Afscheid van Chili...

Chili - San Pedro, 8-07-2007 - (dagboek 43)


Mijn oproep via de 10de nieuwsbrief inzake het doorsturen van een remedie tegen koude ochtendlijke voeten, viel niet in dovemansoren. Ik kreeg zowaar reeds warme voeten bij het lezen van zoveel tips. Dat het evenmin ontbrak aan spitsvondigheid blijkt alvast uit de greep van de suggesties: een stuk in je voeten drinken, op hete kolen lopen, op je voeten plassen en daarna eens goed ‘frotten’, rondspringen als een konijn, een goeie Irisch-coffee drinken, van de ene voet op de andere huppelen, ervoor zorgen dat er een ander paar voetjes naast de jouwe liggen, je uit de voeten maken naar warmere oorden,...
De top drie ziet er evenwel net iets realistischer uit:
1/ het nemen van wisselbaden: koud stromend en nadien warm
2/ wat olijfolie tussen de tenen wrijven en blijven masseren tot je warm bent
3/ krantenpapier in je schoenen stoppen: slorpt de vochtigheid op en houdt de schoenen warm

In ieder geval zullen de tips goed van pas komen, want naar verluidt ga ik barkoude nachten tegemoet. Morgen verlaat ik definitief Chili om hopelijk tegen valavond de Boliviaanse grens te bereiken. Het wordt meteen een zware etappe, niet zozeer wat de afstand betreft, maar wel op het vlak van de hoogte. Over een afstand van 42 km slingert de weg zich tot 4300 meter boven de zeespiegel. Via de Cordillera Lipez en een resem kleurrijke lagunes zal ik vervolgens Bolivië binnenfietsen. Het is een excursie die al enkele jaren door plaatselijke reisbureaus wordt gepromoot. De georganiseerde trip met een landrover rijdt tot aan de zoutvlakte van Uyuni en neemt in het totaal drie tot vier dagen in beslag. Met mijn tweewieler lijkt me twaalf dagen een haalbare kaart. Onder het mom van een potentiële klant ben ik bij een drietal reisagentschappen informatie gaan inwinnen. Aan de hand van hun uitleg heb ik coördinatiepunten aangestipt op mijn landkaart. Het zijn in hoofdzaak plaatsen waar ik een reserve aan water kan opslaan. Inzake voedsel maak ik me minder zorgen. Enkele dagen terug heb ik in Calama een hele voorraad aangekocht: pasta, risottorijst, muesli, gedroogd fruit, tortilla´s, dulce de leche, tomatenpuree, koffie, melkpoeder,... Alles bij elkaar een goeie acht kilo. Reken daar nog eens zes liter water bij en een bagage van 45 à 50 kilo en dan is het beeld van een zwaar beladen muilezel compleet. Het belooft in ieder geval een moeilijke tocht te worden met nachten waar de temperatuur daalt tot -20 graden celcius en waar de lucht op sommige plaatsen, omwille van de hoogte, bijzonder ijl zal zijn. In ieder geval bevindt mijn voorraad cocabladeren zich alvast binnen handbereik, want bij een hoogte van 5000 meter zouden die wel eens heel goed van pas kunnen komen.
Gisteren ook uitgebreid de was en de plas gedaan. Mijn waslijn had wel iets weg van ‘de Bond van Grote & Jonge Gezinnen’. Ja, ook een zwerver ontkomt niet aan bepaalde huishoudelijke taken. Bij valavond heb ik nog ‘el Valle de la Luna’ bezocht. Naast de geisers bij El Tatio, moet de vallei zowat de grootste toeristische troefkaart zijn van San Pedro de Atacama. Vanop een mammoetzandheuvel genoot ik in het bijzijn van zo´n tweehonderd toeristen van de zonsondergang. Bij het wegglijden van het zonlicht kleurden de bergen en de omliggende vulkanen zalmroze tot oranjerood. Een mooiereafsluit voor het verlaten van Chili had ik me niet kunnen voorstellen.
Morgen start een nieuwe fase in mijn zwerftocht. Tegen de tijd dat Dehaene zijn formateur heeft aangesteld, hoop ik de zoutvlakte van Uyuni te hebben bereikt. Het zal dus wel eventjes stil worden op het verdwaaldezwerversfront. Nu ja, ook een virtuele zwerver mag af en toe eens vakantie nemen...

De keerzijde van ´s werelds grootste kopermijn...

Chili - Chuquicamata, 4-07-2007 - (dagboek 42)


Met de neergang van het nitraat, werd de export van koper sinds de jaren veertig Chili´s nieuwe levenslijn. De exploitatie van de kopermijn is nog steeds voor 100% in de handen van de staatsonderneming CODELCO (Corporación Nacional del Cobre). Zelfs tijdens het Pinochet-regime viel de mijnindustrie niet ten prooi aan zijn privatiseringsplannen. Als compensatie moest evenwel 10% van de koperopbrengsten ten goede komen aan het budget voor het leger.
Wie in Chili spreekt over koper voegt er in één adem de stad Chuquicamata aan toe. De stad wordt aanzien als ´s werelds grootste koperproducent. Bij de toeristen die een glimp kunnen opvangen van de mijn blijft vooral het beeld van de kolossale vrachtwagens in het geheugen hangen. Ook bij mij is dit niet anders, want de dagelijkse rondleiding beperkt zich tot een promotiefilmpje en een korte busverplaatsing naar een uitkijkpost van waaruit je slechts een fractie van de mijn kunt zien. Vanop een speciaal aangebrachte tribune zie ik hoe 200-ton vrachtwagens omhoog klauteren langs de uitgehakte hellingen. De monsterachtige trucks transporteren de koperhoudende grond omhoog, of beter gezegd het restafval. Elke dag vindt er om klokslag vijf uur ´s morgens een explosie plaats in de mijn, waarbij maar liefst 600.000 ton aan steenbrokken worden weggeblazen. Eén derde ervan wordt rechtstreeks via een transportband naar de fabriek vervoerd, het epicentrum van het verwerkingsproces. De resterende twee derde wordt door de trucks uit de mijn weggehaald om het even verderop neer te droppen. Het zijn brokstukken die geen koper bevatten en dus waardeloos zijn. Doorheen de jaren zijn er op die manier kunstmatige stenen heuvels aangelegd in de omgeving van de mijnstad. Het ganse produktieproces neemt twee weken in beslag. Het eindprodukt is bijna voor 100% puur koper en wordt in hoofdzaak verscheept naar China.
De jonge en vlotte dame die de toeristen gidst, goochelt met cijfers alsof het een lieve lust is. Maar achter de duizelingwekkende getallen zit er echter ook een verborgen schrijnende werkelijkheid, want Chuquicamata is ook een metafoor voor geweld. Zo vernielt ze al jaren lang de rijkdom die ze bezit. Het natuurlijk landschap werd totaal verarmd door het rooien van de cardones, de kandelaarscactussen. Het smeltwater van de Andes wordt in gigantische hoeveelheden afgetapt, terwijl de verwerkingsprocessen de bodem in Chuquicamata vervuilen met arsenium. Maar ook op puur menselijk vlak moet er toch wel een kanttekening gemaakt worden. De gids mag dan wel verkondigen dat de verlaten woonsites het gevolg zijn van een wet die bepaald dat mensen in een straal van zoveel kilometers niet naast een industriële zone mogen wonen, de werkelijkheid vertelt evenwel een ander verhaal. Want het feit dat de stad op sterven na dood is, heeft ook hier te maken met de exploitatiedrang. Ook het klasseverschil wordt minzaam weggemoffeld tussen de vele cijfers. Al jaren heerst een grote ongelijkheid tussen de eerlijk betaalde mijnwerkers en de tweederangs mijnwerkers. Deze zogenaamde ‘subcontratados’ verdienen een pak minder dan hun collega’s en dat spijts de veel grotere arbeidsrisico´s die ze dagelijks lopen. Chuquicamata mag dan wel de trots zijn van de Chilenen, de keerzijde van de medaille ziet er allesbehalve rooskleurig uit...

Een zwerversleven van uitersten...

Chili - El Geysers del Tatio, 2-07-2007 - (dagboek 41)


De wekker loopt af om 5u30. Wanneer ik uit het raam kijk, zie ik hoe de besneeuwde bergen een silhouet vormen in het halfduister van de nacht. In de verte hoor ik een generator die een nieuwe dag aankondigt. Kristallen sterretjes tekenen zich af op de kleine vierkante vensters. Ik mag me gelukkig prijzen dat ik de nacht niet in mijn tent heb moeten doorbrengen.
Een half uur later spring ik opnieuw op de fiets. De geisers bevinden zich nog een kleine 2 km verderop. Achter mij zie ik vanuit de bergen een colonne van lichtbundels afstevenen. De vrije dag in Chili en de sneeuwvrije weg hebben toeristen terug andermaal op de been gebracht. Naarmate ik de geisers nader, zie ik witte rookpluimen uit de grond opstijgen. Langs de kant van de weg hoor ik water opborrelen. Wanneer de duisternis van de nacht zich definitief overgeeft aan de ochtend, zijn groepjes toeristen reeds uitgezwerfd over de stoomvlakte. De VW-busjes staan in slagorde opgesteld en terwijl de bezoekers zich vergapen aan het natuurfenomeen, stallen chauffeurs hun tafeltjes uit. Straks zullen de verkleumde toeristen en gidsen samendrommen om zich op te warmen met een bakje troost. De lucht voelt ijl aan en de temperatuur blijft zeven graden onder nul. Voorzichtig stap ik tussen de rokende plassen water heen. Ze zijn het gevolg van ondergrondse warmwaterbronnen die door de warmte van de zon beginnen te koken, en af en toe moet de stoom worden vrijgelaten. De overdruk levert een haast surrealistisch witachtig vuurwerk op. Een beeld dat nog wordt versterkt door het water dat in de bassins klotst en brobbelt. De zwavellucht roept verre herinneringen op aan het chemielokaal in het college. Tijd om op te stappen...
Op de terugweg zie ik nog twee busjes met toeristen aanstormen. Ze zijn eraan voor de moeite. De natuur is hier onverbiddelijk: de geisers beginnen te spuiten als de eerste zonnestralen de aarde verwarmen. Wie te laat komt moet genoegen nemen met de kruimels van het dessertbuffet. Wanneer ik even later terug in het administratief gebouwtje aankom, stelt de vrouw des huizes voor om er nog een nachtje te blijven. Een uitnodiging die ik dankbaar aanvaard. Wanneer de zon reeds hoog aan de hemel staat, zoek ik een warm, zwavelhoudend modderbad op en geniet ik mateloos van enkele baantjes schoolslag. De bezoekers zijn al lang terug weg, richting warmer gelegen oorden. Het leven is er eentje van uitersten... Het ene moment sterf je nagenoeg van de kou en het andere moment lig je te zonnen in de hoogste openluchtbadkuip van de wereld, omringd door besneeuwde bergtoppen. Het zwerversleven... het blijft er één van uitersten!

Van tangaslipje tot winterplunje...

Chili - El Geysers del Tatio, 1-07-2007 - (dagboek 40)


Ik word gewekt door het geluid van een ronkende motor, dichtslaande portieren, mannenstemmen. Het is iets over vijf in de morgen. M´n tent staat een 200-tal meter verwijderd van de aarden hoofdweg. Toegegeven, niet echt strategisch verdoken, maar in dit woestijnachtig landschap prijs ik me al gelukkig als ik een steenloze ondergrond vind van twee bij twee, een tentzeil groot. Ik hoor gelach, het klikkend geluid van geopende blikjes. Het zint me niet. Behoedzaam open ik de ritsluiting van mijn tent. Doorheen de opening, niet groter dan een oog, zie ik een drietal schimmen. De koplampen van de rode pick-up schijnen doelloos als twee parallelle lichtbronnen in de duisternis. “Verdorie, wat moeten die hier?”, flitst het door mijn hoofd. Plots zie ik hoe één van de mannen de tent nadert. Als een schicht glijd ik blootvoets in mijn ijskoude schoenen. Door de kou van de voorbije nachten slaap ik sinds een tweetal dagen met mijn kleren aan. Ik ruk het tentzeil open en enkele seconden later sta ik oog in oog met een volslagen onbekende jongeman. “Buenos noches. Que quieres?” De man is duidelijk wat verrast en prevelt “Nada...”. “Si, no tienes cerveza?” De vraag om bier komt van zijn vriend die ongegeneerd even verderop staat te plassen. “No lo siento, tengo solo ropa y algunos alimentos”. “No hay chocolate?”, vraagt de andere. “Yo no, pero mi amigo tiene. Tu quieres?” “Si, claro!” Ik keer terug naar de tent en terwijl ik koortsachtig mijn reep chocolade zoek, zeg ik opvallend luid: “No, no problema, son solo tres hombres que preguntan si no tenemos chocolate. Puedo continuar a dormir.” Even later overhandig ik de onverwachte bezoeker de chocolade. “No viajas solo?” “No, con un amigo, pero es muy cansado, está dormiendo. Mi tambien. Voy dormir. Adiós!”en ik bezegel de vreemde ochtendlijke ontmoeting met een koude handdruk. Wanneer ik me omdraai hoor ik hoe de derde persoon van het gezelschap zijn vrienden vraagt om in de pick-up te stappen. “Vamos, es muy tarde y tengo mucho frío!” Ik hoor opnieuw deuren dichtslaan en enkele tellen later rijdt de wagen met hoge snelheid weg. Opgelucht kruip ik terug in mijn donzen slaapzak, de warmte opzoekend van m´n denkbeeldige reisgenoot.
Twee uur later word ik opnieuw wakker, ditmaal van de kou. Ik moet mezelf moed inspreken om niet te blijven liggen. Uiteindelijk sta ik om half tien vertrekkensklaar om de laatste etappe af te leggen. De zon is inmiddels reeds volop van de partij en heeft de kille vrieskou van de vroege ochtend grotendeels verdreven. Ik bemerk dat de ketting nodig moet gesmeerd worden en dus vliegt de bagage er terug helemaal af. Ik wil geen risico´s nemen, te meer ik een hoogteverschil van een goeie 1200 meter moet zien te overwinnen. “Niks beter dan een goed geoliede machine!, zou Luc Ostyn, de vélomaker uit Boezinge, zeggen... Reeds na de eerste bocht slingert de ripioweg zich de hoogte in. Het wegdek ligt er behoorlijk slechter bij dan gisteren en pas uiterst moeizaam draait de ripio vanonder mijn wielen. Na een tweetal uur rijden, kruis ik twee carabineros. Ze vragen waar ik naartoe fiets en of ik wel gepaste winterkledij meeheb. Wanneer ze even later wegrijden, kan ik mijn lach nog moeilijk onderdrukken. Die agenten, getooid in winterjassen en wollen mutsen, zullen ongetwijfeld gedacht hebben dat ik me van seizoen had vergist. Op 3500 meter hoogte fietsen in een T-Shirt opgerold tot aan de oksels en een fietsbroekje dat ei zo na de vorm aanneemt van een tangaslipje... Tweehonderd meter hoger bereik ik de sneeuwgrens en dwingt de kou me van garderobe te veranderen.
Ik kruip onverminderd omhoog en bemerk dat mijn gemiddelde snelheid niet hoger is dan 5 km/u. Ach, ik maal er niet om. Het heeft me des te meer de kans om mateloos te genieten van een betoverend mooi sneeuwlandschap. Ook de oneindige stilte is er haast onwerkelijk. Ik rijd langs restanten van wat ooit een kleine nederzetting moet zijn geweest. Opeengestapelde stenen vormen de ruïnes van een huis uit een ver verleden. De weg wordt alsmaar steiler en kilometers lang trap ik me via ‘el Quebrada Chita’ de hoogte in. Het panoramisch gezichtsveld is adembenemend en tegelijk hallucinant. Het zweet gutst in kleine beekjes over mijn lichaam, maar ik geef niet op. Zelfs wanneer de wat ongeruste agenten opnieuw langsrijden om polshoogte te nemen en me een lift aanbieden, blijf ik halsstarrig in het zadel zitten. Bij ‘el Paso de Jama’ heb ik moeten opgeven, maar deze keer ben ik onverwurmbaar. Ik zal en moet de geisers op eigen krachten bereiken.
Rond vijf uur heb ik de grens van 4000 meter overschreden. Er komt een vlijmscherpe wind opzetten en ik duikel andermaal in mijn fietstassen op zoek naar extra kledij. De bodem is echter niet groot genoeg, want een half uur later is de temperatuur gezakt tot aan het vriespunt.
In het halfduister merk ik een schaarse richtingaanwijzer, maar even verderop splitst de weg zich zonder een duidelijke signalisatie. Als ik nu de verkeerde kant opfiets, ben ik reddeloos verloren. Ik probeer mijn gezond verstand aan te spreken. Als ‘el Geyser del Tatio’ samen met de maanvallei zowat de grootste toeristische attractie is in het hoge noorden, dan moet de weg sneeuwvrij zijn. Ik kies dan ook de afslag met de minste sneeuw. De temperatuur blijft zakken en ik voel hoe mijn vingers en voeten verkrampen door de ijzige kou. De weg lijkt eindeloos lang. Hoe lang nog? Ik krijg heel even een adrenalinestoot wanneer ik bemerk dat ik nog 7 km verwijderd ben van mijn einddoel. Mijn lichaam kleurt kristalblauw en ik voel hoe mijn krachten lijken te verstenen tot één grote ijsklomp. Iets over acht uur zie ik een vage, lager gelegen lichtbron, ingekapseld tussen besneeuwde bergpieken. Ik slaak een ijskoude zucht van opluchting. Een kwartier later klop ik met mijn laatste krachten op het verlichte vensterraam. Ik blijk de eerste bezoeker te zijn in de voorbije vier dagen. Pas deze namiddag heeft een sneeuwruimer de weg sneeuwvrij gemaakt. De vrouw des huizes biedt mij een dampende bord soep aan. Mijn vingers zijn zo verstramd dat ik niet eens mijn schoenen kan uittrekken. Een half uur later voel ik nog steeds een pijnlijke tinteling in mijn voeten. De gastvrouw verklaart me gek, maar biedt me wel een bed aan. De temperatuur is inmiddels gezakt tot -15 graden. Totaal uitgeblust en terug op lichaamstemperatuur, kruip ik diep onder de lakens. Wegdromend van een lange, eindeloze afdaling onder een verzengende zon, val ik in een diepe slaap...

Op weg naar de geisers...

Chili - caspana, 30-06-2007 - (dagboek 39)


Gisteravond kwam ik aan in Chuquicamata, de grootste kopermijn ter wereld, maar inmiddels zit ik terug op de fiets richting ‘el Tatio Geysers’. Mijn voornemen om de kopermijn te bezoeken, viel in het water. Tijdens het weekend worden geen rondleidingen gegeven en maandag aanstaande is het een betaalde verlofdag. Drie dagen zitten niksen leek me net iets te lang en dus besloot ik eerst de geisers op te zoeken en daarna terug te keren naar Chuquicamata.
Het is een vreemde vaststelling dat deze stad waar de mijn maar liefst 9000 man tewerkstelt, op sterven na dood is. De voorbije dagen heb ik langs meerder spooksteden gereden, dorpjes die door het verdwijnen van de mijnactiviteit werden achtergelaten en waar de oorspronkelijke bewoners op zoek gingen naar betere oorden. Hetzelfde gevoel ervaarde ik in Chuquicamata. De mensen die er werken wonen bijna allen in het 20 km verderop gelegen Calama. Mocht de mijn op een dag zijn deuren sluiten dan zal deze mijnstad hetzelfde lot ondergaan als Pedro de Valdiva en Chacabuco.
De weg naar de geisers is grotendeels ongeasfalteerd en ligt ongeveer 2000 meter hoger van mijn vertrektpunt. Ik maak een eerste tussenstop in het charmante dorpje Chiu Chiu. Sinds het wegvallen van de vee- en goederentransporten die richting Bolivië reden, is de tijd er blijven stilstaan. Ooit telde de stad 10.000 inwoners. Anno 2007 is het een slaapstadje geworden met slechts een goeie 300 zielen. Het heeft net als zovele steden een centrale plaza met een belendende iglesia. De kerk valt op door zijn twee klokkentorens en zijn wit gekalte adobemuren. In de kerk tref ik het evenbeeld van ‘madleine-mutse’ aan (tot enkele jaren terug het manusje-van-alles in de Ieperse kathedraal). Ze vertelt me dat de kerk dateert van 1675 en wijst me de typische zoldering, vervaardigd uit cactushout, aan. De muren vertonen grote barsten en op sommige plaatsen bladert de verf er in schilfers af. De kranige dame van een jaar of zeventig steekt bij het afscheid nog gauw een collecte-bus onder mijn neus. Mijn bijdrage zal de kerk wel niet in een nieuw kleedje stoppen, maar alle beetjes helpen.
Bij het verlaten van het centrale plein valt mijn oog op een gezellig restaurantje, Tambo genaamd. Ik laat me verleiden met ‘pollo’ en pas anderhalf uur later zet ik mijn tocht verder. De grindweg slingert zich moeizaam de lucht in en wanneer de duisternis valt, lijk ik nog mijlenver verwijderd van mijn vooropgestelde overnachtingsplaats, Caspana. Wil ik morgenavond ‘el Tatio Geysers’ bereiken, dan moet ik kost wat kost doorrijden. Warm ingeduffeld met muts, handschoenen en winterjas fiets ik verder. Ook al is er bijzonder weinig verkeer, het fluo-jasje van de truckchauffeur komt wonderwel van pas. Uiteindelijk bereik ik rond 10 uur ´s avonds de splitsing die me morgen naar mijn eindbestemming brengen moet. Nog 62 km te fietsen en een 1100 meter te klimmen...

Het zielloos salpeterverleden...

Chili - 'La Oficina Marie Elena', 28-06-2007 - (dagboek 38)


Het bezoek aan ‘la Oficina salitrera de Chacabuco’ was confronterend en zou elke reiziger een geweten moeten schoppen. Al was het maar om een stap voorwaarts te kunnen zetten in de strijd tegen de ongelijkheid tussen arm en rijk. Want dat er een grote discrepantie was -en nog steeds is- tussen de mensen die werkzaam zijn in de mijnindustrie kon ik met eigen ogen zien in het eveneens teloorgegane nitraatstadje Pedro de Valdivia. Mijneigenaars en personeelsleden van de administratieve dienst hadden bepaalde privileges, maakten deel uit van elitaire sportclubs en logeerden in fatsoenlijke villa´s, verweg van het labeur in de nitraatvindplaatsen. Arbeiders daarentegen hadden meer plichten dan rechten. Bijvoorbeeld waren ze beperkt tot het kopen van levensmiddelen in warenhuizen die eveneens eigendom waren van de grote mijnbazen.
Pedro de Valdivia behoort samen met een andere mijn, Maria Elena, tot het eigendom van de gebroeders Guggenheim. Ze danken hun bekendheid aan hun lange bestaansgeschiedenis. De twee broers hadden namelijk een nitraatproces uitgevonden die geraffineerder was dan het vertrouwde verwerkingsproces. De beide mijnen sloten pas in 1996 hun deuren, lang nadat de andere oficinas reeds over kop waren gegaan. Sinds enkele jaren zijn beide salpeterbedrijven opnieuw actief, maar de glorieperiode van weleer is voorbij.
In Pedro de Valdivia is de vergankelijkheid zowaar nog groter, mede door de uitgestrektheid van het stadje. Het lijkt wel of men de stad in allerijl heeft verlaten. In de etalage hangen nog handtassen, dik onder het stof, geduldig te wachten op een koper en de brandweerwagen lijkt er plompverloren te zijn achtergelaten. Een museumstuk te midden van een zielloze stad... Maria Elena heeft wel nog een populatie en de desolaatheid is er dan ook veel minder aan de orde. Toch lijkt ook deze stad een spiegel te zijn van een glorieus salpeterverleden. De mijn kan er evenwel niet bezocht worden en dus beperk ik me tot een verkenningstocht van de stad. Het Chili-zout moet decennia na de glorieperiode voor vele saliternos bitter smaken...

