

Ik wijs naar de ingekerfde naam en vraag Luis of het een eerbetoon is aan zijn moeder. Luis glimlacht. "Eigenlijk wel. De eerste jaren toen ik alleen leefde in de Verenigde Staten voelde ik me vaak heel eenzaam en verstoten. Ik dacht toen veel aan mijn familie, aan mijn ouders. Op een dag werd het me teveel en vroeg ik een vriend om de naam van mijn moeder op m´n arm te tatoeëren. Als ik zou sterven, dan zou ik tenminste bij haar zijn; dan zou ik samen met haar sterven." Luis streelt langzaam over de inktblauwe letters die in gedachten vervagen tot het gezicht van zijn moeder. Het verleden haakt zich heel even vast, als een weerhaak. Luis is evenwel de man niet om het sentiment de vrije loop te laten en met een overdreven luide stem spoelt hij de filmband terug naar het heden. "Als ik er nu over denk, dan is het natuurlijk bullshit, maar op dat eigenste moment vond ik het een zalige gedachte. Ik voelde me opnieuw een stukje verbonden met mijn familie." Uit pure nieuwsgierigheid vraag ik of zijn moeder de tatoeage ooit heeft gezien. "O ja, het eerst wat ze me vroeg was waarom ik haar naam niet op mijn achterwerk had laten zetten." De kamer vult zich met de bulderende lach van Luis en ook ik proest het haast uit. Luis herpakt zich evenwel vrij snel en vertelt me dat zijn moeder hem niet begreep. "Ze kon het maar niet begrijpen, evenmin waarom ik ´eighteen street´ en ´El Salvador´ op mijn arm liet tatoeëren. Ik vind tatoeages mooi, ik hou ervan, omdat ze de verpersoonlijking zijn van mezelf."
Het plaatsen van tatoeages was jarenlang één van de kenmerken waarmee mara´s zich lieten identificeren. De voorbije jaren mogen nieuwe maraleden evenwel geen tattoos meer aanbrengen op zichtbare plaatsen. Die nieuwe regel zou bedoeld zijn om kinderen die zich willen aansluiten bij de mara´s niet af te schrikken en identificatie als bendelid moeilijker te maken. Voor de iets oudere maraleden hebben de aangebrachte letters heel vaak een symbolische betekenis en verwijzen ze naar iets specifieks. Enkele weken terug had ik een kort gesprek met een maralid in het dorpje Jocoro. Uit zijn ooghoek bengelde een getatoeëerde traan. In de marataal staat dit symbool voor een gepleegde moord. Belangrijke gebeurtenissen of heldendaden laten de mara´s vereeuwigen. Volgens Luis heeft eenieder zo zijn eigen reden om tattoos te laten zetten en is de betekenis ervan ook vaak persoonlijk getint. "Ooit ontmoette ik iemand met zeven getatoeëerde tranen onder zijn oogklid. Ik vroeg hem of hij zeven mensen vermoord had. De tranen stonden echter symbool voor de jaren dat hij in de gevangenis had gezeten. Tatoeages zijn heel persoonlijk. Soms symboliseren ze het aantal vrouwen die ze lief hebben gehad." Luis vertelt me hoe hij zich vaak gediscrimineerd voelde omwille van zijn zichtbare tatoeages. Volgens hem worden tatoeagedragers vaak bestempeld als schorriemorrie die alleen geweld kennen als overlevingstactiek. "Ik heb tattoos laten wegbranden op mijn hand, omdat mensen me voortdurend aanstaarden. Het is de enige plek waar ik ze heb laten weg halen, want het wegbranden is zo pijnlijk. Ik doe het niet meer. Mensen moet eerst zelf beginnen met hun eigen tatoeages te verwijderen, die in hun geest en in hun hart. Het zou alvast een eerste stap zijn in de richting van een tolerantere wereld."
Tijdens zijn verhaal heb ik vaak het gevoel dat Luis de schuld van zijn misgelopen jeugd en leven maar al te graag afschuift op de rug van het ingewortelde geweld dat El Salvador al zo lang kent. Spijt over zijn verleden lijkt hij niet echt te hebben. Als ik naar de diepte van zijn berouw peil voor de gepleegde moorden dan wuift hij mijn kritische vragen weg door zijn daden te rechtvaardigen als zijnde noodzakelijk. Luis heeft de beeldspraak ´oog om oog, tand om tand´ in het verleden vaak letterlijk (lees: met het nodige wapengekletter) toegepast. "Gangleden zijn van nature niet slecht. Ik geef toe, ze doen slechte dingen: ze moorden, ze dealen, ze persen af. Maar het zijn niet de monsters zoals die door de media worden afgeschilderd. We worden grootgebracht in een samenleving waar geweld doordrongen zit, je wordt van nature uit gepusht om op te komen voor je eigen rechten, zeker hier in dit land."
Wanneer ik Luis tot slot vraag hoe hij de toekomst van zijn geboorteland tegemoet ziet en hoe de spiraal aan geweld een halt kan worden toegeroepen, ontpopt hij zich als het ware tot een politicus die een pasklare oplossing heeft. "De overheid, gemeenten en professionals moeten dringend inzien dat er een grondige reden is waarom jongeren, soms niet ouder dan 10 jaar, zich aansluiten bij de mara´s en waarom ze zoveel geweld plegen. Probeer hen te begrijpen vanuit hun leefwereld, geef hen de kans om een geweldloos leven te leiden, geef hen educatie en werk. De overheid spendeert jaarlijks honderden miljoenen dollars in de bestrijding van de criminaliteit. Zinloos!Repressie lokt alleen maar geweld uit. Het geld zou moeten aangewend worden voor een betere scholing, voor een opvangnetwerk om de kinderen weg te houden van de straat, voor arbeidsprojecten. Maar zolang de mensen aan de top alleen maar in de staatkas graaien om hun eigen belangen te behartigen, zal El Salvador de lijst blijven aanvoeren van de landen met het hoogst aantal moorden per inwoner. Het probleem van het geweld moet vanuit de wortels worden aangepakt, niet via doodseskaders en levenslange gevangenisstraffen."
Bij het afscheid nemen, drukt Luis me op het hart dat ik zijn identiteit niet mag openbaar maken. Om zich te vergewissen of ik hem wel duidelijk heb begrepen, knipoogt hij terwijl hij me de hand schudt. "Una vez mara, siempre mara!", grijnst hij. (Eens mara, altijd mara!) Luis hoeft niet te vrezen. Ik heb de boodschap begrepen...
Rafael loodst de wagen zichtbaar gespannen doorheen de drukke ochtendspits. Na de opgelegde instructies is hij opvallend stil. Ik tuur doorheen het raam en zie hoe we ons steeds verder verwijderen van het woelige stadscentrum. Er volgt een tocht doorheen allerlei straatjes in een niet nader te noemen buitenwijk ten westen van de hoofdstad. De wirwar van straten en steegjes lijkt op een doolhof. Na iets meer dan een uur houden we halt aan een onopvallend huis. Eenmaal de motor is afgezet, tikt Rafael een gsmnummer in. Het gesprek is uitermate kort en de gevoerde taal heeft iets weg van codetaal. We lopen drie blokken om en verschaffen ons haast onzichtbaar toegang tot een rijhuis waarvan de voordeur op een kier staat. Drie deuren komen uit op een lange, smalle halfduistere gang. Op één ervan klopt Rafael met de knokkels van zijn hand; twee maal kort, één keer lang. Het houtachtig geluid wordt aan de andere kant meteen beantwoord door een doffe stem. De kamer bevat één venster waar lichtbundels doorheen een half aan flarden gescheurd gordijn speels binnendringen. Op de vloer ligt een matras zonder beschermhoes of laken; ernaast een vijver aan tijdschriften en boeken. Centraal in de ruimte staat een tafel met enkele koffiekoppen, een plastieken broodzak van het merk Bimbo, een zwartgeblakerde pan met de onmiskenbare sporen van een gebakken omelet, een pot confituur en een bord vol broodkruimels. Voor mij zit een kerel in een witte T-shirt en baseballpet. Ik schat hem 38 jaar oud. Hij steekt zijn hand uit. Als teken van welkom stelt hij zichzelf voor met één enkel woord: "Luis". Zijn hand voelt warm aan, volwassen. "Gregorio, buenos días." Rafael wisselt daarop enkele woorden met hem. We nemen plaats aan de eettafel, terwijl Luis ongevraagd de drie lege koffiekoppen opvult. De zwarte kringen op de bodem van mijn kop verdwijnen onder de opgegoten vloeistof. Het verleden lijkt te worden begraven alsof alleen nog de toekomst telt.
Luis vraagt me wat de echte reden is van mijn komst. Als ik hem zeg dat ik een boek wil schrijven over mijn reis en er ook de sociaal, economische en politieke toestand van bepaalde landen in wil belichten, vraagt hij me meteen of ik journalist ben. Ik voel hoe hij een wantrouwen heeft tegenover dit soort mensen. Ze laten alleen de donkere kanten van de mara´s zien, zegt hij. Wanneer ik hem even later vertel over mijn zwerftocht per fiets, lijkt het ijs gebroken en het wantrouwen gesmolten als sneeuw voor de zon.
Luis´ levensverhaal begint op vijftienjarige leeftijd. Omwille van de burgeroorlog in El Salvador trok hij met zijn familie naar de Verenigde Staten. We schrijven 1981. Als jonge knaap droomde hij ervan om er school te lopen aan de highschool, maar als illegale immigrant bleef de schoolpoort voor hem dicht. Zijn ouders werkten van ´s morgens vroeg tot ´s avonds laat. Luis verveelde zich, lummelde steeds vaker rond op straat, leerde slechte vrienden kennen en geraakte stilaan aan de drank en de drugs. "Omwille van mijn verslaving gooiden mijn ouders me het huis uit. Ik was nauwelijks zestien." Luis graaft in zijn troosteloze jeugdjaren waarin vooral diefstal om te overleven centraal stond. Ik merk hoe de herinneringen aan vroeger af en toe vorm krijgen in gebrandmerkte beelden. Onuitwisbare details van de eerste levensjaren in de arme buurten van Los Angeles stofferen zijn verhaal. "Op een dag moest ik het zo hard op een lopen zetten, nadat ik wat fruit had gestolen in een kruidenierswinkeltje, dat ik tijdens mijn achtervolging met de uitbater mijn rechterschoen verloor. Een jonge knaap had alles van dichtbij gezien, raapte mijn schoen op en gaf mijn belager een mep van jewelste. De man was een paar seconden volledig uitgeteld en we konden zonder kleerscheuren wegkomen. Het was het begin van een innige vriendschapsband en mijn kennismaking met de mara´s. Hij was lid van de bende van de achttiende straat."
Luis kreeg bij de ´Pandilla 18´ onderdak, kleren en eten. Dingen die hij thuis niet langer kreeg. "Ik kon er rekenen op begrip, liefde en vriendschap. In ruil moest ik wel veel geweld ondergaan en ook zelf veel geweld gebruiken, maar dat is nu eenmaal een onderdeel van het overleven op straat." In dat kader past ook het inwijdingsritueel. Luis werd 18 seconden lang door drie mara´s geslagen en geschopt. Hij bloedde als een rund, maar hij had aangetoond dat hij bereid was alles te doen voor de bende. Hij was er klaar voor. "Als puber sta je vaak niet stil bij al dat geweld. Je voert orders uit, omdat je weet dat je zoveel dingen terug krijgt. Mara´s zijn als broers onder elkaar. We zijn als één grote familie." Terwijl hij de woorden uitspreekt, omklemt hij zijn lauw geworden koffie tot een bolster van geborgenheid.
Luis schat het aantal bendeleden van de achttiende straat in die periode op een goeie 15.000. Twaalf jaar lang verbleef hij in de Verenigde Staten en al die tijd bleef hij de ´Pandilla 18´ trouw. Toen hij terugkeerde naar zijn geboorteland El Salvador was hij innerlijk veranderd. Hij was de dertig voorbij, liet een op de klippen gelopen huwelijk en een dochtertje van drie achter. "Op een bepaalde leeftijd ga je anders tegenover het leven gaan staan. De geweldspiraal vanaf mijn vijftiende kreeg plots een andere dimensie. Het is alsof ik besefte dat ik in een vicieuze cirkel was geraakt, waar alleen de dood een einde aan kon maken. Ik had ook teveel vrienden verloren. Ongeveer 1/5de van alle gangleden sterven binnen de eerst vijf à tien jaar; aan HIV/aids, drugs, moord,... Ik heb stilaan het geweld beginnen afzweren, een leven proberen op te bouwen zonder drugs, zonder geweld." Luis geeft toe dat het een moeilijke en lange weg was, maar dat hij nog steeds gangmember is. "Mara por la vida!" Mara voor het leven... Het had een slogan kunnen zijn van de IC-boekenclub.
De ruimte vult zich heel even met het geluid van een rinkelende gsm. Ik zie hoe Luis een peperdure mobiele telefoon uit zijn jeansbroek tevoorschijn haalt. Hij spreekt op gedempte toon, schuifelt zijn stoel wat naar achteren en verdwijnt vervolgens uit de kamer. Ik wissel heel even een vragende blik naar Rafael die al de hele tijd het gesprek zwijgzaam heeft meegevolgd. Tegen de achtergrond van het vuile behangpapier lijkt zijn schaduw op een silhouet van de duivel. Rafael toont geen vorm van emotie. Hij lijkt weggezonken in duistere gedachten. Ik voel me plots onbehagelijk en angstig. Ik roer mijn angstgevoelens tot cirkels. De koude koffie walst als een draaikolk, een spiraal van leven naar dood. Mijn blik wordt heel even naar een vergeelde kalender gezogen. Ze hangt schuin tegen de wand, vastgemaakt met een verroeste duimspijker. Onder het jaartal 2006 prijkt een sensuele dame in badpak. Ze leunt tegen een wuivende palmboom, haar blik recht in de camera. Had ik daar niet moeten zitten, in plaats van hier? Een zonovergoten vakantie op de playa van El Salvador....




