Een terugblik met gemengde gevoelens...

Costa Rica - Los Chiles, 27-09-2008 - (dagboek 23)


De laatste loodjes wegen het zwaarst en dat heb ik geweten. De weg naar Los Chiles, het grensstadje ten noorden van Costa Rica dat loopt via het natuurreservaat Caño Negro, was er eentje van aangestampte aarde met losliggende keien, nu eens dalend, dan weer stijgend. Hotsend en botsend trapte ik mezelf, mijn fiets en de zware fietstassen een hele dag lang, vijftig kilometer verder, onder een verschroeiende hitte waar de temperaturen pieken bereikten tot 43 graden Celsius. Op de lange eenzame tocht van nergens naar nergens keek ik nog heel even achterom; een terugblik met gemengde gevoelens.

Costa Rica bekleedt binnen alle Latijns-Amerikaanse landen zondermeer de top drie wanneer het gaat om de exuberante diversiteit aan natuurschoon, maar scoort ondermaats op een aantal andere belangrijke punten. Zo dweept het land net iets te veel met het woordje ´eco´ (ecotoerisme, ecolodge, ecotrekking, eco-adventure,...) en is het toerisme overduidelijk op Amerikaanse leest geschoeid. Prijzen van tours en excursies allerhande worden steevast in dollars geafficheerd en in infokantoortjes, hotels, bars en restaurants is Engels de voertaal. Wie zich als Amerikaan in Costa Rica niet thuis voelt... Dan weet ik het ook niet meer.

Vier weken lang heb ik gezocht naar die authentieke eigenheid die zo typerend is voor vele Latijns-Amerikaanse landen, tevergeefs. Costa Rica heeft zijn ziel verpand aan het toerisme dat een pact heeft gesloten met de duivel. Snel en gemakkelijk geldgewin hebben het land en volk een ander gedaante gegeven. ´Pura Vida´, de levenskreet van de Ticos klinkt te commercieel om ten voeten uit te kunnen genieten van dit land. Hopelijk biedt Nicaragua het ideale tegengewicht...

Een dorp dat nauwelijks bestaat...

Costa Rica - Col. Puntarenas, 26-09-2008 - (dagboek 22)


De extra rustdag in La Fortuna gaf me ruimschoots de kans om de actieve vulkaan ook overdag te bewonderen. Toen ik om vijf uur dertig ´s morgens het tentzeil opensloeg, kon ik mijn ogen haast niet geloven. Een wolkenloze hemel met in de verte de perfect gelijkbenige kegel van de vulkaan Arenal. Als kers op de taart, een kringende rookpluim boven de krater. Bij valavond viel eenzelfde betovering me te beurt. Deze keer met een bewegend kleurenpallet van de ondergaande zon als achtergronddecor. Andermaal besefte ik dat ik getuige was van een zoveelste onuitwisbare momentopname, een zoveelste prentkaart op m´n zwerversroute.

Gisteren heb ik de vulkaan Arenal achter me gelaten en koers gezet naar het grensplaatsje Los Chiles. Mijn voornemen om de afstand in één dag te overbruggen, leek te hoog gegrepen, want het kostte me zowat een halve dag om tot in San Rafael de Guatoso te geraken. De weg lag er op sommige plaatsen zo slecht bij dat ik noodgedwongen mijn hebben en houden vaak honderden meters de hoogte moest in duwen. Schoonheid kent nu eenmaal zijn prijs. Rond vier in de namiddag had ik de allerlaatste splitsing bereikt. De weg veranderde wederom in een hobbelende piste vol losliggende keien en dus besloot ik maar om terug te keren tot aan de hoofdweg. Vlakbij een controlepost sloeg ik, onder de goedkeurende, maar zwijgzame blikken van een patrouille politieagenten, mijn tentje op. Mijn voorlaatste nacht op Costaricaanse bodem; het aftellen kon beginnen.

Het is een nobele gedachte je te kunnen begeven op haast onbetreden paden en ook al worden ze jaar op jaar schaarser, vandaag heb ik het gevoel dat ik er zo eentje gevonden heb. De ´dirty-road´ naar het afgelegen gebied Caño Negro straalt niet alleen leegte uit, het dorpje bevindt zich ook op een weg die doodloopt. Wie verder op verkenning wil moet de boot nemen of de allerlaatste 26 km afleggen via een al even slechte piste tot aan het grensstadje Los Chiles. Per boot krijg je de kans om één van de belangrijkste wetlands van het Amerikaanse continent te ontdekken. Het gebied is ongeveer 10.000 ha groot waarvan grote delen tijdens het regenseizoen onder water komen te staan doordat de Rio Frio (koude rivier) buiten zijn oevers treedt. De grote aanwezigheid van trekvogels is voor elke ornitholoog zowat de gedroomde plek om vogels te spotten. Maar de natuur laat zich nu eenmaal niet bedwingen en ook de vogels volgen het ritme van de seizoenen. Ik ben te vroeg, of te laat (hangt ervan hoe je het bekijkt), want Caño Negro is op zijn best rond februari. Ter hoogte van de aanlegsteiger liggen de boten er dan ook werkeloos bij. Rond het slot van het loket, waar er tijdens het toeristisch hoogseizoen een belasting wordt geheven, heeft een spin een ragfijn spinnenweb gesponnen. Er valt geen mens te bespeuren. De stilte is indringend voelbaar.

Ook het dorpje is gehuld in een mist van roerloze stilte. Voor de plaatselijke pulperia (een kruidenierswinkeltje dat hooguit een dertigtal producten verkoopt) staat een gezadeld paard geparkeerd. De berijder omklemt een pas aangestoken sigaret tussen wijs- en middenvinger. In de resterende vingers bungelt een flesje frisdrank. Uitbaters van kruidenierswinkels hebben een zware taak te vertolken; ze zijn verkoper, barman en psycholoog. Even verderop zit een man te schommelen voor de deuropening van zijn kleine woonst. Dit dorp heeft geen haast. Hier heerst geen ochtend en geen avond, geen gisteren en geen vandaag. Hier heerst alleen de stilte. Caño Negro is het dorp waar ik in Costa Rica vier weken lang tevergeefs naar heb gezocht...

Costa Rica, net iets teveel georkestreerd...

Costa Rica - La Fortuna, 23-09-2008 - (dagboek 21)


Terwijl de eerste zonnestralen de bewegende contouren van een vage fietser reflecteren op het grijze betonnen wegdek, verdwijnt een witte nevel langzaam in het niets. De haarspeldbochten volgen elkaar in snel tempo op, maar het hoogteverschil blijft aangenaam. Ik slinger langs malse weiden met grazende chocoladebruine koeien tegen een achtergrond van felgroen bosrijke Teletubbie-heuvels. Het lijkt Zwitserland wel. Het landschap is zelfs haast idyllisch te noemen: mangobomen, suikerrietvelden, trosjes bengelende sinaasappelen. Reeds vanuit de verte doemt het langgerekte Arenalmeer op. Een zwerm vogels scheert rakelinks langs het zilveren oppervlak. Bij heel mistig weer moet een mens zich hier in de Schotse hooglanden wanen. Is dit dan misschien het aards paradijs?

Ik vrees van niet, want naarmate ik La Fortuna nader, doemt één van de meest actieve vulkanen ter wereld op, de Arenal. Een kleine halve eeuw geleden liet de vulkaan zich nog eens van z´n stoutmoedigste kant zien en bedekte de omliggende dorpen met lava en rotsblokken. Sindsdien is de 1633 meter hoge Arenal niet meer gestopt met spuwen. De eerste echte aanblik vanuit het dorpje La Fortuna is eerder teleurstellend. Rokerige mistslierten cirkelen boven de omliggende broccoliwouden en onttrekken me het zicht op de perfecte kegel. Ook het dorpje kan me niet meteen bekoren. Aan de kant van de weg is de visuele contaminatie allesoverheersend. ´Canopy tour´, ´bird watching´,´horseback riding´, ´eco logde´,... De geblokletterde woorden hangen als Gringo-vlaggen te wapperen en doen je haast geloven dat deze plek een condicio sine qua non is op de backpackersroute. Ik heb het niet voor opgefokte commercie die zichzelf de status van heilig aanmeet en nog minder voor het massatoerisme. Het neemt de spitsvondigheid weg om zelf mijn reismenukaart samen te stellen. De aangeboden ingrediënten liggen net iets te gemakkelijk in handbereik en elke samenstelling ervan lijkt reeds voorgekauwd. Het is een gevoel dat me reeds vaker heeft overmand op mijn ontdekkingstocht in Costa Rica. Als toerist word je te vaak in een vooraf vastgelegd keurslijf geduwd, waar ik het als individuele reiziger nogal moeilijk mee heb. Het is me allemaal iets teveel georganiseerd, te wel afgelijnd. Het ontneemt me een beetje de smaak van het reizen en ontdekken. In hun drang om nog meer toeristen voor zich te winnen -Costa Rica staat nu reeds aan de top inzake het jaarlijks toeristenaantal- worden touroperators allerhande steeds inventiever. Zo zijn de ´canopy tours´ zowat de laatste nieuwe rage. Al slingerend in ware Tarzan-stijl kan je tegenwoordig via hangbruggen en touwen, die letterlijk tussen de boomtoppen lopen, de natuur vanuit een andere hoek bekijken. De gedachte alleen al doet me teveel aan Bellewaerde-toestanden denken.

De uitbater van het plaatselijk toeristenkantoortje is al even erg doordrongen van de commercie als de rest van zijn landgenoten. Wanneer ik informeer naar een overnachtingplaats overhandigt hij me meteen een flashy folder van ´vulcano lodge´. Zonder mijn reactie af te wachten stopt hij me nog een flyer toe, die van de zwavelrijke warmwaterbronnen van Tabacón. De man voegt eraan toe dat ik genietend van dit openluchtkuuroord een prachtig uitzicht heb op de vuurspuwende vulkaan en dit alles terwijl ik me tegoed kan doen aan een verse fruitcocktail. Vreemd, ik dacht dat werknemers van officiële toeristenbureaus objectieve informatie moesten verschaffen. Ik plooi de opdringerige reclame in vieren en stop het weg in mijn broekzak. Het kan misschien ooit nog voor iets anders van pas komen. Ik fiets enkele straten in en uit en ontdek per toeval een verlaten camping. Niet meteen eentje met vijf sterren, maar wel met een adembenemend zicht -bij helder weer althans- op de top van de vulkaan. Een beter aards paradijsje voor de nacht is haast ondenkbaar.

Rond vier uur in de namiddag zit ik opnieuw op de fiets. De uitbater van het infokantoortje had me immers verteld dat er vlakbij de ingang van het nationaal park ook een uitkijkpost is, een brug vanwaaruit je eveneens een vrij goed zicht hebt op de vuurspuwende vulkaan. Bij aankomst is de zon reeds ver achter de horizon verdwenen en dansen nevelwolken een wals rond de perfect gevormde kegel. Op de brug staan een handvol toeristen, waaronder een koppel uit New York. Ze zijn deze morgen vanuit San José vertrokken voor een daguitstap en keren straks nog terug naar de hoofdstad. Wanneer de eerste rode lava als een soort druipend kaarsvet naar beneden rolt, roept hun gids: "Look, look, the show started! Five dollars, please." Ik kan me niet bedwingen om hem van de nodige commentaar te bedienen. Wanneer ik de man onomwonden meedeel dat zijn vraag om geld hem en zijn hele land zo typeren, ontstaat er een geanimeerd gesprek. Zo wijst hij ondermeer een beschuldigende vinger naar de toeristen die -naar zijn bekrompen mening- ertoe hebben geleid dat een bezoekje aan de hoeren in San José verdubbeld is in prijs. Ik kan m´n pret niet onderdrukken en ook het Amerikaanse koppel komt haast niet bij van het lachen. Nog een negatieve zijde van het toerisme: de meisjes van plezier opereren nu dichter naar het centrum toe in een club die net naast een school is gevestigd. Ach man, denk ik bij mezelf. Ik heb zes jaar college gelopen in Ieper en elke dag zag ik er zo eentje zitten achter de paars getinte ruit van café ´Den Engel´, drie huizen verwijderd van de toegangspoort van het college. Het heeft mijn leven in ieder geval niet negatief beïnvloed.

Ik laat de man verder lullen en zoek een andere uitkijkpost. De contouren van de vulkaan zijn ondertussen volledig opgeslorpt door de inktzwarte nacht waardoor de roodgloeiende lava nog duidelijker te zien is. De regenboog aan brandende brokstukken die uiteenspatten en het luchtruim kleuren -zoals ik op een prentkaart gezien had in een souvenirwinkeltje- blijft evenwel uit. In de plaats daarvan komen druilerige regenwolken opzetten en trekt de alsmaar groeiende groep aan toeristen hun regenjassen aan. Het schouwspel van smeltende stenen die over de flanken stromen, is ondanks het slechte weer best wel de moeite waard. Achter mij hoor ik een Amerikaanse aan haar chauffeur vragen om de wagen te starten. "Lets go before we get stucked in the traffic..." Ik tel welgeteld negen wagens. Toeristen en hun zogenaamde ´heilige plaatsen´; ik blijf het er toch moeilijk mee hebben...

De ossenkarren van Sarchi...

Costa Rica - Rio Cuarto, 22-09-2008 - (dagboek 20)


Ik neem afscheid van de huiselijke warmte die ik een weekend lang kon opsnuiven ten huize van Lieven Vanderjeugt en zijn gezin. Je mag je nog zo´n zwerver voelen, af en toe het gevoel hebben ´thuis te kunnen komen´ is een absolute must.

Mijn eerste stopplaats ligt slechts 10 km verder: Sarchi. Een sierlijk gekleurd wiel prijkt als een stadsschild aan de linkerkant van de laatste kronkelende kilometer die uitgeeft op het centrale plein. Het wordt ingepalmd door een reuzegrote beschilderde ossenkar en een al even mooi versierd juk. Vooral de kleurrijke wielen met geometrische figuren springt in het oog. Het is zowat het handelsmerk geworden van deze ambachtsstad. De ontstaansgeschiedenis ervan gaat terug tot een eeuw geleden toen iemand op het idee kwam om de wielen van zijn ossenkar te beschilderen. Al gauw kreeg het navolging en in een mum van tijd werd Sarchi zowat de ambachtshoofdstad van Costa Rica. Heel even dreigde de kleurrijke traditie verloren te gaan toen de technologische revolutie ook zijn opmars kende binnen de landbouw. Maar er volgde een heropleving van de cultuur toen er interesse ontstond vanuit toeristische hoek. De ossenkarren zijn tegenwoordig omgevormd tot handige meeneem salontafeltjes en tot miniatuurrijtuigen die wel altijd ergens hun plaatsje vinden.

Ik bezoek er één van de oudste fabrieken, die van Joaquin Chaveri. Dit familiebedrijf draait tegenwoordig enkel nog op het toerisme en de export. In de achtertuin staan enkele oude ossenkarren en wielen opgesteld; exemplarische antiquiteiten verheven tot verstilde kunst. In de nabijgelegen ateliers tref ik een aantal arbeiders aan het werk. Een man van hoge leeftijd schildert groene, holle vlinders op miniatuurkarretjes, terwijl wat verderop iemand de laatste hand legt aan het aanbrengen van enkele bloemmotieven op een houten wiel. Het gemak en de flair waarmee hij zijn penseel hanteert verraadt commerciële handel. Het aanbod aan beschilderde souvenirs vervaardigd uit lokaal hardhout is de voorbije jaren dan ook drastisch uitgebreid. Inspelend op het toerisme bevat de toonzaal dan ook een groot assortiment aan meubels, schalen, kistjes en wandelstokken met leguanenkoppen als handgreep. Op een wandrek tel ik honderden ossenkarren ter grootte van speelgoedautootjes, allen sierlijk handbeschilderd met motieven. Even verderop staan karren ingelegd met houtfineer die ingericht zijn als huisbar. Ik kan niet aan de verleiding weerstaan om een wijnhouder op de kop te tikken. Het zal er eentje worden voor exclusieve wijnen.