Troosteloosheid in het kwadraat...

Chili - 'La Oficina de Chacabuco', 27-06-2007 - (dagboek 37)


Een verschroeiende zon staat reeds hoog aan de hemel. Het wordt tijd om mijn zoektocht verder te zetten en de restanten van salpeterland op te sporen. Mijn eerste halte in Baquedano brengt me bij een oude spoorwegsite. Het openluchtmuseum dat het label ‘nationaal historisch monument’ heeft meegekregen, is hier zowat het enige overblijfsel dat refereert naar de bloeiende mijnperiode van het einde van de 19e eeuw. Vooral Britse investeerders toonden interesse voor deze nijverheid en hebben toen diep in hun geldbeugel getast om een spoorweg aan te leggen van Baquedano tot aan de havenstad Antifagasta. Tussen een kerkhof van schrootijzer vind ik een half dozijn antieke stoomlocomotieven. In wat men heeft omgedoopt tot ‘la casa de Máquinas’ staan er een drietal onder een halve, maanvormige constructie. Het gebouw telt 16 uitgangen die allen over een draaibaar plateau kunnen lopen. Het systeem lijkt me bijzonder vernuft, zeker als je bedenkt dat het concept in 1916 werd ontworpen. Negentig jaar later laat het stoffige staal een desolate indruk na.
Bij het verlaten van het stadje valt m´n oog op een bord dat aan de kant van de weg staat: “Se vende museo historico salitero”. Tien meter verder bemerk ik een met golfplaten afgezet museumpje. De wat misleidende naam lokt me naar binnen. Ik tref er een allegaartje van oude brol aan, van wat ooit familiebezit was van de vijftigjarige eigenaar. Als ik hem vraag waarom hij zijn museum van de hand doet, antwoordt hij dat niemand van de familie de zaak wil verder runnen. Op mijn vraag hoelang het museum al te koop staat, laat hij wat ontmoedigend zijn ogen glijden over het met stof beladen erfgoed en zucht vermoeid: “ocho años...” Bij het verlaten van de meest stoffige collectie die ik ooit in mijn leven heb gezien, heb ik zin om hem nog een tip mee te geven, namelijk om het gewicht in stof niet mee te rekenen in zijn verkoopprijs. Maar ik besluit wijselijk om de tip voor mezelf te houden. Nauwelijks terug op de fiets word ik door een vrachtwagenchauffeur tegengehouden. Hij biedt me ‘un regalo’ aan: een fluo-jasje en een Chileense vlag. Het afscheid van Chili nadert met rasse schreden...
Vanuit Baquedano zet ik mijn fietstocht verder, richting de salpetermijnen of althans het verre verleden ervan. In de ontmetelijke Atacama-woestijn lag in de jaren 1850 het nitraat- of salpeterzout voor het grijpen. Het nitraat werd aangewend om kunstmest te produceren. Vooral Europa was, mede door zijn industrialisatie, een grote afnemer. Oorspronkelijk was de mijngrond Peruviaans en Boliviaans gebied maar door toedoen van de Pacific-oorlog (1879-1883) kwam het in Chileense handen en begon de ontginning te floreren als nooit voorheen. In een mum van tijd steeg de bevolking in het noorden van Chili van 2000 tot 230.000. Duizenden mannen zochten hun werk en hun geluk in de saliteras, de nitraatvelden. Dat de overheid afhankelijk was van de opbrengst van één exportprodukt om zijn infrastructuur en zijn sociale projecten draaiende te houden, was allerminst hun zorg.
Het wedden op één paard werd hen evenwel fataal toen Duitse chemici tijdens de eerste wereldoorlog een formule ontdekten waarmee kunstmatige nitraatmeststoffen konden worden gemaakt. Dit was het begin van een langzaam, maar gestaag verval. De teloorgang werd nog bespoedigd door de grote depressie van de jaren dertig. De droom van duizenden pampinos spatte uiteen. Ze verlieten massaal de eens zo bloeiende mijn en de nitraatplaatsen veranderden in spooksteden.
Eén ervan is ‘la ex Oficina Salitrera Chacabuco’. Bij aankomst verneem ik dat er grondige restauratiewerken aan de gang zijn en dat het tijdelijk gesloten is. Wanneer ik één van de verantwoordelijken vertel dat ik een studie maak over het salpeterverleden en ik foto´s kom maken om het geheel te illustreren, mag ik na lang aandringen alsnog het terrein verkennen. Er hangt een lugubere sfeer over het stadje. Niet alleen zijn er rondomrond mijnenvelden aangelegd, maar tevens zijn de kleine arbeidershuisjes totaal verwaarloosd. De mijnen zijn een overblijfsel van het Pinochet-regime. Tijdens zijn schrikbewind werd Chacabuco omgevormd tot een concentratiekamp. De explosieven moesten ervoor zorgen dat de gevangenen niet gingen lopen.
Chacabuco moet ooit een bedrijvige stad geweest zijn. Tussen het labyrint van stoffige straten bemerk ik restanten van een hospitaal, een theater, een supermarkt, een sportzaal, ... Sommige gebouwen krijgen een serieuze opknapbeurt, maar de verlaten resten van de stad en de holle mijninstalaties getuigen van haast onmenselijke werkomstandigheden. Ik voel de armoedige ellende en de uitzichtloosheid van hun bestaan bij elke nieuwe straat die ik insla. De stad heeft iets onwerkelijks en ademt troosteloosheid in het kwadraat uit. Rond het centrale plein zie ik hoe schilders de nieuwe speeltuigen voorzien van een gepaste verfkleur en hoe timmerlui de laatste hand leggen aan een uit de toon vallend infobureau. Het is duidelijk dat men dit nationaal erfgoed als een toeristische troefkaart wil uitspelen. Straks zullen de toeristen ontvangen worden door hostesses in driekleurig maatpak, zal er een wel afgelijnde route te volgen zijn en zullen pa en ma kunnen genieten van een natje en een droogje terwijl de allerkleinsten ravotten op het spiksplinternieuwe speelplein. Of men tussen al het opgepoetste verleden ook nog de harde leefomstandigheden van de kompels zal aanvoelen is maar de vraag. De façade zal andermaal de werkelijkheid of althans de herinnering eraan doen vervagen. Binnenkort is een uitstap naar Chacabuco een vast begrip op de salpetertour van de gewiekste reisorganisator. De toerist zal met een goed gevoel huiswaarts keren, want de ontvangst was kleurrijk en vriendelijk en bovenal was er een goed uitgebouwde cafetaria. Dat de vraag van honderden mijnwerkers om betere lonen tijdens een betoging in de havenstad Iquiqe met een regen van kogels werd beantwoord, zal wellicht hun laatste zorg zijn...

Een mobiele fruitwinkel...

Chili - 'Baquedano', 26-06-2007 - (dagboek 36)


Ik ontwaak door het zoemend geluid van m´n wekker en meteen realiseer ik me hoe onwerkelijk zo´n geluid is te midden van het absolute niets. Elk geluid wordt er precies tien malen versterkt. Ik betrap me er op dat ik steeds vaker de stilte opzoek, routes neem die verweg liggen van het alledaagse leven en dat ik me geborgen voel in een soort niemandsland. De confrontatie met de leegte, de desolaatheid van het landschap, de verzengende zon en de soms doodse stilte is in de eerste plaats een confrontatie met jezelf. Je reflecteert je leven in de natuurelementen en laat het verleden als een onsamenhangende film afdraaien. Vreemd hoeveel mensenlevens er in één leven vervat kunnen zitten.
Fietsend doorheen ‘ el Salar de Atacama’ en de gelijknamige woestijn zie ik hoe de onvergankelijkheid concrete vormen aanneemt. De verdwaalde, achtergelaten fles werpt zijn schaduw alleen in een andere richting, de bandsporen verworden er tot gegraveerde schoenafdrukken en stenen letters vormen een herkenbare naam, verstrengeld met de liefde van de persoon die ze heeft achtergelaten. De woestijn, het is precies een andere wereld. Een wereld die bestaat uit een grijsbruin, verlaten maanlandschap dat alleen door de zon een andere kleurintensiteit krijgt. Het ontbreekt er tevens aan elk referentiekader. Op de meer dan 200 km lange weg die loopt van Peine naar Baquedano valt er geen boom, geen huis, geen dorp te bespeuren. Of toch, hier en daar zie ik industriële bedrijvigheid: salpeter- en kopermijnen. Bij valavond lijken het vanuit de verte feeëriek verlichte dorpjes. Vrachtwagens transporteren de grondstoffen naar de kilometers verre havenstad Antifagasta, al waar het verscheept wordt naar zijn eindbestemming. Fietsers zijn er een zeldzaamheid en voor vrachtwagenchauffeurs wellicht een welkome afwisseling op hun lange, stoffige route. Ze wuiven me toe vanuit hun cockpit of stoppen me bemoedigend een stuk fruit in de hand. Wanneer ik een naderende vrachtwagen zie vertragen, dan weet ik dat het tijd is om mijn schoentje klaar te zetten. Onwaarschijnlijk, maar wanneer ik rond vier uur in de namiddag begin aan de beklimming van de ‘Cordillera de Domeyko’ is mijn fietstas aangedikt met vier appels, drie bananen, twee sinaasappels, twee meloenen en drie blikken cola. Een mobiele fruitwinkel op twee wielen... Gek, ik heb ontelbare keren de weg Ieper – De Panne afgelegd, maar nooit heeft men mij iets toegestopt. Nu ja, om het absolute niets te doorkruisen moet je nu eenmaal ‘groot en flink zijn’ op de helling zetten, durven dromen en vooral geloven dat je de juiste weg hebt ingeslagen. De beloning komt dan eens te meer uit een verrassende hoek.
De vermoeidheid lijkt geen vat te hebben op mijn fietsbenen en zelfs lang na zonsondergang fiets ik door. De koelte van de nacht zorgt voor een ideaal tegengewicht met de loodzware zon van de voorbije dag. Het duinenlandschap vervaagt tot gebogen welvingen en het lijkt wel of ik fiets doorheen een land van duizend-en-één nachten. Rond twee uur in de nacht en na een lange, verdiende afdaling bereik ik Baquedano. De politiebeambte van dienst kijkt wat vreemd toe, maar wijst me behulpzaam een plekje aan achter het politiekantoortje. Onder het lichtschijnsel van de maan en een vuilgele, zwakke straatlantaarn, zet ik mijn huisje op voor de nacht...

Kiezen is soms een beetje verliezen...

Chili - 'el Salar de Atacama', 25-06-2007 - (dagboek 35)


Met enige twijfel neem ik afscheid van mijn fietsvrienden. Het fietsclubje was inmiddels aangedikt tot zeven avonturiers. Want de dag erop, nadat ik samen met het Franse koppel, Francois en Céline, de laatste 120km van de Paso de Jama per vrachtwagen had afgelegd, kwamen ook Yves en Guillaume aan in San Perdo de Atacama. Die waren in het gezelschap van nog twee fietsers, een Spaans-Canadees koppel. Alle vier hadden ze net als ik de strijd met de wind opgegeven en een lift genomen. We vormden de voorbije dagen precies één grote familie, allen bezeten door hetzelfde zwervers-syndroom. Ze probeerden me nog te overhalen om met hen mee te fietsen richting Bolivië. Tevergeefs, want anders had ik mijn plan, om doorheen 'El Salar de Atacama' en de omringende woestijn te fietsten, definitief mogen opbergen. Een verscheurende keuze, maar kiezen is altijd een beetje verliezen.
De verkregen informatie omtrent de doorsteek over de ‘Cordillera de Domeyko’ is bijzonder schaars. Reisbureaus die een georganiseerde toer aanbieden naar ‘El Salar de Atacama’ rijden niet verder dan ‘el Laguna Chaxa’, een meer waar flamingo´s het mooie weer maken. In Toconao, een dorpje op een goeie 40 km verwijderd van San Pedro, vind ik wel een antwoord op mijn vragen. Zo weet de plaatselijke carabinero me te vertellen dat ik in het dorpje Peine nog water en voedsel kan inslaan, dat de weg tot in Banquedano vrij goed maar ongeasfalteerd is en dat er geen sneeuw ligt op de Cordillera. Een hele geruststelling, want bij mijn vertrek uit San Pedro vernam ik dat el Paso de Jama gesloten was voor alle verkeer wegens te hevige sneeuwval. Met een tas vol goeie moed en raad zet ik mijn tocht verder.
Naarmate ik verder fiets, neemt de zoutvlakte steeds meer de plaats in van het landschap. Op sommige plekken is de aarde door de droogte en het hoge zoutgehalte gebarsten tot bizarre, grillige korsten die er als reusachtige puzzelstukken bijliggen. Het lijkt wel of een aardbeving de grond omhoog gestuwd heeft waardoor de vlakte doet denken aan een vreemd soort maanlandschap. Soms wordt de uitgestrekte bruine zandzee onderbroken door één enkele dorre struik. Je kan je afvragen hoe die daar ooit is beland. Misschien heeft een flamingo wel goed gemikt...
Rond vier uur zie ik een wegwijzer die me leidt naar het 9 km verderop gelegen ‘Reserva Nacional Los Flamingos’. Wegens de lage temperaturen valt het aantal flamingo´s wat tegen. Het grootste deel van de populatie heeft warmere oorden opgezocht. De tientallen moedige dieren stellen me evenwel niet teleur en geven bij tijd en wijlen een mini-balletvoorstelling ten beste. Met hun ranke, slanke poten schrijden ze voorbij, slaan hun vleugels wijdbreeds open en weten onvermoeid met één opgetrokken been hun evenwicht te houden. Ook in de vlucht zijn ze een streling voor het oog.
Bij het verlaten van het schouwspel, kleurt de zon de omliggende bergen oranjerood. Het visueel kleurspektakel dwingt me een zoveelste foto te maken. Ik brand het wisselend kleurenspectrum op mijn netvlies en geniet mateloos van een zoveelste zonsondergang. Net voor de duisternis volledig invalt, zoek ik een plekje om de nacht door te brengen. De hemel fonkelt onder een regenboog van sterren en inwendig voel ik hoe een traan van diepmenselijk geluk zich vermengt met de stoffige, zanderige aarde...

Een oase van rust te midden van de woestijn...

Chili - San Pedro de Atacama, 24-06-2007 - (dagboek 34)


De voorbije dagen heb ik vooral geprobeerd om wat op krachten te komen na de zware inspanningen van de voorbije week. Het woestijndorpje San Pedro de Atacama is hiervoor dan ook de gedroomde plaats. In deze oase te midden van de woestijn kabbelt het leven er op het ritme van de stoffige straten, zoals het wellicht honderden jaren geleden reeds het geval was.
Niet dat het toerisme hier geen vaste voet aan de grond heeft gekregen. Integendeel! Doordat de stad zowat op het kruispunt ligt met Bolivië, Noord-Argentinië en Chili is San Pedro uitgegroeid tot een vaste stopplaats op de zogenaamde Gringo Trails. De mochileros, de rugzaktoeristen zijn hier alom tegenwoordig. Als ik door de ongeasfalteerde straten van het rustige dorpje wandel, dan lijk ik me wel in het epicentrum te bevinden van wisselkantoortjes, bureaus die georganiseerde expedities allerhande aanbieden en soevernirwinkeltjes. De haast magische uitstraling van het dorpje heeft de voorbije decennia vooral hippies aangetrokken die hier een nieuw bestaan hebben opgebouwd. Vers geperste fruitsappen, vegetarische empanades, muesli-ontbijten en biologische koffies zijn zowat het uithangbord bij uitstek in ‘Banana Chivez’ en ‘Café Export’. De gemoedelijke sfeer wordt nog eens versterkt door het centrale plein, la Plaza de Armas, met zijn schaduwrijke bomen en de pittoreske, vuilwitte kerk die dateert uit de 17de eeuw.
Maar het dorpje heeft nog een andere hoogst interessante bezienswaardigheid, met name het ‘Museo Arqueológico Padre le Paige’, dat te danken is aan -jawel- de Belgische jezuïet Gustave de Paige. Hij kwam in 1955 naar San Pedro en ontdekte er in de buurt een oude, indiaanse begraafplaats. Het was het begin van een verzamelwoede van stenen en kunstvoorwerpen die anno 2007 een beeld weergeven van de plaatselijke geschiedenis. Ik had pech, want het pronkstuk, ‘Miss Chile’ (een uitstekend bewaarde mummie van een indiaanse vrouw) bevindt zich voor het ogenblik in een rondreizende expositie. Tussendoor heb ik hier ook ‘el Valle de la Muerta’ per fiets verkend. De vallei gaf me een magistraal uitzicht op de vulkaan Licancabur die hier zowat het hele woestijnlandschap domineert.
De voorbije dagen heb ik niet alleen goed uitgerust, maar heb ik me tevens zowat suf gepiekerd over het vervolg van mijn reisroute. Na lang beraad heb ik uiteindelijk besloten om morgen toch ‘el Salar de Atacama’ te verkennen en van daaruit via het gebergte door te fietsen naar Baquedano, een spookstadje dat ooit een prominente plaats heeft ingenomen op de kaart van de salpetermijnen. Vervolgens ga ik een stukje door de woestijn fietsen om via een omweg de grootste kopermijn ter wereld te bezoeken, Chuquicamata. Als laatste tussenstop zal ik nog het hoogste geiserveld op aarde, ‘El Tatio’, aandoen. De fietslus zal me uiteindelijk terug bij m´n beginpunt brengen, met name San Pedro de Atacama. Enerzijds stelt het me in staat om een deel van mijn bagage hier te laten en anderzijds kan ik op die manier alsnog Bolivië binnenfietsen via de ‘Cordillera de Lipez’. Naar het schijnt één van de mooiste grensovergangen en een wondermooie omgeving met heel wat lagunes. Ik hoop de volledige trip in een kleine twee weken te hebben geklaard. Internetconnectie zal andermaal schaars zijn en vermoedelijk zal ik pas in Chuquicamata terug iets van me kunnen laten horen. Mijn fietskompanen hebben besloten om hier nog een paar dagen te blijven rondhangen en vervolgens meteen door te fietsen naar Bolivië. Het zal wellicht opnieuw een zware, eenzame tocht worden, maar ongetwijfeld uitermate boeiend. Wordt vervolgd!

Een fietsend wrak...

Chili - San Pedro de Atacama, 21-06-2007 - (dagboek 33)


Als ontbijt krijgen we meteen een pittige klim geserveerd. Nu ja, deze grensovergang tussen Argentinië en Chili heet niet voor niets ‘el Paso de Jama’. Ons groepje van vijf is inmiddels geslonken tot drie. Het koppel, Céline en François hebben eieren voor hun geld gekozen en hopen een bereidwillige chauffeur te vinden die hen tot in San Pedro de Atacama zal brengen.
De weg slingert zich tot op een hoogte van 4400 meter. Er is iets vreemds aan de gang, want na een halve kilometer voel ik mijn spierkrachten wegkwijnen als sneeuw voor de zon. Ik lijk wel een astmalijder die steeds sneller naar adem moet happen. Is het de hoogte of heb ik gisteren teveel uit mijn reserves geput? Bovenaan de top wachten Yves en Guillaume me op. Terwijl ik van het uitzicht geniet, probeer ik terug wat op adem te komen. We zijn amper vijf kilometer ver en ik voel me reeds volledig uitgeteld. Ondertussen is de wind fel komen opzetten en we spreken af om beurtelings voorop te rijden opdat eenieder een buffer tegen de wind zou vormen voor de ander. We lijken wel renners die zich hebben losgerukt van het peleton en waarbij we als ploegmaats op weg zijn naar de overwinning. De wind is echter zo hevig dat ik na tien kilometer de strijd moet staken. Met lede ogen zie ik hoe de twee koplopers verdwijnen tot een vage stip. Ik ben doorheen al mijn krachten en steeds vaker moet ik een rustpauze inlassen. Na twintig kilometer bemerk ik dat ook mijn twee kompanen het gevecht met de wind hebben opgegeven. Achter een rotswand proberen ze zich enigszins af te schermen van de beukende wind. Na een half uur zetten we de tocht verder, maar ook nu weer slaag ik er na enkele kilometers niet meer in om hen bij te benen. Nog 140 km te gaan...
Ik besluit mijn eigen tempo te volgen, want intuïtief voel ik aan dat ik me kapot aan het fietsen ben. De zware inspanningen van de voorbije dagen en vooral de uitputtende fietstocht van gisteren eisen hun tol. Ik voel me mentaal en fysiek volledig leeg en opgebrand. De kilometers kruipen voorbij en het lijkt wel of ik continu een helling met een stijgingspercentage van 30% en meer beklim. Ik ben een fietsend wrak. Mijn reserves zijn op en steeds meer besef ik dat de situatie uitzichtlozer wordt. Zelfs voor het ruige woestijnlandschap heb ik niet langer oog. De vlijmscherpe wind en zijn onophoudelijk gefluit maakt me ziek. Mijn ploegmaats zijn ondertussen al kilometers ver uit het oog verdwenen. De gedachte om nog twee -misschien wel drie dagen lang- de strijd aan te moeten binden met het meest hatelijke natuurelement, maakt me week en ik voel hoe tranen opwellen. Mijn weerstand is totaal gebroken...
Wil ik deze tocht overleven dan zal er niks anders opzitten om ´s nachts door te fietsen, want alleen bij het vallen van de duisternis neemt de wind hier in kracht af. Rond vijf uur dendert een eenzame vrachtwagen claxonnerend voorbij. François zwaait glimlachend vanuit het open venster en roept me toe: “Bon courage!” Ik voel me te zwak om terug te zwaaien...
Even verderop hou ik een zoveelste maal halt. Op hetzelfde ogenblik kruipt een tientonner moeizaam voorbij. Vijftig meter verder stopt hij. Heeft de chauffeur gezien dat ik doorheen al mijn krachten ben? “Quieres transporte ?” De vraag klinkt als een hemels geschenk in mijn oren. Enkele tellen later zit ik in de stuurcabine. Verdoofd van uitputting staar ik naar het voorbijglijdende landschap. Zelfs wanneer we langs de twee koplopers rijden, heb ik niet eens de kracht om hen alle moed toe te wensen. De resterende 105 km schuiven voorbij als een misselijke, slechte film. Rond zeven uur kom ik ongeveer gelijktijdig met het Franse koppel in San Pedro de Atacama aan. Na het invullen van de nodige grensformaliteiten zoeken we de eerste beste camping op. De tocht naar het woestijndorp zal ik in ieder geval nooit of te nimmer vergeten...

