Een bewogen terugrit...

Guatemala - Todos Santos, 02-11-2008 - (dagboek 5)


Terwijl in de verte de marimbaklanken nog aanzwellen, zoek ik naar een manier om het dorp te verlaten. Het is zowel zondag als feestdag en bijgevolg is het busvervoer uiterst schaars. Iets over de middag verneem ik dat er alsnog een minibus vertrekt. De rit voert me niet rechtstreeks tot in Huehuetenango, maar na twee jaar zwerven neem ik dat ommetje er wel graag bij.

Naast mij zit Samuel, een Italiaanse jongeman die werkzaam is voor Artsen zonder Grenzen in één van de buitenwijken van Guatemala City. Hij is ingeschakeld in een project dat seksueel misbruikte meisjes en vrouwen opvangt. Ik luister naar zijn verhaal achter de schermen van een grootstad dat elke band met de werkelijkheid heeft verloren. Op een maand tijd komen maar liefst 70 tot 80 vrouwen en jonge meisjes bij hen aankloppen, allen het slachtoffer van seksueel geweld. Vorig jaar kwam het ministerie van gezondheidszorg met hallucinante cijfers op de proppen. Zo werden er alleen al in Guatemala City (de hoofdstad van Guatemala) 5500 vrouwen en meisjes verkracht. Dat komt neer op een totaal van bijna 460 per maand of gemiddeld 15 per dag. Sommige slachtoffers worden bovendien na het seksueel misbruik op een haast rituele wijze verminkt en vermoord. Het gerechtelijk apparaat is echter zo corrupt en heeft zo weinig middelen dat elk nieuw geval systematisch wordt geklasseerd. Slechts in een fractie van de gevallen komt er een degelijk onderzoek en worden misdadigers opgepakt en veroordeeld. Naar schatting 75 procent van de verkrachtingen gebeurt door een familielid of een kennis van het slachtoffer.

Samuel is werkzaam in één van de gevaarlijkste zones van de hoofdstad, la Zona 18. Deze wijk staat vooral bekend om zijn straatbendes. Twee rivaliserende jeugdbendes staan elkaar naar het leven en draaien hun hand er niet voor om ook doodgewone burgers te liquideren. Zona 7 is dan weer het terrein van drugstrafikanten, terwijl Zona Una (1) onveilig wordt gemaakt door zakkenrollers en dievenbendes. De stijgende criminaliteit is vooral verontrustend omdat het vooral gewapende delicten zijn en de gangsters er niet voor terugdeinzen hun slachtoffers koelbloedig neer te mollen. Ik heb bewondering voor mensen als Samuel die uit puur idealisme willen ingaan tegen het kwade in de wereld en blijven geloven in een vreedzame samenleving.

We moeten tot driemaal toe veranderen van bus. In Huehuetenango heb ik net voldoende tijd om wat achtergelaten bagage op te halen in het hotel van Selvin Galdino. De zak bevat gerief dat ik voorlopig niet nodig heb en die me meer tot last zijn dan iets anders. De bedoeling is dan ook om de spullen achter te laten in een hotel in de hoofdstad van Guatemala om die later, wanneer ik er met de fiets langskom, terug op te pikken. Het zal mijn fietstocht doorheen het gebergte in Honduras en Guatemala alvast een stuk minder zwaar maken. De bus vanuit Huehuetenango is andermaal een ´chickenbus´. Om de haverklap worden passagiers opgepikt en in een mum van tijd hotsen we in een sardinenblik doorheen de Guatemalteekse hoogvlakte. Ter hoogte van ´quatro caminos´ (vier wegen) moeten we een laatste maal van bus veranderen. Wachtend op onze aansluiting verandert mijn kompaan, de Italiaan Samuel, van gedachten. Hij heeft nog één vrije dag en besluit ter elfder ure nog een bezoek te brengen aan het wereldbekende ´lago de Atitlán´ (Atitlanmeer). Best jammer, want dit betekent dat ik alleen mijn weg zal moeten zoeken in Guatemala City. Ik neem afscheid en hop de bus op naar de hoofdstad.

