

Mijn uitstapje heeft alles te maken met een mail die ik enkele weken geleden toegestuurd kreeg van Carl Bols, de man uit Muizen bij Mechelen die ik op mijn trip naar Antarctica heb ontmoet. Daarin somde hij enkele reistips op die hij me ten zeerste aanprees. De tip om 1 november te vieren in Todos Santos, ten noorden van Guatemala, leek me een ommetje meer dan waard. Het zoeken naar een geschikte bus kostte me evenwel meer moeite dan verwacht. Ocotal, de plaats waar ik was aanbeland, leek niet meteen de ideale opstapplaats te zijn. Na veel wikken en wegen, viel de keuze uiteindelijk op León. Daar vertrekt een rechtstreekse bus die ´s morgens aankomt in Guatemala City. Vooral het tijdstip van aankomst bij de twee andere busmaatschappijen (rond middernacht) baarde me wat zorgen. Zowat alle bussen komen toe in Zona 1, zowat de meest onveilige buurt in Guatemala City. Goed wetende dat de criminaliteit bij het invallen van de duisternis drastisch toeneemt, viel de keuze uiteindelijk op een vertrek uit León.
Bij aankomst aan de terminal blijkt de langeafstandsbus een grote oude rammelende gele Amerikaanse schoolbus te zijn. Ik slaak een zucht van wanhoop, want ook al roepen deze bakbeesten filmische nostalgie op, de werkelijkheid is evenwel net ietsje anders. Mijn ogen vallen meteen op een opschrift dat achteraan op de ruit is bevestigd. "Sali con Díos. Si no regreso me fue con el." (Vertrokken met God. Als ik niet terugkeer, ben ik weg met hem.) Het ontbreekt de buschauffeur alvast niet aan humor. Als ik opstap, zit de chickenbus (zo worden die bussen hier genoemd) haast stampvol. Een pregnante geur van zweet verwelkomt me. Dat belooft en de reis moet nog beginnen. Ik vind een vrij plaatsje op de derde zitbank vooraan de bus. Nu ja, vrij... Nauwelijks vertrokken, pikt de chauffeur nog een dozijn reizigers op. Een goed in haar vel zittende dame met een achterwerk waarop je een huis kunt bouwen ploft zich naast me neer. Ik probeer nog wat terrein te winnen, maar haar vleesmassa blijft zich tegen me aanhurken. Ik kijk zijdelings langsheen mijn brillenglazen naar haar boezem. Ze lijken rechtevenredig met haar onderkant. Wie weet kunnen ze nog van pas komen als hoofdkussen wanneer ik vannacht wegdoezel, zoniet als schokdemper in de scherpe bochten....
Er volgt een helse rit, tussen slapen en ontwaken. Achttien uur lang inhaleer ik okselgeur en een potpourri aan specerijen. Telkens de bus stopt (en deze bus lijkt op dat vlak zowat alle records te verbreken) worden we belegerd door een handvol vrouwen en kinderen die leuren met een halve menukaart. Aan diversiteit geen gebrek. De vrouw naast me lijkt haar honger niet te kunnen stillen. Ik erger me niet zozeer aan haar vraatzucht, maar wel aan het feit dat al het bijhorende afval, papier en plastiek, zonder verpinken door het raam wordt gekatapulteerd. Als ik haar na een zoveelste aanslag op het milieu vraag of de openbare weg de vuilnisbak is, lacht ze me bevestigend toe. Het ontbreekt de Latijns-Amerikanen aan goodwill om ook maar iets te ondernemen tegen de gigantische milieuvervuiling die in hun land ongekende proporties aanneemt.
In iets meer dan achttien uur tijd doorkruisen we heel El Salvador en steken maar liefst drie grensovergangen over. Vooral dat laatste zorgt voor het nodige oponthoud. Bij elke grenscontrole moeten we met zijn allen de bus uit en wordt ons paspoort aan een grondige controle onderworpen. Ook de bagage ontsnapt op een bepaalde plaats in El Salvador niet aan een gedegen fouillering. Op het smokkelen van drugs bestaat ook hier een nultolerantie. Uiteindelijk komen we om half zeven in de morgen aan in Guatemala City. Ik ben ei zo na reeds twintig uur onderweg en het einde is nog niet in zicht. Hopelijk wordt de lange trip ook beloond...
Heleen Neirynck zette hier in april 2008 voet aan wal, in opdracht van het Belgische Volens. Deze erkende NGO (niet-gouvernementele organisatie) heeft als hoofdactiviteit het inzetten van ngo-coöperanten. Mensen die stuk voor stuk een solidair engagement in zich dragen en on the field werkzaam zijn op die plaatsen in de wereld waar hulp, kennis en ervaring meer dan welkom zijn. Heleen is één van hen; iemand met een diepe goesting om 'in de wereld' te leven en 'van de wereld' te zijn. Sinds enkele maanden is ze hier in Ocotal aan de slag bij UNAG, de Belgische Boerenbond laat ons maar zeggen, maar dan in een Nicaraguaans kleedje gestopt. Ze is er de stuwende kracht in het uitdenken, plannen en realiseren van hoe je landbouwproducten op een alternatieve wijze kan verwerken. De vruchten krijgen soms een nieuw bestaan in de vorm van snoepjes -Nicaraguanen zijn nu eenmaal dol op alles wat ook maar enigszins zoet is- en leveren daardoor op de lokale markt een meerprijs op voor de boeren.
Bij aankomst krijg ik dan ook meteen haar laatste nieuwe aanwinst voorgeschoteld: sinaasappelbonbons. Het experiment is nog in een beginfase en dat proef ik ook. Maar binnen de muren van de keuken is het bereiken van perfectie nu eenmaal een lang af te leggen weg. Haar zelfgemaakte vegetarische lasagne -Jezus, ik kan me de tijd niet meer herinneren dat ik dit nog heb gegeten- worden door mijn smaakpapillen iets uitbundiger onthaald. De zon priemt moeiteloos doorheen de glazige, donsachtige wolkenflarden heen en straalt een zomers gevoel uit over de grote patio waar weelderig groen de boventoon voert. Het wordt een lome, zonnige zondag zoals ik die het liefst heb. Eentje waar de tijd voorbij kruipt; waar ernstige gesprekken worden afgewisseld met leuke anekdotes, grappen en grollen; waar de dampende koffie wordt verrijkt met wat zoets en waar het moetende moeten niet van de wereld is.
In de verte horen we af en toe toeterende wagens, schelle megafoons en jengelende propagandamuziek. Ook op zondag en in Ocotal blijft de campagne voor de komende gemeenteraadsverkiezingen onverminderd doorgaan. Het gesprek krijgt door wat er zich buiten de muren afspeelt, ook binnen de rustgevende patio af en toe een politiek kleurtje. Ik vraag aan Heleen of Nicaragua de millenniumdoelstellingen -acht belangrijke ontwikkelingsdoelen waarover de internationale gemeenschap het in 2000 eens werd- tegen 2015 zal halen.
Deze 8 doelstellingen zijn:
- extreme armoede en honger uitbannen
- alle kinderen moeten naar school kunnen gaan
- mannen en vrouwen hebben dezelfde rechten
- kindersterfte moet sterk afnemen
- drastische daling van stervende vrouwen door zwangerschap
- halt toeroepen aan aids en malaria
- een duurzamer leefmilieu voor iedereen
- eerlijke handel, schuldverlichting en hulp
Heleens antwoord is klaar en duidelijk. Ze is ervan overtuigd dat Nicaragua er nog mijlenver van verwijderd is. "Ortega onderneemt wel degelijk stappen in de goeie richting, maar het probleem is dat deze opgestelde doelstellingen als maatstaf worden gebruikt om de armoedegraad in de ontwikkelingslanden te bepalen. De maatstaf van een dollar per dag – voor de Wereldbank de grens waaronder de absolute armoede begint – weerspiegelt bijvoorbeeld niet de echte kosten van levensmiddelen. Toch ben ik niet volledig pessimistisch over de verre toekomst van dit land. Ik denk dat het Ortega-regime wel degelijk een regime is dat sinds lang (lees: door de vele liberale leiders van de jaren ´90) actief een armenbeleid voert (= una política pro-pobre). ´Armen´ zijn wel degelijk een specifieke doelgroep in zijn beleid."
"Is zijn ´Hambre Cero´-programma om de armoede en de honger op het platteland aan te pakken één van die goeie zaken?"
"In zekere zin wel, al vrees ik dat dit echter een druppel is op de hete plaat. In eerste instantie lijkt het een briljant en oersimpel concept. Geef de allerarmsten een koe, een varken, enkele kippen, wat zaaigoed en een beetje materiaal om er een hok mee te bouwen en laat ze zelf het hef in eigen handen nemen."
"Ik kan aannemen dat dit op papier mooier oogt, dan in werkelijkheid."
"Dat klopt, er zijn in het begin dan ook heel wat fouten gemaakt. Zo gebeurde het wel vaker dat het gezin de gratis verkregen kleine veestapel opat. Hoe zou je zelf zijn als je honger lijdt. Of in andere gevallen werd het gewoon verkocht. Maar inmiddels heeft men deze kinderziektes overwonnen. Het pakket is van in den beginne ook aan de vrouw van het gezin gegeven, omdat men ervan uitgaat dat zij beter het huishouden kan besturen dan de man en zij de continuïteit in het gezin vertegenwoordigt. Van het pakket dat men in nature krijgt moet er uiteindelijk slechts 20 % terugbetaald worden. Een volledige terugbetaling is voor velen een onmogelijke zaak, omdat het hele pakket zo'n 2000 dollar kost, wat voor de arme Nicaraguaanse gezinnen een gigantische som is. Bovendien is er ook heel wat ondersteuning van diverse organisaties die erop toezien dat de boel blijft draaien. Maar ik blijf evenwel een beetje septisch. Hulp ´geven´ heeft gewoon geen zin. Zeker niet op lange termijn. Armoede is een structureel probleem, en daar moet iets aan gedaan worden..."
"Zie je dan een uitweg voor dit land? Kan de armoede hier ooit een halt worden toegeroepen?"
"De armoede in Nicaragua zal niet afnemen zolang de inkomensverdeling niet evenwichtiger wordt. De Wereldbank meldde vorig jaar dat Nicaragua in Latijns-Amerika tot de landen met de grootste inkomensongelijkheid behoort. Tien procent van zijn inwoners verdient evenveel als de rest van de bevolking. Nicaragua kan niet op eigen kracht uit de armoede klauteren. Een echte uitweg om het armoedeprobleem op te lossen zie ik morgen nog niet uit de bus komen, temeer ik mijn bedenkingen heb bij elke vorm van eenheidsworstige en planmatige aanpak."
"Moeten er in de eerste plaats niet andere mensen aan het bestuur komen van dit land?"
"Ik denk dat Nicaragua competente leiders verdient, tout court. Of die dan puur rood, of gevlekt rood zijn of zwart of groen of blauw, maakt weinig uit. Het klinkt ´tsjeverig´, maar met een beetje goed bestuur en wat visie, zou er al veel kunnen veranderen..."
Wanneer ik uiteindelijk mijn fietstassen uitpak is de zon reeds lang achter de horizon verdwenen. De nacht is al volop aan het pootje baden in de duistere vijver die ons langzaam maar zeker omsluit. Morgen las ik een rustdag in en hak meteen ook de knoop door in verband met een vroegtijdig uitstapje naar Guatemala. Maar dat is voer voor een volgend dagboekverslag.




Eenmaal de eerste honger van de dag is gestild, spring ik achter op de moto die me doorheen de drukke ochtendspits loodst. Na een twintigtal minuten slaan we een aarden zijweg in. We bevinden ons aan de buitenrand van Managua, aan de achterkant van La Chureca. Door de hevige neerslag van de voorbije weken is de weg herschapen tot een modderpoel. De banden slippen gevaarlijk weg en heel even vrees ik dat we een onzachte landing zullen maken, maar Ruben kent dit terrein door en door. Hij walst er zich moeiteloos doorheen. We rijden voorbij schamele huisjes, schoendozen opgetrokken uit plastiek, karton, hout en golfplaten; huisjes uit recycleermateriaal. Sjofel geklede bewoners onderweg naar ergens en nergens begroeten ons.
We stoppen voor een omheining waarachter twee beschilderde containers staan onder een open kleine loods. Het zijn de klasjes van ´Juntoscontigo´. Ik word verwelkomd door een tiental glunderende gezichten. De kinderen zijn ijverig bezig een spandoek aan het beschilderen. In één van de containers staan een vijftal computers opgesteld, in de andere staat een bibliotheekkastje met wat leesboeken. Er hangen foto´s van Janneke Herrebout, de oprichtster van ´Juntoscontigo´. Ze wordt omringd door lachende gezichtjes. Tussen de fotocollage merk ik ook een vergeelde polaroid foto op. Ik zie een kleine blootvoetse dreumes die een karretje voor zich uitduwt; een momentopname uit een alledaagse werkelijkheid. De foto werd genomen door Janneke zelf, tijdens haar eerste bezoek. Het beeld bleef Janneke evenwel achtervolgen. Ze vond dat ze iets moest doen voor de kinderen van La Chureca en richtte de organisatie ´Juntoscontigo´ op die als logo een speelse benadering kreeg van het beeld waar alles mee begonnen is.
Onder begeleiding van nog twee vrijwilligers neemt Ruben me mee naar een andere wereld, een plaats waar je waardigheid en zelfrespect heel even aan de kant moet zetten om te kunnen leven en overleven. Naarmate we de basurero (vuilnisbelt) bereiken, wordt de stank haast ondraaglijk. De geur van rottend restafval is nauwelijks te harden. Zo ver het oog reiken kan, ligt vuilnis uitgespreid. Het landschap is golvend surrealistisch en wordt nog versterkt door wachtende stootkarren op de top van een afvalheuvel. Het is de ophaaldienst van de tussenpersonen die het recycleermateriaal opkopen en die dus net een stapje hoger staan op de basurero-ladder. We klauteren over metershoge afvalbergen en ik voel hoe mijn Teva-sandalen wegzakken op een drassige bodem van wegterend afval. Wanneer we op de plaats komen waar de vrachtwagens het afval uitkieperen, is het beeld haast apocalyptisch. Ik kan mijn ogen nauwelijks geloven. Een wriemelende mensenmassa, gewapend met een hark, grabbelt tussen een zee aan afval. Ik zie kinderen van hooguit tien jaar oud met verweerde gezichten waaruit elke jeugdigheid lijkt te zijn verdwenen. Ze scharrelen als kippen op zoek naar alles wat maar enigszins bruikbaar is. Telkens er een nieuwe vrachtwagen het terrein oprijdt, vliegen de afvalzoekers als aasgieren op de nieuwe lading. Sommigen harken reeds in de afval nog voor de chauffeur van de vuilnisophaaldienst zijn vracht heeft gelost. Hier overheerst ´the survival of the fittest´-wet. Eenmaal de vrachtwagen zijn lading begint uit te kieperen, hebben tientallen mannen, maar ook vrouwen zich reeds geschaard rond de hellende laadbak. Het afval valt in horten en stoten voor hun voeten waar ze als bezetenen in harken. Alles wat maar enigszins geld kan opbrengen, rapen ze met de blote hand op en verdwijnt vliegensvlug in hun grote jutezak die om de schouders is gebonden. De concurrentie is hier moordend. Ze staan vaak zo dicht te drummen dat ze letterlijk bedolven worden onder de afval. Eenmaal de vrachtwagen zijn lading heeft gedumpt, kringen de aasgieren samen en harken ze erop los. Wie eerst zaait, eerst maalt. Sommigen gaan zelfs bovenop de nieuwe lading afval staan in de hoop het meest waardevolle eruit te kunnen pikken. De meest onvoorstelbare rommel brengt op allerlei parallelle markten nu eenmaal wat geld op en voorziet de afvalzoekers en hun familie in hun bestaan.
Enkele maanden geleden, vlak voor het regenseizoen uitbrak, werd de reusachtige vuilnisbelt van Managua bijna een maandlang bezet door enkele honderden volwassenen en kinderen. De vrachtwagens van de stedelijke vuilnisophaaldienst werden de toegang verhinderd. Wekenlang stapelde het vuil zich op in de snikhete straten van de hoofdstad, met alle onhygiënische gevolgen vandien. De inzet van de strijd was dan ook niet onbelangrijk. Door de grote internationale vraag aan bijvoorbeeld koper en metaal steeg de waarde van deze producten de laatste tijd aanzienlijk. De bedienden van de ophaaldienst wilden maar wat graag hun graantje meepikken en selecteerden deze materialen uit het vuil voor ze de afval op de vuilnisbelt dumpten. De armoezaaiers zagen deze praktijken als een aanslag op hun broodwinning en een vorm van oneerlijke concurrentie. De opstand van de havelozen duurde bijna vier weken. Ze hielden hun slag thuis.
Aan de rand van de immense basurero zie ik haastig in elkaar geflanste huisjes uit afvalmateriaal. Naar schatting wonen er achthonderd mensen op de vuilnisbelten, een goeie 240 families. Het aantal kinderen wordt op een 300 geschat. Op piekdagen zijn er soms tot 1500 mensen aan de slag in La Chureca. Vele havelozen komen afgezakt van buiten de vuilnisbelten. Tussen de scharrelende menigte merk ik enkele koeien op. Ze zoeken voedsel tussen het afval. Blijkbaar zijn ze eigendom van een rijke landeigenaar. Ze worden ongemoeid gelaten omdat de armoezaaiers het anders aan de stok krijgen met de rijke Nicaraguaan die blijkbaar voldoende politieke vriendjes heeft om hen van de vuilnisbelt te verjagen. Wanneer één van de afvalzoekers naast me komt te staan, vraag ik hem hoeveel het afval opbrengt. Vaste prijzen zijn er blijkbaar niet. Petflessen leveren momenteel 3 Cordoba (10 eurocent) op voor 1 kilo; ijzer gaat van de hand voor 10 Cordoba (33 eurocent) het kilo. De afvalzoekers zijn volledig overgeleverd aan de tussenhandelaars die het gerecycleerd afval opkopen. Ze bepalen hun overlevingseconomie.
Gemiddeld werken de afvalzoekers hier een zestal uren per dag, vaak onder een verschroeiende hitte en in een niet te harden stank. Het werk is niet alleen ontzettend ongezond, maar tevens ook vrij gevaarlijk. Giftige chemische producten allerhande en scherpe voorwerpen als glas en naalden maken nu eenmaal ook deel uit van de grote afvalberg. De basurero is in de loop der jaren uit zijn voegen gebarst en grenst aan het Lago van Managua. Naast de zware industrie die er zijn hand niet voor omdraait om zijn afval te lozen in het meer, zorgt ook de vuilnisbelt voor de nodige vervuiling. Als je bedenkt dat de straatarme stakkers vis uit dit meer moeten halen om in hun levensbehoeften te voorzien, is de situatie des te schrijnender. Ook het voedsel dat hier wordt aangetroffen, komt vaak ´s avonds op de eettafel terecht. Vorig jaar stierven drie kinderen aan de gevolgen van een salmonellavergiftiging. Ze hadden een doos bonbons gevonden en die opgegeten. In de verte zie ik een viertal kinderen. Ze ploeteren tussen de vuilnis en sjouwen takken en plastiek. Ze lopen op teenslippertjes en dragen besmeurde gescheurde kleren. Wanneer ze me zien toveren ze een glimlach te voorschijn en steken als teken van groet hun vuile handjes in de lucht. Ook volwassenen begroeten me en lijken zich niet te storen aan mijn digitale blik. Ondanks de onmenselijke omstandigheden waarin ze leven, hebben ze hun warme glimlach weten te behouden. Op een bepaald moment zie ik twee agenten tussen de menigte. Ik vraag Ruben hoe het gesteld is met de criminaliteit. Hij minimaliseert het geweld in La Chureca en zegt dat de media alles nogal opblaast. Door de negatieve vormgeving in de pers, ontstaat er een soort stigmatisering waardoor jongeren nog moeilijker een kans maken op de arbeidsmarkt. Bewoners van Acahualinca worden automatisch geassocieerd met verdorven personen. Doordat ze in een negatief daglicht worden gesteld, komen ze terecht in een vicieuze cirkel en zijn zo generatie na generatie afhankelijk van de basurero. Ik vermoed dat het geweld er toch schering en inslag is; tenslotte zijn het allemaal kansarmen die in dezelfde afvalvijver moeten vissen. Waar competitie is, heerst afgunst en haat. In el basurero zal dat zeker niet anders zijn.
Wanneer we terugkeren naar de liefdevolle, tedere wereld van Juntoscontigo zijn de kinderen volop in de weer met rekensommetjes te maken. Ze gluren wat verlegen op vanuit hun schriftjes. Juntoscontigo is slechts een straat verwijderd van de basurero, maar het lijkt alsof ik me op een andere planeet bevind. De geur, de omgeving, de glunderende gezichtjes,... het haalt me heel even weg uit die andere wereld van daarnet. Juntoscontigo doet dit ook, met woord en daad. Ze doen de kinderen heel even de erbarmelijk leefomstandigheden vergeten waarin ze dag in dag uit leven. De organisatie zal het leven en overleven op de basurero nimmer kunnen te niet doen, maar dat is ook hun doel niet. Trouwens zolang er onrechtvaardige armoede bestaat, zal ook deze plek nooit ophouden te bestaan. Voor het afscheid overhandigen ze me nog een zelfgemaakt geschenk: het beschilderde spandoek waar ze deze morgen druk mee in de weer waren. In sierlijke letters prijken de woorden ´Grégory Dios bendiga tu viaje´ (Grégory, God zegent je reis). Een zoveelste onvergetelijke bladzijde, een zoveelste dimensie aan het zwervend kunstwerk van weleer...
Wanneer Ruben me terugbrengt naar het stadcentrum dat een dag en een nacht verwijderd ligt van ´La Chureca´, moet ik terugdenken aan de woorden van de Marokkaanse atlete Nawal El Moutawakel. In 1984 won zij de eerste gouden Olympische medaille over de 400 meter horden voor haar land en continent. Haar vastberadenheid en emancipatie hebben haar dit jaar inmiddels tot minister van Jeugd en Sport geschopt. In een interview zei ze onlangs: "Grote successen beginnen niet in grote stadions. Het begint met één persoon die zegt: Ik kan het!" Het hadden de woorden kunnen zijn van Janneke Herrebout...


