Dagdromen tussen liefde en leegte... |
Ecuador - Tulcan, 28-12-2007 - (dagboek 37) |
 |
 |
 |
Gisterenmorgen ben ik in de gietende regen aangekomen in ´el Angel´. Mede door het slechte weer heb ik er maar een rustdag van gemaakt. Van de nood een deugd maken, noemen ze zoiets zeker?
Inmiddels zit ik terug op de fiets, richting Tulcan, mīn laatste stopplaats voor ik Ecuador definitief verlaat. Wie het grensstadje Tulcan opfietst, kan kiezen tussen twee verbindingswegen. De eerste loopt via de drukke, geasfalteerde Panamericana. Deze weg of beter gezegd netwerk van wegen verbindt de uiteinden van de continenten Noord-Amerika en Zuid-Amerika met elkaar. De tweede optie is iets korter en doorkruist het uitzonderlijke paramogebied, maar is evenwel niet geasfalteerd en ligt op een hoogte van maar liefst 3700 meter. De keuze is gauw gemaakt, want als fietser is er niets vervelender dan een ganse dag lang zwarte uitlaatgassen te moeten inademen. Daarenboven zal ik in Colombia -meer dan me lief is- de saaie Panamericana moeten opfietsen, want in sommige streken is het zowat de ene veilige weg waar de kans om in een hinderlaag van de guerrilla of paramilitairen terecht te komen nihil is.
De hevige regenval van gisteren heeft het uit ronde keitjes bestaande wegdek spekglad gemaakt. Al glibberend trap ik me dan ook de hoogte in. Op sommige plekken is de weg zo steil dat er niks anders opzit om mīn hebben en houden naar boven te duwen. Ik troost me met de gedachte dat de klim slechts 17 km lang is en er daarna een mooie afdaling volgt. Keien en kiezelsteentjes ketsen van onder mīn wielen en slechts moeizaam vervolg ik mijn weg. Ik dagdroom van een fiets met een verende voorvork. Maar goed, je hoort me niet klagen. Morgen fiets ik mīn negende land tegemoet en kan ik terugblikken op een tijdspanne van 16 maanden waar ik als God in Frankrijk heb geleefd. Fietsend van dag tot dag, steeds op weg naar nieuwe avonturen en dagdromen. Bestaat er een mooiere manier om het jaar af te sluiten en een nieuw jaar tegemoet te fietsen?
Het stuiteren wordt beloond, want nog voor ik de reserva binnenfiets doemen de eerste ´frailejónes´ op. Het is een plantensoort die ook in grote delen van Colombia en Venezuela voorkomt en die eruit ziet als een reusachtige edelweis. De naam is vermoedelijk een samenstelling van de Spaanse woorden ´fraile´ (broeder) en ´lejos´ (ver). In het gebied hangt vaak mist en de vreemde vormen van de ´frailejónes´ doen denken aan een leger van ´Monniken in de mist´.
Na vier uur onafgebroken klimmen, bereik ik de hoogvlakte. De lucht voelt ijl aan en er waait een bittere koude wind. Naar verluidt zou het woordje paramo afkomstig zijn uit de taal van de Quechua-indianen en betekent zoveel als een koude en natte plaats. De paramo doet zijn naam in ieder geval alle eer aan. De vegetatie bestaat er uit glooiende hellingen met plukken bruin gras en honderden, zoniet duizenden ´frailejónes´. Op hun stam staat een kroon van lange, viltige licht groengele bladeren. De parkwachter vertelt me dat de oude bladeren afsterven, maar niet afvallen. Ze hangen in laagjes, waardoor ze een isolerend omhulsel voor de stam vormen. Ik trek mīn winterjas en stapschoenen aan en laat me anderhalf uur lang onderdompelen in dit uniek landschap. Onder mij liggen diverse lagunes die door de aanwezigheid van de vreemdsoortige planten haast een mystieke sfeer oproepen.
Ik tuur naar die eindeloze hoogvlakte, met zīn spectaculair eco-systeem. Boven mij wervelen de wolken die door het spel van weer en wind telkens andere vormen aannemen. Als ik één iets op mīn reis heb geleerd dan is het leren stilstaan bij de wonderen van de natuur. Leren genieten van de symbiose der natuurelementen, van de eenvoud die ons dagdagelijks in de schoot wordt gelegd. De wolken drijven uiteen en heel even werpt een schrale zon mīn schaduw af op de kiezelstenen van het wandelpad. Ik ontwaar de contouren van een zwerver die zijn voornemen om minder te schrijven niet echt heeft kunnen waarmaken. Terwijl de wolken steeds verder weg drijven maak ik mezelf een belofte voor het nieuwe jaar: een wekelijkse resumé van de voorbije week. Geen ellenlange dagboekverslagen meer, sierlijk opgesmukt met de dagdagelijkse reflecties van een verdwaalde zwerver. Die hou ik vanaf nu écht voor het boek. Beloofd! Vanaf 2008 zal ik verder verdwalen tussen heden en verleden, tussen de liefde en de leegte, maar niet langer tussen het klavier van internetcafés. De hoogste tijd om op te stappen, verder te zwerven, richting Colombia, richting 2008! Tot volgend jaar...
Four seasons in one day... |
Ecuador - Mira, 26-12-2007 - (dagboek 36) |
 |
|
Mijn voornemen om voor dag en dauw te vertrekken is door de bijzondere, nachtelijke dodenwake een maat voor niets geweest. Wanneer de wekker om half tien afloopt, slaag ik er maar niet in om me uit mijn bed te hijsen. Halfslaperig speel ik de film van de voorbije uren terug af. De manier hoe de mensen hier afscheid nemen van hun dierbaren is naar onze westerse maatstaven op zīn zachtst uitgedrukt confronterend, maar hoe langer ik erover nadenk hoe beter ik me kan inleven in hun denkwereld. In hun visie over leven en dood houdt het niet op bij het overlijden van iemand. Eenieder leeft verder, de ene nog op aarde, de andere in een soort hiernamaals. Dat geloof mildert ongetwijfeld het verdriet bij het definitieve afscheid nemen. Zo zou ik ook wel begraven willen worden, met een lach en een traan...
De klok tikt bijna twaalf uur wanneer ik eindelijk het bijzondere dorpje Peguche uitfiets. Al snel zit ik terug op de hoofdweg en vind ik het juiste fietsritme. Kan ook moeilijk anders, want de weg lijkt wel één lange afdaling, zonder onderbreking. Het dalend hoogteverschil is ook voelbaar aan de temperatuur. Ik kom van herfstweer in warm zomerweer terecht. Het zwerverssyndroom haalt opnieuw de bovenhand en ik voel een verlangende, avontuurlijke nieuwsgierigheid naar mīn volgende bestemming, Colombia. Na een afdaling van anderhalf uur zit de pret erop en begint het serieuze klimwerk. Al vlug zoek ik tevergeefs naar een nog kleinere versnelling. Mijn benen voelen nog stram aan en de tegenwind die alsmaar sterker komt opzetten naarmate ik hoger en hoger fiets, maakt het er niet gemakkelijker op. Eén troost: de panoramische uitzichten zijn opnieuw waanzinnig mooi. Rond vier uur in de namiddag komen donkere wolken opzetten en in een mum van tijd ziet de lucht potloodgrijs. De eerste regen voelt aan als een welkome afkoeling, maar al snel spatten dikke druppels open op het wegdek. In het gezelschap van drie oude mannen schuil ik wat verderop onder een afdakje van een betonnen bushokje. We raken met elkaar aan de praat. Ze stellen me wederom de typische vragen, maar het stoort me niet. Nieuwsgierigheid is nu eenmaal een menselijke eigenschap...
Een half uur later zet ik mīn tocht verder, de bejaarde mannen hartelijk afscheid zwaaiend. Mijn doel was om tot in ´el Angel´ te fietsen, maar door het late vertrekuur en het slechte weer zal mijn eindbestemming het stadje ´Mira´ worden. Op een gegeven ogenblik fiets ik opnieuw voorbij een bushalte. Een jongeman zwaait me een goeiedag toe. Descansar un poco! (Rust wat uit!) Breed glimlachend wijst hij naar de lege zitbank naast hem. Ik neem zīn aanbod met plezier aan. Wanneer ik hem vraag of er overnachtingsmogelijkheden zijn in Mira, haalt hij prompt een bos sleutels tevoorschijn. Een paar huizen verderop staat zijn ouderlijk huis. Zijn moeder is twee jaar geleden overleden en sindsdien woont zijn dementerende vader bij hem in Mira. Hij troont me mee naar een klein vervallen huisje dat uit drie sober ingerichte vertrekken bestaat. De slaapkamer ziet er groezelig uit. Op het belendende tafeltje liggen sinaasappelen en bananen te rotten tussen stapels vergeelde kranten. Rond het gloeiend peerlampje zoemt een legertje vliegen. Hij overhandigt me de sleutels en rept zich terug naar de bushalte. In al zīn haast heeft hij me zelfs vergeten te zeggen wat ik met zijn sleutels moet aanvangen als ik morgenvroeg vertrek. Stel je voor: je spreekt gedurende één minuut met iemand en je krijgt meteen zijn hele huis ter jouw beschikking. Doe dat maar eens na in België...
Door het smalle raam zie ik hoe het ongure weer terug losbarst. Het onverwachte aanbod komt als een geschenk uit de hemel. Het dorp heeft welgeteld één winkeltje dat zich onderscheidt van de andere rijhuisjes door een grote afgebladerde reclameaffiche van coca-cola. De Amerikaanse frisdrankproducent is alom tegenwoordig, ook in dit godverlaten boerengat. Doorheen het getralied raampje bespeur ik hooguit een 20-tal artikels, gaande van toiletpapier tot sigaretten en van drank tot snoepgoed. Piepkleine kruidenierswinkeltjes, ze bestaan nog...
īs Avonds kook ik voor het eerst sinds lange tijd opnieuw mijn eigen potje: rijst met bonen in tomatensaus. Een koningsmaal in een klein paleis. De muffe geur van rottend fruit en vochtplekken op de muur vermengen zich met de aroma van wereldse specerijen. Een potpourri van geuren voor het slapen gaan...
Een bijzondere dodenwake... |
Ecuador - Peguche, 25-12-2007 - (dagboek 35) |
 |
 |
 |
Peguche is niet alleen het dorp van ondernemende Otavaleños, het blijkt ook een trekpleister te zijn voor bizarre figuren. Zo wordt de omgeving reeds sinds enkele maanden onveilig gemaakt door een Italiaanse schone met spiegelreflexcamera. Op de avond van mīn komst had ik haar in het schemerduister post zien vatten voor het restaurant, gewapend met fototoestel en statief. Haar opdringerige verschijning heeft haar alvast een passende bijnaam opgeleverd: ´de paparazzi´. Nog een vreemde snuiter: Enrique, 66 jaar oud, professor filosofie op rust en afkomstig uit Quito. In het dorp heet hij ´Enrique pelado´, de kaalkop. Hij heeft iets weg van ´de paparazzi´, maar dan zonder blitse camera. Ongevraagd klampt hij me aan wanneer ik rustig zit te bladeren in een boek uit de rijkgevulde bibliotheekkast van de hostal. In nog geen vijf minuten tijd weet ik al de helft van zijn leven en het ligt duidelijk in zijn bedoeling dat hij dat ook van mij verwacht. Ik hou niet erg van dit soort types en dus stuur ik hem met een leugentje wandelen. Xavier, genaamd ´el capitán´ is dan weer uit heel ander soort hout gesneden. Deze vijftigjarige Colombiaan leeft halftijds in Peguche en halftijds net voorbij de grens met Ecuador, in Colombia. Voor een habbekrats woont hij in ´el palacio´, een soort ´salle de fęte´. Nu ja, wonen... Zijn versleten matras ligt op het podium en rondom rond liggen zijn kleren als waren het toneelattributen. Tegen de hoek leunt zijn gitaar, geduldig te wachten op publiek. Ik ben evenwel de enige toehoorder. Hij tokkelt een lied tevoorschijn en begeleidt zichzelf op de panfluit. Overleven doet hij niet als straatmuzikant, maar door het maken en verkopen van panfluiten. Ik mag hem wel, die zwervende bohemien...
In de namiddag struin ik nog wat rond in het dorp. Het geluid van weefgetouwen vult het dorpsplein, ook op kerstdag. Sommige bewoners hebben blijkbaar zwaar doorgezakt, want hier en daar liggen er enkele gesneuveld hun roes uit te slapen. Net als zowat overal in Ecuador is alcohol ook hier een zwaar probleem. Alcoholische dranken zijn hier relatief goedkoop en vormen vaak het enige alternatief om de schrijnende armoede weg te spoelen. Iets wat op zijn beurt desastreuze gevolgen kan hebben. Zo heeft de buurnam van de hostal waar ik mijn intrek heb genomen zich twee dagen geleden delerium gedronken. Op de terugweg naar huis is hij stomdronken tegen de vlakte gegaan en gestikt in zijn braaksel. Hij laat een vrouw en vijf kinderen achter, allen tussen de 13 en 19 jaar oud. Doden worden hier binnen de drie dagen begraven. De avond voor de begrafenis wordt er een dodenwake gehouden in het huis van de overledene.
Ik vergezel Mieke de Vet, de eigenares van de hostal, samen met haar man en één van hun zonen. Drie vierden van de woonkamer is gevuld met witte plastieken tuinstoelen. In rijen van acht staan ze achter elkaar opgesteld, allen kijkend in de richting van de opgebaarde overledene. Ik begroet de weduwe met een warme handdruk en leg enkele dollars in een metalen bord dat aan het voeteinde van de kist ligt. Een weduwepensioen is hier onbestaande. Het ingezamelde geld dient om de begrafeniskosten te betalen. Al is het nog de vraag of de gulheid van de aanwezigen wel toereikend is om alle kosten te dekken. Iedereen die een laatste groet komt brengen, krijgt eten en drank aangeboden: een dikke aardappelsoep met kip en een bekertje ´avena´, een soort maïsdrankje. De doodskist wordt aan weerszijden geflankeerd door bossen bloemen en verlichte elektrische kandelaars. Aan het voeteinde van de lijkkist staat een blauwkleurige teil met fruit, alsook twee sierlijk brandende sneeuwwitte kaarsen. Vlak ernaast staat een stokoude man in traditionele klederdracht -spierwitte broek en dito hemd, touwschoenen en een donkerblauwe poncho- voor te lezen uit een aftands gebedenboekje. Zijn zangerige, eentonige stem vult de doodse ruimte. Met een trillende vinger volgt hij de aflopende zinnen, hapt naar lucht en zet zīn klaagzang verder. Zijn brillenglazen zijn minstens twee vingers dik en geven de kleine man die niet verder reikt dan mīn schouders iets lachwekkends. Hij vormt zowat het enige vrolijke element in deze doodse sfeer. De corpulente weduwe snikt af en toe stilletjes hoorbaar boven de klaagzangen uit. Ondertussen draven de kinderen af en aan met eten en drank. Honden lopen kwispelend rond, vruchteloos op zoek naar een af te kluiven kippenbout. Het huis zit zelden afgeladen vol, want mensen komen en gaan. Ik tuur in het rond en probeer me de veelheid aan indrukken eigen te maken.
Op een gegeven ogenblik gaat één van de zonen rond met een schaal maïskorrels. Ik krijg er twaalf toegestopt. Mieke vertelt me dat deze graankorrels gebruikt zullen worden om een soort gezelschapsspel te spelen. Sommige deelnemers houden een graankorrel tegen de gloeiende vlam, net zolang tot er één zijde zwart blakert. De terrasstoelen worden op elkaar gestapeld en de vrijgekomen ruimte wordt bedekt met één groot laken. Vuilgrijze bakstenen zomen het speelveld af. De deelnemers nemen plaats op de betonnen, oncomfortabele zitjes. Ik volg hun voorbeeld. We worden in twee groepjes verdeeld, van elk zeven man. De maïskorrels worden verzameld en elke groep krijgt er veertig toegewezen. Het spel kan beginnen. Enkele tellen later kleuren zes graankorrels het witte laken. Alleen de zwart geblakerde zijde levert punten op. Bij mīn eerste worp gooi ik op één na het maximum aantal punten, vijf. Tot groot jolijt van mīn medespelers wordt het scorenaantal afgetrokken van ons startkapitaal, zijnde de veertig maïskorrels. Twee rondes verder is het spel beslecht in ons nadeel. We hebben verloren. Eén iemand wordt aangewezen die de klaagzangerige man vraagt om een soort straf of tegenprestatie voor de verliezende partij uit te spreken. De sancties zijn nu eens banaal, dan weer hilarisch. Zo worden bijvoorbeeld de verliezers geblinddoekt terwijl de tegenstanders de blinde aanvallen. Ik incasseer op mijn beurt billen- en andere knepen. Af en toe scherm ik mīn edele geslachtsdelen af met de ene hand, terwijl ik met de andere hand mijn belager bij de kraag probeer te vatten. Het tafereel moet best grappig zijn, want eenieder lacht zich zowat een breuk.
De hele nacht kabbelt op dezelfde manier verder. Er wordt gedobbeld, gelachen, gespeeld, gevloekt, gegierd en getreurd. Dat laatste vooral door de vrouwen. Af en toe zie ik hoe één van hen over de doodskist buigt. Hun tranen van verdriet worden gefilterd door het rumoer en het gelach. Inmiddels zijn de klaagzangen volledig naar de achtergrond verdwenen, want de hoogbejaarde man dommelt ineengezakt steeds verder weg in een diepe slaap. In een hoekje van de kamer zitten een viertal man zich lazarus te drinken. De gemoederen laaien af en toe hoog op, maar worden algauw weer weggespoeld met een zoveelste fles die ze in een mum van tijd soldaat maken. Ze drinken zich een delirium, net als de overledene. De ironie van het lot...
Ondertussen worden we op onze beurt rijkelijk voorzien van spijs en drank. De oudste zoon deelt om de haverklap sigaretten uit als waren het zoetgekleurde snoepjes. Zonder enige gčne worden ze aangestoken aan de brandende kaarsen naast de lijkkist. Er wordt gelachen en gezongen, de hele nacht lang. Ik waan me af en toe te midden van een scoutskamp waar onafgebroken spelletjes worden gespeeld. Het gezelschapsspel wordt haast duizelingwekkend afgesloten, letterlijk. De verliezers worden ter afsluiting één voor één in het grote witte laken geknoopt en aan een touw -dat bevestigd is aan één van de dwarsbalken- gehangen. Vervolgens draaien de omstaanders hen ontelbare malen in het rond, net zolang tot het touw dreigt af te knappen. Even later zwier ik als een losgeslagen kegel om mīn as. De kamer lijkt een draaikolk met spookgeesten. Gezichten vervagen, worden uitdrukkingsloos, terwijl kleuren zich vermengen tot zwart-witte vlekken. Tot een spiraal, als een eindeloze tunnel naar een andere wereld aan de overkant. Langzaam tol ik terug naar de realiteit, de dodenkamer in Peguche.
Rond drie uur in de nacht verstomt het gebulder en maakt het lachen opnieuw plaats voor een moment van bezinning. De bejaarde man staat opnieuw te prevelen naast de lijkkist alsof hij nooit van zijn plaats is weggegaan. Er wordt afscheid genomen en de kamer wordt steeds killer. Ik volg hun voorbeeld en even later stap ik de nachtelijke ochtend tegemoet. De dodenwake is ongetwijfeld één van de meest markante zaken die ik tot dusver op mīn lange zwerftocht heb beleefd...
Ondernemende indianen... |
Ecuador - Peguche, 24-12-2007 - (dagboek 34) |
 |
 |
 |
Nevelslierten walsen als een aureool van suikerspin langsheen ´el sendero´, het pad dat uitgeeft op la cascada de Peguche. In de verte hoor ik reeds het geraas van de waterval die hoog in de bergen ontspringt en met veel gekletter neerstort. Ik ruik het ontwaken van de ochtend: loom en mistig. Na een tiental minuten stappen, besprenkelen ragfijne waterdruppels mijn gezicht. Het opspattende water drijft als een regengordijn langs me voorbij. Na enkele fotoīs vat ik via de andere kant van het bos de terugweg aan.
