Een muzikaal afscheid...

Panama - Bastimentos, 28-08-2008 - (dagboek 27)


In de verte hoor ik een motorbootje naderen en probeer in te schatten hoe ver die verwijderd is. Ik tel één, twee, drie,... net zolang tot het aanrollende, golvende water tegen de houten steunpilaren van onze hostel klotst. Als kind zou ik wellicht uit schrik voor een te hoge golfslag diep hebben weggezakt onder de flinterdunne lakens. Nu vind ik het een zalige gewaarwording en lach ik in mezelf voor dit ochtendlijk ontwakend geluid.

Onze keuze om het eiland Bastimentos op te zoeken en er een paar dagen te verblijven, is een schot in de roos. Toeristen vallen er haast niet te bespeuren, het dorp is een doezelende gemeenschap groot en de nabijgelegen parelwitte stranden vormen de gedroomde filmset voor een Robinson Crusoe-reeks met een hoog gehalte aan avontuur.

Na ons bezoek gisteren aan de ´Wizzard Beach´, staat vandaag ´Red Frog Beach´ op het programma. Het strand dankt zijn naam aan de aanwezigheid van de felrood gekleurde pijlgifkikkers. Ze leven voornamelijk in het nabijgelegen tropische woud en verschuilen zich op vochtige plaatsen. Kikkers zijn niet bepaald zonnekloppers en dus gaan we bij aankomst maar meteen op zoek tussen de lommer aan de rand van het strand. We hebben immens veel geluk, want na tien minuten vinden we er zelfs twee, gezeten op een omgevallen boomschors. Ware het niet van hun opvallende huidskleur, je loopt ze zo voorbij. Ik schat hun grootte op nauwelijks drie centimeter. Zelfs mijn fotolens heeft moeite om erop scherp te stellen. Dit is macrofotografie ten voeten uit. Onze opdringerige, fotografische aanwezigheid voelt blijkbaar wat onwennig aan, want met een acrobatische zwier wipt één van hen op de bovenarm van de Bask Iosu. Pijlgifkikkers zijn niet geheel ongevaarlijk. Als ze worden aangeraakt of opgepakt bestaat het risico van vergiftiging. Daarvoor moet het huidsecreet wel in een wondje of op een slijmvlies terechtkomen. Naar het schijnt zou er aan de Colombiaanse kust een exemplaar rondlopen dat bij de minste aanraking dodelijke gevolgen heeft, ook zonder wondjes. Hier zal het wel geen zo´n vaart lopen, want de kikker heeft inmiddels andere oorden opgezocht.

Op onze terugweg ontmoeten we evenwel een minder liefelijk dier, een tweemeter lange slang. Sinds Adam en Eva er door een dergelijk slang werden ingeluisd, voel ik bitter weinig sympathie voor deze reptielen. Het dier kronkelt zich met een nooit geziene elegantie langs de takken en twijgjes van een jong boompje om enkele ogenblikken later opnieuw - opgeschrikt door onze aanwezigheid- zijn biezen te pakken. Minder schuchter zijn de rondborstige zonnebaadsters op het strand. Ook al hebben de topless dames een afgebakend terrein om hun sinaasappelvormige rondingen bloot te stellen aan de gevaarlijke ultravioletstralen, toch geven enkele onder hen de voorkeur om zonder blikken of blozen rond te paraderen. ´Natuurlijke´ vrouwenemancipatie noemen ze dat zeker?

Bij valavond zoeken we terug wat afkoeling op in onze hostal, lurkend aan flesjes ijsgekoeld bier en schommelend in wiegende hangmatten. Wanneer de nacht zijn inktzwarte vacht openspreidt en het firmament een plafond vormt van twinkelende sterren, laat de eigenaar van de hostal zijn gitaarklanken over het water golven. Zijn rauwe stem beklijft en de snaarklanken rillen over me heen als in het minnespel der geliefden. Het is calypso in zijn puurste vorm. "Ik ben geboren met de calypso. Als zuigeling namen mijn ouders me reeds mee op feestjes waar de grootmeester van de calypso het mooie weer speelde, Walter Gavitt Ferguson." De man -die me doet denken aan een neger uit Louisiana- vertelt ons hoe hij gepassioneerd raakte door de muziek van Gavitt, een Costaricaan die leeft aan de Caraïbische kust. "In de jaren zestig speelde hij vaak op ´Bocas del Toro´ tijdens feestjes en party´s. Ik heb altijd een zwak gehad voor die zuiderse muziek en gaandeweg heb ik calypso leren spelen." De klanken vertolken de frisheid van parelwitte stranden en de broeierigheid van een bruisende jungle. Het is muziek die warm rond de heupen zit en me een ´lounge´-gevoel heeft. De calypso doet me mijmeren naar de Costa Ricaanse kust, naar nieuwe avonturen en interessante ontmoetingen. Panama dommelt langzaam in, verpakt in een mengeling van heimwee en nostalgie. De laatste snaarklanken sterven weg. Costa Rica lonkt...

Een lui zomers gevoel...

Panama - Bastimentos, 27-08-2008 - (dagboek 26)


Wat niemand voor mogelijk zou houden, werd gisteren hier waarheid. Toen ik Julien opzocht in zijn hostal kwam nog een derde wereldfietser opdagen, de Bask, Iosu. Na acht maanden op de fiets (vertrokken vanuit Mexico) rondt hij stilaan zijn zwerftocht af. Kaarten werden uitgespreid en anekdotes bovengehaald. Het werd een gezellig onderonsje tussen gelijkgestemde globetrotters.

Het vakantiegevoel heeft zowat eenieder -ook Iosu heeft ons vergezeld- in zijn greep, want veel later dan voorzien vertrekken we richting Bastimentos, een klein vissersdorpje op een boogscheut van het hoofdeiland. Bij aankomst valt ons oog op een zestal hangmatten onder een palmbladeren dak. We zijn meteen verkocht. De hostal ´Sea View´ wordt onze uitvalsbasis voor de komende dagen.

We schommelen ons doorheen de tijd en vergeten de vele hellingen en eindeloze afstanden die we nog voor de boeg hebben. Het luie zomergevoel nestelt zich tussen de hangmatten, het kabbelende water en de zuiderse klanken afkomstig uit de dobberende bar even verderop. Daar waar Bocas del Toro mij een verstikkend gevoel gaf, is Bastimentos een ware verademing. Ook het dorpje straalt een en al rust uit. Wegen zijn er niet, auto´s evenmin. De houten huizen, waarvan sommige paalwoningen zijn, worden omzoomd door een geasfalteerd wandelpad. Kinderen scheren zijdelings langs me heen met plastieken kratten die in hun leefwereld glimmende racebakken zijn. Ze hollen om ter hardst alsof het telkens weer de wedstrijd van hun leven is. Gouden medailles vallen hier niet te verdienen, evenmin onsterfelijke roem, maar dat kan de pret niet bederven. Integendeel! Ze spurten onophoudelijk heen en weer. Gooien hun versnellingspook in hoogste stand en vervolgen hun race, allen hopend om de eindstreep als eerste te bereiken. Het tafereel is door zijn pure eenvoud vertederend mooi. Een zoveelste onuitwisbare momentopname op mijn zwerversroute.

Bastimentos is tevens de uitvalsbasis van diverse zonovergoten idyllische stranden en in het verlengde van ons vakantiegevoel besluiten we om in de late middag de dichtstbijgelegen Wizzard beach op te zoeken. Een wandelpad doorheen een tropisch regenwoud brengt ons een halfuur later tot aan de kustlijn. Op een zonnebadend koppel na is het strand volledig verlaten. Onvoorstelbaar! We rollen onze strandlakens uit en zoeken beschutting rond enkele neerwiegende palmbomen. Het is meer dan duidelijk, we zijn hier morgen nog niet weg...

Een tweede kans...

Panama - Bocas del Toro, 26-08-2008 - (dagboek 25)


Ik geloof nu eenmaal in de herkansing en dus wil ik mijn visie omtrent Bocas del Toro niet laten beïnvloeden door een eenzijdige, vluchtige beoordeling. Na een fietstocht gisteren naar de andere kant van het eiland, Bocas del Targo, waar ik voor een stukje het rustiger vakantiegevoel heb ontdekt, wil ik deze keer mijn geluk beproeven in enkele omliggende eilandjes.

De georganiseerde tour maakt een eerste tussenstop in de ´Dolphin Bay´, een baai waar dolfijnen het mooie weer maken. Tientallen taxibootjes liggen er reeds uitgezwermd. Met digitale groothoeklenzen speuren de toeristen het wateroppervlak af. Van zodra er een dolfijn wordt opgemerkt, vult het luchtruim zich met kreetjes van opwinding en extase. De verderaf gelegen bootsmannen sturen daarop hun passagiers richting het golvend spektakel, net zolang tot het schouwspel zich verplaatst naar een andere locatie.

Onze volgende halte is ´Cayos Zapatillas´. Dit beschermd natuurgebied bestaat uit twee idyllische koraalrijke eilandjes die voldoen aan het cliché-beeld uit elke toeristencatalogus: turkooisblauw water, parelwitte stranden, laag neerhangende palmbomen, aanrollende kokosnoten en een overvloed aan zon. Om het geheel compleet te maken, vormt de kern van het eiland een regenwoud. Wat kan een mens nog meer wensen?

Niet alleen aan land is de natuur een streling voor het oog, ook onder water tart de fascinerende zeewereld haast alle verbeelding. Eindeloos lang blader ik met kinderoogjes in een bewegend en fascinerend onderzees biologieboek. Al snorkelend speur ik als een gestroomlijnde vis de zeebodem af naar exotisch gekleurde soortgenoten. Een school engelvissen merkt mijn aanwezigheid op en kiest het hazenpad. Volgens een oeroude legende zou de notoire Engelse piraat Henry Morgan hier een schat hebben begraven, maar ondanks de helderheid van het water maak ik met mijn schoon gespuugde duikersbril geen schijn van kans. Het vinden van zeeroverschatkisten is ook hier een loterij.

Na de lunch sluiten we de excursie af met nog een snorkelronde ter hoogte van de koraalrif van ´Crawl Cay´. Ook hier is de ondergrondse onderwereld onuitputtelijk. Ik ben benieuwd wat ik in de diepte van Honduras zal ontdekken eenmaal ik er duiklessen zal nemen. Wanneer ik terug voet aan wal zet, rijdt een zwaarbeladen fietser mijn richting uit. De jongeman heet Julien en is afkomstig uit Parijs. Hij startte vier maanden geleden zijn trip in Mexico en hoopt binnen een jaar Buenos Aires in Argentinië te bereiken. We spreken af om samen nog het eiland Bastimentos en Red Frog Beach aan te doen. Mijn intrede in Costa Rica zal dus wellicht voor vrijdag zijn...

Bocas del Toro: het Ibiza van Panama...

Panama - Bocas del Toro, 24-08-2008 - (dagboek 24)


Ik ben aangespoeld op Bocas del Toro, een eilandenenclave aan de Caribische kust van Panama, vlak bij de grens met Costa Rica. Afgaande op de toeristische brochures moet dit -op Panama city na- zowat de grootste toeristische trekpleister van het land zijn. Azuurblauw water en parelwitte stranden zijn er de voornaamste troefkaarten. De voorbije jaren hebben niet alleen toeristen dit stukje aards paradijs weten te vinden, ook projectontwikkelaars zijn hier als aasgieren neergestreken.

Mijn eerste indrukken over Bocas del Toro zijn dan ook eerder teleurstellend. Het eiland heeft iets weg van een recreatieoord waar het voorbije decennium tientallen hostels, prijzige hotels en smaakloos ingerichte eettentjes als paddenstoelen uit de grond zijn geschoten. Het geheel roept bij mij niet meteen het verwachte aards paradijs op, maar desalniettemin valt het niet te ontkennen dat er een zwoele Caribische vakantiesfeer hangt. De centrale hoofdstraat blijkt hier het epicentrum van de Afro-Caribische gemeenschap. Met hun rastahaar en dreadlocks vormen ze een opvallende verschijning.

Hun aanwezigheid gaat terug naar een belangrijke episode uit de Panamese geschiedenis. Aan de grens met Costa Rica werden in het begin van de 20ste eeuw hectarengrootte bananenplantages aangelegd. Het bracht een grote stroom arbeiders met zich mee uit Jamaica en Barbados. In de jaren zeventig veroorzaakte de monilia-schimmel evenwel zoveel schade dat het niet alleen het einde inluidde van de florerende bananenhandel, maar tevens een zware domper zette op de werkgelegenheid. De meeste Afro-Caribiërs bleven er evenwel wonen. Hun afkomst, tradities en taal hebben ze tot op heden in ere gehouden, net als hun voorliefde voor muziek.

Wanneer ik om middernacht nog wat rondstruin, lokken heupwiegende reggaeklanken me de ´Barco-Hundido´-bar binnen. De feesttent is een aaneenschakeling van houten, drijvende platforms die samen een gigantische dansbühne vormen. De gedempte verlichting hult de slome, dansende mensenmassa in een zweem van marihuana die zich vermengt met het zweet van dampende lichamen. Helwitte spots kringen cirkels in het onderliggende visbassin. Het concept heeft wel iets: een dobberende danscarousel waar slapeloze vissen onder je doorzwemmen. De sfeer is er zwoel, de drank goedkoop en de nacht nog jong. Ik schat de gemiddelde leeftijd van de fuifbeesten op 23.

Opmerkelijk is de grote aanwezigheid van Bob Marley-types. Met hun gespierde, donkere lichamen en groengeelrood gehaakte pannenkoekmutsen kronkelen ze als slangen over de danspiste. Het machogedrag valt duidelijk in smaak bij het jonge fuivende schoon. Backpackende meiden die even de rugzak aan de kant hebben gezet en hierheen zijn samengetroept, smachtend naar exotische temptatie. Wit en zwart verstrengelen in elkaar tot één geheel, tot een volmaakte cirkel. Elke avond openen de dreadlockharigen hier de jacht, op zoek naar loslopend wild. Hun geliefkoosde hobby is gringa´s versieren. Even verderop liggen enkele samengeklitte lichamen te bungelen in half uitgerafelde hangmatten. Seks, drugs en reggae vormen hier steevast de ingrediënten van wulpse nachten en dit 365 dagen lang. Ik begin stilaan te begrijpen waarom Bocas del Toro het label aards paradijs heeft binnengerijfd...

Mijn aards paradijs...

Panama - Chiriqui Grande, 22-08-2008 - (dagboek 23)


Aardse paradijzen... eenieder droomt er wel eens van, hoe verscheiden ook de interpretatie en de invulling ervan. Vroeger associeerde ik dit steevast met een locatie, een -al dan niet denkbeeldige- plaats die met de jaren gestalte kreeg door beelden en impressies uit verre, zonnige oorden. Vraag aan elke sterveling wat er niet mag ontbreken op zijn droomplek en je mag er prat op gaan dat de woorden ´zon´, ´strand´ en ´zee´ ongetwijfeld tot de top vijf-antwoorden behoren.

