodig om uit te groeien tot een stekje. Het nietig stekje gaat vervolgens in een zakje met aarde. Na 6 maand is het stekje een plant dat met aardkluit en al verhuist naar de koffieplantage. De rijen jonge aanplant worden overschaduwd door bananenbomen. Enerzijds beschermen ze de tere koffiestruiken tegen de felle zon en anderzijds houden ze de vochtigheidsgraad van de aarde op peil. Een jaar later verschijnt de eerste bloem die uitgroeit tot een bes en die 7 maand later geplukt kan worden. Dankzij het gunstig klimaat leveren de koffiestruiken twee oogsten per jaar op. Een koffiestruik kan terzelfdertijd bloeien en vrucht dragen. Elke struik moet 6 tot 8 keer worden bezocht om één oogst binnen te halen. Don Elias toont me met enige trots hoe de geplukte bonen in de rond zijn middel gedragen rieten mand verdwijnen. Om het plukken te vergemakkelijken en de oogst te bevorderen, worden de oudste struiken jaarlijks gesnoeid. Als de oogst vermindert, kan men de plant twee keer verjongen door de stam tot vlak boven de grond af te zagen. Na 20 jaar is de koffiestruik evenwel aan het einde van zijn latijn. De productiviteit is te mager en bijgevolg wordt de plant gerooid en vervangen door jonge plantjes.
De 71-jarige Don Elias stapt met vaste tred de berghelling op en af en bij tijd en wijlen heb ik zelfs met mijn jonge fietsbenen moeite om hem te volgen. Op m´n vraag of hij er niet aan denkt om met pensioen te gaan, lacht hij zijn tandloze mond bloot. “De dag dat ik het plukken moet opgeven, lig ik onder de grond. De koffie is mijn leven, mijn passie, mijn eerste geliefde. Hier ben ik geboren en hier wil ik sterven...” Zijn woorden krijgen iets dramatisch en melancholisch door flarden Zuid-Amerikaanse muziek afkomstig uit de radio van een kilometers verderop gelegen finca. Repen muziek vermengen zich met de gestolde woorden die als geplukte koffiebonen op de zachte aarde vallen om nimmer opgeraapt te worden. Ik benijd Don Elias wel een beetje. Een rustgevende ziel te midden van de plek die voor eeuwig verbonden zal blijven met z´n levenswijze, z´n zijn en denken. Het is een zoveelste ontmoeting die brandvlekken achterlaat op mijn zwerversziel. Brandvlekken van herkenning en erkentelijkheid, van levenswijsheid en ingetogen vreugde. De muziek zwelt aan en rolt door het bergdal als een echo over de koffieplantage. We worden er samen heel even stil van.
Het koffieproces is bijlange nog niet afgewerkt en dus toont Don Elias hoe de geplukte bonen via een manueel aangedreven ontpulpingsmachine uit hun bessen worden gehaald. Een handeling die binnen de 24 uur na het plukken moet plaatsvinden. Elke bes bevat twee bonen die door een zoet slijm worden omgeven. De glibberige met lactose bedekte bonen worden vervolgens gewassen tot ze slijmvrij zijn. Vervolgens spreidt hij de door een zilvervlies omgeven hoornschilbonen uit op de betonnen vloer van zijn zelfgemaakte plastieken indianentent. Afhankelijk van de temperatuur duurt het drogingsproces 8 dagen tot een maand. Eenmaal de bonen de juiste vochtigheidsgraad hebben, gaan ze in een jutezak en worden ze met een ‘Willy’ -een antieke felgekleurde Amerikaanse jeep die hier zowat de nationale trots is- naar de pellerij gebracht waar de hoornschilkoffie wordt gezuiverd en gesorteerd. De koffie die hij gebruikt voor eigen consumptie brandt hij op een houtkachel in een door roet geblakerde ronde pot. Tot slot maalt hij de bruingebrande koffiebonen tot ‘cafe molido’, gemalen koffie. Zijn vrouw heeft ondertussen water aan de kook gebracht en even later druppelt de aroma via een fijn geweven koffiefilter in een ijzeren kan. Don Elias slurpt aan zijn koffie alsof hij een Châteauneuf-du-Pape uit de jaren ´60 drinkt: behoedzaam en traag. De geur van de koffie vermengt zich andermaal met Zuid-Amerikaanse klanken. Voor mij zit een gelukkig man die zijn hart heeft verloren aan ons dagelijks bakje troost. Naast hem zit een verdwaalde zwerver die dankbaar geniet van de zoveelste memorabele ontmoeting...


Vrouw en kind zijn inmiddels terug in Frankrijk, terwijl Manu nog twee maand verder geniet van een zorgeloos, zwervend bestaan. “Ik moet me nog voorbereiden op het vaderschap, daarom reis ik nog twee maand verder.” Ik vrees dat ik net hetzelfde zou hebben gedaan. Na een korte babbel, nodigt hij me uit om mijn intrek te nemen in de hostal waar hij verblijft en zo ben ik hier geheel onverwacht gestrand. Het zwervend bestaan met z´n vele onverwachte kronkels blijft me mateloos boeien. Ik begin stilaan te beseffen dat een terugkeer naar het dagdagelijkse leven een harde confrontatie zal worden. Al voel ik aan dat mijn vriendin me af en toe de ruimte zal geven om me te laten zwerven in m´n hoofd, tussen de liefde en de leegte en de kans zal geven om andere horizonten te ontdekken, alleen, met haar en onze kroost...




Vandaag staat er een totaal ander bezoek op het programma, met name ‘el parque national del café’, in de omgeving van Armenia. Dertien jaar geleden besliste de overheid om een park op te richten als een soort eerbetoon aan zijn tweede belangrijkste exportprodukt: de koffie. Ik heb de af te leggen weg evenwel wat onderschat en ook de opeenvolgende heuvels zorgen ervoor dat ik niet echt vaart maak. Twee uur voor sluitingstijd fiets ik het ‘el parque national del café’ binnen. Ik ontdek dat men er eveneens een pretpark heeft ondergebracht. Was de publieke belangstelling voor het koffieproject dan zo bedroevend dat men er achteraf een recreatiepark voor groot en klein heeft aan toegevoegd? Of is het om de allerkleinsten wat te sussen na een leerrijk daguitstap met ma en pa? Mijn interesse gaat evenwel uit naar de historische en culturele aspecten die verscholen zitten achter de koffieboon. Een uitgebreide overzichtstentoonstelling geeft me een bredere kijk op de lange weg van zaadje tot boontje, de veranderende produktieprocessen en de reden waarom de Colombiaanse koffie tot de beste ter wereld behoort. Eens de expositieruimte verlaten, wandel ik een aangelegd pad op naar een koffieplantage waar diverse soorten koffiestruiken te zien zijn. In het totaal zouden er zo´n 8000 variëteiten aan koffie bestaan. Slechts een tiental ervan worden commercieel verwerkt. Voor mijn vertrek hou ik nog even halt aan de koffiebar en bestel ik een ‘tinto’, een bakje zwarte troost van zowat het meest gekende merk, Juan Valdez.
´s Avonds zoek ik opnieuw de beslotenheid op van een hotelkamer met tv. Niet uit eenzaamheid, maar om de evolutie inzake de politieke rel op de voet te kunnen volgen. Mijn vermoeden wordt bevestigd. Ook de Venezolaanse president Chavez heeft zich volledig achter zijn Ecuadoraanse ambtgenoot, Correa, geschaard. Op zijn beurt trekt Chavez zijn ambassadeur uit Bogotá terug en kondigen zowel Ecuador als Venezuela een verhoogde troepenmacht aan vlakbij de Colombiaanse grens. Chavez vraagt aan zijn bevolking een minuut van rouw in acht te nemen voor de gesneuvelde Raul Reyes. Ik zie straatbeelden van versteende voetgangers en fabriekshallen waar honderden arbeiders massaal gehoor geven aan de oproep van de president. De demagogie en de openlijke steun van Chavez aan de guerrilla neemt ongekende vormen aan. Als een despoot steekt Chavez een redevoering af waarbij hij de Colombiaanse president, Uribe, openlijk beschuldigd van het dwarsbomen van de onderhandelingen om gijzelaars vrij te krijgen. Mocht Colombia eraan denken om eenzelfde militaire operatie uit te voeren op Venezolaanse bodem dan zullen de poppen pas echt aan het dansen gaan. De tango en de salsa lijken verder weg dan ooit...




Rond vier uur kom ik aan in Roldanillo, m´n eindbestemming. Enkele dagen terug had ik een tip gekregen van mijn vriendin Lies: “Mocht je in de buurt fietsen van Roldanillo, profiteer er dan van om het museum van Omar Rayo te bezoeken. Zijn kunstwerken zullen je ongetwijfeld bevallen...” Vlakbij het centrale dorpsplein staat een futuristische, gekalkte blokkendoos waar het museum is ondergebracht. Reeds bij het betreden van de eerste expositieruimte word ik ondergedompeld in geometrische figuren, het handelsmerk van Rayo. Op grote doeken staan vierkanten, rechthoeken en zig-zags, uitgevoerd in wit, zwart, geel en rood. Hij wordt wel eens een geometrisch-optisch kunstenaar genoemd. Een treffende benaming, want zijn aparte kunstvorm straalt een extra dimensie uit. Van op afstand lijken zijn schilderijen op papieren vlechtwerk waarbij de stroken en ezelsoren moeiteloos in elkaar overlopen. Meermaals word ik op het verkeerde been gezet en ontvouwt het optische bedrog zich slechts bij elke naderende stap. De abstracte geometrie wordt afgewisseld door geschilderde karikaturen van belangrijke persoonlijkheden. Ook daar speelt hij met vlakken en lijnen. Mijn vriendin had gelijk; het was een ommetje meer dan waard.
Wanneer ik me even later op een terrasje installeer, krijg ik het gezelschap van drie gepensioneerde oudjes. Het gespreksonderwerp is ditmaal niet de verdwaalde zwerver, maar de dood van Raul Reyes, één van de kopstukken van de rebellenbeweging ‘FARC’. Omdat de problematiek mij fel interesseert en ik graag wat meer achtergrondinformatie wil omtrent de nieuwe ontwikkelingen, ga ik op zoek naar een hotel met tv op de kamer. Tijdens het laatavondnieuws is er slechts één hoofdpunt: de vermoorde Raul Reyes, de tweede belangrijkste man en tevens woordvoerder van de marxistische rebellenbeweging. Het scherm wordt gevuld met scenes van luchtaanvallen die me doen terugdenken aan de CNN-beelden tijdens de Golfoorlog. Een vuurwerk aan bommenwerpers lichten de nacht op in Tetege, een plaatsje in Ecuador, vlakbij de Colombiaanse grens. Naar verluidt werd zijn schuilplaats gelokaliseerd nadat spionagevliegtuigen satellietcommunicatie hadden opgevangen. Net zoals bij Pablo Escobar, is de technologie Raul Reyes te vlug af geweest en hem fataal geworden. De euforie van het eerste uur wordt door politieke analisten enigszins getemperd. De dood van een kopstuk van de ‘FARC’ kan een zware hypotheek leggen op de onderhandelingen die momenteel aan de gang zijn om gijzelaars vrij te krijgen. Het is daarenboven uiterst twijfelachtig of men via het uitschakelen van één van de frontmannen van de guerrilla een stap dichter komt tot vrede en dialoog. Wordt onvermijdelijk vervolgd...