Mijn volgende bestemming is La Fortuna, het bergdorpje dat zijn bekendheid te danken heeft aan de plaatselijke vulkaan Arenal. Lieven had me aangeraden om een alternatieve bergroute te nemen, meerbepaald deze via Bajo del Toro. Bij helder weer zijn de panoramische vergezichten een prentbriefkaart waard. Helaas, alle inspanningen ten spijt, na enkele kilometers doemen reeds mistige wolkensluiers op. Af en toe opent het mistgordijn zich heel even om enkel ogenblikken later opnieuw dicht te schuiven. Wie in de bergen fietst, moet een tikkeltje geluk hebben met het weer. Rond vier uur kom ik aan de grote splitsingsbaan die ondermeer leidt naar het nabijgelegen dorpje Rio Cuarto. Ik besluit er om mijn tent op te slaan en vind een veilig onderkomen achter het kantoortje van het Rode Kruis. Morgen nog een voorlaatste etappe en dan zit mijn verkenningstocht in Costa Rica er definitief op. Niet te geloven, opnieuw is de voorbije maand voorbijgevlogen...

Dat West-Vlaamse gevoel...

Costa Rica - Grecia, 21-09-2008 - (dagboek 19)


Ik ben aangekomen in Grecia, te midden van het centrale hoogland. Op de volledig uit metaal opgetrokken kerk met zijn twee spitse torens na -het bouwwerk is trouwens van Belgische makelij- heeft dit stadje te midden van het groene heuvellandschap weinig toeristische troefkaarten. De reden van mijn aanwezigheid heeft alles te maken met Lieven Vanderjeugt.

Bijna veertien jaar geleden besloot hij zijn geboortedorp Boezinge definitief vaarwel te zeggen en samen met zijn Costaricaanse vrouw, Keyth, een nieuw bestaan op te bouwen. Inmiddels is het gezin uitgebreid met twee schatten van kinderen, Sam en Lisa. Lieven runt samen met zijn vrouw de metaalfabriek die zijn schoonvader destijds uit de grond heeft gestampt. Een bedrijf in volle expansie dat momenteel iets meer dan veertig personeelsleden te werk stelt. In tegenstelling van wat je misschien verwachten zou, leiden Lieven en Keyth niet bepaald een rustig-aan-mentaliteit leventje. Op weekdagen vertrekken ze rond zes uur in de morgen naar de hoofdstad San José en keren pas rond tien uur ´s avonds terug naar hun thuishaven. In het weekend staan de kinderen centraal en dat is vandaag, zondag 21 september, eens te meer het geval. Lisa viert precies vandaag haar zesde verjaardag en voor de gelegenheid heeft ze een klasvol vrienden en vriendinnetjes uitgenodigd.

Plaats van het gebeuren is het bioparque nabij de hoofdstad. Het feest is groots opgezet en staat volledig in het teken van ´Mega Mindy´. Een voor mij totaal onbekend iets, dat naar het schijnt een nieuwe rage is in België en het laatste product van studio 100. Het bezoek van de kleinkinderen tijdens de laatste kerstvakantie bij opa en oma van Boezinge was voor Lisa ruimschoots voldoende om een grote ´Mega Mindy´ fan te worden. Lisa is dan ook getooid in superwomanoutfit (Mega Mindy is een vrouwelijke roze variant van superman en bestrijdt eveneens het kwaad). De kostumering doet me terugdenken aan de fantastische zwart-wit serie uit mijn jeugd: ´De Kat´. Van enige commercialisering was toen bijlange nog geen sprake. Aan de bijhorende accessoires (vlaggen, ballonnen, zeepbellenkokertjes, maskers,...) te zien moet ´Mega Mindy´ voor Studio 100 het nieuwe gouden ei zijn.

Niet alleen de klasgenootjes zijn massaal uitgenodigd, ook de ouders mogen delen in de feestvreugde. Ik ben blij dat de opa en oma uit Boezinge net op vakantie zijn en ik me dus niet al te onwennig voel bij al die vreemde nieuwe gezichten. Het voelt zelfs heerlijk aan om na al die tijd opnieuw eens dat sappig West-Vlaams dialect te horen en te kunnen babbelen over dingen en mensen die zo vertrouwd in de oren klinken. Voor het aansnijden van de taart maken we nog een korte wandeling doorheen het dierenpark dat vrij educatief en kindvriendelijk is samengesteld. Zo mogen de kinderen de jonge geiten de papfles geven en is er een labyrint met uitkijktoren ontworpen. Het verjaardagsfeest wordt afgesloten met de piñata, een goed verpakte grote doos waar snoepgoed in zit. Bengelend aan een koord mag het feestvarken de snoepdoos stuk slaan. Eenmaal de eerste lekkernijen op de grond vallen, duikelen grijpgrage handjes naar de grond om zoveel mogelijk snoep bijeen te grabbelen. De piñata is in Latijns-Amerika een vast onderdeel bij elke verjaardagsfeest. Een zoveelste ontdekking door een zoveelste ongewone ontmoeting...

De toekomst van Costa Rica...

Costa Rica - San José, 18-09-2008 - (dagboek 18)


Hoofdsteden hebben vaak iets ambigue: ofwel hou je ervan ofwel net niet. Een tussenweg is er niet. Met San José, de hoofdstad van Costa Rica, is dat niet anders. Vraag je aan het gros van de backpackers wat San José te bieden heeft, dan is het antwoord bijna steevast ´niets´. Toegegeven, een metropool als San José kan nu eenmaal niet wedijveren met de exuberante natuur die de rest van het land zo aantrekkelijk maakt.

Wie de stad binnenkomt in de broeierige avondspits, zal niet meteen bezwijken voor de toeterende sliert aan zwenkende auto´s, de stinkende uitlaatgassen en de mega reclameborden die het stadscentrum ontsieren. Naar het schijnt moet je San José de tijd gunnen zich van zijn beste kant te laten zien alvorens je ervan kan gaan houden. Doordat het merendeel van de bezoeken uitdraaien op een onenightstand, blijft de liefdesrelatie dan ook ondermaats. Tenslotte associeert elke ecoreiziger Costa Rica met een overdosis aan groen en fungeert de hoofdstad dan ook hoofdzakelijk als vertrekpunt voor excursies in de wijde omgeving.

Ook mijn ontdekkingstocht en de te besteden tijd zijn te gering om een hechte liefdesband te smeden, maar desalniettemin ontdek ik er enkele opvallende bezienswaardigheden, zoals het Jademuseum. De naam dekt evenwel niet volledig de lading, want ik stel vast dat er ook een serieus luik besteed wordt aan kunst vervaardigd door pre-Columbiaanse beschavingen die in Costa Rica hebben geleefd. Het meest in het oog springend vormen echter de gouden voorwerpen en de collectie jadejuwelen. Sommige ervan hadden een ceremoniële functie, terwijl andere eerder als alledaagse gebruiksvoorwerpen dienden. Jade zou energie aantrekken en absorberen en werd daarom geassocieerd met de vruchtbaarheid van de landbouwgrond. Op een boogscheut daarvandaan staat la Casa Amarilla (Gele Huis). De naam ontleent het aan de gele kleur die er de boventoon vormt. Naar het schijnt kleuren zelfs de stoelbekledingen geel. Echt verifiëren kan ik niet, want het prachtig herenhuis doet tegenwoordig dienst als regeringsgebouw en is niet langer toegankelijk voor het grote publiek.

Wanneer ik verder afzak naar het stadscentrum ontdek ik dat het stratenplan is opgebouwd uit een patroon van ´calles´ en ´avenidas´ met de Avenida Central als kloppende commerciële aorta. De avenidas ten noorden ervan dragen oneven nummers, terwijl die ten zuiden ervan even genummerd zijn. Hetzelfde geldt voor de calles die er dwars doorheen lopen. Het kost me aardig wat tijd om dit labyrint aan straten uit elkaar te halen, maar gelukkig kan ik altijd terugvallen op ´la Plaza de la Cultura´, het drukke centrale plein waar altijd wel iets van animatie te beleven valt.

De achterzijde wordt geflankeerd door twee opvallende gebouwen die elk op hun manier een zekere glamour uitstralen. Het Gran Hotel ademt hedendaagse richesse uit -niet in het minst door zijn omvang-, terwijl het Teatro Nacional de hoogtijdagen van San José weerspiegelt. Het rijk gedecoreerde gebouw hebben de Costaricanen indirect te danken aan een Italiaanse prima donna die op haar tournee doorheen Midden-Amerika weigerde Costa Rica aan te doen wegens het ontbreken van een geschikte concertzaal. Een doorn in het oog van de toenmalige aristocratische koffiemagnaten. Ze scharrelden geld bijeen en samen met een geheven belasting op rijst en bonen -zowat de twee voornaamste voedselbestanddelen in de Costaricaanse eetcultuur- verrees in 1894 het Teatro Nacional. Ik krijg een boeiende rondleiding en vergaap me aan het weelderig gebruik van marmer, brons en bladgoud. Ook de theaterzaal, doordrongen van fluweel rood, imponeert. Het is toch vreemd dat men hier wel een ideaal evenwicht bereikt bij het aanwenden van de nieuwste theatertechnieken op gebied van geluid en verlichting zonder daarom al te ingrijpende veranderingen aan te brengen aan de ziel van het gebouw. De schouwburgen in Vlaanderen zouden hier nog iets kunnen opsteken.

Ik sluit mijn te korte verkenningstocht af in het aanpalende Gran Hotel waar ik een afspraak heb met Wouter Zagt. Wouter is afkomstig uit Nederland, maar heeft vijf jaar geleden zijn vaderland definitief ingeruild voor Costa Rica. Hij is de stuwende kracht achter het reisbureau ´Eco Travel´, dat zich meer en meer richt op reizigers die eens iets anders willen zien dan de reeds plat betreden paden. Momenteel is hij bezig een ´community-based´ traject aan het uitstippelen waar het rurale karakter en het contact met de plaatselijke bevolking voorop staan. Wouter geeft toe dat het huidige aanbod aan ecotoerisme vaak te weinig oog heeft voor de locale bevolking. Daarenboven begint volgens hem het ecotoerisme stilaan het slachtoffer te worden van zijn eigen succes. Het ongerepte gevoel van op zoek te gaan naar zeldzame dieren wordt tegenwoordig verdrongen door aangelegde geasfalteerde wegen waar busjes met horden toeristen voorbij hotsen. De onbetreden paden zijn ook in Costa Rica haast verleden tijd.

Bovendien ziet Wouter de toekomst van zijn nieuw vaderland somber in. De goedkeuring van het TLC (het vrijhandelsverdrag met Amerika) -de uiteindelijk doorvoering laat nog even op zich wachten omdat er nog moet gesleuteld worden aan diverse wetteksten- zou volgens hem wel eens nefaste gevolgen kunnen hebben voor de economie. In zijn twijfels refereert hij naar andere Latijns-Amerikaanse landen die de rekening van het afgesloten verdrag reeds gepresenteerd kregen. Neem nu bijvoorbeeld Mexico. In 1949 tekende dit land, samen met Canada en de VS de NAFTA, het Noord-Amerikaanse vrijhandelsverdrag. In nog geen tien jaar tijd verdrievoudigde de exportwaarde aan goederen (van 51.886 miljoen dollar in 1993 naar 160.682 miljoen dollar in 2002), maar steeg het BNP nauwelijks met één procent. De verklaring moet gezocht worden in het feit dat een groot deel van de export wordt uitgevoerd door transnationale bedrijven die met het leeuwenaandeel van de opbrengst gaan lopen. Winsten die bijgevolg niet terugstromen naar de plaatselijke economie. De landbouwsector verging het nog slechter. Daar is de markt volledig overgenomen door de aan dumpingprijzen verkochte landbouwproducten uit de VS. Honderdduizenden Mexicanen verloren daardoor hun werk in de landbouwsector en dus ook hun inkomen. Of Costa Rica afstevent op eenzelfde scenario is koffiedik kijken, maar de negatieve ontwikkelingen in de omringende landen voorspellen in ieder geval weinig goeds.

Bij het afscheid geeft Wouter me nog de tip mee om niet via de klassieke, drukke Panamericana Costa Rica te verlaten, maar Nicaragua binnen te fietsen of beter gezegd te varen ter hoogte van de wetlands van Caño Negro. Naar het schijnt een avontuurlijke oversteek. Wordt dus zondermeer vervolgd...

Een dag vol bewondering...

Costa Rica - Cartago, 16-09-2008 - (dagboek 17)


Ik heb een zwak voor de ochtenden, de schoorvoetende overgang van nacht naar dag, van doezelende stilte naar vederlicht geluid. Als fietser beleef je het ontwaken van een nieuwe dag nog intenser, nog indringender. Op de lange klim naar de hoogste vulkaan van Costa Rica, de Irazú (3432 m), is dat niet anders. Het behang van het voorbijschuivend decor kleurt bij elke nieuwe bocht anders en de dansende wolkjes stralen zuivere magie uit. De panoramische vergezichten vermengen zich met het zweet dat druppelt langs m´n slapen, maar dat neem ik er graag bij. Op een hoogte van 3000 meter fiets ik voorbij een minuscuul schooltje. Ik tel negen leerlingen en één leraar. De schoolbankjes staan naast elkaar opgesteld, op de buitenkoer. Het voorbijfietsend plaatje lijkt zo ongewoon dat ik op mijn ´trappers´ terugkeer. Carlos is de enige leerkracht van het schooltje en geeft les aan vier verschillende niveaus. Hij vertelt me dat in Costa Rica een klas pas wordt opgesplitst wanneer het totaal van dertig leerlingen wordt overschreden; een zeldzaamheid in de afgelegen plattelandsgebieden. Hij is geen voorstander van het gedifferentieerd lesgeven, maar een alternatief is er niet. Opvallend is het gering aantal lesuren, van zeven uur ´s morgens tot twaalf uur ´s middags. Voor het afscheid leg ik het klasmoment op grote hoogte vast op de digitale plaat. Een foto gegrepen uit het dagdagelijkse leven van negen leerlingen en hun schoolmeester...

Rond tien uur bereik ik de top van de vulkaan. Nevelslierten walsen lustig rond de krater en het omringende maanlandschap. Gelukkig ben ik niet gebonden aan een strak tijdschema en wacht ik geduldig tot ik een glimp kan opvangen van de immense krater. In de komvormige opening ligt een smaragdgroen meer. Tot in de jaren zestig kringelden zwaveldampen en gassen naar de bovenlucht. Nu lijkt hij verzonken in een diepe winterslaap. Costa Rica telt wel meerdere vulkanen, maar slechts enkele, zoals de beroemde Arenal nabij het dorpje La Fortuna, zijn nog daadwerkelijk actief.