Sameer Masri heeft Libanese roots, bracht een groot deel van zijn leven in de Verenigde Staten door en keerde pas enkele jaren geleden terug naar zijn geboorteland El Salvador. Hij betrekt er samen met zijn ouders een riante woning vlakbij de zoo van de hoofdstad. Ik ben niet zozeer aan comfort gehecht, maar wel aan ruimte, plaatselijke en geestelijke ruimte. Ten huize van Sameer is daar allerminst gebrek aan.
Wanneer ik er mijn stalen ros in de garage parkeer, word ik verwelkomd door een klein ontvangstcomité: vader en moeder Masri, Sameer, de huishoudster en twee andere couchsurfers. De tuinstoelen worden bijeengeschoven, de koffie uitgeschonken. In gedachten moet ik denken aan het lied van Boudewijn de Groot: ´de reiziger is thuis, laat hem zitten bij de haard...´ Nog een paar maanden en dan is het daadwerkelijk een feit.
Al vrij snel slaag ik erin om eenieder met zijn eigen karaktertrekken een plaats te geven binnen het gezin. Zo houdt moeder Lydia, ondanks haar hoge leeftijd, de teugels stevig in handen, zowel op huishoudelijk als op zakelijk vlak. De familie runt namelijk een bakkerij met bijhorende werkplaats. Naast het klassieke assortiment hebben ze ook een patent op een gebak, ´la semita´, gemaakt uit enerzijds ananas en anderzijds guyabana. Het gouden ei exporteren ze naar de Verenigde Staten waar het massaal aftrek vindt onder de geïmmigreerde Salvadoranen. Het bedrijf stelt maar eventjes 125 man te werk. Maurice, de niet biologische vader van Sameer is een rasechte Salvadoraan. Enkele jaren geleden werd hij verliefd op de gescheiden Lydia en besloot zijn leven volledig in het teken te zetten van zijn nieuwe vrouw en de zaak. Hij is klein van gestalte, maar heeft een onverslagen wilskracht om het bedrijf verder op de juiste rails te zetten. Sameer is dan weer het type van de lammegoedzak. Gescheiden, drie kinderen en woonachtig bij zijn ouders. Na zijn terugkeer uit de Verenigde Staten heeft hij heel even een webdesignbedrijfje gerund. Toen het overkop ging, besloot hij een sabbatjaar in te lassen. Zwierf elf maanden rond doorheen Europa, genoot er net iets teveel van luxe en weelde en keerde berooid terug naar zijn geboorteland. Behalve het ontvangen van couchsurfers, hen rond leiden doorheen de hoofdstad van El Salvador en tv kijken, loopt hij maar wat te lummelen. Enig doel in zijn leven lijkt hij niet te hebben. Interesse in het bedrijf heeft hij allerminst. Tussen deze drie aparte mensen door -die op één of ander manier met elkaar verbonden zijn- schoffelt er ook nog een huishoudster rond. Ze heeft zo haar eigen bedenkingen over de levenswandel van Sameer, heeft een grote eerbied voor moeder Lydia, maar een afstandelijke houding tegenover de vrij strenge Maurice. Ik vind het zalig om vanop de zijlijn de verschillende karakters te kunnen observeren, te kunnen inzoomen op gevoelens met detail.
´s Avonds lukt het me eindelijk, na een zoveelste tevergeefse poging, om opnieuw contact op te nemen met Rafael van ´Homies Unidos´. Mijn hart gaat heel even een kwart slag sneller slaan wanneer ik aan de andere kant van de lijn het bevestigend antwoord verneem waar ik al drie dagen op heb zitten wachten. De afspraak met de mara is voor morgenochtend negen uur stipt...




El Salvador was op economisch vlak evenwel op eenzelfde leest geschoeid als zijn buurland Guatemala. Ook daar zwaaiden een aantal puissant rijke koffiebaronnen en een handvol families van grootgrondbezitters de plak. Ondanks de grote sociale kloof en de vele militaire coups klom El Salvador op tot één van de meest welvarende landen van Centraal-Amerika. De rijkdom bleef evenwel in handen van een select clubje. De weerstand tegen de oligarchie groeide ondertussen zienderogen aan en diverse oppositiepartijen begonnen een front te vormen. Het FMLN (Front Farabundo Martí voor Nationale Bevrijding) werd gedwongen ondergronds te werken. De guerrillaoorlog was een feit. De moord op Romero was de figuurlijke druppel die de revolutionaire emmer deed overlopen.
Ik wil de plek opzoeken waar Romero werd doodgeschoten: een klein hospitaal waar kankerpatiënten verzorgd worden. Openbaar vervoer tot in de uithoek van deze buitenwijk van de hoofdstad is er evenwel niet en het kost me dan ook bijna anderhalf uur om er te geraken. De kapel is een opvallend moderne constructie met een schuin hellend dak en hoge smalle ramen. Het lijkt wel op een groot uitgevallen vakantiehuisje. Het meubilair is er eenvoudig, de aankleding sober. Achter het altaar hangt Jezus Christus, genageld aan het kruis. Ernaast prijken in gouden letters de woorden ´En este altar mons Oscar A Romero ofrenda su vida a Díos por su pueblo´ (Aan dit altaar offerde Oscar Romero zijn leven aan God voor zijn volk). Op een avond in maart 1980 snoerde een welgerichte kogel Romero voor eeuwig de mond. Zijn boodschap voor een rechtvaardige wereld had evenwel zowat alle lagen van de bevolking bereikt. Ook de bijzonder knappe jonge zuster Carmen, die me een rondleiding heeft in het ouderlijk huis van Romero, is een aanhangster van het eerste uur. "Romero had er zelf voor gekozen om hier te wonen, dicht bij de kapel en zijn zieke patiënten." De vertrekken zijn klein en inmiddels ingericht tot een museumpje. "De slaapkamer is volledig intact gebleven." Carmen wijst me de oude typemachine aan die op zijn bureau staat. "Mocht Romero nog geleefd hebben, dan was die ongetwijfeld nog niet vervangen door een laptop." Ik merk een onderdrukte glimlach op, maar weet niet of ik haar opmerking nu al dan niet ironisch moet opvatten. Zijn kamer valt op door soberheid: een eenpersoonsbed, een ijzeren schommelstoel, een bureau, een nachttafeltje, een kapstok, een wekker en enkele purperen gewaden. De inrichters van het museumpje hebben ter hoogte van het voeteinde van het bed een foto aangebracht. Ik zie een knielende paus Johannes Paulus II aan de graftombe van Romero. Diezelfde paus die Romero enkele maanden voor zijn dood de mantel uitveegde en hem verweet de aanstoker te zijn van het burgerconflict. Berouw komt nu eenmaal na de zonde. In de belendende ruimte hangt de toga die Romero droeg op de fatale avond van 25 maart 1980. De met bloed bevlekte toga vertoont een minuscuul gaatje, nauwelijks waarneembaar. "Het was een expansieve kogel die hem recht in het hart trof. Deze zijn allesvernietigend, ze ontploffen in je lichaam." Carmen vertelt de wijze van de moordaanslag met de precisie van een ballistische experte. Ik moet eerlijk toegeven dat ik onder de indruk ben, niet alleen van haar schoonheid, maar evenzo van haar deskundige spontane uitleg.
Later op de dag zoek ik nog de UCA op, de Universidad de Centro América. Het centrum ´Monseigneur Romero´ heeft er een kleinschalige expositie opgericht ter nagedachtenis aan de vermoorde aartsbisschop, alsook aan de zes priesters jezuïeten die hier op deze campus werden vermoord door doodseskaders van de Salvadoraanse regering. De martelaren hebben ze in de kleine achtertuin een laatste rustplaats gegeven. In een afgezoomde perkje staan rode rozen symbool voor de jezuïeten. De witte roos in het midden is er voor monseigneur Romero. Rood als teken van bloed en wit als teken van hoop...
De mensenrechtenorganisatie ´Homies Unidos´ werd in 1996 in El Salvador opgezet door 22 jongeren, ex-bendeleden gedeporteerd uit de Verenigde Staten. Eén van hen is Rafael Jordán. Op vijftienjarige leeftijd sloot hij zich aan bij de ´Pandilla 18´, één van beruchtste gangs. Zes jaar lang was hij bendelid en zat meermaals achter de tralies voor moordpoging. In 2004 zwoor hij definitief het geweld af. Hij kwam in contact met ´Homies Unidos´ en besloot om zijn ervaringen en contacten met de wereld van de mara´s aan te wenden om de jeugd te behoeden voor deelname aan de straatbendes. Vandaag, anno 2008, leidt hij de organisatie.
Als openingsvraag van mijn anderhalf uur durend gesprek met Rafael vraag ik hem of hij mij het verschil kan uitleggen tussen de twee meest spraakmakende bendes, ´la Mara 18´ (uitgesproken als dieciocho) en ´la Mara Salvatrucha´. "Beide bendes zijn ontstaan in de Verenigde Staten en situeren zich in de tijd van de Centraal-Amerikaanse burgeroorlogen. Miljoenen Salvadoranen vluchtten naar Amerika. In Los Angeles kwam de Salvadoraanse jeugd in contact met de Amerikaanse straatbendecultuur, ondermeer met de bende in de straat nummer 18. Heel wat Salvadoranen sloten zich aan en in mum van tijd groeide ´Mara 18´ uit tot één van de grootste Spaans-Amerikaanse bendes. In de jaren ´80 ontstond er in datzelfde Los Angels een nieuwe bende, de Mara Salvatrucha dat enkel en alleen bestond uit Salvadoraanse immigranten. Zij verenigden zich als bescherming tegen de constante intimidatie van de aanwezige Mexicaanse bendes en ´la Mara 18´. Toen in de jaren ´90 Amerika massaal geïmmigreerde bendeleden met een strafblad van de Verenigde Staten naar El Salvador deporteerde, vochten de twee revaliserende straatbendes hun oorlog verder uit op het thuisfront." Over de exacte cijfers omtrent hun aantal, moet zelfs Rafael mij het antwoord schuldig blijven. Hij waagt zich aan een schatting van enkele tienduizenden jongeren, voornamelijk afkomstig uit de kansarme wijken in de steden van El Salvador.
Wanneer ik hem vraag waarom hij lid werd van de mara´s wordt het heel even stil. Ik heb het gevoel dat hij twijfelt of hij al dan niet een deel van zijn verleden zal prijsgeven. Na een lange zucht steekt hij toch van wal. "Je zal me niet geloven, maar ik deed het uit nieuwsgierigheid, niet omdat er thuis problemen waren. Ik was op zoek naar een bepaalde identiteit en die vond ik op straat, bij de mara´s." Hij kijkt me heel even recht in de ogen aan en zegt enigszins aarzelden: "Ik geeft toe, ik was nogal opstandig, voelde me thuis vaak niet begrepen. Ik had nogal de indruk dat mijn thuis mijn wereld niet was. Ik was gefrustreerd, worstelde met mezelf en met de leeftijd van een rijper wordende puber. Door het onbegrip thuis, zocht ik toenadering tot de mara´s. Bij hen vond ik genegenheid en begrip. Vele onder hen herkenden zichzelf in mijn verhaal. Ze steunden me en ik werd een deel van hen." Rafael vertelt over de voorwaarden om toe te treden tot de mara 18, ook wel Pandilla 18 genoemd. Binnen de kringen van de gangs is het gebruikelijk om een inwijdingsritueel te ondergaan alvorens lid te kunnen worden. Meestal moeten ze 13 of 18 seconden lang slagen en schoppen incasseren. Alleen het hoofd mogen ze beschermen. De geweldadige initiatierite duurde bij Rafael achttien seconden. Met deze vuurdoop had hij het bewijs geleverd dat hij bereid was alles te doen voor de bende.
Het valt me op dat Rafael opvallend weinig zichtbare tatouages heeft. Het aanbrengen van tatouages is nochthans een wezenlijk kenmerk van de mara´s. Ze bestaan uit letters, omgevormd tot symbolen of beeldige collages waar de vrouw vaak een centrale rol in speelt. Doordat ze meestal verspreid worden over het hele lichaam, nek en hoofd inbegrepen, zien de jonge criminelen er indrukwekkend uit en dat is ook precies de bedoeling. Ze zijn voor niemand bang en dat willen ze uitstralen. Via hun tatouages willen ze respect en aanzien afdwingen. Wanneer ik Rafael erop attent maakt, lacht hij heel even. "Ik heb er wel, maar de meeste bevinden zich op onzichtbare plekken. Ik heb nooit de behoefte gevoeld om mij te overstelpen met tatouages. Sommige heb ik ondertussen zelfs verwijderd. Het is trouwens een trend bij de meeste mara´s. We worden sinds de invoering van de ´manoduro´ en ´supermanoduro´ hard aangepakt." Sinds enkele jaren heeft de Salvadoraanse regering een zero tolerantiebeleid ingevoerd ten aanzien van de mara´s. Hun beleid kreeg de ongelukkige naam ´harde vuist´ en ´superharde vuist´. Het houdt ondermeer in dat bijvoorbeeld de verdenking van bendelidmaatschap, op grond van tatoeages, al genoeg kan zijn om veroordeeld te worden. Jongeren kunnen zonder enige vorm van proces veroordeeld worden tot een gevangenisstraf van 3, 6 tot 9 jaar. De verhoogde repressie heeft evenwel niet geleid tot een daling van de delinquentie, integendeel. Vooral de doodseskaders die in opdracht van de regering strafeloos mara´s liquideren worden mede schuldig geacht voor het ontsporen van het geweld. "Bendes zijn niet te stoppen, zelfs niet met doodseskaders. Daarom proberen ze ons nu in verband te brengen met georganiseerde misdaad. Dat geeft ze het groene licht om ons uit te roeien." Naar schatting worden er in El Salvador dagelijks 10 tot 12 mensen vermoord. West-Europa telt 1,4 moorden per 100 000 inwoners, het mondiale gemiddelde bedraagt 8,8 moorden per 100 000 inwoners. El Salvador spant evenwel de kroon met maar liefst een gemiddelde van 64 slachtoffers per 100.000 inwoners. Onder de jongeren loopt dit getal zelfs op tot een gemiddelde van 149 moorden. El Salvador heeft nu een hoger moordcijfer dan tijdens de burgeroorlog.
Ik voel een opflakkerende wrevel bij Rafael wanneer ik hem vraag wie verantwoordelijk is voor de misdaad in het land. "Voor alles wat er fout gaat in dit land wijst men een beschuldigende vinger in de richting van de mara´s. Geloof mij, slechts 18 procent van alle begane misdaden kan men toeschrijven aan de mara´s. Met de resterende 82 procent hebben zij niets te maken. Andere criminele groepen en mensen die misdaden begaan, verbergen zich achter de mara´s. Geweld is een onderdeel van de geschiedenis van El Salvador: huiselijk geweld, kindermisbruik, gebroken gezinnen, geweld door politie en in gevangenissen, psychologische marteling, noem maar op. De overheid doet net alsof alleen bendes gewelddadig zijn. Wij maken niet alleen slachtoffers, wij zijn ook slachtoffers van een systeem waarin geweld regeert. Alle Salvadoranen hebben in hun leven met geweld te maken." Wanneer ik me waag aan de vraag of de mara´s veranderd zijn van jongerenbendes tot criminiele organisaties, lijkt het wel of ik alleen maar olie op het vuur gooi. "Hoe kan je zoiets in godsnaam denken. Indien wij echt een onderdeel zouden zijn van de georganiseerde misdaad, dan zouden er nu niet zoveel bendeleden in de gevangenis zitten. Dan zouden we rijk zijn en de politie zou aan onze kant staan. Net als bij de maffia in andere landen."
Wanneer ik hem vraag hoe hij zijn persoonlijke toekomst tegemoet ziet, is Rafael vrij optimistisch. Hij wil zijn leven volledig inzetten voor de organisatie ´Homies Unidos´. "Ik heb hier bij de organisatie een nieuwe thuis gevonden, een nieuw doel in mijn leven. De sterkte van Homies is dat we werken met ex-bendeleden. Ze worden ingezet als een voorbeeldfunctie voor voorlichting en preventie om de jeugd te behoeden voor deelname aan de straatbendes. We laten risicojongeren ook deelnemen aan voorlichting -en werkprogramma´s op het gebied van vakonderwijs, reproductieve gezondheid en preventie van HIV/Aids. Onlangs zijn we ook gestart met inkomensgenererende activiteiten zodat jongeren zelf hun eigen brood kunnen verdienen. In de komende jaren hopen we in zeven volkswijken in de hoofdstad 2.100 jongeren direct te bereiken en indirect nog eens 5.600 jongeren en hun families. Een volledig geweldloos El Salvador is natuurlijk een ijdele droom, maar als we de mensen een stukje dichter bij verdraagzaamheid en geweldloosheid kunnen brengen, dan mogen we ons al gelukkig prijzen."
Bij het afscheid nemen, vraag ik Rafael of ik mogelijks een gesprek kan hebben met een nog actieve mara. Hij wimpelt mijn verzoek niet meteen af, maar vraagt me om hem terug op te bellen binnen een tweetal dagen. Wanneer hij me naar buiten leidt, zegt hij: "Ik beloof niets, want zeker in de huidige context van de zero tolerantie politiek die er gevoerd wordt, voelt geen enkele mara zich geroepen om zijn levensverhaal aan de grote klok te hangen. Maar ik heb geleerd in het leven om hoopvol te zijn..."