Welke straat ik ook neem steeds zie ik het klooster San Francisco met zijn bijhorende kerk boven de daken uitsteken. De toren heeft iets weg van een Mohammedaanse minaret en werpt een lome schaduw af op het grote belende plein. Toch is het niet zozeer dit architectonisch staaltje van bouwkunst dat me weet te imponeren. Mijn voorkeur gaat weg naar de Ermita kerk. Al is dit grijswitte kerkgebouw in gotische stijl opgetrokken, toch dateert ze pas van de jaren veertig. De rijk versierde tierlantijnen roepen bij mij een beeld op van een suikertaart. Devoot snoepgoed voor gelovigen... In de buurt zit een man ongestoord zijn krant te lezen. Hij heeft post gevat tussen twee groengeschilderde standbeelden. Het beeld heeft iets weg van een typische vakantiefoto en roept meer dan één gevoel op. De foto van de week is alvast ingeblikt. Op hetzelfde plein zitten onder de schaduwrijke bomenkruinen een handvol mannen achter een oude typmachine, geduldig te wachten tot klanten hen opzoeken om een gewichtig document in zwart geblokte letters neer te tikken. Het zijn de gemoderniseerde monniken van de 21ste eeuw. Net buiten het centrale stadscentrum tref ik een kattenpark aan. Als eerbetoon aan de toonaangevende schilder Hernando Tejada hebben diverse kunstenaars middelgrote standbeelden van katten beschilderd. Een twintig tal zijn er opgesteld langs de rivier (‘el gato del río’) en steken kleurrijk af tegen het vuilbruine water. Vreemd dat er nog nooit iemand in Ieper eraan dacht om een gelijkaardig kattenpark te ontwerpen. Misschien een idee voor de Picanolsite? Als kattenstad zou het ongetwijfeld een nieuwe toeristische blikvanger kunnen worden.
Bij mijn terugkomst in ‘la casa de ciclistas’ krijg ik het gezelschap van twee collega´s: het Duitse koppel Martin en Naidine. Ze hebben net vegetarisch gekookt en dus schuif ik mee aan de feestdis. Ik vind het altijd wel boeiend om andere reizigers te ontmoeten, zeker wereldfietsers. Martin en Naidine zijn al 4,5 jaar op doorreis en hebben nog 1,5 jaar te gaan. Tijdens het gesprek stel ik mezelf de vraag hoever je kunt gaan in de vervreemding van je eigen-ik. Zes jaar lang op ‘den tjool’ laat diepe sporen na op een zwerversziel. Hoe ga je om met al die nieuwe horizonten, die aaneenschakelende ontmoetingen? Ik heb het nu al vaak moeilijk om alle indrukken te kanaliseren en om afscheid te nemen van zovele mensen die m´n pad kruisen. Word je na zekere tijd geen vreemde in het kwadraat? Ik merk nu al hoeveel moeite het me kost om de contacten met de vrienden op het thuisfront te onderhouden. De maandelijkse nieuwsbrief is inmiddels tweemaandelijks geworden en persoonlijke mails schuif ik ongewild steeds vaker op de lange baan. Je vervreemdt van je thuisland. Je verwijdert je steeds verder weg van wat je vertrouwd is en wordt stilaan een zwerver tussen een wereld dat je achter hebt gelaten en een nieuwe wereld waar je -vaak tevergeefs- bij probeert te horen. Je reist tussen twee stoelen in die reeds zijn ingenomen door mensen die honkvast zijn en je drijfveer om te blijven reizen niet altijd snappen. Ik prijs me gelukkig dat het vervreemdingseffect slechts af en toe om de hoek komt loeren en dat ik soms lang genoeg op eenzelfde plek verblijf om deelgenoot te kunnen worden van die andere wereld.
De manier waarop het Duitse koppel reist, lijkt zowat de tegenpool te zijn van hoe ik mijn reis beleef. Ondanks hun lange zwerftocht is landenshopping ook in hun reisschema binnengesijpeld. Mexico is voor mij zowat het eindpunt, maar haal ik het niet dan heb ik al een beginpunt voor een volgende fietsvakantie. Tijdens dergelijke ontmoetingsavonden komen vele onderwerpen aan bod en ontdek je vaak hoe verschillend eenieder reist. De manier van reizen heeft natuurlijk voor een groot stuk te maken met het beschikbare budget, ook bij wereldfietsers. Ik verbaas me er toch over hoe afgemeten vele rondtrekkers leven als het op centen aankomt. Martin en Naidine hebben een gezamenlijk kapitaal van 5000 euro per jaar. Uitgerekend komt dit neer op 6,8 euro per dag per persoon. Een zware fietsdag afsluiten met enkele fris gekoelde pintjes zal er wel niet inzitten. Rondreizen met een strikt minimum aan geld is best wel mogelijk, maar ik vrees dat je onvermijdelijk afbreuk doet aan het plezier van reizen. Ik hoef zeker niet met een goed gespijsde Visa-kaart rond te toeren en evenmin hoef ik terug te vallen op het comfort dat ik ken in België, maar af en toe jezelf eens kunnen verwennen, maakt nu toch eenmaal deel uit van het leven; of je nu thuis blijft of onderweg bent.
Door hun afgemeten budget slapen ze negen op de tien nachten in hun tent. Op zich niks op tegen, maar vreemd genoeg opteren ze hierbij om zoveel mogelijk ongemerkt (lees: wild) te kamperen. Niet zozeer omwille van de onveiligheid, maar omdat ze de lokale bewoners nu eenmaal niet lastig willen vallen. De tent is voor mij net een ideaal middel om een stukje deelgenoot te worden van hun leefwereld. Het werkt drempelverlagend en je geeft de lokale bewoner het gevoel dat je als ‘rijke’ reiziger best ook zonder al die luxe kan leven.
Ook inzake fotografie en dan voornamelijk het fotograferen van mensen houden ze er een vreemde theorie op na. Personen fotograferen, doen ze nagenoeg nooit en als ze het al eens doen dan zeker geen portretfotografie. Ze vinden het genant en niet relatief voor de plek die ze aandoen. Voor mij is mijn camera mijn derde oog. Door het fotograferen van mensen probeer ik een verhaal te scheppen, hen te plaatsen in hun leefwereld of net aan die leefwereld kleur te geven. De blik van de ogen vertelt soms zoveel meer dan een handvol woorden beschrijven kan. Via mijn lens, mijn camera probeer ik achter de coulissen van het leven te kijken. Voor mij is de fotografie de onmisbare aanvulling op het geschreven woord en overstijgt de ingeblikte expressie soms zelfs de vloeibare inkt. Emmanuel Schotte, een amateurfotograaf die weliswaar op professionele wijze het leven weet te digitaliseren, omschrijft fotografie als volgt: "Fotografie is communicatie, een blad vullen met licht en duisternis om iets te vertellen. Soms nietig of groots, soms proza, soms poëzie. Aan jou om het al of niet aandachtig te lezen." Misschien moet het Duitse koppel maar eens zijn website (http://manuscripten.skynetblogs.be) gaan bezoeken om op andere gedachten te komen.





Nu, heel ver in afstand is het deze keer niet. Aan de andere kant van de stad ligt een ‘casa de ciclistas’ (letterlijk: fietshuis). Het is een huis dat zijn deuren wagenwijd openstelt voor reizigers per fiets en waar je kan genieten van zowat het meest elementaire comfort: bed, douche en keuken. Het bed beperkt zich evenwel tot m'n eigen matje op een harde vloer, want een slaapplaats is er niet. Het leven is er eentje van uitersten. Gelukkig kan ik nog een aantal dagen nagenieten van de onverwachte luxe die me te beurt viel in het hotel Stein. Hernan Miller, de zoon van het gezin en initatiefnemer van het project, werkt tot ’s avonds laat in de plaatselijke universiteit en dus word ik opgevangen door zijn ouders. Nu ja, opgevangen... Ze blijken meer vastgekluisterd aan het tv-scherm dan interesse te betonen voor een fietsende zwerver. Ik kan het hen niet kwalijk nemen, want de bevrijding van vier voormalige wetgevers door de rebellenbeweging ‘Farc’ is voor eenieder in Colombia wereldnieuws. Ik zie ontroerende beelden van gijzelaars die na zes jaar gevangenschap in de armen vallen van vrienden en familieleden. Tranen van geluk, verdriet, pijn en ongeloof vermengen zich met de kleuren van de Colombiaanse vlag. Colombia huilt om wat voorbij is en om wat komen zal, om de ex-gijzelaars en gijzelaars, om het zinloze geweld en de hoop naar vrede. Met de vrijlating van de vier gijzelaars zijn we alvast een stukje dichter bij de droom van alle Colombianen: een vredevolle toekomst!


Ik zoek hen op in ‘Hotel Pension Stein’. Dit vrij luxueus hotel is zowat de ontmoetingsplaats bij uitstek waar vooral Europeanen en Amerikanen verblijven tijdens de laatste weken van het adoptieproces. Het weerzien is hartelijk en voor het eerst maak ik kennis met Viktor, hun achtjarig adoptiekind. Tijdens het avondmaal word ik een beetje wegwijs gemaakt in de vrij omslachtige adoptieprocedure. Voor Annie en Gil nam de hele adoptiezaak vier jaar in beslag. Doordat ze er bewust voor gekozen hebben om geen organisatie of instantie onder de arm te nemen om hen van a tot z te begeleiden, heeft het allemaal wat langer geduurd. Al blijkt dit nog mee te vallen. In hetzelfde hotel vertoeft een Frans koppel dat na zes jaar eindelijk hun langverwacht adoptiekind mag komen afhalen. De snelheid van een adoptiezaak wordt voor een groot stuk bepaald door de leeftijd van het kind. Voor adoptiekinderen jonger dan acht jaar bestaan er ellenlange wachtlijsten. Boven de acht jaar is er voor hen nagenoeg geen plaats meer binnen de adoptiemarkt. Het leeftijdsverschil tussen het kind en de moeder mag niet meer dan veertig jaar zijn en niet gehuwde koppels zien hun adoptiemogelijkheden gereduceerd tot vier landen, waaronder ondermeer Colombia. Viktor is geen weeskind, maar werd bij zijn familie weggehaald omdat hij mishandeld werd. Het voorbije jaar heeft hij doorgebracht bij een pleegmoeder en werd hij voorbereid op de definitieve adoptie. Het schijnt Viktor allemaal wel goed te bevallen, al moet het voor een kind als Viktor een zware confrontatie blijven met het verleden dat hij achter zich laat.
Doordat de papiermolen nog niet helemaal is afgewerkt -zo moet ondermeer nog een Belgisch paspoort worden aangemaakt zodat hij legaal België binnen mag komen-, profiteert het nieuwe gezin ervan om wat van het geboorteland van Viktor te ontdekken. Zo vertrekken ze morgen naar het eiland San Andres met zijn maagdelijk mooie zandstranden. Viktor zal er voor het eerst in zijn leven met eigen ogen de zee aanschouwen. Het is nog maar het begin van een totaal nieuwe wereld die voor hem zal opengaan...




Bij m´n vertrek uit Medellín heb ik deze morgen het gezelschap gekregen van Alejandro. Als fervente fietser wil hij wel eens aan de lijve ondervinden hoe het aanvoelt om met een zwaarbepakte fiets op pad te gaan en dus wisselen we elkanders fiets uit. Alejandro heeft moeite om het juiste evenwicht te vinden, terwijl ik me juist onwennig voel door het gebrek aan vele kilo´s ballast. Nu pas merk ik hoe impressionant mijn verschijning is op het wegdek. Vanop een bepaalde afstand heb je echt de indruk dat er een zwaarbeladen moto moeizaam voorbij kruipt. Een indruk die eveneens gedeeld wordt door de vele zondagse wielertoeristen die ons vlotjes voorbijsteken. Alejandro geniet van de aandacht van z´n collega-fietsers. Diverse renners spreken hem nieuwsgierig aan en hij speelt zijn rol perfect. Ik kijk geamuseerd toe hoe een Colombiaanse verdwaalde zwerver zijn landgenoten in de maling weet te nemen. Eenmaal we een 15 km lange klim inzetten om daarna via een lange afdaling ‘La Pintada’ te bereiken, lijkt de belangstelling die Alejandro te beurt valt van ondergeschikt belang. Na twee kilometer heeft hij er al de brui aan en dankbaar neemt hij opnieuw zijn fiets aan. Het leven van een zwerver; het is niet voor iedereen weggelegd.
Rond de middag nemen we afscheid van elkaar. Als aandenken voor de tijd die we samen hebben doorgebracht, heeft hij me een A4-formaat. Tegen de achtergrond van een wereldkaart heeft hij twee zinnen neergepend:
“La vida es como montar en bicicleta, para conservar el balance debes estar en movimiento” (Albert Einstein)
"Het leven is als fietsen: om je evenwicht te kunnen houden, moet je in beweging blijven."
“Las fronteras son los mejores lugares imaginarios para darle muerte a la libertad de algunos hombres, afortunadamente no a todos y mucho menos a quienes tienen el valor de cruzalas a bordo de una bicicleta”
"Grenzen zijn de best denkbare plekjes om een mens van zijn vrijheid te beroven. Jammergenoeg zijn ze in de minderheid degene die de moed en kracht
hebben om deze grenzen per fiets over te steken."
Met het gevoel dat we vrienden voor het leven zullen blijven, fietsen we elk onze eigen weg op: Alejandro opnieuw richting Medellín, ik richting Cali.
De weg verwijdert zich van het gebergte en ik haal moeiteloos een gemiddelde snelheid van 23 km/u. Het voorbijflitsend landschap dringt niet echt tot me door. Mijn gedachten dwalen af naar de mail die ik deze morgen nog net voor mijn vertrek ontdekte. De Ieperling Jean Cornette mailde me om te vertellen dat pater Jan Dormal was ‘overgegaan naar betere oorden’. Jean is verre familie van pater Dormal, de allereerste Belg die ik op mijn zwerftocht opzocht. Pater Jan had veertig jaar lang als missionaries gewerkt in het noorden van Paraguay, in de streek van de Guarani-indianen. Paraguay was meer dan een halve eeuw lang z´n tweede vaderland geworden. Ik herinner me nog de ontmoeting alsof het gisteren was, net als onze haast nachtelijke autorit om een paar dozen met bijbels op te halen. Het beeld dat ongetwijfeld voor eeuwig op mijn netvlies zal gegrift blijven, is het vertrek. Ik zie het nog zo voor mij: pater Jan Dormal die op 82-jarige leeftijd als een speelse kwajongen m´n zwaarbepakte fiets naar boven duwde. Het was ongetwijfeld zijn laatste sportieve prestatie.