Nauwelijks in beweging, realiseer ik dat ik mijn grote zak met overbodige spullen in de andere bus heb laten liggen. Ik beveel de chauffeur te stoppen, sleur mijn rugzak van het dak en loop terug in de richting van de nog steeds wachtende Italiaan. In paniek vraag ik of hij weet waarheen de vorige bus is vertrokken. Dat blijkt Chela, een dorpje op een goeie 30 km hier vandaan. Ik spring op de eerste beste bus richting Chela, hopend om mijn gerief alsnog te vinden. Hoe langer ik erover nadenk, hoe onrealistischer mijn onderneming is. Mijn informatie beperkt zich tot drie keer niks. Het enige wat ik me herinner is dat de bus een overwegend groene kleur heeft en dat hij op weg is naar Chela. Ik besef dat ik een speld in een hooiberg zoek. Er rijden hier honderden groene bussen rond en in Chela blijken er twee busterminals te zijn. Is de stad tevens ook het eindstation van de bus of keert hij vandaag nog terug naar Huehuetenango? Ik probeer me voor de geest te halen wat de inhoud is van de achtergelaten zak: mijn winterjas, boeken, een paar geschenken, op DVD gebrande foto´s (mijn enige back-up), het beschilderde spandoek van de kinderen uit La Chureca, ... Vooral die laatste twee dingen doen mijn hart ineenkrimpen. Alle foto´s van Costa Rica en Nicaragua zie ik doorheen mijn vingers glippen. Ik vloek uit zoveel onmacht. Wanneer ik de busterminal bereik, is er bijna een uur verstreken sinds de ontdekking. Er staan met moeite een handvol bussen. Ik ben op de verkeerde plaats afgezet. Een zoveelste microbus zet me even later af aan de hoofdterminal. Ik tel wel vijfentwintig bussen, haast allen beschilderd in het groen. Als een gek loop ik bus op en af, met in mijn kielzog een handvol jongemannen die me proberen een busticket aan te smeren voor duizend en één bestemmingen. Ik probeer hen duidelijk te maken dat ik nergens naartoe moet, maar dat ik radeloos op zoek ben naar een achtergelaten zak. Niemand schijnt me te kunnen helpen, te meer ik zelfs niet eens de naam van de transportfirma ken. Het is een hopeloze zoektocht. De klok tikt onverminderd voort.

Net wanneer ik haast alle hoop heb opgegeven, stapt een buschauffeur op mij af. Er blijkt volgens hem toch nog een waterkansje te bestaan. Als ik op de bus zat die vertrokken is om half twee uit Huehuetenango dan moet ik een kijkje gaan nemen naar het dichtstbijzijnde tankstation. Daar zou hij geparkeerd staan tot morgenvroeg. De man nodigt me uit om met hem mee te rijden en een kijkje te gaan nemen. Tot mijn ongeloof zie ik inderdaad de desbetreffende bus. De chauffeur lijkt allesbehalve verrast wanneer hij me ziet. Zijn brede glimlach voelt aan als een gelukzalige rust die in me neerdaalt tot in de toppen van mijn tenen. Anderhalf uur later, zit ik opnieuw op de bus, ditmaal richting Guatemala City. Op mijn schoot heb ik de verloren zak stevig omklemt. We dommelen samen in...


Dansen op het graf der geliefden...

Guatemala - Todos Santos, 02-11-2008 - (dagboek 4)


Een immense afvalberg en een handvol dronkaards -die de weg naar huis niet meer hebben gevonden-, vormen de stille getuigen op mijn wandelpad richting het plaatselijke kerkhof van Todos Santos. De frisse ochtend geurt naar verschraald bier, braaksel en urinebeekjes. Het feestgedruis van de voorbije dag laat een troosteloze blik na.

Vandaag wordt een punt gezet achter de tiendaagse festiviteiten en verplaatst het epicentrum van het gebeuren zich van het dorpsplein naar het kerkhof. Aan de ingang wachten hoog opgestapelde bierkratten de rouwenden op. De kater van de vorige dag kan hier probleemloos opnieuw worden weggespoeld. De Mam Maya´s gedenken hun gestorven familieleden op de tweede november, op Allerzielen en niet op de eerste, zoals wij dat gebruikelijk en foutief doen. De eerste november, Allerheiligen, is de dag waarop we de heiligen en martelaren dienen te gedenken, maar desalniettemin trekken we er met zijn allen op uit om onze dierbaren te eren. Chrysanten kleuren dan enkele weken lang de grijs-witte grafzerken in een regenboog aan kleuren. Het is een trieste, ingetogen bedoening die mijlenver verwijderd staat van de wijze waarop de bewoners van Todos Santos hun doden eren.