Mijn kamergenoten halen enigszins onverschillig hun schouders op wanneer ik hen vertel over m´n nachtelijk ontwaken. In een land waar er dagelijks 10 tot 12 moorden worden gepleegd, ligt men al lang niet meer wakker van een gewapend treffen. Toch geeft de vader ruimschoots toe dat hij na zonsondergang zich niet langer op straat begeeft. In een land dat doordrongen is van geweld, heeft men er duidelijk mee leren leven. De familie heeft zich niet alleen verzoend met de spiraal van geweld, maar tevens ook met de wanorde waarin ze leven. Het hele huis heeft iets weg van een stort. Ik heb op mijn zwerftocht al vaker vastgesteld dat cocooning bij vele Latijns-Amerikanen niet meteen hoge toppen scoort, maar hier tart de chaos en de ongezelligheid alle verbeelding. De woonkamer lijkt zo weggeplukt uit de kringloopwinkel. Niets lijkt bij elkaar te passen en aan alles mankeert er wel iets. De eetkamer loopt door in de keuken vanwaaruit een trap toegang verschaft tot de enige slaapkamer. Nu ja, trap... Met de jaren hebben de vermolmde houten treden het begeven en doet nu een roestige ladder dienst als opstapje om de bovenverdieping te bereiken. Telkens ik voorbij de keuken passeer, probeer ik recht voor me uit te kijken. De rottende etensresten, wegspurtende kakkerlakken en het door vet doordrongen kookfornuis wekken niet meteen mijn eetlust op.
Om m´n grote achterstand aan dagboekverslagen wat in te halen, heb ik mezelf een plaatsje veroverd op het uiteinde van de eettafel. Het schrijven vlot allesbehalve. Enerzijds moet mijn concentratie de strijd aanbinden met de lawaaierige TV- en/of radioklanken die hier haast dag en nacht de smoezelige ruimte opvullen en anderzijds word ik te pas en te onpas gestoord door de vrouw des huizes. In haar verkiezingsdrift lijkt ze op een hol geslagen FMLN-aanhangster. Mocht je niet weten dat Maria een doodgewone huismoeder is, zou je vermoeden dat ze zichzelf kandidaat heeft gesteld voor het presidentschap. Haar huis heeft vaak iets weg van een partijbureau waar revolutionaire sympathisanten in en uit lopen. Publiciteitsmateriaal onder de vorm van folders, vlaggen en banners worden er strategisch uitgedeeld. Elke wijk in de hoofdstad moet tegen het eind van het jaar rood kleuren. Alle middelen worden hiervoor ingezet. Zo gaat er dagelijks een groepje aanhangers om middernacht op pad. Gewapend met ladders, verf en borstels schuimen ze de straten af naar strategische huizengevels en muurtjes. Tegen het ochtendgloren hebben ze een rood-witte gedaanteverwisseling ondergaan. Achter de tomeloze inzet van Maria gaat er evenwel een harde realiteit schuil. Het FMLN betaalt zijn sympathisanten om de partij een gezicht te geven in het straatbeeld. De zuur te verdienen centen zijn voor Maria en haar gezin met het oog op de komende feestdagen ongetwijfeld een geschenk uit de hemel...




Hun politieke gedrevenheid weerspiegelt zich niet alleen via de buitengevel van hun woning, maar evenzo binnenshuis. De uiterst smaakloos ingerichte en rommelige woonkamer wordt versierd door enkele politieke posters. De strijdvaardige gezichten van Daniel Ortega, president van Nicaragua en Chávez, president van Venezuela, vrolijken de armoedige ruimte op. Tegen een houten afscheidingswand die de woonkamer van de keuken onderscheidt, hangt een rode banner. In witte letters lees ik ´Vota FMLN Schafik Presidente´. Schafik was de gedoodverfde presidentskandidate voor de verkiezingen van 2004. Een politieke list van de Arena-partij besliste er evenwel anders over. In de aanloop naar de verkiezingen verspreidde ze het gerucht dat een overwinning van het FMLN zware gevolgen zou hebben voor de uitgeweken Savadoranen die in Amerika verbleven. Ze zouden massaal huiswaarts gestuurd worden. Voor een bevolking waarvan meer dan de helft leeft dankzij de ´remesas´, de opgestuurde groene dollars, was de politieke keuze van de thuisblijvers dan ook snel gemaakt. Of Arena ook deze keer een politieke truc uit hun toverhoed zal schudden, blijft voorlopig koffiedik kijken.
Omdat Ronaldo weekenddienst heeft, beslis ik maar op eigen houtje op ontdekking te gaan in de grootstad San Salvador. Mijn eerste confrontatie is weinig flaterend te noemen. San Salvador omarmt me niet liefdevol, niet teder sensueel, maar met een vuistslag. Niet alleen de hitte overvalt me, maar ook de nooit geziene drukte. De binnenstad is als een uitgestrekte zee vol wriemelende mensen die allen op weg zijn, allen ergens naartoe. De golvende mensenmassa wordt geflankeerd door een nimmer eindigende sliert aan bussen en taxi´s. Ze braken wolken van roet uit die zich nestelen in het metselwerk van een uit zijn voegen barstende hoofdstad. Ik dein mee op de golven van de mensenstroom, als een kip zonder kop. Straat in, straat uit, zonder een wezenlijk doel of eindbestemming. Ik laat de wereld op me afkomen en voel haar afstotelijkheid, haar lelijkheid. Boven de straten hangen levensgrote publiciteitsborden van opvallend veel Amerikaansgetinte winkelketens en restaurants. De gevels verbergen zich achter metalen stalletjes op wielen. De mobiele boetiekjes zijn oud en roestig, maar uiterst functioneel voor een stad waar er in wezen geen plaats meer is om nog extra winkels bij te bouwen. Sommige bestaan uit niet meer dan een kruiwagen of twee nimmer vermoeide benen. De drijvende handel voelt aan als een mokerslag. Vanuit zowat alle windstreken brengen gigantische boxen en televisies een kakofonie van lawaai uit. De handel in illegale cd´s en dvd´s tart hier elke verbeelding. Je kunt geen straat in of uit of de decibels slaan je om de oren.
Gelukkig vind ik in het ´Palacio Nacional´ alle ingrediënten om te bekomen van de hectische buitenwereld. Het renaissancegebouw uit het begin van de jaren 1900 straalt aan de binnenkant nog een grotere wereldse klasse uit dan de buitenkant. Tot 1986, het jaar dat El Salvador werd getroffen door een aardbeving van 7,7 op de schaal van Richter, bevond zich hier het kloppend hart van de regering. Anno 2008 herbergt het de nationale archieven, alsook het nationaal historisch museum. De meeste ruimtes zijn evenwel momenteel afgesloten voor het grote publiek omwille van een grondige restauratie. Ondanks alles weet het imposante bouwwerk me best wel te bekoren. Eenmaal terug opgeslokt door de immense drukte van een grootstad, wordt mijn blik naar een goudkleurige dennenboom gezogen. Wanneer ik wat dichterbij ga kijken, blijkt het een publiciteitsstunt te zijn van Western Union. Door de intense geldstroom tussen El Salvador en het aards paradijs Amerika doet deze Amerikaanse bank gouden zaken met de uitgeweken Salvadoranen. Je zou je klanten voor minder een voorspoedig Nieuwjaar toewensen. Het centrale stadplein, la Plaza Barrios, wordt omzoomd door nog een opvallend gebouw, de Metropolitana kathedraal. Niet alleen in omvang eist het zijn plaats op, ook door de kleurrijke voorgevel valt het behoorlijk uit de klassieke toon. Ik ontdek dat de ondergrondse kelderruimte van de basiliek ook de laatste rustplaats is van de in 1980 vermoorde aartsbisschop Romero. Achteraan in de crypte staat een levensgroot bronzen monument ter nagedachtenis aan hem. De laatste jaren voor zijn dood had hij zich opgeworpen als het symbool van rechtvaardigheid. Zijn strijdlust tegen het onrecht heeft hem een blijvend gezicht gegeven, ook nu nog.
Voor de rest van mijn verkenningstocht stort ik me wederom in de nooit eindigende vloed aan mensen, taxi´s en bussen. Af en toe ontruk ik me aan de mallemolen eigen aan een grootstad en probeer wat op adem te komen op de schaarse pleintjes. San Salvador, de hoofdstad van El Salvador, laaft en slaat de klok rond. Ik moet eerlijk bekennen dat mijn knieval nog niet voor morgen is...