Eenmaal in het dorp weerklinkt haast in elk huis het geluid van de weefgetouwen. Het is een alom bekend feit: de inwoners van Peguche en Otavalo zijn zeer ondernemend. Hun zakelijke aanpak heeft hen evenwel de weinig eerbiedige bijnaam ´de Joden van Zuid-Amerika´ opgeleverd. Het succesverhaal van deze indianen gaat terug tot in 1917 toen een wever uit Peguche de Schotse tweeds imiteerde. Zijn eigen collectie stoffen van schapenwol leken als twee druppels water op de Schotse, maar door de veel lagere verkoopprijs deed de man in een mum van tijd gouden zaken. Tot op vandaag hebben de Otavaleños hun welstand weten te handhaven, mede door over te schakelen op nieuwe weeftechnieken en bijkomende produkten. De truienhandel bijvoorbeeld. Die is in feite al eeuwen verweven met een oeroude traditie uit het Andesgebied. Zo is bekend dat vroegere indianenvolken hun vorsten begroeven met prachtig geweven doeken. De Incaīs hadden op hun beurt speciale weefsters die doeken maakten om te verbranden als offergave aan de zon, één van hun belangrijkste goden. Daar waar Bolivië het land van de mijnen werd tijdens de Spaanse overheersing, was Ecuador befaamd voor zijn textielfabrieken. Iedere Ecuadoriaan moest twee witte katoenen mantels betalen bij wijze van belasting aan de Spaanse kroon. Daarnaast weefden de Ecuadorianen zowat alles wat aan het Spaanse hof werd gebruikt. Nu behoort de slavernij definitief tot het verleden en hebben sommige gezinnen zelfs een heel imperium opgebouwd. Deze familieclans bezitten niet alleen winkels en appartementen, maar financieren evenzeer talloze nieuwbouwprojecten. Zij geven de mestiezen tegenwoordig werk in plaats van andersom.
Dat de macht en het geld toebehoort aan een select groepje stel ik met eigen ogen vast wanneer ik hier en daar aanklop om de wevers aan het werk te zien. In kleine, sobere ruimtes tref ik naast twee tot drie weefmachines meestal slechts één indiaan in overall aan. Het geluid is oorverdovend en overstemt zelfs de vragen die ik stel. Velen van hen werken van zonsopgang tot ver na zonsondergang, zes dagen op zeven. Het zijn vaak gewone arbeiders die de machines besturen en dit voor een karig loon. In één van de ateliers tref ik een bejaarde man aan, zittend achter een houten weefgetouw. Met een zelden geziene vingervlugheid vliegt het schietspoel van zijn ene hand naar de andere tussen de draden door. Gemiddeld produceert hij per uur drie handgeweven sjaals van twee meter op anderhalf. Hij behoort ongetwijfeld samen met nog een handvol dorpbewoners tot een uitstervend ras...
Niet alleen de machinale weefgetouwen weerklinken in koor, ook de panfluit is in Peguche niet weg te denken. Op twee huizenblokken van de hostal hoor ik -net als gisteren- muzikale wanklanken afkomstig van een Andesfluit. Het klinkt allesbehalve melodieus. De jongeman heeft duidelijk geen talent, maar des te meer uithoudingsvermogen. Zijn motivatie is dan ook zeer groot: hij wil één van die inheemse zwaluwen worden die binnenkort zullen uitzwermen naar het rijke Westen. Tijdens de zomermaanden tref je ze zowat in alle grote Europese steden aan: groepjes van vier of vijf musicerende en dansende Otavaleños. Na een nummertje gaan ze rond met een zwarte vilthoed. Daarnaast verkopen ze hun handgemaakte handelswaren: panfluiten, geweven doeken en tassen, alpaca-truien,... Hier worden deze mensen ´golondrinas´ (zwaluwen) genoemd, omdat ze er op uitvliegen als het lente wordt in Europa. De meesten van hen komen uit Otavalo en de naburige dorpen ten noorden van Ecuador.
īs Avonds hoor ik in het restaurant, dat eveneens door Mieke de Vet wordt uitgebaat, dezelfde panfluitklanken. Deze keer harmonieus klinkend in combinatie met een grote trom, een viool en een charango (kleine gitaar). Het huisorkestje speelt normaal alleen op zaterdagavond, maar omwille van kerstavond vrolijken ze ook vandaag de tent op. Voor de gelegenheid worden sommige nummers begeleid door een viertal gemaskerde kinderen die traditionele dansen uitvoeren. Ik deel de tafel met Theresa -een Zuid-Afrikaanse dame op leeftijd die reeds meer dan tien jaar in Nieuw-Zeeland woont-, haar dochter, Mieke de Vet en haar man Huaca en twee vrienden van hen. Geboeid luister ik naar het vloeiend samenspel van de Andesklanken. Wellicht zullen ook deze vijf jonge snaken vroeg of laat hun geluk beproeven in Europa, als musicerende zwaluwen...
Een nieuw thuisland... |
Ecuador - Peguche, 23-12-2007 - (dagboek 33) |
 |
 |
 |
Ik ben na een korte rit van 35 km aangekomen in het dorpje Peguche, op een steenworp van Otavalo. Op aanraden van Rita heb ik mīn intrek genomen in de hostal ´Aya Huma´. Dit hotel/restaurant wordt al 20 jaar gerund door Mieke de Vet, een Nederlandse die getrouwd is met Huaca Lema, een indiaan uit Peguche.
Als je ver van huis verwijderd bent, dan is er tussen inwoners van buurlanden toch een zekere band voelbaar, zo ook met Mieke. Eenzelfde moedertaal versterkt dat gevoel alleen maar. Zo zit ik enkele uren na mijn komst al rond de barbecue ten huize van de familie Huaca. Mieke ontmoette haar man voor het eerst in Amsterdam waar hij toen als handelaar af en toe vertoefde. Een tijdje later vergezelde ze haar geliefde naar zijn geboortedorp. Ondanks het feit dat ze volledig geïntegreerd is, loopt ze er nog steeds opvallend Hollands bij. Toch zijn de contouren van haar Nederland en van het Nederlands-zijn duidelijk naar een achtergelegen plan verdreven. De Europese jachtigheid heeft plaats gemaakt voor de rustig- aan-mentaliteit dat in Peguche als een waas van mist boven de straatjes van aangestampte aarde zweeft. Het indianendorp is haar heimat geworden, de plaats waar ze zich thuis voelt. Voor Mieke is dat niet afgebakend door de geografische plek waar Peguche ligt op de wereldkaart. Haar familiebanden in Nederland zorgen ervoor dat ze zich thuis voelt, zowel in haar geboorteland als hier.
Tussen al het vreemde dat ze aantreft in Peguche, ligt ook een flink stuk herkenbaarheid; niet in het minst in haar twee zonen. Misschien zijn zij door de contacten met het vaderland van hun moeder nog meer tussenfiguren dan wie dan ook. Ze hangen ergens midden twee landen in, ze worden gevormd door twee culturen, twee werelden. Ze bevinden zich in een veranderend proces waar twee landen vervlochten geraken door die ene genetische band. De confrontatie is niet alleen merkbaar in hun visie op de wereld, maar evenzo in hun kledij. Daar waar hun vader zich nog steeds kleedt in traditionele witte Otavaleño broek, een wit hemd en poncho, hebben zijn zonen enkel de sierlijke paardestaart behouden. Hun jeansbroeken en sweaters geven hen schijnbaar een nieuwe identiteit, maar in hun bewustzijn blijven ze trouw aan hun indiaanse afkomst. De vervreemding van de eigen civilisatie is ondanks het rechtstreekse contact met de Westerse wereld gelukkig nog niet voor morgen...
Fietsend langs de evenaarslijn... |
Ecuador - Cayambe, 22-12-2007 - (dagboek 32) |
 |
 |
 |
Als je Otavalo opfietst, volg dan vanuit het centrum van Cumbaya de oude spoorbedding. Het is een mooi alternatief om de eerste 20 kilometer te overbruggen. De goeie raad van Rita Cloet blijkt een gouden tip te zijn. Het jaagpad loopt niet alleen langs de oude, vervallen spoorlijn, maar voert me eveneens langs felgroene quebradas die diep ingesneden liggen in het glooiend landschap. Af en toe verdwijnt het panoramisch zicht door een halfduistere tunnel die een U-bocht maakt.
Ik geniet opnieuw van die onbezonnen manier van reizen. Het is alsof je een teerling gooit en niet weet hoeveel vakjes je vooruit zal gaan. Met het fietsen is dat niet anders. Je stapt de fiets op met een bepaalde eindbestemming in gedachten, maar niet langer met een specifiek uur waarop je die zal bereiken. Je fietsritme hangt van zovele factoren af waarop je geen vat hebt: de hoogteverschillen, de staat van de weg, de weersomstandigheden, de toevallige ontmoetingen of bezienswaardigheden, de onverwachte fietsproblemen,... De tred waarmee ik fiets, wordt vandaag bepaald door mīn geringe conditie. Een maand lang niet op de trappers staan, kent zijn prijs. Ik voel hoe ik mīn reserves moet aanspreken om de kronkelende hellingen te beklimmen. Ik puf, hijg en zweet de longen uit mijn lijf. Ook mijn bagage speelt me parten. Voor mijn vertrek bij de familie Herteleer had ik uit nieuwsgierigheid het gewicht berekend van mijn fietstassen. Tot mijn eigen verbazing en teleurstelling tikte de weegschaal af op 48,6 kilo. Het belooft alvast een zware tocht te worden doorheen de Andes van Colombia.
Op acht kilometer van Cayambe wordt mijn aandacht getrokken door een publiciteitsbord: Bienvenidos Welcome: La Mitad del Mundo The Middle of the World´. Op een steenworp vandaan ligt een betonnen globe. Dit zou de plaats zijn van het ´echte´ evenaarsmonument en de exacte ligging van de evenaar markeren. Wanneer ik aanstalten maak om de wereldbol te digitaliseren, krijg ik het gezelschap van een man van middelbare leeftijd die even verderop enkele artisanale spullen verkoopt. Wanneer ik hem mijn twijfels duidelijk maak omtrent de ware ligging -ik dacht dat het plaatsje ´la Mitad del Mundo´ op een goeie 20 kilometer van Quito verwijderd lag (zie dagboek 4)- haalt hij een ei tevoorschijn. Enkele seconden later balanceert het ei probleemloos rond zijn as. Het experiment toont zondermeer aan dat ook op deze plek de evenaarslijn loopt, maar als toeristische trekpleister zal het wel voor eeuwig in de schaduw leven van zīn grote broer ´la Mitad del Mundo´...
Mijmerend afscheid nemen... |
Ecuador - Quito, 21-12-2007 - (dagboek 31) |
 |
 |
 |
Geborgenheid... Eenieder heeft er wel eens nood aan, ook een zwerver. Misschien is dat wel de reden waarom ik zo moeilijk afscheid kan nemen ten huize familie Herteleer. De huiselijke warmte, de zonovergoten tuin en niet in het minst hun uitpuilende boekenkast zorgt ervoor dat ik mijn vertrek alsmaar uitstel. Ik herinner me nog dat ik een halve week terug vertrekkensklaar stond. De fietstassen lagen reeds in de gang. Tijdens het ontbijt overhaalde Rita me om wat langer te blijven. Met het vooruitzicht op een kerstfeestje en mīn verjaardag besloot ik het voorstel dankbaar te aanvaarden. Het gaf me de gelegenheid om nieuwe pareltjes van de literaire wereld te ontdekken, zoals ´De Vliegeraar´; de debuutroman van de Afghaans-Amerikaanse schrijver en arts Khaled Hosseini. Een verhaal dat zich afspeelt in Kaboel (Afghanistan) en zowat alle themaīs van de wereldliteratuur behandelt: liefde, vriendschap, schuld en verlossing. Een integer boek dat nog lang zal blijven nazinderen.
Tussen de verhalen door zakte ik nu en dan af naar Quito-stad. Daar bezocht ik ondermeer het archeologisch museum del Banco National. Het bevat een staalkaart van de puissante rijkdom uit het pre-inca tijdperk. Naast potscherven en goed bewaarde keramische kunst- en gebruiksvoorwerpen, trof ik er ook oogverblindend mooie gouden artefacten aan. Dit glorieus, cultureel Ecuadoriaans verleden is ook nog voelbaar aanwezig in het historisch centrum. In dit Firenze van Zuid-Amerika schuilt de authentieke sfeer in alle voegen en barsten van de koloniale gebouwen. De keurig afgeborstelde wachters, die plichtsgetrouw de wacht houden aan de hoofdingang van het Palacio de Gobierno, versterken dat gevoel nog. Voor mijn definitief vertrek uit Quito beklom ik nog ´el Panecillo´, de heuvel die net buiten de stad ligt en waar ´el Virgen del Quito´ onder de vorm van een standbeeld over de stad waakt. El virgen moet zowat het Ecuadoriaanse equivalent zijn van de Corevado in Rio de Janeiro. Ik nam ruimschoots de tijd om te genieten van het weidse uitzicht over de stad. Ik blikte terug op de voorbije weken en mijmerde over de horizon heen. Ecuador zal ik blijvend associëren met het wonderbaarlijke Galapagos, maar ook met de ondernemende Otavaleños die met hun gebreide truien zowat de hele wereld hebben veroverd. En evenzo staat het weerzien met mīn vriendin Lies in mijn geheugen gegrift, alsook de vele fijne momenten en de huiselijke gezelligheid bij de familie Herteleer.
Morgen verlaat ik dit stukje aards paradijs en stap ik na een lange rustperiode opnieuw op de fiets, richting Colombia. Mijn laatste stopplaatsen voor de grensovergang zijn ondermeer het dorpje Peguche vlakbij Otavalo en het koude, maar spectaculaire páramo-gebied. Nog een week op Ecuadoriaanse bodem. Een week van langzaam afscheid nemen en wegdromen naar nieuwe avonturen...
Hoge bomen vangen... |
Ecuador - Quito, 19-12-2007 - (dagboek 30) |
Onlangs vond ik een e-mail in mijn inbox waarin duidelijk klare wijn werd geschonken. Sta mij toe om er een deel uit te citeren.
Ik lees nog steeds met veel spanning je nieuwe avonturen maar ik vind dat je toch soms een beetje 'stoeft'. Je laat teveel doorschemeren dat "jouw manier van reizen" de énige echte en juiste is. Ik vind dat een beetje verkeerd: iedereen heeft toch het recht om te reizen zoals hij wil, ook al is het met touroperators, met de Lonely Planet, zijn het de platgereden wegen die alle toeristen doen. Iedereen is toch een vrij mens en prijs je gelukkig dat jij het ánders kan doen.
Alsook heb je altijd zoveel kritiek op het profitariaat, de uitbuiting en exploitatie van het toerisme in deze landen. Zo beschreef je het nogal hard in je laatste Intro-artikel dat over de Uroseilanden handelde. Overal waar ze toeristen zien is het de rinkelende kassa. Ook dit vind ik een heel normaal fenomeen. Overal, waar ter wereld en wie ook op deze planeet probeert toch munt te slaan uit het toerisme, waar ze ook leven op de aardbol. Denk je dat het toerisme in Ieper niet leeft van de Engelse toeristen? Overal op de markt ontstaan er chocolateries, speciale winkeltjes met oorlogsboeken, postkaartjes met poppies.. allemaal speciaal geëxploiteerd voor de toeristen die zich ook in Ieper maar al té graag laten vangen. Maar als mensen dit willen, is dit toch hun eigen keuze? Ook hierin is iedereen vrij!
Slik! Ik moet eerlijk bekennen dat de mail me niet onberoerd heeft gelaten. Als deze persoon -misschien niet geheel toevallig van het vrouwelijk geslacht- zulke gevoelens heeft bij het lezen van mijn dagboekverhalen, dan zal dit wellicht ook bij anderen aan de oppervlakte drijven. Ik voel me niet alsdusdanig aangevallen of beledigd, maar sta me toe om toch bepaalde zaken in een groter daglicht te stellen.
Dat ik inderdaad nogal negatief sta tegenover de wijze waarop het gros van de reizigers een land verkent, zal ik geenszins ontkennen. Misschien precies omdat ik vaststel dat het ook anders kan. Ik begrijp wel dat slechts weinigen het zich kunnen veroorloven om met een zee van tijd op ontdekkingstocht te gaan en dat de geringe tijdspanne ertoe leidt dat velen teruggrijpen naar de Lonely Planet en alsdusdanig op zeer selectieve manier op ontdekking gaan. Ook heb ik helemaal niks tegen touroperators en reisorganisators die van A tot Z ervoor zorgen dat mensen een vlekkeloze vakantie doorbrengen. Mijn kritische houding vloeit vooral voort uit het feit dat reizen nu eenmaal mijn leefwereld is geworden. Als je er elke dag middenin zit, met de neus op de feiten wordt gedrukt, begin je een bepaald idee te vormen. Je leert een visie ontwikkelen over reizen en backpackers doordat je er elke dag mee geconfronteerd wordt. Automatisch ga je hun manier van reizen vergelijken met die van jou en dan kom je tot de slotsom dat reizen per fiets je een grotere vrijheid geeft. Je bent niet gebonden aan het tijdsschema van lange afstandsbussen en vliegtuigen. Je bent geen pion van het reizigers-dambordpatroon, omdat je leeft op je eigen ritme en voor een stuk op dat van de lokale bevolking. Ik heb zovaak vastgesteld dat reizigers, zelfs mensen met veel tijd, doorheen diverse landen flitsen. Is het palmares aan bereisde landen dan zo belangrijk?
Laat me duidelijk stellen dat ik zeker niet beweer dat mijn manier van reizen de béste is, geenszins. Maar het afwijken van de ´gringo-trail´ geef je toch enigszins de kans om een land op een andere manier te ontdekken. Tenslotte willen we toch geen ´fake´-wereld voorgeschoteld krijgen? De leefwereld van de lokale bewoners vind je toch ook niet binnen de marmeren muren van een luxe hotel met zwembad.
En dat het toerisme nu eenmaal een miljardenbussines is, waar vele een graantje van proberen mee te pikken, is inderdaad meer dan normaal. Misschien maar best dat er zovele vormen van toerisme bestaan, het help in ieder geval de werkloosheid voor een groot stuk uit de wereld.
Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik mij kan verzoenen met de gedachtengang die de directe aanleiding is van dit schrijven. Het stemt mezelf gelukkig dat mensen via mijn zwerversverhalen nadenken over bepaalde zaken. Ooit stuurde mij iemand een soort definitie over het woordje 'toerisme'.
Toerisme... een vreemd woord, een toertje doen om iets nieuws, vreemds te bezichtigen. Zoals ramptoerisme, want wat we willen zien, hoeft niet altijd iets fantastisch moois te zijn de dag van vandaag. Zolang we ons maar even kunnen verzetten van ónze dagdagelijkse sleur. Of zullen we het niet gewoon 'wereldkijken' noemen? Leren hoe ónze wereld in elkaar zit. Klinkt opeens minder voyeuristisch...
Ik zal in ieder geval wat minder hard mijn beklag formuleren wanneer ik tegen die reizende wereld aankijk. Het artikel over ´eco-toerisme' dat binnenkort in de januari-editie van het Intro-magazine verschijnt is alvast stukken genuanceerder. Dit alles neemt niet weg dat ik een moderne pionier zal blijven. Op een alternatieve manier reizen in een wereld waar alles geëxploiteerd is. Het kan de confrontatie met die andere wereld alleen maar boeiender maken. Tenslotte is schrijven de beste manier om mensen tot nadenken te zetten, tot debat. Waarom zijn blogs op het internet zo populair? Precies omdat iedereen neerschrijft wat hij denkt en dat anderen erop kunnen reageren. De gedachtengang, levenstijl van een verdwaalde zwerver (eentje die af en toe van de lijn loopt) houdt mensen nu eenmaal bezig. Voyeurisme, weet je wel...