Elk weekend komen ze met een ander thema op de proppen en deze keer blijkt dit de koe te zijn: 'La noche de las vacas' (de nacht van de koeien). De toon is meteen goed ingezet, want naast een paar gevlekte lilliputters die de gasten verwelkomen, word ik meegetroond door een goed uit de borsten gewassen Colombiaanse schone die weinig aan de verbeelding overlaat. De gigantische ruimte is volledig omgetoverd tot een gevlekt zwart-wit danspaleis. Ballonnen, tafelkleedjes, clubzetels, emmers en bekers kleuren contrastvol. Alleen de houten vloer neemt je de illusie weg dat je te pas en te onpas in een koeienvlaai zal trappen. Een arena-achtige bar staat centraal opgestelt. Op een steenworp daar vandaan zijn er diverse danspodia aangebracht, al dan niet voorzien van kitscherige fonteinen. Er zijn ook twee opvallende gasten: president Uribe van Colombia en de Venezolaanse president Chavez, beiden gekleed in bokser-outfit. Is dit hier een kopie van de 'roze balletten'? Het is nog vroeg op de avond en de danseressen nippen nog gemoedelijk aan een glaasje goedkope champagne. De kostumering is alvast veel belovend: schaars en gevlekt.
We bestellen aguardiente, de populaire sterke drank die zich uitstekend leent om flink uit de bol te gaan. Nog voor het spektakel begint, draven de dansers, vrouwen en mannen, doorheen de alsmaar drukker wordende danstent. “Que bonita es esta vida...” De heupwiegende muziek van Jorge Celédon dendert over de menigte heen en één voor één bestijgen de dansers het podium. Loeiharde decibels vullen de ruimte, het feest kan beginnen. Wat volgt is een ononderbroken, opzwepende dansshow waar kronkelende lijven in erotische, gevlekte koeienpakken het beste van zichzelf geven. De ontblote billen, borstkassen, gespierde lichamen en huppelende siliconenborsten verstrengelen zich tussen de kleverige menigte. Zweetdruppels parelen als minuscule kristallen in het difuus licht van de gekleurde spots, terwijl rookmachines een sluier van genot uitspuwen.
De adrenaline laait hoog op en wanneer even later enkele danseressen in bikini-outfit langs een metalen smalle koker naar beneden suizen, richting het centrale podium, is het hek helemaal van de dam. Tientallen digitale fototoestellen flitsen af alsof het een gala-avond is van een prestigieuze Miss World verkiezing. Honderden mannen en een tiental slaafse echtgenotes of liefjes verdringen zich voor het hoofdpodium en laven zich met geile blikken aan erotische extase. 'Mango' feest: zoet en gevlekt. Ik vrees dat mijn gepland vertrek voor morgen alweer eens met een dagje zal uitgesteld worden...




Na twee uur mijn beurt afwachten, vernam ik dat het computersysteem niet werkte en daarom de week erop moest terugkeren. Dit betekende evenwel dat mijn vertrek naar mijn volgende bestemming, Cali, nog maar eens op de lange baan werd geschoven. Als alternatief kon ik de klus ook geklaard krijgen op de migratiedienst in Cali. Daar m´n visum evenwel binnen de twee dagen verstreek, moest ik de 450 km tussen Medellín en Cali in twee dagen tijd zien te overbruggen. Toen ik de wat onverschillige dame uitlegde dat ik met de fiets reisde, zette ze grote ogen op. Haar bureaucratisch masker viel af en opeens was ik niet het zoveelste nummer in de rij. Er werd een kop koffie en een landkaart bijgehaald. Ze bleef me maar bestoken met nieuwsgierige vragen. Het ijs was gebroken en een kwartier later stapte ik naar buiten met een geldige verblijfstempel tot de 29ste maart. Sommige vrouwen hebben nu eenmaal een zwak voor verdwaalde zwervers per fiets...
Vandaag beperk ik mijn ontdekkingstocht tot een wandeling langsheen de diverse pleinen die de stad rijk is. Omwille van m´n bewondering voor Botero start ik mijn verkenning in het San Antonio park. De uitgestrekte desolaatheid van het plein wordt gebroken door drie beeldhouwwerken van de kunstenaar. Het meest gekende is 'el Pajero de Paz' (de vredesvogel) die door een aanslag van de guerrilla is uitgegroeid tot het vredessymbool van Medellín. Recht tegenover ligt een pompeuze vrouw. Haar gladde naaktheid schittert in de vroege ochtendzon. De steelse, sensuele blik wordt evenwel overschaduwd door het meest imposante beeld op het plein: een bronzen mannelijk borstbeeld. De proporties van billen, achterwerk en borstkas zijn zo opgezwollen uitgewerkt dat zelfs de grootste cynicus er niet glimlachend omheen kan wandelen. Botero blijft me verrassen...
Minder imponerend is 'la Plaza de la Luz'. Tegenover het mooi gerestaureerd stationsgebouw -waar al jaren geen trein meer binnenrijdt- heeft men een futuristisch park aangelegd. Honderden palen staan er kriskras door elkaar en hebben iets weg van een verzameling rechtopstaande witte viltstiften. Wat een blikvanger vol licht had moeten worden, is uitgedraaid op een flop. Het prijskaartje om het 'lichtpark' te onderhouden en te voorzien van voldoende voltage legde een te zwaar beslag op de jaarlijkse stadsbegroting en sindsdien is het licht in 'la Plaza de la Luz' volledig uitgedoofd. 'El Parque Explora' heeft duidelijk niet te kampen met financiële problemen, want werklieden zijn er druk in de weer om er een nieuwe audiovisuele vleugel aan toe te voegen. Drie knalrode containerachtige blokken op metershoge ijzeren stellingen laten me binnendringen in de wonderlijke wereld van chemie en fysica. De experimenten die je veelal via een manuele druk op een mechanische knop in werking kan stellen, doen me terugdenken aan de lessen wetenschappen uit m´n collegetijd. Zelfs zovele jaren later denk ik er nog met een vleugje heimwee aan terug.
Ik sluit mijn zwerftocht af in loomheid, niet voor niets in 'el Parque de los Deseos' (droompark). Houten moderne teka-zitjes nodigen me uit om er eventjes te verpozen en weg te dromen naar elders. De metalen wereldbol aan het voeteinde van een klaterend beekje dient om de illusie te versterken. Ik leef al meer dan 17 maand in een droom. De steriele, artificiële creaties laat ik dan ook aan me voorbij gaan. Laat mij maar wegmijmeren op de fiets, te midden van de natuur waar de ingrepen van de mens nog gering zijn en je voldoende ruimte hebt om je eigen droomwereld gestalte te geven.
Een heel andere wereld ontdek ik in de namiddag wanneer ik de school bezoek waar Alejandro als opvoeder-turnleraar werkt. Het is een wereld waar doofstomme kinderen zich uitdrukken in een onuitputtelijke non-verbale lichaamstaal. Het is een confronterende namiddag waar de communicatie verloopt via onverstaanbare keelklanken en vingervlugge gebaren. Ik probeer me in te beelden welke obstakels ik zou moeten overwinnen indien ik geboren was met deze afwijking en toch eenzelfde zwerftocht zou willen ondernemen. Hoe vaak heb ik op m´n tocht al niet de weg gevraagd? Het zou een haast onmogelijke opgave worden. We staan er vaak te weinig bij stil hoe personen met een handicap beperkt worden in hun vrijheid. Mensen als Alejandro zorgen ervoor dat hun leefwereld een diepere dimensie krijgt waar innerlijke vriendschap en genegenheid de communicatiepunten vormen. Klankloze gevoelens die voor hen meer dan ooit hun leven kleur geven...




Medellín mag zich dan welliswaar niet de titel van hoofdstad toeeigenen, de inwoners daarentegen gedragen zich er wel naar. Haar inwoners, de Paises, zijn geboren zakenlieden en beschouwen zich zonder enige gêne als de pienterste lieden van ´t hele land. Hun leefwereld is een staalkaart van een ordelijke en moderne stad waar brede boulevards worden afgewisseld door ruime pleinen en waar de bronzen gesculpteerde beelden van Botero de stad de allures geven van een levensgroot schaakspel. Vrouwelijke opgezwollen pionnen kijken me sluiks aan, terwijl ik een weldoordachte strategische positie inneem en een grotesk paard probeer te verschalken. Het speelveld concentreert zich rond het museum Antioquia, waar ruimtes -de grootte van balzalen- volumineus zijn aangekleed met gigantische schilderijen van de kunstenaar. In een belendende zaal hoor ik kamermuziek met een allesoverheersende mandoline. Precies dit muziekinstrument ligt aan de basis van zijn geheel eigen stijl. Toen hij een mandoline aan het schilderen was, tekende hij per ongeluk het gaatje van de klankkast te klein. Door het contrast ontdekte hij de monumentale plasticiteit van het instrument. Zijn kunstvorm was geboren.
Medellín straalt grandeur uit, maar geen gezelligheid. De uit haar voegen barstende stad heeft jaren geleden een onherstelbare fout gemaakt. Om tegemoet te komen aan de woningnood van de alsmaar aanzwellende bevolking werden koloniale, pittoreske buurten gesloopt voor nieuwbouw waarbij helaas meer aandacht werd geschonken aan de doelmatigheid dan wel aan de architectonische schoonheid ervan. Toch vind ik nog enige nostalgie terug op het 'cementerio de San Pedro'. Honderdvijfenzestig jaar geleden werd dit kerkhof aangelegd met de bedoeling om er een soort visitekaartje van te maken. De stad heeft zijn belofte in ere weten te houden en inmiddels is de begraafplaats uitgeroepen tot cultureel erfgoed. Het kerkhof imponeert niet zozeer door z´n uitgestrektheid, dan wel door z´n arenavorm en zijn collectie beeldhouwwerken. Ik wandel onder een witgekalkte zuilengallerij. In de boogvormige muur zijn nissen aangebracht. Sommige verdoezelen de doodse werkelijkheid onder een bloemenpracht of versterken net het hiernamaals met een gebeitelde afbeelding van Christus. Aan de westervleugel van de bijhorende kapel vind ik een monument ter nagedachtenis van de Argentijnse tangozanger Carlos Gardel. Gardel kwam namelijk in juni 1935 om bij een vliegtuigcrash in Medellín. Versteende engelengezichten met een hemelse blik doen je bijna vergeten dat het leven eindig is. Het 'cementerio de San Pedro' is een plaats waar het verleden nimmer sterft.
Wie Medellín aandoet, moet op z´n minst zijn internationale trots bezoeken: 'el jardín botanico'. Niet voor niets draagt Medellín de bijnaam 'stad van eeuwige lente'. Elk jaar vindt er in juni een grote bloemenmarkt plaats waar vooral de orchideeën massa´s bloemenliefhebbers aantrekken. Tot ver in de omtrek worden miljoenen exemplaren van om en bij de 300 orchideeënsoorten gekweekt. Colombia is trouwens de tweede grootste producent van deze prachtige sierplant. De handige zakenlieden hebben er een waar exportprodukt van gemaakt dat de naam van Medellín als wereldorchideeënstad alle eer aandoet. Terwijl ik me vergaap aan de bonte kleuren die als een weelderige bloemenkorso het park opvrolijken, word ik overspoeld door een vleugje van weemoeddronkenheid. Mijn gedachten dwalen af naar m´n kleine zus die met haar geliefde al bijna vijf maand 'on the road' is (www.chantegrue.blogspot.com) . Een wereldreis waarbij je alle indrukken van schoonheid en ontroering kan delen. Het is voor een verdwaalde zwerver niet altijd weggelegd...




Wat mij meteen opvalt is de netheid en de gestructureerdheid waarmee de metro is ingepland in het stadscentrum. Geen overvolle rijtuigen waar je als haringen in een ton tegen elkaar aanplakt, geen gehaaste reizigers die de gestroomlijnde gebouwen uithollen, geen achtergelaten zwerfvuil. Er heerst een gemoedelijke, haast zondagse sfeer. Een gevoel dat wellicht te verklaren valt doordat het gros van de bevolking -2 miljoen- zich per brommer of moto verplaatst. De bestuurders hebben een fluorescerend vestje aan met op de achterzijde in het groot hun nummerplaat gedrukt. Bij valavond en ´s nachts hebben ze iets weg van neonreclame op wielen. Zou dit een overblijfsel zijn uit de jaren tachtig toen Pablo Escobar de Colombiaanse staat in z´n wurggreep van dood en vernieling hield? Jonge huurmoordenaars, zogenaamde ‘sicarios’, vuurden vanop hun moto dodelijke schoten af op politici, rechters en revaliserende drugsbendes. Ze verdwenen moeiteloos en onherkenbaar in het drukke verkeer.
Sinds een jaar of drie heeft de stad er een nieuw paradepaardje bij: ‘el metrocable’. Deze kabellift brengt je tot hoog op de flank van één van de vele heuvelruggen die Medellín omringen. Dankzij het spectaculaire uitzicht is deze gondelbaan uitgegroeid tot een toeristische attractie, ook voor de inwoners van de stad. Samen met Laura, het lief van Alejandro, laat ik me boven de golfplaten daken van de armtierige huisjes voeren tot aan het eindpunt van de kabelbaan. Daar heeft men te midden van de arme buurt een kolossaal gebouw neergezet dat iets wegheeft van drie uitgerokken dobbelstenen. ‘La Biblioteca España’ werd nauwelijks een jaar geleden ingehuldigd en doet dienst als socio-cultureel centrum. Naast een auditorium en een bibliotheek zijn er ook vergaderzaaltjes en speelruimtes in ondergebracht. Het doet wat vreemd aan; dit contemporain gigantisch pand netjes neergeplant naast kleine werkmanshuisjes en vervallen krotwoningen. De aanleg van ‘el metrocable’ en de bouw van het educatief centrum heeft de onveilige buurt evenwel een tweede jeugd geschonken. Ongure kerels hebben andere buitenwijken gekozen om hun onfrisse activiteiten verder te zetten, terwijl het ultramoderne complex een favoriete plek is geworden voor jong en oud. Alle dienstverleningen zoals het ontlenen van boeken en audiovisueel materiaal, toegang tot de virtuele wereld, workshops en lezingen worden volledig gratis aangeboden. Op die manier probeert het stadsbestuur tegemoet te komen aan de vraag om zinvolle vrijetijdsbesteding aan te bieden. Het centrum kadert in een groter geheel en maakt deel uit van een project dat enkele jaren geleden het levenslicht zag. Toen startte men in de armere wijken met de bouw van openbare centra. Ze moeten er in de eerste plaats voor zorgen dat de jeugd niet hele dagen doelloos op straat rondhangt. Het is een schoolvoorbeeld waar de Franse regering o.l.v. van de president Sarkozy nog iets van zou kunnen opsteken...
Eenmaal terug in het centrum vind ik de gebruikelijke chaos terug die je zowat overal in Latijns-Amerika aantreft. Straatventers met prullaria of zoetigheden kleuren het stadsbeeld, terwijl lijmsnuivende bedelaars er verdwaasd bijlopen. De lucht ruikt naar vers gebak en druipende, vettige empanadas. Ik hou wel van die bonte mengeling van tafereeltjes. Eenieder voert zijn eigen toneeltje op. Een hoofdfiguur is er niet. Het zijn stuk voor stuk figuranten die improviserend de dag doorkomen. Er is geen scenario, geen bühne, geen souffleur, geen publiek en geen regisseur. Applaus of adoratie maakt geen deel uit van hun bestaan. Ze leven en overleven, elk op hun manier. Het leven zoals het is... in hartje Medellín.