Op de terugweg valt mijn oog op een wegwijzer die me leidt naar de botanische tuin Lankester. Een kwartier later stap ik tussen een nooit geziene bloemenpracht aan orchideeën. De Engelsman Charles Lankester is de stichter van dit park, dat na zijn dood werd overgedragen aan de Costaricaanse universiteit. Het park is aangelegd als een tropisch bos waarbij de orchideeën centraal staan. Bij het aanschouwen van die verblindend mooie natuurlijke schoonheid, dwalen mijn gedachten af naar Brazilië, naar het aards paradijs van Emmanuel Serruys. Ik vraag me af wat er van hem na twee jaar geworden is. Hij was zo verknocht geraakt aan zijn nederig stulpje -waar hij zijn zelfgekweekte orchideeën koesterde als waren het zijn kinderen-, maar geldnood dwarsboomde zijn laatste wens om een rustig bestaan te kunnen uitbouwen verweg van de commerciële Belgische mallemolen. Ik vrees dat het aards paradijs niet voor hem was weggelegd.

In Cartago zoek ik nog de grootste, mooiste en belangrijkste kerk van Costa Rica op -althans als ik de inwoners geloven mag- ´la Basilica de Nuestra Señora de los Angeles´, gewijd aan Maria, de beschermheilige van het land. Ze staat, afgebeeld als een engel, maagdelijk wit te pronken aan de hoofdingang van de kolossale kerk. De basiliek is uitgegroeid tot een pelgrimsoord en lokt jaarlijks op 2 augustus tienduizenden bedevaartgangers. Volgens de legende vertoonde Maria zich hier onder de vorm van ´la negrita´, een heiligenbeeldje, aan de jonge vrouw Juana Pereira. Tot twee maal toe nam ze het mee naar huis, maar telkens stelde ze vast dat het terugkeerde naar dezelfde plek waar ze het gevonden had. Toen ze er de plaatselijke priester over inlichtte, nam die het mee naar de parochiekerk. ´s Anderdaags was het beeldje opnieuw verdwenen. De priester besefte dat op deze plek, te midden van het bos, een basiliek moest verrijzen en zo geschiedde. Sindsdien bleef het beeldje op zijn plaats. Aan de achterkant stroomt bronwater uit de rotswand. Het schijnt een geneeskrachtige werking te hebben. Ik vul mijn twee drinkflessen met de hoop dat het bronwater ook de nodige energie kan geven om de terugweg naar de hoofdstad aan te vatten.

Voor m´n definitieve vertrek uit Cartago spring ik nog eens binnen in de basiliek. Ik zie hoe gelovigen zich al kruipend naar het hoofdaltaar begeven. Het doet wat vreemd aan, maar tezelfdertijd heb ik ontzag voor datgene wat groter is. Het is een vorm van erkenning dat wij mensen niet de heersers der aarde zijn, niet de maat der dingen. Net zoals ik een zwak heb voor de ontwakende morgen, heb ik eenzelfde gevoel met plekken die mensen als heilig ervaren: een vulkaan, een kerk, een bron,... Plaatsen waar mensen zich verbonden voelen, gesterkt door gebed en geloof. Ik moet bekennen dat ik tijdens mijn lange zwerftocht een fervente kaarsjesbrander ben geworden.

Ik heb wat moeite met de kerk als instituut, maar niet met het geloof in een God. Ik ben gaandeweg gaan inzien welke belangrijke plaats geloof kan innemen in het leven van mensen. Ik denk dat eenieder op een bepaalde manier ´een hunkering´ in zich heeft, een soort verlangen dat er voor ons gezorgd wordt en waarbij we ons geborgen en veilig willen voelen. In het diepgelovige Latijns-Amerika hebben mensen al honderden malen afscheid van me genomen met dezelfde uitdrukking: "Que díos puede acompañar!" (Dat God je mag vergezellen!) Laat ons hopen dat hij dit doet tot op de laatste dag van mijn zwerftocht...

Koffie: appellation controlée...

Costa Rica - Cartago, 15-09-2008 - (dagboek 16)


De protesten zijn geluwd, de lucht opgeklaard. De straten worden schoongeveegd, de zitjes -gedrapeerd in de tricolore vlag- opgeklapt. Toch is de feestvreugde nog niet helemaal voorbij. Ik zie hoe gehaaste gezinnen met jengelende kinderen alsnog een plaatsje zoeken langs de zijkanten van de hoofdstraat om er het jaarlijkse onafhankelijkheidsdefilé te kunnen bewonderen. In de verte roffelen reeds de eerste fanfaredeuntjes. Een te late majorette spurt haastig voorbij. Haar mini-jurk bolt op in haar wedstrijd tegen de tijd waardoor haar roze slipje de aandacht ontlokt van vele tientallen kijklustigen. Het rumoer ontaard in een gezamenlijk gegniffel waarbij hier en daar zelfs een schaterlach weerklinkt. Het zal wellicht de enige vrolijke noot zijn die hier te rapen valt.

Ik laat het obligate feestgedruis achter me en zoek minder artificiële oorden op, zoals de Orosi-vallei in het centrale hoogland. Naarmate de trappers van mijn fiets steeds trager om hun as wentelen, openbaart er zich een felgroen heuvellandschap met pittoreske koffieplantages. Hier wordt de beste koffie van Costa Rica verbouwd, althans als ik de reclamecampagnes van Nespresso -een dochteronderneming van het Zwitserse Nestlé- en Starbucks geloven mag. In de hevige concurrentiestrijd met de koffie uit Colombia, hebben deze ondernemingen een niche gevonden in de koffiemarkt. Tegenwoordig verwerken ze de bonen in hoogwaardige gourmetkloffies en trendy espressosystemen. De grote koffiebazen maken zelfs gewag van een soort appellation, iets wat reeds lang is ingeburgerd bij exclusieve wijnen. Tenslotte wordt de smaak van de koffie ook bepaald door de terroir, de bodem, evenals de hoogte en het klimaat. De koffiebonen vormen inmiddels het nieuwe goud en de milieuvriendelijke wijze van teelt sust ook het geweten van de vele ecologisten.

Wanneer ik langs de uitgestrekte koffievelden fiets, merk ik dat de bessen nog groen kleuren, maar binnen enkele weken zullen ze zich van hun vurigste, dieprode kant laten zien. November en december zijn immers de maanden van de koffiepluk. Tienduizenden Nicaraguaanse plukkers zullen opnieuw uitzwerven over de vlaktes en behoedzaam de rijpe koffiebonen oogsten. Een vrij lang en arbeidsintensief proces omdat elke struik wel tien maal wordt gecontroleerd op rijpe vruchten. Slechts op die manier kan elke bes op het juiste moment worden geplukt. Nicaraguanen staan bekend als goeie werkkrachten en zijn dan ook graag geziene arbeiders in Costa Rica; niet in het minst omdat zij de werkjes opknappen die de Ticos (Costaricanen) tegenwoordig niet meer willen doen. Er is de voorbije decennia eenzelfde migratiebeweging op gang gekomen zoals dat het geval was in België in de jaren zestig en zeventig. Italianen en Turken werden toen massaal aangetrokken om in de Belgische steenkoolmijnen te werken. De meesten van hen zijn na de sluiting eind de jaren tachtig in België blijven wonen. De koffie-, ananas- en suikerrietproductie zullen wel voor altijd het landbouwbeleid van Costa Rica blijven bepalen. Het hoge aantal Nicaraguanen -hun omvang wordt momenteel geschat op één miljoen op een totaal van 4,3 miljoen inwoners- zal ongetwijfeld blijven toenemen.

Zij zullen wellicht niet stilstaan bij de nieuwe ontwikkelingen die zich binnen de koffieproducerende concerns voordoen. Nicaraguanen (en Ticos) drinken sowieso slechts minderwaardige koffie, omdat de kwaliteitsvolle koffiebonen verscheept worden naar Europa en de Verenigde Staten. We zijn kieskeuriger geworden in ons koffiegedrag en vooral minder gulzig. De tijd dat de buurvrouw hele sloten koffie zette voor een dagelijks koffiekransje heeft nu plaats gemaakt voor een schuimig expressokopje, klaargemaakt a-la-minute. Tegenwoordig zweren we bij een klein kopje kwaliteit. Op de thuismarkt wordt dan ook een verbeten strijd geleverd om de koffieslurpende klanten voor zich te winnen. De voorgedoseerde kuipjes zijn handig in gebruik en verdwijnen na consumptie fijntjes tussen het restafval. Bij dit alles hoort natuurlijk ook designachtige koffiezetapparaten. Koffie slurpen met witte handschoenen aan is terug van weggeweest.

Op een boogscheut van de nog oudste in gebruik zijnde kerk van Costa Rica, trakteer ik mezelf op een bakje troost bij Musmani, de grootste en bekendste bakkerijketen van het land. Ik geraak er in gesprek met Juan, een plaatselijke koffieboer. Als ik hem vraag waarom de koffie uit de Orosi-vallei zo gegeerd is, antwoordt hij ontwijkend. "Gegeerd, maar tegen een veel te lage aankoopprijs. De grote koffieproducenten leggen steeds hogere ecologische normen op. We moeten zelf de investeringen doen, maar de prijs die we krijgen voor onze extra inspanningen is niet toereikend. Het zijn de grote producenten, zoals Nestlé die met de winst gaan lopen." Het timbre van zijn stem verraadt wanhoop en ongeloof in een betere toekomst op lange termijn. De dampende aroma van mijn kopje koffie krijgt plots een wrange nasmaak.

Zittend in het mekka van de felbegeerde koffiestruiken besef ik plots hoe moeilijk eerlijke handel is. Grote koffieconcerns zullen hun eigen winstbejag steeds vooropstellen, terwijl de koffieboeren altijd op de laatste plaats zullen blijven. Misschien kunnen we alsnog het tij keren door resoluut te kiezen voor kleinschalige koffieprojecten zoals die van Max Havelaar waar koffieboeren wel een eerlijke prijs krijgen. Het wordt evenwel een moeilijke en lang te bewandelen weg, want we zijn inmiddels zo gewend geraakt aan ons schuimig illy-kopje en de design koffiezet past zo goed bij de nieuw ingerichte moderne keuken. Zo gestroomlijnd zelfs dat de oude, logge koffiemachine met filter al lang op de schroothoop is beland...

Schone schijn...

Costa Rica - Cartago, 14-09-2008 - (dagboek 15)


Cartago ziet er glorieus uit. Naar aanleiding van de nationale feestdag van morgen, 15 september, heeft het lokale bestuur het stadsplein in tricolore kleuren versierd. Een centraal opgesteld podium, een lange tafel in gesteven wit, comfortabel in slagorde opgestelde clubzeteltjes met armleuning, een met bloemen overladen katheder, aanrijdende satellietwagens met schotelantennes en afbakende nadarhekken die een soort niemandszone creëren tussen het hoofdpodium en de plaats waar het publiek zich vrij mag bewegen, vormen decorstukken van een belangrijke avant-première. Alleen de hoofdrolspelers laten nog even op zich wachten. De aanwezige ernst staat in schril contrast met de klassieke deuntjes die uit de luidsprekers rollen en het niveau van Helmut Lotti niet overstijgen. De onafhankelijkheidsdag is immers een volksfeest.

De lucht ruikt naar suikerspin en druipende beignets, maar kleurt dreigend donkergrijs. Voorbijdrijvende wolken dompelen de feeststad in een asgrauwe stemming en roepen een dramatische sfeer op. Het geluid van een opwarmende fanfare die de hymne speelt, verandert daar niets aan. Een kwartier voor het officiële startsein, zetten de hemelsluizen hun deuren wagenwijd open. De straten lopen leeg, de rioleringen vol. Het strakke tijdschema van het feestelijk gebeuren laat evenwel geen ruimte over voor oponthoud en onder een striemende regen opent een stoet doorweekte kinderen met uitgedoofde en slonzig, doornatte lampions de plechtigheid. Het nationalisme wordt hier met de paplepel ingegeven.

Ik zoek me een plaatsje rechttegenover het centrale podium. Ondanks het feit dat het nagenoeg is opgehouden met regenen, hangt er een vreemde sfeer die het midden houdt tussen ingehouden vreugde en opborrelende ergernis. Ik lees geblokletterde slogans op zwevende spandoeken: ´No a la venta de Costa Rica!´, ´No al TLC´, ´Basta Ya de tanta mentira y corruptión!´ (Neen, aan de uitverkoop van Costa Rica! Neen tegen het vrijhandelsverdrag! Stop de veelheid aan leugens en corruptie!) Het beeld dat ik de voorbije weken heb opgebouwd van het stabiele democratische Costa Rica wordt hier onder mijn voeten weggemaaid. Wanneer even later de hoogwaardigheidsbekleders, met ondermeer president Oscar Arias, ten tonele verschijnen ontstaat er een fluitconcert van jewelste. De ontvangst kan allesbehalve openhartig worden genoemd. Twee uur lang observeer ik beide kampen die elk hun eigen belang behartigen. De ene ingegeven door macht en wellust, de ander door een tastbare dagdagelijkse overlevingsdrang. Costa Rica blijkt dan toch niet het beloofde land te zijn, althans niet voor de Ticos (Costaricanen).

Tussen de fel verstoorde toespraken door verzamel ik puzzelstukken van wat er leeft onder de bevolking en probeer ik alles aaneen te lijmen. Een moeilijke opgave, want de vloeiende puzzelranden vertonen meer scherpe kanten dan verwacht. Op het eerste zicht ogen de contouren van het huidige Costa Rica verbluffend mooi. Het land beschikt over droomstranden met onwezenlijk mooie baaien, tropische regenwoud en nevelbossen, rokende vulkanen en een nooit geziene diversiteit aan plantengroei en exotische dieren. De Ticos hebben er zelfs een haast niet te vertalen naam voor bedacht: ´Pura Vida!´, wat staat voor een goed gevoel, een aangename herinnering. Als toerist kan je niet anders dan dat te beamen. Costa Rica bekleedt op het vlak van natuurdiversiteit zondermeer de top drie van alle reeds bezochte landen. Maar zoals een mens niet alleen van de liefde kan leven, zo ook kan Costa Rica zich niet alleen terugplooien op de overweldigende begenadiging van moeder natuur. Een land, hoe verbluffend mooi ook, moet beschikken over een degelijk management aan de top. En daar wringt het schoentje.

Het lijkt haast een constante in heel Latijns-Amerikaan. De bevolking trekt bij elke nieuwe verkiezing keer op keer de verkeerde kaart. Ze kiezen steevast voor iets wat ze eigenlijk helemaal niet willen. Het lijkt erop dat er een soort constructief destructivisme in hun genen zit. Of moet de oorzaak eerder gezocht worden in de manipulatie van de machthebbers? Alle mediakanalen zijn zowat in handen van de voornaamste woordvoerders van het land en maken daar handig gebruik van om hun ongezouten opinies door te drukken bij alle lagen van de bevolking. Neem nu het referendum betreffende het vrijhandelsakkoord. Maandenlang overspoelde de media de bevolking met ´ja-campagnes´ betreffende de goedkeuring van het vrijhandelsakkoord. Het werd een nek-aan-nek race die uiteindelijk nipt werd gewonnen door de voorstanders. De echte ratificering moet nog plaats vinden, maar dat het de verkeerde kant op gaat met ´het Zwitserland van Centraal-Amerika´, valt niet te ontkennen.