Heel even terug op de fiets... |
Ecuador - Cotopaxi, 11-12-2007 - (dagboek 29) |
 |
 |
 |
Wie in Ecuador als westerling zijn brood wil verdienen, legt zich het best toe op zaken waar Ecuadorianen zelf niet zo sterk in zijn: het toerisme bijvoorbeeld. Als je dan nog met een originele formule voor de dag kunt komen, dan is je broodje zo goed als gebakken. De Nederlander, Jan Lescrauwaet, wist dit als geen ander en was met ´The Biking Dutchman´ de pionier die fietstochtjes organiseerde tussen de vulkanen. De afdaling van de vulkaan Cotopaxi, de op één na hoogste nog actieve vulkaan ter wereld, is dan ook niet geheel verwonderlijk uitgegroeid tot een klassieker. Na onze jungletrip leek het de ideale uitstap te zijn om ons samenzijn van drie weken af te sluiten.
We stappen, na een rit van twee uur, op 4600 meter hoogte uit de jeep en op de mountainbike. Ons groepje bestaat uit één Australiër en vier (inclusief wij) Belgen. Winnie en Paul zijn afkomstig uit Antwerpen en brengen een drietal weken door in Ecuador. Winnie zag een fietstocht op de Cotopaxi wel zitten en overhaalde de weinig sportieve Paul om haar te vergezellen. Aanvankelijk had Lies haar bedenkingen of de fietstocht wel een haalbare kaart was, maar wanneer ze de bourgondische Paul op de fiets ziet stappen, verdwijnt haar vrees als sneeuw voor de zon.
We trekken onze winterjas, muts en handschoenen aan en proberen vertrouwd te geraken met de gehuurde fiets tussen onze benen. Na de nodige instructies beginnen we aan de afdaling. De eerste kilometers voelen koud aan en heel even realiseer ik me dat ik de komende weken op mijn doortocht naar en doorheen Colombia me terug zal moeten verzoenen met de hoogte en de meegepaard gaande kou. Al snel word ik uit mijn dromerij gehaald, want achter mij hoor ik hoe Lies een buiklanding maakt. Gelovige meisjes hebben nu eenmaal een vreemde manier om zich één te voelen met moeder aarde. De valpartij valt al bij al nog mee en drie minuten later zit Lies terug op de trappers, evenwel met iets minder trefzekere fietsbenen. De weg is hier en daar zanderig en ligt af en toe bezaaid met kiezelstenen van allerlei formaat. Ik slalom er zorgeloos omheen en voel hoe ik opnieuw verlang om mijn zwervend bestaan terug verder te kunnen zetten. Ik heb een onvergetelijke drieweekse vakantie achter de rug en ben ontzettend blij dat ik zoveel moois heb kunnen delen temidden van een ontluikende liefde die het afscheid binnen twee dagen niet makkelijker op zal maken. Maar inwendig voel ik ook dat ik een missie heb te volbrengen, een opdracht die jaren geleden reeds gestalte kreeg in mijn onderbewustzijn. Eenmaal mijn zwerftocht voltooid zullen we samen onze vleugels uitslaan, eerst met zijn tweetjes, daarna met ons gezin. Verdwaalde zwervers op weg naar een nieuwe morgen...
We zoeven naar beneden en bemerken dat het panorama over het hoogland weidser wordt. Het landschap verandert in verlaten graslanden en velden van vulkanische as. Op veilige afstand worden we gevolgd door de bezemwagen die tevens dienst doet voor de catering. De schrale zon priemt doorheen de wolken en wolkenflarden spelen onverstoord verstoppertje achter de besneeuwde vulkaantop. We genieten van de rijkelijke lunch en het fabelachtig decor. De bergtop piekt hoog in de wolken die als in een vertraagde film voorbijtrekken. Naar het schijnt is Cotopaxi, na Tungurahua -de vulkaan nabij het idyllische stadje Baños- de meest beklommen berg van Ecuador. Geef mij maar liever fietsschoenen ipv stevige stapschoenen. Ze zullen nog goed van pas komen, want de komende 16 maanden heb ik nog een goeie 25.000 km af te leggen. Morgen brengen we nog samen een laatste dag door in Quito-stad, daarna zit onze gezamenlijke reis er terug op en kunnen we beginnen wegdromen naar onze volgende ontmoeting binnen een maand of zes in Peru...
De gevaren van de jungle... |
Ecuador - Amazonegebied, 09-12-2007 - (dagboek 28) |
 |
 |
 |
Met vermoeide ogen turen we over de kroonlaag en speuren tevergeefs naar ontwakende vogels in de vroege ochtend. De klok wijst half zes aan in de morgen. We hebben post gevat op de birdwatch-tower. Ligt het aan mijn oogleden die duidelijke sporen vertonen van slaapgebrek of hebben we gewoon pech. Niet één vogel valt er te bespeuren. We hebben ons als vroege vogels misrekend...
Ietwat teleurgesteld keren we terug naar het kampement, waar ons een stevig ontbijt wacht. Vandaag gaan we een kijkje nemen bij één van de gemeenschappen die hier in de buurt leven. In het Cuyabeno park wonen Siona-Secoya´s en Cofán-indianen. De tijd dat deze volkstammen met pijl en boog rondliepen, behoort al lang tot de annalen van de geïllustreerde geschiedenisboeken. Het contact met de Westerse wereld heeft ervoor gezorgd dat ze een stuk van hun leefgewoonten hebben opgegeven. Zo krijgen we tijdens de rondleiding te horen dat de gemeenschap voor een groot stuk leeft van het toerisme. Elk reisbureau moet bijvoorbeeld 5 dollar per dag per toerist afstaan aan de community. De jungle excursies worden begeleid door lokale mensen en om de twee weken wordt er een andere familie aangesteld die erop moet toezien dat alles vlekkeloos verloopt. De nieuwe, moderne vorm van inkomsten heeft ertoe bijgedragen dat het jungledorpje een grondige gedaanteverwisseling heeft ondergaan. Daar waar tot enkele jaren terug de geluiden van de jungle bij valavond overheersten, wordt de nacht tegenwoordig gevuld met dolby-surround geluid en gekleurd met bewegende tv-beelden. De toeristen hebben in hun kielzog ook dvdīs, stereo-installaties en tvīs meegebracht. Maar ach, wie zijn wij om dat te beoordelen of laat staan te veroordelen. Hebben zij geen recht op vooruitgang? Ik dacht dat reizen ongecompliceerd zou zijn. In wezen had ik liever de jungle in al zijn puurheid aangetroffen, vrij van materiële westerse luxe. Maar indirect lig ik aan de basis van deze verandering, want als ik hier niet was, zouden ook deze luxeprodukten hier niet zijn. Niets is zo duidelijk afgebakend als het zou moeten zijn. Het toerisme heeft bij de gemeenschap ook gezorgd voor een mentaliteitswijziging. Daar waar vroeger jacht werd gemaakt op rivierschildpadden en de eieren massaal werden verkocht in de steden, zijn ze onlangs gestart met een schildpaddenkwekerij. Niet zozeer uit economisch winstbejag, maar om de schilpaddenpopulatie in stand te houden. Toeristen komen nu eenmaal naar de jungle om er wildlife aan te treffen.
Na de middag zoeken we afkoeling in de Cuyabeno-rivier en zwemmen we met zijn allen tegen de stroom in. Stroomopwaartse backpackers...
Om onze ontdekkingstocht doorheen de jungle af te sluiten, gaan we onder begeleiding van de lokale gids Don Domingo op zoek naar medicinale planten. Op onze tocht toont hij ondermeer een boom aan waarvan de schors en bloemen worden gebruikt om de hevige bloedingen veroorzaakt door maandstonden te verminderen. Andere planten blijken dan weer efficiënt te zijn in de bestrijding van malaria. Sommige vruchten hebben nog andere geheimen. Zo doorklieft hij met zijn machete een noot waar drie larven in huizen. Ze schijnen een lekkernij te zijn. De wormachtige dieren doen me evenwel niet meteen watertanden.
Ook de jungle heeft zijn lokale legenden. Zo zou de lantaarnvlieg een insect zijn waar vooral vrouwen vreselijk voor moeten uitkijken. Er wordt namelijk beweert dat jonge vrouwen overlijden aan een beet van dit insect als ze niet binnen 24 uur na de beet seksueel contact hebben gehad met een man. Ongetwijfeld is deze volkswijsheid uitgevonden door een individu van het mannelijk geslacht... Ik verbaas me niet alleen over zijn uitgebreide kennis, maar tevens over de manier hoe hij zijn weg vindt in deze wildernis. Elk ingeslagen pad lijkt op het vorige en echte herkenningspunten zijn er niet. We volgen een spoor dat, voor mij althans, onherkenbaar is. Heeft de jungle voor hem dan geen geheimen meer?
Op een gegeven ogenblik merk ik toch enige aarzeling. De machete wordt steeds vaker gebruikt om ons een weg te banen door het ondoordringbare groene woud. Wanneer hij ons aanmaant om wat sneller door te stappen, voel ik intuïtief aan dat er iets niet klopt. De duisternis begint langzaam in te vallen en het wordt ons met de minuut duidelijker dat we verloren gelopen zijn. De gids heeft enigszins met tegenzin toe dat we dik in de penarie zitten. Terwijl we oriëntatieloos onze weg vervolgen, wordt de zichtbaarheid alsmaar minder. Niemand heeft een zaklamp bij en stilaan onderscheiden ook de contouren van onze medereizigers zich alsmaar moeilijker. Zelfs het witte T-shirtje van Lies lost langzaam op in de duisternis. We zitten als ratten in een val. We proberen onszelf moed in te spreken via grappen en grollen, maar beseffen wel dat de situatie meer dan ernstig is. We vormen een menselijke ketting door elkaar een hand te geven om stapvoets verder te strompelen over een zompige bodem vol uitstekende wortels en verraderlijke lianen. We klauteren over, of schuifelen in evenwicht op omgevallen boomstammen, zoeken behoedzaam contact met de grond en vervolgen met ingehouden tred onze weg. Het zicht reikt niet verder dan een halve meter voor je, naast je en boven je. De gids stopt steeds vaker, enerzijds om er zich van te verzekeren dat eenieder volgt, maar anderzijds om herkenbare geluiden op te vangen. Plots komt Lies met een lumineus idee op de proppen. Ze stelt voor om met zijn allen hard te gaan schreeuwen, in de hoop dat de bootsman onze hulpkreten hoort. Ik schreeuw de longen uit mijn lijf, maar onze smeekbeden worden evenwel niet beantwoord. Ik voel hoe spinnenwebben tegen mijn huid aankleven en hoe allerlei ongedierte over mijn lichaam kruipt. Takken zwiepen in mijn gezicht en muggen zoemen ononderbroken langsheen mijn oren. Inwendig hoop ik gespaard te blijven van de indrukwekkende reuzenmieren die men in het Engels heeft omgedoopt met de passende naam ´bullet ants´. De Ecuadoriaanse naam, ´veinticuatro´, is afgeleid van de volkswijsheid dat iemand die wordt gestoken 24 uur lang aan hevige pijn en koorts lijdt. We zijn gewaarschuwd...
We gaan nauwelijks nog vooruit. De inktzwarte duisternis maakt het stappen haast onmogelijk. We zetten al onze hoop op onze luidkeelse noodsignalen. Met succes. Heel in de verte worden onze hulpkreten beantwoord. We krijgen opnieuw moed en slaan de richting in van het beantwoorde signaal. Tientallen minuten later zien we een lichtschijnsel. De bootsman is ons tegemoet gekomen. We zijn gered! Het duurt nog een behoorlijke tijd voor we puffend en zwetend de rivier opnieuw bereiken. Terwijl we moe maar tevreden terugvaren naar onze lodge, is iedereen het er over eens: De jungle laat niet met zich spotten!
De rijkdom van de jungle... |
Ecuador - Amazonegebied, 08-12-2007 - (dagboek 27) |
 |
 |
 |
We mogen niet klagen. De insecten hebben onze nachtrust niet ondraaglijk verstoord. Eén van de spinnen blijkt zelfs geen centimeter geweken van de plaats die het had ingenomen toen we ons bed opzochten.
Deze morgen staat er een hiking op het programma. Wie de wonderen van de jungle wilt leren kennen, kan dit enkel door binnen te dringen in de leefwereld van de weelderige fauna en flora. Onze gids, Enrique, lijkt wel de tegenpool van de gids tijdens onze Galapagos-trip. Hij is niet alleen ongelooflijk onderlegd, maar straalt een enthousiasme uit die zelfs aanstekelijk werkt. Nochtans is hij niet echt een junglekind. Enrique is afkomstig uit de hoofdstad Quito waar hij al enkele jaren werkzaam was in de toeristische sector. Voor een reisagentschap verkocht hij ondermeer jungletochten.
Daar hij zelf nog nooit de jungle had bezocht, besloot hij er naartoe te trekken. Het was liefde op het eerste zicht. Hij werd er zo door gepassioneerd dat hij besloot zijn baan op te zeggen en zich om te scholen tot gids.
Zijn passie zorgt ervoor dat we op een fascinerende manier kennis maken met de rijkdom van de jungle. Zo leren we ondermeer dat het licht ervoor heeft gezorgd dat er drie te onderscheiden planten, bomen en struiken zijn. De absolute overwinnaars in de strijd om het licht zijn de woudreuzen en de bomen van de kroonlaag. Zij slorpen als geen ander het levensnoodzakelijke licht op en zorgen er mede voor dat planten die niet zo snel groeien verdorren en afsterven. Ze worden gerekend bij de categorie van de verliezers. Ze vallen op de grond, maar worden echter zeer snel afgebroken tot humus door insekten en dieren die aan de grond leven. Wat van hen overblijft wordt voedsel voor de overwinnaars. Onder de laatste groep bevinden zich alle planten die een manier van overleven hebben ontwikkeld in de diepe schaduw onder de kroonlaag. Het zijn ondermeer bomen en struiken met speciaal aangepaste bladeren en stammen, maar evenzo parasieten en epifyten. De parasieten halen hun voedsel uit de planten waarop ze groeien. Epifyten daarentegen halen hun voedsel rechtstreeks uit de lucht, uit de regendruppels en uit de waterdamp. Ze worden in hun overlevingsstrijd ondersteund door grotere en sterkere planten. We zien tevens hoe bepaalde dieren in de jungle weten te overleven door zich aan te passen. Zo bezorgt de huidskleur van de bruine kikker voor een perfecte camouflage en blijkt het indrukwekkend stemgeluid van de brulapen een efficiënt afschrikmiddel te zijn. ´Struggle for live´ openbaart zich in de jungle op duizend en één manieren.
In de late namiddag ruilen we de stapschoenen in voor peddels en roeien we per kano een zijrivier van de Rio Cuyabeno af. Zittend vanuit de onstabiele prauw valt het ons op hoe een volledige muur van bomen en struiken de jungle afsnijdt van de buitenwereld. De junglegeluiden komen nu pas echt tot hun recht, al blijft het voor ons een haast onmogelijke opdracht om de dierengeluiden van elkaar te onderscheiden. Wanneer we bij valavond terugpeddelen en profiteren van de stroming, zijn we getuige van een zoveelste natuurspektakel: een bloedmooie zonsondergang. Door de weerspiegeling van het water lijkt de symmetrie haast perfect. De oranje vuurbol deint langzaam uit tot een stip en heeft de omgeving een haast magistrale kracht. Het meesterlijk schilderwerk doet me wegdromen verweg van de gevaren van de jungle en andermaal besef ik dat ik een echte bofkont ben. Reeds vijftien maanden onderweg en nog steeds is de betovering van het reizen niet verbroken. Ik staar naar die ongekartelde cirkel en bemerk hoe die omgeven wordt door een aureool van bescherming. Inwendig spreek ik de wens uit dat ik ook voor de rest van mijn lange zwerftocht kan terugvallen op die beschermende, veilige vuurrode zon. Wanneer we het kampement bereiken licht de horizon nog heel even op. Het lijkt erop alsof mijn gebeden werden aanhoord...
Een lange reis... |
Ecuador - Amazonegebied, 07-12-2007 - (dagboek 26) |
 |
 |
 |
We zijn aangekomen in de Oriente, het Amazonegebied van Ecuador. Of althans datgene wat er van overblijft. Met een jaarlijks verlies van ongeveer vier procent van hun regenwoudareaal zijn Mexico, Midden-Amerika en Ecuador de plaatsen met de snelste ontbossing in Latijns-Amerika. Als je daarbij bedenkt dat de ontbossingssnelheid niet constant blijft maar toenneemt ( in 1979 verdween 75.000 vierkante kilometer regenwoud en tien jaar later was dit opgelopen tot 120.800), dan mogen we aannemen dat een aantal landen binnen enkele decennia hun laatste stukje regenwoud zullen verliezen. Eén troost: Ecuador heeft zich in de jacht op toeristendollars de laatste jaren meer en meer gaan profileren als een ´natural destination´. De niet geringe inkomsten die de overheid binnenrijft door het heffen van entreegeld voor het bezoeken van nationale parken en natuurreservaten heeft een positieve invloed op het behoud van de regenwouden. Ook voor het Cuyabeno reservaat (655.000 hectaren groot) is dat -gelukkig- niet anders. Het natuurreservaat wordt algemeen beschouwd als één van de mooiste regenwoudgebieden in de Amerikaanse tropen. Als toerist moet je er wel iets voor overhebben. Om binnen te dringen tot het hart van het reservaat kost het ons een hele dagreis. Vanuit Quito vertrekken we rond 10 uur īs morgens per vliegtuig naar de junglestad Lago Agrio, de hoofdstad van de provincie Sucumbios. Vandaaruit gaat het per bus (drie uur) verder en nemen we tenslotte plaats in een gemotoriseerde kano voor een boottocht van vier uur.
Bij aankomst in onze lodge 'Dracaena' is de nacht reeds ingevallen. Elektriciteit is er niet, een op benzine werkende generator evenmin. De duisternis van de jungle wordt verlicht met vlammende kaarsjes, net als onze toegewezen rudimentaire overnachtingsplaats. Een houten barak met open vensters en een dak van bananenbladeren. Kakkerlakken walsen er vrolijk rond, bruingroene kikkers in alle maten spelen ondeugend verstoppertje in de douche, de lavabo en in de wc-pot, terwijl langpotige spinnen ons knipogend welkom heten wanneer we het muskietennet losknopen tot een hemelbed. In de jungle leer je één worden met de natuur of je dat wilt of niet.
Ondanks de vermoeiende reis en het late uur staat er nog een activiteit op het programma: een nachtelijke mini-wandeling doorheen het dichte regenwoud. Gewapend met een zaklamp stappen we met zīn elven achter de gids aan. In het schijnsel van onze lichtbundels ziet de jungle er nog angstaanjagender en ondoordringbaarder uit. Af en toe houden we halt en staren vierentwintig nieuwsgierige ogen naar de actieve nachtelijke dierenwereld. Van alle kanten kruipen, krioelen, vliegen, kronkelen en zoemen insecten: van fraai oplichtende vuurvliegjes tot onzichtbare steekvliegen, van ongevaarlijke bidsprinkhanen tot wandelende takken, van reuzenmieren tot kleurrijke gifslangen. De fantasie van de natuur is ook īs nachts schijnbaar onbegrensd. De nachtelijke ontdekkingstocht lijkt ons niet bepaald bevorderlijk voor een rustige, van nachtmerries gespaarde nachtrust, maar gelukkig zijn we zo doodop dat we wellicht geen last zullen hebben van al het ongedierte. Fingers crossed...
Een eresaluut aan Lonesome George... |
Galapagos - Santa Cruz, 06-12-2007 - (dagboek 25) |
 |
 |
 |
Vanmorgen heb ik niks in mīn schoentje gevonden. Op de Galapagos is Sinterklaas onbestaande. Ook Charles Darwin zal de heilige man van hoge leeftijd niet ontmoet hebben. Daarvoor was de Britse bioloog te kort en op het verkeerde tijdstip op de archipel. Tijdens zijn vijf jaar durende reis aan boord van het schip de Beagle, arriveerde hij op 16 september 1835 op de Galapagoseilanden om het vier weken later opnieuw te verlaten.