Mede dankzij de gastvrijheid van de twee jonge gasten in Medellín krijg ik ruimschoots de kans om een glimp van het echte leven op te vangen. Al staan de Paisas -de bewoners van Antioquia- bekend als harde werkers, tijdens hun vrije tijd is `disfrutar’ (genieten) hun levensvreugde. Een gegeerd partje van hun dagelijks bestaan dat ze op diverse manieren invullen. Zo hebben ze hier een geheel eigen dans- en muziekcultuur ontwikkeld dat vrij regiogebonden is en die onmiskenbare invloeden vertoont van Europese melodieën, indiaanse instrumenten en Afrikaanse ritmiek. Guido Belcanto zou hier met z’n levensliederen een wereldster zijn, want de romantische, slepende ballades van ondermeer José Luis Rodríguez en Ricardo Arjona verstrengelen elk weekend opnieuw vele Colombianen tot één lichaam, een tegel groot. Ook de dansbare ritmes van de vallenato-muziek van Jorge Celedón rollen onophoudelijk uit de boxen van de diverse danstenten. In het gezelschap van mijn Colombiaanse vrienden dansen we meermaals de nacht in en geraken we niet uitgekeken op de mooie, sensuele vrouwen. Het schoonheidsideaal neemt hier evenwel extreme vormen aan. Plastische chirurgie die wordt toegepast om het lichaam te perfectioneren, is hier de gewoonste zaak van de wereld. Medellín en Calli staan er wereldwijd voor bekend. De meisjes hebben hier wel aanleg om mollig te worden. Velen balanceren dan ook op de rijpe schoonheid van een openbloeiende bloem. De Colombianen hebben er zelfs een mooie uitdrukking voor: `a punto de caramelo´, het exacte moment dat gesmolten en gebruinde suiker overgaat in caramel. Je zou voor minder langer blijven plakken in deze steden...
Zondag is bij uitstek familiedag, zeker in Colombia en dus nemen Jairo en Alejandro me mee naar de flanken van één van de heuvels die Medellín omringen. Daar heeft een familielid van Laura, het lief van Alejandro, recentelijk een finca gekocht. Het buitenverblijf doet dienst als familiehuis, want elk weekend opnieuw komt de familie in grote getale hier samen om te genieten van de rust en een niet te versmaden bord `bandeja paisa´, de specialiteit van de provincie Antioquia. Het gerecht bestaat uit rijst, bruine bonen (frijoles), ei, advocaat, platanos (gefrituurde banaan), chorizo en zwoert. Voor de maaltijd wordt er getoost op een goeie gezondheid. De populaire sterke drank aguardiente gaat dan ook vlotjes van keel tot keel. Er wordt gegeten, gedronken, gekeuveld en gespeeld. Eén van de typische volkssporten is de `tejo´. Hierbij worden stenen of metalen gewichten over een afstand van zo´n tien meter geworpen naar een houten bak gevuld met klei. In het midden (de roos) ligt een stukje vuurwerk. Bij elke goede worp klinkt een luide knal. Ik begin er wel van te genieten van dit Colombiaanse leven, met een tejo in de ene hand en een biertje in de andere...
Ook op atletisch niveau leven de Colombianen zich ten volle uit. Colombia is een sportnatie die precies door zijn olympisch niveau de aandacht van de miserie en het geweld in zijn land wil afleiden en aldus een positief beeld wil ophangen. Zo zijn de Colombiaanse wielrenners in Europa bekend vanwege hun uithoudingsvermogen in de bergetappes. Het is dan ook zowat de meest geliefde sport bij vele Colombianen. Ook zwemmen zit hen in het bloed en bij Jairo is dat niet anders. Hij neemt me dan ook mee naar het olympisch openluchtzwembad waar ik meteen word ondergedompeld in een zwemsessie op professioneel niveau. Afwisselend passen we diverse zwemstijlen toe en word ik ingewijd in de geheimen om topprestaties te leveren. Na 1000 meter ben ik evenwel doorheen mijn laatste krachten en kom ik niet verder dan baksteenslag. Gelukkig ben ik meer vertrouwd met het fietsen...




Zo wordt het plein voor het museo de Antuioquia opgesmukt door levensgrote bronzen sculpturen van de kunstenaar. Het openluchtmuseum te midden van de woelige stad voelt wat vreemd aan of is het gevoel te wijten aan de geheimzinnige taal die Botero hanteert in zijn kunstwerken. Zijn stijl is volumineus, opgezwollen en grotesk en geeft het Botero-plein een aparte aanblik. De gids van het museum weet me te vertellen dat Botero via het opblazen van voorwerpen en lichaamsdelen uiting wil geven aan een zekere sensualiteit. Zijn kunstzinnige taal paste hij voor het eerst toe in Mexico in 1957. Daar schilderde hij het stilleven van een mandoline waarbij hij het voorwerp abnormaal groot opblies. Zijn geheel eigen stijl -het volupteus uitvergroten van personen en zaken- was een feit. Het heeft hem de status van één van de bekendste kunstenaars van Latijns Amerika opgeleverd. Van de gids verneem ik nog dat op 10 juni 1995 één van zijn kunstwerken letterlijk werd opgeblazen. Het was geen mediastunt, maar het werk van enkele guerrillaleden die één van zijn bronzen beelden, genaamd ‘vogel’, liet ontploffen. Later op de dag sta ik in het park 'San Antonio´ oog in oog met het halfverminkte kunstwerk. Als herinnering aan de gewelddadige aanslag en ter nagedachtenis van de slachtoffers heeft men het gehavende beeld laten staan. Botero schonk later een nieuwe versie aan zijn geboortestad. Het beeld 'el Pájaro de Paz' (de vredesvogel) is zowat het vredesteken van Medellín geworden. De kunstenaar zelf is al jaren geleden ontvlucht uit zijn geliefde Colombia en woont en werkt momenteel in het Italiaanse Toscane.
De status die Pablo Escobar zich daarentegen wist aan te meten, had weinig met kunst te maken, maar met gewetensloze criminele praktijken. De aanbidding voor deze gewezen drugsbaron leeft vooral voort in de geest van armere Paisas -inwoners van Antioquia- en straatventers die leuren met zijn recentste biografie. Naar aanleiding van zijn vijftiende sterfdatum (2 december 1993) is er net een nieuwe film uit over ‘de Robin Hood van Medellín’: "Pablo Escobar - Angel o Demonio? (Pablo Escobar: heilige of duivel?)”. De documentaire eindigt met archiefbeelden van zijn plechtige uitvaart. De grote volkstoeloop en de grandeur waarmee men afscheid neemt van Pablo Escobar heeft iets weg van een staatsbegrafenis. Dezelfde verheerlijking voor deze Hollywood-achtige figuur vind ik voor een stukje terug op de plaats waar hij begraven ligt. Zo merk ik dat zijn laatste rustplaats in ‘los Jardines de Montesacro’ op een bevoorrechte plek ligt, net iets hoger gelegen dan de omringende grafzerken. Het is bovendien het enige graf dat niet met een simpel kruisje staat aangegeven. Naast zijn graftombe ligt een beduimeld schriftje waar aanbidders een lofzang kunnen neerpennen voor hun held. Een internationaal rouwregister ter nagedachtenis van de flamboyante, maar meest meedogenloze crimineel aller tijden. Het moet kunnen... Verwelkte bloemen leunen treurig op de marmeren plaat waarop zijn naam gegraveerd staat: ‘Pablo Emilio Escobar Gaviria’. Doodse bloemen voor een mythische figuur die wellicht voor eeuwig verbonden zal blijven met Medellín...




Het fietsen vlot meer dan behoorlijk en rond twee uur in de namiddag vat ik de lange afdaling aan. Medellín ligt net als de Boliviaanse hoofdstad ‘La Paz’ in een natuurlijke vallei en wordt omringd door grillige bergen. Alleen het hoogte- en temperatuurverschil zorgen ervoor dat de Colombiaanse stad aangenamer is om er te vertoeven. Op een goeie 10 km van het centrum rijd ik lek, wat het totaal aantal lekke banden van mijn zwerftocht op 13 brengt. Bij nader toezien is een gebroken spaak de directe oorzaak van het probleem. Gelukkig heeft Luc Ostyn, de vélomaker uit het verre Boezinge waar ik de kans kreeg om het vakmanschap onder de knie te krijgen, me ook deze technische ingreep aangeleerd. Ik moet eerlijk toegeven dat de deskundige hulp van Luc mij al vaak van pas is gekomen. Zonder zijn geduld en vakkennis was ik wellicht nooit verder geraakt dan de vaart in Boezinge, al zou het wel eens kunnen gebeuren dat ik ditmaal niet verder geraak dan Medellín. Enige tijd geleden stelde ik immers enkele scheuren vast in de achterste velg. De fiets heeft het de voorbije maanden -mede door de zware bepakking- zwaar te verduren had. Om ergere problemen te voorkomen, heb ik daarom terug beroep gedaan op de fietsfirma ‘Koga Miyata’ uit Nederland. Mijn e-mail werd positief beantwoord en een tweetal weken geleden kwam een gloednieuwe gespaakte velg toe aan het opgegeven adres in België. Daar een vriend van mij binnen enkele dagen naar het Colombiaanse Cali afreist i.v.m. een adoptiezaak, zal ik het reserveonderdeel daar kunnen ophalen. Laat ons hopen dat ik de resterende 450 km doorheen het gebergte naar Cali nog zonder kleerscheuren kan afleggen.
Na een klein uurtje is het euvel hersteld en fiets ik het centrum tegemoet. Nauwelijks terug op de trappers krijg ik het gezelschap van een jonge man per moto. Hij stelt me honderd en één vragen en nodigt me na vijf minuten uit om bij hem te logeren. Onvoorstelbaar! De gastvrijheid in Colombia is grenzeloos. Een gelijkaardige situatie is in België zelfs niet eens denkbaar. Colombia prijkt nu reeds in de top drie van meest gastvrije landen. De jongeman laveert me moeiteloos doorheen het drukke stadscentrum en escorteert me als een behendig ‘zwaantje’ tot aan z´n woonst. Zijn twee verdiepingen tellend appartement ligt in de rijke Poblado-buurt, op de flanken van de heuvelrug. Terwijl ik al puffend en zwetend de laatste kilometers afhaspel, belt hij met z´n gsm zowat zijn hele vriendenkring bijeen. Het ziet ernaar uit dat de jongeman een mini-feestje organiseert voor de onverwachte gast. Eenmaal op het appartement krijg ik een eigen kamer met privé-badkamer toegewezen. De jongeman blijkt Jairo te heten en werkt als vertegenwoordiger van autoonderdelen. Hij deelt het ruime appartement met een jeugdvriend, Alejandro, die z´n kost verdient als turnleraar in een instituut voor doofstomme kinderen en jongeren met een mentale handicap. Terwijl de nacht stilaan z´n intrede doet, maak ik kennis met enkele van hun vrienden. Het ziet ernaar uit dat ik hier nog een tijdje zal blijven hangen...