Al zwervend doorheen tijd en ruimte heb ik ontdekt dat mijn paradijs niet zo streek- of plaatsgebonden meer is. De leuke en veelal idyllische plekjes die op mijn reisroute lagen, waren steeds beïnvloed door het nu-moment, door het ver-van-huis-gevoel. Gaandeweg ben ik tot de vaststelling gekomen dat mijn paradijs deel uitmaakt van de wijze waarop ik me de voorbije twee jaar heb voortbewogen. Mijn dromomanie of zwerverssyndroom heeft me doen beseffen dat het aards paradijs onder mijn wielen ligt of beter gezegd dat de fiets me er elke dag opnieuw naartoe rijdt. Mijn droomwereld verschuilt zich achter verblindend mooie landschappen die elke dag anders zijn, weerspiegelt zich in toevallige ontmoetingen die me vaak raken tot in mijn zwerversziel en vertaalt zich in ´historias minimas´ die de grenzen aftasten binnen m´n eigen leefwereld. Het lijkt wel een gedroomde Drievuldigheid...

Of de passanten die mijn weg kruisen dezelfde gevoelens delen, is eerder twijfelachtig. De perceptie vanwaaruit ik de wereld bekijk, is nu eenmaal anders ingekleurd. De twaalfjarige jongen die langs de kant van de weg ´tomate de arbol´ moet verkopen, zodat zijn ouders de eindjes aan elkaar kunnen knopen, zal ongetwijfeld een totaal ander soort aards paradijs voor ogen hebben dan de schoolgaande jeugd uit zijn dorp. Ook de moeder met zes kinderen die me tegen valavond eerder aarzelend toestemming verleent om mijn tentje onder haar openstaande schuur te zetten, zal ooit wel hebben gehoopt dat het leven iets gemakkelijker ging verlopen. Wellicht daarom vroeg ze me later op de avond of ik niet wat medicijnen kon missen en was ze zichtbaar gelukkig toen ik bij het afscheid enkele dollars toestopte voor de aangeboden overnachtingplaats. Ook dit maakt deel uit van mijn stukje aards paradijs...

Lost and Found...

Panama - Valle de la Mina, 21-08-2008 - (dagboek 22)


Andrew is net bezig koffie aan het zetten voor de ontwakende hotelgasten wanneer ik de laatste trede bereik van zijn ´Lost and Found Paradise´. Enkele dagen terug had ik een publiciteitsfolder zien hangen in een andere hostal en na de ontdekking van het aards paradijs van het Amerikaanse echtpaar Larry en Becky (zie dagboek 17) was ik wel eens benieuwd of het nog aardser kon. Qua ligging kunnen beide guesthouses ongetwijfeld concurreren. Vanuit een houten platform kijk ik uit op een verbluffend panoramisch zicht waarin een kronkelende, gestippelde weg het enige teken is van menselijk ingrijpen. Het overwegend groene kleuroppervlak is een ingelijste schilderij waarbij de artiest de aandacht heeft omlijnd door er een vluchtroute aan toe te voegen. Een detail in het absolute niets.

Minder detaillistisch is het concept van de aanpalende hostal. Met gevoel voor ruimte en integratie van de natuurlijke omgeving straalt de eco-lodge een loftachtige indruk uit. De leefruimte is opmerkelijk gescheiden van de slaap- en sanitaire voorzieningen. Geel voert de boventoon aan en steekt geenszins af tegen de junglekleuren die je 360 graden in het rond bespeurt. Voor de oorsprong van de junglelodge graaft de dertigjarige Canadees Andrew terug tot in het jaar 1976. Een tweetal hectaren waren in privé-handen voor het hele gebied tot nationaal park werd omgedoopt. Vier jaar geleden kwam Andrew die bijzondere plek op het spoor. Het was het begin van een langzame procedure van paperassen en onderhandelingen. Eenmaal de verkoopsakte op zak en het licht inzake de bouw van een eco-lodge op groen stond, begon pas het echte werk. Andrew bouwde aan zijn stukje paradijs als aan de Ark van Noah. Elke baksteen, elke plank, elke spijker,... Alles moest honderden meters naar boven gesjouwd worden. De piramide van Andrew kreeg stilaan vaste vorm en na tien maanden van hard labeur was ´The Lost and Found Paradise´ een feit.

Een begrip binnen de reissector was andere koek. De eerste zes maanden kwam er nagenoeg geen kat over de vloer. En ik heb de indruk dat er nog een lange weg af te leggen is, want ook deze morgen tel ik slechts een drietal hotelgasten. Het opzet is nochtans best lovenswaardig te noemen. Een verblijf in een eco-lodge is in hoofdzaak enkel weggelegd voor de meer bemiddelde reizigers. In ´the Lost and Found Paradise´ kost een overnachting nauwelijks meer dan 8 euro en de slagzin uit de publiciteitsfolder (Wildlife is knocking on your bedroom door, crawling across your roof, and visiting the various wildlife viewing platforms every day and night.) mag je echt wel letterlijk nemen. Tijdens het boeiende gesprek word ik haast opgegeten door rondgonzende insecten. Ik vrees ondanks het unieke concept en het feit dat de hostal op de gringo-route ligt naar Bocas del Toro, dat de snelheid waarmee de backpackers tegenwoordig rondreizen en landen afhaspelen niet in zijn voordeel speelt. Ik hoop voor Andrew, die inmiddels getrouwd is met een Panamese, dat ik het niet bij het rechte eind heb...

Een onbereikbaar paradijs...

Panama - Valle de la Mina, 20-08-2008 - (dagboek 21)


De beklimming van de vulkaan Barú heeft het uiterste van mijn krachten geëist¸ want gisteren sliep ik zowat het klokje rond. Ook deze morgen voelen de benen nog wat stram aan wanneer ik een laatste verkenningstocht maak alvorens Boquete definitief te verlaten.

Het bergdorpje ligt ingebed tussen een oase van groene heuvels. De relatief hoge ligging (1000 meter) leent zich uitstekend voor het verbouwen van koffie en allerlei andere gewassen. De glooiende akkers vormen lappendekens van een welvaart die zich weerspiegelt in riante finca´s. De voorbije decennia hebben heel wat Amerikanen deze plek met z´n gunstig klimaat ontdekt. Ze zijn er massaal neergestreken om er een nieuw bestaan op te bouwen. Dat Boquete niet voor iedereen het beloofde land is¸ word ik gewaar wanneer mijn oog valt op rieten kabouterhuisjes¸ verscholen tussen het groen. Hier leven twee indianenvolkeren¸ de Ngobe en de Buglé die samen zowat de grootste groep indigenas vormen in Panama. Hun leefgebied¸ de Comarca Ngobe-Buglé¸ strekt zich uit van de centrale cordillera tot in het noorden en de Caribische kust. Ze hebben zich grotendeels aangepast aan de moderne wereld en verdienen in hoofdzaak de kost als loonarbeiders. Alleen de klederdracht van de vrouwen verwijst nog naar hun afkomst. Allen zijn ze getooid in felgekleurde lange gewaden uit één stuk. Zij profiteren ongetwijfeld het minst van de toeristische ´boom´ die hier de voorbije jaren een explosieve groei heeft gekend. Buitenlandse investeerders in onroerend goed hebben van Boquete een tropisch recreatieoord gemaakt met luxueuze villa´s en peperdure hotels. Ooit moet Boquete er idyllischer hebben uitgezien.

Mijn volgende stopplaats is Valle de la Mina¸ een bergdorpje op een goeie 90 km hier vandaan en in hoogte zowat het dubbele van Boquete. Het fietsen vlot allesbehalve. Niet alleen zijn de beenspieren onvoldoende uitgerust na de loodzware vulkaantocht¸ ook de niet te onderschatten bergcols en het aanhoudende slechte weer spelen in mijn nadeel. Tot drie uur lang moet ik schuilen voor hevige stortregens. Het stuurt mijn tijdschema zo in de war dat ik lijdzaam moet toezien hoe de duisternis langzaam maar zeker om me heen grijpt¸ nog voor ik mijn eindbestemming bereik. Doordat het hier volop regenseizoen is¸ probeer ik zoveel als mogelijk een alternatieve slaapplaats uit te zoeken voor ik mijn dagtocht aanvang. Een kletsnatte tent opbergen is niet meteen een goeie start van de dag en daarenboven sluit ik liever geen weddenschap af met dit soort van natuurgeweld. Dit is een wedstrijd die toch niemand winnen kan. In Valle de la Mina heb ik ontdekt dat er een ´Lost and Found Paradise´ bestaat¸ een soort eco-hostal te midden van het tropisch regenwoud. Het lijkt me best wel een leuk idee om het eens op te zoeken en dus fiets ik tegen mijn principes in de laatste kilometers in het donker.

Even buiten het minidorpje is het einde eindelijk in zicht. Op een geelkleurig bord staat de niet mis te verstane boodschap: ´You have found the lost paradise!´ Al heel snel wordt het me duidelijk dat de toegang ernaartoe allesbehalve een paradijs is voor zwaar beladen fietsers. Het kronkelend pad wurmt zich honderden meters de hoogte in en is nauwelijks breder dan twee voetzolen. Na twee minuten staak ik evenwel mijn ijdele poging om de lodge te bereiken en keer terug naar het centrum van het dorpje. Bij het binnenfietsen had ik mijn oog laten vallen op een verlicht tolkantoortje. Wanneer ik enkele minuten later aanklop¸ kan ik onder het golfplaten dak probleemloos mijn tentje neerpoten. Niet echt het paradijs dat ik in gedachten had¸ maar ook een zwerver moet soms het leven nemen zoals het komt...

Een regenboog aan gevoelens...

Panama - Boquete, 18-08-2008 - (dagboek 20)


De route van de stad David -de derde grootste stad van Panama- naar Boquete voert me langs een rustige secundaire weg. Ondanks de stijgende hellingsgraad hou ik er een aardig ritme op na, zodat ik reeds voor de middag het bergdorpje bereik. Boquete wordt omgeven door groenbeboste hoge heuveltoppen, maar door zijn huizen in cottagestijl heb je geenszins het gevoel dat je te midden van een nevelwoud zit.

Bij aankomst in één van de talrijke hostals, smeed ik meteen plannen om de grootste attractie van Boquete aan te doen: de vulkaan Barú. In een mum van tijd vind ik vijf jonge gasten (allen afkomstig uit Malta) die me willen vergezellen naar de top van de uitgedoofde krater, op een hoogte van 3.400 meter. We willen van de beklimming een unieke ervaring maken en dus besluiten we om er te gaan kamperen, zodat we de zonsopgang in al zijn glorie kunnen waarnemen. Het vertrekuur (5 uur in de vooravond) wordt vastgelegd en de nodige taken worden verdeeld.

Rond een uur of twee in de namiddag komen potloodgrijze wolken opzetten, mistsluiers omkransen de omringende heuvels en de eerste regendruppels walsen neer. Dat voorspelt weinig goeds. Een uur voor het geplande vertrek gutst het water met bakken uit de hemel. De kampeerplannen worden opgeborgen en de Maltezen besluiten in afwachting een nabijgelegen warmwaterbron op te zoeken. Ook het vertrekuur is inmiddels opgeschoven, naar tien uur ´s avonds. In afwachting lummel ik doorheen de tijd. Ondertussen is ons groepje van zes uitgebreid met de Duitse studente Claudia. Tegen valavond is het wolkendek eindelijk terug opgeklaard en de heuveltoppen tekenen zich tegen het feller wordende maanlicht af als houtskoolachtige silhouetten .

Naarmate het vertrekuur nadert, groeien mijn twijfels. Niet zozeer over de slaagkansen van onze onderneming, dan wel over de intenties van de Maltezen. Mijn vermoeden wordt bevestigd. Na hun uitgelopen en lome sop in de warme badkuip, voelt geen van hen er nog veel voor om de zware beklimming aan te gaan. We besluiten dan maar met z´n tweeën te vertrekken. De klok tikt inmiddels over half twaalf. Willen we de top van de vulkaan voor zonsondergang bereiken dan moeten we echt wel voortmaken. Tot overmaat van ramp valt er op het dorpsplein nergens nog een taxi te bespeuren die ons naar de voet van de vulkaan kan brengen. Teleurgesteld keren we terug naar de hostal. Het soapverhaal wordt helemaal te gek wanneer blijkt dat de hostal volboekt is. Geen beklimming en geen bed voor de nacht. Uiteindelijk overhalen we de uitbater van de hospedaje om ons alsnog een lift te geven. Hij stelt er wel een schandalig hoge prijs tegenover. Toerisme is in Panama meer dan ooit big business.

Het is reeds voorbij middernacht wanneer we worden afgezet aan de ingang van het nationaal park. De tocht kan eindelijk beginnen. We zetten er onmiddellijk de nodige vaart achter en zwoegen ons de hoogte in. De nacht kleurt inktzwart en onze passen worden enkel verlicht door het flauwe lichtschijnsel van de halfgebleekte maan en onze ledlamp. Het wandelpad -of wat daar moet voor doorgaan- is een weg vol losliggende keien en kringende waterplassen. Op een bepaald moment komen we uit op een aangeplant aardappelveld. De modderige groeven lopen in elkaar over als een niet te ontwarren schaakspel van de nacht. We lopen kriskras doorheen het labyrint, maar vinden nergens nog enig aanknopingspunt dat op een wandelpad wijst. We zijn het spoor totaal bijster. De kans dat we de top zullen halen voor zonsopgang wordt met de minuut onwaarschijnlijker. Uiteindelijk beslissen we om terug te keren. Ergens hebben we een verkeerde afslag genomen, zoveel is duidelijk. Een halve kilometer terug ontdekken we de juiste aansluiting en vervolgen onze weg. Claudia heeft alsmaar meer moeite om mijn opgedreven ritme te volgen en hinkt steeds verder achterop. Uiteindelijk beslis ik om alle registers open te trekken en niet langer om te zien. Ondanks de sluimerende vermoeidheid spurt ik als een speer de hoogte in. Badend in het zweet bereik ik net op tijd de allerhoogste top.

Totaal uitgeteld plof ik me neer op de afgevlakte rotsblok dat enkel gekenmerkt wordt door een vlaggeloze stok. Enkele tellen later vermengt het zwart van de nacht zich met een onuitputtelijk schilderspalet. Schaapachtige wolkjes zweven traag op het ritme van de overvloeiende hemel die nu eens rozerood kleurt, dan weer purpergeel. De bonte mengeling aan kleurtinten is een lust voor het oog. Inwendig besef ik dat er opnieuw een puzzelstuk wordt toegevoegd aan het kunstwerk van onuitwisbare reisindrukken. Ik tuur over de horizon heen en voel hoe tranen van diepmenselijk geluk een regenboog aan gevoelens projecteren. Ontelbare momentopnames van mijn lange zwerftocht golven op als stilstaande filmbeelden, worden transparant door een stuwmeer aan tranen en vervagen tot een wazige vlek van uitgelopen verfspatten. Ik word uit mijn mijmeren gehaald door naderende voetstappen. Claudia heeft inmiddels ook de top bereikt en kan nog net de apotheose meemaken. Aan de einder bolt een zongekleurde gloed op tot een oranjerode vuurbol. De schoonheid van moeder natuur verdrijft de slapeloze nacht en doet ons heel even vergeten dat we nog een lange terugweg hebben af te leggen. Gelukkig maar...

