



Dat laatste bleek ijdele hoop te zijn, want van de in totaal 70.000 bannelingen overleefden slechts 5.000 de hel. Het merendeel van de gevangen bezweek aan tropische ziekten of door uitputting. De werkomstandigheden waren haast onmenselijk. De bewakers behandelden hen ook niet bepaald zachtaardig. Zo lieten ze hele werkploegen vaak een dag lang naakt hard labeur verrichten. De verschroeiende zon verbrandde hun huid, terwijl malariamuggen zich delirium zogen. De bagno was voor velen ´le terminus´. De Franse journalist Jean-Claude Michelot beschreef de diverse doodsoorzaken in zijn gelijknamig boek heel toepasselijk als ´la guillotine sèche´. Velen droomden ervan om te ontsnappen, maar de droom achterhaalde maar al te vaak de werkelijkheid. In één van de nauwe cellen waar het zwaar geschut onder de veroordeelden zaten, onderscheid ik op de muur nog de vage contouren van een ingekerfde zeilboot. De hunkering naar de vrijheid bleef voor velen een omlijnde droom. Wie toch wist te ontsnappen zakte weg in de zuignappen van het moeras, belandde in de wurggreep van een meterslange anaconda of tussen de tanden van een hongerige haai. Naar schatting zeventig tot tachtig procent van de vluchtpogingen mislukten.
De gids heeft gevoel voor theater en enscenering. Nu eens kruipt hij in de rol van academicus, dan weer eens in de huid van onderwijzer. "Wie was Henri Charrière?" Het lijkt wel een examentest. Zijn vragende ogen rollen langsheen de fronsende blikken van zijn toehoorders. Ik aarzel heel even. Het antwoord op de prijsvraag van deze maand. Als een tienjarige jongen steek ik beduusd mijn vinger in de lucht. Ik ken het antwoord meester, denk ik bij mezelf. "Papillon, de auteur van het gelijknamig boek en de latere verfilming in een regie van Franklin Schaffner." De gids helt zijn hoofd ter goedkeuring enkele graden schuin naar beneden. Een brede glimlach ontvouwt een rij sneeuwwitte tanden "Tien op tien!" Ik wist het, de gids is een geboren onderwijzer. "Mesdames et monsieurs, je vous enpris..." In groepjes van drie loodst hij ons naar binnen, in cel 47. Op de muur staat ´Papillon´ gekrast. Ernaast hebben lefgozers er hun eigen naam bij gekerfd. De cel is akelig klein en de ingekraste namen versterken alleen maar de mythe die er heerst rond Papillon. Heeft hij wel echt bestaan? Vond zijn ontsnappingsverhaal hier plaats of vluchtte hij zoals in de geromantiseerde film van het Duivelseiland? Leefde hij daarna nog vele jaren in de Venezolaanse hoofdstad Caracas? Net zoals zovele bijzondere plekken verbergt ook dit strafkamp nog behoorlijk wat mythes.
"Er rolden evenwel meer koppen door de zware werkomstandigheden dan door het vlijmscherpe mes van de guillotine!" De gids heeft een centrale plaats ingenomen op het cirkelvormig betonnen podiumpje. We bevinden ons in ´le quartier spécial´ waar de ter dood veroordeelden hun laatste dagen aftelden. In totaal werden hier naar schatting een dertigtal bagnards onthoofd. De kampbeul was een andere bagnard die voor zijn rol als Pietje de Dood een niet onaardige premie opstreek. Het lijkt wel alsof de gids de hele tijd heeft gewacht op dit moment. Hij stelt zichzelf aan als kampbeul en vraagt een vrijwilliger uit de groep. "Bid gerust nog je laatste schietgebedje, ondertussen serveer ik je ceremonieel je laatste maaltijd overgoten met wijn en rum." De omstanders gniffelen. "Je tijd is om, mijn beste.." Met groteske bewegingen neemt hij het denkbeeldig hoofd van de stoutmoedige bezoeker. Als een keeper legt hij het als een voetbal op de zijn beste kant, klaar voor de ultieme aftrap net voor het fluitsignaal. "Kling, kling, snak..." Met een zwaartekracht vliegende snelheid zoeft de hakbijl naar beneden. In de ijzige stilte van enkele seconden gaat het fluitsignaal door merg en benen. De kampbeul houdt het bloedend hoofd als een trofee bij de oren, de voetbalfans gooien hun armen in de lucht. "Gerechtigheid is geschied in naam van de republiek". In de verte hoor ik joelende voetbalfans zingen "We are the champignons..." Het bezoek aan ´le camp de la transportation´ zit er op, het voetbalspektakel is voorbij. Tijd om op te stappen en een blik te werpen op het echte voetbal, ditmaal in Suriname...




Het symbool staat op een steenworp van ´le Camp de la Transportation´, de plek waar de veroordeelden per stoomschip aankwamen. Van hieruit werden de meeste misdadigers, in hoofdzaak mannen, verspreid over de diverse strafkampen en bagno´s in het land. Het eerste konvooi meerde aan in 1857, het laatste rond 1936. De strafkolonies werden in dat jaar officieel opgeheven, maar het duurde nog tot in 1956 voor de laatste bagnard deze lugubere plek verliet. "Soyez le bienvenu dans l´enfer du Saint-Laurent-du-Maroni." In de verwelkoming schuilt een ondertoon van mysterie en sarcasme. Of houdt onze gids van theatrale dramatiek? Ik bevind me samen met een tiental andere toeristen op de binnenplaats van het deportatiekamp, vlak voorbij de enige ingangspoort. Rondom rond zijn hoge bakstenen muren opgetrokken, hier en daar onderbroken door verweerde, hoge traliessen. Vooraan staan twee grote rechthoekige woonblokken met twee verdiepingen, de verblijfplaatsen van de bewakers en hun familie. De hoogbouw stelde hen in staat om te genieten van de frisse zeebries. Pal achter de woningen start de hel. Het is een allegaartje van slaapruimtes, eenzame isoleercellen, werk- en wasplaatsen. Sinds de klassering van het deportatiekamp in 1994 als historisch monument, heeft men er ook de toeristische waarde van ingezien. Men is dan ook druk bezig met de nodige restauratiewerken, want bijna een halve eeuw lang viel deze sinistere plek ten prooi aan het tropisch klimaat.
De gids weet van aanpakken. Via een soort interactiespel laat hij de bezoekers gissen naar het type gevangen dat hier zat opgesloten. In feite kunnen ze ingedeeld worden in vier categorieën: de moordenaars, de hardnekkige kruimeldieven, de vrijgeleiden en de politieke gevangen. Deze laatsten werden onmiddellijk doorgestuurd naar Iles du Salût met ondermeer het beruchte Duivelseiland. "Mesdames et monsieurs, je vous enpris..." Met een sierlijke hofbeweging laat de gids ons toetreden tot de eerste vleugel, het kwartier van de zware jongens. De rechthoekige barakken dienden als dormitorios, slaapzalen waar soms tot veertig man in leefden. Van zonsondergang tot zonsopgang werden ze vastgeketend op hun bedden van beton, zij aan zij, kont aan kont. De gids ontlokt een beleefde lachsalvo uit onder de bezoekers wanneer hij bij hen de verbeelding op hol laat slaan door een plastische beschrijving te geven van gevangen die buikloop hadden. Wie ´s nachts zo nodig moest, kon wel eens rekenen op een vuistslag van de persoon naast hem.
Eenmaal terug in de open buitenlucht herpakt de gids zich en op een overdreven ernstige toon declameert hij: "Mesdames en monsieurs s´il n´y avait pas les bagnards, il n´y avait pas Saint-Laurent-du-Maroni!" De veroordeelden werden willes nilles bouwvakkers die niet alleen een groot deel van de gevangenis hebben gebouwd, maar evenzo het hospitaal, het gerechtshof, het stadhuis, de woning van de kampdirecteur, de heuvelende 250 km lange verkeersas tussen de hoofdstad Cayenne en Saint-Laurent-du-Maroni, de spoorweg...