Antonio, één van de betogers, windt er geen doekjes om. "Oscar Arias verkoopt zijn land aan de Amerikanen en de Chinezen. De stroom aan buitenlanders die hier een nieuw bestaan opbouwen heeft de vastgoedprijzen de pan doen uitzwingen. We worden weggeprijsd uit ons eigen land. We voelen ons ontheemd." Maar dat is niet de enige wrevel. Sinds de aantreding van Oscar Arias als president waait er een privatiseringsbewind door het land. Terwijl dat president Morales van Bolivië en Chavez van Venezuela net de privatisering een halt proberen toe te roepen, verwelkomt Oscar Arias buitenlandse investeerders met open armen en legt hij de leegroof van zijn land geen strobreed in de weg. Heel wat Tico´s hebben het alsmaar moeilijker om het hoofd boven water te houden. De voorbije vijf jaar zijn diverse elementaire bestaansvoorziening, zoals water en elektriciteit, gigantisch gestegen. De koopkracht van velen onder hen is dan ook drastisch gedaald.

Twee uur lang voel ik de machteloosheid van een teleurgesteld volk dat de hoop op een beter bestaan opnieuw aan diggelen ziet slaan. Ze zijn schimmige marionetten van frauduleuze presidenten die geen voeling hebben met wat er echt leeft onder de bevolking. Mijn puzzel komt zwaar gehavend uit de strijd en de tricolore vlag overschaduwd het ´pura vida´-gevoel. Cartago, de stad waar op 15 september 1821 het onafhankelijkheidsverdrag werd ondertekend, zal morgen evenwel opnieuw wakker worden onder eenzelfde staalblauwe hemel. De slogans zullen nog heel even nagalmen tot een gesmoord gemompel. Daarna zal het leven terug zijn gewone gang gaan, want ook morgen moet er brood op de plank komen...

Ter land, ter zee en in de lucht......

Costa Rica - Turrialba, 12-09-2008 - (dagboek 14)


Een verjaardag moet op een gepaste wijze gevierd worden en waarom niet op een sportieve manier. Neen, niet met de fiets, daar zit ik al meer dan genoeg op, maar al raftend op de wildwaterrivier Pacuare.

Costa Rica is, met zijn overvloed aan woeste rivieren, voor wildwaterfanaten wat het Himalaya-gebied is voor bergbeklimmers. Een soort Mekka dus, dat je toch één keer in je leven moet aandoen. Omdat er tussen de aanbieders van deze avontuurlijke sporttak behoorlijk wat charlatans tussen zitten, die opereren zonder vereiste licentie, heb ik me de voorbije dagen voldoende ingelicht en na veel wikken en wegen is de keuze gevallen op ´Rainforest World´. Deze reisorganisatie wordt gerund door twee Amerikanen die al meer dan twintig jaar in het vak zitten en die veiligheid hoog in het vaandel dragen. Bij aankomst in Turrialba word ik meteen gerustgesteld. De begeleiding bestaat uit twee instructeurs en het materiaal (helm, peddel en reddingsvest) is duidelijk geen afdankertje. Na het doornemen van de laatste veiligheidsinstructies zetten we met zijn zessen, twee Fransen en drie Nederlanders, de Europees getinte expeditie in.

Elke sporttak heeft zo zijn eigen vakjargon, zo ook het wildwaterraften. In een mum van tijd zijn de uitroepen ´adelante´ (voorwaarts) en ´alto´ (stop) vertrouwde begrippen geworden en dobberen we stroomafwaarts mee op het woeste water dat zich een weg baant door een beboste vallei met steile hellingen. De stroomversnellingen zijn afhankelijk van de moeilijkheidsgraad ingedeeld in diverse categorieën, gaande van klasse één tot klasse vijf. Het wordt me al gauw duidelijk dat we een rit vol dolle pret en behoorlijk gespetter tegemoet gaan. De boot walst als een speelgoedvaartuigje over de kolkende watermassa en slingert zich tussen uitgesleten rotsblokken. Het is onwaarschijnlijk hoe de stroming je vaak op een dwaalspoor zet. Telkens ik denk dat we wederom genadeloos tegen één of ander obstakel zullen aanbotsen, zwiept onze rubberen sloep door de stroming de andere kant op.

Wanneer vanuit de verte het opspattende water en de nauwe doorgang ons vermoeden bevestigen dat we afstevenen op een stoomversnelling van categorie vier, stijgt bij eenieder de adrenaline. Het regenseizoen zorgt ervoor dat het water zich met nog meer geweld een doorgang zoekt naar de monding van de rivier. Het spektakel is dus te groter en het manoeuvreerwerk des te moeilijker. Op advies van de begeleiders peddelen we uit alle macht stroomafwaarts mee. De boot tolt door het dolle heen en heel even lijkt het erop dat ik in het ijle peddel. De hoge golven geven me het gevoel dat ik op een stuurloos vliegend tapijt zit. De hevige klap in de kolkende watermassa brengt me evenwel terug naar de realiteit en plichtsbewust zet ik het peddelen verder. Eenmaal het woeste water plaats maakt voor rustig dobberen, slaan we spontaan de peddels tegen elkaar en slingeren we de kreet ´pura vida´ -zowat de levenskreet van de Costaricanen en dat zoveel betekent als ´geniet van het leven´- het luchtruim in. Mocht je niet beter weten zou je denken dat we net een gouden medaille hebben binnengehaald.

Gelukkig gaat de rivier niet op alle plaatsen zo wild tekeer en kan ik, net als de rest van het gezelschap, ruimschoots genieten van de voorbijglijdende wonderlijke omgeving om me heen. Het dichte regenwoud beleef je vanop het water intenser doordat het weelderig tropisch behang een extra dimensie krijgt. Je wordt een stukje één met de rivier, met de groene wereld die je omringd. Tussendoor zoeken we nog wat afkoeling -alsof we daar tot dusver gebrek aan hebben gehad- door ons al stappend naar één van de vele watervallen te begeven en ons al drijvend te laten dobberen in de groene poel. Vijf uur later en 29 km verder zit de pret er definitief op.

De kennismaking met een voor mij totaal aparte sporttak was een schot in de roos en meer dan ooit een geslaagde bekroning van twee jaar zwerversleven. Ooit doe ik het nog eens over...

Hip,hip...

Costa Rica - San José, 11-09-2008 - (dagboek 13)


Hoera! Precies vandaag mag ik twee kaarsjes uitblazen en liefdevol terugblikken naar één van de mooiste periodes uit mijn bestaan. Twee jaar lang heb ik het geluk gehad om in alle vrijheid te kunnen genieten van elke nieuwe dag, telkens opnieuw. Onlangs kreeg ik een mail van iemand die ik heb leren kennen tijdens mijn fabelachtige tocht naar Antarctica. Refererend naar zijn eigen ervaringen uit een wereldreis van bijna een jaar die hij samen met vrouw en dochter had ondernomen, vroeg hij of ik na al dat zwerven nog verwonderd kan zijn over de zaken die ik op mijn weg tegenkom. "...Word jij het niet beu, zo lang onderweg? Wij vonden het na elf maanden op wereldreis al voldoende, wij verloren een beetje de verwondering ("alweer een mooie berg, mooie stad, mooi landschap,...")..."

Het mag misschien vreemd klinken, maar ook op de verjaardag van twee jaar vol omzwervingen kijk ik nog steeds vol verwondering om me heen. Toegegeven, na zovele opgedane indrukken zijn de superlatieven misschien wat afgezwakt, maar ik wil niet wennen aan wat zogenaamd vanzelfsprekend is. Op reis is vanzelfsprekendheid trouwens niet van deze wereld. ´s Morgens weet ik vaak niet waar ik ´s avonds zal belanden, of het een nachtje in een knus, warm bedje wordt of op mijn flinterdun slaapmatje in de tent, of het een dag zal worden met boeiende ontmoetingen of eentje waar de stilte verdrongen wordt door panoramische vergezichten, of het een verkwikkende warme douche wordt na een dagje fietslabeur of een ijskoude druppelende waterstraal. Ik begeef me elke dag opnieuw op een lange, brede weg waar de horizon niet is opgevuld. En dat mag voorlopig nog zo blijven. Misschien is dat wel het mooie aan elke dag; dat niets vastligt, dat alles kan gebeuren. Het onvoorspelbare, het zich niet vastklampen aan zekerheden heeft ervoor gezorgd dat ik bedachtzamer ben gaan leven en wellicht daardoor het geluk in mijn leven heb gevonden.

Geluk blijft evenwel een groot woord en is uiterst kwetsbaar. Een week geleden werd ik geconfronteerd met de negatieve zijde van het reizen en kwam er meteen een ontzettende streep door mijn geluksgevoel. Het heeft me doen inzien dat we niet heer en meester zijn over ons eigen leven, ons eigen geluk. Je mag dan wel zelf bepalen dat je morgen op reis gaat, maar niet dat je levend terugkomt. Klaas Hendrikse, het enfant terrible van de protestantse kerk, dominee en atheïst, heeft dat gevoel ooit eens op een passende wijze beschreven als ´volwassen afhankelijkheid´. Alles wat werkelijk van waarde is, kan je alleen maar gegeven worden. Met het geluk is dat niet anders. Dat je dat ook af en toe ontnomen kan worden, maakt helaas deel uit van het leven. Trouwens wie lang genoeg op deze aardbol rondloopt, komt er sowieso niet zonder kleerscheuren doorheen. Het is geen makkelijke opgave, maar het leren aanvaarden van onze lotsbestemming, ´le destin´ is nu eenmaal onvermijdelijk.

Als ik terugblik naar de voorbije twee jaar dan stel ik vast dat reizen voor mij één van de mooiste en boeiendste zaken is ter wereld. Tezelfdertijd is het ook één van de moeilijkste, omdat je hoofd elke dag opnieuw wordt aangevuld met beelden en indrukken. Soms gaat het te snel en heb ik moeite om ze in hun juiste referentiekader te plaatsen. Ik hou ervan om die veelheid aan beelden en indrukken te kneden tot een volmaakt kunstwerk, te boetseren tot een gepolijst geheel. Mijn reflecties tonen niet altijd het mooist fraaie beeld van de dagdagelijkse werkelijkheid, maar ik denk dat het een onvermijdelijk gevolg is van het inzoomen op kleine werelden; het typeren van mensen en situaties; gevoelens met details. Ik hou niet van het wegmoffelen; ik wil de dingen laten zien zoals ik ze zie en aanvoel. Pas dan heb ik het gevoel dat ik echt aan het reizen ben, aan het ontdekken.

Dat de fiets voor mij, ook na twee jaar, het ideale vervoersmiddel is om te blijven ontdekken en zwerven over de grens heen, staat als een paal boven water. Mijn zwaar beladen fiets mag dan wel door de vele tassen de allures aannemen van een moto op twee dunne banden, voor mij is dit gevaarte een deel van mijn leven geworden, een reizend hotelletje waarmee ik van dorp tot dorp fiets, van stad tot stad, van land tot land. Fietsen, niet als doel op zich, maar als middel om te flaneren tussen grenzen; zichtbaar en onzichtbaar, fysiek en metaforisch. Mijn fiets als een ´on-the-road´-zijn, als een beweging van een wereld, waarin ik al bewegend wil getuigen over deze beweging.

Nu mijn zwerftocht de drempel van twee jaar heeft overschreden en het aftellen van een terugkeer naar het thuisfront is ingezet, denk ik wel eens hoe onwennig mijn eerste passen zullen zijn op Vlaamse bodem. Het zal een confrontatie van vervreemding zijn. Met de ogen van een zwerver zal ik kijken naar dit lage, betonnen landschap dat België zo kenmerkt. Mijn hart zal misschien kortstondig een sprongetje van vreugde maken wanneer ik voor het eerst terug de Grote Markt van Ieper opfiets -meer uit gevoel van opnieuw veilig thuis te zijn-, maar mijn hart gaat er niet sneller door slaan. België is niet langer mijn ´thuisland´. Door het reizen ben ik stilaan ontheemd geraakt; een soort vreemdeling in eigen land, in eigen streek. Van al die ´thuisplekken´ heb ik wel iets in mijn fietstassen gestopt, maar overal heb ik ook wel iets achtergelaten: tranen van diepmenselijk geluk. Laat ons hopen dat ik er nog vele mag achterlaten, nu en in de verre toekomst...

Haymi, de vertellende dorpsgek...

Costa Rica - Puerte Jiménez, 10-09-2008 - (dagboek 12)


Het was gisteren inderdaad een eenzame en vooral modderige tocht, al werd de desolaatheid en de stappende stilte ruimschoots goed gemaakt door een parade aan wildlife en een onnabootsbaar symfonisch dierenconcert. Heel even gaf de confrontatie met een uiterst kroostrijk gezin witlippecari´s (tapirs) me niet bepaald een veilig gevoel. Ik moest onvermijdelijk terugdenken aan een artikel dat ik ooit eens gelezen heb over een regenwoudbewoner die openlijk toegaf dat een confrontatie met een jaguar hem minder angst inboezemde dan een grote groep witlippecari´s. Tenslotte begaf ik me als een vreemde eend op hun territorium. De enige uitweg bij een aanval is de spurt inzetten naar hogere gelegen oorden. Ik vrees dat mijn klimkunst niet meteen hoge toppen scoort. Wijzelijk heb ik dan maar voorzichtig de aftocht geblazen.

Vandaag heb ik de laatste voettocht ingezet. Vijf uur lang stap ik nog een laatste maal door de uitlopers van het tropisch regenwoud en moet ik zeker tot twintig keer toe de rio Rincón doorwaden om terug de beschaving te bereiken. Eenmaal terug in Puerto Jiménez probeer ik alsnog uit te zoeken of het wel de moeite loont om nog de handvol overgebleven goudzoekers op te zoeken. Diverse bronnen stellen weinig hoop op een openhartige ontmoeting en de kans dat ik er enkele aan het werk zal vinden, is mede door het regenseizoen uiterst miniem. Ik zoek dan maar troost bij de verhalen van weleer.

Een wandelende encyclopedie over de goldrush is de wat gestoorde Haymi. Hij is afkomstig uit het Amerikaanse Texas, kwam hier naartoe als priester, maar geraakte door overdadig drankgebruik stilaan in de marginaliteit. Vandaag zwerft hij als dakloze doelloos door de stoffige straten van Puerte Jiménez, terwijl menslievende dorpsgenoten hem te eten geven. De gedetailleerdheid waarmee hij de hoofdpersonages nieuw leven inblaast en elk gevoel voor ironie niet onder stoelen of banken steekt, maken de goudverhalen nog sappiger. Het moet een cosmopolitisch samenleving geweest zijn vol intriges, bedrog, wraak, afgunst, hoop, liefde en geluk.