Een kleine 15 km voor ik Guatapé bereik, bemerk ik in de verte een kolossale rotsblok die plompverloren het landschap doorklieft. De granieten monoliet blijkt een goeie 200 meter hoog te zijn en is dé toeristische attraktie van het dorpje Peñol. Aan de voet van ‘la piedra de Peñol’ ontmoet ik vijf jonge gasten uit Medellín. Met z´n allen beklimmen we via een gemetselde wenteltrap de 649 treden die ons toegang verschaffen tot een uitkijkpost. Het vergezicht is verbluffend mooi. Onder ons en zover het oog reiken kan, ligt een merengebied met minuscule eilandjes; een patchwork van water en vasteland. Ik tuur naar die onmetelijke vlakte al was het een groots hinkelspel. De met krijt uitgetekende lijnen zijn wegen, de nummers huizenblokken. Wat buiten het speelveld ligt, valt in het water; letterlijk. Een gezelschapsspel dat zelfs voor volwassenen een maatje te groot uitvalt...
Eenmaal terug met beide voeten op vaste bodem, neem ik afscheid van de Colombianen en zet ik koers naar Guatapé. Het dorpje wordt ook hier omgeven door een groots meer en straalt een diepgevende rust uit. De late middagzon schittert als een juweel in het wateroppervlak. Op de ‘Malecon’ slentert een jong verliefd stel, terwijl op een houten bankje wat verderop een bejaard koppel afwezig voor zich uit staart. Twee leefwerelden, twee levensfases, elk op hun manier verstrengeld door de liefde. De jonge tortelduifjes wegdromend naar de verre toekomst; het gepensioneerd echtpaar terugblikkend op wat voorbij is. Heden, toekomst en verleden weerspiegelen zich als een stilleven, als een schilderij in wording. Niets laat vermoeden dat hier zeven jaar geleden een bloedbad werd aangericht door paramilitairen. Dertien dorpelingen werden één voor één uit hun huizen gesleurd en met een hoofdschot koelbloedig afgemaakt. De moordenaars werden evenwel nooit gevonden.
Het is vier uur in de namiddag, ruim voldoende tijd om voor het invallen van de duisternis het dorpje te verkennen. Ik laat mijn fiets en bagage achter in een klein hotelletje en ga op verkenning. Naarmate ik het centrum nader, doemen de eerste huizen met hun typische muurschilderingen op. De voorgevel van de vele rijhuisjes zijn voorzien van kleurrijke ornamenten die niet hoger reiken dan de vensterbanken. De versieringen worden hier ‘zócalos’ genoemd en geven de vele straatjes een speelse indruk. Een bonte stoet aan kleurtinten trekt aan me voorbij. De inwoners bepalen zelf welke kleurencombinaties en motieven ze willen aanbrengen en dat zorgt voor een verrassend kleurspektakel met geheel eigen accenten. Sommigen haalden hun inspiratie uit het verderop gelegen 'piedra de Peñol'. Anderen namen dan weer het merengebied als uithangspunt om hun fantasie de vrije loop te laten. De zeilbootjes dobberen doorheen een labyrint aan steegjes en vormen met de vele geometrische figuren die de gevels opfleuren een gestroomlijnd geheel. Hier en daar zijn ook de ramen en deuren geschilderd in het thema van de ‘zócalos’. Guatapé kleurt en kabbelt op het ritme van de nieuwsgierige passant en heeft op een uiterst originele manier een plaatsje weten te bemachtigen op de route van een verdwaalde zwerver...




De half gebleekte maan omlijnt de contouren van een sportvliegtuigje dat als een soort mascotte bovenop een cementen toegangspoort prijkt. De achterliggende dreef leidt niet naar het heiligdom van één of andere fanatieke piloot, maar naar het landgoed van de gewezen ongekroonde drugsbaron, Pablo Escobar. Het sportvliegtuigje werd eind de jaren zeventig als primeur gebruikt voor de zogenaamde cocaïne-express. Terwijl koeriers nog op de traditionele manier -via commerciële lijnvluchten- drugs smokkelden, vloog het privé-vliegtuigje van Escobar in één keer 250 kilo van het witte poeder over naar Amerika. Het gevleugelde gouden ei staat als een sfinx van verweerd staal te verkommeren. De tand des tijds is genadeloos, ook voor de man die zich onverslagen achtte en zich jaren lang liet omringen door moordenaars en mythen.
Een half uur later kleurt de horizon paarsblauw. De zon spreidt z´n tentakels uit en verdrijft moeiteloos de kilte van de morgen. Het landschap schuift langzaam aan me voorbij en intuïtief voel ik aan dat het een zware fietsdag zal worden. De vrijheid van het reizen per fiets heeft slechts één schaduwzijde: de fysieke inspanning. Maar ook deze donkere zweem wordt vaak ingekleurd door adembenemende, panoramische vergezichten en onverwachte, toevallige gebeurtenissen of ontmoetingen. ‘Historias minimas’, kleine verhaaltjes, die als een ader door m'n lichaam stromen en die mijn leven elke dag opnieuw meer kleur geven. Het is mijn persoonlijk kunstwerk dat met geen enkel penseel te beschilderen valt. Al fietsend krijgen de kleurvlakken een vaste vorm, elk gebonden aan tijd en plaats, en m'n eigen perceptie. "Kan je nog genieten van de schoonheid om je heen als je al zolang 'on the road' bent, zoveel dagdagelijkse indrukken krijgt te verwerken?" Het is een vraag die me aan de overkant van de grote oceaan wel eens wordt gesteld. Ook exact zeventien maand na m´n vertrek is het antwoord nog steeds positief. Toegegeven, de vele impressies stapelen zich soms als een kleurrijke blokkendoos in een ijl tempo op, maar het is precies het reisschema dat ervoor zorgt dat je de pasteltinten nog kan onderscheiden, het lijnenspel kan ontcijferen en de ware betekenis kan aanvoelen. Dwalen doorheen een schaakspel waarvan je zelf mag bepalen in welke richting je de pionnen zet. Het is een ongeremde luxe die je alleen per fiets kan ontdekken, elke dag opnieuw...
Het mijmerend gevoel heeft wel geen impact op de stijgingsgraad van het wegdek dat zich ongestoord via opeenvolgende haarspeldbochten de hoogte inslingert. Maar ook daar moet je de positieve kant van bekijken. Elke nieuwe bocht verschaft je een andere invalshoek op de natuur om je heen. De horizon ontvouwt zich bij elke wielomtrek, nu eens vertederend mooi, dan weer eens grillig en onaantastbaar. Rond zes uur ´s avonds en 110 km verder begint mijn blikveld zich meer en meer in een ondoordringbare duisternis te hullen. Ik heb ei zo na de hele dag de ene helling na de andere beklommen en nog steeds is het einde niet in zicht. Ook een hotel valt hier nergens te bespeuren en dus zoek ik noodgedwongen een kampeerplekje. De smalle grasberm naast de drukke verkeersbaan is niet meteen een geschikte overnachtingsplaats, maar ook de geringe camouflage (lees: veiligheid) zorgt ervoor dat ik mijn toevlucht zoek bij een lokale campesino. De eigenaar van de riante finca is opvallend weinig spraakzaam, maar wijst me toch een plekje aan waar ik, onttrokken van het alziend oog, m´n nederig stulpje kan opzetten. Even later sluit mijn gastheer onverschillig zijn leefwereld af. Je zou haast denken dat hij elke dag een verdwaalde zwerver over de vloer krijgt. Terwijl in de verte enkele onrustige honden blaffend een nakend onweer aankondigen, zoek ik de veilige warmte op van mijn slaapzak, wegdromend van het kleurenpalet dat nog elke dag verrijkt wordt met nieuwe tinten...




Toen ik reeds lang nadat de duisternis was ingevallen in een wegrestaurant informeerde naar de nog te overbruggen afstand, leek mijn opzet een onhaalbare kaart. De goed uit de kluiten gewassen waardin stak haar sympathie voor de gestrande zwerver niet echt onder stoelen of banken. Of had haar aanbod om mijn tent op te zetten onder het met golfplaten overdekte terras meer iets te maken met haar bezorgdheid? Ze toverde in een mum van tijd voor haar laatste klant nog een warme maaltijd tevoorschijn en wenste me een goeie nachtrust toe. Misschien had ze stiekem gehoopt dat haar culinaire kookkunsten me een natte droom gingen bezorgen, maar de wolkbreuk in het holst van de nacht bracht me evenwel meermaals uit een diepe slaap. Gelukkig zorgde de nachtelijke beschutting ervoor dat mijn tent niet wegspoelde.
Ook deze morgen klettert de regen nog in alle hevigheid uit de grauwbedekte hemel. De waardin ligt er in ieder geval niet wakker van en ziet haar kans schoon om mij een stevig ontbijt voor te schotelen. Terwijl ik me tegoed doe aan de proteïnerijke dis, vertelt ze me in flarden haar levensverhaal: armoedige jeugd, jong getrouwd, zwanger, gescheiden. Ben ik voor haar de ideale prins op het witte paard of een toevallige passant met een luisterend oor? Maar een zwerver blijft nu eenmaal een zwerver en dus neem ik zodra de regenbuien in hevigheid afnemen afscheid van de jonge dame. Een laatste groet, een laatste zwaai. Tot ooit?
Het fietsen is vandaag een feest, want de weg kronkelt zich langsheen uitgestrekte weilanden op een aanvaardbare hoogte. De hemel klaart op en tegen de middag geniet ik van een stralende zon. Rond vijf uur bereik ik het dorpje Doradal. Hier liggen de enorme landgoederen van Pablo Escobar, de beruchtste Colombiaanse drugbaron aller tijden en één van de rijkste mensen ter wereld. Zijn riant optrekje met zwembad, de zogenaamde ‘Haciendad Napoles’ ligt er vervallen bij, maar was ooit een aards paradijs van maar liefst 5000 hectare groot. Net ruim genoeg voor een helicopterlandingsplaats, een ziekenhuis en een dierentuin met olifanten, zebra´s en levensgrote dinosaurussen-replica´s. Ik wandel door dit vervallen openluchtmuseum en probeer me een voorstelling te maken van de levensstijl van deze puisantrijke crimineel. Voor velen was hij een soort Robin Hood, voor anderen een gewetenloos monster. Helden uit de geschiedenis, ze blijven ook na hun dood voor de nodige controverse zorgen...




Ik moet eerlijk bekennen dat ik wel hou van die nimmer slapende stad waar het dag en nacht gonst van de bedrijvigheid, waar straatventers post vatten aan de ontelbare verkeerslichten en leuren met alles wat nauwelijks een paar Colombiaanse pesos kost, waar mollige vrouwen je dorst lessen met versgeperste vruchtensapjes, waar je op elke hoek van de straat minuten belwaarde kan kopen, waar gigantische winkelcomplexen je een Europees gevoel geven en waar futuristische gebouwen om aandacht schreeuwen. Het is een chaotische stad waar je van houdt of juist niet. Om me wat verder te verdiepen in de Colombiaanse gescheidenis bezocht ik tevens het ‘nationaal museum’. Dit drie verdiepingen tellend gebouw was tot in 1946 zowat de grootste gevangenis van de stad. De cellen zijn inmiddels getransformeerd in tentoonstellingsruimtes waar allerlei historische objecten je in vogelvlucht een blik laten werpen op heden en verleden. Naast heldhaftige figuren die het pad hebben geëffend voor het hedendaagse Colombia, is er ook een uitgebreide collectie schilderwerken te zien van ondermeer Wiederman, Obregón en -hoe kan het ook anders?- Botero.
Onder de schaduw van ‘el cerro de Monseratte’ trof ik dan weer een andere toeristische attractie aan: ‘La Quinta de Bolívar’. Terwijl in Europa Bolívar haast een illustere onbekende is, verzuipt z´n figuur hier in steriele iconografie. President Chavez van Venezuela beschouwt zijn politiek programma zelfs als ‘een Boliviariaanse revolutie’. Elke steen die ook maar een vleugje van deze bevrijder van Zuid-Amerika oproept, wordt hier gekoesterd als een stukje relikwie, zo ook de villa van Simon Bolívar. In een tijdspanne van tien jaar verbleef hij hier slechts 423 dagen, maar dat neemt niet weg dat de residentiële woonst tot nationaal monument werd verklaard en is omgebouwd tot een museum. De grandeur zweeft er als een stukje nostalgie doorheen de diverse vertrekken die redelijk sober zijn ingericht met 18de eeuws meubilair. In de tuin staat zijn borstbeeld opgesteld tussen de vlaggen van zijn Gran Colombia. Ook al heeft hij gefaald in z´n droom om van Latijns-Amerika een eengemaakt en welvarend land te maken, zijn romantisch voluntarisme, moed en zelfopoffering hebben hem voor eeuwig een vaste plek bezorgd in het straatbeeld en het leven van de Colombiaanse maatschappij.
Tussen mijn verkenningstochten door had ik ook nog een afspraak met een landgenoot, Alexander Therry. Deze jonge kerel is de zoon van Michiel Therry, ooit lang geleden één van m´n leerkrachten Frans tijdens mijn humaniorastudies. Alexander kwam een aantal jaar geleden in contact met Colombia via AFS die jongeren de kans biedt om na hun middelbare scholing een jaar in het buitenland te studeren. Hij kwam terecht in ‘la zona cafetea’, meerbepaald in Pereira en werd verliefd op het land. Een jaar later keerde hij terug naar België om er vertaler-tolk (Frans-Spaans) te studeren. Heimelijk had hij steeds gehoopt ooit terug te keren naar -wat hij zelf noemt- zijn tweede vaderland. Tien maand geleden ging zijn wens in vervulling toen hij, deels op vrijwillige basis, een werkcontract van een jaar kreeg aangeboden bij ‘the Peace Brigades International’ (PBI). Deze NGO opereert als waarnemer in vier zones van Colombia, begeleidt mensen en organisaties die bedreigd worden, verspreidt informatie over de conflictsituatie, werkt samen met burgerlijke en militaire autoriteiten en ondersteunt internationale hulp. Ze interveniëren niet rechtstreeks met de guerrilla of de parmilitairen, maar des te meer met het Colombiaanse leger. Zo stellen ze ondermeer rapporten samen die moeten aantonen dat ook de ‘Colombian Security Forces’ -het leger dus- schendingen tegen de mensenrechten begaat. Zo zou het leger vaak onschuldige campesinos vermoorden die vervolgens getooid worden in guerrilla-outfit. Hiermee willen de militairen vooral aantonen dat ze wel degelijk successen boeken in het lang aanslepend burgerconflict. Ook de wijze waarop het leger regelmatig hele cocaplantages vernietigt, is nogal betwistbaar. Vliegtuigen lozen in grote hoeveelheden giftige chemische stoffen die ook dikwijls de gewone gewassen aantasten, met alle desastreuze gevolgen vandien. Alexander ziet de toekomst van Colombia niet echt rooskleurig in. De complexe situatie zorgt ervoor dat de vrede allesbehalve binnen handbereik ligt. De kern van het probleem is niet zozeer de drugstrafiek, maar veeleer de schrijnende armoede. Zolang men geen oplossing vindt om de gigantische kloof tussen rijk en zeer arm te dichten, zullen de rebellen blijven strijden met alle middelen die ze voor handen hebben. Tijdens het boeiend gesprek had ik meermaals het gevoel dat Alexander zich meer dan ooit bewust was van de haast ongelijke strijd die hij en zijn team voert. Alexander als kleine David die het opneemt tegen de reus Goliath. Laat ons hopen dat de welgemikte steen ooit een doorbraak naar eeuwige vrede kan forseren...
Mijn verblijf in de hoofdstad was eveneens ruim voldoende om ook een stukje van het uitbundige nachtleven mee te pikken. In de uitgaansbuurten vind je zowat allerlei vormen van vertier. Bars, danstenten en casino´s verzwelgen onder een kleurrijke hemel van neonreclame en lichtflitsen. In de volkscafés wordt er populaire zuiderse muziek gedraaid en is de tv een vast onderdeel van het weinig smaakvolle interieur. Trendy bars stralen dan weer klasse uit en hebben soms iets weg van een cinemacomplex. Gestroomlijnde videoclips kleuren de immense beeldschermen die driedimensioneel en strategisch zijn opgesteld. Sommige pubs draaien enkel oubollige muziek uit ‘de tijd van toen’. De bijhorende videoclips zijn zo slecht gemaakt dat ze uiteindelijk zorgen voor hilarisch vermaak. Het is gek, maar vele jonge Colombianen zijn er weg van. Muziek uit de prille kindertijd in stijlvol ingerichte bars, het blijkt een geslaagde combinatie te zijn. Wie liever thuis een feestje bouwt, kan beroep doen op de ‘Mariachis’. Deze straatzangers komen elke avond samen ter hoogte van calle 53 en carratera 14. Het zijn hedendaagse troubadours die tegen vergoeding een recital ten beste geven. Het fenomeen is overgewaaid uit Mexico en heeft zich verspreid over heel Colombia. Acappella, instrumentaal of een combinatie van beide muziekstijlen... u vraagt, zij spelen. In Colombia en in het bijzonder in Bogotá danst eenieder op z´n eigen ritme en op de tonen van z´n meest geliefde muziek. Benieuwd welke muziekvorm ik in Medellín, mijn volgende bestemming, zal aantreffen...