De route naar Javouhey ligt bezaaid met kraters. De baan heeft iets weg van Gruyèrekaas. Met mijn fiets slalom ik moeiteloos langsheen de muizengaten. Anderhalf uur later parkeer ik mijn stalen ros tegen één van de schaarse groentekraampjes van Javouhey. De wekelijkse zondagsmarkt ligt geprangd tussen het voetbalveld en het volleybalterrein. Het dorpje Javouhey telt nauwelijks 1000 zielen. Zijn kleinheid weerspiegelt zich in een handvol stalletjes op het plein. De marktkraamsters in traditionele klederdracht toren met hun kleine, tengere gestaltes nauwelijks boven hun groentetorentjes uit. De onmiskenbare Aziatische gelaatstrekken van de Hmong-vrouwen verraden hun afkomst. Eén kraampje biedt inheemse, zoete lekkernijen aan uit hun land van oorsprong, Laos. Ik kan niet aan de verleiding weerstaan en doe me even later tegoed aan een versgebakken citroentaart. De explosie aan calorieën fiets ik er later wel af.
Het gesnuister op de Hmong-markt neemt nauwelijks tien minuten in beslag en dus besluit ik maar om te voet de rest van het dorpje te verkennen. Een reclameopschrift trekt even later mijn aandacht. Om een graantje mee te pikken van het geringe toerisme dat zich voornamelijk in Saint-Laurent-du-Maroni concentreert -daar ligt namelijk één van de voornaamste strafkolonies- wordt er sinds kort ingespeeld op de wensen van de toeristen. Ik lees de aangeboden attracties die als wegwijzers zijn aangebracht: korjaal-excursies, wandelingen, paardrijden,... Een half uur later en twintig euro armer vaar ik samen met nog een viertal toeristen in een gemotoriseerde korjaal over één van de zijrivieren van de Mana-rio. De boot klieft zich een weg doorheen de waterader. Het tropisch decor glijdt als een film voorbij.
Na een half uur meren we aan. Van hieruit gaat het te voet verder voor een ontdekkingstocht langsheen de rijke fauna en flora van het Frans Guyanese woud. Een uiterst onderlegde gids loodst ons gedurende twee uur doorheen het haast ontoegankelijke loofwoud en deelt er zijn passie voor diverse boomsoorten. Frans Guyana is zo maar eventjes voor 81% bedekt met tropisch oerwoud, al neemt dit tegenwoordig door de onophoudelijke ontginning sterk in omvang af. Het ongecontroleerd wegkappen van onze longen van de samenleving zorgt er nu reeds voor dat het ecologisch evenwicht op de hele aarde serieus wordt verstoord. We worden ingewijd in diverse houtsoorten, zoals walaba of bijlhout die door zijn duurzaam karakter gebruikt wordt bij de aanleg van jachthavens. Armananthout daarentegen is eerder geschikt voor het decoratieve beeldhouw- en snijwerkwerk. De gids, met roots in Laos, toont ons tevens hoe zijn voorouders -die voornamelijk in het regenwoud leefden- aan de hand van ingenieuze valstrikken dieren wisten te verschalken. Het is een les in overleven waar avonturiers van het tv-spelprogramma ´Robinson Island´ behoorlijk wat van zouden kunnen opsteken.
Op de terugweg vraag ik de gids of hij kan leven van het toerisme. Hij heeft toe dat het toerisme in Frans Guyana nog in zijn kinderschoenen staat om er zijn broodwinning mee te verdienen. Tijdens de week teelt hij, net als zovele Hmongs, groenten die dan verkocht worden op de marktdagen. Voor hun aankomst in Frans Guyana, eind jaren zeventig, werden de meeste groenten en fruit aangevoerd vanuit het buurland Suriname. Groenteteelt was zo goed als onbestaande. De Hmongs zagen toen hun kans schoon om deze onaangeroerde markt aan te boren. Tegenwoordig beheren ze zowat 15 % van de groenteteelt in Frans Guyana. Hun aanwezigheid in dit overzees Frans departement kwam er nadat de Franse overheid een wetsvoorstel goedkeurde waarbij de naar schatting 15.000 aanwezige Hmongs die in Frankrijk resideerden de kans werd geboden om naar hier te emigreren. Eenmaal terug op het marktplein merk ik toch wat meer bedrijvigheid op. De iets meer gegoede families uit Saint-Laurent-du-Maroni maken van de marktdag in Javouhey een daguitstap. Ze kuieren rond op de lokale markt en stillen hun honger aan lange houten tafels waar ze uit grote soepkommen lepelen.
Heel wat minder gezellig gaat het eraan toe in l´Acarouany, een dorpje nauwelijks vijf kilometer verderop. Ik wals me er via een zanderig piste naartoe. Decennia geleden leefde hier een wegkwijnende samenleving, een bevolking van verstoten melaatsen. Het dorp fungeerde vroeger als leprozerie. De vervallen eenmanshuisjes laten een troosteloze blik achter. Recht tegenover de met golfplaten beslagen kerk staat een vuilwit standbeeld. Het is zuster Javouhey, de beschermster van de melaatsen. Haar onbaatzuchtige inzet heeft haar naam voor eeuwig verbonden met deze plek. De melaatsen zijn inmiddels vertrokken. In de krotwoningen huizen nu andere sukkelaars, Surinaamse illegalen. Een weggestopte wereld van armoede. Het typeert nog maar eens de grote kloof tussen armoede en rijkdom in Frans Guyana...




De voedselproducten worden in hoofdzaak verbouwd in het 30 km verderop gelegen Javouhey, een dorpje waar de Hmong gemeenschap zich sinds hun aankomst eind de jaren zeventig hebben toegelegd op de landbouw. Als bevolkingsgroep vertegenwoordigen ze slechts één procent van de Guyanese bevolking, maar domineren evenwel vijftien procent van de Guyanese landbouw. De Hmong-vrouwen vormen met hun fijne Aziatische gelaatstrekken en hun traditionele klederdracht voor een opvallende verschijning. In het overdekte marktgedeelte worden mijn reukorganen geprikkeld door een verzameling aan exotische specerijen die opstijgen uit pruttelende soepkommen. De Hmongs zijn ondernemend en weten als geen ander dat hongerige marktgangers een zwak hebben voor de fijne Aziatische gastronomie en in het bijzonder de Loatiaanse keuken. Ze serveren op zaterdag dan ook hun onvervalste soepen die uitblinken in gevarieerdheid. In de goeie traditie van een grensstadje proberen lokale inwoners (Frans Guyanese Creolen), maar ook Surinaamse Marrons (Bosnegers), die hier vaak illegaal verblijven, een graantje mee te pikken. Met hun inktzwarte lijfen vormen ze een mooi evenwicht tegenover de vrij blanke uitstraling van de Hmongs. Het felle zonlicht weerkaatst hun gezichten tot zwarte silhouetten met een rij glimlachende witte tanden. Ze zitten neergehurkt voor hun groentekraampje, op ooghoogte van jengelende kinderen. Mocht je niet beter weten dan zou je denken dat ze winkeltje spelen.
Ondanks de verschroeiende hitte verken ik in de namiddag Saint-Laurent-du-Maroni. Toen ik er gisteren per fiets aankwam was het me al opgevallen dat deze stad een bijzondere authentieke charme uitstraalt. Oude, koloniale gebouwen beheersen er het straatbeeld en roepen nog de grandeur op van weleer. Slenterend tussen de romantiek van het verleden bedenk ik dat deze stad en zijn schoonheid een rechtstreeks gevolg zijn van de deportatiewetgeving die Frankrijk vanaf 1852 invoerde. Frankrijk koos Frans Guyana als verbanningsoord voor misdadigers en politieke gevangen. Tijdens hun gevangschap werden ze massaal ingezet om de stad Saint-Laurent-du-Maroni op te bouwen. Waren de galeiboeven nooit naar hier gedeporteerd, dan was deze plek ongetwijfeld een blinde vlek op de landkaart gebleven.
De statische uitstraling van vele huizen en zijn aparte ligging bij de oever van de Marowijne-rivier heeft Saint-Laurent-du-Maroni de bijnaam ´le Petit Paris´ opgeleverd. Het is een zoveelste bewijs: Frans Guyana is op en top Frans...


Yves komt uit de geboortestreek van de zanger Flip Kowlier, Izegem, terwijl Christa´s roots in Lier liggen. Het koppel maakt deel uit van de zendingsmissie van Jehova´s Getuigen. Toen deze geloofsgemeenschap hen zovele jaren geleden de vraag stelde om zich als zendeling te vestigen in Frans Guyana was het voor hen een soort evidentie. Al jaren waren ze actief lid en de uitnodiging om het predikwerk als een fulltime job te kunnen uitoefenen namen ze dan ook met beide handen aan. Nochtans hadden ze een vrij gesetteld leven opgebouwd in België. Zowel Yves als Christa bekleedden in die tijd als industrieel ingenieur een goed betaalde functie in het bedrijfsleven. Ze hadden hun stekje in het residentiële Sint-Maartens-Latem, gingen jaarlijks op skiverlof naar Italië en genoten met volle teugen van het leven. Hun geloofsovertuiging besliste er evenwel anders over. Ze verkochten alles en namen het vliegtuig richting Frans Guyana, een land waar ze nog nooit van hadden gehoord en ze met moeite wisten te situeren op de wereldbol.