Niet alleen Darwin heeft zijn naam voor eeuwig verbonden met de Galapagos, ook de Belgische professor, Victor Van Straeten, heeft er zijn stempel gedrukt. In een poging om het hele gebied te beschermen, werd de archipel in 1959 tot nationaal park verklaart en werd er met financiële hulp van de UNESCO de Charles Darwin Research Station opgericht. Mede door zijn jarenlange inzet werd Victor Van Straeten benoemd tot de allereerste president van de Darwin stichting.
Ter afsluiting van onze Galapagos-trip brengen we nog een bezoek aan dit onderzoekscentrum. Omdat in het verleden bepaalde dierenpopulaties zo sterk in aantal zijn teruggelopen, heeft men voor de bedreigde diersoorten, zoals bepaalde schildpadrassen en landleguanen, een kweekprogramma opgezet. Kweekprogrammaīs zijn erop gericht inteelt te voorkomen en de jonge dieren worden vanaf hun geboorte zo goed mogelijk voorbereid op hun terugkeer in de vrije natuur. De meest tot de verbeelding sprekende en gefotografeerde schildpad van het onderzoekscentrum is ongetwijfeld ´Lonesome George´. Het is de bijnaam van het enige nog levende mannetje van het schildpadras van Pinta. Samen met twee vrouwtjes leeft hij in gevangenschap in het Charles Darwin centrum. Tot op vandaag heeft hij voor geen van beiden interesse getoond. Het ziet er naar uit dat hij werkelijk de laatste van zijn ras is, want zelfs na een wereldwijde contactadvertentie bij alle dierentuinen is er geen vrouwtje meer aangetroffen. Naar verluidt looft men 10.000 dollar uit aan de persoon die alsnog een geschikt vrouwtje weet te vinden. Ach, denk ik bij mezelf, allemaal boter aan de galg. Lonesome George is nu eenmaal anders geaard.
Wanneer we een uur later aankomen op het vliegveld van Baltra deint de luchthaven. Of lijkt het alleen maar zo? Zijn het onze zeebenen? De wolken lijken op spelende zeeleeuwen en de vleugels van het vliegtuig hebben iets weg van een albatros. Drie uur later scheren we als een pelikaan neer over de verzengde landingsbaan van de luchthaven in Quito. Onze ontdekkingstocht langsheen het aards paradijs van Charles Darwin zit erop. Morgen vliegen we voor vier dagen naar een ander stukje eldorado, met name dat van de Amazone.
Floreana: een eiland vol intriges... |
Galapagos - Santa Cruz, 05-12-2007 - (dagboek 24) |
 |
 |
 |
Rond drie uur in de nacht hoor ik hoe de motor van de Yolita-boot wordt stilgelegd. We zijn aangekomen op onze laatste bestemming, Floreana. Vanuit de ronde patrijspoort zie ik in de verte lichtjes dansen op het schommelende water. De cruisschepen op Galapagos doen allen dezelfde route en varen voornamelijk īs nachts naar een identieke plek. De lichtjes vervagen tot vlammende kaarsjes en enkele tellen later glijd ik weg in diepe goudgele zandkorrels. De scheepsklok rinkelt me drie uur later vermoeid uit bed. Het benedenruim vult zich met gebakken eieren, yoghurt, muesli en brood. Ik zal het gastronomisch leventje toch wel wat missen, eenmaal terug op de fiets.
De zon brandt reeds in alle hevigheid wanneer we aan wal gaan op het Floreana eiland. Zoals elke morgen worden we ook nu weer begroet door tientallen zeeleeuwen. Vanaf de baai loopt een pad naar een klein schiereiland. Onderweg passeren we een lagune waar enkele flamingoīs pootje baden. Even verderop ontdekken we een zoveelste stukje paradijs, een door rotsen omgeven wit zandstrand. Zeeschildpadden zwemmen er lome rondjes of laten zich meedrijven door het spel van eb en vloed. Net wanneer we terugkeren, zien we hoe twee zeeschildpadden zich verstrengelen door de liefde. Ze klampen zich zo hevig vast dat zelfs de golfslagen hen niet uiteen kunnen drijven.
Wie weet heeft de samenklittende eenheid decennia geleden de Duitse filosoof, nudist en vegetariër, Friedrich Ritter, geïnspireerd om zich hier te komen vestigen. In augustus van het jaar 1929 landde hij met zijn maîtresse Dora Strauch in Post Office Bay op het eiland Floreana. Beiden waren beïnvloed door de filosofieën van Jean Jaques Rousseau en hadden alles in Duitsland opgegeven om hier in de natuur te leven. Schepen die langskwamen verspreidden al snel het nieuws dat er op het paradijselijk eiland in de Grote Oceaan een echtpaar leefde naar het voorbeeld van Adam en Eva. Aangetrokken door de fantastische verhalen arriveerde drie jaar later een ander Duist echtpaar, Harry en Margaret Wittmen, met hun zoon Harry. Hoewel het eiland 173 vierkante kilometer groot is, lagen de beide families vaak met elkaar in de clinch. Er spoelden nog meer vreemde vissen aan, zoals de Oostenrijkse barones Eloise Wagner-Bousquet. Ze was vergezeld door twee minnaars, Philippson en Lorenz, en een Ecuadoriaanse bediende. Onderweg naar Floreana had ze haar man verloren. Vanaf het moment dat de barones en haar gevolg voet aan wal zette, begonnen de roddels en de intriges. Op een bepaalde dag werd de barones dood aangetroffen, samen met haar minnaar Philippson. Lorenz bleek met de noorderzon verdwenen en kort daarop werd ook de Duitse filosoof Friedrich Ritter dood aangetroffen. Autopsie zou hebben uitgewezen dat hij was gestorven door voedselvergiftiging. Het Floreana eiland veranderde van een aards paradijs in een hel, maar leverde wel een apart boek op dat door Margret Wittmen werd neergeschreven.
Floreana moet zowat het epicentrum geweest zijn van excentrieke bewoners, want in 1807 was het eiland reeds bevolkt door de Ier Patrick Watkins. Hij was hier samen met een aantal slaven als banneling achtergelaten. Hij wist zich in leven te houden door het verbouwen van groenten. Het grootste deel van de dag was hij echter dronken van de rhum. Deze verkreeg hij door zijn groenten te ruilen met passerende schepen.
Wanneer we het strand verlaten zien ze hoe het nachtelijk spoor van een zeeschildpad zich oplost in het zoute water. Vrouwtjes leggen eens in de twee ā drie jaar eieren, die ze īs nachts op het strand begraven. Daar maken ze een kuil van een meter diep en leggen elk tussen de 80 en 120 eieren. Daarna dekken ze de kuil af met zand en urineren ze over de eieren. Met de urine markeren ze de nestplaats zodat andere vrouwtjes het nest niet verstoren door op dezelfde plaats te gaan graven. Na twee maanden komen de schildpadjes uit hun ei. De eerste minuten zijn de gevaarlijkste in het leven van een zeeschildpad. Op weg van het strand naar het water loeren fregatvogels en jan-van-gents op de net uit het ei gekropen schildpadjes. Het ´schippertje mag ik overvaren´ bereikt slechts een minderheid. Maar ook in het water zijn ze niet volledig veilig, want daar worden ze de eerste dgen nog belaagd door haaien en kogelvissen. Gemiddeld overleeft slechts 10% de tocht.
We verlaten het aards paradijs en zetten koers naar de andere kant van het eiland, Post Office Bay. Deze plaats is uitgegroeid tot een historische plek, niet in het minst omdat de eerste wavisvaarders hier een brievenbus hebben geplaatst. Berichten en brieven werden er achtergelaten die dan door voorbij varende schepen werden opgepikt. De originele brievenbus is al lang verdwenen, maar de traditie heeft wel stand gehouden. Op onze beurt gooien we drie prentbriefkaarten in de houten zeemanspostbus en vissen we er zelf twee uit. De eerste is geadresseerd naar Anzegem, de tweede naar Den Haan. Benieuwd hoelang onze kaarten er zullen overdoen om hun eindbestemming te bereiken.
Voor de lunch kiezen we met zīn allen nog eens voor het zoute sop. Getooid met onze snorkeluitrusting speuren we de omgeving van ´Corna del Diablo´ (duivelskroon) af. Tussen de onderwaterrotsen zwemmen talloze kleurrijke vissen. Door de helderheid van het water is het een waar snorkelavontuur. Witpuntrifhaaien, papegaaivissen, geelstaartchirurgijnvissen en witbandkoningvissen defileren nog een laatst maal op de eindloze marine-catwalk. Een laatste vin, een laatste luchtbel...
Een uur later sputtert de moter opnieuw aan. We turen over die onregelmatige schuimkoppen en speuren nog tevergeefs naar een verdwaalde dolfijn. Vanavond zetten we terug voet aan wal op het Santa Cruz eiland om met wiebelende zeebenen over de pier te flaneren. Nog een laatste nacht in de kajuit en dan zit het er definitief op. De kruisvaart naar het hart van de wereld is volbracht...
Een herkansing... |
Galapagos - Floreana, 04-12-2007 - (dagboek 23) |
 |
 |
 |
Druilerige regendruppels spatten kleverig tegen de glazen patrijspoorten wanneer ik īs morgens rond half zes polshoogte neem van onze nieuwe aanlegplaats, Española. Ik maak me evenwel geen zorgen, want aan de horizon zie ik reeds hoe de eerste zonnestralen doorheen het dichte wolkendek priemen. Met een gemiddelde temperatuur van 26 graden celcius kunnen we in ieder geval niet klagen.
Española is niet alleen het zuidelijkst gelegen eiland van de Galapagos eilanden, het is tevens ook het oudste van de archipel, ruim 3,4 miljoen jaar oud. Doorheen de jaren is Española een vaste stopplaats geworden voor reizigers die de Galapagos aandoen. Het eiland kenmerkt zich vooral door een grote verscheidenheid aan vogels.
Wanneer we rond kwart over zeven aan wal gaan op een lange, smale stenen pier, zijn de eerste dieren die ons pad kruisen evenwel jonge zeeleeuwen. Op haast elk eiland in de Galapagos tref je ze aan, met hele trossen. Ook nu weer negeren de wijfjes en hun jongen ons wanneer we voorbij stappen. Tegen de kliffen van enkele lavarotsen trotseren enkele makser jan-van-gents de felle wind. Ze zijn familie van de jan-van-gents, maar bezitten evenwel niet dezelfde kleurrijke zwemvliezen. Ik zie hoe enkele vrouwtjes zitten te broeden op hun eieren, terwijl wat verderop enkele masker jan-van-gents als kamikaze tekeer gaan. Met een duizelingwekkende vaart storten ze zich naar beneden. Net voor ze het water raken veranderen ze hun lichaam in een pijl. Op die manier kunnen ze probleemloos tot 10 meter diep duiken, op zoek naar een overdonderde vis.
Op een steenworp van de masker jan-van-gents zit nog een nieuweling, de albatros. Met een gewicht van 3 tot 4 kilo en een spanwijdte van meer dan twee meter is de Galapagosalbatros de grootste vogel van het archipel. We mogen van geluk spreken dat we er in deze periode van het jaar nog enkele aantreffen. Galapagosalbatrossen komen alleen voor de voortplanting aan land. De rest van het jaar (van december tot april) verblijven ze op het zuidelijk deel van de Stille Oceaan. Naar het schijnt is de paring een soort rituele dans waar menig choreograaf jaloers op zijn.
We lopen op de kliffen van enkele rotsten die als een ketting met elkaar verbonden zijn. De onstuimige zee spat metershoog en zoekt zijn uitweg tussen de vele rotsspleten. Op een bepaalde plaats heeft het klotsende, binnendringende water gezorgd voor een natuurfenomeen. Door de kracht waarmee de golven hun weg banen, spuit hier en daar de branding metershoog in de lucht. Het levert een natuurlijke fontein op te midden van gestolde lavarotsen.
Het opspattende water lijkt de vogels niet te deren, evenmin onze aanwezigheid. De rollen zijn hier omgekeerd. Ik voel hoe ik op bezoek ben bij hen in plaats van andersom. Een telelens is een overbodige luxe op de Galapagos. Hier krijgt de mens een herkansing. Vogels vliegen niet weg en hagedissen op het wandelpad gaan rustig door met hun push-ups. Zeeleeuwen liggen er als een levend tapijt bij wanneer je over de aanlegsteiger loopt en maken slechts moeizaam plaats wanneer je hard roept of in de handen klapt. De tamheid heeft me telkens weer het gevoel dat ik in een illustratie van een sprookjesboek stap.
Eenzelfde gewaarwording heb ik wanneer ik in de namiddag de zeebodem afspeur. Als een gestroomlijnde vis golf ik palingsgewijs tussen exotisch gekleurde soortgenoten. Achter mij doemt er een schim op. Een haai? Ik draai me met een ruk om en zie hoe twee kanariegele flippers rakelings langs mijn hoofd suizen. In Galapagos komt de bedreiging steeds van buitenaf.
Na het avondeten tuur ik over de reling en staar naar die wegkwijnende horizon. Enkele pelikanen zitten op de rand van onze panga en speuren met hongerige ogen het watteroppervlak af. De verlichting op de boot filtert de omringende zee als een veilige thuishaven. In de verte zie ik hoe enkele fregatvogels oplossen in de duisternis. De silhouetten vervagen tot zwarte stippen. De nacht kleurt gitzwart en een immense rust daalt in me neer. Ik werp nog een laatste nachtelijke blik doorheen mīn partijspoort en besef innerlijk dat het kunstwerk van verwondering er een nieuwe dimensie heeft bijgekregen.
De bedreiging voor Galapagos... |
Galapagos - Española, 03-12-2007 - (dagboek 22) |
 |
 |
 |
De nieuwe lading passagiers is eerder van het stille soort of misschien zijn ze teveel overdonderd door alle nieuwe indrukken. Samen met de vijf Sandinavische meisjes, twee franstalige meisjes, twee Amerikaanse jongens en een Hollands koppel is onze groep van 16 opnieuw compleet. Daar waar de vorige groep zich eerder als schrokoppen gedroegen aan de ontbijttafel, nemen de Zweedse meisjes discreet een sneetje brood met jam. Ze eten als musjes. Ze zitten duidelijk nog in de schoonheidsfase. Een zuinig slanke lijn en een bruine huid, het is het handelsmerk van pas afgestudeerde humaniora-tieners. De zachte rondingen en de flamingo-billen laat ik aan me voorbijgaan. Wie naar de Galapagos reist, heeft enkel oog voor vreemde, haast monsterachtige wezens.
Een voor ons nieuw, prehistorisch ogend beest treffen we aan op Plaza eiland. Tussen het kale rotslandschap dat voornamelijk gekenmerkt wordt door cactussen liggen enkele landleguanen te zonnen. Ze onderscheiden zich van de zeeleguanen door hun opvallend gele kleur. Tevens zijn ze een stuk groter dan hun zeefamilie. Het zijn voornamelijk planten- en insecteneters die tot ongeveer 60 jaar oud kunnen worden. Ondanks hun hoge leeftijd worden ze op het Santa Cruz eiland met uitsterven bedreigd door de aanwezigheid van geïmporteerde dieren, zoals varkens, honden en ratten. De grootste bedreiging voor het fragiele ecosysteem zou niet zozeer de jaarlijkse toenemende stroom toeristen zijn, maar de explosieve groei van de plaatselijke bevolking. Vele migranten komen zich vestigen op de bewoonde eilanden van de Galapagos in de hoop om op die manier een graantje mee te kunnen pikken van het toerisme. Met de groeiende stroom migranten komen helaas ook allerlei ongewenste bezoekers mee aan boord. Insecten die in de scheepslading zitten, huisdieren, maar eveneens bloemen en planten. De inheemse soorten hebben geen weerstand tegen de import van het continent. Het verhaal gaat de ronde dat op een bepaald eiland massaīs struiken dood gingen doordat een passagier op een sierplant per ongeluk een insect had geïmporteerd. Vooral de meegebrachte dieren veroorzaken de natuurbeheerders van het nationaal park grote kopzorgen. De dieren vertrappelen niet alleen nesten, maar doden ook reptielen en eten heel vaak schildpadeieren.
Ook op zee loert het gevaar. Een bedreiging die in hoofdzaak wordt toegeschreven aan de illegale visserij. Naar het schijnt kon je vroeger in de haven van Puerto Ayora, de hoofdstad van Galapagos, met je handen kreeften vangen. Anno 2007 zijn ze nergens meer te bespeuren, evenmin in de kustwateren. De verarming van de zeefauna baart niet alleen de plaatselijke, ambachtelijke vissers grote zorgen, ook biologen volgen de neerwaartse evolutie met argusogen op. Sinds enkele jaren heeft het nationaal park zeggenschap gekregen over de kustwateren. Op die manier hopen de beheerders van het park wat meer inspraak te krijgen op het reilen en zeilen op water, want wat er in zee gebeurt, heeft onmiddellijk ook invloed op het land. Als de zee vervuilt gaan ook de zeeleguanen en de zeevogels dood. De vernietiging van het dierenleven op de Galapagos kan ook nefaste gevolgen hebben voor het toerisme. Op het diereneiland zijn alle schakels met elkaar verbonden. Het ene kan niet los staan van het andere.
In de namiddag meren we aan op het Santa Fe eiland. Na de lunch is er een vrije activiteit. De Scandinavische babes verkiezen het zonovergoten buitendek i.p.v. een fris partijtje snorkelen. Ik prijs me gelukkig dat Lies eerder een waterrat is dan een schoonheidspop die meer oog heeft voor zichzelf dan voor de wonderen van de natuur. Aan het witte strand en op de rotsblokken schuifelen enkele jonge zeeleeuwen wat rond, terwijl een mannetjes zeeleeuw patrouilleert langs de kust. Met de regelmaat van de klok slaakt hij een flinke brul waarmee hij niet alleen zijn eigen territorium, maar tevens zijn harem bewaakt. Een zware opgave als je weet dat sommige onder hen 30 tot 40 vrouwen hebben.
Net als de voorbije dagen dartelen opnieuw honderden vissen om ons heen. Ditmaal zien we ook twee roggen en een stel witpuntrifhaaien. Op de bodem te midden van een kring rotsen liggen twee kolossale zeeschildpadden. Ondanks niet geringe diepte slaag ik er niet in om de bijzondere dieren met de onderwatercamera goed te fotograferen.
Na het snorkelen verkennen we het omliggende eiland te voet. Op Santa Fe beperkt de vegetatie zich tot cactussen en struikgewas. We hebben geluk want op onze wandeling ontmoeten we twee van de drie nog aanwezige landleguanen. Ze zijn uniek in soort en wijken af van de leguanen op de andere eilanden, maar doordat ze qua uiterlijk en gedrag veel op elkaar gelijken, worden ze vaak als één en dezelfde soort gezien. Het grote verschil is wellicht dat ze het meest hebben geleden onder de komst van de mens. Dat kan alvast afgeleid worden uit de volgende passage die Charles Darwin in zijn dagboek neerschreef: Ik kan niet op overtuigender wijze getuigen van hun grote aantallen, dan door te vertellen dat toen we op Santa Fe waren achtergelaten, we lange tijd moesten zoeken naar één plekje vrij van hun holen om onze tent op te zetten. Meer dan vier eeuwen later zijn de landleguanen zo drastisch in aantal achteruitgegaan dat de dieren in gevangenschap moet worden gekweekt om de soort voor uitsterven te behoeden.
Op de terugweg ploffen we ons neer op het witte strand terwijl vrouwtjesleeuwen als lange worstjes op een rij liggen te slapen. Even verderop bespeuren we opnieuw de brullende mannetjes leeuw. Op Galapagos valt er altijd wel iets te beleven. Morgenochtend bereiken we het verste punt van onze achtdaagse cruisetocht, het Española eiland. Benieuwd welke exemplaren we daar te zien zullen krijgen...
Muiterij op de Bounty... |
Galapagos - Plaza, 02-12-2007 - (dagboek 21) |
 |
 |
 |
Voor de tweede opeenvolgende dag loopt de wekker af om half zes in de morgen. Het vroege ontwaken moet de toeristen die vandaag het schip verlaten de kans geven om nog een laatste glimp op te vangen van het sprookjesachtig dierenrijk.