´El Mercado Heumbes´ boeit me niet echt of treedt er ook hier stilaan een vorm van gewenning op? Ik besluit dan maar om een kijkje te gaan nemen naar ´el paraque de la Paz´, het vredespark. Op het eind van de contraoorlog werd het aangelegd als een soort oorlogsmonument. Het park straalt niet bepaald een rustgevende, vredelievende indruk uit. De desolaatheid is er beangstigend. Ik voel me niet honderd procent op mijn gemak, temeer omdat deze plek er geen goeie reputatie op na houdt inzake veiligheid. Het park heeft iets onwerkelijks, lijkt ook nauwelijks op een park, en wordt gedomineerd door een halve amfitheater met in het midden een grote witte metalen vuurtoren. Ik heb er het raden naar wat de connectie kan zijn met de ´vuile´ oorlog. Vuurtorens associeer ik met een veilige baken te midden van een woelige zee. Misschien dat hier het licht de vrede symboliseert. Wat verderop staat een verroeste tank overgoten door een sausje cement. Het plompverloren stukje antiek wordt opgevrolijkt door plukjes onkruid.
Op een grote betonnenmuur dat ontsierd wordt door graffiti, zie ik metalen naambordjes van figuren die een grote rol hebben gespeeld in de woelige oorlogsjaren van Nicaragua. De naam van George Bush, de opvolger van Reagan als president van Amerika, lijkt me een beetje een vreemde eend in de bijt. Alhoewel. Bush was, net als zijn voorganger, een felle tegenstander van het communisme. Nadat Nicaragua zowat economisch bankroet was door de contraoorlog -materieel en financieel gesteund door de V.S.- zette hij de toenmalige sandinisten onder druk om nieuwe verkiezingen te houden. Zij waren via eerlijke verkiezingen aan de macht gekomen in 1984. Daniel Ortega en zijn aanhangers probeerden het sandinistisch gedachtengoed (herverdeling van de gronden, uitbouwen van sociale voorzieningen en gratis onderwijs) verder te zetten. De totaal ontwrichte economie en de eindeloze contraoorlog dat handenvol geld kostte -en de uitbouw van een sociaal beleid volledig in de weg stond-, deden voor vele sandinistische aanhangers het tij keren. Ze beseften dat Nicaragua onder het huidig sandinistisch bewind geen schijn van kans had. De nieuwe verkiezingen in 1990 werden een nederlaag voor Daniel Ortega en de zijnen. De moegestreden bevolking stemde Ortega weg en koos voor de conservatieve en door de Verenigde Staten gepromote presidentskandidate, Violeta Chamoro.
´s Avonds vraag ik aan de Belg en gewezen vaste cameraman van wijlen Dirk van de Sypen, Jan van Bilsen, in welke mate Violeta een stempel heeft gedrukt op het hedendaagse Nicaragua. "Het was politiek gezien geen grote madam, maar toch is ze erin geslaagd om de strijdende partijen rond de tafel te krijgen en dit op een haast naïeve wijze. Zo in de trant van ´Kom jongens, hou nu eens eindelijk op en laat ons dat hier eens uitklappen.´ Simpeler kan haast niet. Maar ondanks het feit dat ze de vredespluim terecht op haar hoed mag zetten, bleef ze wel een marionet voor de Amerikanen. Zo schold ze Amerika de immense schadeclaim weg die het Internationaal Gerechtshof van Den Haag had opgelegd omwille van hun openlijke steun aan de contra´s."
"Waren haar opvolgers dan grotere politieke figuren?" Jan kan met moeite zijn glimlach onderdrukken. "Groot? Ja, als het erop aankwam om hun eigen zakken te vullen. Zowel Enrique Bolaños als Aleman hebben massaal de staatskas leeggeplunderd. Aleman is uiteindelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar wegens het witwassen en verduisteren van overheidsgeld. Nu ja veroordeeld, laat ons zeggen dat hij huisarrest heeft gekregen in zijn luxueuze ranch even buiten Managua. Aleman en de huidige president Ortega hebben het op een akkoordje weten te gooien om zichzelf zoveel mogelijk buiten schot te zetten. In ruil voor huisarrest werd de politieke onschendbaarheid van Ortega niet opgegeven waardoor hij buiten vervolging wordt gesteld voor het jarenlange seksuele misbruik met zijn stiefdochter."
Dat Jan van Bilsen geen hoge pet opzet met de huidige president Ortega heb ik vorige week tijdens mijn boeiend gesprek meermaals kunnen vaststellen. Vooral zijn dictatoriale trekken zijn hem een doorn in het oog, alsook zijn immense macht. Ortega´s politieke macht reikt zelfs tot het Opperste Gerechtshof -vandaar ook het pact met de gewezen president Aleman- en de Nationale Kiesraad. Zo is hij erin geslaagd om de rechtspersoonlijkheid van enkele kleine politieke partijen in te trekken waardoor ze niet kunnen meedingen voor de komende gemeenteraadsverkiezingen van 9 november aanstaande. De versmalling van de democratische speelruimte werd ook niet bepaald op gejuich onthaald op de ambassades van de donorlanden. Hun hulpfondsen maken zo maar eventjes 65 procent uit van de nationale begroting. In een openlijke brief fulmineerden ze hun bezorgdheid uit over de verschrompelde democratie. De open brief die door de vertegenwoordigster van de Europese Unie in Nicaragua, de Italiaanse Fransesca Mosca, werd overhandigd aan de Nicaraguaanse vice-minister van Buitenlandse zaken, verscheen ook in de nationale kranten.
"Ortega was woedend en maakte een dag later in een toespraak een toespeling op de achternaam van de EU-vertegenwoordigster, Mosca (vlieg in het Spaans). Zo zei hij letterlijk: ´Het zijn echt vliegen die steeds op hetzelfde vuil zitten en ons een lesje in democratie willen geven.´"
"Ik vermoed dat dit niet alleen zijn persoonlijke imago ten goede komt, maar evenzo serieuze gevolgen kan hebben voor Nicaragua."
"En of, zo heeft Zweden na bijna 20 jaar hulp, aangekondigd de samenwerking stop te zetten en ook Engeland is reeds volop bezig zijn financiële programma´s af te bouwen. Maar wat ik het ergste vind, is dat er daar niemand van de Europese Unie uit zijn luie zetel veert en mijnheer Ortega serieus op zijn vingers tikt. Hij kan ongestoord zijn gang gaan, terwijl mensen die het goed menen, zoals de zoon van Violeta die voorzitter is van het Centrum voor Onderzoek van Communicatie ´el Cinco´, zomaar worden opgepakt en beschuldigd worden van fraude. Echt waar, geloof me, het gaat de verkeerde kant uit met dit land."
De komende gemeenteraadsverkiezingen zullen alvast een graadmeter zijn voor de steun van de bevolking aan de sandinistische partij. Ondertussen zullen de ´donorvliegen´ wel nog een tijdje om het geïrriteerde hoofd van Ortega vliegen...


Hola Grégory,
Ik ben Janneke Herrebout de oprichtster van het project Juntoscontigo en heb via Ana onze secetaresse uit Nicaragua jou email gekregen.
Wat een mooie ervaringen heb jij al in je ´rugzak´ zitten. Ik heb net je website gelezen. Ben onder de indruk!
Momenteel ben ik helaas in Nederland waardoor ik je niet persoonlijk kan spreken en ontvangen op het project. Uiteraard is het mogelijk om ons project te mogen bezoeken. De werkers Ruben en Alvaro en Elisabeth en de kinderen heten je hartelijk welkom! Laat me even weten wanneer je precies denkt langs te komen dan kan ik even met Ruben ( medeoprichter samen met Manuel ) contact opnemen. Heb jij evt een telefoonnummer? Handig dat je spaans kan, want dan kan ik ook het nummer van Ruben doorgeven zodat je even in Nicaragua telefonisch contact kan hebben.
Ontzettend leuk dat je een bezoek wilt brengen en de de werkers wilt leren kennen. Laat me alsjeblieft weten wat je ervaring is geweest! Bedankt voor je interesse.
Met vriendelijke groeten
Janneke Herrebout
Juntoscontigo zag zo´n drie jaar geleden het levenslicht. Janneke Herrebout wilde na haar stage in een centrum in Bombay -waar ze met straatkinderen werkte- meer gaan doen voor kinderen in ontwikkelingslanden. Ze ontdekte dat Nicaragua het armste land was van Midden-Amerika en besloot er heen te gaan. Daar hoorde ze over ´La Chureca´, de vuilnisbelt van Managua. Bij haar eerste bezoek viel haar oog op een jongetje van nauwelijks vijf jaar oud, blootvoets en een karretje met afval voor zich uitduwend. Het beeld liet Janneke niet meer los. Ze voelde intuïtief aan dat ze iets moest doen. Met de overtuiging dat alleen educatie de beste bestrijding is tegen armoede richtte ze een schooltje op aan de rand van de vuilnisbelt. Ze zocht fondsen en vrijwilligers die hun schouders wilden zetten achter haar project. Het beeld van de kleine dreumes met zijn karretje werd het logo van Juntoscontigo (Samen met jou). Drie jaar later heeft ze de fakkel doorgegeven aan enkele enthousiaste lokale medewerkers. Inmiddels is Janneke terug in Nederland. Vanuit haar geboorteland blijft ze haar geesteskind ondersteunen. Een groot deel van haar tijd steekt ze in lezingen, workshops en fondsenverwerving. Voor iemand met zoveel inzet en enthousiasme is een terugrit van 250 km meer dan waard.
Ik heb heel even getwijfeld om terug aan te kloppen bij het gastvrije gezin van Hugo Ruiz, maar uiteindelijk heb ik er vanaf gezien. Niet dat ik er niet welkom ben, integendeel, maar ik wil hen niet tot last zijn. Hun krappe behuizing is nauwelijks toereikend om het hele gezin onderdak te bieden, laat staan een verdwaalde zwerver. Omdat ik in een grootstad liever niet mijn toevlucht zoek tot anonieme groezelige hotelletjes heb ik beroep gedaan op de CouchSurfing organisatie; een internationaal, op internet gebaseerd gastvrijheidsnetwerk waarbij de geregistreerde leden je gratis een slaapplek aanbieden in hun eigen huis. Mijn gastvrouw is evenwel geen autochtoonse, maar de Japanse Risa. Sinds september is ze in Managua aan de slag voor de Japanse ambassade.
Bij aankomst in haar vrij luxueus ingericht airco-appartement stel ik vast dat ze reeds vrij goed ingeburgerd is. Drie dagen na haar aankomst ontmoette ze namelijk in een buurtdiscotheek de jonge Nicaraguaan Luis. Van de dansvloer ging het naar de slaapkamer (althans dat vermoed ik toch) en sindsdien is Luis er gebleven. Terwijl we ´s avonds met zijn allen genieten van een heerlijke gallo pinto met carne de res (rijst, bonen en biefstuk), ontrafel ik stukje voor stukje de redenen van hun samenzijn. Risa is een spring-in-´t-veld-type, rusteloos en niet de persoon om haar avonden in eenzaamheid door te brengen. Luis is dan weer het geboren loser-type, althans daar laat hij zich toch voor doorgaan. Hij geniet schijnbaar van de onverwachte rijkdom die hem te beurt valt en nog meer van de alcohol die hij niet langer zelf hoeft te betalen. Ik heb een beetje medelijden met het jonge stel, maar nog meer met Luis. Om de armoede te ontvluchten en tegemoet te komen aan zijn drankprobleem moet hij de ondraaglijk schelle stem en het gezeur van Risa er voor lief bijnemen. Na een halve dag zou ik al de benen nemen, zover dat ik geen land meer zie. Ik prijs me gelukkig dat ik hier enkel een verdwaalde passant ben...