Naarmate ik het koloniale dorpje Sushitoto verlaat, wordt het heuvelend landschap ontsierd door visuele contaminatie die zelfs de meest onwetende toerist de neus op de komende gemeente- en presidentsverkiezingen drukt. Zowat alle vangrails, bruggen en elektriciteitspalen zijn overschilderd in blauw-wit-rood; de kleuren van de ARENA-partij die nu al twintig jaar de politieke touwtjes stevig in handen heeft. Voor het eerst zou er op dat vlak wel een keerpunt kunnen komen, want de oppositiepartij, het FMLN, lijkt met het oog op de komende verkiezingen steeds meer aanhang te winnen. Ook hun partijkleuren, rood-wit, zijn uit het straatbeeld niet weg te denken. De propaganda beperkt zich bij hen niet tot de elektriciteitspalen, ook hele muren worden feestelijk beschilderd. Sommige afschuttingen zijn ware schilderijtjes waar de link met het guerrillaverleden van de partij nooit ver weg is. Ik vraag me af wie deze publiciteit verwijderd, eenmaal de verkiezingscampagne voorbij is en het politieke landschap opnieuw een vaste vorm aanneemt. Ook de aartsbisschop Romero is niet weg te denken uit het straatbeeld. Op verschillende plaatsen doorheen het land staat zijn portret als een levensgroot symbool van rechtvaardigheid op de huismuren geschilderd, af en toe zelfs vergezeld van wat levenswijsheid. Op één ervan lees ik ´Antes de ser un cristianó, tenemos hacer muy humanos´ (Vooraleer een Christen te zijn, moeten we meer menselijker zijn.) Zelfs 28 jaar na de moordaanslag op Romero is zijn uitspraak helaas nog brandend actueel.
Naarmate ik de hoofdstad nader, neemt het verkeer ook drastisch toe. Zwaar vrachtverkeer en overvolle bussen denderen voorbij. Hun uitlaatgassen hullen me in een stofwolk van roet. De hoofdstad ligt als het ware in een soort trechter waar al het vervoer naartoe wordt gezogen. Het epicentrum vormt er een abces, een wegvretende kanker door jarenlange blootstelling aan toenemende pollutie. Ik laveer me doorheen toeterende bussen, walm uitbrakende vrachtwagens en nerveuze automobilisten die zich alweer vastrijden in de dagelijkse files. Het lijkt erop dat het hectisch verkeer buschauffeurs een vrijgeleide geeft om zowat alle wegcodes aan hun laarzen te lappen. Te pas en te onpas snijden ze me de weg af om mensen op en af te laten stappen. Noodgedwongen moet ik daarom vaak het tweede rijvak opfietsen, wat me dan weer een ´sandwich´ gevoel heeft. Op een bepaald moment lijken de bussen zowat uit alle kanten tevoorschijn te komen. Ik moet mijn Eddy Merckx-benen bovenhalen om me uit mijn hachelijke positie te redden. Op een gegeven moment moet ik linksaf slaan. De weg gaat over in een lange brug, een passerelle. Er is nauwelijks plaats voor één voertuig. Met de nodige omzichtigheid wring ik mij tussen de verhoogde berm, de vangrail en de metalen moordtuigen. Vanuit mijn achteruitkijkspiegel zie ik hoe een zelfverzekerde vrachtwagenchauffeur nog wat gas bijgeeft om het niveauverschil moeiteloos te overbruggen. De tientonner scheurt rakelings om me heen. Net wanneer hij me bijna voorbij heeft gestoken, voel ik in een flits een drukkende kracht tegen mijn linkerfietstas. Het volgende ogenblik word ik weggekatapulteerd, tegen de vangrails. Als een gewichtsloze koorddanser zoek ik naar enige balans. Ik hoor het geluid van twee metaalsoorten die onzacht met elkaar in aanraking komen. Mijn voeten zoeken vaste grond, mijn lichaam evenwicht. Mijn fiets schuift nog heel even verder tegen de leuning om even later schuin te blijven hangen. Mijn zware bepakking en mijn fietshelm hebben de hardste klappen opgevangen. Verschrikt veer ik recht, kijk achter en voor me en zie dat het verkeer gewoon verder doorraast. Met knikkende knieën kijk ik naar de hemel en werp een blik die het midden houdt tussen dankbaarheid en ongeloof. Beeld ik het mij in of zie ik daadwerkelijk een condor in de verte? Het zal wel zinsbegoocheling zijn, de hallucinatie van een wegfladderend leven.
Uiteindelijk kost het me haast anderhalf uur om me uit het verkeerskluwen los te trekken en de San Jacinto-wijk binnen te fietsen. Na wat rondvragen vind ik rond vijf uur in de vooravond de bewuste straat, calle Lara. Mijn aandacht wordt getrokken door een groot huis, volledig beschilderd in de partijkleuren van het FMLN. Net wanneer ik mijn camera bovenhaal, valt mijn oog op het huisnummer, 833. Met enige ongeloof diep ik het beduimeld adreskaartje uit mijn stuurtas: ´Rolando Magana - Calle Lara 833/B - Barrio San Jacinto - San Salvador - El Salvador´. Het ziet ernaaruit dat er de komende dagen behoorlijk wat over politiek zal gediscussieerd worden...




Suchitoto betekent in het Náhuat, de taal van de oorspronkelijke bewoners, ´plek van vogels en bloemen´. Misschien is dat wel de reden waarom de Amerikaan Robert Broz jaren geleden besliste om hier een nieuw leven op te bouwen. Hij runt er samen met zijn Salvadoraanse vrouw en drie kinderen het restaurant annex hostal ´Gringo´ uit. De naam van zijn etablissement getuigt van weinig spitsvondigheid of misschien is het wel een marketingzet. Het verbaast me een beetje dat hij in tegenstelling tot miljoenen Salvadoranen net de omgekeerde beweging heeft gemaakt, van het rijke Amerika naar het arme El Salvador. Als ik de zwaarlijvige Robert erop attent maak, lacht hij schamper. "Je bent net als mijn kids, ook zij begrijpen me niet. Ze zien de Verenigde Staten als het aards paradijs, maar ze vergeten dat er ook daar heel veel armoede is, dat mensen er omkomen door honger en kou." Robert geeft toe dat hij in zijn thuisland ongetwijfeld meer geld zou kunnen verdienen, maar evenzo dat hij de werkdruk niet meer aan zou kunnen. "Mijn kinderen zouden graag in Amerika studeren, maar daar zie ik de noodzaak niet van in. Eerst en vooral beschikken ze niet over de Amerikaanse nationaliteit. Dat betekent dat ze illegaal het land moeten zien binnen te geraken. Iets wat niet alleen een bom geld kost, maar evenzo niet risicoloos is. Ik ben eerder voorstander om hen hier de beste opleiding te geven en hen dan te laten vertrekken, naar Amerika of Europa, op zoek naar een goeie job." Vanuit zijn standpunt gezien, kan ik hem geen ongelijk geven.
Suchitoto gaat er prat op de mooiste koloniale stad te zijn van El Salvador en terecht. Wanneer ik ´s morgens vroeg een eerste verkenningstocht maak, overvalt me de rust en wijze waarop men zich nog bewust is van cultuur en tradities. Voor de plaatselijke kruidenierswinkel staat een paard trouw te wachten op zijn berijder en even verderop zitten twee bejaarde mannen te schaken. Hun pionnen zijn capsules van soldaat gemaakte bierflesjes. Achter hen doemen gevels op waar men bij de restauratie oog had voor detail en het tastbare verleden. Om de authenticiteit van Suchitoto te bewaren is hier een wet uitgevaardigd dat elke vorm van verkiezingspubliciteit verbiedt. Terwijl ik flaneer over de hobbelige kasseistenen en geniet van de stilte dat het dorpje uitstraalt, kan ik me moeilijk voorstellen dat Sushitoto vroeger woeliger tijden heeft gekend. Rond begin 1500 werd de Spanjaard Pedro de Alvarado erop uitgestuurd om de indianen in Midden-Amerika onder de duim te krijgen. Alvarado slaagde feilloos in zijn opzet en in 1524 werd Cuscatlán, het huidige El Salvador, Spaans grondgebied. In zijn zoektocht naar een geschikte plaats om er een hoofdstad te vestigen, leek het Alvarado opportuun om het op een boogscheut van Suchitoto te stichten. Suchitoto kenmerkte zich in die tijd als een bloeiend en dichtbevolkt indiaans dorp. Het kon de voedselbevoorrading en de bescherming van de hoofdstad alleen maar ten goede komen. Maar al snel kregen de Spanjaarden af te rekenen met verzengende hitte, genadeloze onweersbuien en aanvallen van indianen en Spaanse bandieten vanuit Nicaragua. Eenentwintig jaar later, in 1545, besloten ze de hoofdstad zuidelijker te verplaatsen, naar de plek waar San Salvador tot op de dag van vandaag ligt. De rust daalde opnieuw neder over het dorp, tot aan de Salvadoraanse burgeroorlog. Tussen 1980 en 1992 was Suchitoto zo goed als verlaten. De inwoners hadden massaal veiliger oorden opgezocht. De oorlog had evenwel geen grote schade aangericht en halverwege de jaren negentig werd het dorp een ontmoetingsplaats voor intellectuelen en artiesten.
Eén van hen is de cineast Alejandro Coto, een levende legende in El Salvador. Als ereburger van Suchitoto heeft hij het dorp op de culturele landkaart geplaatst. In de toeristische dienst verneem ik dat de man de negentig voorbij is en blind is aan één oog. Ik zoek Coto op in zijn riante koloniale villa, maar ik moet jammer genoeg vaststellen dat de deurbel onbeantwoord blijft. Ik zoek dan maar troost bij Santa Lucía, de beschermheilige van Suchitoto. Haar beeltenis staat achterin de witgekalkte kerk. In haar linkerhand draagt ze een schaaltje waarin haar ogen roerloos liggen. Het verhaal doet de ronde dat haar ogen werden uitgeprikt vóór haar executie. Het heeft haar in ieder geval de status van beschermster van de blinden en de slechtzienden opgeleverd. Alejandro Coto, met zijn ene blinde oog, heeft in Suchitoto dus de juiste plek gevonden...




Ik parkeer mijn gevaarte tegen één van de stenen zitbanken, neem zelf plaats en sla de wereld om me heen gade. In het daarop volgende kwartier schuift een parade aan ambulante verkopers voorbij. Op één uitzondering na laten ze me allen ongemoeid, waardoor ik nog meer geniet van het alledaags gebeuren. Voorbijslenterende mobiele winkeltjes die zowat de meest uiteenlopende handelswaren te koop aanbieden: jeansbroeken, broeksriemen, make-up, knoflooktrossen, medicijnen, transistorradiootjes,... Het passeert allemaal de revue. Een goed uit de kluiten gewassen vrouw ziet eruit als een wandelende kerstboom. Ze is opgetuigd met kerstballen en twinkelende slingers die in golven over haar ledematen hangen. Als een haperende platendraaier roept ze: "Feliz Navidad, solo un dollar, un dollar..." (Gelukkig Nieuwjaar, slechts één dollar). Haar stem wordt af en toe opgeslokt door revolutionaire strijdliederen van sympathisanten van het FMLN, de revolutionaire oppositiepartij. De gunst van de keizer wordt hier op elke straathoek gevoerd. Of de verkiezingsuitslag ook het leven van deze eenmansbedrijfjes op twee benen fel zal beïnvloeden is uiterst twijfelachtig.
Niet alleen op het centrale dorpsplein valt er één en ander te beleven, ook in de zijstraten kan ik moeiteloos mijn nieuwsgierigheid botvieren. Zo ontdek ik dat het dorpje een zekere faam heeft opgebouwd binnen het wereldje van de artisanale kunst. Winkeltjes zijn er omgetoverd tot souvenierszaken waar het handelsproduct bij uitstek, houten reproducties van groenten en fruit, er als trossen bijhangen, letterlijk. Het is niet bepaald mijn genre, maar ik vind het best wel grappig. De tocht leidt me verder doorheen de tijdloosheid waar hier en daar nog de zichtbare sporen van de burgeroorlog zichtbaar aanwezig zijn. Zo wordt het dorpsplein van Cinquera gedomineerd door de staart van een neergeschoten helikopter. Het wrak staat er als een pronkstuk van overwinning op een sokkel. Het is afgezoomd door een nadarhekken waar geweren er als verstilde getuigen aan vasthangen. Op het bijhorende opschrift lees ik dat de helikopter in 1991 door de rebellen werd neergehaald. Het oorlogsverleden maakt hier nog steeds deel uit van het dagdagelijkse leven.
De laatste twintig kilometer kruipt het stijgende landschap aan me voorbij. Ik heb bewust de grote, drukke verkeersweg gemeden waardoor ik kilometerslang kan genieten van het prachtig uitzicht over de Lago de Suchitlán. De lagune is een groot stuwmeer waarmee de electriciteit voor gans El Salvador wordt voorzien. Het overschot wordt verkocht aan Guatemala. Turend over de einder heen, word ik bevangen door de schoonheid van dit ingelijst schilderij. Als deze lagune inzake ingetogen eenvoud de voorbode is van wat me te wachten staat in Suchitoto, dan zal dit koloniale dorp me best wel weten te bekoren...




Fabio is een rasechte Salvadoraan, 72 jaar oud en politieagent op rust. Hij heeft een groot deel van zijn leven in Amerika doorgebracht. Vlak voor de burgeroorlog uitbrak, verkaste hij zoals zovele landgenoten naar het beloofde land. Hij vond er werk in de openbare sector en bracht er, samen met zijn vrouw, zijn twee kinderen groot. Hij en zijn echtgenote zijn sindskort voorgoed teruggekeerd naar hun geboorteland. Hun kinderen zijn evenwel gebleven. Het is het klassieke verhaal van zovele Salvadoranen.
Santa Domingo, het dorpje waar Fabio en zijn vrouw wonen, straalt niet dezelfde charme uit als dat van Jocoro, al zijn ze qua oppervlakte aan elkaar gewaagd. Ik besluit dan maar om een dagtrip te maken naar de nabij gelegen stad San Vicente. Deze stad werd tijdens de burgeroorlog van de jaren tachtig herhaaldelijk aangevallen door het revolutionaire leger. De enige zichtbare sporen van dat treffen, zit verpakt in de groengeverfde legerkazerne die nog steeds een centrale plaats inneemt in het stadscentrum. San Vicente heeft niet de uitstraling een bruisende stad te zijn. Ik heb eerder het gevoel rond te lopen in een fors uitgevallen dorp. Misschien moet de verklaring gezocht worden in de zware aardbeving van 2001. In dat jaar werden grote delen van deze stad met de grond gelijk gemaakt. De sporen van dit natuurgeweld zijn wel nog duidelijk zichtbaar. Zo staat het pronkstuk van San Vicente, de kiosktoren, nog steeds in de steigers. Ook andere gebouwen, zoals het stadhuis, liggen er verwaarloosd en zwaar gehavend bij. Het lijkt er op dat de vroomheid hier prioriteit krijgt, want de voornaamste kerken, zoals la Iglesia El Pilar en de kathedraal hebben wel reeds een grondige renovatiebeurt gekregen. Wie weet zijn de stadsgenoten de mening toegedaan dat het gebed tot God hen zal behoeden voor een nieuwe aardbeving.
De omringende dorpjes rond Santo Domingo zijn gekend voor hun handgeweven hangmatten en bij mijn terugkomst van mijn stadsbezoek wil Fabio me met plezier een lift geven naar één van de vele kleine artisanale ateliers. Het lijkt alsof ik heel even wordt teruggekatapulteerd in de Middeleeuwen. Mannen met blote torso zitten achter kolossale houten weefgetouwen. Terwijl ze met hun eeltvormige voeten de pedalen bespelen, jongleren ze met de schietspoel van links naar rechts. Een elektrisch aangedreven machine zou het niet sneller doen. Eenmaal terug in de winkel kan ik het niet laten om mij een hangmat aan te schaffen. Wie weet zal ik, eenmaal terug thuis, mijn zwerversziel erin tot rust wiegen wanneer de heimwee me weer eens te groot wordt...