Van de regen in de drop?

Panama - David, 17-08-2008 - (dagboek 19)


Ik heb geen oog dicht gedaan. De ganse nacht rolden de decibels liederlijk doorheen de spleten en kieren van de hostal Bambú, in hartje David. De hospedaje ligt nochtans in een rustige buitenwijk en niets doet vermoeden dat je er een slapeloze nacht tegemoet gaat. Maar dat is buiten de waard gerekend van de Panamezen. Vrijdag- en zaterdagnacht staat voor hen synoniem voor veel alcohol en loeiharde muziek. In de tegenoverliggende bar 'Maricer' is dat niet anders. Alsof de Caraïbisch getinte ritmes al niet genoeg het luchtruim vullen, draaien sommige stamgasten de volumeknop van hun autoradio nog enkele geluidsmaten hoger. Het resulteert in een kakafonisch openluchtconcert waar zelfs oordopjes en twee aangedrukte hoofdkussens tegen je trommelvliezen niet tegen op kunnen.

De hostal straalt anders best wel gezelligheid uit, niet in het minst door zijn sympathieke uitbater, Greg. De jonge kerel leefde tot voor kort in het hectische New York City, maar ruilde de kosmopolitische grootstad in voor een rustiger bestaan, verweg van prestatiedrang en carrièreplanning. Greg windt er geen doekjes om. "If you don´t earn 7.000 to 8.000 dollar a month, New York City kills you." Greg was tien jaar lang muzikant in een band. Toen de platenfirma het platencontract niet meer verlengde, ging hij een tijdje aan de slag als publicteitsverkoper voor enkele kranten. Greg was er duidelijk niet de geknipte man voor. Hij komt me wat timide over en zijn kleine gestalte versterkt alleen maar dat gevoel. "I started dreaming about a guesthouse in Central America. Panama is still rather cheap and the goverment welcomes you with open arms. You can start any kind of business here, they don´t charge you one penny of taxes." Greg loopt over van ideeën en dromen. In de nog aan te leggen tuin heeft hij een grote badkuip uitgegraven, een zwembad in spe voor de gasten. Onder een hutje van palmbladeren wil hij een bar installeren en de backpackers voorzien van spijs en drank. Zijn enthousiasme lijkt haast onuitputtelijk. Hij wil er het beste en grootste internationale backpackers hotel van de stad van maken en dit tegen een onklopbare prijs, 10 dollar (€ 6,5) per persoon per nacht. Hij is al aardig een stukje op weg.

In zijn vrije uren tokkelt hij op zijn gitaar en zingt verloren gewaande Engelse songs. Greg is en blijft een muzikant in hart en nieren. Tussendoor droomt hij verder. "I will open the same kind of hostals in Vietnam, Argentina and the Philippines. Bambú Hostal must become the new Hilton of the world for lowbudget backpackers." Wanneer later op de avond bliksemschichten het inktblauwe luchtruim doorklieven en de regen met bakken uit de hemel naar beneden gutst, zie ik Greg rondzwabberen met emmer en zeemdoek. Het dak van zijn pas aangekocht pand is zo lek als een zeef. Vanuit alle hoeken sijpelt het water doorheen het plafond. Ik zie hoe Greg zich uitslooft en een haast zinloze strijd aanbindt tegen het geweld van moeder aarde. "This house was not the best buy. Everyday I discover new holes in the roof. I´m running out of money to fix it." Zijn gezicht vertoont teneergedrukte trekken en de vitale Greg lijkt plots tien jaar ouder. Het aards paradijs dient zich duidelijk niet zomaar aan...

Na de politie, de brandweer...

Panama - San Felix, 15-08-2008 - (dagboek 18)


Mango´s hingen als verboden vruchten voor het grijpen en kokosnoten bengelden gevaarlijk boven mijn hoofd wanneer ik het bergdorpje 'el Valle' uitfietste. Ik heb gisteren het land van melk en honing verlaten en koers gezet naar de derde grote stad in Panama, David.

De tussenliggende route is eenzaam eentonig en eindeloos lang. De Panamericana is niet meteen erg afwisselend, maar veel keuze is er niet. Ook de slaapgelegenheden zijn bijzonder schaars en zo besloot ik gisteravond, ter hoogte van het weinig opwindende dorpje 'Divisa', beroep te doen op de lokale politie om er mijn tent op te slaan. Ze boden me spontaan een veldbed aan in hun fitness-ruimte, een heerlijke douche en een stevige maaltijd. Van onverwachte gastvrijheid gesproken! Voor ik terugfiets naar mijn thuishaven in het verre Ieper ga ik mijn geluk ook eens uit proberen bij de grenspolitie in België. Benieuwd hoe ze een verdwaalde zwerver ontvangen.

Het regenweer blijft me parten spelen. Tijdens de lange rit naar David moet ik meermaals schuilen voor losbarstende stortregens en met het uur wordt het me duidelijker dat ik mijn einddoel, de stad David, ook vandaag niet zal bereiken. De opeenvolgende dorpjes liggen dun bezaaid en dus besluit ik ter hoogte van 'San Felix' op zeker te spelen. Na het inslaan van wat proviand, zoek ik vruchteloos naar een hospedaje; tevergeefs. De hemelsluizen hebben andermaal hun deuren wagenwijd opengezet en onder de striemende regen klop ik opnieuw aan bij de lokale politie. De gastvrijheid is deze keer evenwel ver zoek. Op mijn vraag of ik er mijn tent kan opslaan is het afwijzende antwoord van de commandant zo allesoverheersend dat ik niet eens een poging onderneem om hem op andere gedachten te brengen. Binnensmonds vloekend los ik even later terug op in de gietende regen.

Ik stel mijn laatste hoop op de brandweerkazerne dat net buiten het dorp ligt. Een kwartier later parkeer ik doornat mijn stalen ros tegen de gevel. Mijn haveloze zwerversblik wekt klaarblijkelijk medelijden op, want zonder aarzelen wordt mij een regenvrij kampeerplekje toegewezen. Een half uur later nestel ik mij in hun tv-ruimte en kijk gespannen toe hoe topatleten een gooi doen naar de felbegeerde olympische gouden medaille. De avond kabbelt gemoedelijk verder en rond middernacht zoek ik de kleine, maar droge ruimte op van mijn stulpje. Ik doezel weg met de overtuiging dat 'San Felix' een brandvrije nacht tegemoet gaat...

Het aards paradijs van Larry en Becky...

Panama - El Valle, 13-08-2008 - (dagboek 17)


'El Valle' ontvouwt zich als een groot broccoli-veld, waar statige landhuizen verzonken liggen in het landschap. Van op verre afstand lijken het kabouterhuisjes. Maar schijn bedriegt. Hier heeft het grootkapitaal zijn thuis gevonden, hun plekje op aarde, zo ook Larry en Becky. Drie jaar geleden streek het Amerikaans echtpaar hier neer. Te midden van het Panamese regenwoud ontdekten ze een villa met een groots historisch verleden en besloten het om te bouwen tot een guesthouse. 'The Golden Frog Inn' was geboren.

Wanneer ik de huiselijke woonkamer binnenwandel, bots ik haast tegen Becky aan. Het ijs is onmiddellijk gebroken en nog voor ik een woord van verontschuldiging kan uitkramen zegt de vlotte vrouw des huizes: "Hello, that´s also a way to knock on the door. Welcome! Can I help you?" Na 23 maanden 'on the road' in een Spaanssprekend continent heb ik de gewoonte aangenomen om mij in het Spaans uit te drukken. Op mijn vraag of ze soms logement heeft, gooit ze haar armen hulpeloos in de lucht. "You don´t speak English?" In één adem voegt ze eraan toe dat haar Spaans erbarmelijk is. Becky en haar man Larry mogen dan wel reeds drie jaar hun vaste stekje hebben gevonden temidden het tropisch decor van het bergdorpje 'el Valle', hun moedertaal hebben ze nog niet ingeruild voor het temperamentvolle Spaans.

Het Amerikaanse echtpaar was enkele jaren geleden op zoek naar een zonovergoten locatie waar ze konden genieten van hun pensioentje. Vrienden van hen prezen Panama aan als het Hof van Eden. Hun droomhuis werd een majestueus landhuis met een origineel karakter en een mooi stukje verleden. De villa was decennia geleden eigendom van een zeeman uit Noord-Europa, maar werd later opgekocht door de vice-president van Panama die er zijn buitenverblijf van maakte. Het huis werd een oord van grote grandeur, niet in het minst door de vele politieke hoogwaardigheidbekleders die er de revue passeerden, maar evenzo door de bijhorende elitaire feestjes die er plaats vonden. In 2005, na het overlijden van de vice-president, stond het huis opnieuw te koop. "It was love at the first sight..." Larry heeft me inmiddels meegetroond naar het grote dakterras waar ik een weids uitzicht heb op de omringende vallei. Onder ons trekt een toerist rustig enkele baantjes in het hemelsblauwe zwembad. Ik zie hoe Larry´s ogen over zijn aards paradijs glijden. "Is it not a wonderful dream, to live on the crater of a vulcano?" Ik kan de vijfenzestigjarige Larry alleen maar bijtreden. Als ik peil naar de prijs voor een overnachting is het me meteen duidelijk dat de rijzige Amerikaan ook nog een appeltje voor de dorst wil overhouden aan zijn nieuw avontuur. Ik kan het hem geenszins kwalijk nemen.

Met pijn in het hart verlaat ik 'de zevende hemel' en ga op zoek naar een plekje dat iets budgetvriendelijker is. 'La casa de señor Juan' is zowat het tegenpool van het aards paradijs van Larry en Becky. Zijn bescheiden, rommelige woning ligt verzonken tussen moerassige graslanden en heeft op het eerste zicht iets weg van een stort. Onder het lekkende afdak ligt een allegaartje van spullen, van keukengerief tot autoonderdelen en van uiteenvallende meubelstukken tot een hele verroeste ijzerwinkel. Een blik op de aangeboden slaapkamer met rondfladderende vleermuizen doet me wijselijk besluiten om er de nacht in mijn tentje door te brengen.

'El Valle' is in de eerste plaats een zalige plek om rond te struinen. De groene vallei ligt lieflijk, bijna aandoenlijk omringd door bleekgroene heuveltoppen. Het landelijk karakter wenkt en doet me haast geloven dat ik in het Westvlaamse Heuvelland rondfiets. Het arcadisch dorpje heeft ook enkele toeristische troeven, zoals de orchidee-tuin en de kleinschalig opgezette zoo. Het zijn geen mega trekpleisters, maar ze maken deel uit van de gemoedelijkheid van het plattelandsdorpje.

Wanneer ik bij valavond opnieuw het groezelige terrein opzoek van 'la casa de señor Juan', spatten de eerste regendruppels uiteen op het nog warme, smalle wegdek. Twee uur later regent het nog steeds. De contouren van de vallei vervagen in de toenemende duisternis tot vormloze gedaanten. Terwijl ik de warmte opzoek van mijn kleffe slaapzak, droom ik weg van zijden lakens en een hoofdkussen van dons. Onder neerbuigende orchideeën dansen theelichtjes op een schaaltje van geplukte lelies, terwijl goudgele kikkers me kwakend een goeie nachtrust toewensen. Ik doezel langzaam in...

Afscheid van Panama City...

Panama - El Valle, 12-08-2008 - (dagboek 16)


Panama City heb ik definitief verlaten en stuur mijn fiets in de richting van de Costa Ricaanse grens. Nu, de oversteek is nog niet voor morgen, want ondertussen heb ik ook besloten om nog een ommetje te maken langs Bocas del Toro, een eilandenenclave aan de Caraïbische kust van Panama, op een boogscheut van buurland Costa Rica.

Mijn eerste stopplaats is evenwel het bergdorpje 'El Valle'. Bij het uitfiesten van de hoofdstad word ik ter hoogte van de 'Puente de las Americas' staande gehouden door een agent. De brug is ontoegankelijk voor fietsers en voetgangers en dus wordt er een dienstwagen opgebeld om mij veilig en wel naar de overkant te brengen. Best vreemd, want de achterliggende route lijkt me honderd keer gevaarlijker en de kans dat je daar van je sokken wordt gereden, is uiterst reëel. Panama is niet echt mijn meest geliefde fietsland.

Na zeventig kilometer draait de weg rechtsaf en kan ik eindelijk het razend drukke verkeer achter me laten. De weg slingert evenwel ongenadig de hoogte in. Ik zoek naar de kleinste versnelling en krabbel moeizaam naar boven. Nauwelijks goed en wel het juiste ritme gevonden, splijt de hemel open. In een mum van tijd verandert het asfalt in een kolkende watermassa. Een hevige stortbui zorgt niet alleen voor een aangename verfrissing, maar tevens ook voor een serieuze rustpauze. Het regenseizoen is hier in volle gang en dat vertaalt zich -in het beste geval- in minstens één tot twee uur gutsende plensbuien. Een waar natuurspektakel dat steevast gepaard gaat met bliksem en gedonder. Door het late vertrekuur en het oponthoud door de striemende regen ligt het bergdorpje 'el Valle' nog een goeie 15 km verwijderd wanneer de duisternis langzaam maar zeker om me heen grijpt. Slaapaccomodatie valt er natuurlijk nergens te bespeuren en dus besluit ik maar mijn tentje neer te zetten onder het afdakje van een kleine bushalte. Nauwelijks uitgepakt, krijg ik het aanbod van een voorbijfietsende jonge gast om de nacht bij zijn familie door te brengen.

Zijn ouderlijk huis ligt op een berghelling, verscholen tussen felgroen regenwoud vegetatie. Onder een afdakje zit zijn stokoude grootvader te schommelen doorheen de tijd. De kleine leefruimte is gevuld met een versleten sofa, een drietal plastieken tuinstoelen en een aftandse tv-kast die sneeuwbeelden uitzendt van de olympische spelen. In de keuken is er nauwelijks plaats voor een tafel en een paar stoelen. Ik vraag me af hoe het gezin van zeven kinderen hier de maaltijden nuttigt. Wellicht heeft men een beurtrol opgesteld. Het contact is wat onwennig, het onverwachte bezoek te onaangekondigd. Ik breng de avond door bij het gezin, haast stilzwijgend, turend naar een gespikkelde wereld vol acrobatie. Rond tien uur vallen mijn ogen dicht van de vaak. Ik krijg een bed toegewezen in het enige slaapkamertje dat het gezin rijk is. Ik tel vijf bedden, waarvan sommige gescheiden zijn door een katoenen laken. Mijn voorstel om mijn matrasje uit te rollen, wordt gastvrij weggewuifd. Ik voel me onbehaaglijk, maar tel enkele minuten later evenwel gelukzalig de schaapjes...

Een dolle terugrit...

Panama - San Blas eilanden, 09-08-2008 - (dagboek 15)


Ik heb het anker gelicht en mijn vloot opnieuw naar het vasteland gestuurd. Het paradijs van ondiep staalblauw water waar de Kuna´s hun hutten hebben gebouwd rond kokospalmen verwijdert zich tot een stip van ongekende schoonheid. Ooit gooi ik er nog eens mijn anker uit.