Het kerkhof is een labyrint aan graven waar je nauwelijks langsheen kunt stappen. Elke vierkante centimeter wordt hier ingepalmd. Mochten de doden hun armen kunnen uitspreiden, ze zouden wellicht de grootste menselijke ketting ter wereld vormen. Ik plaats voetje voor voetje tussen cementvormige rechthoekige blokken. De graftombes liggen hier bovengronds en zijn beschilderd in zachte pasteltinten. De kleuren nodigen uit, omarmen me haast feestelijk. Of wordt die indruk ingegeven door de marimbaklanken die hier en daar te horen zijn?

Ik struin rond met de ogen van een kind en probeer me in te leven in de wijze waarop de doden hier worden herdacht. Het gekende sombere tranendal maakt hier plaats voor vreugdevolle taferelen. Ik zie mensen dansen, drinken en eten. Hele families maken er een gezellig uitstapje van, picknick incluis. In hun geloofswereld gaat op Allerzielen de deur tussen deze wereld en de volgende een klein beetje open. De doden komen heel even opnieuw goeiedag zeggen. Dierbaren die je een jaar lang niet hebt gezien kan je maar beter goed ontvangen en dus stroomt de alcohol andermaal broederlijk langsheen de graven. Er wordt gegeten, gedronken, gelachen, gekeuveld en geweend. De familie kondigt hun komst met het nodige lawaai aan. Vlakbij het graf wordt een knaller van formaat afgeschoten waarbij zelfs de meest hardhorige dode een meter hoger springt. Meefeesten moeten ze, of ze nu willen of niet. Wie feest zegt, zegt muziek en dus wordt de grote logge onhandige marimba over de graven gesleurd tot bij zijn of haar geliefde. Muzikanten worden ingehuurd om de dode heel even ten dans uit te nodigen. Een geflirt met de dood, een innige omhelzing om een jaar lang te koesteren. Mannen en vrouwen nemen de gelegenheid te baat om het glas te heffen en voor de zoveelste dag op een rij baadt de stad in een feestroes. Kinderen spelen ondertussen vrolijk verstoppertje tussen de graven, hinkelen speels van graf tot graf en eten ijsjes en lolly´s al waren ze op een pretpark. Vanuit mijn christelijke beleving is deze wijze van herdenking in het eerste opzicht hallucinant, maar hoe langer ik tussen de graven ronddool en vanop de zijlijn toekijk, hoe meer begrip ik kan opbrengen voor dit euforisch gebeuren. Zo zou ik ook wel willen herdacht worden, met een lach en een traan.

Ik merk op dat heel wat graven beschilderd zijn met de kleuren van de Amerikaanse vlag, inclusief witte sterretjes. Na enige rondvraag blijken het graven te zijn van inwoners van Todos Santos die in Amerika zijn gestorven. De massale uitwijking naar het beloofde land (lees: toegestuurde dollars) weerspiegelt zich niet alleen in de twee of meer verdiepingen tellende woningen die ik her en der heb aangetroffen in de stad, maar ook in de Amerikaans getinte graftombes. Tussen het feestgedruis door is er ook plaats voor meer ingetogen momenten. Te midden van het kerkhof hebben familieleden zich verzameld om er een openluchtmis bij te wonen. Onder een gezellig lentezonnetje kijk ik toe hoe gelovigen bidden en zingen ter ere van hun gestorven familieleden. Kaarsen worden bewierookt en gezegend. In de verte weerklinken marimbatonen, vuurwerkknallers, geween en gelach. Een mengelmoes van klanken en gevoelens die naadloos in elkaar overvloeien alsof ze één wereld vormen, één volmaakte cirkel van leven en dood...


Een (zuip)wedstrijd die niemand winnen kan...