Dat geluk ziet er vandaag een heel stuk anders uit. Nauwelijks goed en wel vertrokken rijd ik mijn eerste lekke band van de dag. Gisteren verbrak ik zowat mijn record: vier in het totaal. Het ziet ernaar uit dat ik eenzelfde lijdensweg tegemoet ga. De oorzaak is enerzijds de miserabele staat van het wegdek, maar anderzijds ook de versleten buitenbanden. Ik heb steevast één reserveband mee, maar dat beide banden het op hetzelfde moment zouden begeven, is buiten mijn waard gerekend. De eerstvolgende stad, San Isidro, ligt op een goeie 40 km verwijderd. Met een beetje geluk vind ik daar het nodige materiaal. De weg is eindeloos lang. Door het vele slalomwerk -alsof ik op onharde gruyèrekaas rijd- lijkt het wel of de weg in afstand verdubbeld. Tegen de middag bereik ik eindelijk de splitsing, een goeie geasfalteerde baan die me tot in San Isidro brengen moet. Zelfs op deze route fiets ik lek, de derde opeenvolgende. Arbeiders van een aanpalende rijstfabriek komen naar me toegerend en bieden spontaan hun hulp aan. Wanneer ik hen het probleem uit de doeken doe, springt één van hen op zijn fiets en spurt naar het centrum om er een nieuwe buitenband te kopen. De andere mannen ontfermen zich intussen over de lekke band. In nog geen vijftien minuten tijd is de spurter terug. De gloednieuwe buitenband prijkt als een bloemenkrans over zijn schouders. Wanneer de jongeman mij het wisselgeld overhandigt, zeg ik hem dat hij het mag houden als dank voor zijn snelle en spontane interventie. De man springt een gat in de lucht. Vijftig cordobas (2,5 dollar) is zowat het dagloon van een gewone arbeider. Het teamwork neemt hooguit tien minuten in beslag. Als dank en teken van afscheid leg ik de hele eerste-hulp-fietsploeg op de gevoelige plaat. Met volle moed zet ik mijn tocht verder. Anderhalf uur later zakt de moed andermaal in mijn schoenen. Ik fiets mijn vierde opeenvolgende lekke band. Het lijkt wel of de duivel ermee gemoeid is. De oorzaak is deze keer een kanjer van een nagel die zich dwars doorheen mijn buitenband heeft geboord. Dat brengt het totaal aantal lekke banden sinds het begin van mijn reis op 46. Alle ellende lijkt wel samen te vloeien, want tezelfdertijd begint het water te gieten. Reizen met de fiets, het is niet altijd een pretje. Net voor de duisternis invalt kom ik druipnat aan in Estelí. Het kost me nog behoorlijk wat tijd om onderdak te vinden. Uiteindelijk kan ik terecht in hotel Tomabú. De prijs ligt naar Nicaraguaanse normen relatief hoog en na wat heen en weer gepraat stemt de vrouw des huizes ermee in om de prijs te halveren (7 euro). Even later komt ze aandraven met een kop dampende koffie en een stukje cake. Ik voel me doodbeschaamd omdat ik voor één keer mij gedragen heb als een echte gringo. Hopelijk vergeeft ze het mij...




León kan niet meteen terugblikken op een rimpelloze geschiedenis. Jarenlang was de stad verwikkeld in een hevig machtsstrijd met Granada. De inzet was dan ook niet gering, de status van de hoofdstad van Nicaragua. Granada kon rekenen op de steun van de conservatieve regimes, terwijl de liberalen de voorkeur gaven aan León. In 1855 kwam er vanuit Amerika in de gedaante van de avonturier William Walker onverwachte steun voor de liberalen. Onder zijn aanvoering viel hij met een legertje huurlingen Granada aan; met succes. Maar de expansiedrang van William was groter verwacht. Zijn doel om ook de rest van Centraal-Amerika in te palmen viel niet bepaald in goede aarde bij de buurlanden. Uiteindelijk werd hij in Honduras gevangen genomen en geëxecuteerd. De verovering op Granada betekende evenwel niet het einde van de heerschappijzucht tussen de twee steden. Uiteindelijk werd in 1858, bij wijze van compromis en om een einde te stellen aan de voortdurende twist, de hoofdstad van Nicaragua definitief in Managua gevestigd.
León is ook de stad waar ooit Bartolomé de las Casas, Spaanse priester van de orde der Dominicanen, predikte. Deze geëngageerde geestelijke veroordeelde scherp de wijze waarop de Spaanse conquistadores de indianen behandelden. Hij wierp zich op als ´de apostel van de indianen´ en bond een strijd aan tegen de onwaardige leefomstandigheden en de mishandeling van de indianen. Zijn pelgrimstocht tegen het onrecht resulteerde in ´las nuevas leyes´ (de nieuwe wetten) die de Spaanse kroon in 1542 afkondigde. De indiaanse slavernij werd verboden en de conquistadores werden verplicht rekening te houden met het welzijn van de indianen. Dit opende evenwel de weg om Afrikaanse slaven te importeren, want in zijn ijver om de indianen te redden, had Bartolomé evenwel een schromelijke vergissing begaan. In zijn betoog had hij immers geopperd dat indianen niet opgewassen waren voor het zware lichamelijke werk dat ze moesten verrichten. Hij pleitte dan ook om Afrikaanse slaven uit Spanje te importeren. Deze handel bestond al, maar zijn pleidooi rechtvaardigde en stimuleerde daarmee de praktijken. Deze ´zwarte´ handel was reeds ontstaan als een spontaan gevolg van de sterk uitgedunde inheemse Latijns-Amerikaanse bevolking die aan epidemieën en uitputting waren bezweken. Later drukte Bartolomé zijn diepe spijt uit over zijn vergissing. In een van zijn achtergelaten geschriften schreef hij: "Er is geen verschil, indianen noch zwarten worden als slaaf geboren." Ik betwijfel of zijn laattijdige inkeer hem vergeven werd bij het Laatste Oordeel.
Ik struin doorheen het koloniale centrum en stel me de vraag of de bouw van de vele kerken -ik schat hun aantal minstens op 20- een manier is geweest om het kwade te rechtvaardigen. Allen hebben ze een eigen typische bouwstijl. Sommigen zijn overgoten met een pastelkleurig sausje en kleuren de stad liefdevol warm. Wanneer ik de kathedraal van León probeer in te blikken binnen de cadrage van mijn visuele camera, biedt een kereltje van een jaar of twaalf spontaan zijn diensten aan als gids. Hij vertelt me dat de kathedraal van León de grootste is van Midden-Amerika en ik vanuit het tegenoverliggende gebouw, dat dienst doet als partijbureau van het FSLN, een prachtig uitzicht heb over de kerk en de wijde omgeving van de stad. Het panoramisch uitzicht is inderdaad verbluffend, iets wat niet echt kan gezegd worden van de kleine tentoonstelling die enkele aanhangers van het Sandinisme hebben opgezet op het gelijkvloers. De expositie bestaat enkel uit wanden volgeplakt met krantenknipsels die een beeld ophangen van de ´vuile´ oorlog, de burgeroorlog tussen de contra´s en de sandinisten (1979-1990). Mijn jonge gids, Emanuel, wijst mij een vergeelde foto aan: een jongeman levenloos te midden van een plas bloed. In het onderschrift lees ik dat het om Rigoberto López Pérez gaat, de jonge dichter die in 1956 vader Anastasio Somoza op een dansfeestje neerkogelde. Met de aanslag -die hij met zijn eigen leven moest bekopen- hoopte Rigoberto een anti-somozistische opstand uit te lokken en een einde te maken aan het Somoza-despotisme. Het bleek een maat voor niets te zijn. Maar ondanks het falen, merk ik dat hij zelfs in het hoofd van mijn jonge gids een halve eeuw later nog wordt geprezen als een revolutionaire held.
Op weg naar de cellen van Carrel 21, één van de beruchtste gevangenissen uit het Somoza periode, lopen we voorbij diverse muurschilderijen en monumenten die allen verwijzen naar de duistere en gewelddadige geschiedenis van León. Versteende en gekleurde restanten van een met bloed doordrenkt verleden opdat de gruwel nimmer vergeten zou worden. Ook de opengestelde gevangenis draagt daartoe zijn steentje bij. Z´n beruchtheid werd vooral toegeschreven door de folterpraktijken die de Nationale Garde toepasten op de politiek gevangenen. Op de wanden zie ik aangebrachte schetsen die een beeld ophangen van de monstrueuze praktijken: gevangen werden geëlektrocuteerd, brandmerken toegebracht, moesten zout en water tot zich nemen waarna de soldaten met hun bottines op hun buiken stampten,... In 1978 vielen de sandinistische guerrillero´s de gevangenis binnen, wat dan weer voor Somoza een reden was voor een vergeldingsmaatregel. León kwam onder een spervuur aan bommenwerpers te liggen. Een gesofistikeerde luchtmacht bezat Somoza evenwel niet en dus schakelde hij lichtere militaire vliegtuigen in die bommen dropten vanuit het open luik. Eenmaal de voorraad bommen was uitgeput, werden gigantische molotovcocktails vervaardigd uit benzinevaten van 200 liter. De gevolgen waren verschrikkelijk, zeker toen men ontdekte dat het effect van de moordwapens nog verwoestender waren wanneer ze op 300 meter boven de grond tot ontploffing werden gebracht. Er regende een allesvernietigende vuurbal over León en in een recordtijd was de burgerbevolking gehalveerd.
Het lijkt wel alsof men dit donker verleden dat hier rondhangt voor een stuk heeft willen verdoezelen, want in hetzelfde gebouw hebben ze een beeldenmuseum ondergebracht over legenden en tradities van Nicaragua. Het is een allegaartje van carnavaleske poppen die elk hun eigen verhaal hebben. De meest vreemde eend in de bijt is ongetwijfeld een plastieken opblaaspop. Als ik Emanuel vraag waarom die hier thuishoort, begint hij te schaterlachen. Hij vertelt me het verhaal van ´Toma tu teta´ (neem je tiet), de dochter van een welbemiddelde grootgrondbezitter. Ze groeide op in de grootste weelde, maar haar immense lelijkheid verhinderde haar evenwel om een aanbidder te vinden. Ze had gelukkig wel één grote troef: haar weelderige boezem. Bij valavond schuimde ze de straten van León af, zoekend naar knappe dronkaards. Wanneer ze er eentje vond, haalde ze haar borsten tevoorschijn, drukte haar tepels -de grootte van een zonnebloem- tegen zijn gezicht en schreeuwde: "Neem je tiet, neem je tiet!" Weelderige boezems, ik wist het reeds bij de eerste aanblik toen ik León binnenfietste...




Een laatste foto, een laatste groet. Doorheen het gordijn van een miezerige regen verdwijn ik tot een onbeduidende stip in de woelige ochtendspits. Heel ver geraak ik evenwel niet, want de hemel splijt om de haverklap open en noodgedwongen moet ik het fietsen staken voor een zoveelste striemende regenbui. De regen schijnt de vele vlaggenzwaaiers die post hebben gevat op de diverse rotondes niet te deren. Nicaragua verkeert in volle verkiezingskoorts en dat is voor vele arme Nicaraguanen de uitgelezen kans om een graantje (lees: centje) mee te pikken. In opdracht van het FSLN van Daniel Ortega slijten ze er hun dagen al zwaaiend met wimpels en dit doorheen regen en wind. Ze dragen T-shirts met een duidelijke boodschap: ´El amor es más fuerte que el dio.´ (De liefde is sterker dan de haat.) De slogan kadert in de ´bidden tegen haat´-campagne. Een actie van het FSLN die tot doel heeft om de haatgevoelens die vele Nicaraguanen koesteren tegen de huidige president Ortega om te buigen tot gevoelens van liefde. Tussen de ´omgekochte´ propagandisten staat een enorm Mariabeeld dat met opgeheven armen het drukke verkeer lijkt te aanschouwen. Als hier de liefde niet zal zegevieren dan weet ik het ook niet meer.
De campagnestrijders zouden zich beter tot de weergoden richten, want na bijna twee uur schuilen, gutst het water nog steeds in alle hevigheid uit de hemel. Uiteindelijk beslis ik toch om door te fietsen, temeer mijn volgende bestemming León op een goeie 90 kilometer van de hoofdstad verwijderd ligt. Het fietsen is een ware hel. Niet alleen zie ik niks door mijn brilglazen en plakken mijn ogen zo goed als dicht van de kleffe regen, maar evenzo zie ik op bepaalde plaatsen het onderscheid niet meer tussen een weg of een rivier. Hele straten staan blank en telkens er een wagen of vrachtwagen voorbijrijdt, krijg ik een bruinsmerige douche over me heen. Tot overmaat van ramp camoufleert het wassende water de vele oneffenheden in het slechte wegdek waardoor mijn banden tot vervelends toe een paar keer stevig in een lager gelegen gat stuiteren. De gevolgen laten zich al raden. Nog voor ik de stadskern ben uitgefietst, rijd ik lek. Een lekke band herstellen in een verschroeiende hitte is geen lachertje, maar in een geselende regen is het dat evenmin.
Terwijl ik moeizaam mijn weg vervolg, besef ik dat ik allerminst reden tot klagen heb. Langs de kant van de weg zie ik koeien tot boven de knieën onder het water wegzakken, terwijl bewoners druk in de weer zijn om een dam op te werpen tegen het aanzwellende water. Hier en daar zie ik ondergelopen huizen. De ravage die de regen hier elk jaar tijdens het natte seizoen aanricht, moet een serieuze negatieve impact hebben op de economie. Voor een land dat al op de onderste trede van de welvaart staat, moet dit jaarlijks terugkerend natuurfenomeen een zoveelste domper zijn in de strijd voor een betere toekomst.




Op een boogscheut daarvandaan torent zijn silhouet uit over het kratermeer van Tiscala. Op een rechthoekige dominoblok staan namen gebeiteld van helden van weleer. Ik merk er tevens een gedenkplaat op ter nagedachtenis van Pedro Jaoquín Chamorro. De moord op de toenmalige uitgever van de oppositiekrant ´La Prensa´ was de spreekwoordelijke druppel die de emmer van frustraties, haat en wrok ten aanzien van het despotisch gezag van Somoza deed overlopen. In 1978 braken er algemene stakingen en onlusten uit. Het land stond in rep en roer. De Amerikanen die jarenlang de Somoza clan de hand boven het hoofd hielden en zich lieten ontvallen dat Somoza hun bastaard was -´Somoza may be a bastard. But he´s our bastard.´-, veranderden het geweer van schouder. De toen aan de macht zijnde democraat Jimmy Carter als president van Amerika trok zijn militaire steun aan Nicaragua in. Somoza was zelfs hun ´bastard´ niet meer. Een jaar later viel het doek over de Somoza-generatie en kreeg het Sandinisme -althans voorlopig- vaste voet aan de grond.
We sluiten onze verkenningstocht af door nog een bezoek te brengen aan de nieuwe kathedraal van Managua. Het gebouw heeft iets weg van een Arabische moskee. Het dak bestaat uit diverse witte koepels en met een beetje verbeelding van de bevolking heeft de hypermoderne kathedraal verschillende spotnamen gekregen, van iglesia de los huevos tot iglesia de las tetas (van eierdoos tot tettenkerk). Op de terugweg naar huis zie ik een kampement dat verdacht veel lijkt op een vluchtelingenkamp. De behuizing is opgetrokken uit houten platen en plastieken zeilen. Hugo Ruiz, mijn gastheer, vertelt me dat de bewoners bananenplukkers zijn die protesteren omwille van de ongezonde werkomstandigheden op de plantages. Door hun tenten op te slaan in de nabije omgeving van het nationaal paleis willen ze hun grieven aan de buitenwereld kenbaar te maken. Zo hopen ze in het vooruitzicht van de gemeenteraadsverkiezingen dat de regering eindelijk eens werk maakt van een grondig gerechtelijk onderzoek inzake het gebruik van gevaarlijke pesticiden op de plantages. Het is nog maar de vraag of deze minderheidsgroepering in de arme samenleving van Nicaragua ooit gehoor zal krijgen. Aan de top zetelen nu eenmaal machtshebbers die in de eerste plaats hun eigen postje veilig willen stellen. De uitslag van de verkiezingen zal daar wellicht niets aan veranderen...
Daar waar het noodweer me verhinderde om mijn verkenningstocht doorheen Managua verder te zetten, is het voor Jan van Bilsen geen belemmering om op de plaats van afspraak te verschijnen. Weliswaar met een dik uur vertraging, maar dat zal wel eigen zijn aan buitenlanders die van Nicaragua hun nieuw thuisland hebben gemaakt. Nog voor de ober van dienst twee biertjes ontkurkt, is de juiste toon meteen gezet. "Maar wat hebben wij toch een klote president!" Ik hou van zijn openhartigheid en nog meer van zijn ´to the point´ komen, wanneer ik hem vraag naar zijn bevindingen over Daniel Ortega. Jan van Bilsen strandde hier in 1982, kort na het definitieve offensief van de sandinisten dat de ondergang betekende van de Somoza-dynastie. "Ik werd zoals zovelen uit die tijd aangetrokken door de magneet Nicaragua. We zouden hier met duizenden andere internationalisten een nieuwe maatschappij oprichten. Ik ging aan de slag als koffieplukker bij een soort vrijwilligersbrigade. We leefden in een roes van een zuivere revolutie. Aan de grens met Honduras kwam ik echter terecht in een vuurlinie waar contra´s, huurlingen in opdracht van de V.S., terreur zaaiden onder de boerenbevolking. De beelden van die wezenloze vermoorde boeren heeft mijn leven een andere wending gegeven. Ik kocht een minicamera op krediet en besloot de oorlog te filmen."
De vurigheid waarmee hij zijn levensverhaal vertelt, is rechtevenredig met het geloof dat hij ooit had in de revolutie. Ik zie hoe hij zijn bierglas omklemt als een soort strohalm, een laatste sprankeltje hoop in een onrechtvaardige strijd. "De Amerikanen hebben ons kapot gemaakt, het hele land verwoest!" Jan van Bilsen voelt zich na zesentwintig jaar meer dan ooit een Nica. Hij heeft hier een nieuw bestaan opgebouwd, getrouwd, gescheiden. "Ik heb geen reden om nog terug te keren naar België. Mijn kinderen zijn hier geboren, ze lopen hier school. Dit is hun thuis, net zoals Nicaragua mijn vaderland is geworden." Jan van Bilsen was jarenlang de vaste cameraman van de zeer gerespecteerde journalist Dirk van der Sypen. Samen hebben ze Latijns-Amerika een gezicht gegeven. Hun documentaires waren geen gladde videoclips die alleen de oppervlakte toonden van wat er zich afspeelde in dit continent. Tegenstellingen tussen arm en rijk, de immense corruptie, het machismo en de leugenachtige politiek wisten ze feilloos te portretteren in beklijvende verhalen. "Het was een zalige tijd. We stonden op de barricade, heulden mee met de revolutie, iedereen trouwens. Er was een nooit geziene verbondenheid. Iedereen geloofde erin. Meer nog, we gingen filmen in de contrakampen in Honduras en speelden later de filmbanden door aan de Sandinisten." Zijn vermoeide ogen lichten op tot pretoogjes en een kleine schaterlach vult de duistere ruimte van de kroeg. "Maar als de eenheid, het geloof in de revolutie zo groot was, waarom werd Daniel Ortega, het boegbeeld van de revolutionaire sandinisten, niet herkozen als president?" Jan haalt zijn schouders op en schudt haast teneergeslagen zijn hoofd. "Ach jongen, je moet het geheel bekijken in de tijdsgeest van toen. Revolutionaire ideeën als landhervormingen, alfabetiseringscampagnes en het uitbouwen van gezondheidscentra hebben alleen een kans op slagen in een stabiele samenleving. De burgeroorlog tegen de contra´s kostte handenvol geld; geld dat ten koste ging van de echte noden voor het gewone volk. De economie was desastreus en het aantal burgerslachtoffers langs Sandinistische zijde steeg zienderogen. Zou jij nog voor de Sandinisten stemmen als je je eigen zoon moet gaan identificeren in het mortuarium?" Er valt een onbehaaglijke stilte, een sequentie waar filmmakers van dromen, omdat de tastbare stilte zoveel meer zegt dan woorden.
"Amerika heeft dit land volledig naar de kloten geholpen. Ze hebben ons beroofd van onze idealen en het geloof in een betere wereld." Zijn woorden komen er moeizaam uit, alsof elke lettergreep gedrenkt is in het geronnen bloed van een verloren revolutie. "Maar Amerika is in 1986 toch veroordeeld geweest door het Internationaal Gerechtshof van Den Haag wegens zijn openlijke steun aan de contra´s." "En dan, so what. Bij de aantreding van de nieuwe president in 1990, Violeta Chamorro -de weduwe van de in 1978 vermoorde Pedro Joaquín Chamorro en hoofdredacteur van de krant ´La Prensa´-, werd de spons geveegd over de hele zaak. De schadeclaim van ettelijk biljoenen dollars werd ingetrokken. Met dit geld had Nicaragua er probleemloos bovenop kunnen geraken." Ik voel hoe gevoelens van haat en onmacht naar boven drijven en besluit wijselijk het gesprek een andere wending te geven. Als ik hem vraag naar zijn hedendaagse bezigheden, zit terug de kwajongen van weleer voor mij. "Ik ben een ordinaire kapitalist geworden." Zijn schaterlach doet het koppeltje aan de belendende tafel heel even onze richting opkijken. "Neen, echt waar. Ik handel nu in bamboe of beter gezegd ik bouw bamboehuizen."
Jan vertelt me hoe hij na de dood van Dirk van der Sypen steeds minder opdrachten kreeg. "Dirk was de ideale man in het leggen en onderhouden van contacten. Jaarlijks vloog hij drie keer naar België, zocht de juiste mensen op binnen de toenmalige BRT en keerde terug met een orderboekje waar we zes maanden zoet mee waren. We kregen haast ´carte blanche´ vanuit Brussel. Het was een zalige tijd." Het millenniumjaar was evenwel een keerpunt in het leven van Jan van Bilsen als cameraman. Dirk van der Sypen werd getroffen door een hersentumor. Vier maanden later was het afgelopen. De plotse dood van zijn kompaan had ook directe gevolgen voor Jan. "De laatste jaren was er steeds minder en minder interesse voor degelijke documentaires. De vervlakking van het televisiemedium sloeg ook toe binnen de vernieuwde structuur van de VRT. Na de dood van Dirk van der Sypen was ik plots onbestaande. Niemand deed nog beroep op mijn diensten als cameraman. Ik heb me er dan maar bij neergelegd en het over een totaal andere boeg gegooid."
Als ik hem vraag of hij het camerawerk niet mist, zie ik terug die droefheid in zijn ogen die ik al eerder had opgemerkt gedurende de avond. Ik hoef zijn antwoord zelfs niet af te wachten. Ik voel de leemte van een passie die hij te vroeg heeft moeten opgeven. Het is als een schilder die nog boordevol ideeën zit, maar geen bewonderaars meer heeft om zijn werk naar waarde te schatten. De eerste geliefde in je leven vergeet je nooit, met een verloren gegane passie is het evenzo...