Mijn geworstel met de ploeterende aarde bij mijn vertrek naar de San Blas eilanden, heeft me doen zoeken naar een alternatief transportmiddel om terug te keren naar de 'beschaving'. Veel keuze is er niet. De enige verbinding bestaat uit een peperdure luchtbrug vanuit het eiland Porvenir of een dolle rit met een 4x4 jeep. Ik geef de voorkeur aan de modderige spoorbanden en nestel me voorin een Toyota Landcruiser. Wanneer de chauffeur de ronkende motor start, maakt hij een kruisteken voor een behouden doortocht. De potloodgrijze hemel is inmiddels haast inktzwart en striemende regen sproeit uiteen op de voorruit. De ruitenwissers zwiepen als een losgeslagen metronoom in het rond. In een mum van tijd verandert de weg in een modderpoel. Kleffe aardkluiten spatten dansend uiteen wanneer de banden een zoveelste maal hun greep op de doornatte modderbodem verliezen. We zwalpen en stromen mee in de richting van het aanzwellende water. Op sommige plaatsen schuiven, glijden en walsen we in één gestroomlijnde beweging. De motor jankt, de banden sputteren en de chauffeur vloekt. De hellingen van de heuvels zijn voor sommige wagens een stijgingsgraad te hoog. De ene jeep na de andere rijdt zich vast in de modderige rivier. Een bulldozer wordt erbij gehaald om de vastgelopen voertuigen los te trekken. Wij blijven tot ieders verbazing op het rechte pad, al slingert de jeep twistend van links naar rechts. En dan bedenken dat ik dit met de fiets ging afleggen.

Na een dolle rit van twee en een half uur, bereiken we opnieuw de geasfalteerde hoofdweg die ons tot bij het stadscentrum brengt. Wanneer ik de fiets uit de koffer haal, begint het opnieuw te stortregenen. Bij het afrekenen zegt de chauffeur dat ik extra moet betalen voor de fiets. Het gevraagde bedrag is exorbitant hoog en totaal tegen de voorafgesproken afspraken. Ik hou voet bij stuk en stuur de man wandelen. Sorry, maar ik ben net al iets te lang 'on the road' om me zomaar in de maling te laten nemen. De hostal met zijn allegaartje aan globetrotters doet wat vreemd aan na mijn verblijf bij de Kuna-indianen en mijn zeemansbenen wiebelen nog wat onwennig na op de vaste grond. Dinsdag verlaat ik definitief Panama City en zet ik koers naar een nieuw hoofdstuk van mijn zwerversbestaan. Op mijn fietsroute liggen nog ondermeer de bergdorpjes 'el Valle', 'Boquete', 'Valle de la Mina' en de vulkaan Baru. Wordt vervolgd...

Westerse invloeden...

Panama - San Blas eilanden, 08-08-2008 - (dagboek 14)


Ik word gewekt door het roffelend geluid van regendruppels die uiteenspatten op het golfplaten dak. De wind suist met een ongelofelijke snelheid tegen de bamboewand aan en doet het dak kraken en klapperen. In de belendende kamer verlichten vage lichtbundels de donkere nacht. Stemmen lossen op in de duisternis. Beeft de aarde of schommel ik op eigen kracht in mijn hangmat? Buiten versnellen haastige passen hun tred. Rubberen slippers kringen waterplassen in het rond. Bliksemschichten doorklieven het luchtruim. De nacht kleurt ijzigblauw. De stortregen is hels en angstwekkend. Is dit de voorbode van een op til zijnde tsunami of is dit een orkaan? In de verte hoor ik een huilende baby. Nemen de weergoden wraak op de Sahila´s omdat ze me geen vrijgeleide hebben gegeven? De wolken ketsen tegen elkaar als ballen in een biljartspel. Een spel die niemand winnen kan? Ik blijf ineengedoken hangen tussen het geweld van moeder aarde en prevel haar zachte woorden toe. Ben ik opnieuw ingedommeld en werden mijn gebeden aanhoord? De wind is gaan liggen en de stortregens zijn voorbij. Alleen doorheen de muizengaten van het dak sijpelen nog de laatste regendruppels van de woelige nacht. Ik val opgelucht opnieuw in slaap.

De storm is definitief voorbij. Ook de andere bewoners van het bouwvallig rieten huisje hebben er het raden naar wat er precies aan de hand was. Nu ik de zekerheid heb dat ik op dit eiland niks kan aanvangen, besluit ik maar om terug te keren naar het allereerste eiland. Daar vind er vandaag opnieuw een feest plaats, 'la fiesta de chicha'. Chicha is een brouwsel dat vervaardigd wordt uit azucar de canela (rietsuiker) en gegiste maïs. De duur van de fermentatie bepaalt de alcoholgraad. Het feest wordt opgedragen aan een twaalfjarig meisje dat de fase van de puberteit heeft bereikt. Elk eiland heeft zo een beetje zijn eigen wetten en regels. Op het eiland Carti Yantupo is het consumeren van alcohol verboden, behalve tijdens feestgelegenheden. Op zulke dagen zetten de mannen het dan ook op een stevig drinken.

Rond twaalf uur in de middag kondigen enkele vuurwerkexplosies het begin van het feest aan. Onder een bladerdak van palmbomen zitten de inwoners samengehurkt. De kalebassen gevuld met chicha gaan van hand tot hand. De hitte is opnieuw kleverig broeierig. Het zal niet lang duren of de eerste zatlappen zullen opnieuw zwalpen over het dorp. Ik verlaat het drinkgelag en zoek wat koelte op aan de kade. Turend over de Caraïbische zee waar minuscule eilandjes lijken te dobberen, word ik aangesproken door Sebastian. Hij is op bezoek bij zijn grootmoeder die hier geboren en getogen is. Ik vraag hem hoe hij de moderne invloeden van buitenaf op lange termijn inschat. De jongeman windt er geen doekjes om. De westerse invloeden knagen aan het traditionele systeem. De meeste jongeren verlaten op achttienjarige leeftijd het eiland om verder te studeren in Panama City. Voor de jongeren heeft dit aards paradijs niets te bieden. De toekomst ligt aan de overkant, op het vasteland. Met de verhuis, verdwijnen ook systematisch de traditionele waarden. Vroeger besliste de familie met wie hun zoon of dochter in het huwelijk trad. Er werd steevast gezocht naar een goede partij, onafhankelijk of de toekomstige bruid of bruidegom elkaar kenden. De 'gearrangeerde huwelijken' behoren reeds een tiental jaar tot het verleden. Hij zelf is opgegroeid in Panama City. Vrienden en kennissen van hem wonen evenmin op het eiland. Hij heeft Kuna-roots, maar de Kuna-tradities gooide hij al lang overboord. Alles is vergankelijk, zelfs oeroude waarden en gebruiken...

Bikkelharde dollars...

Panama - San Blas eilanden, 07-08-2008 - (dagboek 13)


In de namiddag kaart ik mijn plannen omtrent een fotoreportage over de Kuna-gemeenschap aan bij Ina, de oudste zoon van het gezin Ricardo. Hij fronst pijnlijk zijn wenkbrauwen en op zijn gezicht kan ik aflezen dat mijn vraag niet zo voor de hand liggend is. Foto´s maken van de bevolking op het eiland is in principe verboden. De golf van toeristen die de voorbije jaren zijn neergestreken, hebben die regelgeving enigszins versoepelt. Foto´s maken kan, maar tegen klinkende munt: één foto, één dollar. Een fotoreportage maken is duidelijk andere koek.

Als ik vrij wil rondlopen met mijn camera moet ik de goedkeuring krijgen van de lokale raad of 'el congreso'. Het is de hoogste Kuna-macht waar de vertegenwoordigers van het eiland zetelen. De indianen noemen hen Sahila´s, de peetvaders van de gemeenschap. Ze zijn zowel burgemeester als rechter. El congreso maakt deel uit van hun eigen politiek stelsel en wetgeving. In 1925 scheurden de San Blas eilanden zich af van het Panamese vasteland. Ze goten hun interne regels in 'la Carta Organica de los Indios' (de grondwet van San Blas) en bevestigden hiermee hun onafhankelijkheid van de Panamese nationale regering. In het raadhuis discussiëren de vertegenwoordigers urenlang over de meest uiteenlopende problemen, gaande van educatie tot gezondheidszorg en van eigendomsrecht tot echtscheiding. De Sahila´s lossen alles op.

Iedereen heeft spreekrecht en dus zit er niks anders op dan een rechtstreekse confrontatie met het opperste gezag van de Kuna-gemeenschap. De besprekingen vinden elke avond rond een uur of zeven plaats. Wanneer ik er mij in gezelschap van Ina naartoe begeef, loopt het raadhuis geleidelijk vol. Heeft de reden van mijn aanwezigheid zich reeds verspreid over het eiland of is er telkens zo´n hoge opkomst? De indianen zitten op schoolbanken te luisteren naar de discussies die worden gevoerd tussen de diverse Sahila´s. Ze liggen te bungelen in hun hangmatten. Af en toe staat er eentje recht en richt zich tot de menigte. Alle besprekingen verlopen in een gedempte sfeer en de voertaal is Kuna. Wie iets te berde wil brengen, kan probleemloos het woord nemen. Ina staat recht en spreekt de Sahila´s toe. Enkele seconden later draaien tientallen indianenblikken mijn richting uit. Doordringende ogen bespieden me alsof ik een potentiële bezetter ben van hun territorium. Ik word in het pleidooi betrokken. De chefs vragen mij vanuit hun hangmat mijn herkomst en de reden van m´n aanwezigheid. Ina vertaal alles in zijn moedertaal zodat ook de rest van de aanwezigen de besprekingen kunnen volgen.

De gesprekken lopen vast omtrent de ware toedracht van de fotoreportage. Eén van de vertegenwoordigers van het gezag hecht weinig tot geen geloof aan mijn verhaal dat de foto´s geen commerciële doeleinden hebben. Het gepalaver duurt eindeloos en wordt nog chaotischer wanneer het aanwezige publiek medezeggingschap krijgt. Plots wordt het opvallend stil. Wiegend in hun hangmatten steken de Sahila´s de koppen bijeen. Het geprevel lijkt eeuwigdurend. Het verdict is klaar en duidelijk. Het kan mits er voor elke foto bikkelharde dollars worden neergeteld. Hun motivering slaat kant noch wal. In ruil voor 250 dollar (€165) mag ik ongestoord mijn gang gaan, maar toestemming van de desbetreffend persoon die ik wil digitaliseren blijft evenwel vereist. Financieel kan ik het me niet veroorloven en ethisch gezien druist het in tegen mijn principes. De vergadering wordt in mineur afgesloten en het raadhuis druppelt langzaam leeg. Ik blijf wat ontgoocheld achter. Strikte normen en gewoonten maken nu eenmaal deel uit van de pijlers van de Kuna-cultuur. De democratische principes komen alleen de gemeenschap ten goede. Voor indringers is er duidelijk geen plaats in hun samenleving. Wie kan het hen tenslotte kwalijk nemen?

Terug tussen de Kuna´s...

Panama - San Blas eilanden, 07-08-2008 - (dagboek 12)


Het blijft moeilijk om hier iets geregeld te krijgen. Normaal was het de bedoeling om vandaag naar het eiland 'Los Cayos Holandesas' te varen en daar een drietal dagen te blijven. Het eiland herbergt een handvol Kuna-families. Niet veel, maar net voldoende voor een fotoreportage.

Terwijl ik mijn tent afbreek en m´n fietstassen klaarmaak, deelt Arcaido mee dat de geplande trip niet kan doorgaan. De wind zit verkeerd en de zee is te ontstuimig. Mijn plannen vallen andermaal in het water. Hoe mooi en idyllisch het Pelicano-eiland ook mag zijn, een derde opeenvolgende dag zon, strand en zee zie ik evenwel niet zitten. Ik wil verkassen, me tussen de Kuna-bevolking begeven. Uiteindelijk valt de bestemming op Rió Sidra, de woonplaats van Arcaido´s broer, Ricardo. De regen valt met bakken uit de hemel wanneer de gemotoriseerde kano aanmeert aan de kleine veerpont van het dorpje Rió Sidra. Ik krijg een kamertje toegewezen met een hangmat. Op enkele ineengezakte houten schappen liggen een tiental winkelwaren uitgestald: rijst, afwaspoeder, Campbells blikken pork en beans, picante chili-saus, handzeep, luciferdoosjes, suiker en toiletpapier. De wand uit bamboestokken die uitgeeft op de straatkant heeft in het midden een opklapbaar doorgeefluik. In betere tijden moet deze kamer als winkel hebben gefungeerd. Tegenwoordig doet het dienst als slaapruimte. De bevlekte hangmat is als een kroonluchter aan het plafond genageld. Dit wordt mijn stulpje voor de komende dagen. Ik neem afscheid van Arcaido die terugkeert naar zijn thuishaven, 'la isla Pelicano' om zich te ontfermen over de nog twee achtergebleven toeristen. Ricardo, zijn broer, vertrekt naar Panama City. Hij hoopt er nieuwe reizigers te kunnen strikken. De business gaat nu eenmaal voor.

De wind is gaan liggen en de felle regen druppelt nog wat na. Ik maak een eerste verkenningstocht. Aan de aanlegsteiger hebben zich een aantal Kuna-vrouwen verzameld. Ze wapperen zich koelte toe met een waaier van dollarbiljetjes. Zelfs bij druilerig weer blijft het hier drukkend warm. Tegen de kade aan ligt de Yeya, een dobberend warenhuis. Eén keer per week komt deze aftandse boot langs, volgestouwd met goederen en levensmiddelen. De stoomboot van de Sint. Een drietal mannen lopen de bestellingen af. Hun kleren zijn smoezelig, hun gezichten grauw. De Kuna-vrouwen zien er stukken frisser uit in hun traditionele klederdracht. Ze dragen poedelnaakte zuigelingen op de arm. Er wordt van alles gekocht: kratten bierblikjes, gesuikerde limonade in petflessen, zakken rijst, bonen en meel, eieren, kippebouten, ... De honger lijkt hier haast niet te stillen.

Later op de dag krijg ik een rondleiding van Ina, de zoon van Ricardo. Hij is de oudste uit het gezin van acht. Grote families zijn in de Kuna-gemeenschap geen uitzondering. Vaak heb ik dan ook het gevoel dat het dorp een peutertuin groot is. In de stoffige straten krioelt het van kinderen. Wanneer ik voorbijslof roepen ze 'Mergi, Mergi!' (Gringo in het Kuna) Het toerisme is ook hier binnengesijpeld. Het dorp telt een vierhonderd tal inwoners die regelmatig het centrale plein passeren dat eveneens dienst doet als voetbalveld. Het ligt ongeveer halverwege de Avenida Central die het dorp in twee helften verdeelt. De huizen uit bamboe en daken van palmbladeren liggen er kwistig rondgestrooid zonder enig plan van stedenbouwkundig aanleg. Vanuit openstaande houten kabouterdeurtjes zie ik schommelende Kuna´s. Bungelend in hun hangmat zijn ze ijverig aan het naaien. Mola´s maken is voor de meeste Kuna-vrouwen -na hun dagdagelijkse bezigheden- vrijwel een voltijdse job. De naaitechniek leren de meisjes al op prille leeftijd. Het is een onderdeel van hun geïsoleerde levenswijze waar de traditie nog hoog in het vaandel wordt gedragen. Het is maar de vraag of ook dit niet zal verdwijnen nu de jeugd er tegenwoordig steeds westerser gaat bij lopen...