North Seymour is een waar paradijs voor elke vogel liefhebber. We staan oog in oog met hele broedkolonies van fregatvogels en blauwvoetige jan-van-gents. Eén van hen broedt onder zijn badkamerblauwe zwemvliezen twee eieren uit, terwijl een andere een pluizig jonkie aan het voeden is. Het blijft een vreemde gewaarwording om te zien hoe die vogels onze aanwezigheid nauwelijks opmerken.
Vooral de fregatvogels dragen mijn voorkeur weg, niet in het minst door de wijze waarop ze de vrouwtjes het hof proberen te maken. Om indruk te maken, blazen ze tijdens het balsten hun felrode keelzak op tot een ballon. Het levert een kleurrijk schouwspel op. In tegenstelling tot vele visetende vogels kan de fregatvogel niet onder water duiken. Het oliegehalte in de veren is te laag om de vleugels droog te houden. Zijn voedsel bekomt hij meestal door vogels aan te vallen en hun prooi te stelen. Fregatvogels achtervolgen en belagen andere vogels net zo lang tot ze hun gestolen vis uitbraken of laten vallen in hun vlucht. ´Struggle for live´ is op de Galapagos nooit verweg.
Voor de mannelijke zeeleeuw op Galapagos is ´struggle for love´ eerder aan de orde van de dag. Wanneer we opnieuw inschepen, zien we immers hoe een fors geschapen mannetje boos balkend alle concurrenten buiten zijn territorium houdt. Het beschermen van zijn meute minnaressen is een fultime job. Terwijl de vrouwtjes zich bekommeren om hun kleintjes, zwemt vader zeeleeuw onophoudelijk heen en weer. Af en toe schiet hij als een speer door het water wanneer een ongewenste bezoeker zich opdringerig aanmeldt om het hof te maken. Naar het schijnt houdt de mannelijke zeeleeuw deze topprestatie enkele weken lang vol. In die periode heeft hij zelfs niet eens de tijd om te rusten of te eten. Na enkele weken is hij zo verzwakt dat hij de strijd moet opgeven. Hij wordt verdreven en trekt zich terug naar wat het vrijgezellenstrand heet, de plek waar alle mannetjes zonder territorium liggen. Eenmaal terug op krachten begint hij opnieuw met zijn veroveringstocht. Nu ja, dat is wellicht de prijs die je betaalt als je er een resem vrouwen op na houdt...
We keren terug naar het schip waar we met zīn allen nog een laatste keer gezamenlijk ontbijten. Na het ontbijt onstaat er wat commotie. De passagiers die het schip verlaten hebben bij het inpakken allen een envelop en een evaluatieformulier op hun bed gevonden. Naast het nummer van de kajuit staat het woordje ´tips´ en ´crew´ vermeld. De omslagen en beoordelingen moeten bij het vertrek op de ontbijttafel worden gelegd. Terwijl de elf passagiers vertrekkensklaar staan, bekijkt de kok vluchtig de inhoud van de omslagen. Ik zie hoe de stemming van de man zowat het vriespunt bereikt. Wanneer hij de twee dollarbriefjes (€1,4) ontdekt in de omslag met het nummer zes vraagt hij beledigd van wie de schamele tip is. Met een niet mis te verstane blik gooit hij de omslag in de richting van de weinig gulle toerist. Vervolgens neemt hij de evaluatieformulieren en verscheurt ze voor onze neus. Discretie is hier duidelijk ver zoek. Tips zijn in zekere zin een barometer omtrent je tevredenheid. Het feit dat onze gids nogal ondermaats is, zal wel nefast zijn inzake het drinkgeld. Onze gids Franklin spreekt gebrekkig Engels en komt niet verder dan het opdreunen van enkele kernwoorden uit één of andere reisgids. Als je hem iets in het Engels vraagt, vertelt hij iets dat helemaal buiten de kwestie ligt. Best jammer, want zeker op zoīn Galapagos-cruise valt of staat het welslagen voor 70% met de deskundigheid van de gids. We laten het niet teveel aan ons hart komen en proberen op onze manier te genieten van het wonderlijke dierenrijk.
De door Lies meegebrachte reisgids had ons gewaarschuwd: Wie slechts voor vier dagen de Galapagos aandoet, doet haar geen recht aan. Daarom hebben we dan ook ingescheept voor een achtdaagse cruise. Terwijl de nieuwelingen op het vliegveld van Baltra worden afgehaald, worden we -samen met de drie overblijvende passagiers- op het strand gedropt. Rond twee uur in de namiddag is de groep opnieuw compleet. Met zīn allen varen we naar Santa Cruz Bachas. Op het strand liggen wederom tientallen zeeleeuwen te zonnen. In een lagune, even verderop, staat een eenzame flamingo. Met hoge snelheid duikt hij zijn hoofd in de ondiepe poel op zoek naar voedsel. Een voorbijwandelende zeeleguaan wordt door de nieuwe vloot gulzig digitaal ingeblikt. Ik betrap me erop dat er na vier dagen een soort déjā-vu-effect ontstaat. Ook mijn overweldigende impressie bij mijn derde snorkelpartij is wat gemilderd. Toch blijft de ontdekkingstocht me nog voldoende bekoren. Met de wetenschap dat we de komende dagen aardig nog wat nieuwe dieren zullen te zien krijgen, kruipen we na het avondeten als slaapwiegend in ons bed.
Op het verkeerde been... |
Galapagos - Bartolomé, 01-12-2007 - (dagboek 20) |
 |
 |
 |
Darwin was niet erg onder de indruk van het landschap toen hij op 15 september 1835 landde op het eiland San Cristobal, het eerste van de vier die hij zou bezoeken. Hij verbeeldde zich dat de struiken stonken en de vlakte van zwarte basaltbrokken waar de zon loodrecht op stond, leek wel een oven. 'Niets is minder uitnodigend dan deze eerste blik' , schreef hij in zijn dagboek. Meer dan anderhalve eeuw later is er niet veel veranderd. Slechts enkele eilanden hebben groene toppen, de andere kale heuvels, grijze stranden en zwarte kliffen in bladerdeegreliëf. Waarschijnlijk zou Charles Darwin zijn mening hebben herzien wanneer hij een panoramische blik had geworpen vanop de top van het Bartolomé eiland. Onder ons zien we vulkanische eilandjes als gestolde zwartgrijze zandtaartjes die omgeven worden door hemelsblauwe lagunes. Het lavalandschap wordt gedomineerd door de Pinnacle Rock die als een uitgehouwen vuurtoren waakt over de woelige zee.
De ruigheid van het landschap zet je op een verkeerd been, want de archipel is vrij jong in vergelijking met de vier miljard jaar oude aarde. Vermoedelijk zijn de eilanden 5 miljoen jaar geleden ontstaan door explosies van onderwatervulkanen, die op een gegeven ogenblik boven de zeespiegel zijn uitgekomen. Daarom ook waren de eilanden onbewoond. De eerste dieren die aanspoelden moeten goede zwemmers geweest zijn. Zeeleeuwen en pinguïns werden een handje geholpen door de koude golfstromen uit het Antarctisch gebied. Zaadjes, insecten en spinnen werden vermoedelijk door de winden van het continent over de oceaan geblazen. Andere kolonisten kwamen meeliftend in de veren of maag van vogels. Reptielen en reuzenschildpadden dobberderden erheen op omgevallen bomen en drijfhout, die normaal met de regentijd via de rivieren naar zee spoelden. In de loop der eeuwen onstond zo een bonte, geïmproviseerde gemeenschap. Bij gebrek aan concurrenten of juist gedwongen door de nieuwe levensomstandigheden, ontwikkelde zich een fauna en flora met eigenschappen die nergens anders ter wereld te vinden waren. Voor biologen is de Galapagos dan ook een mekka om veranderingsprocessen gade te slaan.
Maar ook wij, als leken komen aardig aan onze trekken; zowel boven als onder water. In de namiddag speuren we vanuit de panga inhammen van de zee af. We dobberen langzaam door het mangrovebos. De oogst is eerder gering. We moeten ons tevreden stellen met een handvol kleine haaien en enkele rondpeddelende zeeschildpadden. Wanneer we terug de Yolita-boot opklauteren, staat een versgebakken taart op tafel. In groen glazuur staat het woordje 'Goodbye' neergeschreven. Morgen verlaten elf passagiers de boot. Hun trip door de magische dierenwereld van Galapagos zit erop. Wij hebben nog vier dagen respijt...
Een bewegend en fascinerend biologieboek... |
Galapagos - Bartolomé, 30-11-2007 - (dagboek 19) |
 |
 |
 |
Ik heb de hele nacht liggen zwalpen als een drenkeling, maar de gevreesde misselijkheid bleef gelukkig uit. Na mijn onprettige ervaring tijdens mijn reis naar Antarctica, heb ik mijn lesje wel geleerd. De touristilpillen hebben hun uitwerking niet gemist.
Om half acht zetten we voet aan wal op het Rabida eiland. Het eiland kenmerkt zich door rode zandstranden en verschillende lagunes. Reeds bij het aanmeren van onze panga worden we verwelkomd door een stel speelse zeeleeuwen. Het lijken wel elegante acrobaten die sierlijk een stukje waterballet opvoeren. Hun nieuwsgierigheid draait hun snoezige snuit in onze richting, alsof ze ons erop attent willen maken dat wij de passanten zijn.
Eenmaal aan land openbaart het dierenleven zich hier in alle fasen. Terwijl een jonge zeeleeuw eenzaam een rondje zwemt, liggen enkele vrouwtjes languit op hun velourse pels die vele maten te groot lijkt. Met donkere ogen staren ze me vermoeid aan wanneer ik geknield mīn lens op hen richt.
Even fotogeniek, maar bijlange niet zo nieuwsgierig zijn de zeeleguanen. Als miniatuurdraakjes zitten ze roerloos op de lavarotsen. Het lijken wel kleine prehistorische monstertjes die met hun zwart, schubachtig vel zo lijken weggelopen uit Jurassic Park. Hun huid hangt in plooien om hun nek en hun rug heeft wel iets weg van een rafelige kam. Darwin omschreef ze als ´zwarte hagedissen´. Dat Charles Darwin niet echt onder de indruk was van hun verschijning valt af te leiden uit zijn dagboek. ´Het is een afzichtelijk wezen, smerig, zwart, dom en sullig in zijn bewegingen.´ Nochtans is de zeeleguaan van de Galapagos de enige in zijn soort die zich voedt met zeealgen en heeft hij, geheel volgens de evolutiewet, daardoor goed leren duiken.
Wanneer we ons terug naar het strand begeven, krijgen we een ander hoofdstuk te zien uit dit bewegend biologieboek. Over een lengte van enkele tientallen meters zitten in de stuiken een handvol pelikanen op rommelige nesten. Even verderop bespeuren we zelfs een drietal jan-van-gents. Met hun hemelsblauwe zwemvliezen zien ze er best grappig uit.
Na de lunch zetten we koers naar het Sombrero Chino-eiland, genaamd naar zijn typische vorm. Voor het eerst gaan we het leven onder water ontdekken. Het is wat wennen: het strakke surfpak, de knalgele flippers, het gebrilde masker. Twee minuten later drijven we met zīn allen in de Stille Oceaan. Ik loer met kinderogen door mijn net schoongespuugde duikglas naar deze vissende onderwaterwereld. Er openbaart zich een dierenrijk als uit een sprookjeswereld. Opeens bevind ik me midden in een school knorvissen. Het lijkt wel alsof ik hallucineer. Even later wordt mijn aandacht getrokken door een turkooise papegaaivis. Langs de lavarotsen speurt hij gemoedelijk naar voedsel. Plots scheert er een enorme donkere schaduw rakelings langs me heen. Het volgende ogenblik drukken twee verbaasde, donkere ogen zich tegen mijn duikmasker. Wil je met mij spelen? Het is een jonge zeeleeuw. Speels cirkelt hij om me heen. Als door angst bevangen, voel ik me als een vreemde vis in mn gitzwart duikerspak. Terwijl ik naar lucht hap, flippert hij reeds weg naar leukere speelvriendjes.
Voor het vallen van de avond maken we nog een wandeling op het sombrero-eiland. Het strand is bezaaid met honderden felrode krabbetjes. Ze steken fel af tegen de zwarte lavarotsen. De sally lightfoot-krabben zijn knalrood met geel en zijn wellicht de enige schuchtere dieren op Galapagos. Wanneer we naderen spreidt de rode gloed op de rotsen zich uiteen en kruipen ze weg tussen de spleten. Voor het eerst zien we ook de allereerste Darwinvink. Voor Charles Darwin waren deze vinken van onschatbare waarde in zijn evolutie-theorie. Na jaren onderzoek ontdekte hij dat de vogels zich aanpasten aan de omstandigheden en die nuttige eigenschappen erfelijk doorgaven. Terwijl de vogels op het continent zaden aten, waren sommige vinken op de Galapagos overgestapt op insecten. Anderen hadden zich toegelegd op bloemknoppen en weer een andere soort gebruikte cactusnaalden als een hamer om insecten uit bomen te peuteren. Zijn observatievermogen en vergelijkbare studies van de dierenwereld hebben zijn naam voor eeuwig verbonden met de Galapagos. Niet geheel toevallig werd dan ook het onderzoekscentrum op het Santa Cruz eiland naar zijn naam genoemd.
Na de wandeling worden we opnieuw opgepikt door de panga en varen we terug naar onze Yolita-boot. Nog voor het avondeten zet de boot koers naar onze volgende bestemming, Bartolomé. We brengen de avond door in de gemeenschappelijke ruimte en al kaartend gaan we de nacht tegemoet.
Een kruisvaart naar het hart van de wereld... |
Galapagos - Santa Cruz, 29-11-2007 - (dagboek 18) |
 |
 |
 |
Ik haat iedere golf in de oceaan. Ik walg van de zee en alle schepen die haar bevaren. Het zijn slechts twee zinnen uit het dagboek van Charles Darwin die hij neerschreef tijdens zijn vijf jaar durende rondreis aan boord van de Beagle. Darwin is zo vaak zeeziek geweest dat het zijn hele beleving van de reis heeft gekleurd. Wij worden nog heel even gespaard van deze keerzijde van een cruise langsheen de Galapagoseilanden.
Na een reis van twee uur landen we op het eiland Baltra. De luchthaven is nog een overblijfsel van de 2de W.O. toen Amerikanen dit eiland als basis gebruikten bij de verdediging van het Panamakanaal. Met een busje worden we naar een aanlegstijger gebracht om vervolgens in te schepen in een boot die ons naar de overkant van de rivier brengt. Vandaaruit gaat het verder naar de grootste stad op het Santa Cruz eiland, Puerto Ayora. Een mini-bus staat vertrekkensklaar om de voltallig verzamelde groep (16 personen) op te pikken voor onze eerste excursie aan land. De rit voert ons naar de highlands van het Santa Cruz eiland tot aan ´Rancho Primicia´, een natuurreservaat te midden van het Nationaal Park Galapagos. Tientallen reuzenschildpadden liggen er loom bij en doden de tijd met het eten van gras. Aanvankelijk leefden er op de Galapagos 14 verschillende soorten. Inmiddels zijn er drie hiervan uitgestorven. Samen met de Seychellenschildpad zijn dit de grootste schildpadden ter wereld. Ze kunnen een gewicht bereiken tot 250 kilo. Het valt ons meteen op hoe tam deze dieren zijn. De reden ligt voor de hand: zij kwamen nooit in contact met het vasteland en de eilanden zijn steeds vrij geweest van natuurlijke vijanden. Dit verklaart ook meteen waarom de dieren op de Galapagos zich op een andere manier hebben ontwikkeld dan hun soortgenoten op het vasteland. Deze bevinding lag ondermeer aan de grondslag voor de evolutietheorie die Charles Darwin in 1859 in zijn boek ´On the origin of species by means of natural selection, or the preservation of the favoured races in the struggle for life´ neerschreef.
De reuzenschildpadden komen alleen van oktober tot en met december naar de groene highlands om voedsel te zoeken. De andere maanden bevinden ze zich aan de kust waar ze hun eitjes leggen. Een tocht die wellicht enkele dagen in beslag neemt, want gemiddeld leggen ze slechts 360 meter af per uur. Het mannelijk exemplaar onderscheidt zicht voornamelijk van zijn vrouwelijke soort door de concave buik en de iets langere staart. De schildpadden steken nauwelijks hun kop weg onder hun gepantserde huid wanneer we langslopen. Natuurlijke schuwheid is hen vreemd.
Na het schieten van enkele tientallen fotoīs zetten we onze tocht verder, richting de Bellavista tunnel. De Galapagos bestaat in feite uit een geïsoleerde groep vulkanische eilanden. Eilanden die hun bestaan te danken hebben door erupties van onderwatervulkanen. Het vulkanisch gesteente van de Galapagos is basalt, waarbij er i.p.v. explosies lavastromen gevormd worden bij erupties. Door de ondergrondse lavastromen ontstaan er lavatunnels. De wandeling doorheen de spelonkachtige grot kan me evenwel niet echt bekoren.
Rond vijf uur rijden we opnieuw het havenstadje Puerto Ayora binnen. Er rest ons ruim voldoende tijd om snorkeluitrusting te huren en wat inkopen te doen. Een uur later brengt een panga (kleine sloep) ons naar de Yolita-boot. Het schip zet zich langzaam in beweging. De kruisvaart naar het hart van de wereld kan beginnen...
Cuenca: de mooiste koloniale stad van Ecuador... |
Ecuador - Cuenca, 27-11-2007 - (dagboek 17) |
 |
 |
 |
´De Avenue van de vulkanen´, zo doopte de Duitse ontdekkingsreiziger Von Humbolt de toppen van de Andes die als een ruggengraat door Ecuador golven. De Panamericana loopt ondermeer van Quito naar Cuenca, ongetwijfeld de mooiste koloniale stad van het land. Cuenca ligt diep in het zuiden en wordt omgeven door groene valleien die er als bruingroene puzzels bij liggen.
We beginnen onze tocht langs de Rio Tomebamba die als een aorta langsheen het oude stadscentrum loopt. Lokale vrouwen zijn druk doende met de was. Op het gras langs de oever vormt de drogende was een kleurrijk stilleven. We worden aangetrokken door een met kinderkopjes betegeld straatje dat parallel met de stroming van de rivier net iets hogerop ligt. Onze ogen vallen op een houten opschrift met een handgeschilderde tekst in het Nederlands. Nog geen regel verder hoor ik een man zeggen vanuit de openstaande deur: Dat kan je toch niet lezen.... De grijs bebaarde man blijkt een Nederlander te zijn die getrouwd is met een Ecuadoriaanse. Sinds een drietal jaar wonen ze permanent in Cuenca waar ze een antiekzaakje runnen. We worden uitgenodigd om een kijkje te nemen in zijn museumpje. De antiekwinkel is ondergebracht in hun huis en vertoont onvervalste Hollandse trekjes. Niet alleen het voorplekje bevat een allegaartje aan curriosa maar ook het woongedeelte ademt een antieke sfeer uit. Jan heeft zijn leven lang als timmerman gewerkt op schepen. Na zijn pensioen besloten hij en zijn vrouw terug te keren naar haar ouderlijk huis in Cuenca. We worden rondgeleid in hun stukje aards paradijs. Het valt me op hoe creatief de man weet om te gaan met zijn antieke spullen: een houten lijkbaar wordt een stevige eettafel, een glazen stolp een lamp. De vindingrijkheid doet me wegdromen naar een eigen stekje vol vreemde snuisterijen. Een gesettelde zwerver tussen vier muren. Ik vrees dat het nog niet direct voor morgen is... We nemen afscheid van het koppel dat in Ecuador een tweede thuis heeft gevonden en vervolgen onze ontdekkingstocht.