De virtuele revolutie heeft ertoe bijgedragen dat Hugo voor een dilemma kwam te staan. Meehoppen op die virtuele snelweg of vastklampen aan de ambachtelijke wijze die zo eigen was aan drukkers. De torenhoge investeringen kon Hugo niet opbrengen en zijn pensioengerechtigde leeftijd (60) stond ook enige evolutie in de weg. Uiteindelijk heeft hij er zich bij neergelegd en houdt hij zijn bedrijfje boven water dankzij een handvol klanten die nog op geregelde tijdstip enkele orders plaatsen. De geringe arbeid zorgt ervoor dat Hugo zich probleemloos kan ontpoppen tot ideale stadsgids, terwijl zijn vrouw me culinair in de watten legt. De eerste verkenningstocht voert ons naar het centrale plein van Managua waar er zich aan elke zijde een brok geschiedenis van Nicaragua bevindt.
Het meest in het oog springende is ongetwijfeld het nationaal paleis, een lang uitgerekt staaltje van classicistische architectuur. De voorgevel valt op door zijn geometrische vormgeving, zijn Dorische zuilen en zijn smetteloze witte kleur. Het tempelachtig complex wordt helaas ontsierd door levensgroot propagandamateriaal. Ik bevind me te midden van de verkiezingsperiode voor nieuwe gemeenteraden en dat vertaalt zich in behoorlijk wat visuele contaminatie. Hugo vertelt me dat er achter dit pareltje van architecturale schoonheid een drieste geschiedenis schuilt. "Op 22 augustus 1978 vond hier de meest spectaculaire gijzeling uit de hele Nicaragua-geschiedenis plaats. Onder leiding van de guerrillacommandant, Edén Pastora, een Sandinist die beter bekend stond als Comandante Zero, gijzelde hij samen met zijn manschappen zowat alle leden van het Nicaraguaanse Congres. De gijzelname duurde drie volle dagen en haalde moeiteloos de voorpagina in de wereldpers. Na harde onderhandelingen stemde Anastasio Somoza -de toenmalige president- in en werden de eisen van guerrillero´s ingewilligd: de vrijlating van 58 politiek gevangenen, een half miljoen dollar losgeld, een vliegtuig om te ontsnappen en de publicatie van enkele FSLN-communiqués. Pastora werd de held van de revolutie, maar keerde haar enkele jaren later de rug toe door zich aan te sluiten bij de contrarevolutionairen." Ik herinner mij in het partijlokaal van de FSLN in Ometepe een foto te hebben gezien van Edén Pastora. Hij stapte op het door hem gevraagde vliegtuig, zwaaiend met zijn automatisch geweer als teken van overwinning.
Rechttegenover staat het paleis dat de vorige president, Enrique Bolaños, heeft laten optrekken. Het heeft iets weg van een grote villa waar glas zowat de boventoon voert. Boven de inkomhal prijken de woorden ´La casa de los pueblos´. Ik vraag me af hoeveel gewone stervelingen hier ooit al een voet hebben binnengezet. Aan mijn rechterzijde, onder de schaduw van een reeks bomen staat het mausoleum van Carlos Fonseca. Een brandende fakkel naast een hellend muurtje moet de nagedachtenis aan deze ideoloog van de Sandinisten levendig houden. Hij sneuvelde een jaar voor het finale offensief in 1979.
Aan de andere kant van het vierkante plein staat een gebouw dat niet meteen verbonden is met de duistere politieke periode van Nicaragua, namelijk de oude kathedraal of althans wat er van overblijft. Achter een gespannen lint dat dienst doet als afsperring, zie ik ineengezakte muren met grote gaten en spleten. Boven aan de linkerzijde van de koepel ontbreekt een kruis, alsof het door kanonnenvuur is af geschoten. "De kathedraal is één van de zovele gebouwen die de aardbeving van 1972 niet hebben overleefd." Ik zie hoe Hugo Ruiz in gedachten de majestueuze kathedraal steen voor steen terug heropbouwt. Zijn woorden vloeien langzamer uit zijn mond, alsof hij moeite heeft om terug te blikken naar het verleden. "We hebben niet veel geluk gehad; bijna een halve eeuw Somoza-dynastie, een ´vuile´ burgeroorlog en in 1972 de allesverwoestende aardbeving. Het niet heropbouwen van de kathedraal hebben we te danken aan Somoza. Weet je dat deze man zowat alle hulpfondsen afkomstig van internationale steun in zijn eigen zakken heeft gestopt?" Hugo schudt zijn hoofd en haalt zijn schouders op, alsof hij zich wil excuseren voor het trieste verleden waarmee hij me opzadelt. "Nu, zijn hebzucht is uiteindelijk ook zijn ondergang geworden, want de aardbeving heeft een politieke omwenteling teweeg gebracht wat resulteerde in de overwinning van de sandinisten in 1979." We verwijderen ons stilzwijgend van de plek vol geschiedenis. Ik kan niet nalaten even te glimlachen bij het idee dat de aardbeving ook de macht van Somoza aan het wankelen heeft gebracht. Ik vrees dat Hugo mijn plastische voorstelling minder grappig zal vinden. Ik besluit dan ook maar wijselijk te zwijgen...


In de eerste plaats omdat ik er uitgenodigd ben bij Hugo Ruiz en zijn gezin. Ik maakte kennis met Hugo nabij het grensstadje San Carlos, helemaal aan het begin van mijn reis doorheen Nicaragua. Toen hij vernam dat ik op doorreis was, nodigde hij me prompt uit bij hem thuis. Logeren bij een gastgezin is altijd stukken interessanter dan een verblijf in een onpersoonlijke hostal waar de voertaal Engels is en het leeuwendaandeel van de reizigers jonge gasten zijn die in de eerste plaats hun wereldreis aangrijpen om de bloemetjes buiten te zetten. Bovendien hoop ik er de Belg Jan van Bilsen te ontmoeten. Deze man woont al zesentwintig jaar in Nicaragua en was jarenlang de vaste cameraman van de veel te vroeg overleden Belgische journalist Dirk van der Sypen. Vooral het feit dat ze samen hier werkzaam waren in volle contraoorlog intrigeert me uitermate. Ooit ben ik zelf eens naar een oorlogsgebied getrokken, toen in Kosovo, om er een reportage te draaien. Voor dit soort werk moet je uit een ander soort hout gesneden zijn en dat Jan en Dirk er zijn gebleven in volle oorlogstijd bevestigd dit alleen maar. Tot slot hoop ik ook om hier in contact te komen met ´Juntoscontigo´, een organisatie die zich inzet voor de kinderen die leven en werken op de vuilnisbelten van Managua. Redenen te meer om een serieuze tussenstop in te lassen.
De fietstocht vlot behoorlijk en tegen valavond word ik hartelijk welkom geheten ten huize van Hugo Ruiz. Stoelen worden erbij gehaald, de familie opgetrommeld. Terwijl eenieder zich tegoed doet aan een serieuze portie goed gekruide gallo pinto, luistert de hele familie geboeid naar het zwervend bestaan van die toch wel vreemde extranjero op de fiets. Zoals zo vaak in Latijns-Amerika leeft ook hier de hele familie samen: kinderen, schoonbroers, kleinkinderen. Voor een zwerver is er niet echt veel plaats en een extra bed is er al evenmin. De komende dagen slaap ik op mijn campingmatje, naast een logge vooroorlogse drukpers. Het enige pronkstuk ten huize van Hugo Ruiz die heel zijn leven drukker is geweest. Het comfort is gering, maar de warmte waarmee ze me omarmen in hun gezin is onbetaalbaar. De komende dagen worden ongetwijfeld een zoveelste bijzondere ervaring op mijn zwerftocht...




Even voor ik het bekendste dorpje, ´La Caterina´, bereik, wordt mijn aandacht getrokken door een kleinschalige feria, een soort marktje. Spullen worden er niet verkocht, eten des te meer. Ik schuim diverse kraampjes af en dompel me onder in de Nicaraguaanse culinaire keuken van moedertjes aan de haard. Toeristen vallen er nergens te bespeuren. Die zijn er ongetwijfeld wel, maar velen van hen laten dergelijke eetstandjes links liggen en geven de voorkeur aan restaurantketens. Ze hebben ongelijk. Ik tref er een staalkaart aan van de nationale keuken en kom ogen en hersenen tekort om alle vreemde namen van gerechten te onthouden. Ik blijf het er moeilijk mee hebben dat toeristen -vaak onbewust- op een verkeerde manier reizen; een reisgedrag aannemen waar duurzaamheid en steun aan de plaatselijke bevolking vaak dode letter blijven. De keuze bijvoorbeeld om internationale restaurantketens aan te doen, draagt weinig bij tot de ontwikkeling van het land en zijn volk. Die alomgekende eettenten ontwikkelen zichzelf wel.
Nadat ik zowat mijn buikje heb rond gegeten en ik met enige moeite terug het juiste fietsritme vind, kom ik aan in ´La Caterina´. Afgaande op de eivolle parkeerruimte moet dit zowat het epicentrum zijn van ´los Pueblos Blancos´. Die eer heeft het vooral te danken aan het schitterend uitzichtpunt vanwaar ik een verbluffend mooi panoramisch beeld heb over ´Laguna de Apoyo´. Ik sluit mijn tocht af in ´Niquinohomo´, het geboortedorpje van de in 1895 geboren nationale held, Augusto Sandino.
Sandino groeit op in een periode waar twee steden, Granada en León, een bij tijd en wijlen bloedige oorlog strijden om de alleenheerschappij. Noord-Amerika vindt het in die dagen ook al nodig om zich te bemoeien met wat er zich in Nicaragua afspeelt. Ze dwingt ondermeer een verdrag af waarbij Nicaragua alleen presidentskandidaten naar voren mag schuiven die volledig gehoorzamen aan de Amerikaanse grootmacht. Het beschouwen van Nicaragua als Amerikaanse vazalstaat zint Sandino allerminst en dus besluit hij met een zelf opgetrommeld legertje een guerrillaoorlog te starten tegen de Amerikaanse mariniers en de Nationale Garde -een strijdmacht die vooral de Noord-Amerikaanse belangen in Nicaragua veilig moet stellen-. Op het hoogtepunt van zijn strijd (1931-1932) kan hij terugblikken op een leger van zesduizend man en heeft hij, op de streek rond de hoofdstad na, de controle over zowat alle departementen. Het land wordt uitgedeeld aan landloze boeren en Amerikaanse bedrijven worden onteigend. Zijn landhervorming en steun aan de armen valt ook aan de overkant van de plas niet in dovemans oren. Wereldwijd kan Sandino rekenen op steunbetuigingen. De net aangetreden Amerikaanse president Roosevelt draagt ´goed burgerschap´ en ´non-interventie´ hoog in het vaandel en onder zijn impuls trekken de mariniers zich terug. Het inwilligen van Sandino´s vredesvoorwaarde is meteen ook het einde van de guerrillaoorlog. Althans voor heel even, want op 21 februari 1934 wordt Sandino in een hinderlaag van de Nationale Garde gelokt en op bevel van het hoofd van de Garde, Anastasio Somoza, vermoord. Het is het begin van de Somoza-dynastie waarbij Nicaragua bijna een halve eeuw lang in de greep zal verkeren van despotisme en terreur.
Van enig eerbetoon aan de nationale held valt relatief weinig te bespeuren. Op het centrale plein staat zijn standbeeld. Rond zijn nek heeft een aanhanger van het eerste uur een rode sjaal gebonden. Even verderop zie ik onder het afdakje van een werkmanshuisje een beschilderde wand. Sandino met cowboyhoed prijkt er naast een citaat van de guerrillabeweging: "Considero el más alto deber de todo Nicaragüense procurar por la paz de Nicaragua, pero la paz que dignifique y no la del esclavo." (Beschouw de zoektocht naar vrede als hoogste taak van elke Nicaraguaan, een vrede die waardigheid verschaft en niet een vrede van de slavernij.) Het zijn mooie woorden, maar de zoektocht heeft net iets teveel nodeloos bloed doen vloeien.
Ter hoogte van een park met bijhorende kiosk vraag ik aan twee jonge gasten of er geen museum is gewijd aan de held van Niquinohomo. Ze vertellen me dat er een kleine expositie is opgezet in de plaatselijke bibliotheek. Ze wijzen naar een gerestaureerd gebouwtje vlak achter me, geschilderd in zachte grijstinten. De bibliotheek is op zondag echter dicht. Als ik de openingsuren vraag, zegt één van hen dat ik me de moeite niet moet getroosten om terug te keren. Blijkbaar is drie vierden van de collectie (lees: het meest waardevolle) door Rosario Murillo, de vrouw van voormalig sandinistisch guerrillaleider en huidige president Daniel Ortega, in beslag genomen en ondergebracht in hun luxueuze villa. Het nationaal patrimonium van Nicaragua wordt hier blijkbaar als privébezit aanzien. Presidenten en hun entourage, het zijn niet altijd de meest toonaangevende voorbeelden in ´goed burgerschap´...