Een bikkelharde strijd...

Argentinië - Paso de Jama, 20-06-2007 - (dagboek 32)


Om precies half acht hoor ik hoe Juan zijn graafmachine aan de praat probeert te krijgen. Met horten en stoten sputtert de motor na herhaaldelijke pogingen uiteindelijk in gang. Ik prijs me gelukkig dat ik kan blijven liggen tot de eerste zonnestralen de kilte van de morgendauw hebben verdreven, want ondanks het comfort van een bed en het vroege tijdstip dat ik onder de lakens lag, voel ik me allesbehalve uitgeslapen. De vrieskou heeft me vaak uit mijn slaap gewekt en m´n half dozijn dekens voelden aan als loodzware kartonnen vezelplaten.
Wanneer ik rond negen uur wil ontbijten, stel ik vast dat ik volledig doorheen m´n voedselvoorraad zit. In de rommelige container vind ik op enkele beschuiten na, een krat halfrotte tomaten, opgeschoten uien en een vuilniszak vol stokbroden die wellicht al weken oud zijn. Met een knorrende maag neem ik iets later afscheid van Juan die een zoveelste berg stenen en aarde opschept om die vervolgens uit te kieperen boven een metalen rasternet dat als zeef fungeert. Een eenzame zwerver is hier in dit godvergeten gat een heel relatief begrip...
Al snel bereik ik de Ruta 51, de geasfalteerde weg die nog exact 63 km verwijderd is van de grensovergang. Het is tien uur in de ochtend. Met een beetje geluk bereik ik ‘el Paso de Jama’ rond de klok van één uur. Nauwelijks goed en wel op dreef, word ik in een mum van tijd schaakmat gezet door een felle tegenwind. Het fietsplezier daalt tot onder het vriespunt en ik slaag er niet eens in om een tegenzet te doen. De wind domineert als geen ander het speelveld en walst mijn krachtinspanningen als gewichtsloze pionnen één voor één van hun sokkel. Ik trap de longen uit mijn lijf, maar moet moedeloos toezien hoe ik ter plaatse blijf trappelen. De weg kronkelt doorheen het desolate landschap, maar nooit voldoende om de wind in de rug te krijgen. Op sommige momenten beukt de wind zo hevig zijdelings dat ik vrees om met een geweldige smak tegen het beton aan te vliegen. Nog een geluk dat er haast geen verkeer voorbijkomt, zoniet zou het krachtspel met de wind wel eens levensgevaarlijk kunnen worden. Hij raast als een gek en steeds vaker moet ik het fietsen staken. Er zit niets anders op dan hele stukken te voet verder af te leggen. Doordat mijn kilometerteller niet meer functioneert, heb ik er geen benul van hoeveel afstand ik reeds heb afgelegd, evenmin met welke snelheid ik voorbij kruip. Ik voel hoe ik mijn reserves moet aanspreken en hoe mijn maag om voedsel schreeuwt. Zoekend naar wat druivensuiker vind ik een verdwaald zakje rozijnen. Een doekje voor het bloeden...
Met een blik op oneindig vervolg ik mijn weg. Mijn enige energie waar ik nog kracht uit put, zijn de hemelse klanken van I Muvrini afkomstig uit mijn mp3. Maar ook deze energiebron slinkt met het uur door leeglopende batterijen. Rond vier uur in de namiddag ben ik volledig leeg gefietst. Ik werp mijn fiets op de grond en zoek radeloos wat beschutting achter een berg kiezelstenen. Een half uur later stopt een wagen, afkomstig uit de tegenovergestelde richting. Het Argentijns koppel vraagt me of er iets aan de hand is. We blijven een eind kletsen en ze geven me terug moed om de strijd niet op te geven. Ik blijk nog precies 30 km verwijderd te zijn van de grensovergang. In zes uur tijd heb ik ongeveer 32 km afgelegd of een gemiddelde van net iets meer dan 6 km per uur. Ik besef dat ik geen andere keuze heb dan verder te rijden. Het echtpaar verzekert me dat ik aan de grensovergang iets kan vinden om te eten. De honger houdt me ondanks alles op de been. Rond half zeven verdwijnt de zon achter de horizon. Met de invallende duisternis neemt ook de wind in kracht af en de laatste twintig kilometer haspel ik bijna in een drafje af. De witte onderbroken stippellijn in het midden van het wegdek vormt mijn enig oriëntatiepunt.
En plots, een soort fata morgana, een oase van dansende theelichtjes tegen het silhouet van de Chileense Cordillera. Het lijkt haast onwerkelijk, deze miniscule zee van licht te midden van het absolute niets. Ik kan het haast niet geloven... Na een onnoemelijke uitputtingsslag heb ik de eindmeet gehaald. De fonkelende straatlantaarns schitteren als twinkelende sterren. Ook al lijkt de afstand nog zo eindeloos, de lichtbron werkt op me als een magneet.
Om half negen fiets ik het piepkleine grensdorpje binnen. Ik heb geluk, want het enige kruidenierswinkeltje dat het plaatsje rijk is, blijkt nog open te zijn. Met mijn laatste Argentijnse pesos koop ik brood, kaas en dulce de leche. Wanneer ik bij de douanebeambte aanklop met de vraag of ik er mijn tent mag plaatsen, nemen ze me mee naar een belendende loods. Tot mijn grote verbazing tref ik er vier lotgenoten aan, de vier jonge Franse fietsers die ik een kleine twee weken terug had ontmoet tijdens mijn excursie in Humahuaca. Het weerzien is hartelijk. Ze zijn gisteren aangekomen en hebben de hele dag gewacht tot de wind ging liggen. Tevergeefs. Ze overhalen me om morgen met hen mee te fietsen naar San Pedro de Atacama. Ik voel me evenwel volledig opgebrand en het liefst zou ik een rustdag willen inlassen. De gedachte om met zijn vijven de resterende 166 km te overbruggen, haalt me evenwel over de streep. Rond half elf zoeken we allen de stilte van de nacht op . Ik val in slaap met de gedachte dat ik wel heel langzaam afscheid heb genomen van Argentinië. Nu ja, het zal de herinnering des te langer levendig houden...

Een angstig, verdwaald gevoel...

Argentinië - Catua, 19-06-2007 - (dagboek 31)


Wanneer ik een zoveelste maal wakker word, merk ik dat de nacht zich heeft overgeleverd aan de dag. Het is half acht. In normale omstandigheden zou ik opstaan, koffie zetten, de tent afbreken en terug mijn fiets opspringen. De vrieskou brengt me evenwel op andere gedachten. Ik kruip nog wat dieper in mijn slaapzak, wachtend tot de warmte van de zon me opnieuw wekt. Rond negen uur vallen de eerste zonnestralen op mijn tent. In de schaduw bedraagt de temperatuur nog steeds -8 graden.
Goed ingeduffeld fiets ik een nieuwe dag tegemoet. De ripioweg is min of meer berijdbaar en slingert zich doorheen de desolate Salar van Cauchari. Het woestijnlandschap versterkt de eenzaamheid van de eindeloze, uitgestrekte en dorre vlakte. Sinds gisterennamiddag ben ik hier geen levende ziel meer tegen het lijf gelopen. Het lijkt wel alsof ik me op een stuk onbewoond eiland bevind. Tegen de middag krijg ik wederom het gezelschap van de wind. Heel af en toe draait de weg zich enigszins in de goeie richting. Ik draai mijn lijf tot een parabool om maximaal van de wind te profiteren. Mijn wiskundige houding levert me evenwel niet veel voorsprong op, want even later draait de weg opnieuw en krijg ik wederom de wind op kop. Het landschap wordt steeds kaler en ook de weg herleidt zich tot grove bandensporen van vrachtverkeer die hier ooit voorbij gereden is. Op een bepaald ogenblik valt ook deze laatste aanwijziging volledig weg. Ik ben het spoor geheel bijster. Voor mij ligt een immense vlakte, zover het oog reiken kan. Heel even slaat de paniek mij om het hart. Het feit echt te zijn verdwaald doemt plots als het zwaard van Damocles boven mijn hoofd. Tot overmaat van ramp is de batterij van mijn kilometerteller leeg waardoor ik geen houvast meer heb inzake de reeds afgelegde afstand of mijn gemiddelde snelheid. Uiteindelijk laat ik me leiden door mijn intuïtie en m´n kompas.
Na een half uur fietsen vind ik terug bandensporen en even verderop zie ik zelfs tekenen van een beschaving, de ruïnes van wat vermoedelijk ooit een boerderij moet zijn geweest. De piste wordt alsmaar zanderiger en het scenario van gisteren herhaalt zich. Ik krijg echt een lichte paniekaanval bij de gedachte dat ik de resterende weg stappend en vooral sleurend en trekkend zal moeten afleggen. Stel dat ik toch de verkeerde kant opga? Ik heb nog een drietal liter water over, net voldoende om nog drie dagen te overleven. Vooral het feit dat ik hier geen enkel teken van leven zie, begint me zorgen te baren. Wanneer de weg zich op een zeker ogenblik diametraal splitst, voel ik hoe mijn laatste strohalm aan vertrouwen mijn handen ontglipt. Mijn kompas wijst rechtdoor aan, maar behalve zand en stekelige, lage struiken valt er geen weg te bespeuren. Ik neem uiteindelijk de piste waar de sporen van vrachtverkeer het duidelijkst zichtbaar zijn. Miljard, de weg lijkt wel een zandbak. Rond vijf uur zie ik helemaal links van mij, op een afstand van twee à drie kilometer een vrachtwagen voorbijdenderen, richting het noorden. Ik slaak een kreet van opluchting bij het besef dat ik wel degelijk de juiste richting opfiets.
Rond zes uur zie ik in de verte een containerachtige blokkendoos. Hoe dichter ik nader, hoe groter mijn vermoeden wordt bevestigd. De container is een slaapbarak voor bouw- of wegenwerkers. Wanneer ik vermoeid mijn fiets tegen de metalen kooi zet, komt een man van een jaar of veertig ietwat verbaasd tevoorschijn. Hij weet me te vertellen dat de geasfalteerde weg er op een boogscheut vandaan ligt. Ik ben gered! Het heeft echter weinig zin om verder te rijden en dus vraag ik hem of ik hier mijn tent voor de nacht mag opzetten. De kerel vindt het evenwel geen goed idee om bij een temperatuur van - 10 graden en meer de nacht in mijn tent door te brengen en prompt stelt hij me een bed ter beschikking in zijn container. Zijn blikken huis vormt de weerspiegeling van zijn bestaan waarbij eenzaamheid een deel van zijn leven is geworden. Als gestrande reiziger beïnvloed ik geenszins zijn levensritme, want wanneer een uur later de nacht zijn intrede doet, kruipt hij net als alle andere werkdagen in zijn bed. Wegens het ontbreken van elektriciteit volg ik gedwee zijn voorbeeld. Het levensritme wordt hier bepaald door licht en duisternis, door dag en nacht...

Realiteit en waanzin: waar ligt de grens?

Argentinië - Olacapato, 18-06-2007 - (dagboek 30)


Wanneer ik rond zeven uur ontwaak, schrik ik me haast rot. Mijn thermometer wijst in de tent -3 graden aan. Mijn waterflessen zijn halfbevroren en slechts met heel veel moeite slaag ik erin koffie te zetten. Zelfs om negen uur is het nog steeds ijzig koud. Met een temperatuur van -5 graden breek ik verkleumd mijn tent af. Pas op het moment dat ik reeds op de fiets zit en de zon schuchter aan de horizon verschijnt, slaag ik erin om wat op temperatuur te komen.
Ik vorder uiterst langzaam, want de ripioweg ligt er heel slecht bij. Het steengruis knarst onder mijn wielen en ook al probeer ik het tempo erin te houden, ik slaag er niet in om een behoorlijke snelheid te halen. De staat van de weg maakt het fietsen alsmaar moeilijker en steeds vaker moet ik hele stukken te voet afleggen. Op sommige plaatsen zit er niks anders op dan de loodzware fiets door hele zandstroken voort te duwen. Ik fiets vijftig meter, honderd meter en stap , trek, sleur een gewicht van zeventig kilo tweehonderd meter, driehonderd meter verder. Bovendien slingert de weg zich steeds hoger de lucht in. Ik voel hoe mijn spieren zich tot hun uiterste krachten moeten inspannen om nog een meter hogerop te geraken. De grens tussen realiteit en waanzin vervaagt bij elke overwonnen stap. Hoelang kan ik zoiets volhouden en vooral hoeveel kilometer moet ik nog overbruggen alvorens ik opnieuw onafgebroken verder kan fietsen? Met de minuut wordt de situatie uitzichtlozer.
Mijn gedachten dwalen af naar een gesprek dat ik anderhalf jaar terug had met de Nederlandse wereldfietser Frank Van Rijn. Hij gaat er prat op nooit een lift te nemen, zelfs niet wanneer de grens tussen realiteit en waanzin wordt overschreden. Wel mijnheer Van Rijn, met alle respect, maar na drie uur onafgebroken al stappend, sleurend, duwend en trekkend nauwelijks vijf kilometer te hebben afgelegd, stel ik me toch wel vragen bij uw bewering. Wanneer de uitzichtloosheid de bovenhand haalt, dan heb je maar één hemels verlangen: een bereidwillige chauffeur te vinden die je meeneemt, verweg van alle fietsellende. Zelfpijniging is niet aan mij besteed en rond twee uur in de namiddag hou ik het dan ook voor bekeken.
Het aantal voorbijrijdende wagens is schaars, maar na een half uur krijg ik toch een lift te pakken. De jonge chauffeur overhaalt me om mijn reisroute te veranderen en toch via ‘el Paso de Jama’ de grens over te steken. De alternatieve route betekent evenwel een serieuze omweg en sluit een doortocht langs ‘el Salar de Atacama’ evenwel volledig uit. Ik neem het zekere voor het onzekere en laat me 20 km verder afzetten, aan de splitsing die me via ‘el Salar de Cauchari’ tot op de geasfalteerde route moet brengen, richting ‘el Paso de Jama’. Tot in San Pedro de Atacama merk ik op mijn landkaart slechts één dorpje, Olacapato. Van daaruit volgt een eenzame route van 230 km zonder enig bevoorradingspunt. Ik moet in ieder geval water kunnen bijtanken, zoniet ben ik hopeloos verloren. In het stoffige dorpje, dat nauwelijks bestaat uit een vijftiental adobehuisjes, vind ik een despensa. Ik sla drie liter water in. Het liefst zou ik nog wat extra water willen aanschaffen, maar de angst voor een te zwaar geladen fiets en de zekerheid dat ik nog 50 km ripio voor de wielen heb, noodzaakt me om mijn watervoorraad te beperken. Ik zet mijn tocht verder en stel tot mijn ergernis vast dat er een felle wind opsteekt.
Wanneer ik rond zes uur voorbij een vervallen huisje fiets, besluit ik om er te overnachten. Het bouwvallig geraamte vormt een ideale buffer tegen de wind. Een uur later valt de duisternis in. Op het gefluit van de wind na, is het ijzig stil. Rond half acht zoek ik de warmte op van mijn slaapzak. Enigszins teleurgesteld door de gewijzigde fietsroute val ik enkele tellen later in een diepe slaap...

Een zalige gedachte...

Argentinië - San Antonio de los Cobres, 17-06-2007 - (dagboek 29)


Het is vaak een zalige gedachte net niet te weten wat je te wachten staat. Het stelt je in staat te dagdromen, je fantasie de vrije loop te geven en weg te mijmeren als een zorgeloos kind. Het wegvallen van zoveel zekerheden, het ontglippen van bepaalde wetmatigheden... het zijn net die factoren die het reizen boeiend maken en die je de kracht geven om een nieuwe dag vol avonturen aan te vatten. Moet je het als een teleurstelling aanzien wanneer je achteraf vaststelt dat de realiteit een loopje heeft genomen met je fantasie? Ach neen, want ook dit maakt deel uit van een avontuurlijk bestaan. Zelfs wanneer je verwachtingen totaal niet worden ingelost of wanneer je de verhoopte eindbestemming niet hebt bereikt, dan nog moet je de positieve elementen laten zegevieren. Als je daarin slaagt, dan ben je al aardig op weg een positief denker te worden.
Met deze ingesteldheid sla ik alvast de splitsing in wanneer ik, 10 km na het verlaten van San Antonio de los Cobres, merk dat de viaduct van ‘el tren a las nubes’ niet op dezelfde weg ligt als de weg die leidt naar ‘el Paso de Sico’, de grensovergang tussen Noord-Argentinië en Noord-Chili. De ripioweg stijgt onophoudelijk en ik hobbel als een schommelpaard over het wasborden wegdek. De weg lijkt eindeloos. Sporadisch word ik voorbijgestoken door een wagen. De inzittenden kijken me met ongeloof aan. Een verdwaalde zwerver op weg naar nergens...
Na drie uur bemerk ik een bordje “Viaduct ‘La Polvorilla’ - 1 km”. Er volgt een kleine afdaling en plots duikt uit het niets een stalen constructie op, 60 meter hoog en een kloof overbruggend van 220 meter breedte. Onderaan de viaduct staat een schamel huisje waar artisanale spullen worden verkocht. Het kroostrijk gezin kijkt wat verbaasd wanneer ik mijn stalen ros tegen de gevel parkeer. Een fietsende zwerver is hier duidelijk geen alledaagse bezienswaardigheid. De brug imponeert nog meer nu ik er vlakbij sta. Een serieus huzarenstukje van menselijk vakmanschap en ingenieus denkwerk... Via een aarden wandelweg verschaf ik me een toegang tot de 200 meter hoger gelegen metalen brug. Het uitzicht levert andermaal enkele spectaculaire foto´s op.
Eenmaal terug beneden informeer ik of er geen zijweg loopt, richting grensovergang. Helaas, de enige weg is deze die voorbij de splitsing loopt. Er zit dus niks anders op dan rechtsomkeer te maken. Het begint reeds te schemeren wanneer ik rond half zeven opnieuw het kruispunt bereik. Terugkeren naar San Antonio de los Cobres lijkt me wat zinloos en dus sla ik mijn tentje op vlakbij een kleine hangar. Even later merk ik dat een drietal gestrande Argentijnse reizigers er eveneens hun tentje hebben opgeslagen. ´s Avonds verbroederen we met de vertrouwde maté die als een vredespijp hand in hand gaat. De afsluit van een dag vol onverwachte omwentelingen. Slechts 10 km verwijderd van mijn beginpunt, maar waar de dagdromerij en het optimisme hebben gezegevierd. Bestaat er een zaliger gedachte om schaapjes te tellen?

Afscheid van Argentinië, bijna een feit...

Argentinië - San Antonio de los Cobres, 16-06-2007 - (dagboek 28)


Morgen verlaat ik San Antonio de los Cobres. Deze vroegere mijnstad gelegen op een eenzaam, desolaat plateau straalt nog steeds dezelfde asgrauwe sfeer uit van weleer. Met de sluiting van de mijn is de verpaupering alleen maar toegenomen. Voordat de trein er langs kwam, leefde het stadje verbonden met de kust via muilezelpaden die doorheen de Hoogvlakte van Atacama liepen. Met het verdwijnen van de trein is dit plaatsje, waar overwegend Quechua-indianen leven, niets meer dan een schim op de immense landkaart van Argentinië. Touroperators houden er wel heel even halt, op doortocht naar het viaduct 'La Polvorilla' -op 4200 meter hoogte- , waardoor enkele indiaanse vrouwen alsnog hun artisanale produkten aan de toevallige passanten proberen te slijten. Maar desondanks kwijnt het stadje verder weg.
Morgen vertrek ik om via ‘el Paso de Sico’ Argentinië definitief vaarwel te zeggen. Ik zou natuurlijk ook via ‘el Paso de Jama’ (een meer gebruikelijke route) de Chileense grens kunnen bereiken en van daaruit rechtstreeks doorrijden naar Pedro de Atacama. De route is volledig geasfalteerd en dus minder tijdrovend, maar dit zou betekenen dat ik ‘el Salar de Atacama’ volledig links moet laten liggen. Het alternatief is bijgevolg geen keuze...
Wellicht zal het me twee dagen kosten om de grens met Chili te bereiken. De 130 km lange route loopt immers via het gebergte en is niet geasfalteerd. Over de volledige weg, die vaak de grens van de 4000 meter overschrijdt, zijn er slechts twee dorpjes. Om niet voor verrassingen te komen staan, zal ik best voldoende water en voedsel inslaan, want ook eenmaal de grens over blijven de dorpjes uitermate schaars. Ruw geschat moet ik vanaf de grens om en bij de 250 km overbruggen om aan het uiterste zuidelijke punt van ‘el Salar de Atacama’ te geraken. Vandaaruit wil ik de zoutvlakte doorkruisen tot in het meest toeristische dorpje van het hoge Chileense noorden: San Pedro de Atacama. Hoelang de hele trip in beslag zal nemen, is mij een raadsel. Als alles naar wens verloopt, vermoed ik rond de 25ste van deze maand aan te komen in San Pedro de Atacama. Bij leven en welzijn stuur ik jullie rond die periode de eerste verslagen door. Tot dan!

Een kleine overwinning...

