Afscheid van Bolivië... |
Bolivië - La Paz, 23-10-2007 - (dagboek 7) |
Verschrompeld, ingesloten land. Verstoten van elke zeetoegang klamp je je vast aan eeuwenoude tradities.
Je vereert Pachamama -Moeder Aarde- en torst het wassen beeld van Maagd Maria als een prinsenkind.
Ondanks je schamel manteldeken dans je de armoede weg
en omarmt me met je gulle lach.
Feesten zit in je bloed, verpersoonlijkt in swingende parades
en kakofonische dronkemansorkesten.
Je straten zijn een openluchtmarkt, een lappendeken van gebolhoede dames die zich ontpoppen tot kleine zelfstandigen.
Het sneeuwwitte Cordillera Real-gebergte en de weelderige, benauwde oerwouden bezorgen je een toeristische status.
Land van extreme uitersten, balancerend op de dunne lijn
tussen authenticiteit en volksverlakkerij.
Je hebt me welkom geheten in de bedding van je heupen.
Ik wieg nog na...
Taquile: een bijzonder eiland... |
Peru - Taquile, 19-10-2007 - (dagboek 6) |
 |
 |
 |
 |
Het zustereiland Taquile is slechts een uur varen van Amantani, maar vormt een wereld van verschil. Taquile is kleiner en drukker. Doordat het dichter bij Puno ligt, krijgt het meer dagjesmensen over de vloer. Taquile onderscheidt zich ook door zijn bewoners. De kledij van de mannen heeft iets Grieks: een zwarte broek, een spierwit geweven hemd, een sierlijke buikband (fajas), een geborduurd zwart vestje en een knotsgekke zelfgebreide muts met kwast. Aan het hoofddeksel kan je hun huwelijke staat herkennen. Vrijgezellen lopen rond met half witgekleurde puntmutsen waarvan de kwast naar beneden hangt, terwijl gekleurde chullos worden gedragen door getrouwde mannen. Het huwelijk is op het eiland bovendien heilig. Echtscheidingen zijn er taboe. Onze westerse maatschappij zou er nog iets van kunnen leren...
Ook de vrouwen hanteren een bepaalde huwelijkscode die zich weerspiegelt in de kledij: een kleurloze zwarte rok voor getrouwde vrouwen, een speelse frivole kleur voor chicas calientes. In Taquile zal je niet vlug een blauwtje oplopen...
Mannen dragen daarenboven een met cocabladeren gevulde buideltas. Begroeting gebeurt hier niet door handgeschud, maar door het uitwisselen van cocabladeren. Ik geraak niet uitgekeken op de gekke hoofddeksels die me doen denken aan slaapmutsen.
Siësta houden, lijkt bij de eilandbewoners evenwel niet aan de orde. Vrouwen lopen al spinnend rond, terwijl mannen rustig zitten te breien. Je zou zowaar denken dat hun cultuur van strenge werkethiek luiheid verbiedt. Het handwerk wordt door een coöperatieve verkocht die zijn tenten heeft opgeslagen in een ongezellig, twee verdiepingen tellend betonnen gebouw op het centrale dorpsplein. Tegen de wand hangen honderden zelfgebreide mutsen. Ze vormen een kleurrijk wandtapijt van noeste arbeid.
Taquile was in het begin van vorige eeuw een ballingsoord voor politiek gevangenen. Anno 2007 is daar geen spoor meer van terug te vinden. Op politiek vlak gaat het er immers gemoedelijk aan toe. Op zondagmiddag komen burgemeester en raadsleden op de Plaza de Armas samen waar ze in het openbaar besluiten, wetsvoorstellen en rechtsgedingen aankondigen. Communautaire geschillen en moeizame gesprekken over regeringscoalities zijn er onbestaande. Misschien kan formateur Leterme -of is de fakkel ondertussen alweer doorgegeven?- hier eens wat ideeën komen opdoen?
Taquile is op z´n zachts uitgedrukt een bijzonder eiland waar tradities nog in ere worden gehouden. Voorlopig niet omwille van de eendagjestoeristen, maar voor hoe lang nog?