Voor mijn terugkeer naar Granada zak ik nog af naar de twee voornaamste markten. Eentje bevindt zich waar het dansspektakel van afgelopen donderdag doorging. Ik wandel er tussen tientallen kraampjes waar artisanale producten en andere prullaria over de toonbank gaan. Ik kan met moeite weerstaan om een schommelend hangmatje op kinderformaat op de kop te tikken. Daar zou ik wel graag mijn klein zwervertje in spe in zien wegdutten. Ik besluit wijselijk mijn gezond verstand te laten zegevieren. Als fietser is elke gram nu eenmaal eentje teveel. In de lokale markt gaat het er stukken levendiger aan toe. Geuren en geluiden waaien me tegemoet. Als observerende reiziger is dat wellicht één van de weinige frustraties waarmee ik rondloop: de onmogelijkheid om de lezers die me op de voet volgen te laten delen in deze mengelmoes aan zintuiglijke ingrediënten. Hoe krachtig ook een beeldend woord, hoe sterk ook een beschrijvend tafereel, de verbeelding eindigt daar waar de fantasie ophoudt te bestaan.
Ondanks de drukte voel ik me op geen enkel ogenblik ongemakkelijk. Bovendien verrast het me uitermate hoe verkopers er totaal geen moeite mee hebben dat ik hen digitaliseer. Misschien is de kleine babbel die voorafgaat aan mijn vraag om hen in te blikken wel de ideale ´verkoopstechniek´. Het schept in ieder geval een band van vertrouwen en niet van opdringerig voyeurisme. De markt is een kosmopolitisch centrum van een dagdagelijkse werkelijkheid. Er wordt gekocht en verkocht, gegeten en gedronken, gesjacherd en geroddeld. Doodgewone menselijke handelingen, eeuwenoud en toch zo levensecht. Tussen de vaste kraampjes lopen er haast evenveel ambulante verkopers rond. Hun kraampje op twee benen bestaat vaak uit niet meer dan een sliert producten die als een fonkelende slinger over hun schouders neerwaarts hangt. Het valt me op dat vrouwen in hoofdzaak etenswaren verkopen en mannen typisch mannelijke zaken, zoals scheermesjes en bijdehands klusjesmateriaal. Het rollenpatroon zit vastgeroest, in alle geledingen van de bevolking en overal ter wereld. Opvallend ook veel kinderen die hier rondzeulen met voorverpakte gebakken bananen of ijsgekoelde drankjes. Kinderarbeid is hier de normaalste zaak van de wereld.
Ook tienerzwangerschappen zijn hier haast ingeworteld in het maatschappelijk leven. Naar schatting worden er in Latijns-Amerika jaarlijks zo´n 13 miljoen kinderen geboren, bijna twee en en een half miljoen daarvan bij meisjes jonger dan achttien jaar. In Nicaragua gaat het om 135 op 1000 geboorten. De reden van zwangerschap is vaak onvoldoende seksuele voorlichting en seksueel misbruik. Bovendien is er een opvallende relatie tussen vroege zwangerschap, armoede en seksueel misbruik. In Europa is het percentage tienermoeders het hoogst in Groot-Brittannië, maar daar onderneemt de regering met campagnes als ´maagd zijn is mooi´ wel pogingen om dit fenomeen een halt toe te roepen. In Nicaragua daarentegen is daar amper geld voor. Meer nog, sinds de nieuwe aantreding (2006) van Daniel Ortega als president - hij was dit reeds van 1984 tot 1990- is de situatie uiterst rampzalig geworden. Tijdens zijn verkiezingsstrijd sloot Ortega een pact met de zeer conservatieve kardinaal Obando Y Bravo -reeds leider van de katholieke kerk ten tijde van Somoza-. In ruil voor een wetswijziging die abortus volledig verbood, kon Ortega rekenen op kerkelijke campagnesteun. Twee jaar na zijn aantreding zijn de gevolgen schrijnender dan ooit.
Meisjes die door seksueel misbruik of verkrachting zwanger worden en vrouwen die wegens complicaties in een levensbedreigende situatie verkeren, worden volledig aan hun lot overgelaten. Onder de oude wet konden vrouwen zich beroepen op therapeutische abortus. Anno 2008 is dit niet langer het geval. Bij overtreding hangt het medisch personeel trouwens een gevangenisstraf van drie jaar boven het hoofd. Dat het recht op leven van de zwangere vrouw een mensenrecht is, raakt de president en de kerk hun koude kleren. Hun pact is de doodsteek voor zwangere vrouwen die noodgedwongen hun toevlucht zoeken tot illegale en onveilige abortus. Misschien als kleine voetnoot er nog aan toevoegen dat we daar indirect aan mee betalen via de miljoen euros per jaar waarmee België de gezondheidszorg in Nicaragua ondersteunt. Ik schaam me andermaal ´mens´ te zijn.
Door mijn uitgelopen ochtendlijke wandeling doorheen de bruisende markt van Masaya, wijzen de wijzers van de klok al tegen één uur in de namiddag aan wanneer ik Granada opnieuw binnenfiets. Ik rij onmiddellijk door tot aan het kantoortje van de rederij om mijn paspoort op te halen. Tot mijn grote ontgoocheling is alles potdicht. Op zaterdag is het loket enkel in de voormiddag open. Er zit niks anders op dan te wachten tot maandagmorgen om mijn reis verder te zetten. Mijn aankomst in Managua, de hoofdstad van Nicaragua, laat nog heel even op zich wachten...




Na een behoorlijke klim, bereik ik eindelijk de rokende krater. De Masaya vulkaan staat bekend als één van de meest actieve ter wereld. De laatste eruptie vond plaats in april 2001. Het regende steenbrokken en lavagensters tot aan de aanpalende parkeerruimte. Laat ons hopen dat mijn bewaarengel hier ook ergens rondzwerft. Om een optimaal uitzicht te hebben, klim ik tot aan de mirador die gekenmerkt wordt door een groot houten kruis aan de top. Het is een replica van het kruis dat broeder Francisco de Bobadilla in de 17de eeuw hier plaatste. Het had als doel de demonische krachten van de vulkaan uit te drijven. Of het ook daadwerkelijk zijn diensten heeft bewezen is uiterst twijfelachtig, want de activiteit van de krater belemmert niet alleen het zicht tot in de diepe bodem, maar pleegt ook een regelrechte aanslag op mijn longen. De pregnante zwavelgeur is niet te harden en na vijf seconden moet ik mijn toevlucht zoeken tot lager gelegen oorden. De parkwachter van dienst heeft duidelijk ervaring met dergelijke situaties, want nog voor ik het goed en wel besef, stopt hij me een gasmasker toe. Na enkele minuten kom ik langzaam opnieuw op mijn positieven. Zoekend naar wat minder ijle lucht besluit ik een wandeling te maken rond enkele niet actieve kraters in de onmiddellijke omgeving. De vrij inspannende voettocht over het kronkelend pad levert me niet alleen schitterende vergezichten op, maar ook enkele bange minuten. De desolaatheid is zo groot dat gevoelens van angst me plots overspoelen. Andermaal besef ik hoe kwetsbaar een mens is als hij zich bevindt op een terrein dat hem niet eigen is en waar verlatenheid je grootste vijand kan zijn.
Eenzelfde gevoel overvalt me wanneer ik later op de dag het oude fort van Coyotepe bezoek. Op een steenworp van de toegangsweg naar het hogergelegen fort fiets ik voorbij een politiepost. Ik parkeer er mijn stalen ros en peil naar de veiligheidssituatie. De agenten raden me aan om mijn fiets bij hen achter te laten en te voet verder te gaan. In het verleden werden toeristen er beroofd. Met mijn peperspray in de ene hand en een gebalde vuist in mijn broekzak, stap ik omzichtig de steile weg op die me tot bij het fort brengt. Een gewaarschuwd man is er nu eenmaal twee waard. Het fort van Coyetepe ligt er verwaarloosd bij. Vochtplekken en graffiti allerhande ontsieren de metersdikke bunkermuren die als vrijheidsloze omwalling dienden voor dissidenten tijdens de Somoza-dynastie (1933-1979). Somoza is de belichaming van drie personen: vader Anastasio, zoon Luis en zoon Anastasio junior. Bijna een half eeuw lang hebben ze Nicaragua despotisch bestuurd en zichzelf onnoemelijk verrijkt. Tegenstand werd niet geduld. Wie kritiek gaf op het gezag werd ´fijntjes´ monddood gemaakt, letterlijk soms. De burcht is een aaneenrijging van ondergrondse cellen. Naar verluidt werden er soms tot veertig mannen tegelijk opgesloten. De ruimtes zijn lege kooien waar enkel wat luchtspleten schaars zonlicht doorlaten. Ik probeer me liever niet voor te stellen welke taferelen zich in deze isolatie- en foltercellen hebben afgespeeld. Hier is heel wat fouts gebeurd. Turend over de Masaya vulkaan, schop ik een kiezelsteen voor me uit. Verdomme, denk ik bij mezelf; foute plek, fout verleden...




Met hoge verwachtingen zak ik af naar ´el Mercado Nacional de Artesania´ om er de wekelijkse ´jueves de Verbena´ party bij te wonen. Voor de gelegenheid en terugdenkend aan mijn Argentijnse capriolen in ´Los 36 Billares´ in Buenos Aires heb ik mijn Teva´s ingeruild voor ruige stapschoenen. Toegegeven, niet het meest elegante dansschoeisel, maar een zwerver moet nu eenmaal roeien met de riemen die hij heeft. Het schouwspel vindt plaats op het binnenplein van de artisanale markt waarvan de ommuurde omwalling verdacht veel lijkt op een middeleeuwse burcht. Reeds bij het binnentreden voel ik intuïtief aan dat er van dansen niet veel in huis zal komen en nog minder dat dit de ideale plek is om veel autochtonen te ontmoeten. De toegangsprijs van 35 Cordobas (+/- 2 dollar) komt overeen met datgene waarmee bijna 60% van de bevolking per dag moet zien rond te komen.
Afgeborstelde, stijve obers met vlinderstrik stoppen me een menukaart toe wanneer ik plaats neem aan één van de gedekte tafeltjes. Rondom mij bespeur ik alleen gringo´s. Met de nodige vertraging -dit is nu eenmaal Nicaragua- opent de eerste groep de muzikale avond. Iedereen blijft passief zitten, maar de muzikanten zorgen wel voor een verrassende opening van de avond. Vooral de vier marimbaspelers die virtuoos op een soort xylofoon tokkelen, tillen het niveau tot boven de middelmaat op. Helaas moet de groep reeds plaats maken voor de echte acts van de avond en dit nog voor ze goed en wel zijn opgewarmd. Zodra de eerste dansers ten tonele verschijnen, veren enkele toeristen recht. Verder dan het schieten van enkele foto´s komen ze evenwel niet. De enige die zich op de dansvloer begeeft, is een wat zielige clown die al huppelend op zijn gekleurde sloffen wat prullaria probeert te verkopen. Afgaande op het lichtgeflits van digitale camera´s lijkt hij wel de hoofdact. Al snel ontaarden de traditionele volksdansen in zwoele ophitsende buikbewegingen die meer thuishoren in een groezelige nachtclub.
De danseressen ontpoppen zich tot paalacrobaten en de dansers tot gespierde macho´s die met bitter weinig gevoel voor choreografie de schaars geklede dames het hof proberen te maken. Ze schuren tegen de slanke dames aan alsof het een lieve lust is. Het ruikt allemaal net iets teveel naar goedkoop amusement op ´tien om te zien´-niveau. De avond kabbelt verder waarbij elke nieuwe act een saaie kopie is van de vorige. Nicaragua mag dan wel hun lichaam zijn, het leren dansen met hun hart zit er duidelijk niet in...




Op dat vroege morgenuur is een stad als een ontwakende vrouw, een Aphrodite die half slapend de warme zachte lakens naar zich toetrekt, niet goed wetend of ze zich zal overleveren aan die zijdelingse stoere mannelijkheid of resoluut zal kiezen om hem te laten stikken in z´n drang naar genot. Vrouwen zijn machtswellustig, in de speelse zin van het woord. Granada is dat ook. De pasteltinten van de huizengevels voelen fluweel warm aan in de schemerzone van een nieuwe dag, maar het verleidelijke spel van ondeugendheid ontbreekt. Granada ontwaakt niet doezelend als een mooie vrouw, maar als iemand met doorligwonden. Haar benen zijn niet rank, haar ogen niet uitdagend. Ik merk droevige dofheid tussen rimpels van een stad die te veel heeft gezien om zich nog volledig over te kunnen geven. Granada kan dan ook niet terugblikken op een sprookjesgeschiedenis.
Kort na de onafhankelijkheid van Nicaragua in 1821 ontstond er een bloedige strijd tussen enerzijds het liberale León en anderzijds het conservatieve Granada die elkaar de heerschappij over het land betwistten. Granada was het terrein van de aristocratie en mensen uit de kerkhiërarchie die gekant waren tegen elke vorm van modernisering van de economie. León daarentegen stond synoniem voor onbelemmerde vrijhandel. Rond 1855 dook er een Amerikaanse avonturier op, William Walker. Hij had zich voorgenomen om Nicaragua in te palmen en als deelstaat toe te voegen aan de Verenigde Staten. Het was een tijd waar wel meerdere gekken rondliepen die op eigen houtje militaire acties ondernamen in het buitenland. William Walker maakte gebruik van de haat die er heerste tussen de twee steden en sloot zich aan bij de liberale troepen van León. Met een legertje van slechts 58 huurlingen versloeg hij moeiteloos Granada en rukte verder op, net zolang tot hij het hele land onder controle had. In zijn grootheidswaanzin riep hij zichzelf uit tot president, voerde opnieuw de slavernij in en maakte van het Engels de voertaal. Hij koesterde plannen om ook de resterende Centraal-Amerikaanse landen in te palmen en daar een maatschappij te creëren die gebaseerd was op de slavernij van de inheemse bevolking. Zover kwam het gelukkig niet. De buurlanden sloegen de handen in elkaar en dreven hem in het nauw. Walker wist zich via een Amerikaanse marineschip uit zijn benarde situatie te bevrijden. In de Verenigde Staten werd hij onthaald als een soort president, maar William Walker rustte evenwel niet op zijn lauweren. In 1860 zette hij een nieuwe invasie op het getouw, ditmaal in Honduras. Het succes was echter van bijzonder korte duur. Walker werd gevangen genomen, tegen de muur gezet en gefusilleerd. Vaarwel William.
De liefdesvonk met Granada blijft ook na een wandeling van drie uur op een laag pitje branden. De stad die volgens sommigen het paradepaardje van Nicaragua is, beklijft niet. De kleuren lijken me te flets, de koloniale gebouwen te saai. Ik mis de ziel van de stad, de fluwelen warmte van haar schoonheid. Zou het dan toch waar zijn dat er na een lange zwerftocht een zekere gewenning optreedt, een déjà-vu-effect?


Wanneer ik vanuit de kade het grote centrale plein opfiets, is mijn eerste aanblik er één van een reuzengroot schilderij waar de artiest zowat alle verfpotten heeft opengetrokken om zijn kleurenfantasie de vrije loop te laten gaan. De gevels vormen een bonte mengeling van pasteltinten die speels in elkaar overvloeien. Rond de kiosk stallen een tiental vrouwen en mannen hun mobiele winkeltjes uit. Ze verkopen er snoepgoed, hotdogs, suikerbroodjes en dampende koffie. Ik parkeer mijn hebben en houden naast een oud vrouwtje dat enkele wankele tuinstoelen uitklapt. Ze is duidelijk verrast met haar eerste klant en floept -na een grondige inspectie van mijn fiets- met enige ongeloof ´un gringo ciclista´ uit. Ja moedertje, zo eentje krijg je niet elke dag over de vloer, denk ik bij mezelf. Nicaraguanen houden van dulces en dat weerspiegelt zich ook in de klaargemaakte koffie die een overdaad aan suiker bevat. Of zou het een manier zijn om de slechte kwaliteit te verdoezelen?
Na een kleine verkenning doorheen de stad vind ik een rustige hostal, op een boogscheut van ´el Parque Central´. Bij het inchecken doe ik een wat onaangename ontdekking: mijn paspoort is onvindbaar. Ik begrijp er niets van, want nog geen tien uur geleden had ik die overhandigd aan de dame die de boottickets verkocht. Ik probeer mij de film van de voorbij uren opnieuw af te spelen. Ik zie haar mijn geld en paspoort in ontvangst nemen, haar het ticket uitschrijven en dan een black-out. Een stroompanne hult het loket en de omgeving in een diepe duisternis. Vijf minuten later floept het licht opnieuw aan. Wisselgeld blijkt andermaal een probleem te zijn. De hele transactie neemt ongeveer tien minuten in beslag. Hoe meer de beelden vaste vorm krijgen, hoe meer mijn vermoeden wordt versterkt. De loketdame heeft mijn paspoort vergeten terug te geven. Door de vermoeidheid -het was reeds over middernacht- heb ik er geen acht op geslagen. Wanneer ik een half uur later terugkeer naar de kade en het kantoortje van de desbetreffende maatschappij opzoek, tref ik een drietal dames aan. Ze hangen, liggen en zitten aan aftandse bureaus waar enkele vellen papieren kriskras door elkaar liggen. Met nog een dozijn duimspijkers zou Jan Fabre het ongetwijfeld als levensloze kunst beschouwen. Het kantoormateriaal bestaat uit vergeeld papier en wat schrijfgerief. De virtuele revolutie moet hier nog binnenwaaien. Ik doe mijn verhaal uiteen en vraag of ze contact kunnen opnemen met het kantoor in Ometepe. De dames hadden duidelijk een rustigere werkdag in het verschiet, want met zichtbare moeite tikt één van de dames het telefoonnummer in. Geen antwoord. Het kantoor aan de overkant van de plas is onbemand. De dame die reeds van bij mijn aankomst onophoudelijk haar vingernagels aan het vijlen is, geeft me de raad om rond vier uur eens terug te keren.
Ik breng de tussentijd al slapend door. De slapeloze voorbije nacht laat ook bij een verdwaalde zwerver zijn sporen na. Rond half vier klop ik opnieuw aan bij de drie dames waarvan er inmiddels twee huiswaarts zijn gekeerd. Productiviteit is hier duidelijk niet aan de orde van de dag. Deze keer zit het geluk me wel mee. Meer nog, mijn paspoort bevindt zich inderdaad in het kantoortje in Ometepe, een goeie vijf uur varen hier vandaan. De eerst volgende boot meert pas zaterdagmorgen aan. Er zit niets anders op dan lijdzaam te wachten tot ik opnieuw legaal verder kan reizen...