Argentinië - San Antonio de los Cobres, 15-06-2007 - (dagboek 27)


De ganse nacht gierde de wind rond de balzaal, onafgebroken. Wanneer ik rond zeven uur een zoveelste maal wakker word door een beukende windstoot, hoop ik andermaal in slaap te vallen, dromend van een windstille fietstocht. De realiteit achterhaalt evenwel de droom en even later zit ik bij het lichtschijnsel van vier kaarsstompjes te ontbijten. Ik vraag me af of de winkeldame het stokbrood als voedingsprodukt of als moordwapen heeft verkocht. Ook de charcuterie, 200 gram gekookte ham ruikt niet bepaald vers. Kan ook moeilijk in een winkel waar elektriciteit onbestaande is.
Een uur later vat ik het laatste deel van mijn tocht aan, nog een kleine 60 km te gaan. De vlijmscherpe wind lijkt op een ondoordringbare, onzichtbare wand. Ik maak nauwelijks snelheid, ook al trap ik de longen uit mijn lijf. Men had het dorpje dat ik net verlaten heb beter ‘Las Curvas’ (de bochten) genoemd, dan ‘Las Cuevas’ (de grotten), want de weg kronkelt als een slang de lucht in. De ene bocht volgt de andere op. Precies op een hoogte van 3700 meter slaat de duizeligheid toe. Wellicht heb ik mijn diamox, medicijn tegen hoogteziekte, net iets te laat ingenomen. Er zit niks anders op dan gebruik te maken van een oeroud, maar efficiënt hulpmiddeltje: cocabladeren. Ze hebben de vorm van laurierbladeren, pluimvormig en donkergroen. Het goedje smaakt vies en kleverig. Maar beter dat dan doodziek de beklimming verder aan te vangen. De weg slingert zich alsmaar hoger en ook de wind weet van geen ophouden. Ik zwalp van links naar rechts en terug. Op een lift hoef ik hier niet te hopen, want het geringe verkeer bestaat hier hoofdzakelijk uit vrachtwagens die vaak met evenveel moeite hun weg banen tussen de bergen. Precies op het middaguur behaal ik uiteindelijk de top. Een kleine overwinning... Met enige trots zet ik mijn fiets tegen een vuilwit plakkaat dat aangeeft dat ik me op 4080 meter boven de zeespiegel bevind. Niet zozeer het overwinningsgevoel stemt me vreugdevol, maar wel het besef dat de fiets na de vele kettingproblemen opnieuw gesmeerd loopt.
De laatste 20 km krijg ik wederom ripio onder de wielen. Zand en steengruis maken er een ware Paris-Dakar race van, met dat verschil dat er hier maar één winnaar is, de wind. De keien ketsen vanonder mijn wielen en ik hobbel op een slakkengangetje over de onverharde weg. Dat belooft wanneer ik binnen twee dagen mijn tocht verderzet richting Chileense grens.
Uiteindelijk fiets ik in de vroege vooravond San Antonio de los Cobres binnen. Het stadje ligt er in een wolk van stof en armoede. De straten zijn er troosteloos, net als de inwoners. Hun gezichten zijn van leer, doorgroefd en getekend door de wind en de wangen van de kinderen zijn wijnrood als hadden ze twee geboortevlekjes op hun gelaat. Je ziet niet alleen de uitzichtloosheid van hun bestaan, je voelt ze ook, in elke stoffige straat, op elke hoek. San Antonio de los Cobres, een vergeten stad...

Een ware uitputtingsslag...

Argentinië - Las Cuevas, 14-06-2007 - (dagboek 26)


Ik ontwaak door aanhoudend geblaf van enkele loslopende honden. Het is iets over zeven en wanneer ik buiten gluur, ontwaar ik in het schemerdonker slechts het vage silhouet van het huisje recht tegenover me. Wanneer ik enkele ogenblikken later ook buiten eens polshoogte neem, zie ik hoe enkele honden een drietal ezels de stuipen op het lijf jagen. Al blaffend lopen ze heen en weer en lijken wel een slalomrace te houden tussen de ezelspoten. Uit medelijden met de geterroriseerde ezels, haal ik even later mijn dazzer tevoorschijn. Het sonorisch geluid maakt de honden zowaar horendul en in een fractie van een seconde verlaten ze het strijdtoneel. De ezels kijken wat verdwaasd op en staren me onbegrijpend aan. “Survival of the fittest!”, roep ik hen na en keer terug naar mijn slaapplaats, het wachtzaaltje van het treinstation. Net wanneer ik nog heel even wil indutten, krijg ik een serenade te horen van balkende ezels, afgewisseld met een kraaiende haan. Dankbaarheid noemen ze dat dan...
Een uur later vervolg ik mijn weg en intuïtief voel ik aan dat het een zware fietsdag zal worden. Mijn einddoel, San Antonio de los Cobres, ligt nog een goeie 120 km verwijderd. Een haalbare kaart ware het niet dat ik een hoogteverschil van om en bij de 2000 meter moet overbruggen en de laatste 20 km wederom ongeasfalteerd is. Over de volledige afstand bespeur ik slechts twee dorpjes, de ene op een zestigtal kilometer, de andere nog eens dertig kilometer verderop. Met wat geluk bereik ik tegen valavond het laatste dorpje, ‘Las Cuevas’, gelegen op een hoogte van 3430 meter. De weg stijgt langzaam en op vele plaatsen lijkt de baan ‘vals’ plat. Dergelijke beklimmingen zijn vaak extra lastig, omdat de stijging een sluimerende constante is. Hier en daar kan ik de spoorbedding nog volgen, maar vaak verdwijnt de spoorlijn doorheen een zoveelste tunnel. De tocht verloopt moeizaam, enerzijds doordat de weg zich alsmaar hoger de bergen inslingert, maar anderzijds ook door een felle tegenwind. Door de rukwinden daalt mijn snelheid tot een gemiddelde van 7 km/u.
Wanneer ik rond twee uur dertig in het eerste dorpje aankom, woedt de wind in alle hevigheid. Ik moet zowaar al mijn spierkrachten samenbundelen om mijn fiets recht te houden. De Patagonische wind lijkt dichter dan ooit. Het dorpje Santa Rosa de Tastil telt slechts een handvol huisjes. Zelfs een despensa (kruidenierswinkeltje) valt er nergens te bespeuren. Best vervelend, want ik zit zowat doorheen mijn voedselvoorraad. Ik twijfel of ik mijn tocht wel verder zal zetten. De geselende wind maakt het fietsen haast onmogelijk. Uiteindelijk beslis ik toch om verder te rijden, hopend dat ik in het volgende dorpje wat inkopen kan doen.
De wind neemt nog in hevigheid toe en steeds vaker moet ik de strijd even staken. Felle windstoten en een steeds hoger slingerende weg vormen een haast dodelijke, uitputtende cocktail. Ik voel hoe ik mijn reserves moet aanspreken en uit alle macht trap ik me doorheen de windbarrière. Rond zes uur arriveer ik totaal uitgeteld in het dorpje ‘Las Cuevas’. Mijn ledematen voelen zwaar aan en snakken naar rust. Halleluja, het dorpje heeft een kruidenierszaak! Tijdens mijn inkopen, vraag ik de eigenares of ze geen bed heeft voor een verdwaalde zwerver. Een bed heeft ze niet, maar wel een soort schuur dat jaren geleden dienst deed als balzaal. Voor welgeteld 1 euro mag ik er mijn slaapmatje uitrollen. Terwijl ik me installeer voor de nacht, raast de wind in alle hevigheid verder. Mijn koninklijke balzaal is gelukkig winddicht...

In de voetsporen van 'el tren a las nubes'...

Argentinië - Chorrillos, 13-06-2007 - (dagboek 25)


Ik heb soms moeite met zelfdiscipline, zeker als de luxe van een bed en een warme, ontwakende douche een gewoonte wordt. De gedachte dat ik vanavond ergens in the middle of nowhere mijn tentje zal moeten neerzetten en de eerstvolgende douche wellicht een dag of drie, vier verwijderd ligt, zorgt ervoor dat ik de lakens nog wat meer naar me toetrek. Pas drie uur later ontwaak ik opnieuw. Ik treuzel eindeloos waardoor ik pas tegen het middaguur mijn laatste grote stad in Argentinië, Salta, uitfiets.
Gisteren heb ik wat rondgeslenterd in 'la Linda' (de Schone), een bijnaam die de stad in hoofdzaak te danken heeft aan haar prachtige, koloniale gebouwen. Tijdens mijn verkenningstocht domineerden drie kerkgebouwen het stadscentrum: de kathedraal, de San-Franciscokerk en de Iglesia y Convento de San Bernardo. Vooral de rood, okerkleurig geschilderde San-Franciscokerk met haar overdadige rococoversierselen wist me best te bekoren. Ook statige herenhuizen en monumentale gebouwen rond het stadsplein getuigden van een rijk, welvarend verleden. Ik sloot mijn wandeling doorheen het ‘mooie’ Salta af met een groet te brengen aan de held van de stad, generaal Martin Miquel de Güemes. Dankzij zijn heldhaftig optreden tijdens de onafhankelijkheidsoorlog heeft hij hier voor altijd zijn standbeeld verdiend.
Ondertussen ligt ook deze stad al achter me en ben ik onderweg naar mijn laatste etappe in Argentinië, San Antonio de los Cobres. Het stadje op zich heeft geen enkele toeristische aantrekkingskracht, maar de weg ernaartoe des te meer. De route loopt immers parallel met de befaamde spoorlijn van ‘el tren a las nubes’, de trein naar de wolken die in betere tijden spoorde van Salta tot in Antofagasta (Chili), ruim 800 km ver. Vooral de extreme hoogte (4200 meter) en de vele haarspeldbochten waarlangs de trein zich naar boven kronkelde, bezorgde het treintraject een bijzondere plaats in het lijstje van ‘de grote treinreizen’. Niettegenstaande de trein al vier jaar niet meer doorheen het ruige landschap trekt, snuif ik per fiets toch nog de nostalgie op van weleer. Terwijl ik tijdens de eerste 30 kilometer krijg af te rekenen met ripio, geniet ik met volle teugen van het huzarenstukje inzake staal- en wegenbouw. Ook het landschap is van een betoverende schoonheid. Zo fiets ik langs ‘el Quebrade del Toro’ (de stierenkloof) met zijn eindeloze kleurschakeringen, alsook langs dorre rivierbeddingen waar metershoge cactussen goed gedijen in dit droge klimaat.
Rond zes uur bereik ik het piepkleine dorpje Chorrillos. Ik heb weinig zin om mijn tent op te slaan en dus probeer ik mijn geluk te vinden in het stationsgebouwtje. De verantwoordelijke van het stationnetje heeft er helemaal geen probleem mee dat ik de wachtzaal voor één nacht omtover tot een hotelletje voor een verdwaalde zwerver. Het ruikt er evenwel naar olie en beschimmeld meubilair, maar met mijn vermoeidheid slaap ik daar zo doorheen...

Op excursie...

Argentinië - Salta, 11-06-2007 - (dagboek 24)


Reizen is vooral veel ‘niet’ zien. Hoe langer ik per fiets rondtrek, hoe meer het besef groeit dat ik veel links moet laten liggen. Neem nu bijvoorbeeld het échte hoge noorden van Argentinië, de weg die zich slingert vanuit de grote stad Jujuy naar de Boliviaanse grens. Naar het schijnt een fantastische route die zich als geen ander onderscheidt van de rest van het land. Een soort Argentinië in Argentinië... Het is het land van de Andes waar de invloeden vanuit Bolivië reeds merkbaar zijn. Daar ik opnieuw de Chileense kant wil opfietsen om de Atacamawoestijn te doorkruisen, is de optie om deze zijsprong ook nog eens per fiets af te leggen een onhaalbare kaart. Het enige alternatief dat me rest is om de streek van het hoge noorden via een georganiseerde excursie te verkennen.
En zo ben ik dus op weg met een tiental andere toeristen naar Humahuaca, de verst gelegen stopplaats op onze daguitstap. Mijn gezelschap, allen Argentijnen, hebben de middelbare leeftijd al lang overschreden. De vrij hoge kostprijs van de tour zal er wel voor iets tussen zitten. Onze eerste halte is het dorpje Purmamarca, een indiaans dorpje bestaande uit lemen huisjes die tegen de flanken van een geologisch wonder zijn aangebouwd: ‘El Cerro de los Siete Colores’ (de zevenkleurenberg). De kleurtinten lopen naadloos in elkaar over en verraden een rijkdom aan mineralen. Onder de schaduw van de poëtische berg hebben de plaatselijke bewoners zich strategisch opgesteld op het centrale plein. De houten planken op wankele schragen hangen zwaar door. Opgestapelde, zelfgebreide wollen truien liggen geduldig te wachten om van eigenaar te wisselen. De commercie weerspiegelt er zich in zeven kleuren... Mijn fietstassen barsten nu reeds bijna uit hun voegen en dus laat ik de bontkleurige kraampjes achter me liggen om het kleine kerkhof op te zoeken. De sobere kruisjes getuigen van een hard bestaan en reflecteren de vergankelijkheid in het felle zonlicht. Het liefst zou ik er willen wegmijmeren, een gedicht schrijven over ‘de kleuren van de dood’, mij een beeld vormen van hun troosteloos bestaan. Maar in de verte hoor ik de buschauffeur reeds claxoneren. Het tijdschema moet strikt opgevolgd worden en dagdromerij zit niet vervat in het programma van de excursie. Precies daarom hou ik niet van dergelijke ‘georkestreerde’ daguitstappen. Ze laten je niet toe te fantaseren of langer stil te staan bij bepaalde plaatsen wanneer je daar behoefte toe hebt. Het voorgekauwde menu laat je geen keuze na in het bepalen van je eigen ingrediënten naar smaak en goesting. Er wordt maar één gerecht opgediend, zonder dessertbuffet...
De volgende halte is Tilcara. Hier stoppen we voor ‘el Pucara de Tilcara’, een incafort dat gelegen is op een heuveltop. Het fort dat bestaat uit diverse huisjes en een stenen labyrint dateert uit de precolombiaanse periode en werd door archeologen met grote precisie opnieuw gerestaureerd. Te midden van gigantische cactussen maak ik een wandeling doorheen de tijd. Tijd, maar niet tijdloos, want driekwartier later zitten we terug op de bus om halt te houden op het verste punt van onze daguitstap, Humahuaca. De weg ernaartoe voert ons opnieuw langsheen een mysterieus bergachtig landschap waar de rotsen zich enerzijds kenmerken door hun grillige structuren en anderzijds door hun variëteit aan kleurenpracht. Het lijkt wel een ander universum.
Humahuaca is zowat het bekendste Andesdorpje van Argentinië en dat voel je ook, letterlijk. Nauwelijks uit de bus gestapt, word ik aangeklampt door enkele indiaanse vrouwen die hun koopwaar aan de man brengen: zilverkleurige kettingen, poncho´s, hoeden en cocathee. Sommige vrouwen dragen wel vijf tot zeven veelkleurige hoeden boven op elkaar. Kwestie om voldoende ‘stock’ in huis te hebben... Ik verwijder me een beetje van de koopdrukte en sla het schouwspel met een glimlach gaande. Ach, dit is nu eenmaal de keerzijde van het toerisme. Eenieder probeert op zijn manier een graantje mee te pikken. Of het nu de restauranthouder is op de hoek van het centrale plein, de Quechua-indiaan die prullaria verkoopt of de gewieke touroperator die er alweer in geslaagd is om een bus vol toeristen op sleeptouw te nemen. Door de mazen van het toeristisch vangnet ontkom je nauwelijks...
Terwijl de rest van de groep, in het kielzog van de buschauffeur, een door hem aangeprezen restaurantje opzoekt, dwaal ik nog wat rond in het dorpje. De geplaveide straatjes en lemen huisjes ademen nog authenticiteit uit. De zweem van het verleden wordt echter in de kiem gesmoord wanneer een zoveelste indiaanse haar waren probeert te slijten. Op de stenen trappen van het dorpsplein dat toegang verschaft tot het onafhankelijkheidsmonument zit een Quechua-indiaanse, gehuld in traditionele klederdracht, geduldig te wachten op een kooplustige voorbijganger. Ik koop er cocabladeren. Wellicht tegen een veel te hoge prijs, maar het deert me niet. Als toerist word je steeds bedrogen, opgelicht, erin geluisd. Ook dit maakt deel uit van de keerzijde van het toerisme. Wanneer ik de trappen bestijg om het groteske monument van dichtbij te bezichtigen, voel ik hoe de duizeligheid me in zijn greep heeft. Dat belooft wanneer ik morgen mijn tocht via ‘el tren a las nubes’ verder zet...
Rond vier uur in de namiddag keren we terug naar Salta. Met enige moeite kan ik de chauffeur overhalen om een andere route te nemen. De pittoreske weg loopt via de ‘ruta de la Cornisa’ en slingert zich via ontelbare bochten doorheen het gebergte. Het woeste landschap wisselt zich af met dichte bossen met tropische begroeiing. Een vreemd contrast... Rond acht uur ´s avonds rijden we Salta opnieuw binnen. De excursie zit erop. De chauffeur maakt nog vlug wat reclame voor de daguitstap van morgen, ‘la ruta del vino a Cafayate’. Mijn medepassagiers hebben er geen flauw benul van wat het programma concreet inhoudt, maar gretig happen ze toe. De toekomst lacht touroperators alvast tegemoet...

De hoop voorbij...

Argentinië - Salta, 10-06-2007 - (dagboek 23)


Ook mijn laatste hoop heb ik laten varen. Dat ‘el tren a las nubes’ (letterlijk: de trein naar de wolken) niet langer functioneerde, had ik reeds van diverse bronnen vernomen. Maar dat er ook geen enkele vrachttrein nog spoort tussen Salta en de Chileense grens, is evenwel een streep doorheen mijn planning.
In wezen is het haast niet te geloven dat één van de grote treinreizen ter wereld al meer dan vier jaar buiten dienst is. De trein die een hoogte overbrugde van bijna 4200 meter en ondermeer reed over ‘La Polvorilla’, een stalen viaduct van ruim 60 meter hoog over een kloof van 220 meter breed, was sinds 1948 zowat hét paradepaardje van de Argentijnse Spoorwegen. Zevenentwintig jaar lang had men met man en macht aan het prestigieuze project gewerkt. Toen ik in het treinstation van Salta informeerde naar een mogelijk alternatief, trof ik naast een aantal antieke treinstellen ook twee spoorwegmannen aan. Ze waren bezig schilderswerken aan het uitvoeren op het perron. Voor wie of wat is me totaal niet duidelijk, want sinds twee jaar heeft er geen enkele trein nog het station uitgereden. Er zal dus niks anders opzitten dan op eigen krachten de Chileense grens op te fietsen...
Met het oog op de zware beklimming heb ik het voorbije weekend eens doelbewust écht vakantie genomen: lang uitgeslapen, doelloos rondgeslenterd, terrasjes aangedaan en vooral veel gerust. In de ‘chill-out room’ van de hostel waar ik momenteel verblijf, vond ik tot mijn eigen verbazing twee nederlandstalige boeken: ‘De doodshoofdvlinder’ van Jan Wolkers en ‘Beleef de droom’ van Luanne Rice. Het was zalig om terug eens een boek te kunnen lezen in mijn eigen moedertaal. Jan Wolkers associeer ik reeds van uit mijn puberjaren met ‘Turks Fruit’. Het boek dat in 1969 verscheen en vier jaar later op een sublieme wijze werd verfilmd door Paul Verhoeven. In de periode van mijn volwassenwording heb ik het gretig verslonden. Het voor mij onbekende boek ‘De doodshoofdvlinder’ wist me evenwel niet meteen te boeien en dus koos ik maar voor het alternatief, ‘Beleef de droom’. Ik moet eerlijk bekennen dat ik me gelukkig prijs dat ik met vakantie ben, want anders had ik me wellicht ziek gemeld op het werk om me verder te kunnen laten meeslepen door het verhaal. Ja, dat is wat reizen nu precies zo boeiend maakt. Niks hoeft, alles -of toch bijna alles- kan. Het ‘moetende moeten’ is niet aan de orde. Je leeft op je eigen ritme, volgens je eigen instincten.
De middelgrote turf zal wellicht niet uitgelezen zijn voor ik Salta verlaat en dus zal ik het boek maar stiekem meenemen om het bij mijn eerst volgende overnachting in een hostel achter te laten voor een volgende passant. Jammer natuurlijk van het extra gewicht, want met het oog op mijn zware, meerdaagse etappe over de Chileense Cordillera zal elke gram er één teveel zijn. Maar goed, voor de liefde voor het woord moet je nu eenmaal iets overhebben...

Salta, de laatste grote stad...

Argentinië - Salta, 08-06-2007 - (dagboek 22)


Mijn onverwachte schuilplaats geeft me niet bepaald de nodige nachtrust verschaft als ik me had voorgesteld. Was het de kou of lag het aan de te krappe zitbank? Geen idee...
Met slaperige oogjes vertrek ik rond acht uur voor mijn laatste lange tocht richting Salta. Mijn afstandsberekening van de vorige dag klopt als een bus. Precies één kilometer verder houdt het asfalt op en andermaal fiets ik over een brede grindweg. Er zijn wegwerkzaamheden aan de gang die ervoor zorgen dat de baan er relatief goed bij ligt. De aarde is aangestampt waardoor de gravel er overal even gelijkmatig bijligt. De weg slingert zich -zoals verwacht- eindeloos de hoogte in. Zwaargeladen vrachtwagens kruipen me al kreunend voorbij, terwijl tientonners uit de tegenovergestelde richting me omhullen in een verstikkende stofwolk. Na elke confrontatie voel ik hoe het opwaaiende steengruis knarst tussen mijn tanden. Een stofmasker zou hier geen overbodige luxe zijn.
Naarmate ik de top bereik (3348 meter), verandert ook het landschap. De schrale, droge omgeving maakt plaats voor een immense hoogvlakte. Lichtglooiende heuveltoppen vormen in de verte een natuurlijke baken. Een verrassende ontdekking... Net voor het middaguur bereik ik het hoogste punt, ‘el Piedra del Molino’. Een eenzame condor zweeft er elipsvormige cirkels en geeft de immense vallei een nog grotere betoveringskracht. Het panoramisch zicht is adembenemend, net als het schouwspel van de zwevende roofvogel. Naast een bordje dat de hoogte van de weg aangeeft, staat er ook nog een kapelletje ter ere van de heilige San Rafael. Ik brand er vier kaarsjes ter nagedachtenis van mijn pa, Rafael.
Ondertussen heb ik het gezelschap gekregen van een Argentijns koppel. De man heeft al behoorlijk wat rondgereisd in Zuid-Amerika en speelt me enkele nuttige tips door ivm Peru. Zijn enige negatieve ervaring was eveneens in Mendoza, waar hij op een avond werd beroofd van zijn portefeuille. Ik mag van geluk spreken... Net wanneer ik mijn tocht wil verder zeten, krijg ik maté aangeboden door een viertal voorbijrijdende mannen. Voor hen lijk ik als een soort curiosum; een vreemde, verdwaalde condor...
De afdaling is buitengewoon spectaculair. Via ‘el Valle Encantado’ daalt de weg onwaarschijnlijk diep. Het Pelésebergte van de ‘Cuesta del Obispo’ voert me langs opeenvolgende scherpe bochten die als een neerwaartse spiraal doorheen de vallei kronkelen. Het visueel spektakel dwingt me om een zoveelste prentkaart te schieten. Het landschap blijft me verbazen. Het bergachtig dal neemt andere kleuren aan door het aanwezige kopersulfaat. Pasteltinten van rood en groen toveren de omgeving om tot een wondermooi, fabelachtig kleurenspectrum. De dalende knikkerbaan lijkt haast eindeloos. Een onwaarschijnlijk fantastisch gevoel na de zware beklimming. Op een gegeven ogenblik wordt de weg alsmaar smaller en voert me langs ‘el quebrada (= de kloof) de Escoipe’, een door rotswanden omzoomde weg die hier en daar onderbroken wordt door smalle bergstroompjes. Op nog geen vijf meter voor het einde van de ripioweg, moet ik me nog een laatste maal doorheen een riviertje waden. De glibberigheid maakt mijn fiets stuurloos en met een geweldige smak maak ik een pijnlijke landing in het ondiepe water. De val komt niet alleen verrassend, maar vooral hard aan. Nog half versuft, meet ik de schade op: enkele verschroeiende schaafwonden en een zoveelste gebroken spiegel. Het mag een wonder heten dat ik niks gebroken heb.
Nog 37 km te gaan. De blauwe plekken zwellen aan en verkrampt van de pijn bereik ik tegen valavond Salta, de hoofdstad van het noordelijk deel van Argentinië. Na dagen verweg van de beschaving is het opnieuw wennen: de uitlaatgassen, het getoeter en gefoeter van zenuwachtige chauffeurs, de verkeerslichten,... Ik kan me de tijd niet meer herinneren dat ik voor het laatste nog een verkeerslicht zag. Onwaarschijnlijk...
Uiteindelijk vind ik een hostal in de buurt van het centrum. Salta, de laatste grote stad op mijn lange zwerftocht doorheen Argentinië, is eindelijk een feit. Het aftellen kan beginnen...