Want dat er ook echte gelukzakken rondliepen, die wel een aardige stuiver wisten bijeen te vinden, wordt verpersoonlijkt in het levensverhaal van Patrick Ó Connor. Deze Amerikaan maakte op twintigjarige leeftijd de reis die alles bepalend was voor de rest van zijn leven. Aangetrokken door de wilde verhalen over goudzoekers ten zuiden van Costa Rica, ging hij ook hoopvol zijn geluk achterna. Hij was evenwel niet de persoon om dagenlang op dezelfde plek te blijven graven. Hij vond zijn goud onder een andere vorm, meerbepaald door als koerier op te treden tussen de goudzoekers en aankopers van goud. Patrick speelde het handig. Hij gaf voor de aankoop van het goud een iets betere koers dan wat de bank hem bood -in die tijd moest al het gevonden goud aan de plaatselijke bank verkocht worden- en smokkelde vervolgens het goud de grens over waar hij het aan een nog betere koers kon doorverkopen. Patrick werd als ´goudloper´ een begrip tot in de wijde omgeving. Een bijnaam die hij vooral te danken had aan zijn onbevreesdheid. Wanneer de nacht over de heuvels rond het schiereiland viel, trok hij zijn zevenmijlslaarzen aan, gooide zijn proviandzak over de ene schouder, de rijkdom aan goudklompjes over de andere en ging op pad, de duisternis tegemoet. Hij was de enige die als een schim in de nacht de gevaren van de jungle durfde te trotseren. Zelfs schurken waagden er zich niet aan. Zijn moed werd de sleutel tot zijn succes. Patrick zat ook niet verlegen om anekdotes rond zijn legendarisch leven kwistig rond te strooien. Zo vertelt Haymi hoe Patrick wel honderden keren het verhaal over de frijoles (bonen) opdiste, telkens het alcoholgehalte hem wat teveel naar het hoofd steeg. "Op een dag had Patrick zich zo´n stuk in zijn kraag gedronken dat hij bij het verlaten van het café een zak met maar liefst tien kilo goud achterliet. Toen hij de volgende dag terugkeerde naar dezelfde kroeg, zei de barman spontaan: ´Je hebt gisteravond je zak frigoles, bonen, laten staan...´ " Haymi proest het jaren later nog steeds uit van het lachen, ook al vertolkt hij slechts de rol van verteller. Patrick is de enige gringo die na de goldrush is gebleven. Ongetwijfeld zal het huwelijk met Roxanne, geboren en getogen in Puerto Jiménez, daar wel voor iets tussen zitten.

Niet alleen personen kleurden de uitzichtloosheid en de hoop op een beter leven met de nodige verve, ook bepaalde locaties werden haast tot nationaal monument verheven. Zo was de bar ´Endiga´ de plaats waar de goudzoekers, na een lange week van geploeter, de meisjes van plezier kwamen opzoeken. De stamcafé van de goudzoekers was ongetwijfeld ´Ranche d´ Oro´. Deze bar werd gerund door de Amerikaan Steve Love, die er een gouden zaak op na hield. Elke vrijdagavond kwamen de goudzoekers immers terug van de bergen met hun gevonden winst van de voorbij week. Ze lieten het goud bij Steve wegen, die het vervolgens naar een achterkamertje bracht waar een goudschatter de kwaliteit ervan moest bepalen. Steve deed er steevast een schepje bovenop. Een goeie vangst stond immers synoniem vooreen toernée général. Telkens Steve Love de bel voor een zoveelste traktatie door de hele dranktent liet schallen, haalden de gewapende goudzoekers spontaan hun revolvers tevoorschijn en schoten ze een kogel door het plafond. Naar het schijnt moest Steve ieder jaar zijn dak vernieuwen.

Waarheden en fabels vloeien rijkelijk samen naarmate het alcoholisch bier een zichtbare werking krijgt op mijn praatgrage zonderling. Haymi beweert jaren geleden ooit een boek te hebben geschreven over de goldrush. Van dorpsgenoten had ik echter vernomen dat hij niet vies is van grootheidswaanzin en zijn eigen leugens soms gelooft. Als ik hem vraag om een exemplaar te kopen, zegt hij: "Ach, als ik alles zou moeten opschrijven dan zou het boek meer dan duizend bladzijden tellen. Maar wie zou zoiets nu kopen. Nu ik eraan denk, ik moet nog gaan werken." Hij schudt mij een hand en sjokt enkele tellen later sjofel en licht beneveld doorheen de zanderige straat die uitgeeft op de enige geasfalteerde weg, la Avenida Principale. Achter zich aan sleept hij zakken vol plastiek. Ik hoor hem luid in het ijle mompelen. Ach, denk ik bij mezelf, ooit komt er een dag dat de verhalen over de dorpsgek van Puerto Jiménez die van de legendarische goudzoekers zullen overleven...

Het Corcovado park...

Costa Rica - Corcovado, 08-09-2008 - (dagboek 11)


Het is nog schemerdonker wanneer ik me naar de mangoboom begeef, de plaats waar de vrachtwagen langs komt om landarbeiders en toeristen naar het veertig kilometer verderop gelegen Carate te brengen. Het is volop regenseizoen in Costa Rica en dat heeft ook zijn weerslag op het toerisme. Ik tel slechts twee koppels avonturiers. Ook de ligging van het Corcovado park op het geïsoleerde Osa schiereiland zorgt ervoor dat heel wat backpackers dit stukje ongerept natuurgebied links laten liggen. Nochtans staat dit park te boek gesteld als het meest oorspronkelijke regenwoudgebied waar nog tal van zoogdieren en insecten er tot op de dag van vandaag overleven. Het wegblijven van het massatoerisme kan het park en zijn schaarse bezoekers alleen maar ten goede komen.

Het Corcovado park heeft het in het verleden evenwel op ecologisch vlak hard te verduren gekregen. Niet alleen vormden houtkap en de opmars van veebedrijven jarenlang de grootste bedreiging ten westen van het schiereiland, ook de goudkoorts heeft zijn sporen nagelaten. De meer gefortuneerde goudzoekers hanteerden immers rigoureuze methoden om goud op te sporen. De ingezette machines veroorzaakten grote erosie en het gebruik van kwik bij de goudwinning om het goudstof te binden, verontreinigde ontelbare rivieren die het gebied doorkruisen. De verklaring tot nationaal park en beschermd gebied heeft de oprukkende teloorgang en de ecologische kwetsbaarheid een halt kunnen toeroepen en gelukkig maar.

Een dag lang wandel ik doorheen een verblindend mooi nevelwoud waar moerassige gebieden worden afgewisseld met verlaten zandstranden en openbaart zich een dierenwereld die zijn gelijke niet kent. Het dichte kronendak van duizelingwekkende, metershoge bomen zorgt er tevens voor dat het regenwoud gespaard blijft van hevige wind en sterke temperatuurschommelingen. Ik ontdek dan ook dat het regenwoud een orgie is van vegetatievormen die allen in stilte vechten voor hun plaatsje onder de zon. Planten en bomen gedijen er elk op hun manier. Schaduwplanten en lage palmsoorten wisselen zich moeiteloos af met woudreuzen en slingerplanten die de geringste lichtinval aangrijpen om razendsnel de hoogte in te schieten; nu eens rank en sierlijk recht, dan weer eens eindeloos kronkelend. De dichte bladerkronen vormen een warmgroen parasolachtig plafond dat door de snelle opeenvolging van zon, bewolking, regen en mist het woud telkens weer in een andere stemming hult. Ook al zwoeg ik met een veel te zware sporttas die moet dienst doen als rugzak, ik geraak niet uitgekeken op die immense wildernis en zijn huisdieren. Brulapen proberen het gekrijs van de felkleurige ara´s te overstemmen, terwijl tapirs met hun niet geringe omvang de relatief kleine capibara´s moeiteloos verdringen. Mijn route wordt meermaals doorkruist door ontelbare wriemelende mieren die in lange rijen mooi versneden blaadjesdelen torsen naar hun verscholen woonplaats. De fascinerende ontdekkingstocht zorgt er ei zo na voor dat ik haast verdwaal. Of heeft mijn desoriëntatie eerder te maken met de wel heel gebrekkige wegbewijzering?

Na zeven uur stappen bereik ik doodop, maar zielsgelukkig het kampement ´La Sirena´. Onder een houten beschutting plaats ik mijn tentje naast dat van twee andere koppels die de dag ervoor hier zijn aanbeland. Tijdens het avondeten probeer ik hen ertoe te overhalen om morgen het traject naar het volgende kampeergebied, Los Patos, te ondernemen. Niemand voelt er echter veel voor om de zware en modderige route te volgen. Het zal een eenzame solotocht worden, vrees ik...

Een wereld van uitzichtloosheid en hoop...

Costa Rica - Puerte Jiménez, 07-09-2008 - (dagboek 10)

De Fransman Sven bood mij spontaan een plekje voor de nacht aan, maar voor één keer had ik mijn bedje al op voorhand gereserveerd, niet in één of andere hostal, maar ten huize van Tao Watts. Deze 47-jarige Amerikaanse is één van de 600.000 leden van de CouchSurfing organisatie; een internationaal, op internet gebaseerd gastvrijheidsnetwerk waarbij de geregistreerde leden je gratis een slaapplek aanbieden in hun eigen huis. Couch betekent letterlijk sofa, maar Tao Watts gaf mij evenwel een knusse kamer met privébad ter beschikking.

Het boeiende bij dergelijke contacten is dat je kennis maakt met mensen die ofwel geboren en getogen zijn in de streek of het land dat je aandoet of er toch alvast al een hele tijd verblijven. Tao Watts ruilde haar geboorteland Amerika bijna twintig jaar geleden in voor een rustiger bestaan langs de Westkust van Costa Rica. Ze arriveerde net nadat de regering het tropisch regenwoud op het Schiereiland Osa tot beschermd nationaal gebied verklaarde. Het ontstaan van het nationaal park Corcovado had verstrekkende gevolgen voor de vele duizenden gelukzoekers die van heinde en ver kwamen afgezakt om er goud te zoeken. Decennialang oefende Puerto Jiménez en zijn onmiddellijke omgeving een magnetische aantrekkingskracht uit op mensen van allerlei slag en soort die hoopten op korte tijd snel fortuin te maken. De regio werd een soort Wilde Westen met een onuitputtelijk boek vol verhalen, legendes en intriges. Een avondlang luister ik geboeid naar de ´ historias minimas´ over een ver verleden die nog voortleven in de geest van zijn bewoners.

Urenlang word ik ondergedompeld in een desolate wereld vol armoede en tragiek, waarbij de uitzichtloosheid van het bestaan bij vele goudzoekers onuitwisbare groeven vormden op hun getaand gelaat. Het meest aangrijpende is dat van een Duits stel afkomstig uit Beieren, bijgenaamd Peacie en Mousie. Peacie was een geboren voorvechter van de wereldvrede en verwierp alles wat maar enigszins een zweem had van materialisme. Hij keerde zijn thuisland de rug toe, omdat hij intuïtief aanvoelde dat hij er samen met zijn geliefde nooit een gelukkig bestaan zou kunnen opbouwen. Na een lange omzwerving arriveerde hij in de Costaricaanse hoofdstad San José waar hij in een mum van tijd met zijn muzikaal talent een beroemd pianist werd. Hij speelde bij valavond liefdesballades terwijl dronken Amerikanen wellustig in de billen knepen van gewillige meisjes van plezier. Het ging Peacie en Mousie voor de wind. Avond na avond keerde hij met ettelijke honderden dollars op zak terug naar de hotelkamer die ze huurden. Op een avond maakte Peacie evenwel kennis met een andere Duitser die hem vertelde over een aards paradijs op het Schiereiland Osa; te midden van de jungle waar mensen leefden in volstrekte eenheid met de natuur, zonder elektriciteit, telefoon of auto. Die bewuste avond besefte Peacie dat de bestemming van zijn ideale wereld daar verscholen lag. De dag erop pakte hij en Mousie hun koffers en startten een nieuw bestaan.

Al gauw bleek dat het leven ver buiten de bewoonde wereld geen sinecure was. Het leven in dit afgelegen oord was stukken duurder en in een mum van tijd slonken hun spaarcenten als sneeuw voor de zon. Er zat hen niets anders op dan, net als zovele anderen, goud te gaan zoeken. Het ging hen echter niet voor de wind. Niet alleen duurde het ettelijke maanden voor ze de techniek en de juiste slag van de goudpan onder de knie hadden, maar evenzo vonden ze niet meteen de beste plaatsen waar het edele metaal zich ophoopte. Ook op gezondheidsvlak kregen ze zware klappen te verduren. Door het hoge zuurtegehalte in de rivier kregen ze al snel last van huidaandoeningen, ontstekingen van allerlei aard staken de kop op en het gezichtsvermogen van Peacie ging zienderogen achteruit. Na enige tijd bleef er van hen niet veel meer over dan twee wankele skeletten. De situatie werd pas uiterst kritiek toen Peacie geveld werd door tuberculose. De boom van een vent (1,85 m) woog nauwelijks nog 55 kilo. Maar de drang om te overleven was sterker dan ooit en Peacie krabbelde terug. Het echte geluk hebben ze nooit gevonden, evenmin voldoende goud om een rustig bestaan te kunnen leiden. Vijfentwintig jaar geleden hebben ze, net als alle andere gringo´s, het eiland verlaten. Het einde van de goldrush was voorbij en het verbod om nog langer naar goud te zoeken binnenin het Corcovadopark betekende het einde van een aparte wereld vol dromers en gelukzoekers. Wat er van Peacie en Mousie is geworden weet niemand...

De ´in between´ positie...

Costa Rica - Puerte Jiménez, 07-09-2008 - (dagboek 9)


De busrit Puerto Jiménez, gelegen op het uiterst zuidelijke schiereiland van Costa Rica, voert me over de befaamde bergtop ´el Cerro de la Muerte´. De onheilspellende naam van de Doodsberg (hoogte 3491m) ontstond aan het einde van de 19de eeuw toen boeren vanuit ´el Valle del General´ hun runderen over de pas naar de veemarkten in San José dreven. Sommige boeren overleefden de tocht niet doordat ze tijdens de overnachting in de open lucht dodelijke longontstekingen opliepen. De tijden zijn gelukkig veranderd en tegenwoordig zit iedereen warm opeengepakt in een stomende bus of auto. De schitterende vergezichten zijn echter dezelfde gebleven, maar de laaghangende wolken en flarden mist ontnemen me evenwel dit genot. De evolutie van het leven zal wel altijd achternahinkelen op de wetten van moeder natuur.

De bus dropt me na een rit van acht uur (380 km) af aan de oever van de Golfo Dulce (Zoetwaterbaai), vlakbij het stadje Golfito. In de jaren vijftig werd deze plek voor de bananenexport gesticht door de United Fruit Company, één van de drie grootste bananenbedrijven van Costa Rica. De stad was ingedeeld in twee zones. Ten oosten leefden de arbeiders, ten westen de Amerikanen. Tussen beide stadsdelen lag een 1 km lange strook niemandsland. De scheidingslijn heeft sinds 1984 -toen het bedrijf de productie wegens het rampzalige bananenvirus (de zogenaamde Panamaziekte) stopzette- aan betekenis verloren. Anno 2008 is Golfito niet meer dan een schakel tussen het vasteland en het schiereiland Osa waarbij Puerto Jiménez zowat het voornaamste kustplaatsje is.

Wachtend op de ´lancha´ (bootje) maak ik kennis met Sven, een jonge Fransman die hier drie jaar geleden een nieuw bestaan heeft opgebouwd. Enige tijd voordien maakte hij een rondreis doorheen Zuid- en Midden-Amerika, ontdekte per toeval het heuvelachtig schiereiland Osa en was meteen verkocht. Samen met een Amerikaanse vriend die hij had leren kennen tijdens zijn omzwerving besloot hij een restaurant uit te baten met uitzicht op zee. Tijdens de bouw van het complex in bamboe geraakte zijn vriend evenwel verliefd op een lokale schone en trouwde. De plannen voor een restaurant zijn ondertussen definitief opgedoekt zodat Sven de komende weken een beslissende keuze moet gaan maken: blijven of weggaan. Terugkeren naar Frankrijk is uitgesloten, daarvoor is hij al te lang weg van huis. Sven bevindt zich in de ´in between´ positie, waarbij de contouren van Frankrijk, maar ook van het Fransman-zijn meer en meer naar de achtergrond zijn verdwijnen. De Europese jachtigheid heeft plaats gemaakt voor de rustig-aan-mentaliteit. Costa Rica, meerbepaald de kuststrook op het schiereiland Osa is zijn nieuw ´thuisland´, de plaats waar hij zich thuisvoelt.