Enerzijds is El Salvador het kleinste land van Centraal-Amerika en dat betekent dat de af te leggen fietsafstanden tussen stad A en stad B behoorlijk klein zijn. Ik vermoed zelfs dat je het land van oost naar west in drie fietsdagen kan doorkruisen. Anderzijds heeft het ook te maken met mijn zoektocht naar ´historias minimas´, kleine verhalen van gewone mensen. Hun visie op de wereld, beïnvloed door hun eigen cultuur en de omgeving waarin ze zijn grootgebracht, geeft me de kans om het land dat ik bereis vanuit een ander standpunt te ontdekken. Niet met de ogen van een toerist, maar met de pen van een observerende reiziger. Al luisterend naar hun verhalen probeer ik hen in de juiste context te plaatsen, tast ik hun biotoop af en zoem ik in op hun gevoelens. En ook al is alles misschien al wel honderden keren neergeschreven, gedrukt en uitgegeven, toch blijf ik het een boeiende zoektocht vinden, omdat elke mens zijn eigen verhaal heeft, zijn eigen verleden en zijn eigen toekomst.
Ook op de allerlaatste avond van mijn verblijf in het dorpje Jocoro word ik opnieuw gecharmeerd door het gewone dorpsleven dat zich buitenshuis afspeelt. De bewoners zitten op wankele keukenstoelen en kijken vanop de drempel van hun bestaan naar de wereld die ze zo goed kennen. Avond na avond, week na week, maand na maand, jaar na jaar, hetzelfde ritueel, dezelfde stoelen, dezelfde mensen. Tijdloosheid in oneindigheid. Ik zoek zoals elke avond het eetkraampje op van Alegria, een goedlachse huismoeder van drie schatten van kinderen. ´s Avonds probeert Alegria wat bij te verdienen door gevulde tortilla´s te verkopen. Haar eettentje is een keukentafel groot met zes stoelen eromheen. Wanneer ik aanschuif, lijkt het wel alsof ik deel uitmaak van eenzelfde gezin dat allen dezelfde maaltijd nuttigt. Sommigen zijn zwijgzaam en introvert, anderen dan weer net overdreven uitbundig en extrovert. Naarmate de gesmolten kaas uit mijn maïskoek druipt, vul ik het terug op met puzzelstukjes van mensenlevens, zoals dat van de twintigjarige Omer.
Omer ging een drietal jaar geleden zijn vader en de Amerikaanse droom achterna. Net als zovele Salvadoranen had hij besloten om de gevaarlijke oversteek naar het Amerikaanse paradijs te wagen. Niet alleen om er te werken en goed geld te verdienen, maar ook om er zijn vader op te zoeken. "Mijn vader is vertrokken naar de Verenigde Staten in het jaar 1988; enerzijds om hier de burgeroorlog te ontvluchten en anderzijds om er te gaan werken." Eenmaal aangekomen in Amerika vernam hij dat zijn vrouw zwanger was. Enkele maanden later werd Omer geboren. "Ik heb mijn vader nooit gekend. In al die jaren is hij nooit teruggekeerd naar huis. Wel heeft hij jarenlang geld opgestuurd. Althans tot op de dag dat hij zijn nieuwe geliefde ontmoette." Ondanks het feit dat zijn vader een nieuwe relatie had, groeide bij Omer het verlangen om zijn vader op te zoeken. Drie jaar geleden voelde hij dat de tijd rijp was om hem tegemoet te reizen.
"Ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Twee april 2005 vertrok ik naar Guatemala. Wij kunnen probleemloos met ons paspoort naar Guatemala reizen, maar niet naar Mexico of de Verenigde Staten. Via mijn neef die een jaar voordien naar Amerika was vertrokken, had ik de coördinaten gekregen van een Guatemalteekse coyote (mensensmokkelaar)." Omer betaalde de man 4500 dollar (€ 3.600) om hem naar Amerika te laten smokkelen. Hij kreeg een spoedcursus over de Mexicaanse politiek en een woordenlijst van bepaalde woorden die typisch Mexicaans zijn. In geval de grenspolitie hem zou betrappen, kon hij zich nog als Mexicaan laten doorgaan. "We waren in totaal met elf mensen, allen vrij jong. Met wie ik reisde wist ik niet. Er wordt weinig verteld over de roots om elkaar zo min mogelijk te verraden." Om ongezien voorbij de Mexicaanse grens te geraken, moest Omer urenlang onder een verzengende zon lopen langs kleine, stoffige paden. "Op een bepaald moment kwamen we bij een geasfalteerde baan. Van hier ging de route gedeeltelijk over land. Je moet in het struikgewas wachten tot er een pick-up aankomt. Wanneer die flikkert met zijn lichten heb je een paar seconden tijd om in de laadbak te springen. Wie niet snel genoeg is, blijft achter." De grenspolitie kent natuurlijk als geen ander de truckjes die de coyotes toepassen en patrouilleren dus vrij intens op die route. Om de pakkans te verminderen, worden er vooraf duidelijke afspraken gemaakt. Zo moeten de vluchtelingen zo snel mogelijk uit de truck wegrennen wanneer die abrupt stopt. Als ze dan uit de handen van de grenspolitie weten te ontkomen, moeten ze opnieuw wachten, soms eindeloos lang, tot een volgende truck hen terug komt oppikken. Wie gepakt wordt kan mits het nodige smeergeld toch nog zijn illegale tocht verder zetten. Bij Omer duurde het ´kat en muis´-spel bijna drie volle dagen.
"Na ettelijke dagen stappen in de dorre woestijnvlakte van New Mexico liep het fout. We werden omsingeld door de grenspolitie. Onze coyote werd opgepakt, samen met nog een paar illegalen. Ik wist te ontkomen, maar moest me uiteindelijk aansluiten bij een andere groep. Hun coyote vroeg me nog een extra 2000 dollar (€ 1.600) om gebruik te maken van zijn diensten." Uiteindelijk slaagde Omer erin om de Verenigde Staten te bereiken. Omer had gedacht om, met de steun van zijn vader, een nieuw leven op te bouwen in Amerika. Het weerzien met zijn vader liep evenwel uit op een flop. Zijn vader is aan de drank geraakt en wil in feite niets meer te maken hebben met zijn Salvadoraans verleden. Omer had toch besloten om er te blijven en zelf zijn weg te zoeken. Drie maand na zijn aankomst liep hij echter tegen de lamp. Een agent hield hem ´s avonds tegen omdat hij zonder licht fietste. Omer begreep nagenoeg niets van wat de agent hem in het Engels vroeg. De agent begon argwaan te krijgen en bracht hem naar de migratiedienst. Twee dagen later landde hij terug in San Salvador. Het avontuur had hem 6.500 dollar (€ 5.200) gekost en geen cent opgebracht.
Omer heeft besloten om geen tweede poging te ondernemen. "Soms moet een mens berusten in zijn lot. Ik ga me toeleggen op het leren van de Engelse taal en hoop om binnen een jaar of drie hier aan de slag te kunnen in de toeristische sector." Het verhaal van Omer is slechts één van de half miljoen illegalen die jaarlijks de grens tussen Mexico en de Verenigde Staten oversteken. De ironie van het verhaal wil dat het Amerikaanse volk maatregelen eist om de stroom aan illegalen tegen te gaan. Economische vluchtelingen die het werk komen verrichten waar diezelfde Amerikanen hun neus voor ophalen...


Enrique ligt languit in de gevlochten hangmat die een centrale plaats inneemt in de voorplaats van de woning. Hij schommelt de verveling weg en is dan ook wat blij dat ik enige verstrooiing kom brengen. Het lijkt me zonde van het mooie weer om binnen te blijven en dus trekken we onze stapschoenen aan om de omliggende heuveltop te bewandelen. Na een fikse klim van drie kwartier ligt het dorpje als een verscholen eilandje weggedoken tussen het groen. Terwijl we genieten van de stilte en het panoramisch uitzicht vraag ik hem hoe het zit met de slaagkansen van de huidige oppositiepartij voor de komende gemeenteraads- en presidentsverkiezingen. Enrique Aguilera neemt eerder een voorzichtig standpunt in over de mogelijke overwinning van het FMNL, de huidige oppositiepartij die ontstaan is na de samensmelting van vijf revolutionaire partijen. "Ik denk dat het FMNL met de naar voren geschoven presidentskandidaat Maurice Funes wel een kans maakt om te winnen, maar in El Salvador is evenwel alles mogelijk. De huidige regeringspartij, Arena, heeft nu eenmaal het beheer in handen van alle communicatiemiddelen. In een land waar het volk zo gemakkelijk gemanipuleerd wordt, is dit zowat de grootste troef." Zelf hoopt hij dat er eindelijk een keerpunt komt na twintig jaar Arena-bewind. In die lange regeringsperiode is El Salvador verder dan ooit weggezakt in een zware economische crisis. De partij heeft vooral de eigen belangen behartigd en zijn aandacht gericht op de privébedrijven omdat vele politici daar nu eenmaal serieuze aandelen in hebben. De gewone man in de straat heeft al die tijd lijdzaam moeten toezien hoe de discrepantie tussen arm en rijk ongekende proporties aannam. Aan de grondslag liggen volgens Enrique twee factoren die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: de werkloosheid en de delinquentie. "Maar liefst 80 procent van de jongeren hebben geen werk. Ook de geschoolden onder hen vinden geen baan. Daarnaast zit dit land in een spiraal van geweld waar ze maar niet uitgeraakt. El Salvador is, op Colombia na, het land met de grootste circulatie aan wapens. Gemiddeld worden hier per dag 10 tot 12 moorden gepleegd. De regering is zich ten volle bewust van dit probleem maar gebruikt dit als rookgordijn om verder aan de macht te kunnen blijven."
De armoede heeft niet alleen geleid tot een toenemende criminaliteit, maar is ook de oorzaak van honderdduizenden gebroken gezinnen. Haast elke familie in El Salvador heeft minstens één familielid die werkzaam is in de Verenigde Staten. Heel wat kinderen groeien hier op zonder een vaderfiguur. De jarenlange afwezigheid van de man is voor de achtergebleven vrouw vaak de aanleiding om een andere relatie te beginnen. Ook heel wat Salvadoraanse mannen houden er in Amerika een tweede vrouw op na. De geldstroom aan harde dollars compenseert veel, maar vaak niet het gemis aan liefde van een echtgenoot of een vader. Ook het toegestuurde geld zorgt ervoor dat de samenleving verder ontwricht wordt. Het geld wordt in wezen niet geïnvesteerd in een betere toekomst voor het gezin, maar wordt aangewend om luxeproducten (dure wagens, flatscreen-televisies met dolby surround systeem, ...) aan te schaffen. Ook inzake deze gedollariseerde consumptiecultuur zet de huidige politieke partij ooglappen op en ze hebben geenszins de intentie om iets te veranderen aan de situatie. Tenslotte zijn het precies deze politici die ook mede-eigenaars zijn van de vele moderne winkelcomplexen of van garages waar luxewagens over de toonbank rollen.
Enrique relativeert enigszins het probleem van de armoede. "Kijk om je heen en zeg me wie er in dit land geen gsm heeft of sterft aan gebrek aan voeding. Dit land is niet straatarm, vooral dankzij de opgestuurde centen uit Amerika. Onze grootste armoede is het gebrek aan educatie, aan goeie scholing. Hier is er ook bijvoorbeeld geen schoolplicht. Jongeren zien trouwens de noodzaak niet in om school te lopen. Enerzijds omdat er nagenoeg geen toekomstperspectieven zijn op werk en anderzijds omdat de opgestuurde dollars (de remesas) hen in staat stellen om te leven. Zolang de overheid de onderliggende, echte problemen niet aanpakt, zal El Salvador een ontwricht land blijven. Een land dat niet investeert in de toekomst van zijn jeugd is een doodgeboren kind."
Bij het afscheid druk ik de wens uit dat Enrique snel een baan vindt en dat de verkiezingen het land terug op het goede spoor mogen brengen. Hoop doet leven. Waar heb ik dat nog gehoord?
Voor een laatste keer ben ik terug op vertrouwde bodem, het dorpje Jocoro. Wanneer ik rond tien uur ´s morgens voorbij de dorpskerk passeer, knikken een handvol bejaarde oudjes me een goedemorgen toe. De zondagmis is net afgelopen. Enkele drentelende gelovigen staan nog wat na te keuvelen op de treden voor het kerkportaal. Een typisch zondags tafereel, haast universeel. Het is gek, maar thuis zou ik er zo aan voorbij gelopen zijn. Al reizend per fiets heb ik niet alleen ontdekt hoe verrassend mooi de wereld om me heen kan zijn, maar ook hoe de eenvoud van alledag me kan beklijven. Reizen om te leren; het is als dansen op een slappe koord, met vallen en opstaan. Ik wil nog heel even het gevoel koesteren om de voorbijschuivende wereld vanop de zijlijn gade te kunnen slaan. Ik zoek een strategische observatiepost op de stenen basketbaltribune te midden van het dorpsplein. Ik ben allesbehalve de enige passieve zondagse waarnemer. De tribune zit bijna halfvol, alsof er op elk ogenblik een fluitsignaal de start zal aankondigen van een belangrijke wedstrijd. Dit dorp heeft tijd en zijn bewoners kennen geen haast. Sommigen zitten in groepjes en praten op gedempte toon, anderen zitten in de besloten eenzaamheid van hun eigen leefwereld. Ze staren voor zich uit, focussen hun gezichtsveld op dat ene onzichtbare punt. Ze kijken, maar ze zien niks. Het lijken standbeelden, net zo verstild als op dat ogenblik de tijd. In Jocoro zijn de inwoners de tijd meester. Hier heerst alleen het nu-moment, meer is er niet. Berusting is een gave als de dood zo gewoon.
Zittend in het nu valt het me op hoeveel tijd El Salvador heeft, maar hoe ontzettend weinig toekomst. In gedachten flits ik mezelf terug in het verleden, naar de maanden voor ik België verliet. In mijn race met de klok had ik, net als zovele Belgen in het nu, niet zo gek veel tijd. Met een blik gericht op een te realiseren jongensdroom, op een doel in de verte, deed ik in het nu dingen voor later, voor de toekomst. Ik moet soms inwendig glimlachen wanneer ik bepaalde openingszinnen lees van mij toegestuurde bevriende mails. Onomwonden verontschuldigen de e-mailschrijvers zich dat ze het zo druk hebben en er maar niet toe komen om me te schrijven. In België groeit het ledenbestand van de tt-bond, de ´tijd tekort-bond´, zienderogen aan. Veeleisend werk, huishouden, kinderen naar buitenschoolse activiteiten brengen, het verenigingsleven,... soms wordt het ons allemaal teveel en hebben we nood aan meer tijd. Het tekort aan vrije tijd compenseren we -gelukkig- door die intenser te gaan beleven. In het leven willen we nu eenmaal geraakt, ontroerd worden, ook in het nu. Wellicht daarom dat zovele rusteloze zielen de wijde wereld intrekken. Maar ook in hun zoektocht naar de horizon, naar die oneindige einder, knaagt de tijd aan hun strikt opgesteld tijdschema. De reis om de wereld in 80 dagen... Een mens wil vaak alles uit de tijd halen. Een val waar ik soms zelf ook in trap, behalve vandaag. Ik laat de tijd aan me voorbijgaan, zonder haast, zonder een gisteren en zonder een morgen. En later? Later komt later...