Ik ben niet de enige passant uit België. Aan tafel zit ook Heidi, de zus van Christa, die hier voor twee weken op familiebezoek is. Voor Heidi kom ik als een geschenk uit de hemel gevallen. Niet dat ze na een weekje uitgekeken geraakt op haar vakantie ten huize van zus en schoonbroer, maar omdat ze als verwoede fietser ook wel wat zwerversbloed heeft. Met haar trouwe Koga-fiets heeft ze al behoorlijk wat rondgereisd. Ze droomt ervan om ooit eens een stukje van Argentinië per fiets te verkennen, maar tot dusver is het er nog niet van gekomen. Misschien brengt onze toevallige ontmoeting haar wel een stukje dichter bij haar droom.
Terwijl de avond langzaam opschuift naar middernacht, praten Yves en ik bij een ijsgekoeld biertje nog wat na op het terras. Op mijn vraag of hij nooit gedacht heeft om terug te keren naar België merk ik heel even een aarzeling in zijn stem. "Weet je, als je als zendeling ergens naartoe wordt gestuurd, dan voel je deze opdracht aan als een soort geloofsplicht. Ik heb het vooral moeilijk gehad het allereerste jaar. Frans Guyana mag dan wel een gewezen Franse kolonie zijn, Saint-Laurent-du-Maroni daarentegen is als het ware een land in een land. Hier wonen, net als aan de overkant van de Marowijne-rivier in Suriname, les gens du fleuve. Deze oeverbewoners spreken dezelfde inheemse taal, maar bezitten een verschillend paspoort. Saint-Laurent-du-Maroni is de grijze zone van Frans Guyana, net als Saint-Georges aan de Braziliaanse kant. Mensen pendelen -of is het peddelen?- hier tussen de mazen van het officiële net. Velen ervan zijn illegalen, sans papiers, die leven van drugsmokkel en de handel in gesmokkelde goederen. Er heerst een andere mentaliteit, een sfeer van oneerlijkheid, van valsheid en daar heb ik het altijd moeilijk mee gehad." De schemerzone waar elk grensdorpje zich in voortbeweegt heeft zo zijn eigen complexe woongemeenschap. De smeltkroes aan rassen zorgt er ook voor dat de diversiteit in taal en cultuur zijn stempel drukt op het dagdagelijkse leven. Voor Yves en Christa was het dan ook een noodzaak om Sranantongo, de taal van de Surinaamse Marrons of Bosnegers aan te leren. Het predikwerk verricht je nu eenmaal het best in de taal van het volk. Yves heeft toe dat er spanningen zijn tussen die vele verschillende bevolkingsgroepen. Vooral de Creoolse elite kijkt hier neer op het Taki taki (het negerengels) en op hun zogenaamde primitieve leven in het binnenland.
"Het grootste probleem is dat het moederland Frankrijk niet geïnteresseerd is in de economische ontwikkeling van Frans Guyana. De enige vorm van industrie draait hier rond de ruimtevaart. Het overzeese departement Frans Guyana produceert niets. Het feit dat Frans Guyana onderworpen is aan dezelfde wetten en plichten zorgt er evenwel voor dat de Franse staat miljarden moet inpompen in dit land. Alleen al om alle onderdanen te laten genieten van onderwijs, gezondheidszorg en sociale voorzieningen bedraagt het kostenplaatje jaarlijks ongeveer 1,5 miljard euro. De Fransen die hier naartoe komen leven met hun riante salarissen als God in Frankrijk." Maar ook voor de inwoners uit de buurlanden Brazilië en Suriname is Frans-Guyana het nieuwe Eldorado. Wie er in slaagt om de Franse nationaliteit te bekomen, kan genieten van zowat alle voordelen, inclusief leefloon en kindergeld. Onder deze gelukzoekers is er dan ook een ware bevolkingsexplosie aan de gang. Naar schatting 45% van de totale bevolking is jonger dan twintig jaar. Vrouwen met tien kinderen -vaak van uiteenlopende vaders- is hier geen uitzondering. Het kindergeld is een mooie aanvulling op het leefloon en stelt hen in staat om te overleven. "Frans Guyanezen krijgen het geld te gemakkelijk in hun schoot geworpen. Deze situatie zorgt ervoor dat Frans Guyana ontwricht geraakt. Het zijn voornamelijk buitenlanders die hier vaak tegen heel lage lonen werkzaam zijn: Brazilianen, Surinamers, Haïtianen, en Engelstalige Guyanezen." Volgens Yves ligt het gebrekkig onderwijs mede aan de basis van het probleem. Jongeren voelen zich totaal niet gemotiveerd om school te lopen. Waarom zou je ook als je weet dat de werkloosheid ei zo na de 55% bedraagt.
Terwijl de nacht steeds verder om zich heen grijpt, vallen de puzzelstukjes van Frans Guyana als scherven op de grond. Ik besef meer en meer dat dit land met zijn tropisch klimaat het Eldorado is voor de Fransen die hier tegen een riante wedde als dokter, ruimtevaartspecialist, leraar, politieagent of militair een paar jaar van hun leven slijten. De minder begoeden, zijnde Brazilianen, Surinamers, Haïtianen en Guyanezen pikken met hun handarbeid -veelal illegaal- ongetwijfeld een graantje mee van deze welvaart. Al zal hun graankorrel hen wel nooit ertoe in staat stellen om terug te keren naar hun land van herkomst om er een levenswaardig bestaan op te bouwen. De kloof tussen arm en rijk, het is in Frans Guyana niet weg te denken...




Onze eerste stopplaats is Île Saint-Joseph, het eiland waar vooral zware criminelen terecht kwamen. Het idyllisch eilandje met zijn wuivende palmen en kleine zandstrandjes voelt allesbehalve als een ballingsoord aan. Maar schijn bedriegt. Het aangelegde grindpad dat als een spiraal de omtrek afbakent van het eiland, confronteert me meteen met het ware verleden. Verscholen achter dicht struikgewas en oprukkend tropisch woud getuigen ruïnes van een heel minder romantische bladzijde uit de geschiedenis van Frans Guyana. Het land was begin de 19de eeuw leeg en verlaten. Wellicht daarom besliste de regering onder keizer Napoleon III om het toenmalige Cayenne -zo heette het land vroeger- tijdens de Franse revolutie te gebruiken als een deportatieoord voor royalisten. Tot op het einde van de Tweede wereldoorlog werden er in Frans Guyana maar liefst 70.000 galeiboeven opgesloten in diverse bagno´s. Slechts 5.000 van hen keerden terug naar hun moederland.
Tijdens mijn ontdekkingstocht word ik verrast door de aanwezigheid van een kerkhof. Zou deze begraafplaats de laatste rustplaats geweest zijn voor misdadigers die iets minder op hun kerfstok hadden? Een patrouillewacht van het aanwezige Franse leger dat er een klein kampement bewoont, brengt uitsluitsel. Op het kerkhof liggen de begraven lichamen van het gevangenispersoneel en hun familie. Gevangen die hier bezweken werden in zee geworpen. De begraafplaats straalt iets onwerkelijks uit. Enerzijds ligt het idyllisch aan de oevers van een met palmen omgeven rotsstrand, maar anderzijds voelt de tastbare leegte rillend bevreemdend aan. De vergankelijkheid van de tijd knaagt er aan de graven die vaak herleid zijn tot een hoopje opgestapelde brokstukken. Ook de overwoekerde gevangenisgebouwen liggen er spookachtig bij. Hoe uitzichtloos moet het leven hier niet zijn geweest. Eenzaam opgesloten op een eiland waarbij de enige vluchtweg de zee was. Sommige veroordeelden waagden hun kans, maar veelal werden ze tijdens hun vluchttocht verrast door de woelige zee. Ook nu nog laat de zee zich niet temmen en omdat de stroming naar het Duivelseiland te groot is, wordt de geplande trip naar dit verbanningsoord afgelast. Best jammer, want het was precies op dit eiland waar politieke gevangenen werden ondergebracht, zoals Alfred Dreyfus. Deze Joods-Franse officier werd er evenwel ten onrechte opgesloten. Het zou ook vanuit dit Duivelseiland zijn dat de beruchte gevangene Papillon wist te ontsnappen.
