



Inmiddels zijn we aangekomen in Trujilo, de laatste stopplaats van onze boeiende rondreis doorheen Peru. Trujilo roept opnieuw die vertrouwde koloniale sfeer op die we vooral in Cusco en Arequipa mochten ervaren. De Plaza de Armas wordt omringd door schitterende gebouwen die in een kleurrijk jasje zijn gestopt. Vooral de felgele kathedraal naast het blauwe gemeentehuis springen in het oog. Het plein is een schilderspallet groot. De reden van ons bezoek is evenwel de imposante ruïnestad 'Chan Chan'. Het archeologisch complex ligt te baden in een bloedhete zon wanneer we (alweer met een georganiseerde tour) de site bereiken. 'Chan Chan' was ooit de hoofdstad van het Chimúrijk en staat sinds 1986 op de Unesco-lijst van bedreigd werelderfgoed. Van de oorspronkelijke negen paleizen is er alleen het paleis van Tschudi bewaard gebleven. Deze bevolkingsgroep kende haar bloeiperiode rond 1450 en leefde in vermoedelijk de grootste uit adobe opgetrokken stad. Heel wat muren zijn voorzien van ingekerfde tekeningen van vissen en zeevogels. De nabijheid van de zee en hun verbondenheid ermee weerspiegelt zich in deze lemen ornamenten. De uitgestrektheid van de site is verbijsterend groot. Gangen en ommuurde steegjes verbinden diverse binnenplaatsen met elkaar. Vermoed wordt dat het veelal ceremoniniële pleinen waren. Het blootleggen van de archeologische site is nog in volle gang. We zien hoe de originele muurdecoraties bedekt worden door beschermende replicas in fiberglas. Even verbluffend is het tempelcomplex 'Huaca de la Luna'. Het wordt toegeschreven aan de Moche-cultuur en bestaat uit verschillende lagen. Na elke periode werd er bovenop de tempel een nieuwe gebouwd. Beschilderde gevelpatronen tonen maskers van hun oppergod waarin de kleuren rood, wit, zwart als een constante terugkeren. Onderzoekers hebben ontdekt dat de tempels werden opgetrokken uit leemblokken die markeringen vertonen. Vermoedelijk moesten de toenmalige bewoners bij wijze van belasting handgemaakte bouwstenen schenken waarop zij hun eigen symbool aanbrachten. Het is een zoveelste mysterie uit een zoveelste beschaving.
We sluiten ons verblijf in Trujilo af met een bezoekje aan de badplaats van Huanchaco. De typische rieten vissersbootjes, de 'caballitos de totora' staan met hun puntvormige neus naar de hemel gericht. Ze vormen fotogenieke plaatjes die onze reis definitief afsluiten. Morgen keren we terug naar het beginpunt van onze zwerftocht, de hoofdstad Lima. Daar gaan onze wegen zich opnieuw scheiden, Lies richting België, ik richting Panama. Het tweede luik, mijn fietstocht doorheen Centraal-Amerika, is in aantocht...




Met een geleide tour bezoeken we deze uitzonderlijke restanten van de Moche-cultuur. Het museum is ondergebracht in een piramidevormig complex en werd door het magazine 'National Geographic' uitgeroepen tot één van de beste op wereldniveau. Een terechte lauwering! Wat we te zien krijgen is met geen woorden te beschrijven. De weelde aan goud en zilver die meesterlijk verwerkt zijn in verblindend mooie kunstwerken is duizelingwekkend. De schoonheid wordt nog versterkt door de wijze waarop alles gepresenteerd wordt. Fluwelen lichtbundels reflecteren de schittering in glazen spiegels, of ze werpen schaduwvlekken af die de vloer herschapen tot kantwerk. De schatkamer van de 'Heer Sipan' is een snoepjeswinkel van verpletterende rijkdom.
Deze Moche-machthebber was, naast een overvloed aan kunstschatten in zijn graf, geflankeerd door een hele schare aan personen. Een soldaat, een priester, zijn vrouw en twee concubines, een bediende, een bewaker en een kind werden -vermoedelijk gedrogeerd en gedood- met hem meebegraven. De menselijke offers kaderen in hun geloof van leven na de dood. De Moche-indianen bouwden acht eeuwen lang (tot aan 700 na Christus) aan de Peruviaanse kust het ene pand na het andere: tempels, grafheuvels, terrassen. Door de gevonden restanten wordt deze bevolkingsgroep vaak vergeleken met de Maya´s in Mexico. Ze lieten een schat aan sieraden, potten en gebruiksvoorwerpen achter.
We wandelen schoorvoetend voorbij wanden die aanweerszijden kunstvoorwerpen tonen. Elke zaal overtreft weer een andere. Het fonkelend sprookje kent geen einde. De inhoud van de vitrinekasten bulken uit in schoonheid. Elk voorwerp heeft zijn verhaal. Ik heb het gevoel dat we blindelings grasduinen in een opengeslagen kunstboek. De plaatjes zijn evenwel levensecht. Gegraveerde oorbellen en armbanden kunstzinnig versierd met beestjes en krijgers, gouden en zilveren borstplaten, pindasnoeren, kettingen met goud bezette uiltjes, ragfijne geweven halskettingen met edelsteentjes,... Niet alleen de kunstschatten maken het geheel indrukwekkend, ook de overzichtelijke wijze waarop het archeologisch onderzoekswerk verliep, werpt een eigenzinnige blik op die bijzondere cultuur. Levensgrote foto´s tonen archeologen die laag voor laag blootleggen. Botten, stukjes weefsel, zilver en goud puzzelen ze met engelengeduld samen tot een tableau vivant.
Aan het eind van de tentoonstelling hangen nog meer pareltjes. Ze maken deel uit van de teruggevonden geroofde kunstschatten. Hoeveel er van de totale graftombe van de 'Heer van Sipan' werden gestolen is een groot vraagteken. Archeologisch onderzoek in de buurt van het graf heeft aangetoond dat de gevonden kunstwerken slechts een peulschil vormen van wat er ooit aan goud en zilver begraven lag. Soms duikt zo´n gestolen stuk op in één of ander gerenommeerd veilinghuis, maar het gros gaat rechtstreeks van smokkelaar naar koper. Ze kennen hun wereld als geen ander. Steenrijke verzamelaars die een gerechtelijke terugvordering van hun 'onrechtmatig verkregen' kunstcollectie boven het hoofd hangt, schermen met de bewering dat ze de waardevolle kunstschatten voor 1950 hebben aangekocht, voor de invoering van de wet op illegaal bezit en smokkel. We kunnen enkel hopen dat de erfenis van deze kunstbaronnen ooit overgelaten wordt aan het cultureel erfgoed van het afkomstige land...