Ik zie het evenwel niet zitten om de ganse dag bij de pakken te blijven zitten en dus besluit ik -ondanks het slechte weer- nog een bezoek te brengen aan ´Ojo de Aquas´, een soort thermaal bad te midden van een groene oase. Ik blijk niet de enige te zijn die de regen trotseert, want net bij het binnenfietsen van het domein ontmoet ik terug het Belgische fietskoppel. Een beetje tot onze teleurstelling blijkt het thermale bad allesbehalve een warmwaterbron te zijn, maar het tropisch, vochtig weer en de schitterende omgeving maken natuurlijk veel goed. Tussen de striemende regenvlagen door genieten we van de zalige rust en het prachtig weelderig groen decor. Na een verkwikkende duik en een gezamenlijke vitaminerijke middagmaal, scheiden onze wegen zich voorgoed. Sander en Floor fietsen stilaan de Costaricaanse grens op, terwijl ik eindelijk mijn zeebenen ga inruilen voor wat fietsbenen. In afwachting tot de duisternis valt en ik nog een laatste maal over het grote Nicaragua meer vaar, verdiep ik me wat in de geschiedenis van deze plek.
Zo ontdek ik dat de San Juan rivier, die uitmondt in het grote Nicaragua meer, eeuwen geleden de interesse wekte bij diverse buitenlandse grootmachten. Zo was de Britse bezetting van het stadje San Juan del Norte (1 januari 1848) ingegeven door expansiedrang en zagen ze hun kans schoon om de Verenigde Staten de loef af te steken door het aanleggen van een lucratief trans-Nicaraguakanaal. Zo´n vaart liep het evenwel niet, want de Britse regering kwam onder zo een grote Amerikaanse druk te staan, dat ze uiteindelijk terugkrabbelden. Het op de spits gedreven conflict resulteerde wel in het Clayton-Bulwerakkoord (1850) dat voorzag in een gezamenlijke controle indien er een kanaal zou worden aangelegd.
De interesse was evenwel aangewakkerd en er volgden enkele pogingen -ondermeer door Noord-Amerikanen, Belgen en Nederlanders- om een kanaal te graven. Ze liepen allemaal op een mislukking uit. In 1891 zette een Amerikaanse privéonderneming zijn schouders onder dit monsterproject, maar moest na 1 km baggerwerken en met ettelijke schulden rijker de werkzaamheden stopzetten. De Verenigde Staten bleven geloven in hun droomkanaal en tien jaar later stemde het parlement een wet goed die de weg opende naar het langverwachte Nicaraguakanaal. Op het moment toen de senaat zich over de zaak ging buigen, barstte vlakbij San Juan de vulkaan Concepcíon uit. De voorstanders voor de bouw van een kanaal in het zuidelijker gelegen Panama zagen hun kans schoon om hun voorliefde door te drukken, haast letterlijk. Ze deelden aan de senatoren postzegels uit waarop de uitbarstende vulkaan stond afgebeeld. In een voetnoot stond vermeld dat het kanaal langs die actieve vulkaan zou stromen. De anti-Nicaraguakanaal campagne wierp zijn vruchten af en uiteindelijk werd Panama uitverkoren als de ideale verbindingsplek tussen de Atlantische en de Stille Oceaan. Best jammer want de aanleg van een Nicaragua-kanaal zou het land zeker economisch ten goede zijn gekomen. Maar zoals zo vaak: gedane zaken maken nu eenmaal geen keer...




Het politieke landschap in Nicaragua is een ontzettend ingewikkeld kluwen, niet in minst door de afscheuringen die er de voorbije jaren zijn ontstaan binnen diverse partijen. In grote lijnen zijn er twee traditionele tegenpolen die hier de plak zwaaien. Enerzijds heb je de liberale PLC, de zogenaamde afstammelingen van oud-dictator Somoza, met hun frontman Eduardo Montealegre en anderzijds het Sandinistische FSLN, waarbij de huidige president Daniel Ortega het boegbeeld vormt. Zij zullen net zoals in het verleden ongetwijfeld de politieke lakens opnieuw naar zich toetrekken. Een vermoeden dat hier de laatste maanden nog wordt versterkt doordat er twee belangrijke politieke partijen werden uitgesloten van deelname aan de gemeenteraadsverkiezingen. De uitsluiting zou de huidige president wel eens heel duur te staan kunnen komen, want de toenemende versmalling van de democratische speelruimte in Nicaragua is namelijk een doorn in het oog voor de rest van de wereld en niet in het minst van de donorlanden. Als je weet dat het geld van de internationale ontwikkelingssamenwerking zowat de tweede bron van inkomsten is voor het straatarme Nicaragua, dan zijn dergelijke politieke confrontaties niet echt wenselijk. De vrees dat de donorlanden hun ontwikkelingshulp -toch goed voor zo´n 800 miljoen dollar- drastisch gaan afbouwen is wel heel reëel.
Na bijna twee weken in dit land te vertoeven, slaag ik er meer en meer in om de puzzelstukken van de economische situatie in elkaar te doen passen. Zo blijkt de eerste bron van inkomsten te komen uit het spaargeld dat door familieleden vanuit het buitenland (VS en Costa Rica) wordt opgestuurd. Waar hebben we dat nog gehoord? Slechts op de derde plaats komt de opbrengst van de koffie-uitvoer en ook dat is twijfelachtig. Met een totale drugsvangst van maar liefst 10 ton sinds begin dit jaar wordt algemeen aangenomen dat de drugssmokkel wellicht de eerste plaats gaat bekleden inzake inkomstenbron. Het ziet ernaar uit dat Nicaragua nog een lange weg af te leggen heeft.
Na mijn verkenningstocht rond de vulkaan La Concepcíon is vandaag de andere vulkaan La Madera aan de beurt. Omdat de lange route via een niet geasfalteerde weg loopt en ik me geen illusies maak over het keientapijt waar ik overheen zal hobbelen, beperk ik het ontbijt deze keer tot een stuk fruit. Sinds mijn aankomst in Nicaragua staat er steevast ´gallo pinto´ op het menu; een warm ontbijt van rijst en bonen door elkaar gemengd, gebakken en smaakvol gekruid. Om de kuitspieren helemaal in topvorm te brengen worden er ook nog eens huevos revueltos (roereieren) bij geserveerd. Extra doping is na zo´n royaal ontbijt niet langer nodig. Het eerste deel volgt de route tot aan het strandplaatsje Santo Domingo. Tijdens het droogseizoen moet dit hier zowat een toeristische topper zijn. Vandaag zie ik alleen troosteloze parasols uit palmbladeren die tot kniehoogte in het water staan. Ook de talrijke hospedajes zijn zo goed als verlaten.
Eenmaal Santo Domingo voorbij, fiets ik een andere wereld tegemoet, deze van het echte Ometepe en zijn bewoners. Mensen bewerken er hun lapjes grond of laten er hun kleine veekudde grazen. Het ritme ligt hier anders, lager dan in de rest van het eiland. De bewoners verplaatsen zich te voet, te paard of met de fiets. Haast lijkt er niet van deze wereld. Tijdloosheid overspoelt me, net zoals de onwaarschijnlijke vriendelijkheid van de mensen. Ze begroeten me met een ietwat vreemde, maar vrolijke blik in de ogen. Een groep kinderen komt naar mij toegerend. Ze willen zielsgraag dat ik hen op de gevoelige plaat vastleg. De spontaniteit is ontroerend, de glunderende kindergezichtjes beklijvend. Ze vragen me of ik de foto´s kan opsturen. Wanneer ik mijn pen bovenhaal, kom ik niet verder dan de naam van het dorp. Een straatnaam is er niet, een huisnummer al evenmin. Ik voel me wat onbehagelijk en moet terugdenken aan mijn reis doorheen West-Afrika. Toen had ik een Polaroid-fototoestel mee om ingeblikte foto´s te kunnen weggeven. Ik herinner me nog dat ene moment, verweg in een onbeduidend gehuchtje waar ik een oude man tegen het lijf liep. De man straalde charisma uit, iets fotogenieks en had iets weg van een dorpshoofd. Ik nam een paar foto´s met mijn toen nog analoge camera en gaf hem als bedanking twee Polaroidfoto´s. Het beeld van die twee donkere ogen, zijn bevende gerimpelde handen en zijn glunderende blik staan jaren later nog in mijn visueel geheugen gegrift. Behoedzaam nam hij zijn toepetje af en borg de foto´s als een soort relikwie op in de binnenzijde van zijn hoofddeksel. Nu vervloek ik mezelf dat ik er tegenop zag om nog een extra camera mee te zeulen. Uiteindelijk pen ik de naam van de school en juf op. Laat ons hopen dat de foto´s ooit mogen prijken in de woonkamer of in de klas van deze bengels.
Ik rond mijn tocht af met een bezoek aan de Finca Magdalena, een coöperatieve van 24 families die er koffie, groenten, rijst, bonen en melk produceren. De rondleiding reikt evenwel niet verder dan de bar, want bij aankomst ontmoet ik twee zielsgenoten; Floor en Sander, een Belgisch koppel dat in drie maand vanuit Mexico naar Panama fietst. We scharen ons rond vers vruchtensap en opeenstapelende anekdotes. Het weinig opbeurende verhaal over hun gewapende beroving in Tegulcigalpa (hoofdstad van Honduras) doet opnieuw vragen reizen over het verdere verloop van mijn tocht doorheen dit land. Het ziet er naar uit dat Honduras wel eens een soort transitland zal worden op mijn lange zwerftocht...




Dat het orkest de voorbije nacht alle registers had opengetrokken, blijkt eens te meer wanneer ik rond negen uur ´s morgens op zoek ga naar een broodjeszaak. Als ik niet had geweten hoe wild de strijkers vannacht tekeer waren geweest, dan had ik ongetwijfeld aangenomen dat de bewoners van het Ometepe-eiland een oorlogje hadden uitgevochten. Haast in alle straten ligt een opeenhoping van slijk, stenen, takken en bladeren. Op sommige plaatsen is de weg herschapen tot een waterplas, de grootte van een kleine vijver. Bij het aanschouwen van de ravage bedenk ik dat ik echt wel een goeie bewaarengel heb gehad door mij dit leed te besparen toen ik hier de eerste nacht noodgedwongen wild kampeerde.
Daar ik vrees dat de gevolgen van het natuurgeweld vooral langs de oostzijde van het eiland mijn geplande fietstocht wel eens behoorlijk in de war zouden kunnen sturen, opteer ik maar om mijn eerste verkenningstocht te beperken tot de grote lusvorm rond de vulkaan Concepcíon. De weg is voor drie vierden geasfalteerd en brengt me langsheen kleine dorpjes die er -ondanks de wolkbreuk van de voorbije nacht- zalig rustig bij liggen. Ik geniet weer volop van het pedalensyndroom en kom wederom tot het besef welke vrijheid het fietsen me verschaft. Vaak kan ik links van mij een blik werpen op het Nicaragua meer en aan de andere zijde doemt de imposante Concepcíon vulkaan boven mijn hoofd uit. Naar verluidt is Isla de Ometepe het grootste eiland in zoetwater ter wereld en leven er alleen op deze plek zoetwaterhaaien. De toeristische aantrekkingskracht van het eiland ligt evenwel verscholen in de aanwezigheid van zijn twee vulkanen, Concepcíon (1610 m) en Madera (1345 m). Volgens een lokale legende zijn de twee vulkanen de borsten van een wondermooie prinses die zich uit liefdesverdriet in het meer heeft verdronken. Als ik het voor waar mag aannemen dan moet die bloedschone prinses op de bodem van het meer toch wel serieus schuin liggen, zoniet lijken die weelderige boezems met een hoogteverschil van 265 meter me toch uitermate onsamenhangend. Nu ja, dat meiske ligt daar waarschijnlijk ook al een paar eeuwen...
Na een goeie 35 km fiets ik het dorpje Moyagalpa binnen waar de meeste reizigers trouwens aanmeren. De snelle bootverbinding vanuit San Jorge, vlakbij Rivas, is nu eenmaal een stuk meer geschoeid op de leest van het reisritme van de meeste backpackers en toeristen. Ook het dorpje zelf is volledig omgeturnd tot datgene waar toeristen zo graag op terugvallen: gezellige loungebars, smaakvolle restaurants en knusse hostels en hotels. In de centrale hoofdstraat die leidt naar de kade waar de boten aanmeren, valt mijn oog op een levensgroot reclamepaneel dat als een soort banner over de hele voorgevel zweeft: ´Amerika bar - hotel ´. Voor de deuropening heeft een grijze bebaarde zestiger post gevat, vermoedelijk de eigenaar van het etablissement. Wanneer ik voorbij fiets, begroet hij me verdacht vriendelijk: "Hey, welcome my friend!" Jakkes, het is al niet genoeg dat Latijns-Amerikanen me al voor Gringo aanzien zonder dat die er nog een schepje moet bovenop doen. Ik heb zin om hem te vertellen dat ik liever zelf mijn vrienden uitkies, maar beslis uiteindelijk om het te laten voor wat het waard is. Ter hoogte van de kade strompelen net een tiental zwaar bepakte eendjes uit de boot. Ze zullen ongetwijfeld hun toevlucht zoeken tot de second skin van het thuisvangnet, de zogenaamde Gringo hang-outs waar het bier even fris smaakt als thuis en de muziek even Lou Reed-achtig klinkt als in hun vertrouwde slaapkamer. Neen, dank je wel. Geef mij dan maar een symfonisch orkest die de onbeperkte mogelijkheden van de muziek weet af te tasten, nu eens bruisend en beukend, dan weer eens sober en prevelend...




Bijna een uur later zet ik eindelijk voet aan wal en vang ik met enige tegenzin de korte fietstocht naar de nabijgelegen stad Altagracia aan. De batterijen van mijn hoofdlamp zijn nauwelijks sterk genoeg om een lichtbron van één meter afstand te creëren. Ik heb het gevoel dat ik tegen een gitzwarte muur aanrijd. De hevige regenval van de voorbije dagen heeft het aarden wegdek bovendien herschapen tot een modderige piste waar haast geen doorkomen aan is. Na vijfhonderd meter kom ik aan een tweesplitsing. Een wegwijzer valt er niet te bespeuren, een levende ziel al evenmin. Aan mijn linkerzijde bemerk ik een kleine kerk met een houten afdakje. De schuilplaats is vanuit de straatkant -of wat daarvoor moet doorgaan- niet echt onopvallend, maar verder fietsen lijkt me nog minder verstandig. En met de heilige geest als bewaarengel boven mijn hoofd, zal ik dit nachtje wildkamperen ook wel overleven.
Ik word gewekt door de eerste zonnestralen en stemmen van voorbijwandelende voetgangers die zich hinkstapspringend een weg banen tussen de kringende waterplassen. Wanneer ik een uur later op mijn beurt mijn weg aanvat, werp ik nog een blik in de richting van mijn bewaarengel. Nog iets meer dan een half jaar en dan mag je mij voorgoed loslaten, denk ik bij mezelf. Een bevriend koppel wereldfietsers had me per mail een goed en rustig hotel aanbevolen, in hartje Altagracia: ´Hotel Central´. Na een summiere blik op de binnentuin ben ik reeds verkocht. Houten schommelstoelen nodigen me uit om te bekomen van mijn vrij korte nachtrust. Ik vrees dat het vandaag wel eens een heel lome en vluchtige kennismaking zal worden met het eiland...