Gered uit de zandbak...

Argentinië - Cachi, 07-06-2007 - (dagboek 21)


Met lood in mijn schoenen vat ik mijn fietstocht doorheen de zandbak van ‘el Valle Calchaqui’ verder aan. De optie om een bus te nemen die me terugbrengt naar Cafayate heb ik laten varen. Ik stel liever al mijn hoop op de schaarse toeristen die hier voorbijrijden en een plaatsje vrij hebben voor een verdwaalde zwerver. De ellende begint al opnieuw bij het verlaten van Angastaco. De zanderige pad die leidt naar de hoofdweg maakt het fietsen nagenoeg onmogelijk. Ik fiets, stap, duw, trek en sleur... Een verkeersbord wijst me de juiste richting aan: ‘Molinos 39 km - Cachi 83km’. Als ik met dezelfde snelheid als gisteren de afstand Angastaco – Molinos afleg (5 km/u), dan ben ik in het beste geval rond vier uur in de namiddag in Molinos. Hoop doet leven...
Na vijf kilometer hoor ik een wagen naderen. Ik spring van mijn fiets en kijk vol spanning toe. Doorheen een stofwolk merk ik een pick-up. Mijn God, mijn redding? Ik gooi mijn fiets op de grond en bijna half geknield neem ik een biddende houding aan. De wagen stopt... “Buenas días, tienes una problema, señor?” Het reizende Argentijnse koppel heeft duidelijk medelijden met mijn lijdensweg en even later vinden mijn fiets en bagage een plaatsje in de laadbak. Het koppel is op doorreis naar Salta, mijn eindbestemming in het hoge noorden. We rijden doorheen een landschap van schrale bergen met rotspieken die worden opgefleurd door reusachtige cactussen. De omgeving is fotogeniek, maar de man maakt op geen enkel ogenblik aanstalten om zijn route te onderbreken. Een goed uur later komen we aan in Molinos. Het rustige dorpje ademt tijdloosheid uit. Een gevoel dat nog versterkt wordt door de straten van aangestampte aarde. De kerk van San Pedro de Nolasco, die dateert van 1720, heeft ondanks zijn restauratie zijn authenticiteit weten te bewaren. Onder de schaduw van het door Unesco beschermde werelderfgoed drinken we maté. We vervolgen onze weg en maken nog een tussenstop in het piepkleine dorpje Seclantas. We treffen er eenzelfde sfeer aan, een lommerrijk gevoel alsof de tijd is blijven stilstaan. Op een heuveltop rusten restanten van een vergeten kerk. De zalmkleurige façade lijkt elk moment te kunnen instorten. De vergankelijkheid van de tijd, het is een terugkerende constante...
Onze laatste stopplaats is Cachi. Het is haast onwerkelijk hoe er in deze verlaten omgeving alsnog een dorp opduikt. Cachi is zowat de hoofdstad van ‘el Valle Calchaqui’. Nu ja... hoofdstad is hier eerder een eufemisme voor een mini-stadje. De lage huizen en geplaveide straten getuigen van een ver verleden. Het leven speelt er in hoofdzaak af op het centrale plein waar de bewoners de schaduwrijke koelte opzoeken van de vele aanbeplante bomen. Mijn gezelschap wil er duidelijk vaart achter zetten, want na een half uur denken ze reeds op te stappen. Uiteindelijk besluit ik om niet langer mee te reizen. De resterende weg naar Salta is grotendeels geasfalteerd en loopt andermaal via een fotogenieke omgeving. Ik wil de kans niet lopen om ook deze wonderlijke plek in een drafje af te haspelen. De suppoost van het archeologisch museum weet me te vertellen dat Salta nog 158 km verwijderd ligt en dat de route er loopt via ‘el Piedra de Molino’, een meer dan 3000 meter hoge bergtop. Om alsnog een voorsprong te hebben op de lange fietsdag van morgen, verlaat ik om vier uur in de namiddag Cachi. Ik heb me voorgenomen om te fietsen tot waar het asfalt ophoudt. De weg slingert zich reeds bij het uitfietsen van Cachi de hoogte in. Na vier uur zit ik reeds op een hoogte van 2850 meter. Plots daalt de weg kilometers lang en lijkt de weg in één rechte lijn door te lopen. Wellicht bevind ik me op de befaamde ‘Recta del Tin-Tin’, een veertien kilometer kaarsrechte baan die dwars door het nationaal park ‘Los Cardones’ loopt. De invallende duisternis verhindert me echter om het opschrift van de verkeersborden te lezen. Net op het moment dat ik vermoed dat het asfalt weldra zal ophouden, bemerk ik in het donker van de nacht een soort bushokje. Een betere, gedroomde plek om de nacht door te brengen kan ik me niet voorstellen. Op de zitbank rol ik mijn slaapmatje uit. De nachtelijke wind speelt zijn eenzaam spel en diep weggedoken in mijn slaapzak val ik uiteindelijk in slaap.

Een nachtelijke zandbak...

Argentinië - Angastaco, 06-06-2007 - (dagboek 20)


Na mijn wonderlijke ontdekking van ‘el Quabrade del Cafayate’, ben ik inmiddels onderweg naar Salta. Tot ver buiten het centrum fiets ik langsheen uitgestrekte wijngaarden. Cafayate is naast Mendoza zowat de wijnstreek bij uitstek. Het droge, zonnige klimaat en zijn beschutte ligging in de schaduw van de bergen vormen er zowat de ideale ingrediënten voor een uitstekende druiventeelt. Ik heb gisteravond bewust geen flesje wijn meer gekraakt, want de route 40 die loopt van Cafayate naar Salta is maar liefst 330 km lang en is grotendeels ongeasfalteerd.
Na 30 km gaat het asfalt reeds over in een ripioweg. Intuïtief voel ik aan dat ik het hard te verduren zal krijgen. Mijn snelheid daalt drastisch en met lede ogen moet ik toezien hoe de weg alsmaar moeilijker berijdbaar wordt. Ik twijfel om verder te rijden. Maar fietsen op een moeilijke, zanderige grindweg is zoiets als de liefde. Je gaat er steeds vanuit dat het wel beter wordt, tegen beter weten in. Mijn fiets loopt inderdaad alsmaar vaker vast in het mulle zand. Ik sleur uit alle macht mijn loodzware fiets meter per meter vooruit, zandkorrel per zandkorrel. Mijn uitputtende tocht doet me terugdenken aan ‘de hel van Bojuri’ in Brazilië. Gelukkig blijven de hemelsluizen deze keer potdicht, al maakt de verzengende hitte de moeizame rit er niet minder zwaar op.
Een voorbijrijdende jeep met twee dames van middelbare leeftijd rijdt me voorbij, maar stopt even verderop. De twee vijftigsters hebben duidelijk medelijden en raden me aan om rechtsomkeer te maken. Ik twijfel, andermaal. Wanneer ze me vertellen dat ik ook kan doorfietsen naar het 20 km verderop gelegen dorpje Angastaco, besluit ik om de tocht verder te zetten. Met wat geluk vind ik morgen wel een lift tot in Cachi. Argentijnen zijn geen goeie gokkers wat afstanden betreft, want een uur nadat ik de dames heb ontmoet, bemerk ik een bord waarop vermeld staat dat ik nog 25 km voor de boeg heb. De moed zakt me zowaar in de schoenen. De klok wijst inmiddels vijf uur aan. De situatie wordt zowat met het half uur uitzichtlozer. Op de steile stukken geraak ik nauwelijks nog boven en bij de afdaling lijkt het wel of mijn achterband de voorste wilt inhalen. Constant moet ik mijn fiets in evenwicht houden. Balancerend als een koorddanser zwalp ik over de zanderige piste, zoekend naar wat vaste grond. Mijn snelheid is inmiddels gezakt tot 5 km per uur. Het liefst zou ik er het bijltje willen bij neerleggen voor vandaag, maar wil ik uit deze zandbak geraken, dan moet ik kost wat kost tot in Angastaco zien te komen.
Rond half zeven verdwijnt de zon achter de horizon. Mijn leed wordt gelukkig enigszins verzacht door een kleurrijke, zoete en speelse overgang van dag naar nacht. Ik zet mijn tocht verder, als een blinde doorheen de duisternis. Soms lijkt het wel of ik letterlijk de weg aftast, voetje voor voetje. Bij een zoveelste afdaling stuiter ik bijna tegen een vangrail aan. Om erger te voorkomen beslis ik maar om mijn ledlamp op te zetten. Geen minuut te vroeg, want enkele seconden later gaat mijn fiets tegen de vlakte. Miljard hoe geraak ik hier ooit in godsnaam uit? Het dorp Angastaco lijkt wel aan het eind van de wereld te liggen.
Na precies vijf uur fietsen over de laatste vijfentwintig kilometer bemerk ik van achter een rotswand een oase van licht. Impulsief slaak ik een overwinningskreet de sterrenhemel in. De lantaarns vormen een erehaag langs de zanderige, lange laan die uitgeeft op het centrum. Op het dorpsplein informeer ik in het politiekantoortje of ik kans maak op een lift naar Molinos of Cachi. De beambte ontneemt me meteen elke hoop. Er zijn slechts twee alternatieven. Ofwel om zes uur dertig ´s morgens de bus nemen naar Cafayate ofwel hopen dat een voorbijrijdende toerist me oppikt. Moedeloos en uitgeput bel ik aan in het enige hostal dat het dorpje rijk is. Tevergeefs. Er is geen teken van leven te bespeuren. Dan toch maar naar de gemeenschappelijke camping. De verantwoordelijke heeft duidelijk medelijden en voor de prijs van een kampeerplek krijg ik een bed aangeboden op een wat groezelige slaapzaal. De versleten stappelbedden en de matrassen die ei zo na in staat van ontbinding verkeren, doen me terugdenken aan mijn scoutstijd. Verdorie, waar is de tijd dat ik als jonge rakker met een door moeder gemaakte rugzak -met veel te veel vers ondergoed- voor een week op kamp ging naar ‘Het Kwakkeltje’, een vervallen boerderijtje te midden van het West-Vlaamse platteland. Nooit gedacht dat ik dit ‘scouts-gevoel’ duizenden kilometers van het thuisfront nog zo aan den lijve zou ervaren...

De zekerheid thuis te komen...

Argentinië - Cafayate, 04-06-2007 - (dagboek 19)


De mobiliteit van een fiets zorgt er af en toe voor dat je zijsprongen maakt. Je slaat wegen in die niet echt op je route liggen of je beslist om ergens een dag te blijven rondhangen zodat je alsnog die ene uitstap kunt maken. De route naar Salta, via de zogenaamde ‘Quebrada (= kloof) de Cafayate’, is zo´n zijsprong, letterlijk nog wel. Als je vanuit Cafayate naar Salta wilt reizen heb je de keuze tussen twee routes. De splitsing voert je via een geasfalteerde weg, de ruta 68 over een afstand van 185 km naar Salta of je kan opteren om via de ruta 40, zeg maar de Argentijnse pendant van de route 66, naar Salta rijden. Deze laatste route loopt via ‘el Valle de Calchaqui’, is over een afstand van 140 km ongeasfalteerd en gaat via een lange bocht naar ‘la linda’ (de mooie), de bijnaam van Salta. Een fietstocht van om en bij de 309 km die al gauw twee tot drie dagen in beslag neemt.
Aanvankelijk had ik gedacht om voor één keer het avontuurlijke links te laten liggen en te opteren voor de korte, geasfalteerde route. Mijn andermaal toevallige ontmoeting met Pieter De Neef, de motard uit Gent, die ik bij aankomst in Cafayate tegen het lijf liep, heeft me evenwel op andere gedachten gebracht. Daags voordien had hij een deel van de geasfalteerde route langsheen de ‘Quebrada de Cafayate’ per moto afgelegd en wist me te overtuigen om dit stukje zonder bagage per fiets te verkennen. Morgen neem ik dan toch maar de ripioweg naar Salta. En zo ben ik dus op weg voor een uitstap van om en bij de 100 km (heen en terug). In het totaal zijn er een negental bijzondere stopplaatsen. Markante plekken die zich onderscheiden door grillige rotsen of kleurtinten.
De eerste bezienswaardigheid ligt reeds op een zes kilometer van Cafayate verwijderd: ‘Los Médanos’ (de duinen). De zanderige glooiingen liggen er wat verloren bij. Een gevoel dat nog versterkt wordt door de levenloze bomen die er aan de voet kriskras verspreid staan. De duinen van Oostduinkerke lijken plots wel heel dichtbij... Mijn volgende stopplaats is dan weer van een heel ander kaliber: ‘La Punilla’ (nogal moeilijk te vertalen; een soort plaats, punt). Hier rijzen onwaarschijnlijke rotsformaties torenhoog de hemel in. Een zanderige piste verschaft me toegang tot de Argentijnse variant van ‘de Grand Canyon’. De weg is nauwelijks berijdbaar per fiets en dus ga ik te voet op verkenning. Het natuurwonder is van een ongekende schoonheid, net als de immense rust. Ik vraag me af hoe hoog de temperaturen hier in de zomer oplopen, want het zweet gutst in kleine kanaaltjes doorheen al mijn poriën.
Na de bloedhete, maar wonderbaarlijke ontdekking spring ik opnieuw op de fiets, op weg naar de volgende verrassing: ‘Los Castillos’ (de kastelen). Gigantische rotsblokken zijn er door weer en wind omgetoverd tot verfijnde, herkenbare boetseerwerken. ‘Las Ventanas’ (de ramen) vergen ietwat meer inbeeldingsvermogen, maar blijven me imponeren. ‘El Obelisco’ (de obelisk) spreekt dan weer voor zichzelf. Een magistrale steen die lijkt op een afgeroomde chocoladepudding doemt op uit het niets, net als ‘El Fraile’ (de monnik) en ‘El Sapo’ (de kikker). Niet alleen de opmerkelijke natuurlijke kunstwerken zijn een lust voor het oog, ook de kleurschakeringen van de omringende bergen tarten elke verbeelding. De kleuren rood, bruin en violet verstrengelen als geliefden op weg naar een volmaakte eenheid. De symbiose resulteert in een kleurenpracht dat nauwelijks te digitaliseren valt. Zoiets moet je zien, voelen, proeven met al je zintuigen.
Mijn voorlaatste stopplaats, ‘el Anfiteatro (het amfitheater), krijgt er nog een dimensie bij. Tegen de ijzelingwekkende wand van een immense uitgeholde halve rots, zit een tandloze vijftiger te tokkelen op zijn gitaar. De akoestiek verheft zijn matig zangtalent tot een sterrenstatus en heel even voel ik hoe het kunstwerk van mijn zwerftocht een diepere betekenis krijgt. Tranen van ontroering borrelen omhoog als een actieve vulkaan. De lava blijft gelukkig hangen tussen hemel en aarde... De unieke zwerftocht brengt me tenslotte tot aan ‘El Garganta del Diablo’ (de duivelsstrot). Een magistrale rotskloof met scherpe randen klimt zijdelings omhoog en doet me zowaar duizelen.
‘La Quebrada de Cafayate’ is doordrongen van opeenvolgende natuurwonderen die je fabelachtig aanstaren en je wezenloos achterlaten met een gelukzalig gevoel. Op de terugweg besef ik andermaal dat de beslissing om een stuk van de wereld te verkennen de beste keuze is die ik ooit in mijn leven heb gemaakt. Na bijna negen maanden ben ik erin geslaagd een kunstwerk te vervaardigen dat het resultaat is van het mooiste wat moeder aarde ons heeft toevertrouwd. Een kunstwerk dat in geen enkel museum past, omdat het is samengesteld uit persoonlijke indrukken, reflecties van mijn voorbije leven en doorspekt is met de ontdekking van een nieuwe geliefde die me de zekerheid geeft om ooit thuis te komen...

Verloren liefde...

Argentinië - Cafayate, 03-06-2007 - (dagboek 18)


Ik hou van ‘de zevende dag’, de dag die God schiep om te niksen, om te luieren en te genieten. Een dag om weg te dromen naar verre landen of eenmaal je er bent, de hoop te koesteren dat het reisgevoel nimmer ophoudt te bestaan. Mijn uittocht uit Amaicha del Valle verloopt moeizaam, slenterig, op zijn zondags. In het benzinestation kan ik betalen met mijn visa-kaart en zo geniet ik onverwachts van een dubbel ontbijt. Het brunch-gevoel versterkt de indruk onderweg te zijn, tijdloos...
Veel te laat -maar ach, wat betekent tenslotte tijd als je meer dan twee jaar kan leven op je eigen ritme?- vertrek ik naar mijn volgende bestemming, Cafayate. Twintig kilometer verder sla ik een zanderige zijweg in die me brengt tot bij de ruïnes van Quilmes. De Quilmes-indianen bouwden er ooit een nederzetting, een soort beschutte stad aan de voet van de bergen. Ze leefden er voortdurend tussen hoop en vrees, tussen oorlog en vrede. De teloorgang werd ingezet door de Spanjaarden die de Quilme van hun grond wilden verjagen. De trieste geschiedenis van Quilmes kende een definitief einde toen in de 17de eeuw de gouverneur van Tucumán er via een agressieve campagne in slaagde om de bewoners massaal te deporteren naar Buenos Aires. Daar werden ze ingezet om de hoofdstad te helpen opbouwen. Is het toeval dat de merknaam van ´s lands bekendste bier ‘Quilmes’ heet? Geen idee...
De overblijfselen imponeren me mateloos en verleiden me om er tijdloos rond te kuieren. Via een hoge beklimming krijg ik een schitterend uitzicht over de vallei. Het panoramisch blikveld is adembenemend mooi en in gedachten schrijf ik een gedicht voor een vriendin die de liefde heeft verloren.

Verloren liefde

Wanneer je een spiegel wordt voor elkaar
en de woorden steeds schraler worden.
De stilte van de liefde niet langer doorbroken wordt,
omdat de woorden uitgeput zijn.

Wanneer je ´s morgens wezenloos naar elkaar zit te staren,
de koffie steeds kouder wordt,
de aroma van der liefde bitter smaakt
en je afvraagt hoe het verder moet.

Wanneer de volgende dag een replica is van de vorige,
het leven langzaam aan je voorbijgaat
en het tikkend geluid van het koffielepeltje
je levensritme gaat bepalen.

Wanneer ´s avonds de eenzaamheid je levenspartner is,
je doelloos zapt tussen pulp en cultuur,
omdat de broodnodige communicatie
al lang onder de dekens ligt.

Dan is het tijd om op te stappen,
de deur zachtjes in het slot te laten vallen,
zonder woorden van spijt of berouw
haastig neergekrabbeld op een vluchtig Post-itje.

Je afwezigheid zal niet eens opgemerkt worden,
tenzij voor de rechtbank,
wanneer het verbond der liefde
wordt omgezet in klinkende munt.

Vergeet het verleden,
zoek niet naar woorden van schuld.
Zie niet langer om,
maar streef opnieuw je idealen na.

Neem terug die ene treinreis uit je kindertijd,
wetend dat het leven uit vele haltes bestaat,
stopplaatsen van verloren liefdes.
Alleen jij bepaalt nu de volgende bestemming...

Ach, de liefde... Ja, ook een zwerver ontkomt er niet aan... De zondag kabbelt verder op het ritme van mijn dagdromerij, tussen wat komt en voorbij is, tussen het verleden en het heden. De zon is reeds lang over de horizon verdwenen wanneer ik Cafayate binnenrijd. De kilte van de avond doet me op zoek gaan naar een hostal. Of is het de eenzaamheid van een verliefde zwerver?

Pachamama...

Argentinië - Amaicha del Valle, 02-06-2007 - (dagboek 17)


Het is nog halfdonker wanneer ik rond kwart over zeven Tafi del Valle uitfiets. Ook nu weer schommelt de temperatuur rond het vriespunt en voel ik hoe mijn vingertoppen en tenen in een mum van tijd verstrammen van de kou. Ik vloek net zo lang tot ik enigszins op temperatuur kom. Met het vroege vertrekuur hoop ik de geselende wind, die me uiteindelijk noodzaakte om in Tafi del Valle te overnachten, even buiten spel te zetten. Een goeie zet, zo blijkt, want wanneer ik andermaal de beklimming aanvat, is het haast windstil. Ik vlot wonderwel en drie uur later bereik ik opnieuw het hoogste punt van ‘el Infiernillo’, 3000 meter hoog.
De fietsproblemen zijn duidelijk van de baan en mijn goeie fietsconditie versterkt mijn vertrouwen in het overwinnen van de Chileense Cordillera, een bergpas op 4100 meter hoogte die de grens vormt tussen Argentinië en Chili. Mijn enige vrees is evenwel de intrede van de winter. Extreme vrieskou en hevige sneeuwval zouden wel eens behoorlijk roet in het fietsplezier kunnen gooien. Ik zal me in ieder geval goed moeten informeren alvorens Salta te verlaten.
Ondertussen is de zon doorgebroken en geraak ik stilaan op temperatuur. Tijdens de afdaling krijg ik heel even het gezelschap van Pieter, de Gentenaar die ik de avond voordien in de hostal had onmoet en met de moto onderweg is naar Bolivië, Ik moet eerlijk bekennen dat ik een beetje jaloers ben op de wijze waarop hij een stuk van Zuid-Amerika verkent. Misschien wel iets om over na te denken bij een volgend project.
Bij aankomst in de camping krijg ik een warme maaltijd aangeboden, alsof de eigenaar weet dat ik acuut in geldnood zit. In de namiddag kuier ik nog wat doorheen het centrum en bezoek het plaatselijk museum ‘Pachamama’ (Moeder Aarde). Het monumentale bouwwerk is van de hand van Héctor Cruz, een artistieke duizendpoot die er naast een geologische en antropologische tentoonstelling, ook eigen werken exposeert: keramiek, schilderijen en wandtapijten. Vooral het labyrintachtig complex weet me te bekoren. Via een mozaïek aan diverse gesteenten belicht hij de mystiek uit de pre-Columbiaanse tijd. Intrigerende beelden van oa. Pachamama, de watergod en de Incagod van de zon domineren het domein. Vier jaar lang heeft hij eraan gebouwd. Zijn laatste project, een aanpalende hotel in dezelfde stijl, zit nog in zijn ontwerpfase. Ik had de kunstenaar graag persoonlijk ontmoet, maar helaas vertoeft hij momenteel in Mexico waar hij werkt aan een nieuwe tentoonstelling.
Bij het vallen van de avond breng ik alles in gereedheid voor mijn volgende fietsbestemming, Cafayate. Mijn voorlaatste stop op weg naar Salta...