La vida pura ...

Panama - San Blas eilanden, 05-08-2008 - (dagboek 11)


De hele nacht vulde zich met stemmen; luidruchtig en doordringt door een teveel aan promille. Ik heb nauwelijks een oog dicht gedaan. Rond half zeven in de morgen geurt het dorp nog naar verschraald bier en gekots. Het zal een tijdje duren voor Carti Yantupo opnieuw zijn alledaags ritme terugvindt.

Inmiddels heb ik vernomen dat er op een uur varen hiervandaan een idyllisch eilandje ligt, Pelicano genaamd. Een atool groot, omgeven door kokospalmen, wit strand en azuurblauw water. Twee uur later doemt het droomeiland uit de toeristische brochures met zinnenprikkelende fotoplaatjes op. Vlakbij ligt een luxueuze jacht aangemeerd. De dobberende witte schatkist versterkt nog het exclusief karakter van de omgeving. Het toverachtig eilandje overtreft haast de werkelijkheid: wuivende palmbomen, een maagdelijk strookje zand, een lichte zeebries, wiegende golfslagen en een zonovergoten warmtebron. Ik ben niet de enige die wil onthaasten. Op het eiland bevinden zich nog zeven andere toeristen: een Spaans, een Salvadoriaans en een Amerikaans koppel en de Argentijnse vrijgezellin Claudia. Ze is zichtbaar opgelucht dat er ook nog eens een enkeling aanspoelt. Het eiland is inderdaad de gedroomde plek voor tortelduifjes. Alle cabañas zijn ingenomen door de verliefde stellen en de vrijgevochten Claudia voelt er weinig voor om haar stulpje met mij te delen. Ik laat het niet aan mijn hart komen en plant mijn tent onder een cirkel van wuivende palmbomen waaraan een minimum aan kokosnoten bengelen.

De hangmatten nodigen uit om lekker zalig te niksen, wat te lezen of weg te dromen over de horizon heen. Nog nooit leek het vakantiegevoel zo levensecht, zo brandend mooi. Bij valavond scharen we ons met z´n allen rond een kampvuur van verdorde palmbladeren. Verhalen en anekdotes vlammen op tegen de achtergrond van een ruisende zee. In de verte zie ik schaarse lichtjes, kleine Kuna-nederzettingen. Slechts een vijftal ervan beschikt over elektriciteit, de rest maakt gebruik van zonnepanelen. Ik staar doorheen de vlammenzee naar tekens van een beschaving die zich koppig vastklampt aan zijn principes, afgesloten van alles en iedereen. Voor hoelang nog?

Vrouwen: het uithangbord van de Kuna-cultuur...

Panama - San Blas eilanden, 04-08-2008 - (dagboek 10)


Gefilterde lichtbundels werpen schaduwvlekken af doorheen spleten en kieren. In gelijkmatige cadans hoor ik het klotsende water van de zee tegen de belendende aanlegsteiger. Ik speur de ruimte af: een plafond uit palmbladeren, wanden opgetrokken uit houten stokken, een vijftal bedden op een ondergrond van bierkratten, een wankel tafeltje met een olielampje. De cabaña ziet er troosteloos uit en stoffig. Vanuit mijn horizontale houding zie ik kakkerlakken en inktzwarte mieren rondscharrelen rond mijn fietstassen. Een zoveelste aanslag op mijn proviand. Ik veer recht en verjaag het ongedierte. Mijn ongewenste hotelgasten stuiven uiteen. Ik meet de schade op. Broodkruimels en cornflakes bedekken de bodem van mijn proviandtas. Gelukkig, de aangerichte ravage is beperkt.

Ik ben terechtgekomen op het eiland Carti Yantupo, een Kuna-communiteit met 400 bewoners. Het maakt deel uit van de San Blas Archipel dat maar liefst 365 eilandjes telt. Slechts 49 ervan zijn bewoond. De Kuna-indianen zijn de oorspronkelijke bewoners van de eilandjes. Vele indianen uit Noord- en Centraal-Amerika die op zoek waren naar nieuwe gebieden trokken over de landengte van Panama, de enige landbrug tussen Noord- en Zuid-Amerika. Die nieuwe gebieden vonden ze in het Andesgebergte en het Amazonewoud. Niet alle indianen trokken evenwel verder. Vele settelden zich op de Panamese eilandjes, zoals de Kuna-indianen. Ze leven er nog volgens eeuwenoude tradities. Dit kenmerkt zich ondermeer in hun festiviteiten. De Kuna-vrouwen vormen zowat het uithangbord van hun cultuur en haast elk feest wordt dan ook opgedragen ter ere van de vrouw.

Ik heb geluk. Precies vandaag wordt het feest naar de volwassingwording gevierd. Telkens een meisje uit het dorp haar allereerste maandstonden heeft, wordt dit met de nodige spijs en drank gevierd. Samen met nog enkele toeristen zoeken we de plaats van het gebeuren op: het raadhuis (el congreso). Het met natuurlijke materialen geconstrueerde raadhuis bevindt zich in het midden van het dorp, langs de centrale stoffige avenida, een wandelweg groot. Binnenin zitten een hondertal mannen en vrouwen die elk hun deel van de donkere ruimte opeisen. De pregnante geur van alcohol en sigarettenrook doet me naar adem happen. De westerse kledij van de mannen staat in schril contrast met die van de Kuna-vrouwen. Hun typische klederdracht bestaat uit veelkleurige lapjes stof, mola in het Kuna, die ze op hun blouses naaien. Rond hun midden wikkelen ze rokken die uit meters stof bestaan en op hun hoofd drapperen ze een oranje-rood kleurige sjaal. Het meest opvallend is wellicht de neusring en de kralenarmbandjes die hun polsen en enkels bedekken. De neusring staat symbool voor waardigheid en schoonheid.

De drank, in hoofdzaak een alcoholisch goedje dat verdacht veel weg heeft van goedkope, maar sterke vodka gaat er vlotjes van hand tot hand. De invloed van alcohol laat hier en daar al zijn sporen na in brallende mannen en zwijmelende vrouwen. Van het volwassengeworden kind waar alles rond draait, valt evenwel geen spoor te bekennen. Buiten het raadhuis struinen continu groepjes mensen rond, hoofdzakelijk jongeren. De invloed van het Westen weerspiegelt zich in hun kledij. De traditionele mola´s hebben de jonge meisjes ingeruild voor modieuze T-shirts en dito jeansbroeken. De eerste sporen van een bedreigde eeuwenoude cultuur.

Het dorp is opgedeeld uit woonerven die allen uitgeven op de hoofdweg. Veel hoef je er zich niet van voor te stellen. De centrale weg is een onverhard wandelpad en de huizen zijn allen opgetrokken uit takken en palmbladeren. Families hokken hier samen, zonder onderscheid van leeftijd, stand of rang. Ze leven er in hoofdzaak van visvangst en landbouw. De voorbije jaren is er een andere niet belangrijke inkomstenbron bijgekomen: het toerisme. Vele omringende eilandjes zijn omgeven door parelwitte stranden en een azuurblauwe zee. Wat voor cineasten de gedroomde filmset is en voor verliefde koppeltjes de ideale vakantiebestemming, is voor de Kuna´s de doodnormaalste zaak en hun thuishaven.

Op de patio van een woonhuis spelen enkele jongens al dansend panfluit. Ze worden vergezeld door een handvol meisjes die zich voor de gelegenheid hebben uitgedost in kleurrijke mola´s. De muziek is repetitief en aanstekelijk. Voorbijwandelende dorpsbewoners houden even halt en staren het muzikaal gebeuren enige tijd gade om vervolgens terug hun weg aan te vatten. Er heerst een sfeer van zalig niksdoen. Het drinkgelag is inmiddels aardig aan het ontaarden. Onder het broeiierig hete bladerdak van palmbomen hebben ondertussen twee mannen, getooid in felgroene hemden en strohoed, plaats genomen in het midden van de arenavormige schuur. Ze houden een staf met kalebas vast en dreunen onophoudelijk keelklanken uit die meer iets weg hebben van een klaagzang. Rondomrond zie ik mannen ineengehurkt en in foetushouding hun roes uitslapen. De rest zwalpt als dronken matrozen doorheen de ruimte. De meeste vrouwen kijken vanop afstand toe. Ik vraag me af wat ze van dit drinkgelag vinden. Wanneer ik ´s avonds nog wat rondkuier, zie ik in alle hoeken van het dorp mannen tegen elkaar aanhurken; zwijgend, wauwelend, huilend. Het leven op de San Blas eilanden ziet er paradijselijker uit dan het in werkelijkheid ongetwijfeld is...

Een Camel Trophy per fiets...

Panama - San Blas eilanden, 03-08-2008 - (dagboek 9)


De contouren van Panama City nemen in de ontwakende morgen moeizaam hun vaste vorm aan. De straten lijken op deze vroege zondagochtend nog grootser. Uit de openstaande klapdeuren van een trendy bar galmen de laatste dreunende beats, terwijl een handvol jongeren huiswaarts keren na een nachtje stappen. Op de hoek schelt een kijvend koppel elkaar de huid vol. In de portiek van een leegstand pand ligt een haveloze man onder een bedsprei van karton. Ik fiets de stad uit langs 'de boulevard of broken dreams'.

Ik ben op weg naar San Blas, een archipel van maar liefst 365 eilandjes ten noordoosten van Panama City. De af te leggen afstand loopt doorheen kleine dorpjes en grasgroene weilanden. Recht evenredig met de toenemende hitte, zwelt ook de verkeersdrukte aan. Wegens het ontbreken van een fietspad moet ik tot vervelends toe de veiligheid van de grasberm opzoeken. Net voor ik het dorpje Chepo bereik, zie ik in de verte hoe een knalrode wagen gevaarlijk begint te zwengelen. Aj, flitst het door mijn hoofd, die heeft totaal zijn controle over het stuur verloren. De auto tolt rond zijn as, raakt uit balans en schuurt teintallen meters op zijn kop over het betonnen wegdek. Wanneer ik geschokt de plaats van het ongeluk bereik, dampt de motor nog na. Toevallige passanten zijn inmiddels toegesneld en proberen met man en macht de deur van het autowrak te openen. Een straal bloed sijpelt doorheen de verbrijzelde voorruit. Over een afstand van vijftien meter ligt verwrongen staal, plastiek, glasscherven en lege bierblikjes. De reden van het ongeluk laat zich raden. Ik hoor gekreun en geschrei. Wat volgt is geen fraai beeld. De bestuurder wordt uit zijn benarde situatie bevrijdt. Zijn gezicht zit onder het bloed en zijn hoofdhuid hangt aan één zijde als een geschilde banaan in reepjes. De rechteroogkas is een holte, een halve ei groot en zijn linkerarm bungelt erbij als dat van een levenloze marionet. De man van een jaar of dertig krijst onverstaanbare kreten uit. De pijnklanken gaan door merg en been. Geronnen bloed dampt in de brandende zon. Ik bevind me op het meest troosteloze eiland van een alledaagse werkelijkheid. Het besef hoe kwetsbaar het leven is en hoe onverantwoord we er soms mee omspringen, visualiseert zich in beelden en geluiden die voor eeuwig in mijn geheugen gekerfd zullen blijven. Is het toeval dat ik net deze morgen besloten heb om voor de rest van mijn zwerftocht steeds mijn fietshelm op te zetten? Hoe schrijnend de harde werkelijkheid ook kan zijn, het verschil tussen diepmenselijke ellende en intense levensvreugde is slechts een straat verwijderd. Bij het uitfietsen van het dorp schallen ritmische zuiderse klanken uit de boxen van een groezelige drinktent. Heupwiegend verstrengelen twee lichamen tot een volmaakte cirkel van liefde. Het leven balanceert als een koorddanser tussen hoop en vreugde, tussen leven en dood.

De klok wijst twaalf uur in de middag wanneer ik het dorpje 'el Llano' bereik. De geasfalteerde weg gaat over in een gravelroad en slingert gestaag de hoogte in. Voor het eerst zoek ik opnieuw naar de allerkleinste versnelling. De open velden maken plaats voor tropisch dicht regenwoud. De hitte slaat ongenadig hard toe en de weg wordt alsmaar slechter. Ik zweet me te pletter. Het lijkt wel alsof ik een douche neem met al mijn kleren aan. In de verte lichten bliksemflitsen het luchtruim op, ook dat nog. Het voorspelt weinig goeds. Dreigende onweerswolken waaien me tegemoet en enkele minuten later splijt de hemel open. Regendruppels vallen als knikkers uit de hemel en vloeien samen met de stoffige aarde. In een mum van tijd verandert de weg in een roodkleurige rivier. Het gedruis van de regen vermengt zich met het grommend geluid van op hol geslagen wolken. Bliksemschichten doorklieven de duistere hemel. Hoe vaak kan een wereldfietser doodgebliksemd worden? Slechts één keer, vrees ik. De kans is gelukkig verwaarloosbaar. Bovendien herinner ik me dat rubber een goede bliksemafleider is.

De situatie wordt stilaan hopeloos. Door de hevige aanhoudende regenval en de erbarmelijke staat van de steile weg moet ik steeds vaker mijn zwaarbeladen fiets de hoogte in duwen. Ik ben drijfnat en spoel mee, samen met de meanderende rode aarde. De hellingen volgen elkaar in een snel tempo op en door de stijgingsgraad moet ik tot vervelends toe de bagage van de fiets afhaken. Ik laat de zwaar beladen fietstassen achter en duw de fiets doorheen de modderstroom. Honderd meters verder zet ik de fiets neer en keer te voet terug om mijn bagage op te pikken. Het geploeter is zo tijdrovend en energieverslindend dat ik reeds rond drie uur in de namiddag volledig doorheen mijn watervoorraad zit. In al mijn miserie word ik begroet door een groepje tapirs. Wanneer ik hen op tien meter afstand nader, spurten ze uiteen, alsof ze betrapt zijn op het overtreden van het samenscholingsverbod. Het is inmiddels opgehouden met regenen en de kolkende watermassa is op vele plaatsen herleid tot kleine stroompjes die zich een weg banen doorheen de groeven en de gleuven van de kleffe aard.