De nacht is nog inktzwart wanneer ik mijn hebben en houden tot aan de dichtstbijzijnde kade sleep. Ik vloek andermaal, want dit eiland met zijn hobbelig wandelwegje en vele treden is totaal niet geschikt voor fietsers, laat staan voor zwaarbeladen fietsers. Mijn ledlamp werpt een ovaal blauw licht op het te begane pad en cirkelt stuurloos in het rond telkens ik mijn hoofd iets teveel naar boven beweeg. De gitzwarte mantel van de nacht is op dit uur nog haast ondoordringbaar en schoorvoetend bereik ik dan ook net op tijd de kade. Met een ronkend monotoon geluid en een knipperend zwaailicht kondigt de lancha zijn komst aan. Eenmaal aan boord worden alle lichten gedoofd. Ik word opnieuw opgeslorpt door de duisternis. Doezelend tussen dag en nacht vaar ik terug naar San Carlos. Bij aankomst word ik andermaal getroffen door de armoedige aanblik van het grensstadje. De lange geschiedenis van revoluties en buitenlandse bemoeienissen hebben het land wezenloos achtergelaten. De ellende staat als een onuitwisbaar litteken gekerfd in de ziel van zijn bewoners. Van enig sociaal vangnet voor mensen die veelal noodgedwongen aan de zelfkant van de samenleving staan, is er geen sprake. Leven staat hier synoniem aan overleven.
Om de tussentijd naar mijn volgende bestemming, Ometepe, alweer een boottocht -deze keer eentje van tien uur- te overbruggen, surf ik in een plaatselijk internetcafé over de grote waterplas heen. Tot mijn groot ongeloof verneem ik dat de Belgische Staat zomaar eventjes 4,7 miljard euro inpompt in de verlieslatende Fortis-bank. Een duizelingwekkend cijfer, eens te meer als je je met beide voeten op één van de armste landen van het Latijns-Amerikaanse continent bevindt. Maar tezelfdertijd stel ik me ook wel een paar andere vragen. Kan een regering het zich zomaar veroorloven om een blanco cheque uit te schrijven en een bank het gevoel geven dat ze zich kan onttrekken aan de darwinistische wetten van de markt? Als een kleine zelfstandige zijn zaak -door welke reden dan ook- ten gronde ziet gaan, staat de overheid dan ook in de eerste rij om zijn solidariteit te betuigen? Waar is trouwens het verantwoordelijkheidsgevoel van de mannen aan de top die maandelijks met een dikke wedde huiswaarts keren? Ik verneem dat de heer Maurice Lippens, voorzitter van de raad van bestuur van Fortis, de eer aan zichzelf houdt en een stap terugzet. Het blijkt stilaan een trend te worden in het Belgisch economische leven. Botert het niet meer aan de top, dan nemen de chefs gewetenloos ontslag (cfr. de affaire Jan Coene van het Ieperse Picanol). Voor de gemaakte brokken worden ze nog eens royaal vergoed met een fikse ontslagpremie en worden ze enkele maanden later met open armen aangeworven in een ander bedrijf. Staat de wereld dan echt op zijn kop? Dat ik duidelijk niet de enige ben die zich vragen stel over de voorbije gebeurtenissen, blijkt uit een wel zeer verrassende mail van pater Antoon Ghyselen. Ik ontmoette deze West-Vlaming en gewezen klasgenoot van mijn vader zaliger in Santiago toen ik aan het reizen was doorheen Chili. Sinds die tijd volgt hij me via de website zowat op de voet. Hij zal het me wel niet kwalijk nemen dat ik een stukje uit zijn email citeer. Al was het maar opdat de vrij rake benadering ook bij andere lezers iets zou teweeg brengen.
"Deze morgen, tijdens mijn morgen meditatie, was ik eventjes verstrooid ... of was het een ingeving van de Heilige Aarstengel Rafael, patroon van alle pelgrims ter wereld, wiens naamfeest we vandaag vieren? In deze vroege morgen immers werden we reeds gebombardeerd met allerlei flarden van de laatste nieuwsbom: de regeringen van België, Nederland en Luxemburg, hadden gisterenavond op het laatste nippertje de Fortis Bank van het nakende faillissement gered door gezamenlijk 11 miljard Euro´s in de zinkende bank in te pompen. Deze heren die de beslissing daartoe namen zullen persoonlijk geen duit in het zakje doen en nog minder er een duit aan verliezen. Ze beschikken wel over de macht om hoge risico´s te nemen en de moeilijk opgespaarde centjes van hun medeburgers (onderdanen!) op het spel te zetten. Deze heren staan in het nieuws en halen met grote blokletters de eerste bladzijden van de wereldpers. Waar hebben ze dat in Godsnaam verdiend? Mogen zij ook maar eens erkennen, eer het te laat is, "dat zij als mensen niet de heersers der aarde zijn, niet de maat der dingen!"
Dan kan ik niet nalaten, Grégory, terug te denken aan Carlos, de enige leerkracht van het minuscuul schooltje, die daar op de hoogte van 3000 m., tegen de top van de Irazù vulkaan, les geeft aan negen kinderen van vier verschillende niveaus! Is het anonieme (en wellicht onvoldoende gewaardeerde) werk van deze schoolmeester van geen groter belang voor de toekomst van de mensheid dan dat politieke steekspel van onze politiekers? In alle geval doe ik voor Carlos mijn hoedje af en voor zovele anderen die zich dagelijks, ongeweten, afsloven om anderen wat betere levenskansen te garanderen. En ik doe ook nog maar eens mijn hoedje af voor die eenzame zwerver die het de moeite waard achtte op zijn "fietspedalen" terug te keren om eventjes een "verloren" moment royaal te delen met deze eenzame leraar en zijn leerlingen en dit sublieme klasmoment op de digitale plaat vast te leggen .... al zal het morgen niet prijken in alle kleurenpracht op de eerste bladzijden van onze wereldpers!"




De boot klieft zich een weg doorheen de immense watermassa. De koelte van de luchtverplaatsing voelt net iets te fris aan op dit ochtendlijk uur en uit mijn dagrugzak diep ik mijn enige trui uit die ik al twee jaar lang meezeul. Gek eigenlijk, thuis heb ik aan een uit zijn voegen barstende kleerkast haast niet genoeg om al mijn kleren op te bergen, terwijl ik hier al twee jaar rondzwerf met een hoopje kleren dat nauwelijks de grootte aannneemt van een plastic zak. Nog maar eens het zoveelste bewijs dat we het best met veel minder kunnen stellen. Wanneer we de zijrivier bereiken die leidt naar het reservaat schakelt onze bootsman de motor naar zijn laagste versnelling. Wie de rijkdom aan dieren in al zijn glorie wil ontdekken moet niet alleen vroeg uit de veren, maar tevens ook geruisloos hun territorium binnentreden.
Het natuurreservaat ´Los Guatusos´ ligt aan de zuidrand van het Nicaragua meer en strekt zich uit tot aan de Costaricaanse grens. Anderhalf uur lang glijden we haast muisstil tussen de uitgestrekte moerassen. Ik heb postgevat op de voorste stevenen van de boot en speur met mijn telelens in aanslag de omgeving af. Ik lijk wel een paparazzi, maar dan eentje die het niet gemunt heeft op het privéleven van beroemdheden. Ik heb trouwens enige tijd geleden per toeval vernomen dat we dit speels klinkend woord te danken hebben aan de gelijkluidende achternaam van de persfotograaf uit de film ´La Dolce Vita´ van Federico Fellini. Paparazzo droeg zich zo opdringerig bij het maken van foto´s van mensen op straat, dat het woord een eigen leven is gaan leiden en ingeburgerd geraakte in onze woordenschat. Waar films allemaal niet goed voor kunnen zijn.
Mijn beroemdheden mogen dan wel geen deel uitmaken van de sterren aan het filmfirmament, ze zijn echter even sterk gehecht aan hun privacy. Kleine zilver- en mangrovereigers vliegen onrustig op, zodra we hun buurt naderen, terwijl kaaimannen en Terekay schildpadden haastig kopje onderduiken bij het minste onraad. Alleen de leguanen lijken zich niets aan te trekken van onze aanwezigheid. Ze liggen zalig te zonnen in de vroege ochtendzon en daar zal een handvol toeristen duidelijk niets aan veranderen. Ter hoogte van het ecologisch centrum houden we halt en maken er onder begeleiding van een gids een wandeling. Vlakbij zie ik een kleine militaire basis. De Costaricaanse grens is hier nauwelijks twee kilometer vandaan. Wanneer we rond elf uur de ecologische site verlaten, toont een militair triomfantelijk zijn laatste nieuwe buit: een monsterlijke vis die me enigszins doet denken aan een catfish. Misschien kan president Ortega er ook eens aan denken om het voorbeeld van zijn buurland Costa Rica te volgen. De afschaffing van het leger zou het arme Nicaragua ongetwijfeld ten goede komen.
Tegen de namiddag keren we terug naar het San Fernando eiland en bezoeken er de plaatselijke coöperatieve waar schilderijen en uit balsa gesneden figuren te koop worden aangeboden. Afgaande op de voltooiingdatum van de schilderijen vermoed ik dat de afzetmarkt zich voornamelijk beperkt tot de toeristen die hier aanspoelen. Mijn vermoeden blijkt niet helemaal te kloppen, want even later verneem ik dat er voor een periode van twee jaar maandelijks 2000 balsavogeltjes verscheept worden naar Nederland. Niemand kan me evenwel vertellen wie er achter het contract zit en evenmin of die ook daadwerkelijk in Nederland over de toonbank gaan. In ieder geval verschaft het diverse gezinnen op het eiland werk. Op onze terugweg zien we meerdere vrouwen druk in de weer met het beschilderen van kleine toekans. De culturele creatieve missie van de jezuïet E.C. werpt ook veertig jaar later zijn vruchten af…




Nauwelijks op pad vallen onze ogen op een kleurrijk bordje met als opschrift: ´welcome vendemos artesania´. Onder een afdakje zitten twee jonge dames toekans te beschilderen, terwijl op een steenworp daarvandaan twee mannen vissen uit balsa hout snijden en schaven. In de achterliggende ruimte ligt een in der haast ingericht winkeltje. De te koop aangeboden collectie balsafiguren is eerder schaars en de dikke stoflaag doet me vermoeden dat ze hier niet bepaald gouden zaken doen. Alsof de man mijn gedachten kan lezen, vertelt hij dat het toerisme de laatste jaren is weggebleven en dat de schaars aanspoelende toeristen steeds minder huiswaarts keren met een souvenir van het eiland in hun rugzak. Is het inspelen op menselijke gevoelens een verkoopstactiek om toch enkele Cordobas uit de geldbeugel te laten toveren of is het inderdaad harde werkelijkheid en heeft het leven tegenwoordig plaats gemaakt voor overleven?
Ook wat verderop is een koppel in de weer met het creëren van balsafiguren. De vrouw is bezig een mobiel aan het samenstellen met diverse dierenfiguren. In de hoek van de donkere woonkamer zitten twee peuters te spelen met het onbruikbare balsa-afval. Ik speur de rest van de ruimte af. Troosteloosheid overvalt me. Mensen zijn hier verstoken van elke vorm van luxe en zelfs het meest elementaire (elektriciteit en stromend water) is er niet. Velen leren hier omgaan met weinig, uit puur gebrek aan beter. Ook al vraagt de vrouw me niets, intuïtief diep ik wat geld uit mijn portefeuille. Anderhalve minuut later zwaaien twee lachende gezichtjes me afscheid. In mijn rechterhand bengelt de laatst gemaakte mobiel van hun moeder. Het zal ooit een centrale plaats krijgen in de kinderkamer en tijdens één van de vele vertelavonden voor het slapen gaan zal ik de vermoeide kinderoogjes het weinig opbeurende verhaal vertellen dat achter de rondtollende figuurtjes verscholen zit. Al was het maar opdat ze van kleins af zouden beseffen dat niet iedereen op aarde dezelfde kansen heeft en krijgt.
Centraal in het dorp is ´la casa cooperativa´ gevestigd. Het bevat een bonte mengeling aan artisanale kunst, allen gemaakt door de dorpsbewoners. Naast de prijs, staat op het etiket eveneens de naam vermeld van de ontwerper. Ook al treedt de coöperatieve als tussenpersoon op, het geld gaat rechtstreeks naar de rechtmatige kunstenaar. Naast de reeds vertrouwde balsafiguren hangen ook een aantal schilderijtjes. Ze vormen één voor één de weergave van de lokale prachtige natuur. Het ontstaan van deze eerder naïeve schilderstijl gaat terug tot de jaren zestig. In die periode streek er een opmerkelijke cultuurminnende jezuïet, E.C. (bij weergave van de volledige naam verklap ik evenwel het antwoord op de prijsvraag van deze maand) neer op het eiland. Deze pleitbezorger van een actieve cultuurbeleving verkondigde niet alleen het geloof, maar ook zijn culturele levensmotto: ´niet alleen cultuur voor, maar ook door het volk´. Zijn enthousiasme kende navolging en al gauw ontwikkelden de eilanden zich tot het centrum van een nieuwe volkskunst die zich zowel vertaalde in wervelende poëzie, als in een naïeve schilderstijl.
Toen in 1979 de sandinistische revolutionairen erin slaagden om de macht van de Somoza-dynastie te verbreken, kreeg de jezuďet prompt een baan aangeboden als minister van Cultuur. Hij zag zijn kans schoon om het model van Solentiname uit te breiden over heel Nicaragua. In een mum van tijd werden poëzie-ateliers in het leven geroepen, waar amper gealfabetiseerde boeren, arbeiders en soldaten werden ingewijd in de dichtkunst. In het doordrukken van zijn liefde voor de kunst, ging hij echter een stapje te ver. Zo veroorzaakte hij in 1980 een kleine rel door enkele richtlijnen te publiceren over hoe je goede gedichten schrijft: ´Schrijf zoals je spreekt, wees spaarzaam met woorden, staar je niet blind op rijm, wees zo concreet mogelijk en noem steden, rivieren en mensen bij hun naam.´ De artistieke middens van gevestigde waarden vonden het een kaakslag op hun creatieve vrijheid en verwierpen de handleiding omdat het teveel neigde naar een officiële staatsstijl. Ook het feit dat ze verstoken werden van enige overheidssteun zette aan tot kwaad bloed. De cultuurstrijd (lees: het binnenrijven van subsidies) werd op de spitst gedreven wanneer onder leiding van Rosario Murillo, vrouw van de huidige president Ortega, een Bond van Kunstenaars in het leven werd geroepen. De bond kende vooral aanhang bij de professionele kunstenaars, terwijl het ministerie enkel de belangen behartigde van de amateurs. De strijd leverde uiteindelijk alleen maar verliezers op, want de actieve cultuurpromotie werd in 1988 volledig stopgezet omdat het ministerie van Cultuur werd opgedoekt en ondergebracht onder het ministerie van Onderwijs. De economische crisis waarin Nicaragua tot op heden verkeert, heeft ertoe bijgedragen dat de promotie van cultuur nog steeds op een laag pitje zit.
Het uitblijven van subsidies laat zich ook voelen op het eiland. Achter de plaatselijke kerk, waar het zelfgemaakt kruis van E. C. zowat het enige pronkstuk is, ligt de bibliotheek er totaal verwaarloosd bij. Ik zie stapels boeken onder het stof en in de bibliotheekkast bevinden zich hooguit nog een honderdtal geschiedenisboeken en poëziebundels; te wachten op lezers die al jaren niet meer langskomen. Door de overlevingsdrang van de eilandbewoners is cultuur tegenwoordig het laatste van hun zorgen. Ik vrees dat dit morgen nog niet anders zal zijn...