Île Royale onderscheidt zich van de rest door de aanwezigheid van een kerk, een ziekenhuis en enkele administratieve gebouwen. Sommige ervan zijn gerestaureerd en roepen een versteende herinnering op van een vervlogen tijd. Samen met nog een handvol toeristen laat ik me meetronen door een op rust zijnde Fransman die zijn karig pensioentje aanvult met de fooien die hij krijgt als gids. Hij vertelt ons dat de gevangen werden ingeschakeld bij het bouwen van het hele gevangeniscomplex. Enkele getalenteerde misdadigers konden hun artistiek ei kwijt door het aanbrengen van ornamenten en muurschilderijen in de kerk. De meest bekende onder deze schilders was ongetwijfeld Francis Lagrange. Hij zat een gevangenschap uit wegens valsmunterij. Achtergelaten olieverfschilderijen van zijn hand prijken nu als kleine postkaartjes aan een prikbord dat in de inkomhal van de kerk staat. De kleurprenten hangen een goed beeld op van de mensonwaardige omstandigheden waarin de gevangen leefden. Het dwangarbeid onder de verschroeiende zon was loodzwaar en moordend. Tropische ziekten en ontbering zorgden verder voor de natuurlijke uitroeiing. De gevangen waren bovendien onderworpen aan het zogenaamde doublagesysteem. Veroordeelden die vrijkwamen moesten nog eens eenzelfde periode identiek aan de straftijd doorbrengen in Frans Guyana. Wie hier naartoe werd gebracht, kwam hier dus maar zelden levend vandaan.
Het is haast niet te geloven dat deze eilandengroep tot vlak na de Tweede Wereldoorlog de setting was van een deportatieoord. Bovenaan de top, nippen nu eendagjestoeristen en hotelgasten aan gekoelde dranken op het overdekte terras dat uitkijkt op het Duivelseiland. Terwijl ik mijn dorst les, krijg ik het gezelschap van een prehistorisch uitziende leguaan. Hij paradeert zonder enige vorm van schroom op de gemetselde scheidingsmuur alsof het een soort catwalk is. Het tienjarige zoontje van het gezin dat plaats heeft genomen achter mij roept in pure euforie: "Papa, je peux l´emmener à ma chambre?" "Non mon petit, cet animal doit vivre dans la nature et il est sans doute trop cher." Wellicht heeft het verblijf op dit idyllisch eiland reeds een serieuze deuk geslagen in zijn portefeuille, want wie een nachtje wil verblijven in l´Auberge des Iles, het enige hotel dat het eiland rijk is, moet diep in zijn geldbeugel tasten. Bijzondere plaatsen kennen nu eenmaal hun prijs. Volpension voor één persoon per dag kost maar eventjes 166 euro. Een prijs die mijn visakaart haast in tweeën doet plooien. Ik zal maar wijselijk terugkeren naar het vasteland...




Ik ben onderweg naar de trots van Fans Guyana, het stadje Kourou waar alles draait om de ruimtevaart. Daar werd in 1964, toen de wedren om de maan tussen Russen en Amerikanen in volle gang was, een raketlanceerbasis gebouwd. De ligging van Kourou, vlakbij de evenaar, was belangrijker dan het land zelf. Vermoedelijk heeft Kourou, als belangrijk centrum voor de Europese ruimtevaart, het land Frans Guyana gevrijwaard van onafhankelijkheid. De afstand tussen de hoofdstad en Kourou is nauwelijks zestig kilometer en loopt via een perfect geasfalteerde weg. Nauwelijks goed en wel op dreef word ik voorbijgestoken door een kleine Peugeot die me via een hels getoeter aanmaant om halt te houden. Een tiental seconden later schudt mijnheer Barros me de hand. Druppelsgewijs stapt ook de rest van de familie, die woonachtig is in Cayenne, uit de wagen en begroeten ze me één voor één. Wanneer het gezin hoort dat ik binnen enkele weken terugkeer naar de hoofdstad en er mijn lange zwerftocht afrond, nodigen ze me prompt uit om bij hen te dineren. Een afscheidsfeestmaal in het land waar ik een definitief punt zet achter een zwervend bestaan van bijna 2 jaar en 8 maand; het kan haast niet mooier.
Ik ben onverwacht vroeg in Kourou en dus profiteer ik er maar van om onmiddellijk door te fietsen tot aan de raketlanceerbasis. Terwijl ik de stad doorfiets, valt het meteen op dat de lokale economie drijft op de ruimte. De oude binnenstad bulkt uit zijn voegen van restaurantjes, hotels, bars en discotheken. Een tegemoetkoming voor de vloot toeristen die hier jaarlijks neerstrijkt, maar ook voor de ´witte´ Franse en Europese technici die hier werkzaam zijn. In het knus ingerichte infocentrum van ´le Centre Spatial Guyanais´ (de CGS), verneem ik dat er maar liefst 12.000 gesalarieerden zijn die op de één of ander manier hun brood verdienen dankzij de ruimtevaartactiviteit. Na de ambtenarij moet de CGS zowat de grootste tewerksteller zijn van Frans Guyana. Naar schatting vinden er per jaar acht tot negen lanceringen plaats. De eerst volgende is gepland voor donderdag 16 april.
Ik heb pech, want de twee rondleidingen die er normaal dagelijks plaatsvinden zijn allebei volzet en ook op de planning van de komende dagen is er reeds een wachtlijst van geïnteresseerden. Ik moet mijn bezoek dan ook beperken tot het ruimtevaartmuseum dat vrij statisch is opgevat. Ik ontdek er dat het ´Centre Spacial Guyanais´ tevens ook het lanceercentrum is van het Europese ruimtevaartagentschap ESA en dat van hieruit alle Europese Ariane raketten worden gelanceerd. Doordat het complex slechts op 500 kilometer van de evenaar ligt, krijgen de raketten bij hun lancering door de aardrotatie een extra versnelling van 500 meter per seconde. Jammer dat mijn fiets daar niet aan onderhevig is. Het zou tijdens mijn laatste fietsweken wel eens goed van pas kunnen komen. De lancering van de allereerste Ariane I raket vond plaats op 24 december 1979. Na ruim twee uur tussen diverse hemellichamen te hebben gezweefd, keer ik terug naar het aardse bestaan. Alvorens een plek op te zoeken voor de nacht, parkeer ik mijn stalen ros nog voor ´le glacier du 2 lacs´. Dit ijssalon heeft in Frans Guyana een reputatie opgebouwd om duim en vingers van af te likken. Het assortiment is bijlange niet zo uitgebreid als het Coromoto-ijssalon in het Venezolaanse Merida, maar de smaak is onovertrefbaar. Het mango- en kokosijs doet mijn smaakpapillen haast op tilt slaan. Eén ding staat nu al zeker vast: op de terugweg naar de hoofdstad Cayenne las ik hier alvast een stopplaats in...




Ik kuier over ´Place des Palmistes´ en geniet van de zachte zeebries die me tegemoet waait. Cayenne ligt op een schiereiland, tussen de mondingen van twee rivieren. De wuivende palmen doen mediterraans aan, terwijl de kleine straatjes met vervallen huizen me de indruk geven dat ik in Noord-Frankrijk vertoef. Te midden van een galerij palmbomen staat het standbeeld van de vrijheidsstrijder Felix Eboué, weldoener en gouverneur van Equatroriaal Frankrijk in 1940. Ondanks zijn enigszins imposante, olijke verschijning valt hij onwaarschijnlijk nietig uit te midden van deze grootse palmentuin. Vanhieruit vertrekt de Avenue du General de Gaulle, zowat de hoofdstraat van Cayenne, maar dan wel zonder de Parijse Champs Elysée allures. Het valt me op hoe onmetropolisch de stad is. Er mag dan wel een mengeling aan rassen bijeen wonen, maar ook dat komt -op Village Chinois of Chinatown na- nagenoeg niet naar boven. De hoofdstad voelt in de eerste plaats gewoon Frans aan. De voertaal is Frans, het brood is Frans, het jeux-de-boules spel is Frans. Frans Guyana is gewoon Frans, zo simpel.