Ik blijf me verbazen hoe reizen ingrijpende gevolgen kan hebben op je verder levensverloop. Welke impact mijn boeiende fietstocht op lange termijn zal hebben op mijn verder leven is nog onduidelijk; maar dat ik niet meer dezelfde persoon ben als voorheen is zeker een feit. Zo heb ik tijdens mijn lange zwerftocht ondermeer vastgesteld dat ´mijn thuis´ niet langer geografisch afgebakend is. Ik ben me thuis gaan voelen op verschillende plaatsen in de wereld. Misschien wel omdat er tussen al het vreemde dat ik heb aangetroffen een flink stuk herkenbaar blijft. Ik denk dat ik stilaan een tussenfiguur ben geworden, iemand die ergens tussen hangt; niet af, steeds wordend, steeds veranderend. Ik denk dat Sven ook zo iemand is geworden. Ook al gaat hij misschien weg, terugkeren doet hij ooit...

Boerke Naas...

Costa Rica - San José, 05-09-2008 - (dagboek 8)


Ik ben aangekomen in de hoofdstad van Costa Rica, San José. De terugtocht uit Tortuguero verliep vrij vlot, maar uit veiligheid heb ik bij mijn vertrek wel een andere route genomen dan bij mijn aankomst. De kans dat ik de malafide jongelui opnieuw tegen het lijf ging lopen, was uiterst gering, maar je hoeft slapende honden tenslotte ook niet wakker te maken.

Op mijn tweedaagse fietstocht naar San José heb ik meer dan ooit nagedacht hoe ik mij in de toekomst nog beter kan beschermen tegen onverwachte narigheid. Aan mijn fiets bengelt wel een peperspray die doeltreffend kan werken, maar waar je toch niet veel mee kan aanvangen van zodra je oog in oog staat met meer dan één belager. En per slot van rekening blijf je als eenzame fietser altijd wel een gewillig doelwit. De kans op groot materieel verlies bij een toevallige beroving kan ik wel tot een absoluut minimum beperken. Zo heb ik vanaf nu besloten om niet langer nog waardevolle spullen op te bergen in mijn stuurtas. Tijd is bij een beroving in 90% een doorslaggevende factor. Dieven willen snel toeslaan en hebben het vooral gemunt op geld en cameratoestel. Het zijn twee zaken die ik voor het gemak steeds tot dusver opborg in mijn stuurtas. Maar in feite weegt het gemak niet op tegen de reële gevaren. Tenslotte maak ik onderweg in hoofdzaak enkel panoramische foto´s van landschappen en heb ik alle tijd om op mijn dooie gemak mijn grote spiegelreflexcamera uit één van de fietstassen aan de zijkanten uit te diepen. Ook mijn geldbeugel kan ik tijdens het fietsen best op een veiliger plaats wegstoppen. Als ik iets koop tijdens het fietsen is het hooguit een kleinigheid om te eten of om me te laven aan verfrissende versgeperste vruchtensappen. Een dagdagelijks ritueel waar ik sowieso toch wat tijd voor uittrek.

Naar aanleiding van het gebeuren bestaat de inhoud van mijn stuurtas sinds gisteren dan ook uit een valse portefeuille; waar naast vijf echte dollars een hoop bankbiljetten insteken afkomstig uit de vele landen die ik reeds heb aangedaan en die te klein zijn om te wisselen, waardoor ze nagenoeg geen waarde meer hebben. In een doorzichtige plastiekzak heb ik ook mijn kapotte digitale camera gestopt die ik tijdens de beklimming van de berg ´el Pico Bolivár´ in Venezuela heb laten vallen. Ogenschijnlijk twee waardevolle zaken, maar in wezen totaal waardeloos. De kans dat ik er bij een volgende beroving met evenveel geluk vanaf kom, is onwaarschijnlijk klein. Laat ons hopen dat mijn tactiek even doeltreffend is als dat van Boerke Naas uit het gedicht van Guido Gezelle.

Dat ik wild kamperen in Centraal-Amerika zal vermijden, staat als een paal boven water. Gisteren heb ik trouwens nogmaals vastgesteld hoe gastvrij brandweermannen hun kazerne openstellen voor een verdwaalde zwerver. In de stad Guápiles kreeg ik zelfs spontaan een bed aangeboden en kon ik vrij gebruik maken van douche en keukenfaciliteiten. Het schept, vooral naar de toekomst toe, toch een zeker vertrouwen dat ik in geval van nood daar altijd kan aankloppen. Desondanks voel ik dat het tijd zal vergen eer ik opnieuw wat vertrouwen heb tijdens het fietsen. Telkens ik langs een min of meer verlaten stukje weg fiets, bekruipt mij een onbehaaglijk gevoel. Ook bij mijn aankomst in San José voel ik aan den lijve hoe het gebeuren een diepere indruk heeft nagelaten dan ik zelf toegeven wil. Terwijl ik in het park te midden van het centrum mijn stadsplan bovenhaal om mijn fiets in de richting van een hostal te sturen, komt een jongeman op me af. Hij heeft iets in zijn handen, maar doordat ik opnieuw word overvallen door een panische angst merk ik pas enkele tellen later opgelucht op dat de man leurt met speelkaarten. Ik heb dan ook besloten om de fiets een weekje op stal te zetten en met de bus naar het uiterste zuiden van Costa Rica af te reizen om er een driedaagse trekking te ondernemen in het nationaal park Corcovado. Hopelijk zal het mijn zinnen wat verzetten en kan ik tegen eind volgende week opnieuw met eenzelfde zwerversliefde mijn tocht verder zetten...

Ecotoerisme belicht onder een wassende maan... (deel 2)

Costa Rica - Tortuguero, 03-09-2008 - (dagboek 7)


Het is een riskante onderneming, want word ik betrapt door de nachtpatrouille dan hangt er mij wellicht een fikse geldboete boven het hoofd. Uiteindelijk beslis ik om het er toch op te wagen. Het strand is totaal verlaten en alleen een sikkelvormige maan werpt wat licht op de golvende zee. Ik probeer aanvankelijk sporen van aangespoelde schildpadden op te zoeken om hun nestschuilplaats te vinden, maar de zoekactie levert niets op. Daarna loop ik ettelijke malen de plaats af waar het zand overgaat in lage vegetatie, maar ook dat levert niks op.

Net wanneer ik beslis om terug te keren naar de hostal zie ik vanuit de verte een gedaante opdoemen. Heel even word ik overspoelt door gevoelens van angst. Per slot van rekening ben ik hier totaal alleen en weet niemand dat ik hier vertoef. Uiteindelijk stap ik zelf op hem af. De jongeman heet Victor en is geboren en getogen in Tortuguero. Op mijn vraag of hij weet waar ik het nesten kan gadeslaan, neemt hij me mee op speurtocht. In nog geen vijf minuten tijd vinden we er een drietal. Eentje is net begonnen met het schoonmaken van de plaats waar ze de eieren zal achterlaten. Wat volgt is een ongelooflijk schouwspel. Twintig minuten lang is het beest druk in de weer met het graven van een diepe kuil. Verbazingwekkend handig graaft ze met haar achterste flippers een nest van ongeveer veertig centimeter diep. Het graafwerk gaat gepaard met opstuivend zand dat twee tot drie meters ver de lucht wordt ingekatapulteerd. Intussen krijg ik met mondjesmaat informatie los van Victor.

Na lang aandringen biecht hij me de ware reden op van zijn aanwezigheid. "Ik kom hier langs om eieren te stelen om die dan later op te eten." Zonder mijn reactie van verontwaardiging af te wachten, probeert hij zijn daad te rechtvaardigen. "Ik ben een kind van de zee, van ´el tortuga´. Ik ben hier geboren en doe in wezen niks anders dan wat mijn grootouders en ouders decennia lang hebben gedaan." Het is een algemeen gegeven dat zeeschildpadden in het verleden een onmisbare hulpbron waren voor de bewoners van de kuststreken in Latijns-Amerika. Zo werden van de soepschildpad eieren, vlees, huid, olie en het schild gebruikt voor consumptie en commercie. De hoornlaag van de karetschildpad werd jaren lang gebruikt voor het vervaardigen van brilmonturen, kammen en sieraden. De systematische en commerciële jacht heeft er evenwel toe geleid dat de schildpaddenpopulatie er in de twintigste eeuw drastisch op achteruit is gegaan. "Wist je dat schildpadeieren goed zijn voor de potentie?" Victor kan zijn pret nauwelijks onderdrukken, maar ik kan me best inbeelden dat het voor de warmbloedige latino´s inderdaad een niet te versmaden gerecht is. "Zelfs het vlees is een delicatesse!" Wanneer ik mijn verontwaardiging alsnog uitdruk, gaat hij andermaal in het verweer. "Ach, er gebeuren hier veel ergere dingen dan wat ik hier doe. Weet je dat er nachten zijn waar dieven met kleine bootjes vanuit Puerto Limón aanmeren om hele nesten te roven? De eieren worden op de markt in de havenstad verkocht aan 300 Colones het stuk (40 eurocent)." Op zich lijkt dat niet veel, maar als je ervan uitgaat dat elke nest zo´n honderd eieren telt en ze per nacht met gemak vijf nesten leegroven, dan is de opbrengst toch goed voor een slordige 200 euro. Naar Costaricaanse maatstaven is dat bijna het dubbele van het maandelijks bestaansminimum. Op mijn vraag of er dan geen controle wordt uitgevoerd op deze illegale handel haalt hij onverschillig zijn schouders op. "Door gebrek aan financiële middelen is er zo goed als geen controle´s nachts en eenmaal buiten de grenzen van het natuurreservaat zijn de dieven vrije vogels."

De schildpad is ondertussen begonnen met het leggen van haar eieren. Ik zie hoe eieren, de grootte van glanzende biljartballen, met een onregelmatige ritme de bodem van de kuil vullen. Het gebeuren is een magisch spektakel, temeer als je bedenkt dat het dier door zijn eigen instinct gedreven wordt om het veilige en vertrouwde water te verlaten om in deze vijandige wereld zijn voortbestaan te verzekeren. Gek, het lijkt wel of het dier het tragisch noodlot van zijn krachtinspanningen aanvoelt, want in het lichtschijnsel van de wassende maan lijkt ze wel onophoudelijk te huilen. "Ze weent niet echt. Doordat ze voortdurend in zee leeft, krijgt ze meer zout binnen dan goed voor haar is. Een klier ter hoogte van het oog zorgt ervoor dat de geconcentreerde zoutoplossing wordt uitgescheiden. Op zee is dat onmerkbaar, maar op vasteland is het traanspoor duidelijk zichtbaar." De deskundige uitleg van Victor doet me inderdaad geloven dat hij een kind is van de zee. Wie ben ik om hem te bestraffen en te veroordelen voor zaken die hij van kindsbeen af met de paplepel ingegeven kreeg. Na twintig minuten is de kuil zogoed als vol en begint de schildpad met het afdekken. In tegenstelling tot wat je zou verwachten, keert de zorgzame moeder niet terug om over haar jongen te waken. Na een rijpingsproces van zestig dagen moeten de kleine zeeschildpadjes die uit de eieren weten te kruipen op eigen kracht de zee bereiken. Ze oriënteren zich in het donker zoveel mogelijk op het schijnsel van de maan op het wateroppervlak. De kleintjes die overdag de oversteek maken, zijn evenwel vaak het slachtoffer van azende vogels en kleine zoogdieren.

Victor maant me aan om op te stappen, maar ik blijf omdat ik intuïtief aanvoel dat hij zich te onwennig voelt om in mijn aanwezigheid enkele eieren van de schildpad af te pikken vooraleer ze het nest terug helemaal met zand heeft toegedekt. Uiteindelijk stapt hij na lang dralen zelf op. Enkele tellen later verdwijnt hij opnieuw als een stip in de nacht. Het toedekken van het nest lijkt een eeuwigheid te duren en de klok loopt al tegen vier uur in de morgen aan wanneer ze eindelijk terugkruipt naar haar eigen wereld, de zee. Terwijl ze met een verrassende handigheid een kuil wist te graven met haar achterste flippers, is haar terugtocht uiterst moeizaam. Stukje voor stukje trekt ze zich met haar voorste flippers voorwaarts, richting de vloedlijn. Wanneer ik haar op veilige afstand volg, zie ik tot mijn verbazing in de verte nog een drietal schimmen opduiken. Ik spurt terug naar de plaats van de nesting en verberg me achter een neerhangend palmboom. In de schaduw van de nacht zie ik hoe de mannen met schoppen een verderopgelegen nest uitgraven. Ik bevind me duidelijk op verboden terrein en besluit dan ook maar om behoedzaam weg te sluipen. Het is een feit dat het in stand houden van de populatie aan zeeschildpadden een moeilijke evenwichtsoefening zal blijven zolang er ook enige vorm van geldgewin mee gemoeid is. In dat opzicht kan het toerisme voor één keer wel een positieve werking hebben. De interesse van de toeristen voor het bijwonen van het nestingsritueel is een stimulans om de eieren met rust te laten. Toerisme brengt uiteindelijk geld in het laatje, alleen komt het maar al te weinig ook de plaatselijke bevolking ten goede...

Ecotoerisme belicht onder een wassende maan... (deel 1)

Costa Rica - Tortuguero, 03-09-2008 - (dagboek 6)


Gisteravond ben ik uiteindelijk, na een boottocht van een uur, aangekomen in het dorpje Tortuguero. Bij aankomst ondervond ik andermaal dat Costa Rica diep doordrongen is van het toerisme, met alle nadelige gevolgen vandien. Gringo´s staan synoniem voor grof geldgewin en dat is zelfs in deze uithoek niet anders. Voor mijn boottochtje moest ik zowat dezelfde prijs (20 dollar) ophoesten als de twee toeristen (Vlamingen dan nog wel) die er een tocht van drie uur op hadden zitten vanuit de havenstad Moin. Nu ja, ook dat maakt helaas deel uit van het reizen.

Het gehuchtje Tortuguero behoort tot het gelijknamig nationaal park en is de voorbije decennia uitgegroeid tot een topbestemming voor toeristen. Hoofdreden is de aanwezigheid van zeeschildpadden -de naam van het park is bovendien afgeleid van deze reptiel (tortuga)- die jaarlijks hun eieren leggen op het strand van dit natuurgebied. Omdat deze bijzondere nesting enkel bij late valavond en ´s nachts plaatsvindt, heb ik me bij het krieken van de dag aangesloten bij een groepje toeristen die vanuit een niet gemotoriseerde kano het tropische woud langs de rivier verkennen. We dobberen geluidloos langs de oever die begroeid is met een weelderig regenwoud. De gids attendeert ons op een brede scala aan dieren zoals moerasschildpadden, kaaimannen, brulapen, papegaaien, neotropische aalscholvers en mangrovereigers. Het ontluikende leven in de tropen is al even beklijvend als het ontwaken van een nieuwe dag dat we al peddelend begroeten. Helaas wordt de ochtendlijke rust af en toe verstoord door toeristen die vanuit een luxe boot met een buitenboordmotor de rivier afschuimen. Ze maken deel uit van de groep reizigers die voor een vleugje ecotoerisme grof geld hebben neergeteld, maar daar tevens ook het nodige comfort aan vast koppelen. Het is evenwel een huwelijk van uitersten.