Guatemala - Todos Santos, 01-11-2008 - (dagboek 3)


Aan de rand van het dorp stallen enkele jonge meisjes hun kookfornuisje uit. Het kokend vet kringelt vettige dampen en de geur van gebakken goudgele frieten prikkelt mijn reukorganen. Ik vraag me af wie er op dit ochtendlijk ontbijtuur een frietzak met mayonaise en/of ketchup naar binnenwerkt. Even verderop leggen twee mannen de laatste hand aan een houten afspanning.

Ik drentel het parcours af dat binnen anderhalf uur het strijdtoneel wordt van heldhaftige ruiters. De aarden rechtlijnige piste is relatief klein in afstand, vermoedelijk nog geen 200 meter lang. Het is nog vrij rustig. Een onwetende passant zou nauwelijks vermoeden dat er hier straks het grootste feest van Todos Santos zal losbarsten. De enige opvallende figuranten zijn een stel mannen, gekleed in traditionele klederdracht en getooid met een sierlijke hoed vol pluimen. Ondanks het vroege uur zetten ze het al stevig op een drinken. Het is duidelijk dat de mannen hun reputatie als flinke zuipscheuten alle eer willen aandoen en zeker op een dag als vandaag.

Eén november is voor de leefgemeenschap van de Mam Maya indianen niet de dag waarop ze hun gestorven familieleden herdenken -zoals bij ons-, maar een dag dat volledig in het teken staat van de paardenrennen. Urenlang draven weelderig uitgedoste ruiters op die dag over een afgezoomde piste, van punt A naar punt B. Op zich niets bijzonders, ware het niet dat de alcohol ook tijdens de paardenrace rijkelijk vloeit. Omgekeerd evenredig met de stijgende promille in het bloed, verzwakt de alertheid en de greep om de teugels. Het is de kunst om dronken op het paard te blijven zitten. Wie eraf tuimelt, komt er in het beste geval met enkele schrammen vanaf. In het ergste geval bekopen ze hun dronken heldhaftigheid met de dood. De inzet van het tornooi is nihil; een prijzenpot is er niet. Voor de mannen uit het dorp is het een vorm van prestige. Velen onder hen sparen maanden aan een stuk een behoorlijke duit om een dag lang een paard te kunnen inhuren. Het feestelijk gebeuren bestaat al honderden jaren en zou een verwijzing zijn naar de Spaanse conquistadores.

Wanneer ik anderhalf uur later terugkeer naar de plaats van het gebeuren, stroomt de mensenmassa langzaam toe. Tussen het volk zie ik behoorlijk wat toeristen. Todos Santos ligt niet echt op de zogenaamde ´gringo-trail´, maar het jaarlijks evenement op 1 november is voor vele reizigers die op dat moment in Guatemala vertoeven best wel een ommetje waard. Een schel fluitsignaal, gevolgd door aanzwellend geroezemoes en paardenhoeven, luidt het begin van de folkloristische en traditionele paardenwedrennen in. De galopperende paarden laten een stofwolk achter zich en zetten koers naar het andere einde van de piste. De ruiters draven in ware cowboystijl, groeten trots juichend het talrijk opgekomen publiek dat op haar beurt de mannen aanmoedigt tot over de finish die geen eindmeet blijkt te zijn. Ze gunnen zichzelf en hun paarden nauwelijks wat rust, want zodra de laatste ruiter de rangen heeft gesloten, sturen ze hun viervoeters opnieuw de andere kant uit. De mannen slingeren vreugdeketen de lucht in terwijl ze onzacht hun hielen tegen de achterst flanken van hun paard aanporren. Met de snelheid van een afgeschoten vuurpijl draaft het opgejaagde dier voorbij en bereikt briesend en schuimbekkend de overkant.