Stemmen halen me uit een zalige roes. Mijn betonnen bed voelt plots ontzettend hard aan en mijn ledematen zitten strammer dan ooit. Mijn ogen hebben moeite om zich aan te passen aan het felle zonlicht dat als een spiegelende gloed reflecteert op het water. Op loopafstand zie ik hoe twee figuren zich uit een aangemeerde sloep hijsen. Ze begroeten me met een zwijgzame opgestoken hand. Wanneer ze dichterbij komen, ontwaar ik het gezicht van een man en een vrouw van boven de middelbare leeftijd. De dame haalt meteen haar moederinstinct boven en vraagt me ietwat bezorgd of ik de nacht buiten heb doorgebracht. Vijf minuten later stopt ze me een tas dampende koffie toe.
De vrouw des huizes heet Maria en blijkt een halve kop later de zuster te zijn van de vermoorde Donald Guevara. Op 13 oktober 1977 vond er vanuit het eiland Solentiname een legendarische aanval plaats op het kwartier van de Nationale Garde in het twintig kilometer verderop gelegen San Carlos. De belegering kaderde in een grootscheepse aanval van de sandinisten om meerdere doelen tegelijk in Nicaragua aan te vallen en op die manier het bewind van de Somoza-dynastie omver te werpen. Het plan werd evenwel op het nippertje afgeblazen, behalve in Solentiname. Door problemen met de communicatie werd de aanval toch gestart. "Het was een verloren strijd, de overmacht was te groot.", Maria´s woorden blijven heel even in de muffe keukenruimte hangen alsof ze me de tijd wil gunnen om haar verhaal in beelden om te zetten. "Mijn broer Donald werd gearresteerd, samen met zijn vriend Elvis Chavarria. Ze werden als vergeldingsmaatregel beiden geëxecuteerd." Maria schenkt ongevraagd wat koffie bij en bedient zichzelf van een tweede kop. Ik neem een schep suiker uit een beduimelde tupperware doos en roer kringen tot een spiraal, tot een cyclus van leven en dood.
In de ijzige stilte die erop volgt, speur ik de ruimte af. Op de keukenschappen staan enkele zwartgeblakerde potten en pannen naast een stapeltje borden. Boven het aanrecht bungelen enkele trossen uien. Naast de wankele keukenkast hangt er een zwart-wit foto van een recht voor zich uitkijkende man. Zijn ingedeukte cowboyhoed en geweer dat als een laken gedrapeerd ligt over zijn schouder herinnert me aan een foto uit het San Carlos fort. De geest van Augusto Sandino, de leider van de Sandinistische guerrillabeweging, is ook vierenzeventig jaar na zijn dood tastbaar aanwezig. "Ach, het is ook alweer zo lang geleden. Donald en Elvis waren amper negentien jaar oud." Maria slaakt een zucht alsof ze moeite heeft om de gezichten van de twee jonge strijders nog voor de geest te halen. Ik voel hoe ze heeft leren leven met het verlies van haar broer, maar niet met het onrecht dat hem en haar land werd aangedaan.
Veertig jaar lang regeerde de Somoza-clan met ijzeren hand over Nicaragua. Pas in 1979 viel het doek definitief over het despotisch tijdperk en tekenden de Sandinisten een communistisch bewind uit. Maar dit was buiten de waard gerekend van Amerika die vreesde voor een opmars van het communisme in zijn achtertuin. De CIA kreeg de opdracht om een leger van contrarevolutionairen (contra´s) op te leiden. Deze laatsten moesten vooral het wapenverkeer vanuit Nicaragua naar de communistische rebellen in El Salvador onderscheppen. Maar al gauw kregen ze in het geheim ook een andere taak toebedeeld: de omverwerping van de revolutionaire sandinistische regering. De geheime contraoorlog -in opdracht van de grootmacht Amerika- kwam evenwel aan het licht en er volgde een golf van verontwaardiging, niet in het minst bij de Congresleden die resoluut gekant waren tegen enige vorm van contrasteun. Ze stonden echter met hun rug tegen de muur, want een mogelijke stopzetting van contrasteun zou de communistische rebellen vrij spel geven en weldra zouden ook in El Salvador, Honduras en in Guatemala de communisten de plak zwaaien. Iets wat de Amerikanen kost wat kost wilden vermijden, want dit zou de doodsteek worden voor hun land. De stroom aan berichtgevingen over de beestachtige slachtpartijen die de contra´s aanrichtten onder vooral de burgerbevolking zette enkele Amerikaans Congresleden ertoe aan om president Reagan onder druk te zetten. De CIA mocht zich niet langer bemoeien in het conflict en de geldkraan aan de contra´s werd dichtgedraaid.
Maar Reagan was evenwel sluwer dan een vos en schoof de taak van de CIA door naar de Nationale Veiligheidsraad (NSC). Luitenant-kolonel Oliver North van de NSC zette in het grootste geheim een missie op: geld onder de vorm van ´vrijwillige bijdragen´ inzamelen ten behoeve van de contra´s. Diverse landen waaronder Saudi-Arabië en Zuid-Afrika kwamen over de brug. In zijn zoektocht naar fondsen ging Oliver North echter een stap te ver. Hij sloot een wapencontract af met Iran die in een uitputtingsoorlog was verwikkeld met Irak. De winst van de illegale wapenverkoop werd systematisch doorgesluisd naar de contra´s. Ook dit kwam aan het licht en kreeg in de annalen van de geschiedenis een vaste plaats als het zogenaamde ´Iran-contra-schandaal´. De verontwaardiging was deze keer wereldwijd en heel even kwam de Amerikaanse president Reagan in nauwe schoentjes te zitten. Zijn land had immers wapens geleverd aan het door hem als ´duivels´ afgeschilderde terroristische Iran van ayatollah Khomeini. Maar de soep wordt zelden zo heet gedronken als ze wordt opgediend. Alle schuld werd in de schoenen geschoven van Oliver North en zijn overste admiraal Poindexter, terwijl Reagan er met een berisping vanaf kwam. Meer nog, ondanks alles hield de Amerikaanse regering zijn banden met de contra´s aan om op die manier druk op de Sandinistische regering te houden. Pas in 1990, met de verkiezingsoverwinning van Violeta Chamorro (de weduwe van de in 1978 vermoorde Joaquin Chamorro, hoofdredacteur van de krant ´La Prensa´) keerde de rust eindelijk terug. De ravage was evenwel niet te overzien. Nicaragua lag economisch aan de grond en minstens 30.000 burgers lieten het leven in de ´vuile´ oorlog.
Bij het afscheid geeft Maria me nog de raad om het centrale dorpsplein op te zoeken. De bandera (vlag) van de Sandinisten hebben ze in een kunstwerk gegoten en op de nabijgelegen rotsblok zijn enkele gedenkstenen aangebracht ter nagedachtenis van Donald en Elvis. De zwartrode vlag staat als een schuine speerpunt te midden van een park met verroeste speeltuigen. Er hangt een opschrift onder: ´Nuestra bandera es rojo sobre negro. Lo negro es la muerte e lo rojo la resurreccion´ - Augusto C Sandino. (Onze vlag is rood op zwart. Zwart is de dood en rood de opstanding.) Ik vrees dat de revolutionaire verrijzenis voor de vele familieslachtoffers van de contra-oorlog een wrange nasmaak heeft achtergelaten...


De passagiersboot heeft iets weg van een lang ingedrukt cargoschip. Mijn bruingebrande voeten zitten geprangd tussen twee kartonnen eierdozen, een tros halfrotte bananen, een megagrote zak met maanvormige broodjes en enkele balen rijst. De honger lijkt op het eiland niet te stillen. Eenmaal we het grote Nicaraguameer opvaren, helt de boot gevaarlijk naar links. Niemand schijnt er evenwel acht op te slaan. Ik maak me zorgen, niet in het minst over mijn fiets die losjes op het dak ligt. Intuïtief werp ik mijn gewicht de andere kant op. In schuinhangende houding leun ik tegen een zak blozende tomaten. Ik geef zoveel tegengewicht dat er na vijf minuten van de zachte rondingen van de zak overrijpe tomaten niet veel meer over schiet dan tomatenpuree. Terwijl ik schichtig om me heen kijk, neem ik haast onbeweeglijk opnieuw mijn oorspronkelijke positie in. Ik kan maar beter berusten in mijn lot en dat van mijn fiets.
Na een uur weerklinken er enkele oorverdovende donderslagen. De hemelsluizen gaan open en de jankende motor wordt overstemd door kletterende regen die uiteenspat op het golfplaten dak. Mijn uitzicht wordt afgeschermd door een snel naar beneden getrokken synthetisch gordijn. Ik voel me als een plastieken bad-eendje, dobberend tussen ergens en nergens. Ik dood de tijd door wat te grasduinen in het bewogen politieke verleden van Nicaragua en kom tot de vaststelling dat ik op weg ben naar een eilandenenclave dat op cultuurhistorisch vlak een vrij belangrijke rol heeft gespeeld. Een half uur voor we het grootste eiland -Mancarrón- bereiken, beuken woeste golven gevaarlijk hard tegen de scheepsromp aan. Op de gezichten van de dames achter me bemerk ik angst en ongerustheid. De bootsman schakelt de motor naar een lager snelheid en probeert de situatie juist in te schatten. Het opspattende water klotst tegen het provisorische raam aan en laat dikke druppels achter die als Chinese inkt afdruipen. Het beeld doet me terugdenken aan die fijne carwashbeurten uit mijn prille jeugd. Het inzepen en afspoelen kon niet lang genoeg duren. Nu bekruipt er mij zovele jaren later een gevoel van angst. Verliest eenieder dan toch vroeg of laat een stukje van het kind-zijn? Op een sukkeldrafje stevenen we af op het eiland. Naarmate we het vasteland naderen, nemen de golven in kracht af. Een kwartier later wankelen mijn zeebenen moeizaam over de kade. Ik vloek dat ik mijn fiets niet in San Carlos heb achtergelaten, want de enige weg die er loopt is een sendero, een wandelpad, nauwelijks twee voeten breed.
Ik vind een onderkomen in hospedaje ´un Buen Amigo´. Drie andere medereizigers vanop de boot zijn er ook net aangekomen, een Nicaraguaans koppel en een Amerikaanse. Het koppel is werkzaam voor een toeristenbureau uit de hoofdstad Managua en komt researchwerk verrichten met het oog op een mogelijk aan te bieden tour. De Amerikaanse Diane is freelance journaliste en verzamelt praktische informatie voor ´Viva´, een soort tegenhanger van de reisbijbel bij uitstek, ´the Lonely Planet´. We zitten met zijn allen een beetje op dezelfde golflengte. Het kan ons verblijf er alleen maar boeiender op maken...




´El Castillo´ doet me een beetje denken aan het gemoedelijke Bastimentos, het dorpje dat deel uitmaakt van het Panamese Bocas del Toro eiland. Ook hier zijn de straten herleid tot geasfalteerde wandelpaden die gelukkig te smal zijn voor auto´s. Het dagdagelijks leven sjokt hier voorbij, op rubberen laarzen of blootsvoets. Met de regelmaat van de klok wordt de hitte afgewisseld door enkele regendruppels, nauwelijks voldoende om het stof van het betonnen wandelpad weg te spoelen en nog minder om de drukkende warmte te milderen. Oudjes zoeken beschutting achter de vierkante houten luikjes van hun poppenhuisjes. Ze staren me wat onwennig aan, alsof ze me willen laten aanvoelen dat ik op het verkeerde tijdstip hier ben aangespoeld. De meeste hospedajes zijn dicht en diegene die open zijn, hebben geen klanten. Als ik mijn licht opsteek om eventueel per boot het nabijgelegen reservaat ´Indio Maiz´ op te zoeken, val ik haast achterover van de vraagprijs. Daguitstappen zijn hier berekend op groepen van minstens zes personen. Mijn hoop om nog andere reizigers warm te kunnen maken voor de trip, wordt al snel gekelderd wanneer ik verneem dat er zelfs in het luxueuze Albergue Hotel geen toeristen verblijven. Ik moet hier echt zowat de enige vreemde eend in de bijt zijn.
Ik besluit dan maar het dorp verder te verkennen. Veel tijd of moeite kost me dit echter niet, want het dorp telt slechts één hoofdstraat of beter gezegd een centraal pad waarlangs houten huisjes kwistig verspreid liggen. Sommigen zijn gebouwd op ronde steltlopers, anderen vleien tegen de flanken van een kleine glooiing aan. Door de deuropeningen zie ik zwartgeblakerde kookpotten pruttelen op vuurtjes van houtskool. Een man met hamburgerpens zit ineengezakt naast zijn deuropening. Zijn transistorradiootje bungelt aan een polsriempje. Op een stenen bankje zitten enkele mannen voor zich uit te staren. Ze begroeten me met een stilzwijgende knik. Even verderop zie ik kinderen ravotten in het bruine sop. Ze laten zich meedrijven met de sterke stroom en duiken meermaals kopje onder wanneer de stroomversnelling hun zwalpende ledematen overspoelt met een zoveelste golfslag. Ik hou mijn hart vast wanneer ik zie dat ze zich als houten trekpopjes overgeven aan de gevaren van moeder natuur. De kleine rakkers zijn evenwel grootgebracht met de diabolostroomversnelling en kent voor hen duidelijk geen geheimen meer. Het zijn geboren duivelse waterratten. Het dorp kabbelt voort, waarbij eenieder zich heeft aangepast aan de loomheid van een zonovergoten zondag.
De enige culturele trekpleister is het 17de eeuwse fort waaraan ´el Castillo´ haar naam dankt en dat als een grote dominosteen boven het dorp uittorent. Ik krijg er een rondleiding van de dienstdoende dame die aan de kassa zit. Zo verneem ik ondermeer dat de bouw van het robuuste kasteel er kwam nadat diverse piraten -ondermeer de beruchte en gevreesde Henry Morgan- een zoveelste maal via de rio San Juan Nicaragua binnenvielen om het rijke koloniale stadje Granada leeg te plunderen. De stroomversnelling ter hoogte van de burcht was voor de beduchte rovers evenwel een niet te onderschatten hindernis en werd na de bouw van het fort nog moeilijker doordat ze belaagd werden door Spaanse krijgers die stelling hadden genomen op de diverse uitkijkposten.
Het fort viel in 1762 ei zo na in handen van de Engelse marine, ware het niet dat een strijdlustige vrouw de nodige stokken in de wielen stak. Rafaëla Herrera, tienerdochter van een Spaanse legerkapitein, zag de benarde situatie van haar lotgenoten tijdig in en besloot het roer in eigen handen te nemen. Ze loste het eerste kanonschot dat het begin inluidde van een vijfdaags beleg. De strijd werd uiteindelijk beslecht door een geniale vondst. Herrera liet lakens aanrukken, drenkte die in alcohol en legde ze brandend op drijvende vlotten. De vuurzee noodzaakte de Engelsen om de aftocht te blazen. Zou het dan toch waar zijn dat vrouwen beter scoren dan mannen inzake het aanwenden van het gezond verstand...




San Carlos boezemt me niet meteen een goed gevoel in. Het grensdorpje mag dan wel een levendige handel hebben, de zichtbare armoede gluurt er haast om elke straathoek. De troosteloosheid omarmt me, maar de confrontatie is net iets te groot na mijn bezoek aan het ´Zwitserland van LatijnsAmerika´. Het contrast met Costa Rica is dan ook schrijnend. Nicaragua moet zowat het armste land zijn van het Zuidamerikaanse continent. Ik voel er weinig voor om hier langer dan nodig rond te hangen en informeer naar mijn volgende bestemming, Ometepe, tien booturen hier vandaan. Ik heb pech, de boot is gisterenmiddag vertrokken en de eerst volgende vaart pas dinsdagnamiddag af. Na het inwinnen van enige informatie vind ik alsnog een alternatief om de tussentijd te overbruggen: el Castillo, een dorpje met een bijzonder historisch verleden dat verscholen ligt in de spleten en kieren van de restanten van een fort.
Ook San Carlos bezit een ´castillo´ dat is omgebouwd tot cultureel centrum. In de inkomhal hangen een aantal panelen met daarop de geschiedenis van het land, het dorp en zijn fort. Voor het eerst duiken namen en woorden op die me eraan herinneren dat Nicaragua een woelig verleden heeft gekend: Somoza, sandinisten, nationale garde, Bill Casey, Iran-contraschandaal, Daniel Ortega en Edén Pastora. Turend over het meer van Nicaragua en de San Juan rivier besef ik dat ik me te midden van een historisch decor bevind dat jarenlang het toneel is geweest van repressie, geweld en burgeroorlogen. Het zilveren wateroppervlak verandert in een bühne waar helden en antihelden de hoofdrol vertolken en waar figuranten er apathisch tussen lopen, als verstilde rekwisieten. Aan de ingang van het theatergebouw wapperen vlaggen van conservatieve en liberale partijen, zie ik demonstrerende betogers met een zwartrode rouwband om de bovenarm. Eén van hen draagt een ingedeukte Sandino-hoed. Ik slaag erin om nog een toegangskaartje te bemachtigen; op de eerste rij, vlak voor het podium. Terwijl achter mij het rumoer aanzwelt, worden de lichten gedoofd. Het gordijn schuift met het geluid van een slecht geolied radarwerk langzaam open. Een vaalgele gloed belicht de scene en intuïtief voel ik aan dat dit toneelstuk geen blijspel is, maar de setting van een drama dat zich hier veertig jaar lang heeft afgespeeld...




"... Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde
nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten
ik leverde bewijs van mijn bestaan
omdat door het verleggen van die ene steen
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan."
Voor het eerst op mijn lange zwerftocht steek ik de grens per boot over, meerbepaald in Los Chiles. Tot een goeie tien jaar geleden was deze grensovergang onbestaande, maar dat verhinderde vele Nicaraguanen niet om via deze route het buurland Costa Rica illegaal binnen te komen. Om paal en perk te stellen aan deze praktijken werd er een migratiepost opgericht. Wanneer ik mijn uitreisstempel ophaal om Costa Rica te verlaten, zijn een handvol jongeren in een hevige discussie gewikkeld met de douanebeambte. Ze beschikken blijkbaar niet over de geldige papieren om het land binnen te kunnen. Ze zullen met de eerste boot worden teruggestuurd. Bij het invullen van een routine formulier voel ik hun blikken op mijn rug. Ik vraag me af wat zij van me denken, de gringo die probleemloos doorheen alle landen van Latijns-Amerika kan reizen.
De grenscontrole mag dan wel niet in het voordeel spelen van vele Nicaraguanen, voor sommigen levert het in ieder geval een baantje op. Zo moet ik welgeteld drie verschillende instanties aflopen om mij een plaatsje te verzekeren op de boot. Bij de ene moet ik een stempel ophalen, bij de andere een taks betalen om het land te verlaten en bij de derde moet ik -op vertoon van mijn uitreisstempel en het betalingsbewijs van de taks- mijn bootticket kopen. Banen creëren noemen ze dat zeker...
Na een uurtje varen meert de lancha aan ter hoogte van de aanlegsteiger van San Carlos, het grensdorpje op Nicaraguaanse bodem. Een nieuw land, een nieuw hoofdstuk; nu nog haast maagdelijk wit, maar binnen enkele weken doorspekt met ´historias minimas´ en reflecties van een verdwaalde geest die met eigen ogen binnengluurt in de ziel van een land en zijn volk. Wat me meteen opvalt wanneer ik het bouwvallig douanekantoortje -dat half als paalwoning over de rivier is gebouwd- verlaat, is de troosteloosheid en de wanordelijkheid. Armzalige huisjes met golfplaten daken leunen schouder aan schouder, terwijl honden snuffelen aan zwerfvuil dat her en der verspreid ligt. Op de stoep zitten enkele mannen ineengezakt, groezelig en verdwaasd. Een glazen fles met witte vloeistof (pure alcohol?) gaat er van hand tot hand. Armoede wordt ook hier, zoals in zovele Latijns-Amerikaanse landen, weggedronken en heel even verdrongen naar het irreële, naar de schijnwereld waarin ze zich zwalpend aan vastklampen.
Ik vind een onderkomen boven een pulperia (kruidenierswinkel). De hoogbejaarde eigenaar sjokt met tussenpozen de trap op die leidt naar de verhuurde bovenverdieping. Zijn handen vertonen onuitwisbare ouderdomsvlekken en omklemmen bevend de houten armleuning. De hele wand hangt vol met Latijns-Amerikaanse schoonheden in piepkleine bikini´s. Mijn bejaarde gastheer heeft duidelijk een goeie smaak. Het beperkt zich evenwel tot de façade, de kamers zelf doen mijn verbeelding minder op hol slaan. Het bed, of wat daar moet voor doorgaan, is het prototype van een hangmat en de ventilator op drie wankele poten heeft iets weg van de schroef van een vooroorlogs propellervliegtuig. De scheidingswanden zijn van spaanderplaten en de houten vloer lijkt wel een zeef. Zou de oude grijsaard ook nog andere zwakheden hebben?