Jocoro is een plek waar ik gerust zou kunnen wonen. Niet zozeer dat de dorpskern een zekere charme uitstraalt, geenszins. Zijn aantrekkingskracht ligt bij zijn inwoners, bij de mensen van de straat en de eenvoud van hun bestaan. Of is het om hun hartelijke begroeting? Ik ga hier al door het leven als ´mister Greg´; een naam die ongetwijfeld is afgeleid uit de Amerikaanse bindingen die de meeste inwoners hebben met deze grootmacht. Ook nu weer ontdek ik dat er heel wat personen van het dorp één of meer familieleden hebben die in de Verenigde Staten werken. De remesas, de opgestuurde groene dollars, laten al duidelijk hun sporen na in het straatbeeld. Hier en daar staan spiksplinternieuwe huizen in aanbouw. Volgens Ryan, de gast waarbij ik verblijf, staan sommige al jaren in de steigers. De bouwwerken vorderen rechtevenredig met de hoeveelheid opgestuurde harde dollars. Jocoro heeft op sommige plaatsen iets weg van een bouwbedrijf. Ik vrees dat het er hier binnen twintig jaar niet anders zal uitzien.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik met grote verwachtingen naar San Miguel afzak. Ook Ryan is wel eens benieuwd of de stad zijn reputatie als tweede grootste carnaval van Latijns-Amerika kan waarmaken. Omdat het volksfeest naar verluidt tot in de vroege uurtjes duurt, beslissen we om toch maar een hotelkamer te boeken vlakbij het centrum. Wanneer we rond half zeven post gaan vatten aan één van de hoofdstraten, wemelt de stad reeds van bedrijvigheid. Langs zowat de grootste boulevard, ´la Avenida Roosevelt´ staan tientallen podia opgesteld waar geluidtechnici nog in allerijl de laatste stekkers in de boxen pluggen. Na de traditionele parade zal de stad worden omgetoverd tot één grote festivalweide waar zowat elke muziekliefhebber wel ergens aan zijn trekken zal komen. Diversiteit en kwantiteit (50 groepen op evenveel podia) lijken zowat de grote troefkaarten te zijn van dit volksgebeuren. Terwijl de geur van sissende braadworsten, uienringende hamburgers en aangebrande tortilla´s doorheen de straten walst, neemt de drukte voelbaar toe.
Het startschot van het volksfeest knalt tientallen straten van ons verwijderd in een regenboog aan vuurwerk uiteen. Vanuit de verte doemen de eerste praalwagens op. Het valt me meteen op dat er geen fanfares meestappen, maar dat de muziek die over de menigte schalt geproduceerd wordt door levensgrote boxen. Best jammer want een twintigkoppige fanfare aan blazers en drummers straalt meer ambiance uit en doet me op zulke festiviteiten steeds denken aan de dronkenmansorkesten uit de films van Kusturica. De praalwagens zijn in tegenstelling tot datgene wat je zou verwachten ook niet bijzonder spectaculair of ingenieus te noemen. De uitstraling van haar pracht en praal moet ik eerder zoeken in de batterij goed geoliede schoonheden die op de aanhangwagens staan te pronken. De nauwsluitende glitterpakjes met diep uitgesneden decolleté en de honingkleurige ranke benen hullen de dames in een spervuur aan camerageflits. De uitbundigheid blijft evenwel uit. Zelfs de exotische dancingqueens die met hun strategisch geplande veren een parade lang swingen op hoge plateauschoenen vallen hier nergens te bespeuren. Het carnaval mist wiegende sensualiteit. De stoet doet me denken aan de Heilige Bloedprocessie van Voormezele waar vroomheid verpakt wordt in mooi ingeoefende nummertjes.
Bijna anderhalf uur lang zit ik te wachten op datgene wat carnaval zo mooi maakt: het grappige, het ondeugende, het verrassende, het groteske en het sensuele. De betovering blijft uit. Misschien wordt het hoog tijd dat een paar mensen van het feestcomité van San Miguel eens afzakken naar Aalst om er de mosterd van het echte carnaval vandaan te halen...




De eigenaar van het hotelcomplex, de Amerikaan Bryan, vertelde me dat deze bijzondere dag -de vierde donderdag van november- in het leven werd geroepen als dank voor de oogst. Later op de avond vernam ik dat niet iedereen deze dag als een feestelijke gebeuren opvat. Reeds decennialang associëren de verschillende indianenstammen deze feestdag echter met het begin van de periode waar discriminatie en vervolging hand in hand hingen. Om dit te herdenken komen ze nog steeds jaarlijks in Plymouth (nabij Massachusetts) samen ter nagedachtenis van hun ´nationale rouwdag´. Omdat het eten op deze feestdag een grote rol speelt, was de gedekte tafel dan ook rijkelijk gevuld met de typische ´Thanksgiving´ gerechten: kalkoen, sperziebonen, veenbessen, aardappelpuree, zoete aardappelen, pompoen- en pecannotentaart. Een maaltijd die in diversiteit en kwaliteit schril afstak van wat ik de voorbije weken gewoon ben geweest. Tijdens de overheerlijk feestdis ontdekte ik dat ik niet de enige vreemde eend in de bijt was. Naast mij zat toevallig nog een niet-Amerikaanse gast, zuster Anna uit Schotland. Al jaren is ze hier voor Caritas werkzaam in zowat de armste grensdorpjes van El Salvador. Ik had met haar een boeiend gesprek over de sociale problemen en de armoede in El Salvador. Bij het afscheid raadde ze me aan om er eens een kijkje te gaan nemen.
Talchiga ligt hoog in de bergen, ten noordoosten van El Salvador en leunt verschroeiend heet tegen de Hondurese grens aan. De buschauffeur zet me af aan de laatste splitsing en herinnert me eraan dat er slechts één bus per dag terugkeert naar Perquin, deze van één uur in de namiddag. Als ik die mis dan zou het wel eens een nachtje onder de koude blote hemel kunnen worden. Van kou heb ik op dit ochtendlijk uur evenwel geenszins last. Bij elke stap druipen zweetdruppels bij beekjes naar beneden. Mijn hikingboots laten droge omhoogklimmende afdrukken achter in de stoffige aarde. In ruil voor de zware inspanningen krijg ik een prentenkaart vol panoramische vergezichten. Schoonheid openbaart zich nu eenmaal niet zomaar. Al vrij snel versmalt de aarden weg tot een wandelpad, nauwelijks twee voetstappen groot. Steeds vaker splits het pad zich op. De begroeiing wordt intenser en op een bepaald moment word ik bevangen door een angstig gevoel om echt verdwaald te geraken. Ik vervloek mezelf, andermaal. Niemand, maar dan ook absoluut niemand weet dat ik hier momenteel vertoef. Als ik hier de weg niet meer terugvind, dan zou ik echt wel eens een verdwaalde zwerver kunnen zijn. Heel even overweeg ik om terug te keren, want de trekpaden lopen nu haast continu als een doolhof door elkaar. Broodkruimels heb ik niet en kiezelsteentjes evenmin. Uiteindelijk beslis ik om de enigszins zichtbare coördinatiepunten te digitaliseren. Mocht ik op de terugweg het spoor bijster geraken dan kunnen deze visuele geheugensteuntjes misschien wel eens goed van pas komen.
Na iets meer dan twee uur flink doorstappen, hoor ik in de verte kinderstemmen. Opgelucht haal ik adem. Even later staren een zestal verwonderde kinderoogjes me aan, allen tussen de drie en zeven jaar oud. Rond hun tengere lijfjes dragen ze vuile, gescheurde kleren waarachter zich bolle buikjes verschuilen. De tekenen van ondervoeding zijn hier zichtbaar aanwezig. Op mijn vraag waar ik Torivio kan vinden, wijst de oudste van hen in de richting van de bergen die voor me liggen. "Seguime hasta la ultima casa!" (Volg mij tot aan het laatste huis.) De blootvoetse jongen spurt als een haas voor me uit en ik moet haast hemel en aarde begeven om hem bij te benen. Na nog eens een klim van vijftien minuten houden we eindelijk halt. Ik zie hoe mensen, mannen, vrouwen en kinderen van allerlei leeftijden bakstenen in adobe maken en die vervolgens in de zon laten drogen. Uit het groepje komt een man van middelbare leeftijd naar me toe gewandeld. Het blijkt Torivio te zijn, de persoon die zuster Ana me had aangeraden om te spreken over de economische problemen van het dorp.
Talchiga telt 18 gezinnen, samen goed voor een 80-tal inwoners. Dank zij de hulp van Caritas is men sinds enige tijd gestart met het vervaardigen van bakstenen uit gedroogde klei. Eenmaal de 20.000 adobestenen zongedroogd zijn -iets wat vier maanden in beslag neemt-, kan men van start gaan met de bouw van 10 huizen. Het valt me op dat Torivio in het gesprek herhaaldelijk de woorden ´gracias a Díos´ laat vallen. Zou het dan waar zijn dat mensen die in sociale en economische nood verkeren, zich vlugger vastklampen aan het geloof. Torivio neemt me mee naar één van de aanpalende woningen, een houten hut op aangestampte aarde. De armtierige woning is nauwelijks enkele vierkante meters groot en vertoont zowat overal zichtbare spleten en kieren. Lichtbundels zonnestralen filteren het opwaaiende stof van onder onze schoenen tot een rookgordijn van fijne pixels. De zon brandt als een vlammende toorts doorheen het plastieken zeil dat dienst doet als dak. Op sommige plaatsen kan je er ´s nachts ongetwijfeld de sterren doorheen zien. De nieuwe bouwmaterialen moeten vooral extra bescherming bieden tijdens de vrij koele nachten en de jaarlijkse hevige neerslag tijdens het regenseizoen. Stromend water, elektriciteit en riolering valt er nergens te bespeuren.
Zuster Ana vertelde me gisteren dat een recente studie van het Wereldvoedselprogramma (WFP) had aangetoond dat door de stijgende voedselprijzen van het voorbije anderhalf jaar nog eens meer dan 100.000 Salvadoranen onder de armoedegrens waren gedoken. Gevreesd wordt dat, wanneer de wereldwijde economische crisis blijft aanhouden, er in Latijns-Amerika en de Caraïben maar liefst 26 miljoen mensen in extreme armoede zullen belanden. Centraal-Amerika is daarenboven een uiterst kwetsbaar gebied omdat het totaal afhankelijk is van olie- en voedselimport, twee variabelen die inflatie serieus in de hand werken. Ook Talchiga wordt hard getroffen door de gestegen voedselprijzen. Lucila López, de bewoonster van het huis en moeder van vijf kinderen vertelt me dat ze vroeger haar kroost nog de dagelijkse basisingrediënten kon geven; namelijk maïstortilla´s, bonen en eieren. Doordat de prijzen vaak verdubbeld zijn -frijoles (bonen) kosten tegenwoordig 2 dollar voor 1 kilo in vergelijking met 0,80 dollarcent een jaar geleden- worden vele voedselproducten luxeartikelen. Zelfs het regeringsprogramma ´Red Solidario´ dat een uitkering (30 dollar per maand en per gezin) voorziet aan arme mensen die hun kinderen naar school sturen en af en toe een kinderarts consulteren, is volgens Lucila onvoldoende om haar kinderen genoeg en afwisselende voeding te geven. Terwijl ik luister naar haar aanklacht tegen de huidige regering, zie ik hoe glunderende gezichtjes vanachter de houten deurpost als handpopjes uit een poppenkast tevoorschijn duiken. Het tafereel is ontroerend fotogeniek, haast filmisch, maar ik laat bewust mijn camera onaangeroerd. De schrijnende armoede is hier al tastbaar genoeg.
Torivio wil me nog meenemen tot even buiten het dorp. Enkele dagen geleden heeft een aardverschuiving de enige berijdbare weg naar het dorp onbruikbaar gemaakt. Aan weerszijden is er een groot gat geslagen in het wegdek waardoor het dorp afgesloten is van elke vorm van transport. Gisteren klopten enkele dorpsbewoners tevergeefs aan bij de gemeente met de vraag om het wegdek te herstellen. Doordat er half januari gemeenteraadsverkiezingen zijn en de huidige burgemeester zeer goed weet dat de inwoners van Talchiga niet zullen stemmen voor de nu heersende regeringspartij, blijft voorlopig elke hulp uit. Het toont nog maar eens aan dat politici vaak alleen hun eigen belangen behartigen ten koste van het land en zijn bevolking. Ik vrees dat de overgang van oud naar nieuw voor de inwoners van Talchiga niet bepaald uitbundig gevierd zal worden...