Ik zie hoe sommige ruiters van de heel geringe pauze aan de stopplaatsen A en B ervan profiteren om wat bij te tanken. Naarmate de wedstrijd goed en wel op gang komt, halen sommigen onder hen steeds vaker hun heupflesje met sterke drank tevoorschijn. De toenemende alcohol zwengelt ook hun bravoure aan. In plaats van de teugels stevig vast te houden, gooien sommigen onder hen hun armen in de lucht, al waren ze Jezus Christus aan het kruis. Eén van hen werpt zijn lichaam daarbij zo fel naar achteren dat ik vrees dat hij zijn evenwicht zal verliezen. De jongeman bereikt evenwel probleemloos de overkant. Een wat oudere ruiter heeft minder geluk. Wankelend in het zadel verliest hij de controle, grijpt naast de manen van zijn paard en dondert met een harde klap tegen de vlakte. In het tumult dat losbarst onder de voorbijstuivende paarden gaat er nog een ruiter tegen de vlakte. Het publiek juicht, jubelt en danst. De laatste man krabbelt in een mum van tijd opnieuw recht. Minder goed vergaat het de andere ruiter. Ik zie hoe hij vertrappeld wordt onder enkele logge paardenhoeven. Het lichaam lijkt wel een voddenpop. Wanneer de stofwolk optrekt, ligt de man roerloos op een hoopje. Zoiets overleeft geen mens, denk ik bij mezelf. Enkele toeschouwers snellen toe en dragen het bewegingsloze lichaam weg van de piste, zonder zich ook maar enigszins te vergewissen van de ernst van zijn lichamelijke toestand en de eventueel opgelopen breuken. De wedren moet immers doorgaan, zonder oponthoud. Ik sta relatief dicht van het slachtoffer en ga polshoogte nemen. De man ligt er versuft bij. Uit een gapende hoofdwonde stroomt donkerrood bloed. Ik kijk enigszins hulpeloos in het rond. Een rode kruis team of een hulppost voor eerste hulp bij ongevallen valt nergens te bespeuren. Wie hier tegen de vlakte gaat, moet maar hopen dat hij het kan beredderen zonder medische verzorging. Het wordt nog surrealistischer als ik zie hoe de zwaar toegetakelde man na tien minuten opnieuw overeind krabbelt en zich opnieuw in de strijd gooit. Onvoorstelbaar!

Niet alleen op de renbaan is het een spektakel van jewelste, ook rondom rond heb ik ogen te kort om alles in te blikken. Zo zie ik hoe groot en klein op de toppen van hun tenen gaan staan telkens wanneer de paarden komen aanstuiven. Kinderen hangen over de houten afsluiting, knijpen hun oogjes dicht tot fijne streepjes voor de minuscule stofdeeltjes die hen tegemoet waaien en houden hun adem in telkens wanneer er een paard rakelings dicht langs hen heen scheert. Aan de overkant tel ik wel honderd mensen die post hebben gevat op het platte dak van een woning. Vanuit hun mirador slaan ze het wervelend spektakel gade. De sfeer is uitgelaten, feestelijk en overdonderend. Ik vraag me af waar Christina blijft. Met veel toeters en bellen deed deze vrouw gisteren haar intrede tijdens de voorstelling van de deelnemende ruiters. Voor het eerst in de geschiedenis zou ook een vrouw zich voor de leeuwen gooien. Of heeft ze zich op het nippertje bedacht en eieren voor haar geld gekozen? Het lijkt me twijfelachtig, want wie eenmaal de belofte aan deelname maakt, kan in principe niet meer terugkrabbelen. Woordbreuk zou immers onvermijdelijk de dood tot gevolg hebben.

Wie deelneemt, moet niet alleen over een heldhaftige wil beschikken, maar tevens ook over een serieuze discipline. Tot negen dagen voor de paardenrace moeten alle ruiters zich volledig seksueel onthouden. Met deze vrome levenswijze zouden ze geluk kunnen afdwingen bij de goden. Iets wat sommigen hier best wel eens aardig kunnen gebruiken, want naarmate de middagzon pal boven de hemel komt te staan, stijgt het aantal dravende zatlappen zienderogen. Daar waar ze in het begin van de wedstrijd de teugels stevig in de handen hielden en met vooruitgestoken borst over de piste raasden, hangen ze nu slap voorovergebogen over hun paard. Ze wankelen, schommelen en zweven in het rond. De middagonderbreking van twee uur zal voor vele ruiters een welkome pauze zijn.