Amantani: een elektriciteitsloos eiland... |
Peru - Amantani, 18-10-2007 - (dagboek 5) |
 |
 |
 |
 |
Ik ben op weg voor een tweedaagse excursie naar Taquile en Amantani, twee natuurlijke eilanden gelegen te midden van het Titicacameer. Met een oppervlakte van 8000 vierkante kilometer en een hoogte van 3800 meter mag Titicaca de titel van ´s werelds grootste en hoogste bevaardbare meer op zijn rever spelden. Door de vele inhammen en baaien laat de omvang van de watermassa niet echt in zijn kaarten kijken. Een eiland blijkt een landtong te zijn, de oever een eiland.
Wie een tweedaagse excursie boekt, maakt een obligate tussenstop op de Uros-eilanden. Zingend en handklappend word ik samen met een twintigtal andere toeristen hartelijk welkom geheten op het drijvende Pachamama-dorpje. Andermaal kokhals ik van de wijze waarop de Aymara´s, de huidige bewoners, dingen naar de gunst (lees: klinkende munt) van de toerist. Eén van de zeldzame mannen op het eiland -de meesten gaan overdag werken in Puno- gooit een handvol vissen naar een hoenderachtige vogel. Terwijl een toerist gretig het tafereel digitaliseert, roept de man in cadans: ¨un sol, dos sol, tres sol, quarto sol,...¨ De foto-shoot kost de onwetende amateur-fotograaf een slordige acht sol (€2). De geldwolven gaan nog verder. Wil je het drijvend schooltje bezoeken, dan
kan dat enkel in de door hen gebouwde drakenkopboten. Kostprijs per persoon: 10 sol (€2,5). Toeristen dienen nu eenmaal om uitgemolken te worden, zeker in Peru...
Ook op het eiland Amantani hebben ze het toerisme ontdekt, al gaat het er allemaal wat gemoedelijker aantoe. Amantani ligt op een goeie drie uur varen van de Uros-eilanden en draagt het begrip ´duurzaamheid´ hoog in zijn vaandel. Aanmeren kan er enkel met hun boten en hotelpromotoren worden onverrichterzake huiswaarts gestuurd. Toeristen worden er ondergebracht in de schamele woningen van de bewoners. Op het marktplein, waar een standbeeld van de allereerste Inca-koning prijkt, worden we opgewacht door een tiental vrouwen in typische klederdracht: een kleurrijke wijde rok, een fraai geborduurde blouse en over het hoofd een groot zwart doek opgesmukt met geduldig borduurwerk. Ik word samen met Vanessa en Jesie -toevallig ook cyclisten- toegewezen aan de minzame Virginia. Ik volg haar voetsporen, kleine terrasveldjes achter me latend. Haar huisje ligt een paar honderd meter lager. Het lemen optrekje heeft een betonnen aanhangsel en straalt tegelijk iets pittoresk en primitief uit. Of is dat hetzelfde? In het betonnen gebouwtje staan vier gammele bedden waarvan de matras is vervaardigd uit riet, een wankel tafeltje, vier ongelijke stoelen en een half opgebrande kaarsstomp. Aan de muur hangt een achtergelaten, vergeelde landkaart van Mexico, gesigneerd Michael Dog. Virginia komt enkele tellen later met ons middagmaal: quinoa-soep, kaas met aardappelen, rauwe groenten en een glas mate de muna, de lokale wilde muntthee.
Rond vier uur in de namiddag verzamelen we met z´n allen op het centrale plein vanwaaruit we een wandeling maken naar Pachatata, het hoogste punt van Amantani. Een net iets te keurig aangelegd wandelpad wordt omzoomd door breiende vrouwen die hun zelfgemaakte artisanale produkten op bontkleurige straattegels aanprijzen. De commercie loert er achter elke steen, steeds aan de oppervlakte drijvend, als een rieteiland...;
Met zowat alle aangespoelde toeristen, een goeie honderd schat ik, wachten we de zonsondergang af. De oranjerode vuurbol zakt langzaam weg en kleurt het luchtruim geelzwart. Digitale camera´s flitsen een sterrenhemel aan licht. De zon verdwijnt steeds dieper achter een heuveltop en gure wind dringt zich op. Tijd om op te stappen.