De uit het West-Vlaamse Gullegem afkomstige priester Roger Ponseele kwam hier voor het eerst naartoe in het jaar 1970, ongeveer tien jaar voor de burgeroorlog losbarstte. Naarmate El Salvador meer en meer naar de afgrond gleed van een gewapend verzet, waarbij de arme campesinos zich verdedigden tegen de repressie, begon de jonge priester zijn steun te betuigen voor het onderdrukte volk. In een mum van tijd ontpopte hij zich tot een guerrillapriester. Meer dan vijftien jaar na de oorlog is hij het stappen nog steeds niet verleerd. Eenmaal boven aan de top merk ik nauwelijks enige vermoeidheid op. "Zie je die grote heuveltop recht voor ons, dat is el Cerro Gigante en die ernaast is el Penal. Ik ken ze als mijn broekzak. Tijdens het conflict werd Perquin vaak omsingeld en moesten we daarom de heuvels intrekken. Bij sommige aanvallen bleven helikopters soms eindeloos lang boven onze hoofden cirkelen." Zijn wijsvinger scheert langzaam door de lucht en maakt onzichtbare cirkels. In gedachten probeer ik me voor te stellen hoe de guerrilleros vanop afstand toekeken naar de soldaten van het Salvadoraanse leger die bezit namen van hun dorp. "We waren hen vaak te slim af. Tussen onze vrijheidstrijders zaten een paar radio-experts die er moeiteloos in slaagden om de morsecodes van de vijand te decoderen. Het heeft wellicht meermaals mijn leven gered." Roger Ponseele laat zijn blik nog heel even hangen alsof hij zichzelf terugflitst naar het verleden. Het lijkt er wel op dat ik zijn gedachten kan lezen. "Ik kom hier niet zo vaak. Deze plek brengt me terug naar een tijd die ik liever uit mijn geest verban." "En gie zit al meer dan twi jaar onder bane?" Zijn sappige West-Vlaamse tongval brengt ons in één ruk terug in het heden. Terwijl we de heuvel afdalen, luistert hij geboeid naar de realisatie van mijn jongensdroom.
De klok draait ondertussen rond twaalf uur in de middag en dus zoeken we een plekje in één van de restaurantjes op het centrale plein. Tijdens de maaltijd gooi ik de knuppel meteen terug in het hoenderhok door Roger op de man af te vragen of het prediken van de bevrijdingstheologie -een vorm van radicale bevrijding waarbij het revolutionaire geweld als verdedigingsmiddel wordt gelegitimeerd- niet indruiste tegen de christelijke waarden van het geloof dat geweld eerder afzweert. Ik zie hoe Roger zijn schouders ophaalt, terwijl een korte zucht de dualiteit van mijn vraag reeds lijkt te beantwoorden. "Geweld is altijd een probleem, zeker in tijden van oorlog. Het is moeilijk om daar theoretisch een juist antwoord op te geven. In de oorlog dwingt de realiteit de mens om mee te stappen, om een halt toe te roepen aan het onrecht, ook al kiezen de mensen voor de gewapende strijd. De realiteit doet de mens veranderen." Roger vertelt me over het moment waarop hij besloot zich achter de guerrilla´s te scharen. "Op een bepaald ogenblik diende ik de eucharistieviering met wel tien lijken rond het altaar, allen gesneuvelde dorpsgenoten die streden voor een rechtvaardige wereld. Ik herinner me nog dat er toen bij mij iets brak vanbinnen, iets dat me ertoe aanzette om die mensen niet in de steek te laten, maar te helpen in hun strijd tegen het onrecht. Die bewuste dag heb ik beslist om resoluut hun kant te kiezen, ondanks alles." Hij benadrukt evenwel met klem dat hij en zijn confraters nooit de gewapende strijd hebben geïdealiseerd als de enige oplossing. Maar tijdens de beginjaren van de burgeroorlog was een politieke dialogen evenwel onmogelijk en de repressie was te groot om gelaten toe te kijken. In dat verband hekelt Ponseele ook het aarzelend standpunt dat de kerk innam. "De kerk neemt het steevast op voor de armen, maar als het erop aankomt om een strijd te beginnen, zeker als het uitdraait op een gewapende strijd, dan twijfelt de kerk teveel naar mijn mening."
Op mijn vraag of hij nooit gedacht heeft om het land te verlaten, heeft hij volmondig toe dat hij heel even in een soort tweestrijd heeft geleefd. "Toen het Salvadoraanse leger het huis dat ik samen deelde met Piet Declerck dynamiteerde, heb ik wel eventjes getwijfeld om terug te keren naar België en om vandaaruit te werken op het vlak van solidariteit. Uiteindelijk ben ik toch gebleven. Ik kon hier nuttiger werk verrichten dan in België. De campesinos hadden mij nodig als priester om verder het Woord Gods te verkondigen en tenslotte was mijn leven niet meer waard dan dat van de guerrilleros die streefden voor een betere wereld. Mijn keuze om guerrillapriester te worden, bleek achteraf de juiste beslissing te zijn." De oorlog duurde in het totaal 12 jaar. Ik probeer me in te beelden hoe een mens al die tijd kan omgaan met het besef van de dood en gevoelens van angst. Roger heeft er twee verklaringen voor. Enerzijds ontstaat er door de broederschap en het hechte contact met de strijders een soort mystiek die ervoor zorgt dat je blijft geloven in een betere toekomst voor het land en zijn volk. Anderzijds leer je volgens Roger ook omgaan met de oorlog als een onderdeel van je leven. "Wij stonden bijvoorbeeld elke morgen om vijf uur ´s morgens met onze rugzak klaar om te vluchten voor onverwachte luchtbombardementen of een landinwaartse grondaanval . Je wordt in zekere zin gewoon aan die zaken."
Eén van de grote symbolen in de strijd tegen de onrechtvaardigheid was Monseigneur Romero. Roger Ponseele was er zelfs bij toen Romero op 2 februari van het jaar 1980 een eredoctoraat van de Katholieke Universiteit van Leuven in ontvangst mocht nemen. Ook in El Salvador onderhield hij goeie contacten met de Belgische confraters Ponseele en Declerck, ondanks hun afwijkend standpunt inzake het feit of de kerk zich nu al of niet mocht inlaten met politiek. Romero hekelde namelijk de revolutionaire en vrij linkse benadering van vele toenmalige bevrijdingstheologen. Dit nam niet weg dat hij uitgroeide tot een begrip, een symbool van rechtvaardigheid. Aanvankelijk was hij als oerconservatieve aartsbisschop aangesteld om een soort evenwicht te bieden tegen de revolutionaire ideeën, maar al gauw dwong de realiteit -alsook de moord op zijn goeie vriend en priester Rutilo Grande- hem een andere koers te varen. Romero begon meer en meer kritiek te uiten op de rechtse dictatoriale regering. Het bezorgde hem, samen met zijn inzet voor de armen, een enorme populariteit onder de bevolking, maar tevens ook zijn doodsvonnis.
In de loop van de burgeroorlog en naarmate het sterftecijfer onder de guerrilleros toenam, begon Roger Ponseele zichzelf de vraag te stellen of het niet beter was om aan politiek te doen dan te prediken. Het leek hem vanuit de neerwaartse spiraal aan geweld efficiënter dan zijn priesterwerk dat slechts op lange termijn de nodige vruchten afwierp. De companeros vonden evenwel dat hij priester moest blijven, om zo het moreel bij de manschappen hoog te houden. Zijn priesterwerk te midden van de guerrillabeweging heeft een blijvende stempel gedrukt op zijn verdere leven. In het dorp van Perquin en ver daar buiten is en blijft hij voor velen de guerrillapriester van toen.
Wanneer we rond twee uur in de namiddag afscheid nemen, spreken we af om elkaar opnieuw te ontmoeten in België. Padre Rogelio, zoals de inwoners hem hier noemen, komt volgend jaar met de zomer nog eens terug naar zijn geboortestreek. Dan drinken we samen een goeie Franse picon...




Omdat mijn afspraak met Roger Ponseele pas voorzien is voor morgenmiddag, maak ik van de tussentijd gebruik om een bezoek te brengen aan het stadje San Miguel. Deze derde grote stad van El Salvador heeft relatief weinig toeristische troeven, maar gaat er wel prat op dat hier op de laatste zaterdag van november het tweede grootste carnaval van Latijns Amerika, na het Braziliaanse Rio, plaatsvindt. Van het nakend feestgedruis valt er vier dagen voor het grootse gebeuren nagenoeg niets bespeuren. Ik bezoek dan maar de kathedraal om er de patroonheilige ´La Nuestra Señora de la Paz´ van de stad te bewonderen, want tenslotte is het carnaval opgedragen aan de patrones. Een eerbetoon aan haar uitzonderlijke redding toen de stad op 21 september 1787 ei zo na bedolven werd door de lava van de nabijgelegen vulkaan Chaparrastique. De heilige staat achter het altaar opgesteld tegen een baldakijnbehang van karmijnrood. Op haar wangen kleurt een gezonde blos. Misschien bloost ze wel om de vervlakking van wat wellicht ooit een religieus feest is geweest.
Voor het eerst sinds mijn verblijf in El Salvador valt het me op hoeveel gewapende lijfwachten hier deel uitmaken van het straatbeeld. Zelfs voor de ingang van de kleinste kruidenierswinkel staat er één opgesteld. Onlangs vertelde iemand me dat er in El Salvador maar liefst 400 privébedrijven bestaan die werk verschaffen aan 25.000 bewakingsagenten. Het zegt ongetwijfeld wel iets over de misdaad in het land. Misschien daarom ook dat er hier behoorlijk wat winkels zijn waar je geweren kunt aanschaffen. Omdat ik wel benieuwd ben hoe moeilijk of gemakkelijk je deze wapentuigen hier kunt verkrijgen, trek ik mijn stoute schoenen aan en stap een wapenwinkel binnen. Achter glazen kasten hangt een klein arsenaal waar elke wapenverzamelaar al behoorlijk trots op zou zijn. Ik ben allesbehalve een wapenexpert en voel me al meteen wat op mijn ongemak wanneer de verkoper me vraagt waarmee hij me van dienst kan zijn. Ik zeg hem dat ik graag een wapen zou willen kopen en wijs tezelfdertijd in de richting van een revolver die ligt te schitteren in de toonbank. Ik voel hoe de man mij opneemt, zwijgend maar met een flinke dosis mensenkennis. Mag ik uw identiteitskaart aub? Shit, daar val ik al door de mand. Ik leg hem uit dat ik geen Salvadoraan ben en dat ik evenmin in het bezit ben van mijn internationaal paspoort. De verkoper zegt me dat enkel mensen geboren en getogen in El Salvador een wapen kunnen kopen. Uiteindelijk leg ik hem de reden uit van mijn bezoek. De daaropvolgende vijf minuten krijg ik een uiteenzetting over de strikte regels die verbonden zijn aan de verkoop van vuurwapens. Kandidaat-kopers moeten minstens 24 jaar oud zijn, beschikken over een politieverklaring -een soort goed gedrag en zeden formulier- en de aankoop moet achteraf geregistreerd worden bij het ministerie van justitie. Het lijkt me nogal een omslachtige procedure voor een land waar zoveel wapens in omloop zijn. Ik vraag op de man af hoe het komt dat mits zo´n strenge regelgeving er op een totaal van -vermoedelijk- een half miljoen wapens in circulatie nauwelijks 170.000 daadwerkelijk geregistreerd zijn. De man geeft na enig aarzelen toe dat het grootste probleem van illegaal wapenbezit toe te schrijven is aan de zwarte markt. Volgens de man kan je in de hoofdstad San Salvador moeiteloos een wapen kopen zonder over de nodige papieren te beschikken en dus ook zonder registratie. De verkoper wijst ook een beschuldigende vinger in de richting van corrupte agenten die er niet voor terugschrikken om in beslag genomen wapens door te verkopen. Wapens verhandelen is nu eenmaal een lucratieve business, ook in El Salvador...
Alyssa maakt deel uit van de Peace Corps organisatie waarvan er hier in El Salvador maar liefst 140 vrijwilligers werkzaam zijn. Ze heeft er Engelse les aan leerkrachten in opleiding. Het weerzien was leuk en boeiend, te meer omdat ze kan terugblikken op behoorlijk wat levenservaring. Ze is van Koreaanse origine, maar bracht heel haar leven door bij haar adoptieouders in de Verenigde Staten. Kort na haar geboorte werd ze te vondeling gelegd op de treden van een politiekantoor. Ze verbleef een paar maanden in een weeshuis voor zuigelingen tot ze uiteindelijk werd geadopteerd door een Amerikaans gezin. Ze heeft nooit een poging ondernomen om haar biologische ouders te vinden, enerzijds omdat ze geen enkel aanknopingspunt heeft en anderzijds omdat ze er van uitgaat dat ze wel hun redenen zullen gehad hebben. De Koreaanse cultuur daarentegen wil ze wel leren kennen. Korea is dan ook haar eerstvolgende reisbestemming.
In Jocoro verblijf ik bij Ryan Beech, een collega van Alyssa. Ook hij werkt voor dezelfde organisatie en geeft algemeen vormende leerpakketten aan de plaatselijke school. Ryan is de enige gringo in het dorpje dat nauwelijks 3000 zielen telt en dat merk je. Iedereen lijkt hem zowat te kennen en tegen de tijd dat ik zijn huis bereik, is mijn komst dan ook reeds aangekondigd. ´s Avonds wordt het me ook duidelijk waarom de gringo zo bekend is. In het anderhalf jaar dat hij hier woont, heeft hij zich perfect weten te integreren. Ik heb zelfs het gevoel dat hij hier altijd heeft gewoond. Of heeft het te maken met de dorpsmentaliteit?
Tegen valavond verplaatst het gewone leven zich hier namelijk naar de voordeur en het dorpsplein. In Jocoro zit niemand vastgekluisterd aan de kijkkast. De mooiste verhalen en interessantste ontmoetingen vallen dan ook op straat te rapen. Zo maak ik de eerste avond reeds kennis met het halve dorp. De inwoners vormen een allegaartje van alles en nog wat: van dorpsgek tot gepensioneerde bakkersknecht, van werkloze advocate tot jonge huismoeder (23 jaar) van zes kinderen. Laat hier een cameraploeg een paar weken neerstrijken en je hebt gegarandeerd een fantastische ´Het leven zoals het is´. Jocoro is een metropolische stad op dorpsformaat. Wanneer we ´s avonds huiswaarts keren, voel ik intuïtief aan dat ik hier morgen nog niet ben vertrokken...