Ik keer stroominwaarts terug naar het dorp. Langs de kant van de weg liggen reeds de eerste slachtoffers van de dag: gesneuvelde dronkaards die hun roes uitslapen. Ik drijf mee met de mensenzee, schoorvoetend. Ook op het dorpsplein is het een drukte van jewelste. Het Todos Santos feest duurt immers tien dagen en lokt ook heel wat Maya´s uit de omringende dorpen. Hier struinen de mensen rond die de paardenrennen wellicht iets te Spartaans vinden. Zij halen liever hun hart op op de kermis. Kraampjes met gesuikerd snoepgoed, perros calients (hotdogs), hamburgers en opgevulde tortilla´s staan strategisch opgesteld om de eerste honger te stillen. Ik zie hoe groot en klein geduldig staat aan te schuiven om een ritje te maken op het reuzenrad. Op een boogscheut daarvandaan spelen jonge gasten computerspelletjes en tafelvoetbal.

Wanneer ik rond twee uur in de namiddag terugkeer naar de plaats waar de ruiters zich opmaken om opnieuw de strijd aan te binden met de dood, begint het te miezeren. Een dichte mist komt opzetten en hult de heldhaftige mannen in een wazige sluier. Aan de mouw van mijn jas parelen dauwdruppels. Typisch herfstweer voor één november. Door de nevelslierten is de zon volledig van het toneel verdwenen en is ook meteen de mooie lichtinval in rook opgegaan. Ik besluit het fotograferen van de paardenrace te laten voor wat het is en nog wat sfeer op te snuiven op het centrale dorpsplein. Bij aankomst zie ik mannen halfdronken dansen op marimbaklanken. Ze schuiven lallend voorbij en houden in hun rechterhand een blikje bier vast. Ze staren me aan met een troebele blik wanneer ik hen digitaliseer. Naarmate de dag inkort en de duisternis valt, verdubbelen de neergevelde dronkaards zich razendsnel. Ze liggen er eenzaam en alleen of in groepjes tegen elkaar aangehurkt, maar steeds op een hoopje. Recht tegenover de kerk zitten er drie ineengezakt tegen de gevel van een muur. Eén van hen ligt in een plas bloed, maar geen mens die er naar omziet. Een vrouw probeert haar dronken echtgenoot mee te sleuren naar huis. Tevergeefs. Overal waar ik kijk, zie ik ze liggen. Ik moet moeite doen om er niet overheen te struikelen. Het beeld van een dorp waar zowat de helft van zijn inwoners boven zijn theewater is, overspoelt me met medelijden. De alcohol verzacht hier wellicht de realiteit van een troosteloos bestaan dat hier de rest van het jaar de boventoon voert. Drinken om te vergeten. De ontnuchtering zal voor velen binnen enkele dagen weer bijzonder groot zijn...

Kijken en registreren vanop de zijlijn...

Guatemala - Todos Santos, 31-10-2008 - (dagboek 2)


Na een deugddoende nacht in het hotel van Selvin Galdino -hartje Huehuetenango-, ben ik gisterenmiddag doorgereisd naar Todos Santos, een bergdorpje ten noorden van Guatemala op een hoogte van ongeveer 2500 meter. Het kostte me behoorlijk wat moeite om een overnachtingsplaats te vinden. Het aantal hospedajes zijn er op een hand te tellen en de eigenaars verhuren liever de kamers aan twee of drie personen dan aan een verdwaalde zwerver. Uiteindelijk vond ik toch een onderkomen bij een lokale familie.

Rond half zes in de morgen word ik rillend wakker van de kou. De kleine rechthoekige ramen van de troosteloze kamer zijn aangeslagen door de frisse morgennevel. Ik trek de klamme dekens wat dichter naar me toe en schuif als een ineengekrompen mummie dieper weg in mijn cocon. Buiten hoor ik de eerste ochtendgeluiden: kraaiende hanen, stromend water, gedempte stemmen. Todos Santos ontwaakt schoorvoetend. Een uur later waait de aroma van verse koffie me tegemoet. Vanop het balkon van het gemeentehuis weerklinken schelle marimbaklanken. Het xylofoonachtig geluid blijft hangen tussen dansende ochtendlijke mistslierten en dompelt de dorpskern in een mystieke sfeer. Enkele vroege passanten kijken vanuit het onderliggende open centrale plein over het dorp uit. Het is voor de dorpsbewoners zowat de meest geliefde plek. Ik ontdek dat je er niet alleen een mooi zicht hebt op het tegenoverliggende kerkplein, maar dat je ook perfect in staat bent om vanhieruit de centrale hoofdstraat af te speuren. Het moet zowat de enige plaats in het dorp zijn waar voyeurisme oogluikend wordt toegelaten. Voor de kerk staan twee immense molens, logge ijzeren reuzenratten met wiebelende schommelzeteltjes. Ze stralen pure, hemelse nostalgie uit.