´s Avonds twinkelen fonkelende kruisjes als sneeuwkristallen aan het firmament. Getooid in traditionele klederdracht zakken we met z´n drieën af naar de lokale feestzaal, een obscuur zaaltje in het verlengde van een tienda, een kruidenierswinkeltje. Drie jong lui vormen een orkestje: een panfluit, trommel en charango. Onze toevertrouwde huismoeder, Virginia, nodigt me ten dans. Ik heb wat moeite met dat opgedrongen vertier en verkies om weg te dromen bij de wonderlijke sterrenhemel. Ik staar naar het oplichtend gordijn van gebroken zwart. Onder mij ligt een glinsterende laca Titicaca, terwijl in de verte de onvaste toon van één van de muzikanten weerklinkt. Ik haal mijn kleine mondharmonica tevoorschijn, zoek me een gemakkelijke rotsblok uit en speel m´n eigen melodie, m´n eigen zwerversleven. Melancholie vult de nacht en voegt een nieuwe episode toe aan mijn kunstwerk. Een verdwaalde noot tuimelt ongelukkig van de notenbalk en doet me huiswaarts keren. Het kronkelend hijgpad is afgeboord met uitgedoofde verlichtingspalen. Ze staan er sinds 1997, maar licht is er niet. Er zou geen olie zijn voor de generator. Het elektriciteitsloze eiland is al volledig ingedommeld wanneer ik het te lage deurtje van de kleine woonst open. Ik werp nog een laatste blik naar de zee van sterren, een laatste groet, een laatste noot...
De schoorstenen graftombes van Sillustani... |
Peru - Sillustani, 17-10-2007 - (dagboek 4) |
 |
 |
 |
 |
Mijn voornemen om op één van Uros-eilanden te overnachten,heb ik gisteren tijdens m´n onthutsend bezoek laten varen. Toen we het derde en laatste eiland aandeden, zag ik bij onze aankomst hoe een stokoude vrouw in zeven haasten plaats nam achter een uitgeholde maalsteen. Met een grote sikkelvormige kei plette ze enkele graankorrels. Wanneer ik m´n fototoestel bovenhaalde, toverde ze spontaan een halve kalebas tevoorschijn ¨Propina, caballero, por favor...¨ Voor alles moet er op de drijvende dorpjes betaald worden, zelfs voor de in scène gezette schijnbare tradities.
Puno is niet alleen de uitvalsbasis voor een bezoek aan de Uros-eilanden. Op een goeie 30 km ten noorden van Puno bevinden zich tevens de graftombes van Sillustani. De pre-Incarunes liggen op een fabelachtig schiereiland dat bijna geheel wordt omringd door het Umayomeer. De stenen graftombes lijken vanuit de verte op verdwaalde domino-steentjes. Pas wanneer ik op de archeologische site rondwandel, word ik overdonderd door hun grootsheid. Sommige zijn wel 12 meter hoog. Deze begraafplaatsen uit de Tiwanaku-cultuur kenmerken zich door hun aparte bouwstijl. De ´chullpas´, de grote ronde torens, hebben aan de bovenkant een grotere diameter dan onderaan. Gemummificeerde lichamen van vooraanstaande autoriteiten werden samen met voedsel, juwelen en een deel van hun bezittingen in deze torens begraven. Vanop de site heb ik eveneens een prachtig uitzicht op de ingenieuze terassenbouw van de pre-Incavolkeren. Ook nu nog worden die gebruikt om aardappelen en quinua (een inheemse graansoort) te verbouwen. Ik geniet van de immense stilte en de adembenemende vergezichten. De overtoeristische Uros-eilanden en de doodse torens van Sillustani; ze vormen een wereld van verschil...