Kuierend door de straten die in een dambordpatroon zijn aangelegd, worden we verrast door vele koloniale kerken, mooie herenhuizen en talrijke musea. De verschillende bouwlagen van enkele ruïnes vormen de stille getuigen van opeenvolgende volkeren. Zo overwonnen de Inca´s de oorspronkelijke Canari-beschaving maar werden op hun beurt onderworpen door de Spanjaarden. Ook in Cuenca loert het toerisme om elke hoek. Souvenierwinkeltjes en ateliers waar panamahoeden worden gemaakt, leunen moeiteloos tegen elkaar aan. Dat de panamahoeden niet afkomstig zijn uit Panama is ons nu al wel duidelijk. Dat de bakermat van deze befaamde Toquilla-rieten hoed wel degelijk in Ecuador ligt, hoeft geen twijfel over te bestaan. Elke stad die zichzelf een beetje respecteert, zal ongetwijfeld beweren dat het symbool van Ecuador puur een product is van hun stad. In Cuenca is dat niet anders. Om de achterdochtige toerist alsnog te overtuigen, zijn sommige straatjes omgetoverd tot één grote hoedenwinkel. De kwaliteit van de hoeden hangt af van de dichtheid waarmee ze geweven zijn. Toen deze mooie ambachtelijke producten decennia geleden via het Panamakanaal naar Europa werden verscheept, rolde men de hoeden op zodat ze minder plaats innamen van het ruim. Eenmaal in Europa kregen ze hun definitieve vorm terug. De duurste exemplaren prijken ook vandaag nog als kunstwerken in Europeaanse en Amerikaanse vitrinekasten. Ook wij kunnen niet aan de verleiding weerstaan en wanneer we Cuenca verlaten zit onze échte panama fijntjes opgeborgen tussen onze trekkerskledij.
Morgen rijden we per bus -een zes uur durende rit- naar de grootste stad van Ecuador, Guayaquil. Onze nieuwsgierigheid zullen we moeten beperken tot een wandeling op de Malécon langs de Guayasrivier, want op donderdagmorgen 29 november nemen we het vliegtuig naar het Galápagoseiland Baltra. Vandaar gaat het per yacht verder. De ongemeen boeiende confrontatie met dit stukje ongerepte natuur mag je online verwachten rond de 7de december. Tot dan!
Baños: de badstad van Ecuador... |
Ecuador - Baños, 26-11-2007 - (dagboek 16) |
De wekker loopt andermaal af om vijf uur in de morgen. De reden van het vroege ontwaken is ditmaal de uitstap naar het thermale bad van El Virgin. De nieuwe morgen wenkt aarzelend wanneer we ons naar de smalle hoge waterval en warme vulkanische bronnen begeven aan de zuidoostkant van Baños. We blijken niet de eerste te zijn. In het dampende water dobberen reeds een twintigtal oudjes. Vroege vogels komen hier echt wel aan hun trekken, want de baden openen reeds hun deuren vanaf vier uur in de morgen. Afwisselend dompelen we ons in diverse baden waarvan de temperatuur schommelt van ijskoud naar bloedheet. één ervan is zelfs 53 graden warm. Om optimaal te kunnen genieten van de geneeskrachtige werking wijst ons een oudje hoe we het circuit van baden moeten doorlopen. De ene keer krijgen we een koude rilling over ons heen, de andere keer voelen we ons loom en neergedrukt. We laten ons vertellen dat dit badritueel bevorderlijk is voor een goede bloedcirculatie en soepele ledematen. Afgaande van de talrijk plonzende bejaarde inwoners zullen we het maar geloven.
Na de weldoende ochtendkuur staat ons een busrit van negen uur te wachten naar onze volgende bestemming, de koloniale stad Cuenca. Blijkbaar zijn we net op tijd vertrokken. In een tijdspanne van tien minuten zien we twee op elkaar volgende kleine erupties van de vulkaan Tungurahua. Paddenstoelvormige wolken van donkergrijze as onsnappen uit de berg terwijl we verderhobbelen over een weg in aanleg. Deze werd vorige zomer totaal verwoest door een puinstroom van de vulkaan. Een bezoekje aan Baños kan niet alleen ontspannend zijn, maar soms ook spannend...
Het suikerzoete Baños... |
Ecuador - Baños, 25-11-2007 - (dagboek 15) |
 |
 |
 |
Reizen per bus in Ecuador is een absolute luxe. Door het dichte wegennetwerk en de talloze busmaatschappijen vind je haast in elke busterminal aansluiting naar je volgende bestemming. Wanneer we na ons verblijf in Otavalo opnieuw afstappen in Quito, staat al een bus vertrekkensklaar naar Baños. Een behulpzame jongeman helpt ons met de bagage en na het betalen van 6 dollar (€ 4,20) zetten we koers naar Baños. Zoals in zovele Zuid-Amerikaanse landen stopt de bus om de haverklap en pikt langs de weg staande reizigers op. Nauwelijks vertrokken stappen vier zwarten de bus op. Quito ligt relatief dicht bij de costa waar voornamelijk in Esmeralda en San Lorenzo afstammelingen van negerslaven een bestaan hebben opgebouwd. Hun voorouders werden in de 17de eeuw door de Jezuïeten massaal aangekocht als arbeidskracht en vervingen zo de alsmaar uitdeinende indianenbevolking die door ziekte en uitputting stierf. Eén van de vier mannen verkoopt kauwgom. In zijn handpalm liggen drie te verwaarlozen reepjes. Geen van allen heeft een rugzak bij. Intuïtief voel ik aan dat er iets niet klopt.Wanneer één van hen ons ´onder zachte dwang´ beveelt om onze dagrugzak onder onze stoel te leggen, wordt mijn argwaan nog meer aangewakkerd. Lies legt de rugzak onder haar zitje, maar kijkt aandachtig toe hoe de jonge kerel plaats neemt achter ons. Hier is iets niet pluis, zoveel is duidelijk. Ook Lies vertrouwt het zaakje niet en gritst de rugzak opnieuw vanonder de zetel en plaats die terug tussen ons beiden in. Enkele tellen later stappen ze met zīn vieren vliegensvlug af, gelukkig zonder buit. Een half uur later komt de ´boleto-man´ onze tickets controleren. Een ontvangstbewijs van die 6 dollar heb ik evenwel niet gekregen en al gauw blijkt dat de behulpzame jongeman er ons heeft ingeluisd. Er zit niks anders op dan nogmaals te betalen. Ik kan me evenwel niet van de indruk ontdoen dat ik sterke vermoedens heb dat de chauffeur en zijn kompaan mee in het complot zitten. Als reiziger moet je steevast op je hoede zijn, eens te meer in Zuid-Amerika.
Wanneer we rond vier uur in de namiddag Baños naderen doemt reeds vanuit de verte de vulkaan Tungurahua op. Acht maanden geleden werd de rust in Baños ruw verstoord door een plotseling sterk verhoogde activiteit van de Tungurahua. Gelukkig zorgden de erupties en de ermee gepaard gaande aardschokken voor relatief weinig schade. We nemen onze intrek in de hostal ´Santa Cruz´ en profiteren ervan om voor zonsondergang al wat van de gemoedelijke sfeer op te snuiven die er heerst in Baños. Het valt ons op dat het kleine stadje voor een groot stuk leeft van het toerisme. Op tal van plaatsen worden mountainbikes en quads verhuurd en lokken schreeuwlelijke reclameborden naar de portefeuille van de sportieve backpackers. Rafting, canyoning, rotsklimmen, kajakken, regenwoudexcursies,
Voor elk wat wils. Wij hebben onze zinnen eerder gezet op de geneeskrachtige thermale baden. Een uitstap die gepland is voor morgenvroeg.
Niet alleen de warmwaterbronnen hebben Baños op de toeristische landkaart geplaatst, ook het van suikerriet vervaardigde ´tafi´ is in de loop der jaren een toeristische troef geworden. Het snoepgoed dat ook wel bekend is onder de naam ´alfeñique´ is een keiharde koek die bereid wordt met amandelolie. In haast elke toeristische winkelstraat zien we hoe jongens bezig zijn met de bereiding van het snoepgoed. De zachte en taaie suikerrietpasta wordt om een haak gelegd, uitgerekt en als een lus weer over de haak gegooid. Door de bewegingen wordt de massa langzaam steviger en als het hard genoeg is, wordt de pasta afgebroken en verpakt. Ook wij kunnen niet weerstaan aan de kleurrijke suikerzoete snoep en keren tegen zonsondergang terug naar de hostal met een zoveelste lekkernij
Otavaleñoīs: de nieuwe Joden van Ecuador... |
Ecuador - Otavalo, 24-11-2007 - (dagboek 14) |
 |
 |
 |
Gisteren zijn we aangekomen in Otavalo, een stadje van 30.000 inwoners in de schaduw van enkele besneeuwde vulkaantoppen. Onze eerste verkenning gebeurde te paard. Gedurende een drie uur durende wandeling brachten de elegante viervoeters ons tot diep in de bergen. We werden vertederd door het vulkaanlandschap dat gedomineerd werd door de allesoverheersende Cotocachi (4935m). Terwijl het landschap nu eens stapvoets, dan weer in draf of galop aan ons voorbijschoof, besefte ik hoe dicht mijn paard me tot de natuur bracht. Via steile doorgangen, nauwelijks groot genoeg voor een paard, reden we tussen velden en terrassen, ravijnen en beekjes, wuivende kinderen en op het land werkende vrouwen. Een rondreis te paard... misschien iets om ooit over na te denken.
Vandaag loopt de wekker af op een haast onchristelijk uur; vijf uur in de morgen. Buiten is het nog schemerdonker en is de hostal nog gehuld in een volstrekte stilte. De levensloosheid in onze ´alojamiento´ staat in schril contrast met de bedrijvigheid die zich enkele cuadras (huizenblokken) verder ontspint. Elke zaterdag wordt Otavalo getransformeerd tot één grote markt. Volgens kenners is het de beroemste indianenmarkt van Latijns-Amerika. Als het niet de beroemste is, dan toch in ieder geval de grootste. Indianen dalen nog voor dag en dauw uit de heuvels af naar de stad en zeulen zowat het meest ondenkbare op hun rug mee. Aan de rand van de stad defileert de halve ark van Noach: paarden, geiten, ezels, gillende varkens, kippen en koeien. Alles is te koop. De markt ontwaakt onder de talrijke dierengeluiden en kleurt koraalrood van de vrouwen die zich onderscheiden door hun authentieke halsjuwelen en hun traditionele klederdracht. Ook de mannen vertonen onmiskenbare indiaanse trekken met hun lange haar in een sierlijke vlecht, een donkerkleurige vilten hoed, een witte driekwart broek, dito hemd en daaroverheen een donkerblauwe wollen poncho. Hun spierwitte stoffen touwschoenen lijken wel op espadrilles en zien er -ondanks een steeds groter wordende wei vol koeiendrek- opvallend proper uit. Er wordt gekocht en verkocht zoals het reeds in de tijd van de Inca´s het geval was.
Na twee uur rondlopen, verlaten we de lawaaierige dierenmarkt en keren terug naar onze hostal voor een stevig ontbijt. Het Plaza de Poncho en de vele zijstraten zijn ondertussen veranderd in een openluchtsoek met laadbakken, tafels en grondzeiltjes vol waar en schreeuwende venters. We geven onze ogen de kost aan deze bonte verzameling koopwaren. Na het ontbijt en een kleine siësta struinen we opnieuw doorheen dit lappendeken van oeroude handel. Naast groenten en fruit worden opvallend veel tapijten en breigoed verkocht; vooral heel veel truien. Het zijn dezelfde kleurrijke truien met lamaīs en geometrische motieven die je ook bij ons aantreft op marktjes en braderieën. Vele inwoners van Otavalo hebben zich de voorbije decennia ontpopt tot commercanten die vooral in Europa en Amerika gouden zaken doen. De handgebreide trui is hun handelsmerk geworden. Op elke straathoek zien we winkels voor export. In Otavalo zijn de indianen de nieuwe rijken. Ze besturen glimmende Chevrolet Troopers en Toyota landcruisers die door de straten hobbelen. Zij geven de mestiezen werk in plaats van andersom. Sommigen noemen de rijke Otavaleñoīs wel eens minachtend de nieuwe Joden van Ecuador.
We flaneren rond tussen wandkleden, alpaca-truien, wollen handschoenen en mutsen. Voor de meeste wevers uit Otavalo is het een hoogdag waarbij de vele toeristen graag geziene kopers zijn. Door de uitgestrektheid van de markt valt de toeristische drukte best wel mee. Lies laat haar oog vallen op enkele koralen sieraden en na het gebruikelijke afdingen is ze de trotse eigenares van enkele halskettingen. Rond half vijf komen donkere wolken opzetten en enkele minuten later wordt de markt als in een snelle film opgedoekt. De zaterdagmarkt zit erop en de indianen keren massaal terug huiswaarts. De rust daalt opnieuw neer in Otavalo, een week lang...
Het aards paradijs van Piet Sabbe... |
Ecuador - El Limonal, 22-11-2007 - (dagboek 13) |
 |
 |
 |
Inmiddels staat mijn stalen ros voorlopig op stal en heb ik het gezelschap gekregen van mīn vriendin Lies. Gedurende drie weken gaan we samen Ecuador verkennen: te voet, te paard, per taxi, per bus, per boot, per vliegtuig en jawel ook per fiets. Onze tocht zal ons ondermeer naar de Oriente, het Amazonegebied brengen, maar evenzo naar de fabelachtige Galapagoseilanden.
Onze eerste stopplaats situeert zich een goeie 200 km ten noorden van Quito, in het bergdorpje El Limonal. Vijftien jaar geleden vestigde de Vlaming Piet Sabbe zich hier. Samen met zijn Ecuadoriaanse vrouw, Olda Peralta baat hij er de ´Bospas Forest Farm´ uit, een 15 ha grote fruitboerderij. Toen Piet in de jaren negentig in Ecuador terechtkwam, was hij geschokt door de wijze waarop de lokale boeren omsprongen met de landbouwgronden. Door ontbossing en verkeerde landbouwpraktijken -zoals platbranden- was de dichte regenwoud die de Mira-vallei ooit kenmerkte, herschapen tot droog grasland. Piet wou een bijdrage leveren om dat nefaste proces om te keren en zo besloot hij om een biologische fruitfarm op te starten, waar naast landbouwgewassen ook diverse soorten vruchten worden geteeld: ananassen, bananen, mangoīs, papayaīs, citrusvruchten,... Zijn idealisme kreeg gestalte in een project van duurzame landbouw waarbij hij niet alleen de lokale boerenbevolking bij betrok, maar ook enkele universiteitsstudenten. Zijn doel was vooral om aan te tonen dat er alternatieve landbouwmogelijkheden zijn die zowel de natuur als de bevolking ten goede komen. Het werd een proces van vallen en opstaan. Vooral het gevecht tegen de verdere ontbossing blijft tot op vandaag een moeizame strijd. Maar ondanks alles timmert Piet verder aan zijn droombeeld van een betere wereld. Zo is hij sinds enkele jaren gestart met eco-toerisme. Toeristen kunnen er logeren op de farm en tevens kiezen uit een gevarieerd aanbod aan ecologische excursies, te voet of te paard.
Wij hadden een beetje pech, want Piet en zīn gezin waren net op familiebezoek in België. Piet had ons evenwel toevertrouwd aan zijn schoonzus Inna die gedurende ons verblijf ons culinair verwende als in een vijf sterren hotel. De rondleiding op de finca en de deskundige uitleg over het project kregen we van Gerard, een Nederlander die al drie jaar in Ecuador woont en dezelfde idealen als Piet hoog in zijn vaandel draagt.
Gerard is wat je zou kunnen noemen een vreemde eend in de bijt. Al jaren is hij gepassioneerd door gifkikkers die voornamelijk in Costa Rica, Suriname en Ecuador te vinden zijn. In één van de weinig overgebleven tropische regenwoud plekjes rond de stad Tena heeft hij er een lap grond gekocht en er een huis gebouwd. Op die manier probeert hij op zijn beurt de strijd aan te binden tegen de snel toenemende ontbossing van het tropisch regenwoud. Met zijn reisbureau ´Sumak Pacha´ (schitterende aarde) verzorgt hij natuur- en rondreizen op maat. We luisterden geboeid naar zijn levensverhaal en zijn passie voor de kleurrijke kikkersoorten.
Ik hou wel van dit soort van zwervers die -om de meest uiteenlopende redenen- hun leven een totaal andere wending geven. Mensen die langgekoesterde dromen ook in werkelijkheid nastreven zijn durvers, want wat achter de horizon ligt is vaak onbekend. Gerard heeft die vertrouwde lijn overschreden, heeft als een nomade die ongekende woestijn betreden, zonder karavaan, maar met het geloof in zijn idealen. De ingeslagen route wordt doorkruist door eenzaamheid, twijfel en heimwee. Maar al reizend doorheen je vertrouwde ik put je ook energie en levenskracht. Eenmaal je je bestemming hebt bereikt, kom je tot het besef dat je de ´juiste tekens´ hebt gevolgd. Wanneer de nevel is opgetrokken, ontdek je zovele waarden waar je vroeger zo aan voorbijliep. Herboren dromen... ze bestaan nog.
Zumbahua: kleurrijke authenticiteit... |
Ecuador - Pujili, 17-11-2007 - (dagboek 12) |
 |
 |
 |
De ochtend geurt naar versgebakken oliebollen. Het sissend geluid van het opgezwollen deeg, drijvend in de borrelende olie, lokt me naar buiten. Het uitgestrekte plein ontwaakt in de schemerzone van de nacht. Overal zie ik schimmen druk in de weer met het opstellen van kraampjes. Mimespelers met een herkenbaar verhaal. Een verhaal van kopers en verkopers die elkaar elke zaterdag opnieuw treffen, īs ochtends rond een uur of vijf.
De wekelijkse marktdag in Zumbahua is de grootste attractie in het anders zo rustige bergdorpje. Vanuit de omliggende heuvels zakken indianen in grote getale af naar de lager gelegen vallei waar een halve dag lang een kleurrijke handel zich ontspint. Enigszins afgescheiden van de eettentjes en de groentenkraampjes wordt even verderop een kleinschalige dierenmarkt gehouden. Vooral varkens, geiten en lamaīs verwisselen vlotjes van eigenaar. De trotse koper keert huiswaarts met zijn nieuwe aanwinst krijsend en jankend aan een touwtje achter zich aanslepend. De onzekerheid over hun lot maakt hen angstig. Angst die ze met niet mis te verstane keelklanken uiten. Hun noodkreten en koppigheid laten een spoor van verzet na: tegenstribbelende afdrukken van over de grond slepend vee. Vooral schapen wachten veelal een weinig rooskleurige toekomst. Sommigen worden in trosjes ter plaatse geslacht. Gaia zou hier een vette kluif aan hebben...
Te midden van handel en verhandel, van leven en dood, wordt ook de inwendige mens ruim bevoorraad. Indiaanse gerechten staan te pruttelen op houtvuurtjes, net zolang tot ze hun weg hebben gevonden naar hongerige magen. Ik riskeer me aan een schotel waarvan ik de helft van de ingrediënten niet kan thuis wijzen. Mijn haast ochtendlijke lunch kost me welgeteld 1 dollar (€0,7). De buikloop krijg ik er ongetwijfeld gratis bij. Ik hou wel van dit soort van authentieke animatie, te meer omdat deze typische indianenmarkt nog niet op de zogenaamde gringo-trail ligt. Er hangt nog een sfeer van authenticiteit, al vrees ik dat ook dit langzaam zal verdwijnen met het opmars zijnde toerisme in Ecuador.
Terwijl de bedrijvigheid op het marktplein stilaan over zijn hoogtepunt heen is, zet ik koers naar de 12 km verderop gelegen laguna van Quilotea. Ook nu weer grijp ik -net als de voorbije dagen- naar mijn kleinste versnelling. Het kratermeer ligt op bijna 4000 meter hoogte en wordt omringd door steile bergtoppen die zich gedeeltelijk in wolken hullen. Ik tuur naar die diepte die groen-blauw kleurt en merk hoe wolkenflarden zich door de schrale zon als vormloze kuddes zichtbaar uitbreiden. De vergankelijkheid van het leven weerspiegelt zich in turkooise...
