Het leven zoals het is...

Frans Guyana - Cayenne, 20-04-2009 - (dagboek 2)


Het heeft een wat vreemd gevoel. Voor een laatste maal de fietstassen vasthaken, alvorens die definitief worden opgeborgen om huiswaarts te keren. Nog minder te vatten is het besef dat de reis er definitief opzit. Twee jaar en acht maanden liggen achter me en toch lijkt mijn reis pas halverwege zo lang. Begrippen als tijd, ruimte en afstand zullen terug een andere dimensie krijgen. De tijd zal niet langer ingevuld worden door het onbezonnen reisgevoel dat ermee gelieerd is. De ruimte zal niet langer afgebakend worden door ongekende paden, die me al die tijd van dorp tot dorp brachten, van stad tot stad, van land tot land. De afstand zal niet langer begrensd worden door spierkracht en roterende wielomtrekken. Vanaf nu af aan zal niets meer zijn zoals voorheen. Mijn laatste uitstap brengt me terug naar vertrouwd terrein: Cacao, een kleine zestig kilometer verwijderd van de hoofdstad Cayenne. Zijn apart karakter heeft Cacao niet alleen te danken aan zijn ligging te midden van het tropisch heuvelend groen, maar ook dankzij de aanwezigheid van de Hmongs, bewoners afkomstig uit het Aziatische Laos. Ze kleuren met hun traditionele klederdracht en fijne Aziatische gelaatstrekken de wekelijkse zondagsmarkt. Terwijl ik vlakbij het marktpleintje mijn fiets parkeer, waaien gember, koriander, kurkuma en steranijs me als een ruiker bloemen tegemoet. Achter de flanerende toeristen zie ik hoe marktkramers druk in de weer zijn met het klaarstomen van het middagmaal. Dampende kringen ontsnappen uit pruttelende soepkommen en geven me het gevoel op het kruispunt te staan van een wereldkeuken zonder grenzen. De verfijnde Laotiaanse keuken prikkelt meer dan eens mijn reukorganen en in een mum van tijd bezwijk ik eraan. Terwijl ik plaats neem aan één van de lange houten eettafels krijg ik het gezelschap van een drietal oudjes. Ze lepelen driftig uit hun soepbollen en gunnen zich nauwelijks een rustpauze. Ik knoop een gesprek met ze aan in het Frans. Het valt me op hoe ze die voor hun vreemde taal zo perfect beheersen, want van oorsprong zijn de Hmongs afstammelingen van de Mongolen. Door opeenvolgende oorlogen zijn ze in Laos terechtgekomen. Tijdens de Vietnamoorlog werden ze door de CIA aangeworven. Toen de Rode Khmer echter meer en meer terrein won en Saigon inpalmde, besloten de Amerikanen in 1975 om enkele honderdduizenden Hmongs naar UNO-vluchtingenkampen in Thailand onder te brengen. Vier jaar later kregen ze onder de rechtse regering van Giscard d´ Estaing de kans om naar Frankrijk te verhuizen. Maar de ruim 15.000 Hmongs voelden er zich niet echt thuis. Ze waren van nature bergbewoners die meer affiniteit hadden met de natuur dan met kunstmatige fabrieken. Toen Frans-Guyana zijn deuren opende voor emigranten uit Frankrijk, namen veel Hmongs die gelegenheid te baat om te verhuizen en een nieuw bestaan op te richten. Ze maken uiteindelijk slechts één procent uit van de totale Guyanese bevolking, maar hebben evenwel een goeie vijftien procent van de landbouw in handen. Ze hebben hier in Cacao een zeker aanzien opgebouwd en vormen door het vastklampen aan hun traditie voor een publiekstrekker binnen de reissector. Tegen het middaguur tel ik reeds een handvol bussen met toeristen. Cacao moet er op zondag ooit rustiger hebben uitgezien.

In het verlengde van zijn status als toeristische trekpleister heeft het dorpje zich doorheen de jaren aangepast aan de noden van zijn bezoekers. Aziatische eettentjes en souvenirwinkels beheersen nu het straatbeeld. Tussen al dit kunstmatig toeristisch geweld zit er één vreemde eend in de bijt: ´Le Planeur Bleu´, een museum dat de meest eigenaardige en verrassende insecten herbergt. De trotse eigenaar is een gezette vijftiger, schoolmeester en van Franse origine. Hij heeft meer dan twintig jaar geleden zijn roots ingeruild voor de fauna en flora van Frans Guyana en combineert er het lesgeven met zijn passie als gids in zijn rariteitenkabinet. Op mijn vraag hoe hij zoveel insecten bijeen heeft gespaard, lacht hij zijn halfrotte tanden bloot. "Dankzij mijn leerlingen. Ze zijn de beste entomologen ter wereld. Ze kennen als geen ander de omgeving waar ze wonen. Het zoeken naar insecten is voor hen een hobby. Telkens ze een exemplaar hebben gevonden, krijg ik ze cadeau voor mijn museumcollectie." Terwijl hij me zijn geheim onthult, jongleert hij als een goochelaar met zijn insecten. Hij laat vogelspinnen en kolossale kevers op zijn handpalm defileren alsof het een lieve lust is. De bezieling waarmee hij over zijn museum en zijn eigenaardige bewoners spreekt, doet me terugdenken aan de succesvolle tv-reeks van ´Afrit 9´. Jarenlang zoemde de Belgische camera in op het leven en de passie van bijzondere Vlamingen. Met de opmars van de vele Vlaamse zenders visten echter meer en meer reporters in dezelfde vijver. De poel geraakte opgedroogd en het programma hield er na 333 uitzendingen mee op. Misschien tijd om eens de grenzen te verleggen en een soortgelijke reeks te draaien in Frans Guyana onder de noemer ´Sortie 9´. Mocht men op zoek zijn naar een researcher dan ben ik alvast kandidaat…