De Uros-eilanden: Bokrijk in Zuid-Amerika... |
Peru - Uros-eilanden, 16-10-2007 - (dagboek 3) |
 |
 |
 |
 |
Als je lang op reis bent, vervaagt vaak het afweerreflex waarmee je je intuïtief wapent tegen gewiekste touroperators en andere opdringerige lieden die van de onwennigheid en de hulpeloosheid van de toeristen profiteren om hun diensten veel te duur aan te bieden. Op de kade in Puno word ik overdonderd door een stel sjacheraars die me zowat het hele aanbod aan excursies willen aansmeren. Als kakelende kippen lopen ze achter me aan. ¨Amigo, amigo... Tengo un precio muy bueno! Islas muy bonitas...;¨ ¨Con chicas calientes?¨ Mijn repliek wekt eerst verbazing op en onmiddellijk daarna hilariteit. Ze voelen aan dat ik vatbaar ben voor negotiatie en spelen handig in op mijn vraag. Ik heb evenwel mijn zinnen gezet op een tweedaags verblijf op het drijvend eiland Qhantati. Het lijkt wel of er een vloek rust op dit eiland, want bij het vernoemen ervan ontstaat algemene consternatie. Mijn voorstel wordt meteen gekelderd door een waterval aan tegenargumenten: oninteressant, te klein, te duur, geen overnachtingsmogelijkheden, ... Uiteindelijk haal ik bakzeil en stem ermee in om mij op het eiland Kamisarati te laten droppen.
Wanneer een kwartier later de motorboot de haven verlaat, heb ik het gezelschap gekregen van een vijftiental passagiers. Zouden die ook in de klassieke valkuil zijn getrapt? Ik maar er kennis met de praatgrage fransman Jean-Yves, een gepensioneerde prof in de farmacie. In flarden vertelt hij me zijn levensverhaal. De boventoon is gedrenkt met verdriet en strijdlust. Verdriet om zijn spaak gelopen huwelijk en het haast onbestaande contact met zijn kinderen. Strijdlust omdat hij opnieuw een doel in z´n leven heeft gevonden. Vier jaar geleden ontdekte hij de geïsoleerde, toeristische Uros-eilanden. Hij werd gecharmeerd door hun levenswijze en besloot er op vrijwillige basis Franse les te geven. Zijn gedrevenheid wordt echter gefnuikt door de willekeur van de kapitein. De boten die de Uros-eilanden aandoen zijn stuk voor stuk toeristenboten die slechts aanmeren op twee of drie van de 43 drijvende eilandjes. Zijn enthousiasme heeft de voorbije twee jaar evenwel een serieuze deuk gekregen, niet in het minst omdat hij reeds meermaals het slachtoffer is geworden van oplichting, afzetterij en beroving. Jean-Jean-Yves zit vol opgekropte woede en frustraties. Hij lijkt opgelucht zijn gevoelens even te kunnen uiten. Ik zit naast hem als een klankbord, een luisterend oor voor een ontstemde man.
Een half uur na het verlaten van de haven doemen de eerste drijvende rieten eilanden op. Het ontstaan van de Uros-eilanden gaat terug tot eeuwen geleden. Om aan de vervolging te ontkomen van de over land heersende Inca´s besloot het Uros-volk zich op het meer te vestigen. Ze bonden rieten boten aan elkaar die een vlot vormden waarop ze konden leven. Wanneer de boten gingen rotten, voegden ze nieuw riet toe. Gaandeweg groeiden de plateaus uit tot kleine eilanden. De Uros leefden generaties lang van visvangst en ruilhandel. In hun lange bestaansgeschiedenis zorgde de stijging van het water er af en toe voor dat ze noodgedwongen hun woning moesten verlaten. Tijdens deze kortstondige volksverhuizingen aan land intregeerden ze zich met de Amayra´s en vervaagde langzamerhand hun etnische identiteit. De laatste Uros stierf trouwens in 1959.