De onzekerheden van een zwervend bestaan...

Argentinië - Tafi del Valle, 01-06-2007 - (dagboek 16)


Op wat fietsgereedschap en enkele extra kledingsstukken na, ben ik haast bagageloos vertrokken naar Tafi del Valle. Gisteren, na een lange fietsdag, kwam ik in de late namiddag aan in Amaicha del Valle. Het rustig dorpje gaat er prat op dat de zon er schijnt gedurende 360 dagen per jaar. Althans, zo staat het vermeld op het blauwkleurig verkeersbord dat men strategisch op één van de uithoeken van het centrale plein heeft geplaatst. Niet het mooie weer, maar wel de sculpturen van Héctor Cruz maken van deze plek in het Argentijnse noorden een plaatsje waard op de toeristische landkaart. Maar Amaicha del Valle is tevens de uitvalsbasis om de bergpas ‘Infiernillo’ (de Kleine Hel), die leidt naar het Zwitsers getinte stadje Tafi del Valle, te verkennen.
Reeds bij het verlaten van Amaicha del Valle slingert de weg zich via scherpe bochten het gebergte in. Het asfalt ligt erbij als een espenblad waarvan de nerven zich, doorheen de jaren, alsmaar duidelijker hebben afgetekend. Voor het eerst ben ik blij dat de zon er slechts sporadisch in slaagt om doorheen het wolkendek te breken. Tegenliggers en voorbijrijdende wagens begroeten me wederom. Het wordt stilaan een vaste gewoonte. Ja, de vuelta van Zuid-Amerika... Veel renners zouden het zonder doping me niet na doen. Nu ja, prestaties zijn relatief. Ik schrik er soms zelf van hoeveel mensen mijn onderneming als iets buitengewoons beschouwen. Het is vreemd, maar voor mij is het een soort levensgewoonte geworden. Een haast dagelijks fietsritueel dat elke dag opnieuw wordt aangewakkerd door de passie om nieuwe horizonten te verkennen.
Ook nu is dit niet anders. De beklimming brengt me tot bij een adembenemend landschap van zuilcactussen. Tegen een achtergrond van gigantische bergformaties lijkt het decor haast surrealistischer dan ooit. De prijs die ik moet betalen om dit natuurschoon in zijn volle glorie te kunnen aanschouwen is evenwel niet gering. Naast het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1000 meter, moet ik een ongelijke strijd aanbinden met de wind. Het lijkt wel of ik me opnieuw in Patagonië bevind. De windstoten zijn zo hevig dat ik vaak vrees om weggeblazen te worden, richting ravijn. Uiteindelijk zit er niks anders op dan de andere kant van de weg te kiezen. De kilometers kruipen voorbij en pas vijf uur later bereik ik de top, op 3000 meter hoogte. De afdaling vlot gelukkig stukken beter, al wordt mijn snelheid ditmaal serieus afgeremd door de lamentabele toestand van de weg.
Iets over vier uur hou ik halt in El Blanquito, een gezellig theehuis aan de voet van de vallei. Door de aanhoudende wind en de ermee gepaard gaande kou, snak ik naar een bakje troost. De verleiding van een overheerlijke chocoladetaart kan ik evenmin weerstaan. Na het nuttigen van het late, maar hemels vieruurtje weet de waardin me te vertellen dat de menhirs van El Molar, het eigenlijke doel van mijn uitstap, nog een kleine 12 km verwijderd liggen. Tijd om op te stappen.
Net voor sluitingstijd bereik ik het ‘parque de las Menhirs’. De verzameling stenen weten me evenwel niet te imponeren. Slechts een handvol menhirs dragen de beeltenissen van Pachamama (Moeder Aarde), die zowat de centrale figuur was in de rituelen van de inheemse bevolking. Sommige zijn twee tot drie meter hoog en dateren wellicht van 500 voor Christus. Men vermoedt dat ze iets te maken hebben met de zonnecultus, maar ook dit is louter hypothese.
Wanneer ik op de terugweg stop om er dé plaatselijke specialiteit bij uitstek, (gekruide) kaas, te proeven, vertelt de eigenares van het artisanale winkeltje dat de menhirs een vijftal jaar terug werden weggehaald van hun oorspronkelijke plaats, een heuvel op een steenworp van El Molar. Volgens haar om het toenemend vandalisme een halt toe te roepen. Waarschijnlijk zullen ook wel economische, toeristische belangen aan de grondslag liggen. Wie nu de menhirs wil bezichtigen moet zich begeven tot in het centrum van het dorpje.
Wanneer ik terug in Tafi del Valle aankom, doet de duisternis reeds zijn intrede. Het lijkt me niet opportuun om in het holst van de nacht de bergpas langs de omgekeerde zijde terug op te fietsen. Door mijn late aankomst, zit er niks anders op dan te overnachten in Tafi del Valle. Nogal een vervelende zaak. Enerzijds omdat mijn tent op een camping staat in Amaiche del Valle, maar anderzijds ook omdat ik nog over bitter weinig cash geld beschik. Mijn bankkaart ligt op de camping en behalve hier in Tafi del Valle, is de dichtsbijzijnde geldautomaat in Cafayate, op een 70 km van Amaicha del Valle. Uiteindelijk vind ik toch nog een onderkomen dat nog net past binnen mijn gering budget. Terwijl ik me warm aan de houtkachel in de kleine eetruimte, maak ik kennis met een landgenoot, Pieter De Neef. Deze jonge Gentenaar is reeds zes maand met de moto onderweg doorheen Chili en Argentinië. De resterende vier maanden gaat hij Bolivië en Peru aandoen. We voelen ons beiden als de kuifjes van morgen, eenieder onderweg op zijn eigen ritme. Twee dagdromers genietend van elke nieuwe dag, elk nieuw avontuur...

De laatste reiziger...

Argentinië - Nacimiento, 30-05-2007 - (dagboek 15)


Het winteroffensief is over z´n hoogtepunt heen. De onverwachte koudegolf was niet alleen een ideale aanleiding om een rustdag in te lassen, maar tevens een uitgelezen kans om de archeologische site van de Calchaqui-indianen op te zoeken. De ruïnes bevonden zich op een vijftiental kilometer van Belen, in het nabije Londres. De restanten van het Inca-rijk waren tot mijn verbijstering niet meer dan een hoop verweerde stenen. Wellicht versterkte het gure, koude winterweer m´n teleurstelling omtrent de uitstap. Nu ja, niet elke ontdekking hoeft een mens te bekoren...
Een goeie tien kilometer na het verlaten van Belen kan ik mijn winterjas opnieuw in mijn fietstas stoppen. Vermoedelijk is de slechte staat van de weg en niet zozeer de schrale zon de reden van mijn stijgende lichaamstemperatuur. De weg naar Santa Maria is grotendeels ongeasfalteerd en moeizaam trap ik mijn fiets doorheen het stoffige grind. Op sommige plaatsen kom ik slechts stapvoets vooruit en moet ik tevergeefs toezien hoe mijn banden wegslippen in het mulle zandspoor. Niet geheel toevallig maakt ook deze weg deel uit van de befaamde Ruta 40. De 5000 km lange route is op vele plaatsen niet geasfalteerd en start in het uiterste noorden van Argentinië, in ‘La Quiaca’ (aan de Boliviaanse grens) en loopt tot in het uiterste zuiden van de provincie Santa Cruz, meerbepaald tot in het Río Gallegos. Niet alleen de ripio bemoeilijkt het fietsen, ook wegenwerken maken de doortocht extra lastig. Met het uur wordt het me duidelijker dat ik nooit mijn vooropgestelde eindbestemming zal halen.
Met een gemiddelde snelheid van 7 km per uur bereik ik ´s avonds rond de klok van zeven het onbeduidende plaatsje Nacimiento. Heel even overweeg ik om verder te fietsen, maar de bittere kou en de ontdekking dat het eerstvolgende dorp zich op een slordige 80 km bevindt, brengen me gauw op andere gedachten. Ook mijn voornemen om m´n tent op te slaan naast het kleine politiekantoortje laat ik varen, want de agent van dienst weet me te vertellen dat er even verderop logement wordt aangeboden en wijst me de richting aan. Een schamel peerlampje verlicht ‘La despensa Estrella’. De vrouw des huizes, een bejaard dametje, kijkt me wat vreemd aan wanneer ik haar piepklein kruidenierszaakje binnenstap. “Buenos tardes, señora. Tienes una habitacion por una noche?” Ze had duidelijk geen gestrande reiziger meer verwacht. Naar de staat van het bed -waarschijnlijk nog eentje van haar grootmoeder- te zien, is er sinds mensenheugenis nog een reiziger langsgekomen. De matras voelt anderhalf uur later even hard aan als de planken lattenbodem. Wellicht zal ik ook meteen de laatste reiziger zijn die in dit bed nog een nacht doorbrengt...

Bemoedigende woorden...

Argentinië - Belen, 28-05-2007 - (dagboek 14)


De dienstdoende politieman was blijkbaar reeds afgelost door twee collega´s van de ochtendploeg, want wanneer ik, getooid met muts en handschoenen, doorheen het verlichte raampje gluur, staren twee onbegrijpende hoofden me aan. Het is nog halfduister wanneer ik rond zeven uur ´s morgens de agenten bedank voor hun gastvrijheid. “... y muchos recuerdos a su colega!” Een laatste groet, een laatste zwaai en ik verdwijn terug in het duister van de nacht.
Wanneer ik twee uur later mijn ontbijt verorber, moet ik noodgedwongen op en neer bewegen om niet te verstrammen van de kou. Veel beterschap hoef ik niet te verwachten, want de lucht lijkt wel dichtgespijkerd met één grote wolkenlaag. Op 37 km van Tinogasta houdt het asfalt op en krijg ik een zanderige grindweg onder de wielen. De continue afdaling zorgt ervoor dat ik, ondanks de slechte staat van de weg, toch nog snelheid kan maken. Rond half twaalf bereik ik reeds Tinogasta. Ik ben bijna halverwege mijn dagtocht. Althans... dat denk ik. Bij het informeren naar de nog af te leggen weg tot in Belen blijkt dit er nog welgeteld 140 km te zijn. Vreemd, mijn kaart geeft evenwel 75 km aan. De niet geasfalteerde en veel kortere baan schijnt echter onberijdbaar te zijn. Ook twee andere, onafhankelijke bronnen bevestigen het. Ietwat ontgoocheld spring ik nog vlug eventjes binnen in een internetcafé. Tot mijn vreugde stel ik vast dat ik heel wat reacties ontvangen heb op mijn laatste nieuwsbrief, enkele zelfs uit onverwachte hoek. De bemoedigende woorden geven me terug “courage” en een half uur later vat ik opnieuw de tocht aan.
Vreemd eigenlijk hoeveel mensen duizenden kilometers hier vandaan me zo op de voet volgen. Ze lijken haast mee te fietsen, alsof ze zelf onderweg zijn. Het geeft me een goed gevoel. Enerzijds omdat de woorden van steun me vaak de nodige push geven om ermee door te gaan en anderzijds omdat ik via mijn reisverslagen honderden mensen laat meereizen. Ze leren een stukje van de wereld kennen die net als voor mij één blinde vlek was op onze aardbol. Toch blijf ik vaak met een ambigu gevoel zitten. E-mail en internet maken de afstanden kleiner, het reizen makkelijker en veiliger, maar daardoor ook net iets minder boeiend, denk ik. Het wereldkundig maken van een onontgonnen toeristische plek leidt er vaak toe dat ook deze plaats binnen de kortste keren aan charme moet inboeten. De betovering verdwijnt wanneer een zoveelste backpacker er zijn loodzware rugzak voor enkele dagen neerploft. Maar anderzijds prijs ik me gelukkig bij de gedachte dat trotters voornamelijk aan bus-hopping doen. Ze laten zich als een parachutist neerdroppen in een busstation van een voor hen nog onbekend stedelijk doolhof en laten hun verdere koers bepalen door een kompas dat `Lonely Planet´ heet. Neen, als fietser en individuele reiziger geeft de bewegingsvrijheid je een immense voorsprong op diegenen die aangewezen zijn op de strategische, toeristische plaatsen die veelal enkel met het openbaar vervoer bereikbaar zijn.
En ondanks alle mail-en chatmogelijkheden, schrijf ik nog altijd mijn dagboek vlijtig neer met pen en papier. Als een middeleeuwse monnik blijf ik trouw mijn dagboek bijwerken om die enkele dagen later werelkundig te maken. Een reizende monnik in een gedigitaliseerde wereld...
De lucht ziet ondertussen potloodgrijs en uit de hemel waait fijne stofregen me tegemoet. De temperaturen hebben de voorbije dag een duizelingwekkende duik genomen en zelfs rond drie uur in de namiddag haalt mijn thermometer niet meer dan een magere zes graden. Een eerste winterprik?
Net voorbij de splitsing, wanneer ik de befaamde Ruta 40 opfiets, verlies ik één van mijn pedalen. Nu ja, de voorbije jaren heb ik wel eens vaker ‘de pedalen verloren’, maar nog nooit zo te midden van het absolute niets. Ik kan het onverwachte mankement evenwel vlug herstellen en zet mijn marathontocht verder. Wanneer het desolate landschap alsmaar grijzere contouren aanneemt en de nacht stilaan zijn intrede doet, ben ik nog zestig kilometer verwijderd van mijn eindbestemming. Het is ijzig koud en de motregen versterkt alleen dit gevoel. Ik besluit verder te rijden, ondanks alles. Mijn ledlamp werpt een kleine halogeenblauwe cirkel op het wegdek, mijn te volgen spoor in de duisternis. Rond half elf fiets ik Belen binnen. Uit een verlichte hemel van straatlantaarns dwarrelen duizenden minuscule sneeuwvlokjes. Ik heb de eindmeet gehaald, tweehonderd en zestien kilometer... Ik heb mijn sporen dubbel en dik verdiend. In hostal la Valle zoek ik -doodop- de warmte van een zacht bed. Mijn pen en papier laat ik ik voor één keer onaangeroerd in de fietstassen liggen. De schrijvende monnik valt in een diepe slaap...

Dagdromerij...

Argentinië - Campana, 27-05-2007 - (dagboek 13)


Op mijn weg naar het noordelijk stadje Belen, hou ik even halt in Chilecito dat mij evenwel niet echt kon bekoren. De bezienswaardigheden zijn er gering en het centrum leeft er onder gratie van ‘Santa Rita’. Naar het schijnt de patroonheilige van de hopeloze gevallen. Heel even leek het erop dat ik ook best een kaarsje kon laten branden, maar de liefde is ‘Santa Rita’ te snel afgeweest. Enige tijd geleden heb ik mijn nieuwe vriendin leren kennen in Chili. Maar ondanks de liefde blijft het zwerversleven de bovenhand halen. Hoe noemen ze zoiets? Een geboren (verliefde) zwerver...
Het is sterker dan mezelf, maar het zwervend bestaan blijft me boeien, ook na al die maanden. De onvoorspelbaarheid van elke nieuwe dag, de zorgeloosheid waarmee ik telkens een nieuwe morgen tegemoet fiets, de grenzeloze vrijheid,... Drijfveren die ervoor zorgen dat je je blijft verwonderen over de dingen om je heen. Als je reist -en zeker als je alleen en langdurig op pad bent- dan vervaagt elk stramien. De geplogendheden van een schijnbaar gewone dag worden doorbroken door ontmoetingen, onverwachte gebeurtenissen of door de plaats van overnachting.
Vandaag is dat niet anders. Nauwelijks Chilecito verlaten, hoor ik hoe een aanrijdende wagen achter mij vertraagt. “Would you like to have a coffee?” Het zijn Rita en Helmut, een gepensioneerd koppel dat ik enkele dagen geleden ontmoette in het nationaal park Ischigualasto. Het Duitse echtpaar is met een omgebouwde woonwagen (een truck) vertrokken vanuit Buenos Aires. Een afgelijnd reisschema hebben ze niet, evenmin een strikt tijdslimiet. Ze boemelen op het tempo van elke nieuwe dag die God hen schept. Drie klapstoeltjes worden uitgezet en enkele minuten later gaat de thermoskan van hand tot hand. Anderhalf uur lang genieten we van de eerste ochtenduren, de schaarse zonnestralen, de avontuurlijke verhalen en het aroma van de koffie. Zo zou ik ook wel mijn oude dag willen doorbrengen, tuffend...
De rest van de dag blijf ik dagdromen. In gedachten zie ik me een jaar lang met een aftandse woonwagen nieuwe contreien verkennen, met in mijn kielzog een kroost zwervers. Een jaar lang rondtrekken en je kinderen een leerschool meegeven die ze op geen enkele school kunnen leren. Het lijkt me een fantastische gedachte. Gek, de ene droom is nauwelijks in vervulling gegaan en een mens smeedt al nieuwe plannen, nieuwe dromen. “Ach”, hoor ik de goegemeente al denken, “maar dat is het echte leven niet!” Maar wat is het echte leven? Zijn we op de wereld gezet om ons krom te werken en om zoveel mogelijk centen bij elkaar te vergaren? Als ik bedenk hoe ik reeds acht maanden onderweg ben met een minimum aan bagage (nu ja, toch goed voor een goeie 50 kilo, water en voedsel inbegrepen), dan besef ik dus te meer dat we het met veel minder ook opperbest kunnen stellen. Neen, laat mij maar dromen, wegdromen tot ver over de landsgrenzen heen...
Rond vijf uur in de namiddag besluit ik het vandaag voor bekeken te houden. Mijn dagdromerij heeft me naast een gedicht over Santiago, slechts tachtig kilometer opgeleverd. Niet ontzettend veel, maar net voldoende om het charmante dorpje Campana met zijn historisch geklasseerde kerkje uit de zeventiende eeuw te ontdekken. Bij het plaatselijk politiekantoortje vraag ik om er mijn tent neer te kunnen zetten. De agent is duidelijk opgezet met het onverwachte bezoek en wijst me een haast verborgen plekje aan. Rond acht uur nodigt hij me uit om samen maté te drinken. De kilte van de nacht wordt vriendschappelijk verdreven met dampende thee. Onverwachte ontmoetingen... ze blijven een constante in een zwervend bestaan...

Een zware fietsdag...

Argentinië - Chilecito, 25-05-2007 - (dagboek 12)


De temperatuur van mijn fietsthermometer wijst precies 1 graad boven nul aan, wanneer ik rond half negen ´s morgens het domein van Talampaya verlaat. Het zou wel eens een vermoeiende fietsdag kunnen worden. Niet alleen staat een deel van de af te leggen weg op mijn kaart aangeduid als ripio (onverharde weg), maar tevens is het vandaag 25 mei, een vrije dag voor de Argentijnen. Op 25 mei 1810 begonnen de Argentijnen met hun opstand tegen de Spanjaarden. De strijd resulteerde tot de onafhankelijkheid van Argentinië op 9 juli 1816. Wie ooit al eens Argentinië heeft doorgereisd, zal het opschrift ’25 de mayo’ vaak hebben gezien. Pleinen, straten en monumenten verwijzen allemaal naar deze bijzondere historische dag. Het verlengde weekend zal wellicht meer volk op de been brengen dan anders.
Om mijn weg uit te stippelen raadpleeg ik telkens twee bronnen, enerzijds mijn routekaart en anderzijds de lokale bevolking. Ze weten beter dan wie dan ook of een bepaalde weg al dan niet geschikt is om te fietsen. Althans... dat hoop ik toch. Op aanraden van de waard van een groezelig cafeetje in Pagancillo neem ik een route die niet eens terug te vinden is op mijn wegenkaart. Al gauw gaat de geasfalteerde weg over in een onverharde baan met steengruis en zand. Twintig kilometer lang zwalp ik van links naar rechts, zoekend naar enigszins vaste, berijdbare grond. Mijn snelheid daalt zienderogen en met een gemiddelde van 7 km per uur worstel ik me doorheen de zanderige piste. Eén voordeel: de ochtendgymnastiek verdrijft evenwel de vroege kilte van de dag.
Aan het einde van de piste, splits de weg zich op. Wegwijzers zijn er niet en dus volg ik mijn intuïtie en sla rechts af. Wegenwerken hebben de baan herschapen in een aardeweg. Niet ideaal om snelheid te maken, maar nog beter dat dan een zandbak met keien. Nog steeds niet 100% zeker over de juiste ingeslagen route, vraag ik kilometers verderop aan een groep wegenwerkers of dit wel de juiste richting is naar Chilecito. Mijn intuïtie heeft me gelukkig niet in de steek gelaten. Ze zijn net begonnen met hun schaftijd en spontaan nodigen ze me uit om mee te eten: pollo à la sado (geroosterde kip). Ze vinden mijn zwerftocht geweldig, maar begrijpen niet hoe ik het zeven maanden kon uithouden zonder vrouwelijk gezelschap. Ach, typische mannenpraat...
De gezellige, onverwachte ontmoeting doet me de tijd zowat uit het oog verliezen en pas anderhalf uur later zet ik mijn tocht verder. Om in Chilecito te geraken moet ik over de ‘Cuesta de Miranda’ fietsen, een ruig woenstijnlandschap met een piek van 2020 meter hoog. Nauwelijks zet ik de beklimming in of ik schiet doorheen mijn ketting. Daar gaan we weer... Het is twee uur in de namiddag en ik heb nog 70 km voor de boeg. Een uur lang sleutel ik in de verschroeiende hitte aan de fiets. Met een klein hartje trap ik rond drie uur de fiets de hoogte in. De stoffige, rode aardeweg slingert zich doorheen een ruw woestijnlandschap waar gigantische cactussen er als versteende soldaten de wacht houden. Af en toe word ik voorbijgestoken door een wagen die een wolk van rode stof achter zich laat. Met ingehouden adem fiets ik er doorheen. De maan komt reeds voorzichtig tevoorschijn wanneer ik me nog steeds een weg baan naar omhoog. Een voorbijrijdende wagen stopt me wat fruit toe. Terwijl de zon zijn laatste kleurenspel met de bergen speelt, bereik ik de top. Het uitzicht is verbluffend mooi.
Tijdens de afdaling moet ik meermaals hard op de remmen staan. De kans een lekke band op te lopen, is vrij reëel op een ripioweg. De kleurenpracht van de ondergaande zon is bloedmooi en bezorgt het ruige landschap een betoverende dimensie. Uiteindelijk fiets ik rond negen uur ´s avonds Chilecito binnen. Op een spandoek lees ik “Vuelta de Chilecito dia 25 -26 -27 de mayo - 3° edition de ciclismo” Ik heb de eindmeet gehaald...

Talampaya: de Argentijnse Grand Canyon...