Wanneer ik me rond elf uur naar het centrum begeef, kleuren de knalrode TransMilenium-bussen sneeuwwit. Las camisetas blancas (withemden) zijn het symbool van de protestmars, terwijl op de achterzijde enkele duidelijke slogans staan zoals: ‘No mas secuestros!’ ‘No mas mentiras!’ ‘No mas muertes!’ ‘No mas FARC!’ De startplaats van de betoging is ‘la calle septima’ in het centrum van de hoofdstad. Een uur voor de protestmars zich in gang zet, is er al geen doorkomen aan. Samen met Shekán beslis ik dan maar om af te zakken naar het eindpunt van de betoging, ‘La Plaza Simon Bolivár’. Ook daar krioelt het van demonstranten en het kost ons dan ook heel wat moeite om nog een plaatsje te veroveren voor het centrale podium. Van alle kanten scanderen mensen leuzes tegen ‘de FARC’. Tricolore vlaggen wapperen boven de mensenmassa, terwijl spandoeken met zwarte blokletters duidelijke boodschappen meedragen. ‘Colombia sin FARC’ (Colombia zonder FARC). De slogan weergalmt tot ver buiten de stadskern. Ook Chavez, de president van Venezuela, is kop van jut. Zijn uitspraak om de rebellenbeweging te schrappen van de lijst van terroristische bewegingen, is voor vele Colombianen een doorn in het oog.
Ik zie een man van middelbare leeftijd die symbolisch enkele kettingen met zware schakels en sloten rond zijn nek draagt. Een tienermeisje belicht de smeekbede om vrede op een iets vrolijker manier. Op haar wangen heeft ze de Colombiaanse vlag en een driekleurig hartje geschilderd. Op haar voorhoofd prijkt het woordje ‘PAZ’ (vrede). Er worden toespraken gehouden die worden afgewisseld met scanderende slogans. Het geheel heeft soms iets weg van een politieke meeting. Wanneer het volkslied over het grote Bolivárplein schalt, steken duizenden verstrengelde handpalmen in de lucht. Eendracht maakt macht… ook in het door de burgeroorlog verscheurde Colombiaanse land. Er vloeit een golf van solidariteit doorheen de menigte die zelfs mij niet onberoerd laat. Op een videowall worden beelden getoond van sympatiserende anti-terreurmarsen in andere werelddelen. De aardbol balt zijn vuisten voor een wereld zonder geweld, zonder onrecht, zonder oorlog. Inwendig druk ik de wens uit dat de rebellen het werelwijde ‘neen’ als een ultieme vraag om eeuwige vrede interpreteren. Rond half twee wordt de betoging afgesloten door een dreumes van negen jaar die nog een protestlied ten beste geeft. Zelfs na het officiële gedeelte blijven manifestanten toestromen. De straten en pleinen van Bogotá zijn herschapen tot een mensenzee van witte T-Shirts. Tussen de wriemelende massa zie ik een man meestappen met in z´n handen een foto van een jongeman. Het blijkt zijn zoon te zijn die zes jaar geleden vermoord werd door de guerrilla. “Ik wil alleen dat gerechtigheid geschied en dat de daders hun straf niet ontlopen!” Achter zijn woorden schuilt diep menselijk verdriet.
Colombia demonstreert en rouwt, eenieder op zijn manier. Zo ontdek ik tijdens het laatavondnieuws op tv dat de familieleden van de gijzelaars niet hebben deelgenomen aan de grote mars. Ze hebben een kerkdienst opgedragen in het centrum van de stad. In een verklaring vertelt een familielid waarom ze zich hebben gedistantieerd van de betoging. “We willen geen politiek standpunt innemen. Onze enige vraag is: ‘Laat hen vrij!’ Ik zie openluchtfoto´s van dichtgeslibte straten en pleinen vol protesterende mensen. Naar schatting kwamen er alleen al in Colombia twee miljoen mensen op straat. Wereldwijd namen 160 steden uit 130 landen deel aan de protestmars voor duurzame vrede; alles samen goed voor 10 miljoen betogers. Vandaag, 4 februari 2008, werd er geschiedenis geschreven en mocht ik vanop de zijlijn toekijken vanuit het epicentrum. Een zoveelste onvergetelijke dag uit het dagboek van een verdwaalde zwerver…




Het gigantisch plein lijkt wel een voetbalveld groot en is rondomrond omgeven door schitterende gebouwen in Spaanse, koloniale stijl die één voor één een sfeer oproepen van een ver vervlogen tijd. In gedachten verzonken, nemen de glimmende Chevrolet Troopers de vorm aan van handgemaakte houten koetsen. Te midden van het plein verdringen paarden zich rond de fontein om hun dorst te lessen, terwijl de waard van de herberg op de hoek z´n eerste klanten bedient. Een toeterende, gehaaste vrachtwagen op weg naar de markt brengt me terug naar de realiteit. De dag is inmiddels helemaal opengebroken en aan de horizon priemen reeds de eerste zonnestralen. Op het marktplein heerst er al een gezellige drukte: schoenenverkopers stellen hun laatste nieuwe aanwinsten uit, groentenventers prijzen op hun gekende stijl hun waren aan en eettentjes worden al druk bezocht door hongerige magen. Villa de Leyva is klaarwakker en zal ook vandaag zijn authentieke schoonheid ontvouwen.
Ik had er graag wat langer rondgestruind, maar de lange terugweg naar Bogotá wenkt me. Als ik maandag mee wil opstappen in de protestmars tegen de rebellenbeweging, de FARC, dan is het de hoogste tijd om op te vertrekken. Het koloniale stadje ligt in een dal, omgeven door hoge groenbeboste bergen en dus kost het me haast een halve dag om het veertig kilometer verderop gelegen Tunja te bereiken. Zelfs met het achterlaten van een deel van mijn bagage in Bogotá, blijft het klimwerk een zware klus. Een echte bergwielrenner zal ik wellicht nooit worden…
Rond vier uur in de namiddag wordt m´n aandacht getrokken door een openlucht museum waar groteske beeldhouwwerken het glooiend landschap verstoren. Ik blijk me te bevinden op de beroemde ‘Puente de Boyacá’. De slag bij de brug van Boyacá is een mijlpaal geweest in de heldhaftige veroveringstochten van Simon Bolívar. Op 7 augustus 1819 slaagde een leger van haveloze strijders o.l.v. Bolivár erin om via de ijskoude bergpassen van de Andes het centrale hoogland van Colombia binnen te vallen. De bloedige veldslag betekende het einde van Spaanse overheersing. Het duurde evenwel nog tot in 1880 vooraleer Spanje de onafhankelijkheid van Colombia erkende. Over ettelijke hectaren heuvelend grasland staan er her en der standbeelden van krijgshaftige generaals. Wereldlijke roem versmolten in bronzen eeuwigheid…
Het onverwachte bezoek aan ‘el Puente de Boyacá’ zorgt ervoor dat ik niet op de eindbestemming geraak die ik in gedachten had. Het is zes uur in de avond en langzaam maar zeker komt de duisternis opzetten. Langs de drukke verkeersweg valt nergens een hotel te bespeuren. Wanneer ik een zoveelste checkpoint voorbijfiets, twijfel ik heel even om beroep te doen op de gastvrijheid van de zwaar bewapende soldaten. Uiteindelijk beslis ik om mijn geluk te beproeven bij enkele campesinos. Aan een drietal spelende kinderen vraag ik om mijn tent te mogen opslaan naast hun nederig stulpje. Na de goedkeuring van het ouderlijk gezag krijg ik de assistentie van drie glunderende gezichtjes. Een gringo op de fiets die z´n casa pequeña neerzet naast hun slaapkamer… Het lijkt voor de kinderen haast een feest. Naarmate de tent zijn ware gedaante aanneemt, fonkelen zes oogjes als sterretjes aan het firmament. “Mira, mira, que bonita es esta casita!” (Kijk, kijk, hoe mooi dit huisje is!) Mijn fietstassen lijken wel een toverdoos volgestouwd met curiositeiten: een zelf opblaasbare matras, een piepklein keukentje met kookpotten en gasvuurtje, een zaklamp met dynamoaandrijving,… Ik lijk wel een marktventer van een andere planeet. Zelfs vader en moeder kijken perplex toe hoe ik uit mijn compressiezak een levensgrote donzen slaapzak tevoorschijn tover.
Ik heb niet zo´n grote honger, maar ik wil de pret van de jubelende kinderen niet bederven en dus demonstreer ik vakkundig hoe een verdwaalde zwerver z´n eigen potje kookt. Mijn gasvuurtje straalt een blauwe gloed uit en licht de gezichtjes op van de nieuwsgierig toekijkende bengels. Vooral het zesjarig meisje kan haar ongeloof nauwelijks onderdrukken en neemt zowat alles wat haar enigszins vreemd lijkt met haar kleine handjes vast alsof het glinsterende diamantjes zijn. De maaltijd beperkt zich tot één enkel gerecht: rijst op Mexicaanse wijze. Ik verdeel mijn bestek en laat groot en klein meegenieten van m´n koningsmaal. De picante specerijen laten zich welgevallen en ik zie hoe vijf lepelende hongerige magen zich tegoed doen aan het feestmaal. Het is een zalig gevoel, een momentopname van ontroering en geluk. Tranen van tederheid wellen op als glazige knikkers en andermaal besef ik dat ik mijn missie moet voortzetten. Een zwervend bestaan vol toevallige gebeurtenissen, ontmoetingen en situaties. De maan werpt zijn schaduw over een onverwacht stukje aards paradijs, te midden van het absolute niets. Que bonita es esta vida...