De Aymara´s hadden ondertussen echter begrepen dat hier geld te rapen viel met het toerisme en aldus gingen ze zich op de eilanden vestigen. Men schat hun aantal op 800, verspreid over 43 eilanden. Sommige eilandjes zijn zo klein dat een ferry er niet eens kan aanmeren. Op de iets grotere eilanden (50 op 50 meter) draait de toeristische industrie evenwel op volle toeren. Wanneer onze boot bij het eerste eilandje aanmeert, staan een handvol vrouwen in kleurrijke klederdracht ons op te wachten. De gids geeft een korte uitleg over de Uros-eilanden en vervolgens krijgen we ruimschoots de tijd om rond te snuisteren. Voor hun uit totora-riet vervaardigde hutjes -elke hut representeert één familie- hebben de vrouwen hun stalletjes uitgestald. “Compra, amigo! Compra!” Achter hun klagende smeekbeden en hun bontgekleurde façade schuilt één en al commercie en afgunst. Op één eiland wonen meestal vijf tot zeven families samen die elk op hun beurt dingen naar de beurs van de toeristen. Hun glimlach is een mengeling van jaloezie en sacherijnigheid. Het hoofdinkomen van de rieteilandbewoners wordt al lang niet meer bepaald door visvangst, maar door de klinkende munt van de nieuwsgierige toerist.
Zelfs de kinderen worden van kleins af ingeschakeld in de mallemolen van het toerisme. Wanneer ik net iets te lang bij één van de overladen kraampjes sta te dralen, roept een driejarig meisje “Compra, compra...” Ze gooit een geweven lapje textiel in de lucht al was het een wolkje waaruit gouden muntstukjes neerdwarrelen. Haar verkooptalent wordt door de omringende vrouwen op spontaan gelach onthaald. Ik sla de commercie gade en voel hoe het schouwspel van het opgezette circus een wrange nasmaak krijgt. Tot mijn verbijstering ontdek ik dat heel wat van de eilanden alleen overdag bewoond zijn. ´s Nachts blijven op de toeristeneilandjes alleen een paar bewakers achter. Een soort Bokrijk met een Zuid- Amerikaans tint...
Jean-Yves ziet mijn verontwaardiging en troost me met de gedachte dat de unieke rieten constructies omwille van de bezoekers op de originele manier worden nagebouwd en onderhouden. Voor de Uros-eilanden is het dat of niets. De Uros-indianen zijn nu eenmaal uitgestorven...
De dunne lijn tussen liefde en haat, religie en volksvermaak... |
Peru - Puno, 15-10-2007 - (dagboek 2) |
 |
 |
 |
 |
Gisteren had ik op mijn weg naar Puno een stop ingelast in Chucuito. Daar vindt namelijk elke tweede zondag van oktober het feest van ´el Virgen de Rosario´ plaats. Van enige devotie was er evenwel weinig sprake. Het stadsplein was omgetoverd tot een openlucht-biertent waar alcohol rijkelijk vloeide en live-muziek de feestvierders in een opzwepende roes dompelde. Toen ik er ´s morgens rond een uur of half negen arriveerde, kreeg ik meteen anderhalve liter bier in mijn handen gestopt en werd ik ten dans uitgenodigd. Ochtengymnastiek met een flinke scheut alcohol. Het was weer eens iets anders.
Omdat het feest vandaag zijn hoogtepunt bereikt, ben ik opnieuw van de partij. Daar Peru geen goeie reputatie heeft inzake veiligheid, en festivals een gedroomde plek zijn voor gauwdieven, besluit ik mijn fiets veilig op te bergen in het hotel van de twee Amerikanen die ik gisteren op het kerkplein had ontmoet. Chucuito is slechts een dorp groot en na een kwartier vind ik het desbetreffende hotel. De ontmoeting is opnieuw hartelijk en zoals zo vaak worden ook nu weer virtuele gegevens uitgewisseld.