La Place des Amandiers nodigt uit om te flaneren en weg te turen over de zee naar de eilandengroep ten westen van de hoofdstad. Eilanden die onlosmakelijk voor eeuwig verbonden zullen blijven met één van de zwartste bladzijden van dit land. Bijna honderd jaar lang fungeerden die dobberende landengtes van nauwelijks een paar vierkante kilometer groot als verbanningsoord voor Franse misdadigers en politieke gevangen. Eén van hen was Alfred Dreyfus. Deze Joods-Franse officier werd eind 1894 gearresteerd op beschuldiging van hoogverraad. De Franse inlichtingendienst ging ervan uit dat hij geheime Franse informatie had doorgespeeld aan de Duitsers en deporteerden hem daarom levenslang naar het Duivelseiland. Dreyfus zelf pleitte onschuldig. Vier jaar later publiceerde de bekende Franse schrijver Emile Zola een open brief met als titel "J´Acusse" aan de toenmalige president van de Franse republiek en stelde daarin dat Dreyfus onschuldig was en enkel werd veroordeeld vanwege zijn joodse afkomst. Mede door die publicatie kreeg de zogenaamde ´Dreyfus-affaire´ behoorlijk wat belangstelling en leidde het zelfs tot een nationale controverse. Uiteindelijk, vijf jaar na ballingschap werd hij volledig gerehabiliteerd en keerde hij als een vrij man terug naar Frankrijk.
Terwijl mijn gedachten steeds verder dwalen, word ik plots opgeschrikt door een handvol tieners. Een drietal meisjes proesten het uit, wanneer ze hun vriend een spiegel voorhouden en hij zelf oog in oog komt te staan met de praktische toepassing van hun voorbije les schoonheidszorgen. Onbezonnenheid en zorgeloosheid, godzijdank, het bestaat nog. Even verderop spelen twee heren op rust een partijtje jeux-de-boules. Ondanks hun zwaarlijvigheid wippen ze bij elke berekende worp gracieus van de ene been op de andere. Jeux-de-boules, ballet voor bejaarden. Ik slenter doorheen het kleine stadscentrum en laat de richting van mijn voetstappen bepalen door een parfum aan geuren. Bij de relatief kleine vismarkt heerst er net voldoende bedrijvigheid om een waaier aan associaties met de zee op te roepen. Zelfs Grenouille van Patrick Süskind duikt heel even op in mijn gedachten. Enkele straten verder worden mijn voetstappen ingehaald door mijn ogen die zich de kost geven aan een stilleven van Breugel. De uitgestalde groenten en fruitstukken poseren zij aan zij, blozend en verleidelijk als waren het verkiesbare missen op een catwalk. Hun fanclub bestaat hoofdzakelijk uit zwartgetinte, goed uit de kluiten gewassen vrouwen, bosnegerinnen zoals ze in Suriname zeggen. "Monsieur, monsieur... Mon chéri, mon chéri..." De ene is al iets vrijpostiger dan de andere. Tussen die Afrikaanse hoofdspelers lopen ook nog behoorlijk wat Aziatische acteurs rond. Het zijn de Hmongs van Cacao, originele inwoners van Laos en afstammelingen van de oorspronkelijke Mongolen. Zij figureren alleen maar, zonder tekst. Hun acte de présence beperkt zich tot hun traditionele klederdracht: een keurrijke mantille en dito blouse.
Hier, op de wekelijkse marktdag, voel ik voor het eerst terug een vleugje van de culturele verscheidenheid aan rassen en volken, eigen aan een grootstad. Hun aanwezigheid geeft Cayenne dat stukje wereldlijkheid waar ik vruchteloos naar op zoek was. Ook het vrij ongewone groenten- en fruitassortiment versterkt het gevoel dat Frans Guyana zijn identiteit niet helemaal heeft opgegeven. Benieuwd of Suriname, mijn volgend en meteen voorlaatste land op mijn zwerftocht, ondanks de grote invloeden van het moederland Nederland ook zijn eigen accenten heeft weten te behouden. Wordt vervolgd...




Frans Guyana heeft nooit goed in de markt gelegen en zelfs nu, begin 21ste eeuw, heb ik het gevoel dat het zijn geschiedenis van mislukking, verbanning en verwaarlozing achter zich aansleept. Het toerisme staat er nog in zijn kinderschoenen en ook onder de Fransen is Guyana als overzeese kolonie niet echt geliefd. Jean-Louis, bij wie ik logeer, heeft volmondig toe dat de financiële voordelen bij hem een doorslaggevende rol hebben gespeeld in zijn beslissing om hier te komen wonen. Jean Louis maakt als leerkracht deel uit van de Franse ambtenarij die hier zowat 60% van alle werkplaatsen inneemt. Om de geëmigreerde Fransmannen het gevoel te geven zich thuis te voelen wordt de consumptiemaatschappij dan ook beheerst door typische Franse producten: stokbrood, pain au chocolat, patés, camemberts, Belgische bieren en Franse wijn. Stuk voor stuk dure importproducten die gretig aftrek vinden onder de niet-Guyanen. Het zijn tenslotte ook hoofdzakelijk de Franse ambtenaren die zich deze Europese levensstijl kunnen veroorloven. De prijzen voor consumptiegoederen liggen hier exorbitant hoog, maar worden zonder al teveel morren betaald. Nu ja, als je weet dat ambtenaren hier gemiddeld veertig procent -die bovendien niet belast wordt- meer verdienen dan hun landgenoten in Frankrijk, dan komt het niet op een euro´tje meer of minder. Jean Louis ziet zijn verblijf in Frans Guyana als een soort tussenfase. Hij wil er nog één schooljaar werken, zodat hij ook nog de niet geringe premie, die hier na vier jaar dienst als een soort extra voordeel wordt uitbetaald, kan opstrijken. Daarna keert hij wellicht terug naar zijn geboorteland Frankrijk of gaat hij zijn geluk uitproberen in een andere Franse kolonie, zoals Martinique, Nieuw-Caledonië of Guadeloupe.
Jean Louis mag hier dan wel Engels doceren, op geschiedkundig vlak weet hij ook wel één en ander af van zijn nieuw thuisland. Zo vertelt hij me dat Frans Guyana vroeger Cayenne heette en dat er halverwege de 17de eeuw een twist was tussen Engeland, Frankrijk en Nederland om de meest geliefde plekjes aan de uitgestrekte oostkust boven de Evenaar in te palmen. Het Verdrag van Breda in 1667 legde de uiteindelijke grenzen vast. De Marowijne-rivier zorgde voor de natuurlijke scheiding tussen Nederlands- en Frans Guyana, terwijl Engeland uiteindelijk British Guyana toegewezen kreeg, het stuk dat grenst aan Venezuela. Frans Guyana bestond in die tijd ongeveer uit 80% tropisch regenwoud. De ontoegankelijkheid van het gebied en de tropische ziekten waren niet meteen de grootste troeven om het land te bevolken. Wellicht daarom werd in 1852 onder Napoleon III beslist om van het toenmalige Cayenne een permanente strafkolonie te maken. De naar schatting 1000 Europeanen en enkele duizenden slaven en inheemsen die er woonden, kregen tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog het gezelschap van zo´n 70.000 galeiboeven die werden opgesloten in diverse bagno´s die zich concentreerden rond enkele eilandjes voor de stad Kourou en in het grensdorpje Saint-Laurant-du-Maroni. Slechts een 5.000 van hen zagen ooit hun moederland terug. De rest bezweek aan ´la guillotine sèche´, zoals de Franse journalist Jean-Claude Michelot het zo droogjes en knap wist te verwoorden in zijn gelijknamig boek over het strafkamp in Saint-Laurant-du-Maroni. Niet het vlijmscherpe mes van de echt guillotine deed de meeste koppen rollen van de dwangarbeiders, maar wel de tropische ziekten en de zware dwangarbeid.
Het is pas iets meer dan een halve eeuw geleden, in 1946 om precies te zijn, dat Frans Guyana de status van Frans overzees departement heeft gekregen. Jean Louis legt me uit dat de politieke, economische, sociale, juridische, militaire, medische en educatieve structuren dezelfde zijn als in zijn moederland Frankrijk. De huidige president van Frankrijk, Sarkozy, staat dan ook aan het hoofd van alle overzeese departementen, met inbegrip van Frans Guyana. Het dagelijks bestuur wordt hier overgelaten aan een ingewikkeld kluwen van Generale en Regionale Raden, préfets, sous-préfets en burgemeesters. Het hele apparaat en de toegezegde verworvenheden kost de Franse staat evenwel handenvol geld, want Frans Guyana zelf produceert nagenoeg niets. De enige deviezen die het land opstrijkt zijn afkomstig van de goudsector en de garnalenvangst. Frans Guyana is op en top een importland en dat heeft mijn geldbeugel al meer dan eens aan den lijve ondervonden. Alles, op alcohol en drugs na, is hier peperduur. Zo gaat twee liter cola hier over de toonbank voor 3 euro, kost een kilo tomaten maar eventjes 5,5 euro, surf je hier aan 3 à 5 euro per uur en leg je al gauw 6 euro neer voor een Franse camembert. De hoge lonen rechtvaardigen hier voor een deel de hoge consumptieprijzen, maar anderzijds spelen de Chinezen, die hier zowat het monopolie in handen hebben in de voedselproductie, een vuil spel. Ze bepalen hier de wetten en vooral de prijzen van de consumptiemarkt.