Wat ooit het lusthof was voor de gegoede Peruvianen, is nu het aards paradijs voor de sportieve backpacker. De lagune overleeft dankzij het toerisme, al zou de opwarming van de aarde daar binnen onafzienbare tijd wel een eind aan kunnen maken. Twee omliggende lagunes zijn inmiddels opgedroogd en ook de oase van Huacachina wordt kunstmatig in leven gehouden door het dagelijks bijpompen van massa´s liter water. De hoofdattractie is niet zozeer het meer, maar wel de omliggende torenhoge zandduinen. Ze vormen het geschikte decor voor sandboarden en een dolle rondrit met een sandbuggy. Wij hebben het niet zo begrepen op dat rollercoasting gedoe en kiezen dan ook om het stuur in eigen handen te nemen. Onze eerste passen op de surfplank zijn wat onwennig, maar in een mum van tijd slagen we erin om rechtopstaand de lager gelegen zandvlakte te bereiken. Dan maar andere dolle pret uitzoeken, neerwaarts liggend op de buik met de handen in Christus-houding. Lies waagt zich zelfs aan een lichte sprong in het ijle, met succes. De snelle afdalingen wegen na een tijdje niet meer op tegen de steeds lastiger wordende klimpartijen onder een loodzware zon.
We ruilen onze zandvleugels terug in voor een stel goeie stapschoenen en zwoegen ons naar het hoogste punt, de horizon tegemoet. Terwijl de kim oranjerood kleurt smelten geribbelde zandlijnen samen met onze voetstappen. De ondergaande zon zweeft als een vuurbol boven het glooiend duinenlandschap. We staren naar de einder, oeverloos en verblindend mooi. Twee lichamen, twee contouren, twee geliefden...




De eerste in de rij is de bodega 'Vista Alegre'. Het landhuis is zowat twee eeuwen oud en gebruikt momenteel de nieuwste technieken en middelen voor het bereidingsproces van zijn wijnen en zijn Pisco Sour. We krijgen een rondleiding doorheen de distilleerderij en merken dat ook deze haciënda niet gespaard is gebleven van de aardbeving. Na de uiteenzetting volgt een kleine degustatie. De wijnproeverij verdwijnt in het niets met de Chileense degustatie die ik dankzij 'Universal Wine' uit Beernem een jaar geleden heb mogen bijwonen. Hun wijnassortiment neigt teveel naar aperitief en de zuivere pisco heeft net iets teveel weg van jenever. Beiden dranken hebben een hoog alcoholpercentage, maar in tegenstelling tot de jenever -die gegist graan als basis heeft- wordt de pisco wel uit druiven gedistilleerd. Door het hoge gehalte aan alcohol wordt deze drank zelden puur gedronken. De meest gekende cocktailcombinatie (pisco sour) is gemaakt op basis van ijs, tot schuim opgeklopt eiwit, schepje suiker, limoensap en de nodige flinke scheut Pisco.
Het tweede wijnbedrijf onderscheidt zich vooral door zijn ambachtelijke aanpak. Het landgoed 'Catador' is een begrip in de wijnwereld en betekent in het Spaans letterlijk 'wijn proeven'. Sinds 1988 is de bodega ook toegankelijk voor het grote publiek. De oogst concentreert zich hier tussen februari en april, de zomermaanden in Zuid-Amerika, en dus blijft de rondleiding beperkt tot het aanschouwen van enkele primitieve toestellen. De geplukte druiven komen terecht in een grote betonnen kuip waar ze al dansend geplet worden. Om de aanwezigheid van stekende muggen te beperken en de grootste hitte te vermijden, vindt het dansritueel plaats van zonsondergang tot zonsopgang . Foto´s aan de muur tonen walsende Peruvianen te midden een groepje Gringo´s. De wijnbodega heeft een nieuw niche in de toeristenindustrie ontdekt. Nodig toeristen uit om een nacht lang uit de bol te gaan op een dansvloer van druiven. Pret verzekerd!
Als extraatje maken we nog een ommetje naar de lagune Huacachina. Omringd door palmen ligt een cirkelvormig meertje verzonken tussen immense zandduinen, als een oase van rust. Het is liefde op het eerste zicht. We voelen intuïtief aan dat we toezijn aan wat verpozing en sportieve beweging (sandboarding) en dat dit paradijsje de uitgelezen plek is. Terwijl de zon stilaan achter de zandbergen verdwijnt dromen we weg van het echte vakantiegevoel. Wordt vervolgd...