Een dag lang kijk ik geamuseerd toe hoe het kille bergdorpje langzaam tot leven komt, hoe de Mam Maya indianen hun dorp inpalmen en opvrolijken met hun kleurrijke traditionele klederdracht. Vooral de mannen overtreffen deze keer alle schoonheid. Jong en oud is getooid in rode broeken met verticale witte strepen en een wit gestreept hemd met een geborduurde blauwe kraag. Als hoofddeksel dragen ze een strooien sombrero met blauwe band. Sommige van hen dragen boven hun rode broek nog een korte zwarte broek die meer iets wegheeft van een openstaande voorschoot. De vrouwen zien er dan weer opvallend klassiek uit in hun effen donkerblauwe rokken en hun geweven blouses, ´huipiles´ genaamd.

Ik hou ervan om aan de zijlijn te staan, te kunnen waarnemen en observeren. Mijn ogen de kost te geven en te genieten van die kleinschalige wereld om me heen. Ik zoom in, van breed naar detail, van groot naar klein. Mijn ogen registreren zonder verplichting, zonder dwang. Ik laat de pellicule van de filmband ongestoord opnemen, zonder enige regieaanwijzing, zonder enige onderbreking. Het leven zoals het is, puur en alledaags, maar precies daarom zo intens en levensecht: de kippenverkoopster op de hoek van het kerkplein, de grootvader zittend naast zijn kleinkind; -een oude blik, in gedachten verzonken en daarnaast verwonderlijke oogjes naar die hoge hemel starend, naar dat intrigerend draaiend rad-, de fruitjongen met zijn wankel winkeltafeltje net groot genoeg om zijn waren uit te stallen; een tiental maanvormige watermeloenschijfjes, drie hartsvriendinnen één en al in vervoering door de aandravende paarden die hun intrede doen voor de grote paardenwedren van morgen. Momentopnames in het klein, zoals ik ze het liefst heb en die mij nogmaals doen beseffen welk voorrecht ik heb een doodgewone waarnemer te mogen zijn...

De romantiek van het reizen per bus...

Guatemala - Huehuetenango, 29-10-2008 - (dagboek 1)

Bij aankomst in de busterminal van Zona 1 word ik meteen belegerd door een handvol taxichauffeurs. Als vliegen zwermen ze om me heen. Eentje grijpt zelfs ongevraagd mijn rugzak vast en duwt me met lichte dwang in de richting van zijn openstaande taxi. Ik heb nog nooit hoog opgelopen met deze jachtige meute ´koerierhandelaars´ en hier zeker niet. Ze doen totaal geen moeite om zich in te leven in de versufte wereld van een reiziger die er net een helse busrit van bijna twintig uur op zitten heeft. Even op adem komen, de benen strekken, verse lucht happen,... Vergeet het maar. Het zijn één van die momenten waarop de romantiek van het reizen ver zoek is.

Ik negeer ze één voor één en wend me tot de veiligheidsagent van de terminal. Op mijn vraag of de taxichauffeurs te vertrouwen zijn, is het antwoord niet echt bevestigend. ´Mas o menos´ (tussen de twee) is voor mij onvoldoende om met een gerust hart in een taxi te stappen. Wanneer ik aandring en vraag of hij niemand persoonlijk kent, wijst hij er één aan en roept hem bij zich. De aangeduide taxichauffeur drukt mij op het hart dat hij te vertrouwen is en dat ik niets hoef te vrezen. Bij het instappen leg ik nog twee voorwaarden op: ´voor niemand stoppen´ en ´alle deuren op slot doen´. Je kan taxichauffeurs maar beter meteen duidelijk maken dat ze niet zomaar een zoveelste achteloze toerist vervoeren.