Jean Louis ziet de toekomst van zijn nieuw thuisland somber in. Volgens hem ziet Frankrijk dit overzees departement in de eerste plaats als een belangrijke geostrategische plek van waaruit raketten de ruimte worden ingeschoten. In Kourou ligt namelijk de belangrijkste Europese lanceerbasis. Van enige interesse in de economische ontwikkeling van Frans Guyana is er geen sprake. Als ik bedenk hoe zwaar de wereldwijde economische crisis Europa al heeft getroffen, dan vrees ik dat hier de naweeën nog moeten beginnen...
Ook al telt Cayenne nauwelijks 80.000 inwoners, de verschillende banlieus die er doorheen de jaren als puzzelstukjes zijn bijgekomen zorgen ervoor dat de hoofdstad zich heeft uitgestrekt als een grote uitgesmeerde vlek. Het kost me uiteindelijk veel meer tijd dan verwacht om de buitenwijk Remiré te bereiken. De invallende duisternis wordt tijdens mijn laatste kilometers dan ook opgelicht door de koplampen van huiswaartskerend verkeer. Net wanneer ik de laatste grote rotonde opfiets, bemerk ik hoe een hoffelijke bestuurster -die me correct voorrang verleent- me aanstaart als een hond op een zieke koe. Ondeugend steek ik mijn duim in de lucht en fiets verder. Op haar beurt geeft ze plankgas, steekt me voorbij en parkeert even verderop haar wagen. "Mon chéri, tu as déjà un endroit pour coucher ce soir?" Ondanks mijn snelle vaart, doet haar ongewone vraag mijn remmen dichtgooien. "Excusez-moi?" Haar donkere ogen verraden oprechte bezorgdheid. Of beeld ik het me gewoon in. "Désolé ma fille, mais j´ai des copains ici à Cayenne qui m´attendent. Peut-être la prochaine fois." Terwijl ik haar met pijn in het hart vaarwel zwaai en verder fiets, besef ik andermaal hoe moeilijk ik afscheid zal kunnen nemen van mijn zwerversbestaan. Hopelijk zal mijn Liesje ´s avonds ook af en toe eens naast me komen rijden en me uitnodigen om bij haar te blijven slapen...
Een kwartier later rijd ik eindelijk de oprijlaan in van ´Rue de la Plage´ ter hoogte van huisnummer 402. Jean-Louis, mijn reddende engel en couchaanbieder, ligt er met zijn honderd kilo te schommelen in een kleurrijke hangmat. "Soyez le bienvenu!" Zijn handdruk voelt potig en zweterig aan. Een half uur later zit ik geschaard rond een stel vrienden die hij voor de gelegenheid heeft opgetrommeld. Ik word in de rol geduwd van vertellende reiziger. Jean-Louis is duidelijk in zijn nopjes met zijn onverwachte gast. Champagne wordt ontkurkt en enkele tellen later toosten we op een goede voortzetting van mijn reis.
Wanneer stokbrood, rode wijn en diverse kazen op tafel worden gezet, besef ik hoe intens Frans Guyana verstrengeld is met haar moederland. Zelfs leven als God in Frankrijk hebben ze hier moeiteloos overgenomen...




De verpleegster kijkt wat vreemd op wanneer ze haar wagen voor het dispensarium parkeert en een blik werpt op mijn tent. De dokteres die tien minuten later de deur opent, is behoorlijk minder verrast. Mijn schuilplaats deed in het verleden blijkbaar nog dienst als occasionele camping. Ze nodigt me spontaan uit voor een kop koffie en geeft een rondleiding in het hospitaal. Mevrouw Dupont -een meer Franse naam kan haast niet- windt er geen doekjes om. Volgens haar is het gloednieuwe hospitaal een klassiek voorbeeld van hoe onbezonnen de Europese Commissie omspringt met haar budgetten. De neergepote moderne kliniek bevat een labyrint aan kamers en is totaal niet in verhouding met het kleine gehuchtje Cacao dat nauwelijks 1200 zielen telt. Volgens mevrouw Dupont hebben de inwoners meer vertrouwen in de privéziekenhuizen, 65 km verderop in de hoofdstad Cayenne. Als het dispensarium tien patiënten over de vloer krijgt, is het een topdag. Bij het afscheid raadt ze me aan om op zondag terug te keren. Dan is het immers marktdag in Cacao en komt het dorpje pas echt tot leven. Voor onze wegen zich definitief scheiden, stel ik haar de vraag die al sinds het begin van onze toevallige ontmoeting op mijn lippen ligt. Mijn vraag omtrent haar ware afkomst ontlokt bij haar een spontane, gemoedelijke glimlach op en accentueert nog meer haar fijne Aziatische gelaatstrekken. "Non, mes racines ne se trouvent pas à Laos. Je ne suis pas un Hmong, mais cent pour cent Française. Si tu veux savoir plus concernant les Hmongs, la population qui vive ici, je te conseille d´aller rendre visite à Jean-Philippe, un patriote qui habite ici depuis des années."
Hij zit voorovergebogen onder het afdak van zijn nederig stulpje. In zijn handen omklemt hij een scalpel waarmee hij zachte inkervingen maakt in een geboetseerde kelkvormige bokaal. Jean-Philippe is vertrouwd met bezoekers die bij hem over de vloer komen. Jaren geleden streek deze Parisien hier neer, na een omzwerving van meer dan dertig jaar. Hij noemt zichzelf een autodidact, iemand die het leven heeft geleerd al doende, en waarbij het vervaardigen van keramiek zijn passie is. Jean-Philippe ontdekte dit klein gehuchtje tijdens één van zijn omzwervingen. We schrijven 1966. Toen reeds wist hij dat hij er ooit eens zou terugkomen, wanneer de tijd er rijp voor was. Hij leeft van een bescheiden pensioenuitkering en van, zoals hij het zelf noemt, ´mon argent de poche´. Die boetseert hij bij elkaar tot keramische gebruiksvoorwerpen die hun weg vinden op de wekelijkse zondagsmarkt. Wanneer hij me even later meetroont naar de keuken om er een stevige bak koffie uit te schenken in een lege honingbokaal, valt het me op hoe tenger de man is. Ik moet onverwijld denken aan het liedje van Jan de Wilde; ´Walter was heel tenger toen hij op de wereld kwam, hij bestond slechts uit wat beenderen. ... Hij leerde eigenhandig kleiwerk draaien.´ In de hoek van zijn woonkamer staat een sjofel eenpersoonsbed. De rest van de ruimte is een opeenstapeling van rommel en krantenpapier. Een artistieke eenzaat die de status van zonderlinge kluizenaar dankzij de keramische kunst is ontgroeid.