Ik keer terug op mijn stappen en zie dat er meerdere deuren uitgeven op de gang. Bij het aanraken van de deurknop schilfert het geronnen bloed als gebarsten splinters uiteen. Het slot zit muurvast. Mijn schaduw volgt mijn ingehouden pas tot bij de volgende deur, zonder succes. Naarmate ik het einde van de gang nader, zie ik een gleuf van licht. De deuropening is nauwelijks een oog breed en laat me niet toe om naar binnen te gluren. Voorzichtig plaats ik m´n handen tegen de houten deur en duw het licht naar buiten. In de schemering van een vlammende kaars zie ik vijf schimmen in donkere gewaden. Geknield lezen ze gebeden voor uit een beduimeld kerkboekje. Hun mantelkappen en hun geprevel doen me rillen van angst. Zijn het monniken? Waar ben ik terechtgekomen? Wat doe ik hier? Eén zitbank is onbezet. Ik zie hoe knokels van een gerimpelde hand een naamkaartje leggen op de enige vrije zitplaats. De letters dansen in het licht van de goudgele vlam, maar vormen wel degelijk mijn naam. Net op dat ogenblik draaien de hoofden in domino-effect naar me toe. Vijf doodshoofden met holle oogkassen grijnzen me aan. In een flits draai ik me om, grits naar de metalen deurknop en ren opnieuw de gang in. Strompelend bereik ik weer de kamer.
Ik graai om me heen en voel de zoom van een hemelbed met een flinterdunne matras. Het deken is donzig als een slaapzak. Ik wikkel me er veilig in, afschermend van de vreemde buitenwereld. Net voordat ik in slaap val, wordt de droom langzaam weggeduwd door de werkelijkheid. Zwetend leg ik de puzzelstukken bij elkaar, terwijl ik in de verte klokken hoor luiden. Het hemelbed is mijn tent en de flinterdunne matras mijn slaapmatje. De gang met booggewelven dat een patio afbakend is een gedeelte van het ‘Monasterio de la Candelaria’. Het klooster ligt in de diepte. Vanuit mijn kampeerplaats kan ik het binnenplein met bijhorende fontein gemakkelijk waarnemen. Het is zes uur in de ochtend. Gisteravond was ik hier na een lange fietstocht per toeval beland. Het leek me na mijn bezoek aan de zoutkathedraal geen slecht idee om een kijkje te nemen in dit 400 jaar oude klooster van de orde van de Augustijnen monniken. Ik doezel nog heel even weg en verdring de nare droom volledig uit mijn geest.
Drie uur later word ik door een vriendelijke dame meegetroond doorheen de wandelgangen van het immense heiligdom. Slechts een deel ervan is opengesteld voor het publiek. De rest is het studiegebied van seminaristen in opleiding. De studies nemen tien jaar in beslag en worden verspreid over vier locaties. Aspirant-priesters verblijven hier gemiddeld twee jaar. Momenteel herbergt het klooster tien priester-studenten en drie professoren. Elke eerste en tweede februari wordt hier het feest gevierd van de Maagd van la Candelaria. Studenten treffen de laatste voorbereidingen voor de grote openluchtmis van morgen. Het klooster huisvest tevens een museumpje van religieuze voorwerpen en een bibliotheek met antieke kerkboeken. Bij het bekijken van de versleten bijbelboeken dwalen mijn gedachten opnieuw af naar de vreemde droom. Was het een stille wenk van God dat een verdwaalde zwerver beter af is in het klooster? Ik vrees dat mijn drang naar vrijheid te groot is om te leven binnen de gesloten muren van deze diepgelovige gemeenschap.
Laat mij maar verder dwalen en verdwalen, ver over de horizon heen, want precies deze levenswijze brengt me op plaatsen waar ik graag vertoef, zoals in Villa de Lejva. Als er één stadje is waar een gevoel door de straten walst van 'de tijd is blijven stilstaan', dan mag het koloniale Villa de Lejva deze titel zeker op z´n revers spelden. Het bewust weerhouden van bouwpromotoren in de stadskern heeft de stad in 1954 de status opgeleverd van nationaal monument. De huizen en de steegjes lijken zo uit het middeleeuwse Brugge geplukt. Moderne architectonische ingrepen vind je hier niet terug. De witgekalkte rijhuizen lijken met hun donkergroen geschilderde portiekjes en raamkozijnen allemaal op elkaar, maar wanneer je over de hobbelende straatjes flaneert dan ontwaar je subtiele verschillen op, haast onmerkbaar aangebracht door zijn bewoners. De brievenbus is een simpel aangebrachte gleuf, de deurknop een bronzen leeuwenkop, de lantaarn een stukje verlicht antiek. Ik wandel doorheen het verleden en snuif een vleugje behouden authenticiteit op. Mijn tent heb ik deze keer opgeslagen tussen de omwalde muren van de gemeentelijke camping. Ik beeld me in dat m´n tent de luifel is van een koloniaal pand en dat mijn fiets een Arabische volbloed is. Mijn slaapmatje is een rieten mat en m´n slaapzak een wollen schaapsvacht. Buiten hoor ik hoe een troubadour het hof maakt van een prinselijke schone. De teletijdsmachine heeft me teruggevoerd naar een ander tijdperk. Nu maar hopen dat de nacht de betovering niet doorprikt…




Zo bezochten we het ‘Plaza Simón Bolivar’ waar naast het standbeeld van Latijns-Amerika´s grootste vrijheidsstrijder ook enkele opvallende architectonische bouwwerken staan, zoals ‘el Palacio de Justicia’ en het ‘Capitolio Nacional’, het regeringsgebouw. In het verlengde ervan bevindt zich het ‘Palacio Nariño’, het presidentieel paleis. Metershoog traliewerk filtert het gezichtsveld van nieuwsgierige kijklustigen en geüniformeerde wachters versterken de grandeur van een ondoordringbare wereld.
Een stuk toegankelijker en speelser was het Botero-museum. Deze beeldhouwer-schilder heeft een geheel eigen stijl ontwikkeld waarbij hij een voorliefde heeft om dieren, mensen en voorwerpen buiten alle proporties af te beelden. Mollige vrouwen, opgezwollen gezichten, loense blikken,… Botero wil vooral het relatieve belang aanduiden van de omvang van de dingen. Hij benadrukt dit op een haast karikaturale wijze door lichaamsdelen voluptueus uit te beelden. Het resultaat levert een aparte kunstvorm op die nu en dan wel eens op de lachspieren werkt.
Pure ernst vonden we dan weer terug in el museo del oro, dé attractie van Bogotá. Door grondige renovatiewerken is het museum tijdelijk ondergebracht in ‘la Casa de la Moneda’ waardoor van de oorspronkelijke 33.000 kunstvoorwerpen slechts een onderdeel te bezichtigen viel. Zelfs na de verbouwingswerken zal slechts 60% van alle kunstobjecten tentoongesteld kunnen worden. Maar dit aantal zal ruimschoots voldoende zijn om het visitekaartje van grootste museum van Latijns-Amerika toe te eigenen. Ondanks de afgeslankte tentoonstelling moest ik toch meermaals naar adem happen. De schatkamer van Ali Baba verdwijnt ongetwijfeld in het niets bij de onschatbare collectie uit het goudmuseum. Als je daarbij bedenkt dat de Spanjaarden 250 jaar lang het hele land hebben afgestroopt naar goud en kostbaarheden om het te versmelten en vervolgens naar het moederland te verschepen, dan is deze fonkelende gouden verzameling slechts een fractie van alles wat hier na de tijd van Columbus gevonden werd. Dat er nog rijkdom verscholen zit in de Colombiaanse bodem konden we met eigen ogen vaststellen. Neen, we vonden geen goudklompje onder onze voeten, maar werden in de diamantenwijk wel vaak aangeklampt om enkele smaragden te kopen. In verfrommelde witte papieren zakdoekjes schitterden lichtgroene edelsteentjes. Ze werden zomaar op straat te koop aangeboden alsof het billetjes waren van de Nationale Loterij. Ik had wijselijk mijn Visa-kaart achtergelaten op het appartement…
Ondertussen zit ik alweer op de fiets en ditmaal om enkele plekjes ten noorden van Bogotá te verkennen. Mijn eerste stopplaats is nog zo´n topattractie: ‘La Catedral de Sal’ in Zipaquirá. Wanneer ik het stadje binnenfiets, leiden felgroene verkeerspanelen me naar de ingang van een enorme zoutmijn. Rond 1940 ontstond het plan om in deze zoutberg een kerk te bouwen. Na tien jaar noeste arbeid was de klus geklaard. Het labyrint aan spelonkachtige gangen voelt klam aan en geeft me een claustrofobisch gevoel. De kerk is maar liefst 120 meter lang en 23 meter hoog, net voldoende om 10.000 gelovigen een plaatsje te verzekeren in het bijzondere heiligdom. Op weg naar de hoofdkerk zie ik kolossale nissen waar met veel symbolisme de lijdensweg van Christus wordt weergegeven. Zout is zowat alles wat de klok slaat, ook het altaar, de zitbankjes en de kruisen zijn vervaardigd uit zout. Speciale blauwachtige lichteffecten versterken het sacrale karakter van de trompetspelende engel die vanop een balkon neerkijkt op het hoofdaltaar, terwijl felwitte spots het grote uitgehouwen kruisbeeld een extra dimensie geven. Een deel van de zoutmijn wordt nog verder geëxploiteerd, terwijl de gelovigen ongestoord hun gezouten gebeden kunnen prevelen. Door de wirwar van gangen waait een frisse ondergrondse bries. In mijn koersbroekje ben ik duidelijk niet gekleed op deze kille devote confrontatie. De hoogste tijd om warme oorden op te zoeken…




Ik gluur ondeugend naar Botero´s overwegend naakte vrouwen met hun dikke billen en dijen op veel te hoge naaldhakken die moeizaam voorbij schuifelen op de met kinderkopjes betegelde 'Calle de Divorcio' in 'el Candelaria', de oudste koloniale wijk van Bogotá. 'Calle de La Fatiga', 'Calle de Divorcio', Calle de La Alegría',.. Zou Manu Chao hier de mosterd vandaan gehaald hebben voor zijn laatste nieuwe hit, 'Me Llaman Calle'? 'La Calle de Divorcio' (De straat van de echtscheiding), het lijkt wel een nachtelijke hersenspinsel van de poëtische dichter Julio Flórez of José Asunción Silva. Colombia heeft meerdere literaire beroemdheden grootgebracht dan alleen maar Gabriel García Márquez en z´n 'Honderd jaar eenzaamheid'.
Zuid-Amerika koestert z´n historische helden en dus draagt ook Bogotá daartoe zijn steentje bij. Het grootste en belangrijkste plein heet dan ook niet toevallig 'La Plaza Simón Bolivar'. Deze revolutionaire held heeft Zuid-Amerika bevrijdt van het Spaanse juk, maar heeft van Bolivar ook een tragische held gemaakt. Lokale krijgsheren en politici streden om de macht en deden zijn levenswerk in een mum van tijd als een kaartenhuisje uiteenvallen. Voor de afzetting van Bolivar als president van Colombia bestond Groot Colombia uit het huidige Colombia, Ecuador, Venezuela en Panama. Ondanks of juist door het falen van zijn droom om een eengemaakt en welvarend Latijns-Amerika te vormen, is Bolivar uitgegroeid tot een held voor de Latijns-Amerikanen. Zijn standbeeld glimt dan ook in de late middagzon, terwijl duiven koortsachtig broodkruimels zoeken tussen zijn bronzen laarzen. Moed en zelfopoffering droeg hij hoog in het vaandel. Maar ondanks zijn heldhaftig optreden, stierf hij zo arm als Job. Het verhaal gaat zelfs de ronde dat er een hemd bij de buurman moest gehaald worden om de vader van vijf republieken af te leggen en een andere leende geld uit voor de begrafenis. In het nationaal museum dat is ondergebracht in de meest beruchte gevangenis van de stad ligt ondermeer zijn testament bewaard. Ook al sterven revolutionaire helden in volstrekte armoede, in Zuid-Amerika blijven ze eeuwig verder leven...
Op de vensterbank van één van de vele kleurrijke gevels weerklinkt uit een oud transistorradiootje 'Que bonita es esta vida...'. De melancholische stem van de nieuwe ster aan het Colombiaanse muziekfirmament, Jorge Celedón, rolt doorheen de openstaande luiken. Een stokoude grijsaard plant zijn wandelstok tegen een afgebladerde gevel en klapt haast geluidloos in de lucht. Het benenspel doet het al lang niet meer, maar daar maalt hij niet om. Hij danst al jaren voor een lege zaal. Of toch niet... Aan de overkant van de straat leunt een welborstige prostituee uit het raam. Haar ontblote met goud bezette tanden produceren een goedkeurend gefluit. Of is het voor mij bedoelt, de verdwaalde zwerver met platte beurs? Haar gouden tanden zouden moeilijk kunnen wedijveren met de pronkstukken uit het museo del oro. Zelfs Ali Baba zou achterovervallen van de onschatbare collectie aan gouden kunstvoorwerpen. Niet voor niets staat een bezoek aan het goudmuseum in diverse reisgidsen dan ook te boek gesteld als 'een verplichte must'. Inmiddels is de acte de prèsence voorbij. De hoofdrolspeler werpt z´n enige toeschouwer een dankbare glimlach toe en vervolgt zijn weg. "Viene, viene, mi amor! Viene!" Ik kan ook maar beter opstappen. Het wedden op twee paarden is niet altijd even succesvol...
Wie zich toch laat verleiden door het gewillige vlees, maar evenwel vroom huiswaarts wil keren, kan alsnog de oudste kerk van Bogotá opzoeken, la Concepcion. De devote gebeden van de diepgelovige kerkgangers temperen ongetwijfeld alle onreine gedachten. Voor wie het allemaal boter aan de galg is en in hogere sferen blijft vertoeven, kan zich begeven naar 'el cerro de Monserrate'. Op een heuvel van 3160 meter kijkt een witgekalte kerk neer over de immense stad. Wie geen hoge pet op heeft met de heiligen die de van ontucht ontdane hemel bevolken, zal zijn zuiders temperament door de felle kou als sneeuw voor de zon wel zien verdwijnen.
Ik geraak stilaan gewoon aan de hoogte, niet aan de kou en dus zoek ik lager gelegen oorden op ten noorden van Bogotá. De hypermoderne TransMilenio, hét paradepaardje van het openbaar vervoer dat dagelijks maar liefst 950.000 reizigers naar hun eindbestemming brengt, voert me in een duizelingwekkende snelheid naar de andere kant van de stad. Ik ontwaak in een andere wereld, waar glitter en glamour fonkelen in neonreclame, waar goed uitgedoste yuppies zich laven aan Europese materiële welvaart en waar trendy bars, restaurants en discotheken je doen vergeten dat miljoenen Colombianen onder de armoedegrens leven. Uit een poepchique bar met bruingetinte ramen weerklinkt de aanstekelijke stem van Shakira. Overvloeiende kleureffecten en het vage silhouet van de zangers verraden een videowall. De danspassen zijn oubollig. De in jaretelles geklede danseressen roepen bij me een beeld op van een cabaretoptreden uit de naoorlogse periode. Moderne authenticiteit, het ligt als een rode loper gedrapeerd van noord naar zuid. Bogotá danst, zwoel en zuiders, maar niet gracieus...