Later op de dag verken ik het dorpje en maak ik een wandeling in het park dat slechts beperkt toegankelijk is opengesteld voor het publiek. Drentelend doorheen de stoffige wandelpaadjes die kriskras doorheen het dorp lopen, merk ik dat het toerisme meer dan ooit het uitzicht bepaalt van dit gehuchtje. Hostels en lodges zijn er net als tientallen touroperators als paddenstoelen uit de grond geschoten. All-in-packages worden tegen concurrentieprijzen aangeboden door lokale bewoners die op die manier de grotere touroperators van buitenaf proberen de wind uit de zeilen te nemen. Zo haalt de eigen bevolking ook nog wat profijt uit het toerisme.

Rond acht uur ´s avonds meldt de gids dat ik tot de tweede groep behoor voor de geleide rondleiding. Twee uur later begeef ik me met een veertigtal andere toeristen naar het aanpalende strand. De strikte regels worden voor alle duidelijkheid nog eens meegedeeld. Het maken van foto´s en het gebruik van zaklampen zijn niet toegestaan -flitsende camera´s veroorzaken desoriëntatie bij de schildpadden- en van het totale nestingsproces kan enkel de laatste drie fasen vanop afstand gevolgd worden, met name het leggen van de eieren in een door haar gegraven kuil, het dichtgraven van het nest en haar terugtocht naar de zee. Bij aankomst zien we nog net hoe een vrouwtjesschildpad moeizaam terugkeert richting zee. Het is een vreemd beeld. Niet zozeer om te zien hoe ze zich met haar flippers voortbeweegt, dan wel om vast te stellen dat de toeristen bij drommen rond het dier heen staan. Telkens het logge beest een meter terrein wint, zet de meute klijklustigen eenzelfde voorwaartse stap. Het mag een wonder heten dat de nieuwsgierige vakantiegangers het beest niet achterna zwemmen. Ons geduld wordt daarna zwaar op de proef gesteld, want twintig minuten voordat het strand voor het publiek wordt afgesloten, meldt onze gids dat er een nieuwe exemplaar werd gesignaleerd. Het voorbereidende werk voor de uiteindelijke nesting is evenwel zo tijdrovend dat de gids de aftocht blaast. Teleurgesteld keren we in groep terug naar het dorp. Ik voel me wellicht nog het meest terneergeslagen. Alle inspanningen en narigheid voor drie keer niks. Wanneer ik mijn beklag doe bij de gids schermt hij aanvankelijk met de regels van het nationaal park, maar even later draait hij bij en zegt dat ik steeds op eigen risico kan terugkeren...

Het verkeerde tijdstip, de verkeerde plaats...

Costa Rica - Tortuguero, 02-09-2008 - (dagboek 5)


Ik ben gisteren nog wat blijven rondslenteren in Puerto Limón. Niet zozeer om de uitbundige sfeer van de dag ervoor nog te proeven -die was bij het eerste ochtendgloren allang weggeveegd door de schoonmaakploeg van de stad-, maar vooral om mijn reisroute voor de komende dagen en weken uit te stippelen. Wie Costa Rica aandoet, kan er niet omheen; met meer dan honderd nationale parken en natuurreservaten promoot het land zichzelf als het ecologisch paradijs van Centraal-Amerika. Niet voor niets draagt dit land dan ook de bijnaam ´het Zwitserland van Midden-Amerika´. Ecotoerisme is er zowat ´het gouden ei van Colombus´ en dat alleen al lijkt me een boeiend uitgangspunt om mijn verdere tocht vast te leggen. In hoeverre dekt de mantel de lading?

De eerste toetssteen ligt -gelukkig- niet zo ver af. Het nationaal park ´Tortuguero´ ligt een fietsdag verwijderd van Puerto Limón. Afstanden zijn evenwel steeds verraderlijk, ook in Costa Rica. Veertig kilometer voor de weg definitief stopt en wordt ingepalmd door kanalen en rivieren, verandert de geasfalteerde route in een grof kiezelig en stoffig grindpad. Mijn zwaar beladen fietst sleept traag over de weg. Ik maak me zorgen omtrent mijn achterwiel die het vaak wel heel hard te verduren krijgt. Ik hou het ritme bewust laag, waardoor het desolaat landschap van voorbijschuivende bananenplantages nog eentoniger is. Bewoning is er uiterst schaars en op enkele kleine bananen-inpakfabriekjes na, merk ik alleen eindeloze plantages op. Heel af en toe fiets ik sjokkende voetgangers voorbij. Het weer is ondraaglijk warm, de lucht drukkend heet. Ik vervloek me dat ik ter elfder ure toch besloot om die kant op te fietsen. Ik zet mijn verstand op nul en trap mezelf en mijn stalen ros de oneindigheid in.

Mijn sloomheid wordt bruusk verstoord wanneer ik twee jongelui voorbijfiets. Hun plotse benadering dwingt me op de remmen te gaan staan en in mum van tijd besef ik de ware toedracht van hun zijdelingse beweging. In het felle zonlicht flikkert het silhouet van een zakmes. Ik sta perplex, als aan de grond genageld en geraak niet verder dan het uitschreeuwen van een golf van paniek. Ik voel een verlammende en haast hysterische angst. Mijn hart bonst een nooit gezien toerental en doet mijn slagaders op hol slaan. Ik hap naar adem, slaak een zoveelste hulpkreet in het ijle en voel hoe de wereld onder mijn voeten vandaan glipt. De jongeman rechtsvoor mij maant me tot stilte, "Tranquilo, tranquilo!" en duwt bevend het lemmet van zijn knipmes gevaarlijk dicht tegen mijn borstkas. Ik zie angst in zijn ogen, maar durf me niet om te draaien om te zien of zijn handlanger eveneens gewapend is. Ik verlies elke controle over enige zelfbeheersing en zelfs de aanmanende woorden van kalmte kunnen me niet bedaren. Ik blijf schreeuwen, honderduit. Daarna gaat alles supersnel. Eén van beide jonge kerels roept "Vamos, vamos! Rapido!" (Laten we gaan! Snel!) en ik zie hoe de jongeman zijn arm laat zakken en als een speer wegsprint, richting de bananenplantages. Ik kijk toe, terwijl mijn kreten om hulp alsmaar aanzwellen. Heel in de verte zie ik achter mij een stofwolk. De daders hebben inmiddels de plantage bereikt en zigzaggen zich een weg langsheen de bananenbomen. Enkele seconden later zijn ze volledig uit het zicht verdwenen. Ik leg mijn fiets neer en doe enkele stappen vooruit. Ik wankel. Vanuit de stofwolk duikt een wagen op. Ik zwaai vanop grote afstand -nog steeds om hulp schreeuwend- de bestuurder tot stilstand. Totaal overstuur doe ik mijn verhaal. Ik geraak niet verder dan het uitstoten van een paar onsamenhangende woorden en het wijzen naar de plek waar de twee snoodaards zijn gevlucht. Ik vraag de man of hij me vijf kilometer lang kan begeleiden.

Enkele tellen later trap ik alle adrenaline uit mijn lijf en spurt als een gek weg van de plaats van onheil. Mijn achterwiel dribbelt als een basketbal over wegketsende keien en mijn fietstassen klapperen om hun steunassen. Een half uur later overhandigt de bestuurder zijn visitekaartje. Als ik daar behoefte toe voel, mag ik hem steeds contacteren. De wagen lost opnieuw op in een ondoorzichtige stofwolk en ik vervolg mijn eenzame weg. Ik vloek honderduit. Verdorie, nauwelijks vier dagen op Costaricaanse bodem en ik word ei zo na beroofd. Ik probeer me het gebeuren als een film terug te spoelen. Niet te geloven hoe alle vooraf ingestudeerde scenario´s werden verdrongen door een totale black-out. Ik heb me honderden malen allerlei ingebeelde berovingen voor de geest gehaald, maar het is pas wanneer je oog in oog staat met je belagers dat je beseft dat de werkelijkheid zo goed als geen uitstaans heeft met je imaginaire wereld. Waren het mijn angstkreten die hen op de vlucht hebben doen slaan of de naderende wagen? Het sijpelt langzaam tot mij door dat ik ongelooflijk veel geluk heb gehad. Tenslotte weet je nooit hoe malafide personen zullen reageren wanneer de situatie uit de hand dreigt te lopen en de overval niet volgens plan verloopt. Voor hetzelfde geld hadden ze voor ze het hazenpad kozen me evengoed een messteek kunnen toebrengen. Ik vloek en schreeuw mijn opborrelende woede het luchtruim in. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik besef dat ik de voorbije twee jaar verdraaid veel geluk heb gehad. Het geluk van de wereld zat al die tijd diep in mijn broekzak verscholen, zoveel is zeker. Toch is het verbijsterend dat ik in een land als Costa Rica en op een plaats waar ik het allerminst verwacht, geconfronteerd word met één van de meest nare ervaringen sinds mijn vertrek.

Mijn pechdag wordt nog bezegeld met een pijnlijke valpartij. Net voor het bereiken van het laatste dorp, el Cano Blanco, verlies ik de controle over het stuur en duikel ik een halve meter dieper de berm in. Ik kom er met een paar pijnlijke bloedende schrammen en een gescheurde koersbroek vanaf. Eén ding is zeker: het is een dag om snel, heel snel te vergeten...

Afro-Caribische eigenheid, een dag lang...

Costa Rica - Puerto Limón, 31-08-2008 - (dagboek 4)


Ik had graag wat langer blijven rondhangen en het echte vakantiegevoel opgesnoven dat tastbaar aanwezig is aan de Caribische kust van Costa Rica, maar helaas. Wil ik vandaag één van de belangrijkste festiviteiten van Puerto Limón, ´el día del Negro´, in levende lijve meemaken, dan zit er niks anders op dan mijn fiets die richting op te sturen.

Puerto Limón heeft geen al te beste reputatie op het gebied van veiligheid. Met de aanleg van een nieuwe containerhaven ter hoogte van het tien kilometer verderop gelegen Moin, heeft de oude havenstad zijn glorie van destijds niet in stand weten te houden. Reeds bij het binnenfietsen is de verloedering tastbaar aanwezig. De elegante, houten herenhuizen staan er verpauperd bij en in de straten en steegjes dolen drugsverslaafden en alcoholisten doelloos rond. Er hangt een sfeer van tweeslachtigheid: kleurrijk exotisch en beangstigend gevaarlijk. Ik besluit dan ook maar meteen op zoek te gaan naar een plek waar ik mijn gerief veilig en wel kan onderbrengen.

Puerto Limón moet er ooit anders hebben uitgezien; lieflijker en glorieuzer. De straten van het centrum grenzen aan een stevige zeewering, met aan het einde het schaduwrijke park Vargas. Ik wandel tot aan het begin van de promenade waar een afgebladderde kiosk getuigt van betere tijden. De houten loopbrug langs de kade vertoont verzakkingen en vijftig meter verder is er een heel deel weggespoeld. Het toeristisch epicentrum ligt duidelijk ver hier vandaan en de opwaardering van Puerto Limón, die bestaat uit een etnische smeltkroes van inwoners afkomstig uit Jamaica, de Antillen, Europa, China en Costa Rica, is voor de overheid geen prioriteit. Meer nog, eeuwenlang was de provincie Limón en zijn gelijknamige hoofdstad zowel geografisch als cultureel uiterst geïsoleerd. Zo was de Afro-Caribische bevolking zelfs tot na de burgeroorlog van 1948 niet welkom in de Centrale Vallei en werden ze beschouwd als rechteloze burgers. Vandaag maken ze nog geen vijf procent uit van de totale bevolking van Costa Rica, maar desondanks hebben ze -door het vasthouden aan tradities- hun identiteit niet verloren. In de wijde omgeving geurt het rond etenstijd dan ook naar Caribische gerechten: vis- en vleesschotels met zoete aardappel, broodvruchten en in kokosmelk gekookte paprika´s. Rasta haar, een uitbundig carnaval, protestante kerken en pan bon (van het Frans afgeleid bon pain, goed brood) maken deel uit van hun exotische levensstijl. Hun culturele eigenheid komt niet alleen tot uiting tijdens het jaarlijks carnaval rond de 12de oktober, maar tevens op de laatste dag van augustus tijdens ´el día del Negro y la Cultura Afrocostarricense´.

Wanneer ik rond twee uur in de namiddag een kijkje neem in de hoofdstraat, gonst het reeds van bedrijvigheid. Rijkelijk uitgedoste figuranten staan startklaar om de jaarlijkse parade op te vrolijken en op de hoek van el Parque Vargas oefenen zwoele zuiders getinte schoonheden nog een laatste maal hun heupwiegende danspassen. De sfeer is uitgelaten, het weer exotisch heet. Ik weet alsnog een plaatsje te veroveren langs de zijlijn van de zich opgang trekkende stoet en vergaap me twee uur lang aan een bonte mengeling van zuurtjeskleuren, opzwepende ritmische klanken en verleidelijke, bloedhete en acrobatisch choreografische hoogstandjes. ´The touch of the Caribbean´ hangt een daglang boven Puerto Limón en verdoezelt heel even de problemen in deze broeierige, povere havenstad. Voor velen, die dit feest aangrijpen om zich lazarus te drinken en de dagdagelijkse zorgen weg te spoelen met liters lauw bier, zal de ontnuchtering morgen des te groter zijn...

Ferguson: de laatste der calypso zangers...

Costa Rica - Cahuita, 30-08-2008 - (dagboek 3)


Alleen enkele grote waterplassen vormen nog de tastbare bewijzen van het losbrekend natuurgeweld van de voorbije nacht. De fikse regenbuien zorgen hier steevast voor de nodige afkoeling na een zoveelste stomende dag. Cahuita staat synoniem voor Caribische uitbundigheid in ware reggae-stijl: zwoel, traag en ontspannen. Het is de biotoop van de rastafari´s die er de broeierige dagen en lange avonden al rokend en drinkend doorbrengen op straat of in de talrijke bars en eettentjes.De geur van marihuana hangt overal in de lucht net als de reggaedeunen. Ze promoten een levensfilosofie die me te ver van de realiteit afstaat. Mijn sympathie voor hen is dan ook eerder ondermaats.

Ik hou het liever bij aardse zaken of de schoonheid der natuur. Die vind ik uitbundig terug in het nationaal park van Cahuita. Over een afstand van 8 km slingert een ´sendero´ zich het oerwoud in. Het wandelpad brengt me naar afgelegen stranden waar grijskleurige krabben zich ingraven in minuscule holen van zodra ik in hun buurt kom. Iets minder aangenaam zijn de horden bloedzuigertjes die me bestoken telkens ik opnieuw de weelderige vegetatie induik. Ze zorgen er onvermijdelijk voor dat ik mijn wandelpas verhoog. Een dier dat daar klaarblijkelijk helemaal geen last van heeft, is de luiaard. Helemaal aan het einde van het park zitten er een tweetal roerloos op de takken van een door epifyten overwoekerde boom. Zijn naam heeft het te danken aan zijn passiviteit. Door hun strikt vegetarisch dieet van bladeren zorgt dit laagcalorierijk menu ervoor dat hij er een ´luie´ levensstijl op nahoudt. Op een week tijd verhuist hij pakweg drie keer naar een andere voedselboom. De rest van de tijd blijft hij haast onbewegelijk hangen.