Wanneer ik rond twee uur in de namiddag terug het dorpsplein in Zumbahua opfiets, is de markt bijna opgeruimd. De laatste verkopers proberen alsnog hun slag te slaan, terwijl de meeste indianen uit de omliggende dorpen huiswaarts keren, hun zwaarbeladen lastdieren achter hen aan strompelend. Ondanks het late uur, beslis ik om toch nog op te stappen en te fietsen naar het 55 km verderop gelegen stadje Pujili. Het fietsen is aanvankelijk een feest, want de weg is een aaneenschakeling van haarspelbochten die kronkelend naar beneden lopen te midden van enorme lappendekens van akkers. Na een half uur fietsen zit de pret erop. Dreigende onweerswolken komen opzetten en in een mum van tijd gutst striemende regen met bakken uit de hemel. De regen voelt op grote hoogte ijzig aan en mijn vingers verkrampen van de kou. Het wegdek wordt spekglad en met de nodige omzichtigheid schuif ik verder naar beneden. Op mijn weg kom ik langs straatarme dorpjes waar de uitzichtloosheid van de armoede tastbaar aanwezig is. Vier jonge snaken tussen de zeven en elf jaar oud lopen me nieuwsgierig achterna wanneer ik ze voorbijfiets. De haveloosheid hangt als een droevig masker over hun gelaat. Een teder gevoel van medelijden overspoelt me en even later zitten we met zīn vijfen in een halve kring. Mijn gekke bekken trekken brengt hen aan het lachen en doen heel even hun armzalig bestaan vergeten. De doffe kinderoogjes klaren op en voeren de regenwolken met zich mee.
Klokslag half zeven bereik ik het stadje Pujili. De nacht heeft het centrum reeds volledig toegedekt met een zwart gordijn. Ik snak naar een warme douche, maar kom al snel tot de vaststelling dat het aanbod aan hotels nagenoeg nihil is. De enige hosteria is na het overlijden van de eigenaar al een jaar gesloten. Ik fiets rond en vraag -tot vervelends toe- aan toevallige passanten waar ik me ergens te slapen kan leggen. Vlakbij el Plaza del Torro staat een vrouw te poken in gloeiende kooltjes van een barbecuegrill. De kippebouten ruiken half aangebrand, maar de dame blijkt er geen erg in te hebben. Wanneer ik mīn hopeloze zoektocht uit de doeken doe, merk ik een lichte vorm van sympathie. Ik haal mijn beste acteertalent boven en speel in op haar gevoelige snaar. Haar man heeft zich ondertussen in het gesprek gemengd en wanneer hij verneemt dat ik uit België kom, is mijn bedje reeds gedekt. De vrouw van de Ecuadoriaanse president heeft immers de Belgische nationaliteit. Uit dank voor de aangeboden gastvrijheid neem ik er nog het avondmaal. De zwart geblakerde kip smaakt kurkdroog, maar de gedachte aan een bedje voor de nacht doet me al wegdromen...
De onzekerheden van een zwervend bestaan... |
Ecuador - Jipijapa, 14-11-2007 - (dagboek 11) |
 |
 |
 |
Puerto Lopez leeft enerzijds van het toerisme, maar anderzijds ook van de visvangst. Wie een glimp wil opvangen van dit stukje vissersleven moet evenwel vroeg uit de veren. Om half zes in de morgen sta ik dan ook op het strand om de vissers gade te slaan die terugkeren van hun visvangst. De levendige handel is een wereld op zich. Bootjes volgeladen met enorme vissoorten meren aan en worden haast onmiddellijk bestormd door kooplustige vishandelaars. De vis wordt meteen gewogen en overgeladen in gammele vrachtwagens die vervolgens koers zetten naar hun eindbestemming. Er wordt gemarchandeerd, gevloekt, gefoeterd, gelachen en gezwanst. Ruwe, getatoeëerde zeebonken, ze bestaan nog echt...
Om de visgeur wat te verdrijven, wip ik voor mijn vertrek uit Puerto Lopez nog even binnen in een Colombiaans eethuisje. De eigenaar is geboren en getogen Colombiaan en de aangewezen persoon om wat informatie te vragen voor mijn volgende bestemming, Colombia. Hij verzekert me dat de situatie relatief veilig is en toont me de gebieden aan die niet langer gedomineerd worden door de guerrilla. Hoe dan ook zal het erop aankomen om me vooral ter plaatse te informeren en te vergewissen van de situatie. In ieder geval belooft het een zware tocht te worden, want ook daar klimmen de bergen moeiteloos tot over de 4000 meter.
Om de grote baan wat te vermijden, beslis ik om dwars doorheen het nationaal park te fietsen. De route komt uit op de splitsing die leidt naar de grootste stad van Ecuador, Guayaquil. Het landschap is wederom betoverend mooi en ik geniet mateloos van de naakte stilte. De weg is vaak niet breder dan een zanderig grindpad en voert me langsheen tijdloze dorpjes waar mensen een eenzaam bestaan leiden, verweg van de materiële welvaart. De stilte is hun bondgenoot, de drukte hun vijand. Ik heb respect voor deze sedentaire levenswijze te midden van de pure eenvoud van moeder aarde, maar zelf zou ik er niet kunnen aarden, denk ik. Ik zou het gevoel hebben dat de dagen open en dicht gaan, zonder schemerzone. Neen, geef mij maar de onzekerheden van een zwervend bestaan...
Daar ik eind deze maand afzak naar Guayaquil om vandaaruit per vliegtuig naar de Galapagoseilanden te vliegen, stuur ik mijn fiets richting Jipijapa. De vegetatie kenmerkt zich door struiken en levensgrote dikke kapokbomen. Hun opgezwollen stammen en hun uitgestrekte tentakels lijken wel op zeilloze masten te midden van een woelige zee. Sommige zijn versierd met witte pluizen kapok. Vroeger verscheepte men deze zachte donsachtige kapok naar Europa waar het werd gebruikt als matrasopvulling. Tegenwoordig is de kapok al lang vervangen door ander synthetisch materiaal. Niets is nog zoals het was...
Golvende eenzaamheid... |
Ecuador - Puerto lopez, 13-11-2007 - (dagboek 10) |
 |
 |
 |
Gisteren kreeg ik een heus ontbijtbuffet voorgeschoteld, inclusief zicht op zee. Kosten noch moeite werden gespaard voor die ene gestrande reiziger. De hoteleigenaar had maar liefst drie personeelsleden opgetrommeld: een kokkin, een serveerster en een klusjesman. De jongeman had meer interesse in mijn stalen ros dan in het reinigen van het zwembad. De klassieke vraag kwam andermaal tevoorschijn: Cuanto cuesta la bicicleta? Vroeger zei ik steevast dat het een geschenk was van vrienden, tegenwoordig is het ´un regalo de díos´. Ik moet eerlijk bekennen dat ik moeite had om er te vertrekken. De kleurrijke hangmatten onder het hutje van palmboomtakken, het oeverloze spel van eb en vloed, de frisse zeebries, de innerlijke rust... Stuk voor stuk zalige momentopnames die het vakantiegevoel des te meer prikkelden...
Deze morgen is het ontbijt iets minder volumineus. Vandaag geen bloedmooie opdienster die me met een knipoog geroosterde toast en versgeperst sinaasappelsap voorzet. Neen, niets van dit alles. In hostal Sol Inn moet je zelf het ontbijt klaarmaken. Nu ja, het leven van een zwerver blijft er eentje van uitersten. Rond negen uur zet ik koers naar het Nationaal Park Machalilla. Over een oppervlakte van 55.000 hectare strekt het natuurreservaat zich uit tot aan de Stille Oceaan. Ik begeef me eerst naar ´Los Frailes´ (de monniken), drie verlaten kuststranden te midden van een prachtig stukje tropen. Het grindpad slalomt zich een weg langsheen een kurkdroog savannelandschap. De kaalheid en de verzengende ochtendhitte roepen een woestijnachtig gevoel op. De witte zandstranden zijn godverlaten en nodigen uit tot een wandeling. Ik tuur naar die onmetelijke horizon, die ongrijpbare lijn tussen heden en verleden. Raakvlakken van een spiegelend bestaan golven aan de einder en vermengen zich met het zilte vocht van verstrengelde liefdes. Zout op mijn huid... Ontmoetingen deinen mee, scheren rakelings voorbij als eb en vloed. Golvende eenzaamheid rolt als een uitdovende rimpeling over het klamme strand en dringt tot op de bodem van mijn leven. Wanneer de eenzaamheid wegebt, blijven zichtbare vlekken achter, donkerbruin en okergeel. De sporen vervagen of worden opnieuw blootgelegd bij elke nieuwe ontmoeting. Ons leven is een eindeloos spel van eb en vloed, van zijdelingse herkenning en bevestiging. Portretten schuiven voorbij, rollen open en vouwen dicht bij elke nieuwe golfslag. Vergeelde fotoīs na een zoveelste schipbreuk...
In de namiddag verken ik te voet de andere zijde van het nationaal park. Een parkwachter troont me mee naar opgravingen die de restanten aantonen van een nederzetting. Te midden van het park, meerbepaald in het rustige Agua Blanca, tref ik er een archeologische site aan van de Manteno-beschaving, ooit de evenknie van de Inca-cultuur uit de hooglanden van de Andes. Op een door touwen afgezoomde plek liggen grote urnen waarin eeuwen geleden doden werden begraven. Tijdens de twee uur durende wandeling langsheen zanderige paden krijgen we het gezelschap van enkele uitzonderlijke vogelexemplaren. De tocht eindigt bij een zwavelbron die volgens de lokale bewoners een bepaalde energetische kracht zou uitstralen. Ik laat me verleiden tot een verkwikkende duik in het stinkende sop in de hoop dat de energie doorheen al mijn poriën stroomt. Je weet maar nooit waar het goed voor is...
Eloy Alfaro: het nieuwe uithangsbord van Montecristi... |
Ecuador - Cabo San lorenzo, 11-11-2007 - (dagboek 9) |
 |
 |
 |
Bij het verlaten van de hoedenstad Montecristi, werp ik nog een blik op hun allernieuwste aanwinst: ´el asamblea de Eloy Alfaro´. Uitkijkend op de stad wordt een supermodern regeringscomplex neergepoot. Het gebouw is gewijd aan de in Montecristi geboren en begraven president Eloy Alfaro. Hij was de eerste liberale president die, na jaren van alleenheerschappij door de conservatieven, in 1895 tot president werd benoemd. Uit dank voor zijn eerlijke politiek domineert zijn beeltenis al decennia lang het centrale kerkplein. Voor de lokale bevolking is de bouw van het architectonisch staaltje een nieuwe zondagse attractie. Oudjes kijken ietwat bevreemd naar de stalen glasconstructie in wording, terwijl ouders de grootste moeite hebben om hun jengelende kinderen uit de buurt te houden van het suikerspinkraam en de luidkeels roepende popcornventers. De president zal wellicht nooit gedacht hebben dat hij meer dan een eeuw na zijn dood het voorwerp is geworden van een lome, luie zondagse uitstap...
Aanvankelijk had ik gedacht om slechts te fietsen tot aan de eerst volgende kustplaats Manta, maar twee lekke banden op een rij doen me van gedachten veranderen en ik zet koers naar het kleine vissersdorpje Cabo San Lorenzo. De weg slingert zich langs de kust waarbij ik af en toe een glimp opvang van die oeverloze, rustgevende watermassa. De duisternis valt langzaam in en ik heb nog een goeie 20 km te gaan. Daar ik vertrokken ben zonder tent en met een minimum aan bagage, zit er niks anders op dan de nacht in te fietsen. Uiteindelijk bereik ik rond half acht mijn plaats van bestemming. Het aanbod aan hotels is bijzonder schaars en niet echt budgetvriendelijk. Een bedje in ´el Faro Escandinavo´ kost maar liefst 97 dollar (+/- 70 euro). Het aanpalende ´Las Cuevas´ biedt me -na het obligate negotiëren- een overnachting aan van 30 dollar (+/- 21 euro). Het geluid van de ruisende golven heeft ook in Ecuador een commerciële toeristische waarde...
De panamahoed maakt de man... |
Ecuador - Montecristi, 10-11-2007 - (dagboek 8) |
 |
 |
 |
 |
Het euvel is hersteld en mijn vermoeden bevestigd. De fietsproblemen waren te wijten aan het kleinste tandwiel. Door de serieuze hoogteverschillen van de voorbije maanden kreeg de kleinste versnelling het zwaar te verduren. De slijtage had ervoor gezorgd dat het schakelen alsmaar moeizamer verliep waarbij de ketting tot vervelends toe blokkeerde. Daar ik reeds maanden geleden dit reserveonderdeel had aangesproken, was ik genoodzaakt om terug te keren naar Quito. Al bij al nog een geluk bij een ongeluk, want ten huize van Jo en Rita was net het verjaardagsfeest van Simon aan de gang.
Om de verloren tijd wat in te halen, besloot ik een bus te nemen tot in Pedernales, één van de vele kustplaatsjes. Vandaar zette ik per fiets koers naar Bahía Caraquez. Op mijn tocht kwam ik niet alleen voorbij idyllische vissersdorpjes, maar evenzo fietste ik langs grootschalige garnalenkwekerijen. Na China, Indonesië en Thailand is Ecuador de vierde garnalenproducent- en exporteur ter wereld. De voorbije jaren verplaatste deze lucratieve industrietak zich voornamelijk naar het noordwesten van Ecuador, in de provincie Esmeraldas. De verhuizing zou grotendeels te wijten zijn aan overmatig pesticidengebruik in de bananenteelt, waarvan de bestrijdingsmiddelen via het grondwater in de rivieren terechtkomen. Dit veroorzaakt onder andere de garnalenziekte ´stierensyndroom´, die een vroegtijdige sterfte onder de jonge garnalen tot gevolg heeft. Ondanks de economische tegenslagen is de garnalenkweek de voorbije jaren uitgegroeid tot het belangrijkste exportprodukt na olie en bananen. Toch hangt er ook aan deze niet geringe inkomstenbron een ecologisch prijskaartje. Door de opmars van de garnalenkwekerijen wordt het kwetsbaar ecologisch systeem in de omgeving ernstig aangestast. Aan de kust bevinden zich namelijk heel wat mangrovebossen. De wortels van deze mangrovebomen zijn voor verschillende zeedieren ideale broedkamers. Ze bieden bescherming tegen de sterke koude golfstroom en natuurlijke vijanden, waardoor de jonge zeedieren de meest kritische periode in hun prille bestaan overleven. ook zijn deze bossen de geschikte woonplek voor vele vogelsoorten en landdieren. Het verdwijnen van de mangrovebossen ten koste van de garnalenkwekerijen is in ieder geval nefast voor het voortbestaan van ontelbare soorten reptielen, schaaldieren, vogels en vissen. Ik heb een poging ondernomen om zoīn garnalenkwekerij te bezoeken, maar ik geraakte niet verder dan het schieten van een paar fotoīs aan de buitenkant van het omheinde bedrijf. Wellicht vreesde men dat ik aan bedrijfsspionage kwam doen. Mijn sexy fietsbroekje en mijn door de zon verbleekte fiets T-shirt konden hen blijkbaar niet overtuigen dat ik slechts een ´vagabundo perdido´ was
Ondertussen ben ik aangekomen in Montecristi, het herkomstgebied van de befaamde panamahoed. Wanneer ik het koloniale stadje, gelegen op de flanken van een heuvel binnenfiets, word ik aan weerszijden geflankeerd door schreeuwlelijke reclameborden die de fijnste panamahoeden aanprijzen. Nadat ik ben ingetrokken in één van de schaarse hotelletjes, ga ik op verkenning. In één van de talrijke shops zie ik hoe vier goedlachse dames met grote zorg een elegante hoed uitkiezen. Hola, chicas! Buenas tardes! ŋPuedo sacar una foto de vosotros? Tien seconden later is de foto van de week ingeblikt.
De panamahoed heeft een lange geschiedenis en gaat terug tot in de 17de eeuw toen indianen in Ecuador reeds hoeden maakten. Deze werden verkocht en verscheept naar Panama. De naamsverwarring was geboren. Toen in de 19de eeuw de arbeiders bij de constructie van het Panamakanaal deze hoed gebruikten om zich te beschermen tegen de tropische zon werd de oorsprong van īs werelds bekende hoed andermaal geweld aangedaan. De enige echte originele panamahoed worden nog slechts op twee plaatsen ter wereld gemaakt, in Ecuador (meerbepaald in de provincie Manabi) en in Becal, een dorpje in Mexico. Het vervaardigen gebeurt volgens een heel speciaal procédé dat vaak maanden in beslag neemt. Het produktieproces begint bij het plukken van de bladeren van de paja toquilla, een soort palm (de Carludovica Palmata). De rietstengels worden vervolgens gewassen, gedroogd, gebleekt en geverfd. Pas daarna begint het vlechtwerk. Het haarfijn vlechtwerk bepaalt de prijs van de panamahoed. Hoeden van de beste kwaliteit zijn door een ring te halen en gaan vooral richting Europa en Amerika. Daar gaan ze van de toonbank voor honderden, ja soms zelfs voor twee ā drieduizend euro. De panamahoed was vooral in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw enorm populair. De hoed werd overal ter wereld beschouwd als het toppunt van stijl en elegantie. Beroemde dragers waren ondermeer de Amerikaanse filmacteur Humphrey Bogart, de belangrijke Engelse staatsman Winston Churchill en de 33ste president van de Verenigde Staten Harry Truman. Kleren -inclusief hoed- maakten de man
Ik laat me bijna verleiden tot de aankoop van een iets goedkoper model. Vooral het feit dat je zoīn hoed probleemloos kan oprollen als een pannenkoek, is natuurlijk een extra troef voor een zwaar beladen fietser. Ik besluit mijn aankoop uit te stellen tot op het einde van mijn verkenningstocht langs de kust. Als voorlaatste stopplaats wil ik namelijk het dorpje ´La Pila´ aandoen. Volgens wel ingelichte bron zou dat één van de dorpjes zijn waar nog stokoude hoedenmakers de traditie van de panamahoed verder zetten. Wordt vervolgd
Terug naar af... |
Ecuador - Mindo, 6-11-2007 - (dagboek 7) |
 |
 |
 |
 |
Om het verlengde weekend af te sluiten, brachten we nog een bezoek aan de gerestaureerde ruïnes van Tulipe. Deze vrij recente archeologische vondst is pas een jaar geleden opengesteld voor het grote publiek en confronteert de bezoekers met bassin-achtige restanten. Vermoedelijk werden de waterbekkens gebruikt om de stand van de de hemellichamen te bepalen. Tastbare bewijzen zijn er niet, maar het geheel -inclusief het museumpje- oogt mooi en leerrijk.
Wegens het late vertrekuur zette het gezelschap me met hebben en houden af aan de splitsing die leidde naar de kust. Van hieruit wou ik de westkant van Ecuador verkennen en enkele bijzondere plaatsen aandoen, waaronder Montecristi, het herkomstgebied van de befaamde panamahoed. Wou..., want het liep niet echt zoals gepland. De problemen begonnen al vijftien kilometer verderop, toen mijn ketting bezweek onder mijn trapkracht. Een gebroken ketting is altijd vervelend. Het vergt over het algemeen behoorlijk wat tijd om het te repareren en door de olie is het een smerige bedoening. Wanneer je je daarenboven bevindt op een vrij drukke verkeersweg waar nauwelijks een fietspad is, dan zit er niks anders op dan de fiets te duwen tot op een veiliger plaats. Na drie kilometer stappen, zag ik een piepklein huisje aan de kant van de weg. Doorheen de raampjes viel een vage lichtbundel, net voldoende om te kunnen sleutelen aan de fiets. Na een dik half uur was de klus geklaard. Vol nieuwe moed trapte ik de duisternis in. Slechts honderd meter verder begon het liedje opnieuw. Er zat nog een schakel los. Mijn voornemen om tot in Mindo te fietsen, moest ik laten varen. In het pikdonker zette ik lukraak mijn tent op.