Bij aankomst in de andere terminal staat de bus naar Huehuetenango reeds vertrekkensklaar, maar het duurt nog ruim anderhalf uur voor de chauffeur ook definitief de motor start. De bus is stukken comfortabeler dan de vorige en dus profiteer ik ervan om het tekort aan nachtrust wat in te halen. Dit is evenwel buiten de waard gerekend van ambulante verkopers die de lange busritten gretig aangrijpen om hun waren aan te prijzen. Hun verkoopstechniek bestaat uit een lang uitgesponnen ´voorspel´ waarbij ze een soort interactie weten tot stand te brengen tussen koper en verkoper. Ze spelen daarbij vaak in op het sentimenteel gevoel van de reiziger. Het zijn geboren acteurs die het publiek naar hun hand weten te zetten. Om ook de achterste passagiers warm te maken voor hun producten, zetten ze hun keel wagenwijd open waardoor elke poging om in te dommelen een maat voor niets is.

Wanneer ik eindelijk denk dat de parade aan verkopers voorbij is, stapt een gladgestreken jongeman in drieledig maatpak op. In zijn hand omklemt hij een boek in zakformaat, gewikkeld in een leren etui. Na een korte begroeting neemt hij ostentatief plaats halverwege de middengang en slaat hij zijn boek open. Wat volgt tart haast elke verbeelding. Met een nooit geziene overgave begint de jonge kerel het woord van God te prediken. Hij verheft daarbij zijn stem zo hoog en luid dat die vaak de mist in gaat, maar daar stoort de predikant zich allerminst aan. Telkens wanneer ik denk dat zijn spraakwaterval eindelijk is opgedroogd, lanceert hij een nieuwe aanval. Zijn bekeringswoede voor God en de Bijbel groeit uit tot ware hysterie. Brullend als een gek waarschuwt hij eenieder die het maar horen wil hoe het onheil boven onze hoofden hangt. Hij zwaait molenwiekend in het rond en slaat daarbij in cadans op zijn bijbel. Af en toe staat hij even stil, lijkt hij op te gaan in een trance en spreekt hij bezwerende toverformules uit. Het schouwspel is hallucinant en meelijwekkend tezelfdertijd. Tientallen kilometers verder komt hij eindelijk tot bedaren en doet hij een collecte. Tot mijn verbazing zie ik dat mensen gretig in hun handtas en portefeuille graaien. Het koppel dat schuin tegenover me zit, geeft een meer dan royale duit. Ik zie dat zelfs de jongeman aangenaam verrast is en uit dankbaarheid voert hij zijn nummertje als duivelsuitdrijver nog eens op. Mijn hoofd staat inmiddels op barsten en ik moet me echt inhouden om de man niet het zwijgen op te leggen. Ik heb er geen probleem mee dat mensen geloven, maar val andere mensen daar toch niet mee lastig.

Uiteindelijk stapt de zieltjesveroveraar af van de bus. De rust keert eindelijk terug, maar het kwaad is evenwel geschied. Mijn barstende hoofdpijn en de slingerende weg doorheen de bergen doen me grijpen naar een plastiek zak. Even later wordt de jankende motor van de bus overstemd door mijn kokhalzend geluid. Stinkend braaksel gulpt in stroomstoten uit mijn mond. In een flits moet ik terugdenken aan mijn dolle rit boven de Nascalijnen in Peru. Ook toen vulde de lucht zich met de pregnante geur van kots. Telkens ik denk dat het ergste voorbij is, beginnen mijn darmen zich opnieuw in allerlei bochten te wringen. Ik kots ze haast uit mijn lijf.

Rond half vier bereiken we eindelijk de terminal van Huehuetenango. Ik voel me als een dolend wrak en heb zin om het eerste beste hotel binnen te lopen en in bed te kruipen. Ik heb evenwel via de couchsurfing-organisatie een bed aangeboden gekregen bij Selvin Galdino, de eigenaar van het Cascade hotel. Gelukkig bevindt het bewust hotel zich op een boogscheut van het busstation. Na een korte kennismaking, plof ik met kleren en al op bed. Het is mij nogmaals duidelijk, ik ben geen geboren busreiziger...