In de verte hoor ik brulapen hun territorium luidkeels afbakenen. Ze hoeven geen schrik te hebben. Ik zal geen jacht maken op hun harem en een overnachting tussen mijn broers zie ik al evenmin zitten. Rond vijf uur rijdt een colonne jeeps me tegemoet. Het zijn stuk voor stuk monsterachtige wagens op hoge wielen die terugkomen van een dagje modder rijden. Ver hebben ze wellicht niet moeten zoeken, want deze weg is een Camel Trophy meer dan waard. Ik zwaai hen tot stilstand en enkele minuten later vervolg ik mijn weg met vijf liter water op mijn bagagedrager. De pret is evenwel van korte duur, want de fiets weegt inmiddels ook vijf kilo zwaarder. Net voor zonsondergang bereik ik totaal uitgeput de brede rivier die het vasteland scheidt van het Carti-eiland. Ik hoor het aanzwellend geluid van een gemotoriseerde kano. Dit is mijn kans. De kleine sloep meert aan en lost een vijftiental toersisten die terugkeren van een daguitstap. De stuurman biedt spontaan zijn diensten aan om me naar de overkant te brengen.

De zon is reeds lang achter de horizon verdwenen en de duisternis grijpt speels om zich heen. De boot stuurt evenwel niet naar de overkant, maar volgt de bedding van de rivier. Ik heb geen idee waar ik naartoe word gebracht en door uitputting getergd, ontbreekt het me aan moed om vragen te stellen. De wereld rond mij lost op in een zwart decor, terwijl sterren als theelichtjes twinkelen aan het firmament. We glijden de duisternis in, op weg naar het land van ooit, toen of nooit...

De Sint, Louis en Jacky...

Panama - Panama City, 31-07-2008 - (dagboek 8)


Vader is verdwenen. De sofa voelt opeens minder zacht aan en het geluid van propellor-ventilator lijkt nu plots oorverdovend. Ik ontwaak stilaan uit een diepe slaap en draai de film van de voorbije avond nog eens af. Jeetje, waar zal ik nog allemaal belanden? Ik kan een inwendige glimlach bij het voor de geest halen van de man met zijn chocoladefondant-hoofd moeilijk onderdrukken. Wie weet kom ik vandaag wel de Sint tegen.

De hemel is volledig opgeklaard en wanneer ik rond zeven uur in de morgen mijn fiets opnieuw de hoofdweg opstuur, is de temperatuur al gestegen tot 27 graden celsius. Er zijn grote wegwerkzaamheden aan de gang op de doorgangsweg. In normale omstandigheden fiets ik dan gezwind langsheen de monsterfiles, maar hier in Panama vlot dit allemaal wat minder snel. Wagens en vrachtauto´ s houden hier nagenoeg geen rekening met fietsers waardoor ik noodgedwongen moet uitwijken naar de kiezelige berm. Na tien kilometer is de eerste lekke band op Panamese bodem een feit. Het aantal komt daarmee op 25 in totaal. Misschien moet ik wel een fietsenzaak starten, eenmaal terug thuis. Het herstellen van lekke banden heb ik alvast helemaal onder de knie. Nauwelijks terug op de trappers, houdt een agent me staande en vraagt naar mijn rijbewijs. Ik val zowaar uit de lucht. Is dit een grap? De man denkt dat ik geen Spaans begrijp en haalt daarom zijn eigen rijbewijs boven. Op de geplastificeerde kaart die de grote heeft van een bankkaart prijken drie blokletters, van A tot C. Ik heb altijd geweten dat het rijbewijs A staat voor motorfietsen. In Panama dus blijkbaar niet. Of toch? De agent kijkt me tergend langzaam aan en laat zijn ogen vervolgens glijden over mijn zwaarbeladen fiets. Hij vraagt me waar de motor zit. Zijn blik lijkt hopelozer dan ooit. Het duurt een tijdje voor de agent zijn vergissing door heeft. Enkele tellen later plooit hij haast dubbel in een lachbui. Hij klopt me vriendschappelijk op de schouders, stopt me een vruchtensapje in tetrabrik toe en stuurt me terug de baan op met de opmerking dat ik toch beter mijn helm zou dragen. Was dit de Sint vermomd als agent?

Het is nog vroeg in de middag wanneer de skyline van Panama City opduikt: een horizontale lijn van immense wolkenkrabbers die de hemel lijken te raken. De hoofdstad bevat naast het koloniale stadscentrum ook nog een zogenaamd 'Panama Viejo' (de oude stad). Deze wijk bestaat gedeeltelijk uit ruïnes van de eerste Spaanse bouwwerken (1519). Het geheel imponeert me niet meteen, maar het heeft wel een beeld van hoe Panama City er moet hebben uitgezien tot in de 17de eeuw. In die tijd was de hoofdstad zowat het machts- en handelscentrum van de Nieuwe Wereld. De stad raakte evenwel helemaal in verval toen het in 1671 onder leiding van de Engelse piraat Henry Morgan totaal werd geplunderd en afgebrand.

Voor ik mijn vertrouwde hostal terug opzoek, stuw ik mijn fiets nog richting 'el Cerro Ancón'. De heuveltop biedt me een mooi panoramisch uitzicht op de onderliggende stad en de kanaalzone. De hostal bevat naast enkele vertrouwde gezichten ook een pak nieuwe. Backpackers van overal ter wereld strijken er voor enkele dagen neer, verbroederen met lotgenoten om vervolgens vaak met enkele nieuwe medereizigers hun weg te vervolgen. Ik heb het niet zo voor die ghetto´s van reizende gringo´s. De informatie die er wordt uitgewisseld, reikt vaak niet verder dan goedkope logies, pubs en andere uitgaansgelegenheden. Je hoort ook vaak de meest ongeloofelijke verhalen over de negatieve kant van het reizen. Laury, afkomstig uit Colorado, overtreft zowat alle anekdotes. Tijdens zijn verblijf in de Costaricaanse hoofdstad San José werd hij na een etentje in een restaurant op twee huizenblokken van zijn hostal nagenoeg overhoop geschoten. Een man duwde hem opzij toen hij zijn pad kruiste en haalde iets tevoorschijn. Laury dacht dat het een mes was en zette het meteen op een lopen. Toen hij achterom keek zag hij dat de man een pistool op hem richtte. Een seconde later hoorde hij een knal en voelde een pijnlijk gevoel ter hoogte van zijn dijbeen. Hij bleef evenwel verderlopen. Aangekomen in de hostal stelde hij vast dat de kogel zijn dijbeen had geraakt. Het projectiel had er zich dwars doorheen geboord. Vitale zenuwen waren gelukkig niet geraakt. Zijn krachtig verhaal krijgt ook een visueel aspect wanneer hij de littekens toont. Twee verschroeide kogelgaten staan er ingebrand als een verdwaalde tatoe.

Gelukkig zijn er ook andere verhalen en andere gasten. Zoals Jacky en Louis, beiden afkomstig uit Amerika. Ze lijken de leeftijd te hebben van mannen die de Vietnam-oorlog hebben overleefd. Eenmaal op pensioen besloten ze een rondreis te maken doorheen Centraal-Amerika. Panama bleek het land van hun dromen te zijn. Ze ontmoetten elkaar in dezelfde hostal, ontdekten een boel raakvlakken en werden vrienden voor het leven. Ze betrekken beiden een schamel kamertje op de benedenverdieping van de hostal. Jacky is opvallend kwistig met informatie over zijn verleden. Louis daarentegen uiterst zwijgzaam. Ze wonen hier reeds een tweetal jaar en het ziet ernaaruit dat ze deze plek nimmer nog zullen verlaten. Ik vraag me af waarom ze niet op zoek gaan naar een mooier plekje dan deze groezelige backpackerstent met zijn 'va et vient' van jonge rugzaktoeristen. Als ik op pensioen ga en ik wil alsnog verkassen, dan hoop ik toch een knusser paradijsje te vinden. Wanneer ik rond half elf de rust van de nacht opzoek en vanuit het balkon nog een blik werp op de wereld onder mij, zie ik Jacky slenteren, arm in arm met een bruingebrande Panamese die me nauwelijks de kinderschoenen lijkt ontgroeid. Dat is dus de ontbrekende schakel in mijn puzzelwerk over de reden van hun langdurig verblijf...

Eind goed, al goed...

Panama - Gatun, 30-07-2008 - (dagboek 7)


Vandaag rond ik mijn verkenningstocht ten noorden van Panama City af. De terugweg voert me via een omweg naar een andere belangrijke doorgang van het Panamakanaal, de Gatun locks. Voor ik Portobelo verlaat, loop ik nog even langs bij de lokale politie. Ik maak me zorgen over de route die ik in mind heb. Op mijn kaart gaat de bocht naar Gatun gevaarlijk dicht tot in het centrum van de stad Colon. Precies dat baart me zorgen. Colon staat aangeschreven als zowat de gevaarlijkste stad van Panama. De criminaliteitcijfers zouden zelfs die van de hoofdstad overtreffen. De dienstdoende agent neemt evenwel alle twijfels weg. De baan draait vier kilometer voor het centrum links op en de route ernaartoe is volledig veilig.

Het fietsen vlot beter dan verwacht en rond half twee in de namiddag doemen vanuit de verte de eerste cargoschepen op. Het schouwspel op de uitkijktoren is hier haast nog impressionanter. Het sluizencomplex verloopt hier namelijk in drie fasen. De naam van het sluizensysteem is genoemd naar het grote nabijgelegen kunstmatig aangelegde Gatun-meer. Deze beslaat maar liefst een oppervlakte van 420 vierkante kilometer. Ik tuur over de eindeloze watermassa waar schepen als miniatuurbootjes in een grote badkuip liggen te dobberen. Met de aanleg en de uitbreiding van het kanaal behoren de reuzeschepen van toen tot de zogenaamde Post-Panamese en de Super-Post-Panamese generatie. Ze werden gebouwd op maat van het kanaal. Naar verluidt is men al volop bezig met het ontwerpen van nieuwe exemplaren, supercargo´s die zo goed als de afmetingen zullen aannemen van de nieuwe sluizen (427 meter lang en 55 meter breed). Graan en olie vormen verreweg de voornaamste vervoerde artikelen. De doorgang zal in de nieuwe vaargeul niet meer gebeuren via de klassieke locomotiefjes, maar via kleine sleepboten. De kosten voor de uitbreiding worden geraamd op een slordige 4 miljard euro. Maar liefst 30 procent van de fiscale inkomsten van Panama vloeien rechtstreeks voort uit het kanaal. Ongetwijfeld is dat ook de reden waarom de Panamezen in oktober 2006 via een nationaal referendum massaal hebben ingestemd met de uitbreiding.

De klok wijst reeds ver over drie uur wanneer ik de Gatun-sluizen verlaat. Voor de duisternis invalt Panama City bereiken, is onhaalbaar en de kans dat ik een goeie schuilplaats vind voor mijn tent is langs de drukke verkeersweg nagenoeg nihil. Het sluizencomplex ligt in een uitgestrekt groen domein waar naast kantoorgebouwen ook huizen staan voor kaderleden en hoge functionarissen. Ik fiets wat rond en ontdek een heel recreatieplein: voetbalveld, looppiste, speeltuin, inclusief een overdekte picknikplaats met zitbanken. Ik aarzel geen minuut en stuur mijn fiets naar de vijf sterren camping. Mijn geluk kan niet op. Er is elektriciteit, verlichting en ijskoud drinkbaar water. Wat kan een verdwaalde zwerver nog meer wensen.

Vlak voor de duisternis invalt, openen andermaal de hemelsluizen. Ik nestel me gemakkelijk op één van de zitbanken en verdiep me in een boek over goudzoekers in Costa Rica. Rond half negen sturen twee lichtbundels mijn riching uit. Ik had het kunnen weten, de nachtpatrouille. Een jonge man draait ietwat aarzelend zijn autoraampje open en wenkt me. In de striemende regen vraagt hij de reden van mijn aanwezigheid. Hij schenkt meteen klare wijn en zegt dat ik me op verboden terrein bevind. De chef van de patrouille wordt opgebeld. Enkele minuten later zie ik regendruppels dansen in vier horizontale lichtstralen. Blijkbaar is er ook versterking op komst. Zie ik er dan zo weerspannig uit? De chef heeft het hoofd van een zwartepiet in fondantchocolade. Zijn rijzige gestalte heeft hem nog extra autoriteit. Nog voor ik spreekrecht krijg, maant hij me aan op te hoepelen. Zijn woorden lijken me evenwel ingepakt in perkamentpapier waardoor ik moeilijk kan opmaken of hij het nu wel of niet meent. Ik doe alsnog mijn verhaal, aangedikt met de nodige meelijwekkende gevoelens, maar het verdict is klaar en duidelijk: neen. Daar gaat mijn vijf sterren camping. Het blijft regenen. Ik voel hoe ik opbots tegen een muur van wetten en regels waar zelfs geen bres in te slaan is. Miljard, waar moet ik op dit haast nachtelijk uur naartoe? De dichtsbijzijnde hotels liggen in Colon, de stad die ik ten allen prijze wil vermijden. Terwijl ik met veel tegenzin en met het nodige dralen mijn tent terug inpak, neemt de jongeman die me op het spoor kwam enkele foto´s met zijn gsm. Ik verlies mijn geduld en zeg hem dat hij er veel meer en van betere kwaliteit kan vinden op mijn website. Mijn opmerking wordt duidelijk niet echt geapprecieerd, want vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe het gezicht van de chef en zijn kompaan zich in een vreemd grimas trekt. Ze kunnen me toch niet zomaar de donkere, natte wereld insturen? Plots krijg ik een lumineus idee en vraag hen of er een politiekantoor in de buurt is. Die blijkt er te zijn, op een kwartier rijden. Het gloeilampje boven m´n hoofd dooft echter even vlug als het gekomen is, want ik heb geen verlichting op mijn fiets en het zint me niet om een stuk in de gitzwarte nacht te rijden. Mijn vraag of ze me ernaartoe kunnen vergezellen, wordt andermaal negatief onthaald. Ze hebben dienstplicht en mogen het terrein niet verlaten. Uiteindelijk overhaal ik hen de politie op te bellen met de vraag me op te pikken. Een kwartier later nadert een blauwrood zwaailicht ons tegemoet. Een veilige vuurtoren in een onstuimige zee. De agenten hebben er geen bezwaar tegen dat ik de nacht in hun kantoor doorbreng en even later zit ik achterin de dienstwagen, mijn fiets trouw tussen mijn dijbenen geklemd.

De kantine ziet er nogal goor uit en er staat enkel een versleten sofa, een lange eettafel, een ouderwetse tv-kast en een grote ventilator. In de sofa zitten twee agenten in burger. Hun dienst zit erop en ze doden de tijd met tv kijken. Net wanneer ik mijn zware fietstassen in de hoek van de groezelige ruimte neerzet, komt de jonge man van de nachtpatrouille binnengewandeld. Hij excuseert zich voor het feit dat hij zijn chef heeft opgebeld en zegt tot driemaal toe dat ik het zeker niet persoonlijk moet opvatten. Ik begrijp de jonge kerel maar al te best. Regels zijn nu eenmaal regels. Wanneer hij vertrekt vraagt hij ietwat onwennig naar mijn webadres. Ik kan mijn glimlach niet onderdrukken.