Ontvreemd...

Frans Guyana - Cayenne, 19-04-2009 - (dagboek 1)


Ik heb het mij al vaak afgevraagd: Zou ik me ooit voorgoed kunnen settelen in een land waarmee ik geen binding heb, mijn ´thuisland´ inruilen voor een andere plek op aarde? Tijdens mijn zwerftocht heb ik vaak Belgen ontmoet die de moed hebben gevonden om ´elders´ een nieuw bestaan op te bouwen. Hun relatie tot België wordt nu enkel nog in stand gehouden door familiebanden en de schaarse contacten met achtergelaten jeugdvrienden. Hun België van weleer is verdwenen, naar de achtergrond gedrukt en heeft plaats gemaakt voor samenlevingsvormen en gedragcodes die eigen zijn aan hun nieuw ´thuisland´. Ze zijn ergens blijven hangen tussen de plaats waar hun navelstreng ligt en de plek waar ze in wording zijn. Is een mens überhaupt ooit af? Zijn we niet voortdurend steeds wordend, steeds veranderend, steeds zoekend.

Als ik terugdenk aan Gust en Koenti -het gezin waar ik verbleef in Paramaribo- met roots respectievelijk in Antwerpen en Suriname, dan vraag ik me af in hoeverre hij zich Surinamer voelt en zij zich Belg of Vlaming? Blijft tussen al dat vreemde niet steeds een beetje herkenbaarheid bovendrijven als een stuk wrakhout waar je je aan vastklampt wanneer de heimwee naar het land van herkomst te groot wordt? Is er ook niet altijd een directe aanleiding -een man, vrouw of job- om alle vertrouwde schepen te verbranden, de zeilen aan te halen en het anker uit te gooien aan de baai van een nieuwe thuishaven? Ik kan me niet meteen herinneren dat ik op mijn tocht een Belg heb ontmoet die ´zomaar´ vertrokken is en elders een nieuw leven heeft opgebouwd, mijlenver van datgene wat hem zo vertrouwd is. Blijft in de geest van Gust zijn geboorteland niet aanwezig als een pijnlijk gemis? Een gemis dat met het ouder worden wellicht nog groter wordt, te meer zijn kinderen een eigen leven hebben opgebouwd verweg van Suriname, meerbepaald in België en Nederland. Gust en Koenti emigreerden in 1979 naar Suriname, het geboorteland van Koenti. Stel dat ze de stap zouden zetten om terug te keren. Hoe moeizaam zou dit proces niet zijn, na dertig jaar, financieel en psychologisch? Met een pensioen bijeengewerkt in Suriname denk ik niet meteen dat je rijkelijk kan genieten van een goeie ouwe dag in België. En bovendien, wat blijft er na al die tijd nog van zijn Borgerhout over? Als je weet dat dit district van de stad Antwerpen spottend ´Borgerokko´ wordt genoemd (verwijzend naar het grote aantal inwoners van Marokkaanse afkomst) dan zou het me niet verwonderen dat Gust zich bij zijn terugkeer meer vreemdeling zou voelen dan nu in Paramaribo.

Ik bevind me ondertussen terug op vertrouwd grondgebied, de hoofdstad Cayenne van Frans-Guyana. Mijn Belgische vrienden Yves en Christa hadden me per mail op de hoogte gebracht dat ze voor een vergadering van het Genootschap twee dagen moesten doorbrengen in Cayenne. Ze boden me spontaan een lift aan. In normale omstandigheden zou ik zo´n aanbod afslaan, maar nu het einde van de reis met rasse schreden nadert, heb ik hun uitnodiging dankbaar aangenomen. Te meer omdat de tijdswinst me in staat stelt om nog voor een laatste keer rond te dwalen, een zijsprong te maken die me nog heel even doet geloven dat het zwervend bestaan nog net niet voorbij is.

De zijsprong is evenwel niet helemaal onbekend terrein. Bijna drie maand geleden, toen ik mijn verkenning in de drie Guyanas startte, spoorde ik reeds mijn stalen ros in de richting van het idyllische dorpje Cacao. Morgen, zondag, op mijn voorlaatste dag op Latijns-Amerikaanse bodem, leg ik mijn allerlaatste kilometers af. Daarna wordt het de hoogste tijd om in te pakken en dankbaar afscheid te nemen van een wervelende ontdekkingsreis…