We keren terug naar zijn openluchtateliertje en genieten van de frisse bries die komt opzetten na een zoveelste korte regenbui. Terwijl hij vlotjes zijn geboetseerd kleiwerk voorziet van sierlijke geduldige ornamenten, krijg ik er een geschiedenisles over het ontstaan van de kleine Laos nederzetting in het Frans Guyaanse Cacao. Zo verneem ik dat de Hmongs afstammelingen zijn van de Mongolen. Op zoek naar een beter leven trokken ze eeuwen geleden door de Gobi woestijn naar China waar ze streden tegen de communistische troepen van Moa Tse Tung. Ze verloren echter de strijd en vluchtten daarom naar Vietnam waar zij in de onafhankelijkheidstrijd de zijde kozen van de Franse kolonisator. Een verkeerde keuze bleek later, want noodgedwongen moesten ze opnieuw het hazenpad kiezen, ditmaal richting Laos. Het was de periode waar de Rode Khmer onrust en dood zaaide. Honderdduizenden Hmongs zagen zich genoodzaakt een veiliger onderkomen te zoeken in de door de UNO opgezette vluchtelingenkampen in Thailand. In 1979 zagen velen van hen de kans schoon om eindelijk opnieuw een echt leven op te bouwen in een land zonder oorlog. Onder de rechtse regering van Giscard d´Estaing werd hen de kans geboden zich te vestigen in Frankrijk. Voor de Hmongs een buitenkansje, want de Franse taal en cultuur was hen bekend. Maar de confrontatie met het industriële Frankrijk viel voor velen onder hen zwaar. Hmongs waren van origine bergbewoners die ruimte nodig hadden. Die vonden ze in Frans-Guyana waar de overheid via een emigratievoorstel op zoek was naar een manier om het weinig aantrekkelijke overzeese Franse departement te bevolken. In Cacao vormen ze nu een meerderheidsgroep onder de inwoners en hebben ze zich doorheen de jaren toegelegd op de landbouw. Doordat ze nog vasthouden aan hun tradities en waarden vormt hun gemeenschap een stukje Laos in een Frans tropische setting. Jean-Philippe raadt me aan om hier op zondag de wekelijkse marktdag op te zoeken. Naar het schijnt komt op deze dag hun culturele eigenheid nog het meest tot uitdrukking.
Net voor mijn vertrek vis ik nog uit of hij iets meer weet over het mysterieuze kasteel dat de hoofdweg domineert bij het binnenrijden van het dorp. "Le petit château? Mais ce n´est pas un château, c´est un fort!", verbetert Jean-Phillipe me onmiddellijk. De versterkte burcht blijkt ooit het werk geweest te zijn van een megalomane Fransman die duidelijk wat centen teveel had en er niets beter op vond om in Cacao een houten fort te bouwen inclusief twee schiettorentjes. De eigenaar had ook een bepaalde voorliefde voor slangen en verhalen doen de ronde dat de burcht een broeiplaats was voor exotische gif- en andere slangen. Het lokale bestuur van Cacao was niet echt opgezet met de vreemde slangenbezweerder. Toen men er achterkwam dat hij zijn fort had gebouwd zonder te beschikken over de nodige bouwvergunningen, besloten ze hem het leven zuur te maken. Uiteindelijk verdween de eigenaar op een dag met de noorderzon. Sindsdien staat het eigenaardig bouwwerk te verkommeren. Het mysterie is onthuld, de geschiedenis van Cacao ingekleurd. De hoogste tijd om het kloppend hart van Frans-Guyana op te zoeken: Cayenne...




De weg blijft stijgen en dalen en ook de verlaten autowrakken sieren onverminderd de berm van het glooiend landschap. De tel ben ik ondertussen al lang kwijt geraakt. In het dorpje Regina ben ik trouwens ook wat wijzer geworden omtrent het mysterieuze autokerkhof. Twee redenen liggen er aan de basis. Enerzijds heb je het fenomeen dat wagens die autopech hebben, vaak worden achtergelaten. De takeldiensten concentreren zich allemaal rond de hoofdstad Cayenne, hebben een machtsmonopolie en vragen exorbitant hoge sleepkosten die vaak niet opwegen tegen de aankoopprijs die men ooit heeft neergeteld voor de tweedehandse wagen. Komt daar nog bij dat er geen mobiel netwerk is tussen het grensstadje Saint Georges en Cayenne. Wie dus in panne valt langs de 180 km lange baan, moet dus op één of andere manier in één van de drie dorpjes (Saint Georges, Regina of Cacao) zien te geraken om vandaaruit met een vaste telefoon hulp in te schakelen. De tussentijd dat de wagen onbemand achterblijft, is vaak al voldoende om even later in het beste geval de wagen terug te vinden zonder vier wielen. In het slechtste geval vindt de eigenaar enkel nog het karkas terug van zijn wagen.
Anderzijds is er ook de -al dan niet- georganiseerde misdaad, deels gelinkt aan de goudkoorts. Braziliaanse goudzoekers steken de grens over om in de onherbergzame Guyaanse jungle illegale goudmijnen te exploiteren, terwijl smokkelaars de route dan weer gebruiken om hun waren illegaal Frans Guyana binnen te smokkelen. Vaak stelen ze daarbij een wagen in het grensplaatsje Saint Georges, wat dan weer af en toe leidt tot achtervolgingen met de Franse gendarmes in ware Western stijl. De gestolen vluchtauto´s worden vaak halverwege de tocht achtergelaten en in brand gestoken om zodoende alle sporen te wissen. De gangsters kennen hun weg doorheen de jungle als hun broekzak en zetten probleemloos hun route te voet verder.
Rond een uur of vijf word ik opgeschrikt door een voorbij toeterende wagen. Vanuit het openstaande autoraampje hoor ik een mannenstem roepen: "Hasta Cayenne!" Het daaropvolgende moment zie ik de sluikse haren van de rochelaar wapperen in de wind. Doorheen de ruit van de voorbijrijdende Renault Espace ligt op de neergeklapte achterbank zijn stalen ros en aanhangwagentje. Ja, denk ik bij me zelf, zo kan ik ook wel ´al fietsend´ de wereld verkennen.
Even later fiets ik voorbij een controlepost van de gendarmerie. Het begint net serieus te regenen en dus profiteer ik ervan om wat op adem te komen en een babbeltje te slaan. Zo ontdek ik dat de gestationeerde politieagenten, allen woonachtig in Frankrijk, hier drie maanden hun functie uitoefen. De opdracht kadert in de koloniale, politieke betrekkingen die het moederland onderhoudt met zijn overzees departement Guyana. Het is gek, Frans Guyana voelt op en top Frans aan, maar ook zo typisch koloniaal. Zo bemerk ik dat de helft van hun wagenpark nog stamt uit de jaren zestig, zeventig. De blauwe, camionettes uit de films van Louis de Funes maken hier nog deel uit van het dagelijks straatbeeld.
Tegen de invallende duisternis rijd ik eindelijk het dorpje Cacao binnen. Aan de ingang van het dorp staat een eigenaardig gebouw; een vervallen kasteel volledig opgetrokken uit hout. Ik voel intuïtief aan dat er een verhaal schuil gaat achter dit sprookjesachtig bouwwerk. Alvast iets om morgen te ontraadselen...




José Andres, de fietsende Colombiaan ligt nog in dromenland wanneer ik drie kwartier later startklaar ben om te vertrekken. "Pst, José, me voy?"?José, ik ga!) Mijn woorden worden beantwoord door een rochel, gevolgd door een slaperige stem. "Bueno, buen viaje. Que díos te bendiga!" (Goeie reis. Dat God je mag beschermen?) Moeizaam duw ik mijn fiets door de rulle, natte aarde tot aan de hoofdweg om er mijn bagage aan vast te hechten. Verdorie, nauwelijks een dag in Frans Guyana of ik heb reeds mijn eerste lekke band. Dat beloofd! Terwijl ik het gat dicht, hoor ik de rochelaar af en toe fluimen ophoesten terwijl zijn lichaam een andere zij oprolt. Een half uur later is het euvel verholpen en vang ik mijn dagtocht aan.
Het was me gisteren reeds opgevallen. Sinds mijn vertrek uit het grensplaatsje Saint Georges staan er opvallend veel autowrakken aan de kant van de weg. Op een bepaalde plaats tel ik er wel drie op een rij. Sommige zijn volledig uitgebrand, terwijl andere herleid zijn tot metalen karkassen. Dat er af en toe een wagen uit de bocht vliegt, kan ik best aannemen, maar na nummer 25 te hebben afgestreept, rijst bij me het vermoeden dat er toch nog een andere belangrijke oorzaak moet zijn voor dit autokerkhof. Zou deze route, net als de rivieren in de buurt, dienst doen als smokkelroute? De weg is goed geasfalteerd, maar kenmerkt zich door een aaneenschakeling van hellingen en korte afdalingen. Ik slaag er nauwelijks in om mijn fietsritme op te drijven, temeer de aangedroogde modderklonters mijn versnellingen hebben aangevreten waardoor het schakelen naar een kleiner of groter tandwiel het vaak laat afweten. Iets voor kwart voor twaalf in de middag fiets ik Regina binnen, het allereerste dorpje sinds mijn vertrek uit Saint Georges.