Ik nestel me aan de andere zijde van de sofa. Ik voel me als een gestrafte deugeniet die na een fikse rammeling van vader toch nog mag aanschuiven op de knusse zitbank. De ventilator maakt het geluid van een propellorvliegtuigje, maar het stoort me niet. De wieken blazen me een zalige koelte toe. Uit wroeging krijg ik chocoladekoekjes en priklimonade toegestopt. Ik ben terug papa´s beste maatje. Hij laat me zelfs toe om naar films voor grote mensen te kijken. Ik zie snelle racewagens en wulpse vrouwen zonder bovenkledij. Papa schuift wat onwennig heen en weer en kijkt schichtig rond of mama nergens in de buurt te bespeuren valt. Ik voel me prinsheerlijk te midden die grote, warme sofa en die beeldende glamourwereld van lichte zeden. Terwijl de aftiteling mijn gezichtje oplicht in zwartwitte letters, vallen m´n oogjes moeiteloos dicht. Het wordt een zalige droomnacht...

Een doodgewone fietsdag...

Panama - Portobelo, 29-07-2008 - (dagboek 6)


Gisteren bleef het de hele dag onophoudelijk regenen waardoor de geplande uitstap naar het andere eind van het eiland in het water viel. Het is hier volop regenseizoen en dat vertaalt zich in hevige buien die worden voorafgegaan door gedonder en gebliksem. Niet meteen het ideale fietsweer. Gelukkig beperkt de neerslag zich meestal tot een fiks onweer en kleurt de hemel na een tweetal uur terug op.

De regen van de voorbije dag heeft ervoor gezorgd dat de gele warmtenevel is verdwenen. Er hangt een helderheid aan de hemel als op een koude herfstdag. De temperatuur loopt evenwel al snel tegen de dertig graden op. Ik gesp de fietstassen aan mijn stalen ros en ga op verkenning doorheen het nationaal park van Portobelo. Voor een groot stuk is het domein ingepalmd door grote kuststroken. Op een boogscheut ervandaan liggen idyllische eilandjes. De kasteelachtige huizen die op de heuvelrug zijn gebouwd wijzen op groot kapitaal. De meeste droomeilanden zijn opgekocht door Spaanse miljonairs die er een buitenverblijfje hebben neergepoot. Het paradijs ligt ook voor hen blijkbaar ver van het thuisfront.

Van het uiterste puntje van het schiereiland kan je ondermeer een daguitstap maken naar Isla Grande. Vooral de maagdelijke witte zandstranden spreken menig vakantieganger aan. Ook de zusters van God hebben deze plek ontdekt, want wanneer ik de kade opfiets, zie ik net een handvol nonnen instappen in een gemotoriseerde kano. Hun sneeuwwitte kappen en muisgrijze plooirokken zullen ze ongetwijfeld niet inruilen voor een blitse bikini. Wulpse nonnen zonnebadend op de Caraïbische stranden, het is nog niet voor morgen. Hun goddelijke vroomheid reikt wel verder dan de beslotenheid van de kloostermuren. Met het vooruitzicht op een meerdaags verblijf in de San Blas eilanden, laat ik de idyllische plek links liggen en fiets ik verder.

Rond drie uur komen donkere, regenachtige wolken opzetten. Per toeval vind ik een verzorgingspost met een groot afdak. Het gebouwtje ligt er verlaten bij en dus kan ik er gerust mijn tent opslaan. De duisternis grijpt om zich heen en in de verte weerklinkt het gerommel van een zoveelste naderend onweer. Met een dubbel dak boven mijn hoofd hoef ik niets te vrezen...

Portobelo en zijn nostalgisch piratenverleden...

Panama - Portobelo, 27-07-2008 - (dagboek 5)


De baai van Portobelo is als een omwalde stad. Vestingmuren met schietgaten en welgemikte kanonnen liggen er eeuwen later nog haast intact bij, alsof het morgen opnieuw een aanval van piraten verwacht. Portobelo was meer dan 200 jaar lang de belangrijkste handelshaven tussen beide Amerika´ s. In de koloniale periode werd massaal goud en zilver vanuit Zuid-Amerika verscheept naar het Spaanse rijk. De lange weg verliep gedeeltelijk over land, van Panama stad naar Portobelo. Daar werd de zilvervloot tijdelijk gestockeerd in het immense pakhuis en bewaakt door garnizoenen tot een schip het uiteindelijk naar Spanje zou vervoeren. Maar er waren evenwel kapers op de kust; piraten die voor eigen rekening werkten en corsario´s (boekaniers) die in opdracht van de Engelse of Nederlandse kroon handelden. Rijkdom betekende macht en dat was in die dagen niet anders. Het financieel en politiek belang die de Engelse en Nederlandse staat hadden bij de plundering van de Spaanse vloot was dan ook niet gering.

Maar Portobelo was niet zomaar een handelshaven, het was een zwaarbewaakte en oninneembare vesting. De Engelse schepen stonden vaak voor een ongelijke strijd. Het zware afweergeschut en de verdedigingsgordel beschermden Portobelo als een onverwurmbare bolster. Waar de koninklijke vloot niet in slaagde, bereikten de piraten onder leiding van Francis Drake en Henry Morgan evenwel moeiteloos. Henry Morgan vatte het subtieler op en viel in 1668 Portobelo aan over land. In opdracht van de Engelse koningin Elisabeth legde hij zijn vloot aan, een paar kilometer te noorden van Portobelo, trok met zijn gevolg door de jungle en viel het Spaanse garnizoen in de rug aan. Morgan was sluw en geslepen. Bij de bestorming liet hij gevangen genomen priesters en nonnen voorgaan. De Spaanse soldaten wilden onder geen beding een 'onschuldig' bloedbad aanrichtten en in een mum van tijd was de strijd dan ook beslecht. Hun verrassingsaanval was verpletterend. Maar de grote genadeslag staat evenwel op naam van een andere Engelse zeeman, admiraal Edward Vernon. Zijn aanval maakte Portobelo zo goed als met de grond gelijk. De Spanjaarden moesten vanaf 1739 noodgedwongen hun galjoenen langs de omslachtige en gevaarlijke Kaap Hoorn-route sturen. Portobelo werd midden 18de eeuw opnieuw heropgebouwd, maar de glorierijke onaantastbaarheid was voorbij. Portobelo raakte in verval en Cartagena nam de rol van belangrijkste exporthaven van zilver over.

Ik wandel doorheen de restanten van een versterkte stad. De overblijfselen van het oude Portobelo zijn indrukwekkend: metersdikke verdedigingswallen met uitkijktorentjes, u-vormige schietgaten waarin de loop van door weer en wind verroeste kanonnen liggen, een pakhuis dat ooit tot aan de nok gevuld was met gestolen rijkdom uit Zuid-Amerika. In mijn fantasie zie ik hoe verwoestend geschut loden kogelballen afvuren en inbeuken op de voorstevenen van de naderende schepen. De avondlucht vult zich met kruitdampen en het geknetter van oplaaiend vuur na een zoveelste voltreffer. Gewonde soldaten met zadelhelmen worden ijlings afgevoerd naar een dichtbijgelegen verzorgingspost. Overboord gekatapulteerde vijanden spoelen als levensloze drenkelingen aan. Portobelo staat in vuur en vlam. De schuin aflopende wallen vormen een openluchtmuseum zonder conservator, zonder camerabewaking. Eenieder kan er vrij rondlopen en wie dat wenst kan huiswaarts keren met een kanon onder de arm. Een soevenirjager is wellicht niet verder geraakt dan tien meter, want één van de loodijzeren schietgeweren is uit zijn vertrouwde plek gehesen en is een drietal meter lager op de begane grasbodem terechtgekomen. Misschien had hij beter zijn snode plannen kenbaar gemaakt aan Zwarte-Christus.

In de kerk van de Nazareeër -dat het hoofdplein domineert- bevindt zich het zwarte Christus-beeld. Vanuit zee kwam het aangespoeld en vanaf die dag nam de cholera-epidemie af die de stad al maanden teisterde. Het beeld werd meteen wonderen toegedicht en er ontstond een jaarlijkse hallucinante processie waarbij de Christus werd aanbeden. Ook nu nog vindt deze pelgrimstocht plaats. Elk jaar op 21 oktober stromen 10.000 gelovigen samen. Ze komen van heinde en verre, sommigen op handen en voeten kruipend, een zwaar kruis torsend op de schouders. De zwarte Christus is uitgegroeid tot een icoon en wordt zelfs door Ismael Rivera bezongen. De buste van deze Puertoricaanse zanger -die is uitgegroeid tot een legende op het gebied van de Latijns-Amerikaanse salsa-, staat te glimmen als een goudklomp op de plaza van Portobelo. Wanneer ik voor het borstbeeld sta, hoor ik op een boogscheut daarvandaan Franse muziek uit een bar schallen. Op het uithangbord prijkt de naam van de Engelse zeerover Francis Drake. De eigentijdse zuiderse muziek mag dan wel plaats gemaakt hebben voor de schore, doorrookte stem van Renaud Sechan; de zweem naar het piratenverleden zal wel altijd een stukje aanwezig blijven in Portobelo...

Op het kruispunt der wereldzeeën...

Panama - Panama City, 26-07-2008 - (dagboek 4)


Het paradepaardje van het Panamakanaal bevindt zich nauwelijks op 25 km van Panama City, meerbepaald in Miraflores. Een ideaal fietstochtje om de stramme benen, na een maand als backpacker te hebben rondgehotst van hot naar her in Peru, los te maken. Een hoofdstad uitfietsen vind ik allesbehalve een lachertje en ook hier in Panama City moet ik serieus uit m'n doppen kijken. Wagens en vrachtverkeer zoeven langs me heen en toeteren me meermaals de berm in. De ingenieuze uitvinding van fietspaden is hier nog verre van ingeburgerd.

Langs de kanaalweg fiets ik voorbij resten van Amerikaanse aanwezigheid. Achter een gordijn van prikkeldraad staan woonbarakken en adminstratieve gebouwen in rode baksteen. Na de overdracht van het kanaal heeft de Panamese bureaucratie er zijn intrek genomen. Het geheel heeft iets weg van een Amerikaanse universiteitscampus. Vanuit de verte hoor ik het stoomgeluid van cargoschepen die zich moeizaam doorheen de landengte tussen twee oceanen wringen. Naarmate ik de kanaalzone nader, vang ik af en toe een glimp op van de stalen reuzen: de boeg, de kajuit, de achtersteven. Ze worden gefilterd door hoge boomkruinen en bosjes groen. Twintig minuten later sta ik oog in oog met een van de meest ingenieuze bouwwerken van de wereld. Wat de Fransen niet klaarspeelden, lukte de Amerikanen wel: een doorgang forceren tussen de Atlantische en de Stille Oceaan. Het kanaal is doorheen de jaren uitgegroeid tot dé toeristische troefkaart van Panama. Op de speciaal ontworpen uitkijktoren met diverse platforms troepen honderden toeristen bijeen. Vrouwen met peuters op de arm, mannen met filmcamera of fototoestel in de aanslag. Allen hebben ze zich verzameld om de werking van de sluizen van dichtbij te kunnen meemaken. Door een megafoon wordt uitleg gegeven in het Spaans en het Engels.

Ik kijk over de reling heen naar dit kruispunt van wereldzeeën en geraak niet uitgekeken op dit complex sluizensysteem. Het zeeniveau van zestien meter wordt opgevangen in twee fasen waarbij de schepen systematisch gewijs worden opgetild naar het juiste niveau. De sluizen spelen hierbij een primordiale rol. Eenmaal het schip de vaargeul van een eerste doorgang bereikt, worden de sluisdeuren achteraan afgesloten. In een razensnel tempo van 8 tot 10 minuten wordt in de belendende sluizengang water opgepompt tot 197 miljoen liter zodat het schip probleemloos een vrije doorvaart heeft. Om de doorgang in de sluizen te vergemakkelijken en ongelukken te voorkomen wordt gebruik gemaakt van locomotiefjes. Deze begeleiden de schepen tot aan het einde van de sluis. Het spektakel is een must voor het oog. In het totaal is de kanaalzone 80 km lang en duurt een volledige doortocht gemiddeld 10 tot 12 uur. De schepen die er doorvaren betalen jaarlijks meer dan een miljard dollar aan tolgelden. De inkomsten aan tol van het afgelopen jaar worden geschat op 1,76 miljard. Het hoogste bedrag ($ 317.142) dat een cargoschip ooit neertelde was het vrachtschip 'MSC Fabienne'. Onlangs werd dit recordbedrag overschreden door het Cruisschip 'The Disney Cruise Line' die maar liefst $ 331.200 ophoeste. Het Panamakanaal is big business geworden.

Op mijn terugweg doemt de imposante 'Amerika brug' op die de baai van Panama overspant. Ik rij voorbij containerterminals en immense hijskranen. Vanop verre afstand leek het een soort legoland in volle beweging. Nu ik er naast fiets zijn de afmetingen van de legoblokken en de grijpkranen duizelingwekkend. In gedachten verzonken bedenk ik dat het best wel vreemd is dat het mensdom in staat is geweest om een kanaalzone te bouwen dat twee continenten met elkaar verbindt, maar dat een doodgewone autosnelweg tussen Panama en Colombia een Herculustaak bleek te zijn. De befaamde Panamericane loopt theoretisch gezien van Alaska tot Vuurland in Argentinië, maar wordt evenwel onderbroken tussen Panama en Colombia. Nu ja, wellicht is het ook een politiek-strategische zet. Door het uitblijven van een verbinding over land blijven de Colombiaanse guerrilla en de drugstrafikanten netjes in hun land. Om maar nog niet te spreken van de migratiegolf die onvermijdelijk op gang zou komen. Alles heeft zowat zijn reden in de geschiedenis, ook datgene wat er niet is...

Het Panamakanaal...

Panama - Panama City, 25-07-2008 - (dagboek 3)


Het verhaal achter het Panamakanaal is er één van bravoure, tegenslagen en doorzettingsvermogen. Een stuk geschiedenis dat tot in de details is weergegeven in het Kanaalmuseum, hartje San Felipe. Twee uur lang laat ik me onderdompelen in een scheepsvaartverleden dat onmiskenbare politieke belangen had en dat tot op vandaag zijn stempel drukt op de wereldhandel. Het verhaal begint bijna als een sprookje...

Er was eens een zeker Ferdinand de Lesseps. De Franse ingenieur die zijn naam had verbonden met het Suezkanaal dacht zijn roem nog wat extra in de verf te kunnen zetten en stemde toe met de leidinggevende functie bij de opdracht van het Panamakanaal. De bouw ervan had evenwel behoorlijk meer voeten in de aarde dan het Suezkanaal in Egypte dat de Atlantische Oceaan in verbinding stelde met de Indische Oceaan. 'La Compagnie Universelle du Canal de Panama' raakte niet verder dan een doorgang van 30km. Gebrek aan overleg, aan vakbekwaamheid bij de bestuurders, schaamteloos financieel gesjoemel en het hoge dodental (22.000) onder de arbeiders door ondermeer malaria en gele koorts, resulteerde in een rampzalige onderneming. In 1889 werd het Franse bedrijf failliet verklaard en verschenen de Amerikanen op de toneel.