Wanneer ik rond tien uur het dorpsplein opzoek, tref ik een lappendeken van kraampjes aan. Uit een automegafoon weerklinkt de ophitsende stem van een verkoper die zalfjes en pillen tegen allerlei kwaaltjes aanprijst. Zijn overredingskracht tart haast elke verbeelding. Een geboren politieker die weet hoe de kassa moet rinkelen...
Ik hou wel van dit soort van animatie. Het is onvervalst straattoneel waarbij de figuranten moeiteloos hun rol spelen. Ik observeer de getaande gezichten van de gebolhoede dames die aan de lippen hangen van de charlatan. Diepe groeven lopen als draden over hun gelaat. Lijnen die balanceren tussen diep menselijke gevoelens. De dunne lijn tussen liefde en haat, tussen geluk en verdriet, laat in een mensenleven diepe littekens na. Ze hechten zich vast als weerhaken daar waar de ziel is geraakt en weerspiegelen het levensverhaal van campesinos die nog nooit verder hebben gereisd dan de plek waar hun navelstreng begraven ligt. Het Titicacameer is hun thuishaven, hun wereld. De opduikende gringo´s zijn voor hen bizarre wezens die struinen tussen de kraampjes met fotografische ogen. Het zijn indringers zoals in de toneelstukken van Harold Pinter. Ze duiken even onverwacht op als dat ze verdwijnen.
Klokkengeluiden brengen me terug tot de werkelijkheid en enkele tellen later laat ik me meedrijven door de mensenmassa die zich stapvoets naar de kerk begeeft. De kerk zit afgeladen vol en tot ver buiten het portaal volgen gelovigen de eucharistieviering mee. Na een uur van devotie zet de blaaskapel het feest wederom in gang. De processie komt tot leven en anderhalf uur lang dragen de gelovigen het wassen beeld van de maagd Maria doorheen de straten van Chuchito. Mensen met bloemen en wierookvaten hebben post gevat langs de route. Er wordt gezongen en gebeden ter ere van el Virgen de Rosario’.
Bij aankomst op de Plaza de Armas -waar een opmerkelijke zonnewijzer uit 1831 het exacte uur aangeeft-, vloeien religie en volksvermaak opnieuw als een perfect huwelijk samen. Aan de ene kant van de plaza vervolgt de processie zijn weg, terwijl parades van dansgroepen de andere kant van het plein kleurrijk opvrolijken. De verschillende fanfares proberen elkaar in kakofonie te overstemmen, terwijl de cholla´s (de gebolhoede dames) met hun hoepelrokken de straat omtoveren tot een plein vol dansende paddestoelen. Het lokale bier, Cusqueña, gaat terug van hand tot hand. Fiestas, al dan niet met een religieuze inslag, ontaarden steevast in een drinkfestijn. Zuipen lijkt hier wel een rituele belevenis.
Wanneer ik rond vijf uur in de namiddag het feestgedruis verlaat, ontmoet ik aan de rand van het dorp een knielende, huilende vrouw. In haar schoot ligt een baby stilletjes te frunniken aan zijn mutsje, terwijl op nog geen meter daar vandaan een man zijn dronken roes uitslaapt. Drie figuren elk in hun eigen leefwereld en toch met elkaar verbonden als raakvlakken. De dunne lijn tussen liefde en haat, tussen vreugde en verdriet loopt als een meanderende rivier tussen hun verstrengeld bestaan. Littekens van diep menselijke gevoelens...
El Laco Titicaca: een rustpunt voor zwervers... |
Peru - Puno, 13-10-2007 - (dagboek 1) |
 |
 |
 |
 |
Hijgend bereik ik de allerhoogste trede van de ´Cerro Calvaro´, de langs drie zijden door water omgeven calvarieberg. Op de top staan te midden van een kleine laan acht reusachtige kruisen op sokkel, in één rechte lijn die uitgeeft op een soort platform. Ik merk nu pas hoe grotesk de witte kathedraal uitvalt, compleet in wanverhouding met het discrete dorpje. Onder mij strekt het Titicacameer zich uit, zover het oog reiken kan. In de verte zie ik Peru liggen, mijn volgende bestemming. Mijn bezoek aan Peru is voorlopig slechts een kleine kennismaking die zich zal beperken tot de omgeving van het Titicacameer met zijn vele eilandjes. Daarna keer ik terug naar La Paz om met de bus meteen naar Quito (Ecuador) te reizen. Mijn lange zwerftocht doorheen Zuid-Amerika wil ik afsluiten in schoonheid, in Peru, alwaar ik het vliegtuig zal nemen naar Panama voor mijn ontdekkingstocht doorheen Central-Amerika. Maar zover zijn we bijlange nog niet, want na Ecuador volgen nog Colombia, Venezuela, Guyana, Suriname, Frans-Guyana en de Amazone in Brazilië.