Vroeg in de morgen halen loeiende koeien me uit mijn slaap. Wanneer ik polshoogte wil nemen van de omgeving, trap ik bij het uitstappen van mijn tent ei zo na in een koeienvla. De tent in het holst van de nacht ergens neerpoten is duidelijk niet zo verstandig. In het daglicht kan ik nu de loszittende schakel moeiteloos herstellen en even later suis ik naar beneden, richting Mindo. Het lieflijk dorpje is gelegen in een vallei en biedt zowat alles wat een sportieve toerist wensen kan: trekkings, paardrijden, fietstochten,... Ook de natuurliefhebber komt er aan zijn trekken. Naast een vlindertuin kan je een heus kikkerconcert meepikken. Ik laat het sportieve luik aan me voorbijgaan en bezoek de kleurrijke vlindertuin en woon het unieke concert bij. Wanneer ik nog diezelfde dag Mindo wil verlaten, laat de kleinste versnelling het volledig afweten. Wegens het ontbreken van een vervangstuk slaagt ook de plaatselijke fietsenhersteller er niet in om het probleem op te lossen. Er zit niks anders op dan terug te keren naar Quito, met m'n fiets op de bus. Mijn uitstap naar de kust wordt een moeilijke bevalling...
Een handvol dagdromers... |
Ecuador - Junin, 4-11-2007 - (dagboek 6) |
 |
 |
Gisteren kwam de rest van het gezelschap toe. Rita en Simon (Jo's vrouw en zijn jongste zoon) hadden Ellen mee, de bij hen inwonende VN-vrijwilligster en twee Amerikaanse vrienden, Greg en Jonathan. Met zīn allen bezochten we het verst gelegen terrein van Jo, het stukje land dat hij een half jaar geleden heeft aangekocht. Het wandelpad bracht ons moeizaam naar boven en gaf ons een indrukwekkende aanblik op de lagergelegen vallei. Wolken mistslierten hingen er als verdwaalde slingers bij. Ze schoven haast onzichtbaar voorbij en vormden het onmiskenbaar decor van een nevelwoud. Na drie kwart stappen, bereikten we op een richel van een steile helling het eindpunt. Even verderop zag ik Joīs laatste geesteskind; een half afgewerkt houten optrekje dat zo uit ´duizend-en-één-nacht´ leek geplukt. Zover het oog reiken kon, zag ik groene heuveltoppen in een waas van mist. Het had iets mysterieus en tegelijkertijd vertrouwd. Ik merkte dat ook Rita stond te genieten van het houten geraamte dat in haar dromen reeds volledig gestalte kreeg. Jo en Rita, twee wereldverbeteraars, twee dagdromers op weg naar een nieuwe morgen
Vandaag hebben we onze stevige stapschoenen aangetrokken voor een wandeling naar drie cascadas. De zon verschuilt zich achter dikke vuilgrijze wolken die naarmate we hoger klimmen meer en meer om ons heen sluiten. De nevel vraagt me ten dans en schoorvoetend laat ik mijn voetstappen achter in het natte, hoge gras. De witte muur van mist roept andermaal een mystieke sfeer op en doet me wegdromen naar mijn kindertijd.
Als peuter van vier stap ik door het dichte bladerdek; blauwe laarsjes in een spiraal van mosgroen en houtbruin. Mijn vingertjes raken herfstkleuren en lichte motregen waait me tegemoet. Ik tuur naar de hemel, naar die donkere wolk. Net zolang tot mijn gezicht bol staat van regensproetjes. Ik teken een zonnetje op de natte neus van mīn glimmende laarsjes. De dunne zonnestralen lopen door elkaar als waterverf en alleen in mijn verbeelding blijft de zon schijnen. Wanneer ik de schelle stem hoor van mijn vervelende kleuterjuf, schop ik de laatste bengelende tranen weg. Vandaag is de zon alleen van mij en van niemand anders
De strijd tegen reus Goliath... |
Ecuador - Junin, 2-11-2007 - (dagboek 5) |
 |
 |
 |
 |
Gisteren ben ik aangekomen in Junin, een dorpje van 260 zielen, gelegen in een stukje ongerept natuurgebied. De weg, voor een groot deel ongeasfalteerd, volgde de bedding van de Guayllbamba-rivier en kronkelde zich vaak honderden meters omhoog doorheen subtropische wouden. De route ligt -gelukkig- nog niet op de zogenaamde gringo-trail, maar daar zou binnen onafzienbare tijd wel eens verandering in kunnen komen. De omgeving is immers een aards paradijs voor wandelaars en eenieder die de groene ´wildernis´ wil ontdekken. Al zou het wel eens kunnen dat de exploitatiedrang van de mijnbouw roet in dat kostbare ecosysteem komt gooien. Enige tijd geleden heeft men namelijk ontdekt dat één van de omliggende heuvels een gigantische rijkdom aan koper bevat. Het vermoeden bestaat zelfs dat zich hier de derde grootste kopermijn ter wereld zou bevinden. Het gerucht van de nakende exploitatie heeft het dorpje Junin ondertussen in twee kampen verdeeld. Aan de ene kant heb je de aanhangers van de mijnbouw die de komst van de mijn zien als een uitweg om te ontsnappen aan hun armoedig bestaan. Aan de andere kant heb je de ecologisten die ijveren voor het behoud van dit ongerept stukje natuur. De tegenstrijdige belangen hebben het eens zo vreedzame dorpje ondergedompeld in een sfeer van haat en jaloezie. Omdat de gemoederen de laatste tijd steeds feller oplaaien, hebben de autoriteiten hier onlangs een politiekantoortje geopend en werd een bemiddelaar aangesteld.
De huidige regering -o.l.v. Rafaël Correa- houdt voorlopig de boot af en kiest alsnog de kant van de ecologisten. Alle concensies van de mijnbouw worden momenteel herzien, maar de vrees dat het licht ooit op groen wordt gezet, is niet geheel ondenkbaar. De toekomst van Junin ligt volledig in handen van de overheid. Tot op vandaag brengt de mijnbouw voor de regering -door de vrij lage taksen die men heft- weinig geld in het laadje. Maar daar kan snel verandering in komen. Kijk maar naar de olieindustrie, het belangrijkste exportprodukt van Ecuador. Tot voor de aanstelling van Rafaël Correa bracht de olie het land haast niks op. De taksen werden jarenlang gestagneerd en waren gebaseerd op de prijs van een vat ruwe olie die toendertijd 30 dollar kostte op de wereldmarkt. Als je bedenkt dat gisteren een vat ruwe olie de drempel van 98 dollar bereikte, dan hoeft het ons niet te verwonderen dat de grootste winsten in de zakken verdwenen van de oliemaatschappijen. Het land werd leeggeroofd, maar kreeg er een aalmoes voor in de plaats. De huidige president heeft op een schalkse manier de oliemaatschappijen voor schut gezet. Via een soort verdoken nationalisering is hij erin geslaagd om de hand te leggen op de megawinsten. Als de president een gelijkaardige truck toepast op de mijnbouw, dan zou deze industrietak ook wel eens lonend kunnen worden voor de staatskas. In dat geval is het lot van Junin bezegeld.
Jo troont me vandaag mee naar zijn koffieplantage in aanbouw. Het stuk grond van 11 hectaren lijkt me meer een ondoordringbare wildernis waar ik zelfs met enig inbeeldingsvermogen niet in slaag om er structuur in terug te vinden. Jo legt me uit hoe belangrijk het is van diverse soorten bomen en struiken aan te planten. Ze moeten enerzijds dienen als erosiebestrijders, maar anderzijds moeten ze ook zorgen voor de nodige schaduw. Een koffieplantage aanleggen vereist niet alleen de nodige vakkennis, maar vooral heel veel geduld. Als alles naar wens verloopt, zou de plantage operationeel zijn binnen drie ā vier jaar. Of de organische bonen na verloop van tijd ook in onze filter zullen geuren, is alsnog koffiedik kijken. Ik heb trouwens de indruk dat dit Jo zijn laatste zorg is. Ik vermoed eerder dat zijn koffieplantage voor hem een manier is om de strijd aan te binden tegen de dreigende mijnbouwexploitatie. De strijd van een kleine man tegen de reus Goliath
De euforie van platgetreden paden... |
Ecuador - Nanegolito, 1-11-2007 - (dagboek 4) |
 |
 |
 |
 |
De Nederlandse schrijver Cees Nooteboom heeft reizen ooit eens gedefinieerd als ´een niet door anderen geleide, niet door anderen bedachte tocht van iemand door een deel van de wereld´. Reizen als pionierswerk dus, waarbij je volstrekt nieuwe wegen opzoekt of bij voorkeur gebieden exploreert die nog niet in reisgidsen vermeld staan. Het is een mooie gedachte, zeker nu de wereld één dorp groot is. Het ontginnen van niet platgetreden paden staat tevens synoniem voor avontuur en spanning. Het reizen ´naar de andere kant´ beschouwen velen als gevaarlijk en onveilig. Dat je een groter risico neemt, zal ik niet ontkennen. Maar anderzijds is reizen per definitie ook een stukje thuis komen. Wie reist, vertrekt niet alleen, maar belandt ook weer ´thuis´. Deze gedachte alleen al maakt het reizen een stuk veiliger.
Aanvankelijk had ik gedacht om op 1 november af te zakken naar Calderon, op een goeie 20 km ten noorden van Quito. Het dorpje geniet landelijke bekendheid vanwege zijn ´guagas de pan´. Deze uit brooddeeg vervaardigde miniatuurfiguurtjes worden gebruikt tijdens de viering van Allerheiligen en Allerzielen. Terwijl wij met ons rooms-katholiek geloof op Allerzielen de doden
herdenken, gelooft men in Latijns Amerika dat de zielen van overleden familieleden op deze dag terugkeren naar hun begraafplaats. De familie houdt een grootse picknick bij het graf waarbij de overledenen symbolisch aanwezig zijn in de gedaante van een pop. Deze beeldjes van brooddeeg vinden waarschijnlijk hun oorsprong in het gebruik om de dode voedsel mee te geven in z'n graf. Het leek me een boeiend gegeven en een verplaatsing meer dan waard. Helaas is reizen ook veel ´niet zien´ en als je kunt kiezen tussen het verkennen van een platgetreden pad -zoals een bezoek aan Calderon- of het verrichten van enig pionierswerk, dan is de keuze snel gemaakt. Jo en Rita, het Belgisch koppel waarbij ik de laatste dagen heb gelogeerd, kochten enige tijd geleden een stuk grond waarop ze ondermeer een koffieplantage willen verbouwen. Hun nieuwe aanwinst ligt in het onooglijk dorpje Junin, op vier uur rijden van de hoofdstad, in de provincie Pichincha. Met het verlengde weekend in het vooruitzicht besloten ze om er naartoe te gaan. Voor mij een uitgelezen kans om een totaal onbekend gebied, verweg van het massatoerisme, te ontdekken.
Zo ben ik dus -per fiets- op weg naar dit stukje aards paradijs. Van de gelegenheid maak ik gebruik om halt te houden in ´Mitad del Mundo´. Hier bepaalde immers de Franse expeditie onder leiding van Charles-Marie de la Condamme (1736-1743) de exacte ligging van de evenaar. Ter nagedachtenis van hun merkwaardige, maar onnauwkeurige geografische bijdrage -het echte middelpunt ligt in wezen 150 meter zuidwaarts- hebben ze een brede laan aangelegd waarbij de borstbeelden van de leden van de expeditie een soort erehaag vormen voor de nederige toeristen. Het geografisch middelpunt van de wereld -0 bij 0 bij 0 graden- hadden de Andesvolkeren al eeuwen geleden aangeduid. Door middel van een geduldig proces wisten zij het middelpunt van de wereld vast te leggen. In hun strategisch opgestelde tempels observeerden ze waar en wanneer in het jaar de zon opkwam en onderging. De moderne mens heeft in de voorbije decennia deze wetenschap aangegrepen om er munt uit te slaan en dus heeft men pardoes op de evenaar een monumentaal plein opgetrokken. In het midden ervan staat een obelisk-achtige kegel met daarop een ijzeren aardbol. De feilloos gekamde gazonnetjes en de versgelakte meranti-zitbankjes maken het geheel nog artificiëler, maar wekken bij de toeristen ongetwijfeld het gevoel op dat ze zich op de evenaar bevinden. Wie succesvol weet in te spelen op het gevoel, hoort even later de kassa rinkelen. De volgeladen toeristenbussen liegen er niet om...
Het enige wat me enigszins kan bekoren is het wat verderop gelegen museumpje waar enkele typische kenmerken omtrent de evenaar worden aangetoond. Op de evenaar zijn er geen centrifugale krachten aanwezig, maar is de kracht naar beneden gericht. Dit verklaart ondermeer waarom je hier een ei op een spijker kunt zetten zonder dat hij eraf valt. De flink gezette vrouwelijke gids weet me te vertellen dat je op de evenaar gemiddeld drie kilo minder weegt. Je zou voor minder graag als gids hier aan de slag willen...
Wanneer ik het museumpje verlaat, zie ik hoe een zwaarlijvige Amerikaanse toerist, inclusief amazonehoedje, puffend hinkstapspringt over de dikke rode lijn die de evenaar representeert. Bij elke sprong in het halfrond slaakt hij een vreugdekreetje. Hij voelt zich duidelijk thuis in het kunstmatige van het geheel of is het omdat hij daarnet te horen kreeg dat hij heel even drie kilo was afgevallen. Platgetreden paden, ze zorgen nog voor kortstondige euforie...
Quito: stad vol kerken en pleinen... |
Ecuador - Quito, 31-10-2007 - (dagboek 3) |
 |
 |
 |
 |
Wie in het oude stadscentrum van Quito rondstruint, kan er niet naast kijken. Het koloniale hart wordt gedomineerd door pleinen en barokke kerken. De meest imposante kerk is ongetwijfeld ´La Basilica´. Deze gigantische kathedraal troont boven de andere 85 kerken uit en is zowat de absolute trots van Quito. Mijn voorkeur gaat evenwel uit naar iets intiemere bouwwerken, zoals ´la Iglesia de San Francisco´. De bouw van dit kerk-kloostercomplex dateert van de stichting van Quito (6 dec. 1534) en is meteen ook de oudste kerk die de hoofdstad rijk is. Of heeft mijn voorliefde eerder een chauvinistisch tintje? Het is namelijk de Vlaamse missionaris Jodocus Rycke die aan de grondslag ligt van deze franciscanenkerk. Aan de trappen van San Franciscus staat zijn beeltenis gebeiteld. Toeristen lopen er schouderophalend voorbij, terwijl duiven zijn kale kop gebruiken om even uit te blazen. Standbeelden zijn altijd wel ergens goed voor
Het bedevaartsoord voor toeristen is evenwel al jaren verplaatst naar het zogenaamde centrum van de wereld, ´La Mitad del Mundo´, dat dwars op de evenaar ligt. Daar ik binnen enkele weken bezoek krijg van mijn vriendin Lies, beperk ik mijn verkenningstocht van Quito tot een lusvormig en onsamenhangend dambordpatroon. Welke straat ik ook insla, overal zie ik de allesoverheersende Pichincha die omringd wordt door een avenue van soortgelijke vulkanen. Ze lopen als een ruggengraat doorheen Ecuador. De boulevard aan vulkanen die Quito omringt bevat één vreemde eend in de bijt: ´el Panecillo´. Sommige bronnen schrijven deze heuvel toe aan de Incaīs die deze opvallende berg gebruikten om de zon te eren. Vandaag doet de ´Panecillo´ (letterlijk ´broodje´) dienst als uitkijkpost. Op de heuveltop heeft men een immens beeld van de Virgen de Quito geplaatst. Ze kijkt nauwlettend toe dat het door Unesco tot Werelderfgoed erkende oude stadsgedeelte gevrijwaard wordt van moderne, architectonische creaties. Zolang haar blik blijft rusten op het koloniale Quito hoeven we ons geen zorgen te maken
Een thuisgevoel... |
Ecuador - Quito, 29-10-2007 - (dagboek 2) |
 |
 |
Hoe langer je reist, hoe eigenaardiger de kronkels worden die je leiden naar een bepaalde bestemming. Als ik terugblik op mīn vrij lange zwerftocht doorheen Bolivië dan heeft mijn reisroute iets weg van een spinnenweb, draden die zigzag in elkaar overvloeien naar zowat alle windstreken. Bij mijn aankomst in Quito, hoofdstad van Ecuador, heb ik het gevoel terechtgekomen te zijn in eenzelfde spinnenweb; een ragfijn dradennet waarbij Quito zowat het epicentrum wordt waarop ik zal terugvallen als een soort veilige thuishaven.
Die laatste woorden zijn haast letterlijk op te vatten, want Quito of beter gezegd de groene vallei van Cumbaya -op een steenworp van de hoofdstad- is al bijna tien jaar de vaste stek van Rita Cloet en Jo Herteleer. Rita is de schoonzus van mijn neef Mark Demeyer en bijgevolg voelt de familieband aan als een beetje ´een thuisgevoel´. Jo is van opleiding huisarts maar doktert momenteel een soort Edcuadoriaans ziekteverzekeringssysteem uit op vraag van de BTC (Belgische Technische Coöperatie). Rita werkt voor de Verenigde Naties waar ze voornamelijk campagnes uitwerkt rond de aids-problematiek. Jo en Rita hebben beiden een stukje van hun hart verloren in Zuid-Amerika en Ecuador in het bijzonder. Ze hebben een verrassende heldere kijk op de milieuproblematiek in Ecuador en de globalisering van de wereld. Hun aparte visie zal er ongetwijfeld toe bijdragen dat ik met een nog iets kritischer ingesteldheid bepaalde plaatsen zal aandoen. Ecuador lijkt in de mooi geïllustreerde reisbrochures haast op hét beloofde land, maar achter de vele rijkdommen van het land schuilt er vaak een heel andere wereld, een verdoken wereld waar men zich geenszins stoort aan milieuwetgevingen. Mijn ontdekkingstocht belooft in ieder geval ongemeen boeiend te worden. Een zwerftocht met vele kanttekeningen, verscholen ankerpunten van een schijnbaar ragfijn spinnenweb...
Een grote sprong voorwaarts... |
Ecuador - Quito, 27-10-2007 - (dagboek 1) |
Het vloeiend lijnenspel op het Zuid-Amerikaans schaakbord is sinds vandaag onderbroken. Het vakje waarop Peru -met zijn glorierijk Incaverleden- prijkt, is haast maagdelijk wit. Mijn zwerftocht eindigde te midden van het fabelachtige Titicacameer. Neen, mijn zwerversvloot liep geen schipbreuk op, maar heeft meteen koers gezet naar Ecuador. Mijn zevenmijlssprong (een busrit van 64 uur met gelukkig een tussenstop van 14 uur in Lima) bracht me tot in Quito, de hoofdstad van Ecuador.
De grensovergang verliep niet echt van een leien dakje. Ik werd niet alleen op een intimiderende wijze gefouilleerd door de Peruaanse brigade die mij eerder voor drugstrafikant, dan wel voor een verdwaalde zwerver aanzag. Ook mijn stalen ros zorgde voor de nodige heibel. Op produkten die een waarde hebben van 300 dollar en meer moet er in principe taks worden betaald. Toen de douanebeambte de faktuur van mijn fiets zag, dansten de dollartekens voor zijn ogen. Peruanen houden er een vreemde wetgeving op na. Op de fiets de grens oversteken, levert geen enkel probleem. De fiets per bus vervoeren daarentegen kost een niet onaardige duit. Ik was evenwel geenszins van plan om ook maar één dollar neer te tellen. Desnoods haalde ik de fiets uit de bus, keerde ik terug naar de Boliviaanse zijde en stak ik per fiets de Peruaanse grens over. Gelukkig kreeg ik een betere ingeving en maakte ik de douanebeambte wijs dat de fiets een geschenk was van vrienden. Of hij mijn leugen ook daadwerkelijk geloofde, valt nog steeds te betwijfelen, maar het leverde me wel een kosteloze stempel op: CONTROLADO! Grensovergangen zorgen in ieder geval voor de nodige adrenaline...