Regina is nauwelijks een puist groot. Het openbaar leven speelt zich af ter hoogte van de enige winkel die het rijk is, vlakbij de rivier. De kruidenierszaak doet hier tevens dienst als stamcafé voor de lokale bewoners. Wanneer ik mijn stalen ros tegen de afgebladerde muur parkeer, hoor ik om de hoek een man rochelen. Twee tellen later sta ik oog in oog met José, de Colombiaanse rochelaar. Is hier magie in het spel? José vertelt me dat hij deze morgen bij het ontwaken een lekke band had en dat de gendarmerie hem een lift heeft gegeven tot in het eerst volgende dorp, Regina. Fietsgerief om de lekke band te stoppen heeft hij niet, evenmin een fietspomp. Ik kan mijn ogen en oren niet geloven. Als een vagebond de wereld per fiets verkennen, maar niet eens beschikken over het meest elementaire fietsherstelmateriaal. Ook nu pas dringt het tot me door dat zijn uiterlijk een beetje de afspiegeling is van zijn huis op twee wielen, of eerder vier. Achter zijn fiets, die er uitziet als een verroeste, versleten grootmoeder bengelt een wankel karretje dat zwaar doorbuigt van het overgewicht. Ik begin stilaan te begrijpen waarom 40 km per dag voor hem zowat de maximaal te overbruggen afstand is. Ter hoogte van zijn bagagedrager hangt een metalen biervat van vijf liter in een zelfgemaakte ijzeren bloemenhanger. Het blijkt zijn watervoorraad te zijn. Wanneer hij een testrit maakt met de herstelde band zie ik hoe zijn metalen constructie gevaarlijk weg en weer slingert. Als ware het een geschenk uit de hemel fietsen we voorbij een man die voor de deur van zijn huis enkele metalen latten aan het lassen is. De fiets wordt erbij geplaatst en even later spetteren vuurvonken in het rond. Men zegt wel eens: ´Het echte avontuur begint pas wanneer je in nesten zit.´ Ik vrees dat José met zijn lamentabele fiets meer avonturen tegenkomt dan hem lief is...




Wanneer ik mijn fiets en toebehoren uit de kano hijs en me via een drijvende loopplank toegang verschaf tot een nieuw te overschrijden grens, voel ik hoe mijn ogen plots vochtig worden. Tranen wellen op en stromen in kleine beekjes over mijn wangen. Ik kan het niet geloven, Frans Guyana; het land waarvan ik al bijna sinds mijn vertrek uit België wist dat dit zo min of meer het einddoel van mijn lange zwerftocht zouden worden. Het besef dat de droom van weleer, het kunstwerk van geluk, ei zo na voltooid is, maakt me weemoeddronken van blijdschap. Het lijkt zo onwerkelijk, zo bovenmenselijk. Mijn oeverloze gevoelens van ongeloof worden nog eens versterkt door zoveel elementen van herkenning, door zoveel zaken die na twee en een half jaar afwezigheid eensklaps weer zo vertrouwd aandoen. Ter hoogte van het marktpleintje parkeer ik mijn fiets tegen een muziekkiosk. Driehonderdzestig graden tol ik het rond, niet dansend, maar schoorvoetend en traag om op die manier de wereld om me heen rustig op te nemen. Ik lees opschriften die me al die tijd wereldvreemd waren en nu plots zo herkenbaar in de oren klinken: la mairie, boulangerie - patisserie, rue Henri Sebeloue, ... Ik lijk wel een Japanner die foto´s maakt van zowat alles en nog wat: van een Franse nummerplaat tot een man met een stokbrood onder de arm. Ik blik mijn kinderlijke verwondering digitaal in. Als ik nu al -op een plek die me eigenlijk wereldvreemd is- zo overspoeld word door niet te stelpen vreugdegevoelens, hoe zal dat dan aanvoelen eenmaal ik terug de Grote Markt van Ieper opfiets of de feestzaal van Zillebeke binnenrijd? Ik sla mijn ogen op, zwaai mijn armen open en voel hoe een oude geliefde na jaren van vervreemding me heel even dicht tegen haar aandrukt. "Soyez le bienvenu, mon vagabond perdu!" Enkele tellen later walsen we samen over het geplaveide marktplein op weg naar morgen, met onze gedachten nog heel even verzonken in het verleden.
Nauwelijks het dorpje Saint Georges uitgefietst, valt mijn oog op een wegwijzer: Saut Maripa - 20 km. Mijn reisgids besteedt aan deze plaats nauwelijks drie onbeduidende regeltjes, maar dat is voor mij net voldoende om mijn fiets die richting op te trappen. Onbetreden paden geven een zwerversziel nu eenmaal levensadem. De piste doet me een beetje denken aan de ongeasfalteerde weg van Macapá naar Oiapoque en heel even aarzel ik of een zoveelste confrontatie met een zee aan modder wel de moeite loont. Maar uiteindelijk beslis ik toch om verder te rijden. Na ruim twee uur bereik ik het eindpunt: een verlaten dorpje aan een zijrivier van de Oiapoquestroom waar enkel een uiterst bescheiden legerkampje van amper zes Franse soldaten is gevestigd. Hun taak bestaat erin om een oogje in het zeil te houden en informatie van mogelijke verdachte activiteiten door te spelen aan la Gendarmerie Nationale. De woelige rivier wordt door veel Braziliaanse immigranten gebruikt om het Franse grondgebied illegaal te bereiken, alsook om allerlei handelsproducten de grens over te smokkelen. Nu ja, als je weet dat Frans Guyana het duurste land is van het Zuid-Amerikaanse continent, dan is het niet verwonderlijk dat de smokkel in alles en nog wat er welig tiert.
Mijn zijsprong heeft behoorlijk meer tijd in beslag genomen dan ik had verwacht. Wanneer ik opnieuw de hoofdweg bereik, tikt de klok reeds vier uur in de namiddag weg. Ondanks het reeds ver gevorderde uur beslis ik om toch nog mijn route verder te zetten. De eerste volgende overnachtingsmogelijkheid ligt minstens 80 km verderop. Mijn eerste nacht op Frans Guyaanse bodem wordt meteen eentje in mijn tent. Wanneer ik rond een uur of zes in de avond begin uit te kijken naar een wat afgelegen kampeerplekje, bemerk ik plots langs de kant van de weg een man op. In de onmiddellijke nabijheid bespeur ik nergens een wagen. De afwezigheid van een voertuig wijst -uit ervaring- op de nabijheid van een huis. Wanneer ik hem tegemoet fiets, zwaait hij met zijn armen in de lucht. Even verderop zie ik een verkleurd iglo-tentje staan. ´Een fietser!´, flitst het door mijn gedachten.
Een half uur later zit ik verbroederd met José Andres Pereira rond een bakje koffie. José, afkomstig uit het Colombiaanse Bogota, is al drie jaar en drie maand ´on the road´. Zijn zwerversverhaal begon in Ecuador en Peru. Twee landen die hij al liftend heeft verkend. In Brazilië schafte hij zich een fiets aan en begon de wereld al pedalerend te verkennen. Nu ja, de wereld... Per dag legt hij nauwelijks 25 km af. De rest van de tijd lummelt hij rond en probeert in dorpjes en steden balpennen te verkopen; zijn enige bron van inkomsten. Hij vertelt me dat hij gisterenmorgen uit Saint Georges is vertrokken. Een blik op mijn kilometerteller en een kleine hoofdberekening later, ontdek ik dat hij in twee dagen tijd nauwelijks 35 km heeft afgelegd. Zijn zwerversverhaal is verwarrend en tegenstrijdig, zijn uiterlijk sjofel en onverzorgd. Hij stelt me voor om samen verder te fietsen, maar ik neem zijn uitnodiging eerder met een aftastende houding aan. Ik heb nog een tweetal maanden te gaan voor ik definitief een streep trek onder deze zwerftocht. Als ik op zijn ritme fiets, dan zou Frans Guyana wel eens echt het eindpunt kunnen worden. Zijn levensverhaal wordt regelmatig onderbroken door een fluimende rochel. Telkens hij recht staat, vergezelt een ondraaglijke stank hem als een onzichtbare schaduw van onfrisse lichaamsgeuren. Zijn haren klitten aan elkaar van de viezigheid en ook zijn bruingele tanden verraden een overduidelijk gebrek aan lichaamshygiëne. De man heeft iets vreemds over zich, iets ontoegankelijks. Ik kan er geen vat op krijgen. Terwijl ik mijn tent opzet, hoor ik hem voortdurend rochelen en in zichzelf praten. Zou dit te wijten zijn aan zelfvervreemding of geïsoleerde eenzaamheid? Misschien maar best dat ik binnenkort huiswaarts keer. Wie weet was ik anders hetzelfde lot beschoren...