Wanneer ik na een uur terugkeer naar het hotel is Lejan, de Sloveense fietser, volop aan het inpakken voor zijn fietstocht naar La Paz. Een laatste groet, een laatste afscheidsfoto en even later fietsen we elk onze eigen weg op. De grensformaliteiten verlopen vlekkeloos en een half uur later fiets ik Peru binnen. Wederom word ik getroffen door de ontroerende gastvrijheid. Kinderen komen lachend naast mijn fiets rennen en ouderen zwaaien me welkom toe. Wat zal ik die openhartigheid missen, eenmaal terug in het koude, afstandelijke België. Ik kom voorbij kleine boerderijen met lemen huisjes en zie hoe keuterboertjes het land bewerken. Voor mij is het onbegrijpelijk hoe ze hun geit en ezel in leven houden. Het is een overlevenseconomie zonder toekomstperspectief. Op m´n weg ontmoet ik twee meisjes die elk torenhoge rietstengels torsen op hun rug. Door het gewicht lijken ze vanop afstand als twee verschrompelde oudjes. Wanneer ik voorbijfiets giechelen ze om het hardst en vergeten heel even de zware last. Het is een vertederend beeld van een dagdagelijkse, harde werkelijkheid.
Ik kom nog meer volk op mijn route tegen, zoals Mathieu en Ludo, beiden afkomstig uit Frankrijk. Ze zijn te voet vertrokken vanuit Mexico en hopen in februari volgend jaar Ushuaia in Argentinië te bereiken. Ik begin me meer en meer te realiseren dat de wereld vol loopt met rare snuiters die op één of andere manier het jachtige leven van onze welvaartstaat de rug toekeren. Het Titicacameer lijkt wel dé plek bij uitstek om die rust terug te vinden, want ik ontmoet er nog twee Basken per fiets en een Amerikaan.
Rond de middag hou ik halt in Juli, een dorpje gelegen in de diepte. Juli onderscheidt zich niet alleen door zijn grootte, maar tevens door zijn veelheid aan fraaie kerken. Juli telt maar liefst vijf kerkgebouwen. Deels zou dit te wijten zijn aan de drie verschillende bevolkingsgroepen (creools, mesties en indiaans) die elk in hun eigen kerk de mis willen bijwonen. Ook de geestdrift van de dominicanen en jezuïeten die zoveel mogelijk zieltjes trachtten te winnen, zou wel eens aan de basis kunnen liggen van de vele heiligdommen. Achter de façade van de barokke gevels zit één en al glorie verscholen. Toch kreunen de bouwwerken onder de tand des tijds. De vergankelijkheid loert er in elke spleet, in elke scheur.
Alvorens ik mijn tocht aanvat richting Puno, maak ik van de gelegenheid gebruik om met het thuisfront te skypen. De familie is er verzameld om mijn jongste zus uit te zwaaien. Samen met haar man vertrekt ze volgende week voor een reis rond de wereld. (www.chantegrue.blogspot.com) .
Anderhalf jaar lang zullen ze zich verplaatsen per vliegtuig, trein, boot, taxi, mobilehome en -jawel- per fiets. Kleine zus wil niet onderdoen voor grote broer en dus zullen ze bij hun aankomst in Johannesburg (24 okt. ´07) de fiets opspringen. Het zwerversleven, het zit duidelijk in ons bloed...