Tegen de middag brak de zon schoorvoetend door en dus stonden Manuel Andres en Sergio al te popelen van ongeduld om me per fiets mee te nemen naar één van de bergdorpjes in de omgeving. Fusagasuga is ook de woonplaats van de bekende oud-wielrenner en winnaar van de Spaanse Vuelta in 1987, Luis Herrera. Hij had geen beter plek kunnen bedenken om geboren te worden, want het gebied is dé gedroomde plaats voor elke wielrenner. De wegen kronkelen zich moeizaam over de heuvels heen en zijn een ware uitdaging voor éénieder die lijdt aan het pedalensyndroom op hoge hoogte. Ook Olga, de vrouw des huizes, is zich daarvan bewust en dus is ze, net als de rest van de familie, vandaag om 5 uur in de morgen opgestaan om de verdwaalde zwerver nog een stevig ontbijt voor te schotelen: soep met aardappelen en vlees vergezeld van een kop warme chocolademelk. In het koffieland bij uitstek is een kop chocolademelk een vast onderdeel van het ontbijt. Manuel Andres en de buurjongen hebben besloten om me te vergezellen tot aan Bogota en zo zwaaien we met z´n drieën de gastvrije familie uit.
Daar waar ik de voorbije twee dagen Manuel moeiteloos kon bijbenen, moet ik deze keer met m´n zwaar bepakte fiets het onderspit delven. Ik hijs me zwetend en puffend de hoogte in, terwijl ik word aangemoedigd door tientallen fervente wielrenners die me voorbij flitsen. Na drie uur klimwerk bereiken we het hoogste punt, el Alto de San Miguel, op een hoogte van 2985 meter. De resterende 30 km daalt de weg gemoedelijk tot aan de buitenwijk van Bogota. Daar word ik opgewacht door Freddy die me verder doorheen het kosmopolitisch centrum van Colombia loodst. Ik heb geluk want vandaag is het zondag en ‘Cyclovía’ in de hoofdstad. Van 7 uur ´s morgens tot 2 uur in de namiddag zijn de voornaamste 'avenidas' afgesloten voor alle verkeer en kunnen wandelaars en fietsers ongestoord door de stad wandelen of fietsen. De straten die niet verkeersvrij zijn, zijn voorzien van fietspaden die vaak de grote hebben van een heel rijvak. Bogota is inzake fiets-hoofdstad zowat uniek in zijn soort. De voorbije jaren kopiëren ook meer en meer Zuid-Amerikaanse hoofdsteden dit project. Bogota is een mastodont van een hoofdstad met maar liefst 10 miljoen inwoners, ongeveer de totale bevolking van België. Zelfs na 45 km fietsen bevinden we ons nauwelijks in het centrum van de stad. Wanneer we halt houden bij een artisanale markt word ik door een handvol verkopers met nieuwsgierige vragen bestookt. Ik krijg gesuikerde limonade toegestopt en taco-chips met een pikant dipsausje. De onverwachte ontmoeting wordt vereeuwigd met een groepsfoto. Rond vijf uur in de namiddag bereiken we het appartement van een vriend van Freddy. Hier zal ik de komende dagen logeren, terwijl ik overdag op ontdekkingstocht zal gaan in deze miljoenenstad. Wordt vervolgd...




Fusagasuga heeft op zich geen toeristische troeven, maar ligt wel mooi ingebed tussen niet onaardige heuveltoppen. Vele omringende dorpjes liggen ietwat verscholen op de flanken van de omliggende bergen en zijn ideaal per fiets te bereiken. Freddy is niet meteen iemand die een voorliefde heeft voor het pedalenwerk op grote hoogte. Dit vind ik evenwel terug bij de twee oudste zonen van een bevriend gezin: Manuel Andres en Sergio. Terwijl Freddy naar Bogota pendelt voor zijn werk, nemen de twee jonge snaken me mee op sleeptouw. Het zijn geboren ‘koereurkes’ die in hun blitse outfit en op hun kleine koersfietsjes iets vertederend uitstralen. Ze hijsen zich moeiteloos de hoogte in wanneer een zoveelste bocht de lucht inslingert. In de afdaling hanteren ze een ware Luis Herrera-stijl: hoofd, schouders en romp 90 graden voorovergebogen over het stuur. In de bochten leggen ze hun gewicht dan weer in de richting van de haarspelbochten en schieten als een pijl vooruit. Het zijn twee zalige kereltjes.
Ze doen me wegdromen naar een verre toekomst waar ik ooit met m´n drie ukkies al fietsend op bezoek ga bij opa en oma in Klerken. In de laatste lange rechte lijn zetten we met z´n allen ter hoogte van de Ooievaarstraat de sprint in. Hun fietsbeentjes bengelen als een rad op en neer, terwijl ze één na één hard op de trappers gaan staan. Ze fietsen de longen uit hun lijf alsof ze meedoen aan een prestigieuze Vlaamse wielerklassieker. Schichtig kijken ze over hun schoudertjes heen om te zien of vader hen niet in het wiel rijdt. Eenmaal ze overtuigd zijn van hun overwinning gooien ze zelfverzekerd de armpjes in de lucht. Applaus stijgt op en opa Emmanuel digitaliseert drie glunderende gezichtjes voor het familiealbum. Oma Rita staat reeds klaar met vers gebak en limonade met prik, terwijl moeder lief hoofdschuddend toekijkt hoe haar verdwaalde zwerver hijgend en puffend de eindmeet bereikt. Opa blikt de verliezer ondeugend en op schalkse wijze in en oma ontkurkt haastig als troostprijs een ijsgekoeld bierflesje. Terwijl dikke zweetdruppels op m´n voorhoofd parelen, denkt de oude verdwaalde zwerver terug aan de tijd van weleer. Aan de dagen hoe hij moeiteloos de twee Colombiaanse ‘koereurkes’ kon bijbenen. De tijd is niet blijven stilstaan en misschien maar best ook...


Terwijl ik de ochtend tegemoet fiets, blik ik terug op de voorbije dagen. Ondanks hun sobere levensstijl werd ik zes dagen lang in de watten gelegd. Het viel me op hoe ze vrede hadden genomen met hun geringe bestaansmiddelen en zich er niet voor geneerden. De eerste drie dagen was er bijvoorbeeld geen stromend water, waardoor de douche niet groter was dan een emmer water. En het geringe meubilair zou de kringloopwinkel in België zelfs niet eens komen ophalen. Wie arm is in Colombia hoeft niet te rekenen op steun van de overheid. Colombia is geen welvaartstaat zoals België en vele andere Europese landen. Wellicht verklaart dit ook de hechte Colombiaanse familiebanden. De broer van de man des huizes zorgt ervoor dat ze niet onder de armoedegrens leven en dat ze hun gastvrijheid ook in daden kunnen omzetten. Velen zouden in België nog iets kunnen leren van dit volkje hier.
Er staat vandaag een lange etappe op het programma. Mijn volgende bestemming wordt Girardot. Daar woont immers de broer van een verre kennis, die dicht bij Bogota woont, en waar ik de volgende nacht kan doorbrengen. Het gebergte heb ik achter me gelaten en moeiteloos haal ik een gemiddelde snelheid van 23 km/u. Het fietsen is een feest, zelfs ondanks de zware bepakking. Tot mijn eigen verbazing fiets ik om twee uur ´s middags het stadje reeds binnen. Ik heb welgeteld 181 km afgelegd. De lange etappe wordt beloond met een hartelijk ontvangst en een stevige lunch. Het lijkt wel of ik in een totaal andere wereld ben terechtgekomen. Het gezin woont in een residentiële wijk, verweg van het drukke stadsgewoel. Te midden van het woonerf ligt een tropisch openluchtzwembad dat haast olympische proporties aanneemt. We installeren ons met een dozijn biertjes op het terras van het zwembad en genieten tussendoor van een verkwikkende duik in het water. ´s Avonds spelen we nog met enkele buurtbewoners een partijtje mini-voetbal. Het lijkt erop dat ik meer dan ooit in topconditie verkeer...


De politieke situatie omtrent de FARC (Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia) is evenwel nog niet over zijn hoogtepunt heen, integendeel. Sinds de bemiddeling van de Venezolaanse president Chavez, die erin slaagde om twee belangrijke gijzelaars vrij te krijgen, is de Colombiaanse rebellenbeweging niet meer weg te branden uit het nieuws. Mede doordat de Colombiaanse president Alvaro Uribe de samenwerking met Frankrijk, Spanje en Zwitserland heeft hersteld. De president is pas terug van een Europese rondreis waar hij de drie landen om steun vroeg voor de bemiddelingsrol die de Colombiaanse kerk inmiddels op zich heeft genomen bij de uitwisseling van 500 gevangen guerrillero´s tegen 43 gijzelaars, onder wie Ingrid Betancourt. Als Frans-Colombiaanse presidentskandidate van Colombia werd ze zes jaar geleden door de FARC ontvoerd. Ze is de laatste jaren en vooral maanden hét gezicht geworden in de strijd om alle gijzelaars vrij te krijgen.
Op TV wordt met de regelmaat van de klok een publiciteitspot getoond waar naast portretfoto´s van gijzelaars ook een niet mis te verstane boodschap wordt meegegeven: “Salvar la vida de Ingrid Betancourt y demás secuestrados pidió Nicolas Sarkozy” – “... Se observa a la ex candidate presidencial demacrada y triste.” – “... Hijo de un sargento secuestrado, vió por primera vez el rostro de su padre” – “Secuestrados hablan de seis años en el infierno.” – “Colombia unida y el mundo lo exigen: ¡Libérenlos ya, sin condiciones!” (“Red het leven van Ingrid Betancourt en de overige gijzelaars, vraagt Nicolas Sarkozy.” – “Kijk naar de treurige en vermagerde presidentskandidate.” – “... Zoon van een gegijzelde sergant, ziet voor het eerst het gezicht van zijn vader.” – “Gijzelaars spreken over zes jaar in de hel.” – “Heel Colombia en de wereld eisen: Bevrijdt ze nu, zonder voorwaarden!”) Volgende week maandag 4 februari wil de Colombiaanse regering de wereld duidelijk maken dat ook het volk de guerrillaoorlog meer dan beu is. Zowat in alle grote steden zal er een protestmanifestatie gehouden worden onder de slogan: “NO MAS – 4 de febrero – Contra el terrorismo!”
Terwijl de Colombiaanse president de strijd tegen de rebellen verder opdrijft, blijft de Venezolaanse president Hugo Chavez voor de nodige opschudding zorgen. Zo opperde hij onlangs het idee om het Gewapend Revolutionaire leger van Colombia (FARC) en het Nationale Bevrijdingsleger (ELN) te schrappen van de lijst van terroristische groeperingen. Het voorstel wekte de woede op van president Uribe die op zijn beurt Chavez beschuldigde van partij te kiezen voor de guerrilla en de begane misdaden van de FARC te negeren. De linkse rebellen houden momenteel nog meer dan 700 gijzelaars vast, sommige onder hen al meer dan 10 jaar. Voor de vrijlating van bijna alle gijzelaars eist de FARC losgeld. Slechts 44 onder hen worden bestempeld als politieke gevangenen en komen alleen op vrije voeten in ruil voor de vrijlating van honderden gevangen rebellen.
Chavez is in Colombia geen graag geziene figuur. De bemoeienissen van Chavez laten ook al z´n sporen na op economisch vlak. Zo heeft hij de grens met Colombia in het noorden tijdelijk geblokkeerd. Het is een publiek geheim dat heel wat Colombiaanse handelaars de grens oversteken om goedkope levensmiddelen in te slaan om die met hoge winsten te verkopen in eigen land. Als antwoord op de grensblokkade heeft Colombia tijdelijk de invoer van bepaalde voedingsmiddelen naar Venezuela stopgezet waardoor de Venezolanen kampen met een massaal tekort aan melk, boter, eieren en kippen. Het kat- en muisspel is inmiddels geëscaleerd tot een hoger niveau. Zo beschuldigde Chavez in zijn wekelijkse radio- en televisieprogramma de Colomobiaanse regering ervan zich als de agent van het Noord-Amerikaanse keizerrijk te gedragen en een militaire actie voor te bereiden tegen zijn land. Hij riep ondertussen zijn bondgenoten Nicaragua, Bolivië en Cuba op een gemeenschappelijke defensiestrategie en strijdmacht op te zetten tegen de Verenigde Staten. Vele Colombianen liggen evenwel niet wakker van de grootsprekerij van Chavez. De Venezolaanse president wordt hier smalend de nieuwe Simon Bolivar genoemd. Deze revolutionaire held mag dan wel de bevrijder zijn van Zuid-Amerika, zijn droom om een eengemaakt en welvarend Zuid-Amerika te maken, is evenwel mislukt. Een man met grootse plannen, veel moed en zelfopoffering, maar die voorbijging aan het uiteindelijke resultaat. Ook Chavez heeft nog een lange weg af te leggen...























