Argentinië - Talampaya, 24-05-2007 - (dagboek 11)


M´n voornemen om het nationaal park Talampaya per fiets te verkennen, valt in duigen. De verantwoordelijke gids voor de begeleide fietstocht komt niet opdagen, zodat ik me uiteindelijk aansluit bij een groep toeristen die met speciaal ingelegde bussen het terrein verkennen.
De route voert ons naar een geologisch ver verleden, waar petroglieven getuigen van een menselijke aanwezigheid. De sporen van prehistorische nederzettingen gaan er tot meer dan 3000 jaar terug. Sommige in steen gekraste afbeeldingen zijn vrij goed bewaard gebleven, alsof ze gisteren pas werden aangebracht. Halverwege de tocht rijden we doorheen een fabelachtig landschap van rode aarde. Het lijkt wel Grand Canyon: gigantische rotswanden rijzen omhoog, duizelingwekkend! Ommuurd door rood gesteente zien we hoe een condor zijn uitgestrekte vleugels laat rusten op de zachte wind. Het filmisch decor is nauwelijks digitaal vast te leggen.
Even verderop zie ik rotsformaties die de meest gekke poses innemen. Een ieder ziet er wel één of andere figuur in. Het zijn gigantische rotsblokken die door het spel der natuurelementen ruwe, ongepolijste vormen hebben aangenomen. Ter hoogte van ‘el Chimenea’ (de schoorsteen) laat de gids ons horen hoe de 47 meter hoge, uitgeholde steengeul perfect kan dienen als geluidsdrager. Zijn luide kreet weergalmt als een echo tot kilometersver in het rond. De meest indrukwekkende rotswand vinden we helemaal op het einde van onze rit. Een immense rots rijst er op uit het niets. De uitstulpende ribben lijken wel op de zijbeuken van een cathedraal. Zelden heb ik zo´n overweldigende stenen wanden gezien als daar in Talampaya.
Op de terugweg ontdek ik een Nederlands stel onder mijn reisgenoten. Het gepensioneerd echtpaar is reeds twee jaar onderweg. In Nederland hebben ze hun ‘hebben en houden’ verkocht, een boot aangeschaft en al varend verkennen ze nu de wijde wereld. Twee à drie keer per jaar keren ze terug naar hun thuisbasis, om de band met de familie alsnog te onderhouden. De rest van de tijd varen ze rond, van haven tot haven. Ze hopen dit vol te houden tot zolang hun gezondheid het toelaat. Ja, avonturiers... Ze lopen niet dik, maar toch...
´s Avonds laat ik mij culinair verwennen in de confiteria van het nationaal park. Sinds een paar dagen ben ik aangewezen op restaurants om een warme maaltijd te nuttigen, want ondanks het vinden van benzine, slaag ik er niet in om mijn benzinebrander aan de praat te krijgen. Zelfs na een grondige reiniging, weigert hij dienst. In het restaurant ben ik er de enige gast. De kok van dienst is de nachtwaker. Hij werkt er zeven dagen aan één stuk. De daaropvolgende zeven dagen heeft hij vrij en gaat hij naar zijn huis in Cordoba, zo´n slordige 600 km hier vandaan. Het kost de man een volledige busdag om thuis te geraken. Dat de afstanden hier onwaarschijnlijk groot zijn, realiseer ik me de voorbije weken alsmaar meer en meer. Pas gisteren heb ik mijn vierdelige landkaart van Argenitinië kunnen dichtvouwen tot enkel het bovenste gedeelte zichtbaar is. Mijn laatste Argentijnse bestemming, Salta, prijkt er hoog in het noorden. Neen, mijn trektocht doorheen de Chileense Atacama-woestijn is nog niet voor morgen...

Een ochtendlijk kleurenpalet...

Argentinië - Talampaya, 23-05-2007 - (dagboek 10)


Het administratief centrum is nog omhuld in het schemerdonker wanneer ik rond half acht Ischigualasto verlaat. De horizon ontwaakt langzaam in een oogverblindend, zacht kleurenpalet van marine- en paarsblauw. De prille ochtenden op weg naar een nieuwe morgen... ze blijven me charmeren. De kilte van de ochtendlijke overgang, het punt waar de nacht de dag raakt, het moment waar de sterrenhemel twijfelend zijn dominante plaats aan het firmament inruilt voor een zonovergoten hemelsblauw behang dat schoorvoetend zijn eerste passen zet... Het zijn fascinerende, mooie, visuele kleurtaferelen die met geen verfstrepen te beschilderen zijn.
Ik ben op weg naar het nationaal park Talampaya, een goeie 80 km verder noordwaarts. Het landschap is er ruig, woestijnachtig en desolaat. In de verte doemen heuvelachtige rotsen op die zich kenmerken door een fascinerende kleurschakering, tinten van bruinrood tot okergeel. Het lijkt wel of moeder aarde hier kwistig heeft geëxperimenteerd met talloze verftubes...
Na een 50 km rijden Nick en Antonia me voorbij, een Zwitsers stel dat gisteren eveneens in Ischigualasto was blijven kamperen en gedurende twee weken met een huurwagen het noorden van Argentinië verkennen. Even verderop houden ze halt. Ze hebben nog een kleine attentie voor een verdwaalde zwerver: Zwitserse chocolade! Al wuivend wensen ze me even later alle succes toe en manen me aan om vooral voorzichtig te zijn als ik Colombia aandoe. Ze kennen het land vrij goed, mede omdat ze er enkele jaren terug een tijdje werkzaam waren. Volgens de laatste berichten is de situatie er opnieuw politiek onrustig en nemen parmilitaire groeperingen meer en meer de macht in handen. Het blijft voorlopig onduidelijk of Colombia een haalbare kaart is op mijn zwerftocht. In het slechtste geval zal er niks anders opzitten om dit –naar het schijnt- wondermooie land links te laten liggen.
Na exact 80 km fietsen, bereik ik de ingang van het nationaal park. Wanneer ik mijn zwaarbeladen fiets tegen de muur van het administratief gebouwtje plaats, word ik in een mum van tijd omringd door enkele ééndagstoeristen. De klassieke vragen worden wederom afgevuurd en met ogen van ongeloof staren ze me aan. Sommigen halen zelfs spontaan hun camera boven en laten echtgenoot of echtgenote naast me poseren. Mensen schudden me de hand en wensen me alle geluk toe. Ik lijk wel de hoofdattractie van het nationaal park te zijn. Een oud dametje schudt onbegrijpend haar hoofd heen en weer, grabbelt in haar handtas en stopt me 10 pesos (€ 2,5) toe. “God bless you!” Ze geeft me een klapzoen en verdwijnt haastig in de menigte. Onwaarschijnlijk...
De haast woestijnachtige ligging van de camping doet me besluiten om er te overnachten en pas de dag erop het nationaal park te verkennen. Bij het neerzetten van mijn tent krijg ik het gezelschap van een jonge zorro, een vosachtig dier dat voornamelijk in woestijngebieden leeft. Zorro´s zijn best onschuldig, maar als roofdier zijn ze steeds op zoek naar voedsel. Veiligheidshalve zet ik al mijn fietstassen binnen in de tent. Je weet maar nooit. Wanneer rond acht uur ´s avonds de generator wordt afgelegd, daalt er een haast onwerkelijke rust over de woestijnvlakte. Een lichte, frisse wind speelt ondeugend met de vlammen van mijn kaarsen, de enige lichtbron op de camping. Hoog aan de hemel twinkelen honderden sterren, terwijl een sikkelvormige maan de nacht aankondigt. Een wondermooi decor op een onvergetelijke plek...

Een tijdloos landschap...

Argentinië - Ischigualasto, 22-05-2007 - (dagboek 9)


De zon kleurt rozerood wanneer we in een colonne van een zestal wagens het ‘Circuito Interno Valle de la Luna’ aanvangen. Omdat de 40 km lange en drie uur durende route enkel per wagen kan afgelegd worden, heb ik een lift gekregen van een cardioloog uit Plata, een kleine 100 km van Buenos Aires verwijderd. Een meevaller, want de man spreekt een aardig mondje Engels en vertaalt in grote lijnen de nogal wetenschappelijke uitleg van de Spaanssprekende gids.
Zo kom ik te weten dat het nationaal park Ischigualasto maar liefst 64.750 ha beslaat en dat de aardlagen teruggaan tot in het Trias, de oudste periode uit het Mesozoïcum, dat zo´n 230 miljoen jaar geleden begon en duurde tot 70 miljoen jaar geleden. In dit gebied leefden er onder meer de vleesetende Herrerasaurus en de Eoraptor Lunensis (de oerdinosaurus). Hun voedsel bestond voornamelijk uit plantenetende dinosaurussen en kleinere reptielen. Dat verklaart ook waarom er in Ischigualasto zoveel skeletten en dierenfossielen zijn aangetroffen. De uitzonderlijke rijkdom aan fossielen heeft ertoe bijgedragen dat paleologen uit de hele wereld er reeds tientallen jaren wetenschappelijk onderzoek verrichten. In het plaatselijk educatief informatiecentrum las ik van de hand van een zekere A. S. Rower van de Harvard University, een paleontoloog die er in 1958 een expeditie leidde: “Hier bevindt zich het meest bijzondere fossiele kerkhof dat je je maar kunt voorstellen...”
Niet alleen fossielen liggen er als in een snoepjeswinkel voor het grijpen, ook de kleurenpracht in het schijnbaar tijdloze landschap is er één van een ongekende schoonheid. In een kleine vallei met kloven en scheuren zie ik tinten van oranje, bruin, oker en grijs. Wellicht niet geheel toevallig kreeg deze plek de naam ‘El Valle Pintado’. De bonte verzameling heeft zelfs iets weg van een maankrater.
Een tiental kilometer verderop houdt de karavaan opnieuw halt. Deze keer worden we verrast door een resem bolle stenen die er als verloren petanqueballen bijliggen. Sommige steken nog halfweg uit de grond, alsof ze door een verre bovenmenselijke worp diep in de rode aarde zijn weggezakt. Door de erosie van de opeenvolgende seizoenen zullen ook deze kanonvormige stenen weldra tevoorschijn komen. Bij valavond moet dit maanlandschap nog indrukwekkender zijn. Op een boogscheut er vandaan, tref ik nog een natuurwonder aan: een rotsformatie door de wind gepolijst en gevormd tot een Egyptische sfinx. Mede door de uitgeholde kattenogen en de spitse oren zou je haast denken dat een beeldhouwer hier zijn fantasie de vrije loop heeft gelaten.
Bij onze voorlaatste halte zie ik twee torenhoge rotsblokken die als een soort onsamenhangende blokkendoos op elkaar zijn gestapeld. De twee stenen pilaren hebben als bijnaam ‘el submarino’ meegekregen, omdat de grillige steenformaties iets weg hebben van een onderzeeboot. Mijn fantasie reikt evenwel niet zover, maar moet toch toegeven dat de bizarre rotsblokken architectonisch knap in het adembenemend landschap passen. Tegen de achtergrond van een azuurblauwe hemel ogen ze nog mooier dan een verrassende prentkaart. Onze laatste etappe brengt ons tot bij ‘el Hongo’, de paddestoel. Een eenzame rotsformatie domineert er het ruige landschap. Lagen gehard zandsteen lijken er te balanceren op een kolom. We sluiten onze trip af door een rondrit langs de imponerende rotswand van de ‘Barances Colorades’.
Ter afsluiting loop ik nog even langs in het kleinschalig opgezet museumpje waar de aandacht vooral uitgaat naar gevonden fossielen. Replica van ondermeer de Herrasaurus dinosaurus doen me meer dan ooit beseffen dat ik een uniek stukje wereldnatuurerfgoed heb ontdekt. Benieuwd of ik eenzelfde gevoel zal hebben wanneer ik morgen het 80 km verderop gelegen nationaal park Talampaya aandoe...

Een zwervend bestaan, eentje van uitersten...

Argentinië - San Agustin, 20-05-2007 - (dagboek 8)


Ik ontwaak door het getsjilp van enkele vroege vogels die een nieuwe dag aankondigen. Een heerlijk gevoel om met de geluiden van moeder aarde te worden gewekt...
Na een rit van om en bij de 100 km waren we donderdag in Chucuma gearriveerd, een dorpje met een 300-tal zielen. Om budgettaire redenen, vooral van Ricardo´s kant, kozen we een kampeerplekje in de buurt van het plaatselijke politiekantoor. Na de royale maaltijd in Bermejo werd het andermaal pasta. Nu ja, ook dit went wel na een tijdje. Inmiddels zijn we in San Agustin aanbeland, de uitvalsbasis om het nationaal park Ischigualasto met zijn ‘Valle de la Luna’ te bezoeken. Naar het schijnt een uniek natuurgebied dat zich vooral onderscheidt door zijn merkwaardige vormen en kleuren van rots- en zandformaties.
Mijn fietskompaan, Ricardo, is inmiddels vertrokken, richting Rioja. In deze grootstad hoopt hij om wat foto´s te kunnen verkopen om op die manier zijn tocht verder te kunnen zetten. Vooral de ontdekking dat er toegang moet betaald worden om het nationaal park te bezoeken en dat elk circuit onder begeleiding van een eveneens betalende gids gebeurt, deed hem afzien van het plan om verder te fietsen in de richting van Ischigualasto. Het is duidelijk dat zijn ‘reis-vrijheid’ beperkt wordt door zijn geringe bestaansmiddelen en dat hij is aangewezen op grote steden om te kunnen overleven. Je moet er in ieder geval veel moed voor hebben om op die wijze een stukje van de wereld te verkennen. De kans dat we elkander zullen terugzien, is vrij groot. Na Noord-Argenitinië fietst hij ook naar Bolivië en Peru. We zien wel...
De voorbije twee dagen heb ik vooral genoten van de immense rust op de camping Valle Fertil. Op de nachtwaker en een dozijn katten na, is de camping verlaten. Het zalig zomerweer en de aanwezigheid van een barbecuestel nodigden gisteren zelfs uit om uitgebreid te kokkerellen. Een waar feestmaal, zeker als je weet dat ik de komende dagen vooral op water en brood zal moeten leven. In geen enkele winkel heb ik tot dusverre benzine gevonden waarmee ik mijn lege benzinebrander kan opvullen. Ook de schaarse dorpjes op de landkaart voorspellen niet veel verandering. Het leven van een zwerver is er eentje van uitersten...
Morgenvroeg vertrek ik in de richting van de maanvallei. De eerstvolgende dagen verwacht ik evenmin enige internetconnectie te vinden. Bij leven en welzijn pik ik de draad terug op, ergens in Chilecito. Tot dan!

De kaap van 10.000 km overschreden...

Argentinië - Bermejo, 16-05-2007 - (dagboek 7)


Zuid-Amerikanen zijn geen vroege vogels en Ricardo allerminst. Wanneer ik rond negen uur vertrekkensklaar sta, moet hij nog zijn hele ‘hebben en houden’ bij elkaar grabbelen. Hij lijkt me zowat het prototype van een Latijns-Amerikaanse zwerver: eentje met een zee van tijd, maar zonder centen. Overleven doet hij door te kamperen, liefst wild (lees: gratis) en foto´s aan de man te brengen in de grootsteden die hij aandoet. Zijn analoge foto´s spreidt hij dan als een lappendeken van ‘water en brood’ over de plaveien van Zuid-Amerika. Wanneer hij geld op zak heeft, trekt hij verder als een fietsende nomade van stad tot stad, van dorp tot dorp, nu reeds 26 maanden lang. Ik moet eerlijk bekennen dat ik hem wel bewonder. Als verdwaalde zwerver heb ik altijd de zekerheid van mijn kredietkaart. Twee zwervers onderweg, levend onder dezelfde zon, in eenzelfde wereld en toch zo verschillend... Ook zijn fietsritme ligt behoorlijk laag. Gemiddeld fiets hij er 50 km per dag, ik gemiddeld 120. Maar goed, in het leven moet je leren compromissen sluiten, ook als zwerver.
We zijn onderweg naar de belangrijkste bedevaartsplaats van Argentinië, ‘el Difunta Correa’ in het onbeduidende plaatsje Vallecito. De volkslegende vertelt het verhaal van een jonge vrouw, Deolinda Correa, die in 1841 tijdens de burgeroorlog, met haar baby op de arm te voet op weg was van San Juan naar La Rioja. Onderweg stierf ze evenwel door uitputting en ondervoeding. Toen enkele dagen later haar levenloze lichaam werd gevonden, trof men tevens de baby aan, nog levend aan haar borst. Haar graf, de plek waar ze werd gevonden, werd meteen een soort gewijde plaats. Wijlen Correa is uitgegroeid tot de beschermvrouwe van vrachtwagen- en buschauffeurs, alsook van reizigers onderweg. Ik had me geen betere dag kunnen voorstellen om vandaag deze bijzondere plek te bezoeken. Op 20 km voor het ‘heilig’ oord overschrijd ik namelijk de kaap van 10.000 km, een haast feestelijk gevoel. Het ultieme moment wordt gedigitaliseerd en ik beloof Ricardo om de heuglijke dag af te sluiten met een etentje.
Bij aankomst in Vallecito kan ik mijn ogen nauwelijks geloven. De straat die toegang verschaft tot de bedevaartsplaats is er getransformeerd in een soort ‘Tooghedagen’ met aan weerszijden een bonte verzameling eetstalletjes en souvernirkraampjes. Vooral tijdens het weekend moet de commercie hier gouden zaken doen, zoveel is duidelijk.
Even verbazingwekkend is de hoofdattractie zelf. In de loop der tijden hebben reizigers uit dank voor de bescherming of het geluk er iets persoonlijks achtergelaten. Die uit de hand gelopen gewoonte heeft geresulteerd in een kleine nederzetting die uitpuilt van persoonlijke relikwieën. Je houdt het niet voor mogelijk wat ik er allemaal aantrof: bruidsjurken, legerkostuums, honderden marinepetten, foto´s, overwinningsbekers, miniatuurvrachtwagens, poppenhuisjes, muziekinstrumenten,... Men heeft er zelfs speciale paviljoenen voor gebouwd. Onwaarschijnlijk! Sommige ervan lijken wel op één grote speelgoedwinkel. In één ervan ligt de jonge vrouw waar het allemaal om draait ,opgebaard: een gipsen beeltenis van Deolinda met aan haar borst haar baby. Het is haast niet te geloven hoe en volkslegende zo kan uitgroeien tot een bedevaartsoord. Stenen treden met guirlandes van nummerplaten verschaffen me toegang tot een kleine rotswand. Ook hier tref ik een hele verzameling foto´s en prullaria aan. De waterflessen en brandende kaarsen doen me terugdenken aan de vele, kleine offerplaatsen ter ere van ‘Difunta Correa’ die ik in Argentinië aantrof. Ook ik leg er een flesje water, steek een kaars aan en laat een foto achter. Uit dank voor al het mooie dat ik reeds op mijn lange zwerftocht heb mogen ervaren, voor de bescherming, maar bovenal voor een behouden voortzetting van de reis...
Is het het vooruitzicht op een heerlijke, warme maaltijd? Geen idee, maar ik slaag erin om Ricardo te overtuigen om verder te fietsen tot in Bermejo, een al even onbeduidend dorpje als Vallecito. Bermejo blijkt evenwel ook een toeristische troef te bezitten, met name de kapel ter ere van ‘San Expedito’, naar het schijnt de beschermheer van de noeste arbeid. Voor twee verdwaalde zwervers een uitgelezen overnachtingsplaats. In de binnentuin mogen we er probleemloos onze tent opzetten.
Rond een uur of zeven begeven we ons naar het enige restaurant dat het dorpje rijk is. De waardin had wellicht geen volk verwacht en nog minder twee gestrande fietsers. Onder de open schuur staan enkele metalen tafeltjes, kriskras door elkaar, allen bedekt met een dikke laag stof, net als de plastieken tuinstoelen. De generator wordt aangelegd, de tafel gedekt en de wijn ontkurkt. Die groezelige eettentjes, te midden van het absolute niets... Ze stralen toch een zekere charme uit. De kaap van de 10.000 km wordt gevierd met kip, friet en sla. Een koningsmaal voor twee zwervers op weg naar morgen...

San Juan: het evenbeeld van Mendoza...

Argentinië - San Juan, 15-05-2007 - (dagboek 6)


Had ik mijn omelet met motorolie gebakken of lag het aan de fietsconditie die stilaan terug op peil kwam? Geen idee, maar in ieder geval slaagde ik erin om de afstand Mendoza - San Juan (185 km om precies te zijn) in één fietsdag te overbruggen. Op mijn tocht kwam ik een collega-wereldfietser tegen, Ricardo, een Venezolaan die reeds twee jaar en twee maand onderweg is. We besloten een tijdje samen te fietsen, mede omdat we dezelfde richting uitgaan.
San Juan leek in meerdere opzichten een beetje op Mendoza. Niet alleen is het zowat het tweede wijngebied van het land, maar tevens werd de stad, net als Mendoza, door een zware aardbeving getroffen. San Juan moet, na de verwoestende aardbeving van 1944, zowat de jongste stad van Argentinië zijn. Het geboortehuis van Domingo Faustino Sarmiento, een vooraanstaand intellectueel, schrijver, journalist en een tijdje president van Argentinië (1868-1874), is zowat het enige historische bouwwerk dat overeind is gebleven. De stad oogt dan ook vrij modern en strak. Brede boulevards en pleinen, alsook een ranke klokkentoren overheersen zowat het stadscentrum. We hadden er ook graag het ‘Museo de Ciencias Naturales’ met zijn vondsten van fossielen uit het gebied van Ischigualasto bezocht, maar helaas was die tijdelijk gesloten.
Morgen verlaten we San Juan om langzaam maar zeker verder noordwaarts te rijden.

De twee kanten van Mendoza...