Het bergdorpje Mozote zou nimmer een plaats van betekenis hebben gekregen op de geografische landkaart van El Salvador indien er nooit die bewuste 10de december was geweest van het jaar 1981. Op die dag voltrok er zich één van de barbaarste schendingen van de mensenrechten sinds het uitbreken van de burgeroorlog in 1980. Maar liefst 4000 soldaten sloten de dorpjes en steden van het departement Morazon af voor de buitenwereld. Hun strategie kaderde in de ´Operación Rescate´ en had tot doel om het offensief van de guerrilla´s in de kiem te smoren. Het elitebataljon Atlacatl stond onder leiding van luitenant-kolonel Domingo Monterossa Barrios en bezat een lijst van namen van mensen die verdacht werden van samenwerking met de guerrilla´s. Wie op de lijst stond, kon zijn uren beginnen aftellen. Bij aankomst in het dorpje Mozote was elke naam van hun lijst reeds geschrapt. Ze waren moe en gefrustreerd en vonden er niets beters op om hun neerslachtigheid uit te werken op de inwoners van Mozote. Nietsvermoedende mensen haalden ze massaal uit hun huizen. Eerst werden de jongste en mooiste meisjes de bergen ingesleurd, verkracht en tot slot vermoord, de keel doorgesneden of opgehangen. Daarna was het de beurt aan de mannen en jongeren. Geblinddoekt, in de kerk vastgehouden kregen ze in groepjes systematisch een regenvuur aan kogels door het hoofd gejaagd. De rest van de vrouwen en kinderen werden samengebracht in een ander huis en op dezelfde manier als de mannen met machinegeweren geëxecuteerd. De straten van Mozote kleurden rood van het stromende bloed. In een tijdspanne van twee dagen werd het hele dorp uitgemoord, om en bij de duizend onschuldige slachtoffers.
Terwijl ik vlakbij het centrale dorpsplein wat op adem kom van de zes kilometer steile klim met de fiets, word ik aangesproken door een mooi uit de kluiten gewassen deerne. Ze biedt spontaan haar diensten aan, als gids wel te verstaan. Maria neemt me mee naar de nieuwe Santa Catarinakerk. Ter hoogte van het kerkportaal wijst ze me enkele restanten aan van de oorspronkelijke bidplaats. Veel meer dan twee zuilen, een doopvont en een zwartgeblakerd muurtje valt er niet te bespeuren. De oorspronkelijke kerk werd door de soldaten in brand gestoken nadat ze het eerst hadden volgestouwd met jongeren. Maria vertelt me dat een zeker Rufina Amaya de enige was die aan de dood wist te ontsnappen. Verscholen in het bos hoorde ze kreten van pijn. De half bij bewustzijnde stemmen verstomden naarmate het vuur zich verder verspreidde. De buitenmuren van de nieuwe kerk zien er speels en kleurrijk uit. De taferelen tonen spelende kinderen in een vlindertuin. Alleen de subtiel aangebrachte onderste faiencetegels met witte uitgebeitelde namen van kinderen die hier vermoord werden, doen me beseffen dat dit geen alledaagse plek is. Naast haast elke naam staat ook de leeftijd vermeld. Het jongste slachtoffer was nauwelijks drie dagen oud.
Maria zelf heeft het verhaal van de slachting vele malen gehoord uit eerste hand of toch bijna. Mozote is het geboortedorp van haar grootouders. Toen de burgeroorlog uitbrak besloten ze Mozote te ontvluchten. Ze trokken naar de hoofdstad, waar ze familie hadden wonen. Toen ze vernamen over de wreedheden die zich hadden afgespeeld in hun geboortedorp besloten ze kort daarna een kijkje te gaan nemen. Mozote was een spookdorp geworden. Op enkele huizen na was het dorp van de kaart geveegd. Ze zijn er nadien nooit meer teruggekeerd.
Op de plek waar 23 kinderschedeltjes werden aangetroffen staan nu rozen in boei. Rode rozen in een perk vol kinderlijkjes. Even verderop houden we halt bij een arenavormige muur. Ook hier hangen gedenkplaten vol namen van families. In het midden en twee meter ervan verwijderd, reiken vier gezinsleden elkaar de hand. Het zijn de ijzeren silhouetten van een gelukkig echtpaar met een zoon en een dochter. De achterliggende namen weerkaatsen in het felle zonlicht en doen me beseffen dat geluk in tijden van oorlog niet van deze wereld is. Ik kan alleen maar hopen dat er binnen honderd jaar ook nog Maria´s zullen rondlopen in Mozote om de toeristen wegwijs te maken in het trieste verleden van het dorp. Al was het maar omdat de geschiedenis zich nimmer zou herhalen...




De kerk zit ondertussen haast afgeladen vol. Zelfs de extra stoelen die de twee zijgangen inpalmen zijn op enkele na allen bezet. Het geroezemoes sterft langzaam weg wanneer priester Ponseele achter het altaar verschijnt. Met een goedkeurende glimlach neemt hij de ruimte op, laat zijn blik nog heel even hangen en neemt uiteindelijk het woord. Anderhalf uur lang hangen de gelovigen aan zijn lippen, ik incluis. Een nooit geziene verbondenheid stijgt uit de menigte en vertaalt zich in gebeden en gezang. In zijn preek linkt Roger het evangelie volgens Matheus met de wereldwijde crisis en roept de aanwezigen op tot solidariteit. Tijdens zijn betoog vallen af en toe de woorden links en rechts, maar Ponseele drukt de gelovigen op het hart dat het niets te maken heeft met enige politieke strekking. Is politiek als gespreksonderwerp hedentendage uit den boze binnen de kerkmuren of is de gewezen guerrillapriester voorzichtiger geworden met het uiten van zijn politieke visie?
De misviering is niet alleen een gelovig treffen, het is voor vele campesinos die buiten de dorpskern wonen tevens de ideale gelegenheid om handel te drijven. Voor het kerkportaal hebben enkele handelaars post gevat. Het valt me op hoe beperkt het assortiment is dat ze te koop aanbieden. Zo is er een dame die alleen citroenen verkoopt, terwijl het kraampje van de kaasboer slechts één kaassoort bevat. Hij snijdt de kaas tot vuistdikke plakken en weegt ze vervolgens in een ijzeren weegschaal die hangt te wiebelen aan de tak van een boom. Het leven kan toch simpel zijn, denk ik bij mezelf en in gedachten zie ik mezelf in de plaats van de kaasboer. In een vorig leven ben ik namelijk ooit nog marktkramer geweest -tja ik behoor tot het clubje van twaalf stielen en dertien ongelukken- en moet eerlijk bekennen dat ik het een leuke tijd vond. Had het te maken met de klanten of met het product dat ik verkocht (dameskledij en lingerie) dat laat ik in het ongewisse. Terwijl ik het tafereel gadesla, kom ik andermaal tot het besef dat het leven vreemd in elkaar zit. Roger Ponseele moet er ongetwijfeld na mijn onverwachte ontmoeting ook zo over hebben gedacht...




Romero werd tot aartsbisschop verkozen in 1977, in een periode toen El Salvador al met één been in de burgeroorlog was verwikkeld. De immense kloof tussen arm en rijk, zowel wat inkomens als landbezit betrof, deed meer en meer boeren naar de wapens grijpen. Ze werden daarbij gesteund door parochiepriesters die de onderdrukten hun zegen gaven om op te komen voor hun rechten. De kritische opstelling tegenover de gevestigde orde vertaalde zich in de zogenaamde ´bevrijdingstheologie´. Vooral dat laatste was voor de toenmalige overheid een doorn in het oog. Met de aanstelling van de oerconservatieve Romero tot aartsbisschop hoopten ze het tij wat te kunnen keren. Het bleek evenwel een maat voor niets te zijn, want al vrij snel na zijn inwijding zag Romero de werkelijkheid voor ogen. De immense inkomensongelijkheid en het machtsmisbruik van de grootgrondbezitters dwongen hem ertoe de kant te kiezen van het gewone volk. In een mum van tijd groeide Romero uit tot het symbool van rechtvaardigheid in El Salvador. Zijn duidelijk standpunt moest hij op 24 maart 1980 uiteindelijk met de dood bekopen. Toen hij zijn wekelijkse zondagmis opdroeg snoerde een welgerichte kogel van een G2-geweer met geluidsdemper hem definitief de mond dicht.
Tijdens de burgeroorlog van de jaren tachtig kreeg Edgar als bijnaam ´Milear´. Waarom zijn strijdmakkers hem zo noemden, is hem een raadsel, maar die naam is hem steeds bijgebleven; alsof het mee vergroeid zit met het lelijke litteken boven zijn ogen dat hij heeft opgelopen tijdens de oorlog. Milear was nauwelijks veertien jaar oud toen het metaal van een mortiergranaat zijn hersenen doorboorde. Dagen lang zweefde hij tussen leven en dood. Uiteindelijk werd hij overgevlogen naar Stockholm waar hij een zware chirurgische ingreep onderging. Hij overleefde, maar moest zijn leven terug van nul beginnen; opnieuw leren lopen en spreken. Tegenwoordig gaat Milear door het leven als Edgar en is hij één van de guerrillastrijders die nu als gids werkzaam is in het Museo de la Revolución te Perquin.
We lopen in kamers vol bestofte foto´s, afgedrukte herinneringen in zwart-wit doordrenkt met geronnen bloed. Krantenknipsels en archiefbeelden van de kopstukken van de burgeroorlog vormen puzzelstukjes van een strijd die El Salvador twaalf jaar lang in zijn greep hield. In de ´sala de Solidaridad´ (de zaal van de solidariteit) hangen posters met boodschappen die oproepen tot eensgezindheid en een einde aan de burgeroorlog. In de jaren tachtig was de wereldsolidariteit groot. Het was de periode waar de Brusselse pleinen en straten zwart kleurden van vredesmanifestanten. Ik herinner me nog levendig dat ik als jonge snaak meestapte in een betoging voor een atoomloze wereld. De goudgele badge met zwarte en rode letters dat zowat eenieder opspelde om zijn solidariteit te betuigen, ligt al twintig jaar onaangeroerd in één van de vele schoendozen vol jeugdherinneringen. Ik ben duidelijk niet de enige die monumentale mijlpalen in de geschiedenis een rustige plek heeft gegeven binnen zijn bestaan. De Belgische affiche met als opschrift: ´El Salvador Solidaridad - zo 3/12/1989 - World Trade Center Brussel - 14 u - spoedbetoging - manifestation d´urgence´ valt door zijn kleinheid op te midden van de grotere pamfletten. Achter de affiche schuilt wellicht de verzamelwoede van de Belgische priester, Roger Ponseele.
Roger Ponseele is een naam die ik tijdens mijn jeugd meerdere malen heb horen vallen, maar toen, zovele jaren geleden, ging de Vlaams klinkende naam aan me voorbij. Tijdens de voorbereiding van mijn reis dook die naam opnieuw op en ontdekte ik gaandeweg dat deze uit Gullegem afkomstige priester zowat is uitgegroeid tot een boegbeeld binnen het verzet tijdens de burgeroorlog. Sinds 1970 heeft hij zijn vaderland ingeruild voor het dorpje Perquin. Tot op de dag van vandaag is Rogelio -zoals de bewoners hem hier noemen- een stukje geschiedenis geworden, een wandelende priesterguerrilla die nog steeds met een ongelooflijk ontzag wordt benaderd.
Wellicht daarom dat mijn eerste contact met hem nogal stroef verloopt. Wanneer ik tegen de middag bepakt en bezakt bij hem aanbel, duurt het een eeuwigheid voor de deur na veel gestommel openzwaait. Voor mij doemt een kleerkast van een man op, minstens 1m90 groot, wat grijs en kalend. "Bent u mijnheer Roger Ponseele?", vraag ik enigszins verrast. "Si, que tu quieres?" (Ja, wat wil je?) Het verbaast me dat de West-Vlaming mij in het Spaans repliceert. Zou het dan toch kunnen dat een mens na zovele jaren zijn roots verliest? Ik leg hem in enkele zinnen uit wat de reden is van mijn bezoek. De man blijft me met enig ongeloof aanstaren. Geeft vervolgens zijn telefoonnummer en vraagt me om hem maandagavond op te bellen. Enkele seconden later valt de deur opnieuw in het slot.
Slik! Ik had me de ontmoeting toch een beetje anders voorgesteld. Gastvrijheid lijkt me niet meteen zijn eerste gave. Misschien had ik hem beter met de ogen van de bewoners van Perquin gesproken, met een tikkeltje meer eerbied. Reizen is een leerschool, in alle facetten van het menselijk leven...
Ik heb steeds het gevoel dat mijn vrijheid bij elke effectieve grenscontrole een beetje aan temperament moet inboeten. Het betreden van het universum van de controle maakt me steevast ietwat nederig. Aan de rand van elk land voel ik me altijd een stukje onvrij. Al valt het bij de grensovergang tussen Honduras en El Salvador best wel mee. De Hondurese douanebeambte kijkt wat verrast op vanachter zijn met zeep ingeboende groene wagen wanneer hij me ziet aankomen fietsen. Het klassieke vragenlijstje over het hoe, waar en waarom van mijn ondernemingstocht wordt wederom bovengehaald. Mensen worden altijd achtervolgd door een soort nieuwsgierigheidinstinct en hier is dat niet anders. Na een korte babbel verdwijnt hij heel even in een klein kantoortje. Een weinig later komt hij terug naar buiten met onder zijn arm een stempelkussentje. Honduras, Nicaragua, El Salvador en Guatemala vormen als het ware één groot land; althans voor wat de verblijfsvergunning betreft. Elke Europeaan kan er gedurende drie maand probleemloos doorheen reizen. Bij de grensovergangen van bovenvermelde landen krijg je dan ook geen uitreisstempel telkens je het land verlaat. De douanebeambte vindt dat, geziene mijn uitzonderlijke trip, een Hondurese stempel niet mag ontbreken en dus krijg ik er eentje cadeau. Wanneer hij mijn paspoort overhandigt zegt hij: "Un regalo, un recuerdo de notro país! " (Een geschenk, een aandenken aan ons land!) Douanebeambten, ze zijn zo lief mijnheer...