De Verenigde Staten verkeerden op dat moment in volle commerciële expansie en hadden dus alle belang bij een snelle verbinding tussen de Stille- en de Atlantische Oceaan. Maar ook militair-strategisch gezien was hun inmenging van belang. Een militaire basis in Panama zou hen in staat stellen hun troepen snel te mobiliseren en dit aan beide kanten van de Oceaan. Panama die toen nog een Colombiaanse provincie was, wachtte de goedkeuring van de Colombiaanse macht in Bogota niet af en verklaarde zich in 1903 onafhankelijk. Colombia reageerde daarop door een troepenmacht te verzamelen en de opstandige republiek tot de orde te roepen, maar de aanwezigheid van Amerikaanse oorlogsschepen voor de Panamese kust bracht hen evenwel op andere gedachten. Op 18 november 1903 ondertekenden de Amerikaanse en de Panamese overheid het verdrag van Hay-Bunau-Varilla, waardoor Amerika de 'eeuwige' zeggenschap opeiste over het kanaal en de acht kilometer brede zone aan weerszijden ervan. De hoofdingenieur John Stevens zette meteen een grondige inspectie en revisie van de Panama spoorlijn hoog op zijn agenda. De spoorlijn zou van essentieel belang worden voor het transport van de uitgegraven aarde. Ondertussen hadden de Amerikanen ook geleerd uit de fouten van de Fransen. Er kwam een gezondheidsprogramma om malaria en gele koorts tegen te gaan. Moerassen werden gedraineerd en drinkwater werd aangevoerd. John Stevens kwam op de proppen met het plan om een stuwmeer aan te leggen en een complex systeem van sluizen zodat de schepen het niveauverschil van 40 cm tussen de Atlantische en de Stille Oceaan konden overbruggen. Hij wist de toenamige president Roosevelt te overtuigen van zijn huzarenstukje en kreeg het licht op groen. Geheel onverwacht diende Stevens een jaar later zijn ontslag in. Roosevelt besliste dan maar om hem te laten opvolgen door iemand die geen ontslag kon nemen: de genieofficier George Washington Goethals. Hij bleef op post tot de opening van het kanaal in 1914.

Pas op 31 december 1999 ging het kanaal weer over in Panamese handen. Deze overeenkomst was in 1977 bezegeld tussen de toenmalige Amerikaanse president Jimmy Carter en de lokale militaire leider Omar Torrijos. Met de overdracht van het kanaal verdwenen ook de zes militaire basissen, de tweetalige verkeersborden en niet in het minst duizenden banen. Ondertussen heeft de Panamese regering niet stil gezeten. Om de kop te bieden aan de groeiende expansie binnen de scheepvaart is men sinds vorig jaar gestart met de uitbreiding van het Kanaal. Het project voorziet ondermeer een nieuwe vaargeul en een verbreding van de sluizen. Kostenplaatje: 3,36 miljard euro. Deze keer werd de opdracht toegekend aan het Nederlandse ingenieursbedrijf DVH uit Amersfoort. Na de Fransen en de Amerikanen wordt er dus een Nederlands luik aan toegevoegd...

Een voorteken?

Panama - Panama City, 24-07-2008 - (dagboek 2)


Tot nu toe bleef mijn verkenning in Panama City, en in het bijzonder de San Felipe buurt, beperkt tot het kris kras rondstruinen. Vandaag wil ik het wat grondiger aanpakken en gewapend met wat documentatie van het plaatselijk infobureau voor toerisme ga ik op verkenning. Mijn eerste halte, de kerk San Jose, is al meteen goed voor een stukje geschiedenis. Het huidige massief gouden altaarstuk bevond zich in de 17de eeuw in het oudste gedeelte van Panama, Panama Viejo. Het was precies dit gedeelte dat onder de verwoestende terreur viel van de Engelse piraat Henry Morgan en zijn gevolg. Alles wat waardevol was, werd geplunderd en wat overbleef, staken ze vernielzuchtig in brand. Panama City stond in lichterlaaie. Om te verhinderen dat Morgan ook het altaar zou stelen en verschepen, hadden de bewoners het zwart geschilderd. Het is alleen goud wat blinkt, moet hij gedacht hebben. Morgan had beter moeten weten...

Twee huizenblokken verder staat er nog een kerk, la Iglesia de San Fransisco. De oude kathedraal kijkt uit op het belangrijkste historische plein van de stad, el Parque Bolivar. Het was op deze plaats dat de vrijheidsstrijder van Zuid-Amerika, Simon Bolivar, in 1826 een redevoering ten beste gaf over de eenheid en de onafhankelijkheid van de Latijns-Amerikaanse landen. Het heeft hem zelfs in Centraal-Amerika, meerbepaald in Panama City, een standbeeld opgeleverd. Zijn ruiterlijk paard heeft plaats gemaakt voor twee adonissen die elkaar een bloem aanreiken.

Rond het Bolivar-plein staan lommerrijke bomen die zorgen voor de nodige afkoeling. Mensen van alle slag en soort houden er even halt, zoeken een plaatsje op één van de vele houten zitbanken en vervolgen een weinig later hun weg. Een ineengezakte momentopname... Ik observeer vanuit mijn schaduwplekje het leven dat zich voor mij afspeelt. In de rol van figurant sla ik de rest van het toneel gade. Een zwaarlijvige zestiger heeft zich ostentief op het doorgangspad gestationeerd. De vuilgele striemen in zijn witte T-shirt verraden een fastfood dieet en zwaarlijvigheid. Op een of andere manier doet hij me denken aan het witte Michelin-ventje. Telkens een passant voorbijloopt, strekt hij zijn mollige hand en vingers uit. Het lijken wel kippenbouten. "Ayudame, dinero para comer, por favor..." (Help mij, wat geld om te eten, a.u.b....) Na een kwartier is zijn hand nog even leeg. Ietwat verscholen onder het houten gebinte van de kiosk gluren twee spiedende oogjes 180 graden in het rond. Het zijn de alziende ogen van de bewakingscamera. Ik heb steevast moeite om de aanwezigheid van 'big-brother' in te schatten. Zijn ze opgesteld om de waakzaamheid te verhogen en impliceren ze dus dat deze buurt niet optimaal veilig is? Of is het gewoon om het veiligheidsgevoel aan te wakkeren en de veiligheid te stabiliseren?

De middagzon is broeiend heet en herleidt het toneel tot een weinig opwindend spektakel. Tijd om op te stappen. Ik loop voorbij het Teatro Nacional dat iets weg heeft van een grote bonbondoos. De opvallende caramelkleuren laten alvast weinig tot de verbeelding over van wat er aan de binnenkant te smullen valt. Wanneer ik aanstalten maak om naar binnen te gaan, rolt een keukenmes voor mijn voeten. In een fractie van een seconde wisselt mijn blik die met een sjofele straatveger. De man grijnst, buigt voorover, steekt het glimmend lemmet zonder verpinken opnieuw in zijn achterzak en duwt zijn ijzeren vuilkarretje voor zich uit. Is dit een voorteken? Door de verwarring loop ik verderdoor en bereik per toeval 'la Plaza de Francia'. Het plein is opgedragen aan de 22.000 arbeiders (grotendeels van Franse origine) die het leven lieten bij de bouw van het beroemde Panamakanaal. Achteraan staan de borstbeelden van de Franse ingenieurs die aan de wieg stonden van het kanaal. We schrijven eind 19de eeuw. Panama was toen nog een provincie van Colombia. Het land dat toen al verwikkeld was in bloedige burgeroorlogen gaf de concessie voor de doorgang tussen de beide oceanen aan 'la Compagnie Universelle du Canal de Panama' van Ferdinand de Lesseps. Deze Franse ingenieur-diplomaat had zijn sporen verdiend als bedenker van het Suezkanaal. De aanleg van het Panamakanaal onder zijn leiding was evenwel een flop. Van 1880 tot 1889 hadden de Fransen nauwelijks dertig kilometer gegraven en verloren hierbij 22.000 arbeiders het leven, voornamelijk door het oplopen van ziekten zoals malaria en gele koorts. Na een financiaal schandaal werd het bedrijf failliet verklaard en namen de Amerikanen de taak over. Het zou leiden tot het verdrag van Hay-Bunau-Varilla. Dit gaf de Verenigde Staten zeggenschap over het kanaal en over een strook van acht kilometer aan weerszijden van het water. Pas in 1999 kregen de Panamezen het kanaal terug in eigen handen.

In gedachten verzonken wandel ik straatje in, straatje uit. De huizen zijn vaak niet meer dan houten krotten, in zeven haasten ineengetimmerd met wat men voorhanden had. Golfplaten daken zwiepen armtierig tegen losgeslagen balken. De bouwvalligheid hangt niet alleen boven mijn hoofd, ook op de grond is het ellende troef. De straatgreppels liggen bedolven onder stinkend vuilnis en rottend afval. Een haveloze man urineert achteloos tegen de afgebladerde gevel van een vervallen pand. Uit het openstaande portiek van een ineengezakte woning schallen oorverdovende beats. De muren zijn bewerkt met graffiti. Ik voel hoe ogen me uit alle hoeken bespieden. Dit is duidelijk een buurt waar je beter weg blijft. Desondanks voel ik me niet echt ongemakkelijk. De grote winkelstraat, la Avenida Central, is slechts een boogscheut hiervandaan en op het trottoir loopt een vrouw met een stel jellende kinderen aan haar hand. Een donker bruingetinte man met snor steekt zijdelings de straat over en komt naar me toegelopen. "Que haces tu por aqui? Esta lugar es muy peligroso! Seguime! (Wat doe je hier? Deze buurt is onveilig! Volg mij!) Anderhalve minuut later staan we op het Sint-Anna plein. De man stelt zich voor als Lorenzo en zegt dat ik ontzettend veel geluk heb gehad. Blijkbaar werd ik gevolgd door twee jonge snaken die het op mijn rugzak met fototoestel hadden gemunt. Was het keukenmes dan toch een voorteken?

Panama City: walsend tussen rijkdom en armoede...

Panama - Panama City, 22-07-2008 - (dagboek 1)


Ik heb mijn intrek genomen in 'Casoviejo' in hartje 'San Felipe', de koloniale buurt van Panama City. Na een omzwerving van twintig maanden in Zuid-Amerika is het centrale continent nu aan de beurt. Vanop de landkaart gezien is dit werelddeel in oppervlakte slechts een kleine langgerekte vlek ten opzichte van zijn grote tegenganger, Zuid-Amerika. De landen kronkelen zich een weg langs de Caraïben en de Stille Oceaan. Als ik het rijtje afloop dan zijn er maar drie landen die goed scoren als toeristische reisbestemming: Guatemala, Costa Rica en Belize. De rest (Panama, Nicaragua, El Salvador en Honduras) profileert zich veel minder als vakantieland. De ontdekkingstocht zal er misschien des te boeiender worden.

Ik moet eerlijk bekennen dat mijn associaties met Panama niet verder reiken dan het wereldberoemde kanaal, de grote sigaren en de gevlochten Panamahoeden -die trouwens niks met Panama gemeen hebben, maar op en top een Ecudoriaans product zijn-. Reden te meer om mijn verkenningstocht te starten in de hoofdstad, Panama City. De uitgestrektheid ervan viel me reeds op toen ik voor dag en dauw al fietsend de internationale luchthaven 'Tocumen' verliet, richting het stadcentrum. De 30 kilometer lange rit was al meteen goed voor een eerste kennismaking met de Panamese politie. Fietsen op de autosnelweg, of beter gezegd op de pechstrook ervan, is ook in Panama niet toegestaan. Mijn gok dat ik op dit onchristelijk uur (6 uur zondagmorgen) geen agenten zou bespeuren, was een kleine misrekening. Na een goeie 10 kilometer werd ik prompt aangemaand om de eerst volgende afslag te nemen. Mijn verbazing was des te groter toen ik vaststelde dat de agenten perfect Engels spraken. Veel Panamezen zijn van oorsprong afkomstig uit Jamaica en Trinidad en spreken dus naast het Spaans ook Engels. De invloed van de Amerikanen zal er ongetwijfeld ook toe bijdragen. De nationale munteenheid is trouwens de dollar. De lokale munt, de Balboa, bestaat ook nog, maar dan enkel als munt. Voor de bankbiljetten gebruikt men de Amerikaanse dollar.

De buurt waar ik verblijf straalt een zekere dualiteit uit. Aan de ene kant is er de charme van het koloniale verleden, maar terzelfdertijd hangt er ook een vleug van troosteloosheid en verpaupering. De met zorg gerestaureerde panden zitten geprangt tussen verloedering en ondergang. De bouwvallige gevels verraden leegstand en armoede. San Felipe, de wijk rond de politieke macht mag dan wel in de kleurrijke toeristische folders gepromoot worden als pittoresk, de werkelijkheid toont een heel ander beeld. De buurt ademt een nooit gezien contrast uit. De gerestaureerde panden leunen schilderachtig mooi tegen de schouders van verval. Waar ik mijn pion ook verplaats op het dambord van steegjes en straatjes, overal overvalt me die tegenstelling. Uitbulkende rijkdom staat er haaks tegenover schrijnende armoede en verdoezelde leegstand. De wapperende was echter verraadt dan weer een opeengepakte bewoning. Nog confronterender wordt het wanneer ik ontdek dat het Presidentieel Paleis zich op twee cuadras (huizenblokken) bevindt van de slumps. Het witgekalkte gebouw kijkt majestueus uit over de deinende Grote Oceaan. Een speciaal aangelegde promenade wordt geflankeerd door pleintjes en pastelkleurige gebouwen. Ze herbergen ambassades en culturele accomodaties.

De buurt werd in 1997 uitgeroepen tot werelderfgoed van Unesco. Deze prestigieuze lauwering is voor de stad een extra impuls om verdere leegstand tegen te gaan. San Felipe lijkt wel op een bouwwerf. De residentiële woningen en functionaris-gebouwen weerspiegelen zich tevens in een kleine machtsontplooiing. Op haast elke straathoek staan agenten in groepjes van twee te keuvelen, terwijl de toersitenpolitie per fiets rondpatrouilleert. Diverse pleinen en omliggende straten zijn voorzien van discrete camerabewaking. Het veiligheidsgevoel schiet zijn doel evenwel voorbij. De blauwe zone is nauwelijks drie huizenblokken groot. De wet van de orde houdt op ter hoogte van het Herera-plein. Mijn hostal is er zich slechts twee cuadras van verwijderd.

De San Felipe buurt is -ondanks de verhoogde inspanningen om de wijk te herwaarderen- het kosmopolitisch centrum van de haveloosheid die zich vertaalt in sociale onrust en een niet geringe criminaliteit. Het heeft zich de voorbije jaren uitgespreidt naar de volkswijk 'el Chorillo'. De autovrije winkelstraat, la Avenida Central, loopt er midden doorheen. De aorta van de commercie laat gekoelde airco stromen over zijn plaveistenen, terwijl de zijstraten een broeinest vormen voor de onderwereld. De lang uitgesponnen handelsstraat kruist la Avenida Balboa, genaamd naar Vasco Nunez de Balboa, een Spaanse conquistador en stichter van de kolonie te Darien in het huidige Panama. Van hieruit werp ik een blik op de torenhoge wolkenkrabbers. Ze maken deel uit van de skyline van Panama City. Rijkdom en armoede walsen er op een tegel groot, maar het ontbreekt hen aan de gracieuze bewegingen.