Argentinië - Mendoza, 13-05-2007 - (dagboek 5)


Mendoza ligt nog te sluimeren in een vroege, lome zondagmorgen zon wanneer ik de stad rond tien uur ga verkennen. Op mijn laatste etappe naar het mekka van de wijnproduktie, werd ik vergezeld door de hond van de camping, vijfenzestig kilometer lang. Bij aankomst heb ik hem dan maar omgedoopt tot 'vagabundo sesentaycinco'... Of hem een beter leven te wachten staat valt nog te betwijfelen, want met zo´n 800.000 inwoners behoort Mendoza tot de vijf dichtsbevolkte steden van Argentinië. Dat gevoel heb ik evenwel allerminst. In de verkeersvrije Avenida Sarmiento genieten enkele vroege vogels van een bakje troost op één van de vele terrasjes. Een bejaard echtpaar zit liefdevol even verderop, te bladeren in de zondagskrant. Er hangt bijna een ongedwongen dorpssfeer over het centrum, onwaarschijnlijk.
Ook op het meest centrale plein, 'la Plaza de la Independcia', valt er nauwelijks enige bedrijvigheid te bespeuren. Rond het schaduwrijke, groteske plein merk ik enkele fraaie gebouwen op, waaronder het monumentale 'Teatro Independcia'. Geen enkel gebouw is er ouder dan 150 jaar, want in 1861 werd Mendoza door een zware aardbeving zowat met de grond gelijk gemaakt. De stedenbouwkundige ontwerpers van toen hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om de stad te voorzien van de nodige ruimte door rond het centrale plein vier kleinere parken aan te leggen: Plaza Italia, Plaza España, Plaza Chile en Plaza San Martin. Elk hebben ze hun eigen kenmerken, die worden versterkt door beeldhouwwerken die verwijzen naar belangrijke historische gebeurtenissen. Het zijn één voor één groene oases die uitnodigen om te slenteren, lief te hebben, te rusten en te genieten.
In het laatste park, Plaza Chile, wordt het gevoel van veiligheid evenwel verstoord door twee jonge snaken die zich opvallend vreemd gedragen. Ze blijven verdacht dicht in mijn buurt rondhangen en intuïtief voel ik aan dat er iets op til is. Wanneer ik mij neerhurk om mijn fototoestel veilig op te bergen, hoor ik: "Tienes la mochila! Tienes!" In een fractie van een seconde zie ik hoe één van hen naar me toe snelt, met in zijn rechterhand een glasscherf. Ik veer recht, gooi mijn rugzak over m´n schouders en zet het op een lopen. Na honderd meter hoor ik achter mij hoe een stuk glas aan diggelen wordt gegooid. Schichtig kijk ik om en zie dat de knaap de achtervolging heeft gestaakt. Zijn wapen ligt versplinterd op het voetpad... Ik vervolg mijn weg tot ik helemaal overtuigd ben dat ze mijn spoor bijster zijn. Ik vloek en voel hoe de woede zich opborreld. Verdomme, nog geen dertien jaar oud... geboren criminelen!
Wanneer ik een twintigtal minuten later mijn hostal bereik, is de adrenalineopstoot zo goed als volledig weggevloeit. Dat de onveiligheid overal loert, blijkt uit het feit dat er vannacht heel wat ontvreemd werd uit de jeudherberg. Ook in mijn kamer zitten twee gedupeerden. Hun fototoestel en portefeuille zijn gestolen. Een triestige vaststelling, te meer deze diefstal voor bijna 100% het werk is van één of meerdere travellers. We leven in een vreemde samenleving waar het stilaan 'bon ton' is om anderen te bestelen. Waakzaamheid is zowat de enige remedie. Met het oog op Bolivië en Peru is het andermaal een goeie bewustwording...
In de namiddag zoek ik nog 'El Parque General San Martin' op . Een indrukwekkend stadspark (450 ha) waar ondermeer een openluchttheater en diverse sportstadions in zijn ondergebracht. Het park is er aangelegd rond de heuvel 'Cerro de la Gloria' en verwijst naar het monumentale kunstwerk voor San Martin. Deze Argentijnse generaal heeft een belangrijke bijdrage geleverd inzake de bevrijding van Argentinië onder het Spaanse juk. Ik heb pech, want door renovatiewerken is het monument niet toegankelijk voor het grote publiek. Ook het bekende sportstadion 'El Estado Provencial Malvinas Argentinas' is gesloten. Dit stadion werd speciaal gebouwd voor het wereldkampioenschap voetbal van 1978.
Tegen valavond keer ik terug naar de jeugherberg om er nog een laatste maal te verbroederen met de halve wereldbol. Morgen staat er een lange fietstocht (180 km) op het programma: Mendoza - San Juan. Mijn eerste etappe in de richting van het noorden van Argentinië. Benieuwd of het me zal lukken op één dag...

Fietsend doorheen pasteltinten...

Argentinië - Potrerillos, 10-05-2007 - (dagboek 4)


Het is ijzig koud wanneer ik rond half acht ´s morgens de refugio in Puente del Inca verlaat. De temperatuur schommelt er rond drie graden onder nul.
Gisteren heb ik een rustdag ingelast, mede omdat ik vaststelde dat het plaatsje Puente del Inca zowat de uitvalsbasis is om de hoogste berg van Argentinië (en hoogste top op het zuidelijk halfrond), de Aconcagua (6962 meter) te beklimmen. Ik waagde me evenwel niet aan een beklimming, maar stelde me reeds tevreden met een wandeling in het gelijknamig Nationaal Park. Van hieruit kon ik een vrij mooie glimp opvangen van de machtige berg. Wie de Aconcagua als eerste ooit heeft beklommen, is nogal onduidelijk. Enkele jaren geleden werd er immers op een hoogte van 5300 meter een incamummie ontdekt. Hij is echter niet de enige die hier zijn leven heeft gelaten. Op een boogscheut van het dorpje ligt ‘El Cementerio de Los Andinistas’, een aangrijpende begraafplaats voor klimmers die op de Aconcagua zijn omgekomen. Wanneer ik er rondslenterde viel het me op hoe jong de slachtoffers waren. Gemiddeld 20 jaar oud en van alle nationaliteiten. Het toont eens te meer aan dat de natuur zijn eigen wetten stelt en dat de mens niet in staat is om zijn grenzen eindeloos te verleggen.
Puente del Inca heeft nog een andere toeristische troef, met name een natuurlijke stenen brug. Dit uniek natuurwonder is het resultaat van dampen die eeuwenlang uit minerale bronnen omhoog stegen en ervoor hebben gezorgd dat kleurschakeringen van oranjerood tot terracottabruin in elkaar overvloeien. Zoals op elke bezienswaardige site tierde ook daar het toerisme welig en werden eendagjestoeristen, die er per bus een paar minuten halt hielden, opgewacht door enkele plaatselijke handelaars die souvenirs allerhande te koop aanboden.
Ondertussen ligt ook dit stukje natuurschoon achter me en wanneer rond een uur of negen de eerste zonnestralen doorheen het wolkendek breken, zie ik hoe wondermooi de Uspallatavallei zich ontvouwt in al zijn schoonheid. Rotsen in pasteltinten komen langzaam tot leven en geven de omgeving een schilderachtig karakter. Het ruige landschap wordt hier en daar onderbroken door rivieren die diep in de bedding snijden van grove rotsen. Een adembenemende fietstocht, mede omdat de weg één grote afdaling is, kilometerslang. Als er één land is dat mijn hart heeft gestolen dan is het wel Argentinië met zijn grenzeloze verscheidenheid aan natuurpracht. Mijn voornemen om Mendoza voor valavond te bereiken, lijkt evenwel niet haalbaar. Uiteindelijk beslis ik om in Potrerillos, op een goeie 70 km van Mendoza mijn tentje op te slaan. Wanneer ik rond negen uur de warmte van mijn slaapzak opzoek, hoor ik in de verte tientallen honden blaffen. Ja, ook dat is Argentinië...

Een geschenk uit de hemel...

Argentinië - Puente del Inca, 08-05-2007 - (dagboek 3)


Ik word wakker door een zoveelste vrachtwagen die halt houdt om een offer te brengen aan ‘La Difunta Correa’. Niet te geloven hoe zo´n cultus de tand des tijds overleeft. Na een stevig ontbijt en een tweetal kilometer fietsen, bereik ik de beruchte 29 haarspeldbochten. Wondermooi om te zien hoe de weg zich zigzagend omhoog slingert. Miljard, dat wordt zwoegen... Ik zet me schrap en vang de beklimming aan. Spok! Zeg dat het geen waar is... De ketting hangt te bungelen als een gebroken schommel. Dat belooft alvast een lange beklimming te worden.
Er is iets stevig mis met die ketting, zoveel is duidelijk. Ik besluit ditmaal de grote middelen in te zetten en een volledig nieuwe ketting op te leggen. De moed zakt me evenwel in mijn schoenen, wanneer ik bemerk dat ik reeds zoveel schakels van de nieuwe ketting heb gebruikt dat die nu te kort blijkt te zijn. Dan toch maar een zoveelste schakel vervangen... Nauwelijks negenhonderd meter verder heb ik opnieuw prijs. De situatie wordt zo stilaan uitzichtloos. Hoe zeggen ze dat in het West-Vlaams? In de patatten zitten! Miljard, wat een lijdensweg.
Mijn gedachten dwalen af naar Boezinge, Luc Ostyn, de vélomaker... En plots, als een soort ingeving, veer ik recht en roep uit alle macht: ‘Luc, Luc, verdorie!’ ‘Zeg dat het geen waar is Luc...’ Ik begin als een halve zot te grabbelen in mijn fietstassen en inderdaad als een fonkelende diamant ligt hij er te blinken: de gloednieuwe ketting die Luc nog als een extraatje aan Lies had toegestopt, vlak voor haar komst. Ik kan mijn vreugde nauwelijks bedwingen. Als een indiaan begin ik rond mijn fiets te dansen. Ik zie hoe voorbijrijdende chauffeurs bedenkelijk in mijn richting kijken. Ik zwaai, lach en dans... Het gevoel dat op zo´n moment door je heen gaat, is onbeschrijfelijk. Dat is ook wat uitzichtloze situaties zo enig maken. Hoe diep je ook in zak en as zit, ergens is er toch altijd dat lichtje aan het firmament. Luc, jong, ge verdient een standbeeld! Eentje bovenop de Andes! In gedachten zie ik mij daar al staan, met Luc zij aan zij, twee bronzen beelden op de top van de van de Andes... Wanneer het geschenk uit het verre Boezinge op de tandwielen ligt, wijst de klok reeds in de richting van twaalf uur. In drie uur tijd 2,9 km... Een absoluut traagheidsrecord!
Na de tweede haarspeldbocht zit ik weer stevig in het zadel. Uit pure vreugde zou ik mijn hart willen vasthouden, maar heb evenwel mijn beide handen nodig om zo´n 70 kilo aan gewicht naar boven te hijsen -135 kilo mezelf inbegrepen-. De weg kronkelt zich als een knikkerbaan doorheen het rotsachtig landschap. Hoe hoger ik kom, hoe meer de vrachtwagens eruit zien als miniatuurautootjes.
Hier en daar moet ik doorheen een tunnel. Bij sommige is er een grindweg aangelegd, net ernaast. Af en toe onbreekt die evenwel en zit er niks anders op dan hard op de trappers te staan. Uit alle macht zet ik het dan op een sprinten, fiets de longen uit mijn lijf, zodat ik veilig en wel de overkant bereik. Een weinig aangename spurt. Gelukkig zijn de meeste tunnels behoorlijk kort en zijn ze langs één kant half open.
Het is onwaarschijnlijk hoeveel aanmoedigingen ik krijg terwijl ik me zwoegend naar de top begeef. Voorbijrijdende vrachtwagenchauffeurs steken hun duim in de lucht, weerkaatsen hun koplampen tegen het felle zonlicht of maken met hun mobiele telefoon een snapshot van een eenzame fietser over de Andes. Een bus met toeristen begint spontaan te applaudiseren. Deze kleine attenties geven me net dat stukje energie om de volgende haarspeldbocht op te fietsen. Ook de muziek afkomstig van mijn mp3-speler stimuleert me om de moed niet op te geven. In wezen is het een nogal surrealistisch beeld: een niet aflatende zwerver die de strijd aanbindt met de Andes en luistert naar The Dubliners die broederlijk zingen over “Whiskey in the jar” of Gorki´s magistrale symfonische versie van “Arme Bill”, die langzaam impotent wordt. Wat kan het leven toch zalig zijn...
Rond een uur of drie bereik ik de tunnel ‘Cristo Redentor’. Een verantwoordelijke van de dienst wegenwerken en belast met het wel en wee van de tunnel, brengt me veilig en wel met zijn vrachtwagen naar de overkant. De naam van de tunnel verwijst naar het gelijknamig monument dat het beeld van Christus de Verlosser voorstelt en symbool staat voor de vriendschap tussen Chili en Argentinië. Het monument ligt echter op een goeie 3820 meter hoog. Indien het de stenen afbeelding zou zijn van Luc Ostyn, dan zou ik wel een effort doen, maar om nog eens enkele honderden meters hogerop te fietsen, dat zie ik evenwel niet zitten. Na de tunnel gaat het langzaam bergafwaarts. Eenmaal voorbij de grens met Argentinië, bereik ik rond valavond het onbeduidend dorpje ‘Puente del Inca’. In het oude treinstation is een hostal ondergebracht. De warmte van de houtkachel voelt overheerlijk aan. Rond tien uur val ik uitgeput in slaap. De oversteek over de Andes... Het is me gelukt, ondanks alles...

Ontsnapt aan de dood...

Chili - 10 km voor Portillo, 07-05-2007 - (dagboek 2)


De zon staat reeds hoog aan de hemel wanneer ik de middelgrote stad Los Andes uitfiets. Het is ongemeen zalig zomerweer en voor het eerst sinds lange tijd heb ik terug mijn traditioneel outfit aangetrokken: Teva-sandalen, fiets T-shirt, roodgekleurde bandana en sexy koersbroekske... Vandaag is het zover: de langverwachte fietstocht over de Andes. Ik voel de adrenaline weer stromen. Een goed teken!
Aan de horizon zie ik hoge bergpieken het landschap inpalmen. Door de mist (smog?) lijken het wel vage contouren van gekartelde ijstaarten die er ooit door een vergeten schilder aan het hemelsblauw behang werden toegevoegd. Naarmate de zon meer terrein wint en de Andes zich steeds duidelijker aftekent, begin ik me vragen te stellen over de haalbaarheid van mijn opzet. Vooral de loodzware fiets zal me wellicht parten spelen. Aan de voet van het Andesgebergte waarschuwt een verkeersbord voor de steile hellingsgraad: “Camino de montaña, tome precauciones! Gradiente fuerte prox. 55 kms.” Ook de aanloop ernaartoe mag er best wezen. Al gauw moet ik mijn versnellingen aanwenden en zoek ik tevergeefs naar een nog kleinere ‘vitesse’. Na een goeie 10 km hoor ik andermaal een knikkend geluid ter hoogte van de ketting. Niet alweer... Andermaal blijkt een schakel los te zitten. Ik begrijp er niks meer van. De ketting heeft er nauwelijks 150 km opzitten. Voor de zoveelste maal haal ik mijn gereedschapset boven. Tien minuten later zit ik -gelukkig- opnieuw in het zadel. Ondertussen slingert de weg zich duchtig omhoog. Ondanks alle fietsproblemen geeft het me een overheerlijk gevoel om terug op mijn stalen ros te zitten. Reizen per fiets geeft aan het vakantiegevoel een extra dimensie. Je beleeft de dingen om je heen anders, intenser. Op de fiets zie je meer, soms ook schijnbaar onbenullige zaken; bushokjes bijvoorbeeld. Het klinkt misschien gek, maar sinds enkele maanden heb ik er een zwak voor. Sommige lijken het fotograferen niet waard, maar toch stralen ze iets uit, heb ik het gevoel dat er een verhaal achter zit. Ook nu weer stap ik geregeld van de fiets om ‘het wachten’ te digitaliseren. Misschien bundel ik ze bij mijn thuiskomst tot een tentoonstelling “bushokjes in Zuid- en Midden-Amerika”. Wie weet?
Niet alleen bushokjes trekken mijn aandacht. Aan de rand van de kronkelende weg bemerk ik kapelletjes, nummerplaten die een kruis voorstellen, gedenkstenen, ... Stille getuigen van truckchauffeurs die de oversteek doorheen de Andes niet hebben gehaald. De dodelijke accidenten zouden voornamelijk te wijten zijn aan slechte of niet werkende remmen. Welke ravage dit met zich kan meebrengen, kon ik aan den lijve ondervinden.
Iets over één uur in de namiddag zie ik hoe een zwaargeladen vrachtwagen met hoge snelheid komt aangedenderd. Net voorbij de bocht, op nog geen 40 meter van mij vandaan, zie ik hoe de laadruimte zijn balans verliest, met een oorverdovend geluid tegen de grond smakt, op zijn zij over de weg schuurt en uiteindelijk met een haast dodelijke klap tegen de zijberm aanvliegt. Honderden dozen en plastic flessen liggen er bezaaid over het wegdek. Ik kan nog net een paar aanrollende flessen zonnebloemolie ontwijken. Trillend op mijn fietsbenen, speel ik de film in slow-motion terug. Ondertussen snellen omstaanders ter hulp. Ter hulp? Ik kan mijn ogen niet geloven. Terwijl de chauffeur nog in zijn stuurcabine zit (levend of dood?), zie ik hoe men hele flessen olie opraapt en meeneemt. Van barmhartigheid gesproken... Chilenen houden er in ieder geval een aparte opvatting op na. Je gelooft het nooit, maar ik zie er zelfs eentje met een kruiwagen aandraven. Ondertussen is de ongefortuneerde chauffeur levend en wel uit zijn cabine geraakt en bekijkt radeloos de aangerichte ravage. Vanuit alle hoeken komen nu mensen aangelopen. Grabbelend tussen de dozen nemen ze zoveel flessen olie mee als ze dragen kunnen. Auto´s stoppen en rijden enkele minuten later met een volgeladen koffer weg. Eentje denkt er zelfs honderd jaar en meer te worden, want zelfs de achterbank wordt aangewend om de olie te stockeren. Eén ding is zeker: de reinigingsdienst zal hier niet veel werk meer hebben... Ik verlaat het slagveld en slinger mijn fiets opnieuw de lucht in. Enkele honderden meters verder zie ik opnieuw enkele kruisjes. Op een rots staat in kleurrijke letters “Buen Viaje Compañeros Camioneros’’. Het scheelde geen haar of ze hadden er een verdwaalde zwerver in urne kunnen bij plaatsen...
De kilometers kruipen voorbij en de zwaarste hellingen moeten nog beginnen. Rond half vijf zie ik aan de kant van de weg een camping liggen. Onwaarschijnlijk, zo te midden van het absolute niets. Het is nog vroeg, maar toch beslis ik om het vandaag voor bekeken te houden. Aan de ingang zie ik een klein heiligdom ter ere van Correa. Ik heb ze al vaker gezien in Chili en Argentinië, mini-bevaardsoorden die worden geflankeerd door vaak honderden flessen water. Met deze vorm van offering hopen mensen een betere toekomst te bezegelen, maar evenzo is het een verwijzing naar een legende die terug gaat tot in 1840. In dat jaar trok Correa met haar baby haar geliefde, die op weg was om oorlog te voeren, achterna. Door dorst, honger en uitputting stierf Correa enkele dagen na haar vertrek. Toen ze enkele dagen later werd gevonden, bleek de baby nog te leven. Al die tijd had de baby gedronken van de overleden (difunta) moeder. Een nieuwe cultus was geboren.
De camping ligt er evenwel verlaten bij. Afgaande op het aantal dierlijke uitwerpselen die er liggen, wordt de camping wellicht meer gefrequenteerd door koeien en paarden dan door toeristen. Wanneer ik rond zeven uur mijn avondmaal (pasta, inderdaad) klaarmaak, is de temperatuur gezakt tot twee graden. Het belooft een koude nacht te worden. Liggend in mijn tent hoor ik af en toe een vrachtwagen stoppen. Wanneer ik even later vanachter het tentzeil naar buiten gluur, zie ik een zee van licht. Brandende kaarsen voor een behouden thuiskomst. Ik had geen betere overnachtingsplaats kunnen vinden...

Een baaldag...

Chili - Los Andes, 06-05-2007 - (dagboek 1)


Ik zit eindelijk terug op de fiets. Het is zeven uur, zondagmorgen. Santiago ontwaakt moeizaam en vertoont allerminst tekenen van een grootstad. Maar best ook, want om de hoofdstad van Chili te verlaten, moet ik kilometerslang op de buitenring fietsen. De pechstrook mag dan wel een ideaal alternatief fietspad zijn, de vele afritten geven me evenwel een onveilig gevoel. Enkele wegenwerkers zijn dezelfde mening toegedaan, want even later word ik vriendelijk, maar toch met enige aandrang, aangemaand om de eerstvolgende afslag te nemen. Ik heb geluk, want precies deze heb ik nodig: ‘Los Andes – Mendoza’.
Tot mijn grote verbazing blijkt het een autosnelweg te zijn. Een groot verkeersbord waarschuwt fietsers dat ze er niet welkom zijn. Op de Panamericana na, de Ruta 5 die eveneens een autosnelweg is, loopt er geen andere weg vanuit Santiago naar Mendoza. Veel keuze is er dus niet. De autosnelweg blijkt op de koop toe een tolweg, want tien kilometer verderop moet ik langs een slagboom passeren. Miljard, hoe kom ik hier in godsnaam ongemerkt voorbij? Ik besluit me offensief op te stellen en te wachten tot minstens drie van de vier loketbedienden iets om handen hebben. Als een speer schiet ik enkele minuten later voorbij en zonder omzien spurt ik langsheen één van de slagbomen. Een maat voor niets, want nauwelijks één kilometer verder word ik op de hielen gezeten door de carabineros. Zoals verwacht word ik op de vingers getikt en vegen ze mijn redevoering van tafel met woorden als ‘prohobido’, ‘peligroso’, ‘por su seguridad’, ... Op mijn vraag hoe ik dan wel in Mendoza kan geraken, weten ze echter geen raad. Verder aandringen heeft duidelijk geen zin en onder politiebegeleiding neem ik de eerstvolgende afrit. Ik maak van de nood een deugd en zoek troost bij een bakje koffie in een taverne even verderop. Ook de dienstdoende kelner heeft er geen idee van hoe ik via een alternatieve route Mendoza kan bereiken. Hij raadt me aan om terug de autosnelweg op te fietsen. Op zondag schijnt de controle immers minimaal te zijn. Ik vervolg mijn weg op hoop van zegen. Blijkbaar hanteren de carabineros twee maten en gewichten, want op mijn weg kruis ik tientallen wielertoeristen.
Na een goeie 70 km voel ik dat er iets grondig mis is met de ketting. Eén van de schakels blijkt verwrongen te zijn waardoor ik steeds doorheen de ketting schiet. Wellicht was de schakel onvoldoende gesloten toen de kettingpons het twee dagen geleden begaf. Er zit niks anders op dan de slechte schakel te vervangen. Een tijdrovende bezigheid, te meer omdat alle bagage er eerst moet afgehaald worden. Kettingen herstellen is duidelijk mijn sterkste kant niet, want ook nu breekt een stuk van de nieuwe kettingpons eraf. Uiteindelijk kost het me dik een uur om het euvel te herstellen. Goed en wel vertrokken, hoor ik opnieuw een abnormaal geluid. Deze keer zit er een schakel los. Met een kleine tang slaag ik erin de schakel terug op zijn plaats te krijgen. Althans, tijdelijk... Haast om de twee kilometer herhaalt zich hetzelfde scenario. Een goeie 15 km voor mijn eindbestemming, Los Andes, begeeft de ketting het helemaal. Met de moed der wanhoop haal ik nogmaals de hele handel af en opnieuw vervang ik de slechte schakel. Ook dit scenario herhaalt zich, tot twee maal toe.
Na precies 102 km en na ontelbaar veel gevloek, bereik ik rond zeven uur ´s avonds Los Andes. Mijn eerste dag op weg naar de Andes is niet bepaald vlekkeloos verlopen...