Ik geef de voorkeur aan een meer dynamische levensstijl en nog voor Cahuita uit z´n lome slaap ontwaakt, stuur ik de fiets richting Manzanillo op. De uitbater van de hostal in Bastimentos (Bocas del Toro - Panama) had me verteld dat de grootmeester van de calypso, Walter ´Gavitt´ Ferguson, in dit laatste kustdorpje woonde. Bij aankomst verneem ik echter dat hij in Puerto Viejo leeft en in Puerto Viejo dat hij in Cahuita inwoont bij zijn dochter. De informatie is hier al even onbetrouwbaar als het Caribische weer. Ik vind hem uiteindelijk ineengedoken op een witte tuinstoel, in een hoekje van het restaurant van zijn dochter. Hij tuurt met haast holle ogen naar de zanderige weg waarlangs toeristen met mondjesmaat voorbij schuifelen. Wanneer ik me voorstel en hem een hand toereik, grijpt hij haast naast mijn handdruk. "Sorry, maar drie jaar geleden ben ik mijn zicht verloren; ik zie enkel nog licht en schaduw." De man die nagenoeg heel zijn leven in Cahuita doorbracht kan haar schoonheid niet meer zien. Het parelwitte strand, de kleurrijke koralen en de azuurblauwe zee zijn enkel nog schaduwvlekken.

Hij is klein van gestalte, een tengere man met grijs kroeshaar. Ferguson was landbouwer, leefde van de teelt van cacao en bananen; net zoals de meeste zwarten aan de Talamancaanse kust. In 1978 sloeg het noodlot toe. Een schimmeleffectie overwoekerde alle gewassen en in een mum van tijd zakte de landbouweconomie als een pudding in elkaar. Ferguson heeft er toen een song over geschreven. Walter ´Gavitt´ Ferguson is een troebadour, een chroniqueur van zijn geliefde Cahuita. Zijn liedjes zijn steevast de belichaming van een kleine leefwereld. Het zijn ingelijste schilderijen van ´historias minimas´. De verfstippen zijn observatieve ironische blikken die door herkenning van het verhaal overvloeien tot een pointillistisch geheel "Mijn muziek ontstaat in m´n hoofd. Ik schets de dingen zoals ze zich voordoen. Ik zing over de kleine dagdagelijkse aangelegenheden die dicht bij de mens staan." Soms dient een lied zich aan onder de vorm van een anekdote, zoals het ludieke ´Confusion´. Ferguson vertelt me hoe hij op een dag de bus nam naar Limón om er een arts te raadplegen. Hij had ongelooflijk veel pijn aan zijn heupen en vroeg aan de lieftalige dame met dreadlocks of ze haar zitplaats wou afstaan. Het bleek een man te zijn. Ferguson vertelt met zoveel overgave en passie alsof het lijkt dat het voorval zich pas gisteren voordeed.

Op mijn vraag waar hij het vak heeft geleerd, slaakt hij een diepe zucht en ik merk hoe hij in gedachten zichzelf terugflitst naar zijn kindertijd. "Toen ik zes jaar was, stuurde mijn moeder me naar mijn tante in Limón. Ze had een fantastische piano in huis en gaandeweg begon ik erop te oefenen. Ik was blijkbaar een natuurtalent, want al gauw moest ik op zondag verzoeknummertjes spelen voor de gasten. Maar ik hield evenwel niet van de strikte regels die mijn tante me oplegde, evenmin van de stad Limón. Ik keerde terug naar mijn geboortedorp Cahuita." Muzieklessen heeft hij nooit gevolgd. De calypso leerde hij spelen op het gehoor. "Mijn moeder en haar vriendinnen floten calypso deuntjes die ik thuis probeerde om te zetten op een ukelele." Pas vele jaren later perfectioneerde hij de calypsoklanken op gitaar en klarinet. Hij trommelde vriend-muzikanten bijeen en in een mum van tijd was de calyspo-band van Ferguson een begrip in de regio. Ze speelden vaak net over de grens, in Bocas del Toro in Panama. "Het was een zalige tijd, waar helaas abrupt een einde aan kwam." Ik voel hoe de toon in zijn levensverhaal verandert en achter zijn glazige ogen duikt verdriet op. "Op een nacht zette één van de groepsleden de feesttent in rep en roer door amok te maken. Er volgde een nooit gezien slagveld met gewonden tot gevolg. Ik was zo geschokt van het gebeuren dat ik die bewuste nacht besloot om nimmer nog klarinet te spelen en niet langer te werken met een vaste band. Maar dat is lang, heel lang geleden." Er valt een lange, abrupte stilte.

Een juiste definitie bij het woord calypso kan de muzikant me niet geven. Het heeft volgens hem raakvlakken met de rumba. Vast staat dat calypso ontstaan is in het Spaanse Trinidad waar het door de oorspronkelijke Spaans-Creoolse bevolking werd gezongen en gespeeld. De calypso van Ferguson is een ironische kanttekening van wat achter hem ligt. Hij klampt zich vast aan het verleden, aan de klanken van zijn gitaar en mondharmonica. Maar ik voel hoe de energie, de strijd van weleer en de scherpte in zijn muziek langzaam uit de het leven van de zanger verdwijnt. Ook zijn geliefde Cahuita is niet meer hetzelfde als voorheen. "Mijn dorp heeft een te snelle omwenteling meegemaakt die ik niet kan volgen. Het toerisme heeft Cahuita een ander gezicht gegeven. Ik ben een vreemde geworden in mijn dorp dat de allures van een stad aanneemt."

Op mijn vraag of hij nog eens de gitaar wil hanteren, staat hij moeizaam op en drukt op de playtoets van een glimmende stereoinstallatie. "Sorry, ik heb de muziek definitief begraven." De ruimte vult zich met zuiderse tonen en de warme stem van Ferguson. De broeierige deunen zijn geronseld op stranden vol zon en voelen wiegend om de heupen aan. Enkele toeristen kijken wat verrast onze richting op wanneer de gitaarklanken over het zanderig wandelpad rollen. Ik staar naar Ferguson, naar zijn voorbijschuivende en geliefde Cahuita en besef dat ik een zoveelste intiem puzzelstukje van pure verwondering en geluk heb toegevoegd aan mijn zwervend bestaan...

Klik hier en beluister de onvervalste calypso van Ferguson.

De Costaricaanse kust en zijn zwarte gemeenschap...

Costa Rica - Cahuita, 29-08-2008 - (dagboek 2) - deel 2


Ik volg de wegwijzers die me leiden naar de Costaricaanse kust: Puerto Viejo, Cahuita, Manzanillo. De bananenplantages zijn er oeverloos uitgestrekt. Over de goed geasfalteerde weg denderen tientonners me voorbij. Witgekleurde vrachtwagens met slogans en logo´ s. Bobby Banana lacht me vrolijk toe, terwijl Delmonte met zijn slagzin ´Say yes to the best´ me wat té marketinggericht in de oren klinkt. Het bekendste logo dat zowat de hele wereld heeft veroverd is ongetwijfeld dat van het kleine meisje ´Chiquita´. De blauwkleurige banana girl draagt een mand vol fruit op haar hoofd. Haar opzichtige oorbellen en pofmouwen geven haar een Caraïbisch tintje. Ik vraag me trouwens af waarom er hier zo´n grote zwarte cultuur bestaat. De zogenaamde Afro-Caribische gemeenschap leeft in hoofdzaak langs de Tamancaanse kust ten zuiden van de havenstad Puerto Limón.

Het antwoord op die vraag vind ik bij de vijfenvijftig jarige Pen. Hij baat een gelijknamige bar uit net voorbij de bocht die leidt naar Puerto Viejo. Pen is geboren in Costa Rica, maar heeft Jamaicaanse roots. Zijn grootouders emigreerden naar ´het beloofde land´ in 1870. Het was de periode waar Costa Rica een revolutionaire economische en demografische omwenteling meemaakte. Minor Cooper Keith, een Amerikaanse varkenshouder getrouwd met de dochter van de toenmalige Costaricaanse president, had van de overheid de opdracht gekregen om een Atlantische spoorlijn aan te leggen vanuit Cartago tot aan de 193 km verderop gelegen havenstad Limón. Het export-product bij uitstek was toen koffie dat van het vasteland vervoerd werd over een lange en dure zeeroute van de haven van Puntarenas in Costa Rica, vervolgens rond Kaap Hoorn en verder tot in Europa. De uitbouw van een goeie en snelle verbinding tussen de koffieplantages in de centrale vallei en de haven aan de Atlantische kust drong zich op. Maar liefst twintig jaar nam de aanleg van de Atlantische spoorlijn in beslag. Een titanenarbeid doorheen bergen, ravijnen en oerwouden. De gerecruteerde arbeiders waren aanvankelijk Italianen en Chinezen, maar al gauw werd duidelijk dat ze niet bestand waren tegen ziekten zoals malaria, gele koorts en dysenterie. Naar het schijnt verloren alleen al op het eerste traject van 32 km 4000 arbeiders het leven. Om het tij te keren werden massaal zwarten uit de omringende buurlanden aangetrokken met de belofte op een beter leven. Zij werden ingezet voor de verdere aanleg van de spoorlijn en later op de bananenplantages. "Mijn grootouders waren één van hen." Pen tuurt vanuit zijn tuinstoel over het strookje zand dat aan zijn bar grenst alsof hij het schip met zijn grootouders nog elke dag verwacht. "Het was een meegaand volk, boordevol werklust. Maar bovenal waren het goedkope arbeidskrachten. We zijn decennialang uitgebuit geweest." De zwaar besnorde Pen met bakkebaarden spreekt de woorden uit alsof hij de realiteit nog steeds niet heeft verwerkt. "Ook mijn ouders hebben het niet gemakkelijk gehad. Mijn vader werd in de jaren zeventig werkloos door de alles verwoestende monilia-schimmel die een einde maakte aan de florerende bananenhandel." Pen heeft meer geluk gehad. Het toerisme levert hem een bescheiden bestaan op. Wanneer ik afscheid neem, geeft hij me nog een gouden tip mee. "Ga overmorgen naar Puerto Limón: Daar vindt ´el día del Negro´ plaats. Een dag dat volledig in het teken staat van de Afro-Caribische cultuur met parades vol muziek en dans."

De klok wijst reeds vier uur in de namiddag aan en in de verte komen dreigende onweerswolken opzetten. Manzanillo, het laatste kustplaatsje, is nog zo´ n 20 km verwijderd. De stoffige grindpiste en mijn zwaar bepakte fiets doen me rechtsomkeer maken. Ik kan beter het kustdorpje Cahuita nemen als uitvalsbasis om de komende dagen de Costaricaanse kust te verkennen. Wanneer ik het dorpje binnenfiets lichten helblauwe bliksemschichten de invallende duisternis op. Enkele tellen later vallen de eerste regendruppels zo groot als glazige knikkers uit de hemel. Een betere timing had ik haast niet kunnen bedenken...

Welkom in de bananenrepubliek...

Costa Rica - Cahuita, 29-08-2008 - (dagboek 1) - deel 1


De landgrens ter hoogte van Guabito, een stoffig grensstadje aan Panamese zijde, is niks meer dan een ijzeren spoorbrug die de Sixaola-rivier overspant. Aan beide zijden bevindt zich een migratiekantoortje. Tussen de sporen liggen losliggende, verweerde houten balken. De oversteek is een openlucht circus waar je als een koorddanser overheen moet walsen. Ik laveer mijn zwaar beladen fiets vakkundig op de wippende planken, richting Costaricaanse grens. De ontvangst is gemoedelijk, de doortocht verrassend vlot. Tot mijn verbazing vallen er zelfs nergens gewiekste geldwisselaars te bespeuren. Toch wat vreemd in een land dat naast de dollar, ook een eigen munteenheid erop nahoudt, meerbepaald ´colones´.

Wie de grens met Panama ter hoogte van ´Bocas del Toro´ oversteekt kan er niet omheen: Costa Rica is dé bananenrepubliek bij uitstek. Aan weerszijden van de weg duiken bananenplantages op. Immense velden bedekt door een laag van grote, groene bladeren die lijken op verknipte parasols. Ik zie hoe de stammen zijn vastgebonden door touwen die moeten voorkomen dat de plant het begeeft door het gewicht van zijn eigen vrucht. In één jaar tijd groeit een scheut uit tot een viermeter hoge boom en brengt het één vrucht voort. Tussen de plantages staan af en toe inpakcentra´s waar de bananen worden geselecteerd en verpakt. Ik heb wel zin om dat laatste proces van de bananenproductie eens van dichtbij te zien en dus parkeer ik mijn stalen ros bij de eerst volgende finca.

Aan een geïmproviseerd loket zit een goed uit de kluiten gewassen vrouw. Op haar T-shirt ter hoogte van haar linker boezem is een naamkaartje vastgespeld: Manuela. Aan mijn vraag voor een rondleiding verbindt ze twee voorwaarden: het aantrekken van een lange broek en het verbod om de bananen aan te raken. Nooit geweten dat het aanraken van de kromvormige bananen enig erotisch genot verschaft bij de man, maar misschien ligt dit in Costa Rica enigszins anders.

De rondleiding start bij het uiteinde van een netwerk van kabelbanen die door de hele plantage lopen. Er hangen hele bananentrossen aan die worden voortgetrokken door een bereden muilezel die ze van het veld tot aan het inpakcentrum brengt. De geplukte trossen worden hier zendklaar gemaakt en vertrekken nog dezelfde dag per schip naar Europa. Twee mannen scheiden de bananentrossen vakkundig in trosjes van een stuk of tien vruchten en gooien ze vervolgens in een grote badkuip vol water. Aan het uiteinde staan een tiental mannen en vrouwen. Ze halen de afgespoelde bananen er uit, gooien de geplekte exemplaren op een transportband en de goeie in een aanpalende bassin. Een sorteerder schikt ze daarna op een rubberen plaat. Een jonge vrouw met mondmasker stipt de steeltjes van de bananen aan met een desinfecterende vloeistof om te voorkomen dat ze vroegtijdig bruin zouden uitslaan. "De Europese consument houdt alleen van knalgele bananen, volledig plekvrij", wuift Manuela glimlachend mijn vraag over de schadelijkheid van de besproeide vruchten weg. In dat opzicht eten de Nicaraguanen stukken gezonder bananen, want de geplekte vruchten -deze die op de afvalberg terechtkomen- worden zonder extra toegediende pesticiden per vrachtwagen naar het buurland vervoerd. De laatste arbeiders aan de transportband schikken de slanke, groene vruchten uiteindelijk in de overbekende bananendozen en trekken ze met een plastiekzak vacuüm. De klaarstaande container vult zich langzaam met paletten vol bananendozen, 18,4 kilo bananen per ingepakte doos om precies te zijn.

Op mijn vraag naar de lonen antwoord Manuela afwijkend en zegt dat de arbeiders hier twee keer zoveel verdienen dan elders. Misschien krijgen ze wel een gevarenpremie voor de blootstelling aan de vele schadelijke pesticiden die op de plantages worden gebruikt. Niet alleen bevatten de blauwe wapperende plastiek zakken, die over de bananentrossen worden getrokken en die insecten moeten weg houden, pesticiden; ook minder onschuldige verdelgers worden veelal via vliegtuigen over de plantages gesproeid om schimmels te voorkomen. De stijgende vraag naar bananen in het rijke Westen wordt hier beantwoord door massaproductie. Dat we in ons consumptiedrang bananen eten die met gif zijn bewerkt, nemen we er voor lief bij...