Als haringen in een ton rijden we doorheen een heuvelachtig woestijnlandschap. In totaal telt de sedan negen inzittenden, vier passagiers op de achterbank en twee in de koffer. Wij, als toeristen, krijgen de ereplaats, beiden vooraan, Lies tegen de versnellingspook gedrukt en ik met m'n arm door het venster leunend. Op sommige plaatsen lijken hele woonwijken weggeblazen. De puinhopen van steen zijn nog de zichtbare restanten van de hevige aardbeving die vorig jaar op 15 augustus 2007 Pisco als epicentrum trof. De schok had een kracht van 8 op de schaal van Richter en maakte niet alleen 900 dodelijke slachtoffers maar eveneens meer dan honderdduizend mensen dakloos. Naarmate we de stad naderen, groeit de twijfel of we het centrum per wagen zullen bereiken. Groepjes demonstranten hebben postgevat langs de invalswegen en over het wegdek liggen steeds grotere rotsblokken. Op vijf kilometer van de stadskern is de weg volledig geblokkeerd. Er zit niks anders op dan de rest te voet af te leggen. We wandelen met onze bagage op de rug langs een eindeloze file vrachtwagens en bussen. Sommige chauffeurs excuseren zich voor de ongemakken, maar ik neem het hen allesbehalve kwalijk. Eenieder heeft toch het recht op een menswaardig bestaan. Een demonstrant grijpt onze aanwezigheid aan om zijn ongenoegen over het huidig politiek bewind te uiten. Hij smeekt ons om de schrijnende situatie, waarin voornamelijk de campesinos verkeren, over te brengen aan de rest van de wereld. Ik vrees evenwel dat mijn website niet gelezen wordt door de machtigen der aarde.
In Ica willen we vooral het archeologisch museum aandoen. Het herbergt een schat aan vondsten die afkomstig zijn van de eerste bewoners uit de regio en die vooral een licht werpen op de beschavingen van voor de Inca´s: Paracas, Nazca, Huari en Chincha. Keramische voorwerpen, mummies en schedels liggen er netjes gesorteerd per beschaving. Vooral de afdeling met de schedels wekt onze verbazing. Sommige dragen duidelijke sporen van hersenoperaties, terwijl andere onmiskenbare vervormingen aantonen. Vooral de Paracas -die actief waren tussen 800 v.Chr. en 200 n.Chr- zijn gekend om hun rituele schedeloperaties en vervormde hersenpannen. Hun hoofden werden ofwel opvallend puntig of juist heel plat gemaakt, naargelang de stam waartoe ze behoorden. Reeds van bij de geboorte kregen de baby's houten plankjes en windsels om het hoofd. Deze deformaties werden door de koloniserende Spanjaarden verboden omdat ze hevige pijnen veroorzaakten en soms mentale achterstand teweegbrachten. Nu onderscheiden de dorpen zich enkel nog door hun eigen karakteristieke hoedenvorm. De typische punt- en plathoofden zijn enkel nog terug te vinden in de keramieken beelden, zowel authentieke als souveniers...
Het 'Museo Regional' is vooral vermaard voor zijn uitstekende 3000 jaar oude weefkunstcollectie. De indrukwekkende collectie en de wijze waarop ze zijn gerestaureerd spreekt niet alleen menig toerist aan. Ook de georganiseerde misdaad, die zich specialiseert in kunstroof, heeft een zwak voor dergelijke weeftableaus.
Zo gingen in de nacht van 15 oktober 2004 dieven aan de haal met enkele waardevolle stukken. Op de plaatsen van de ontvreemde schatten hangt nu een plastiek spandoek met een print van het gestolen werk. Onder de glazen vitrinekast prijkt een papiertje met de woorden "robado el 15 de ocutbre 2004 - stolen october 15, 2004". Het opsporen van de gestolen goederen is vaak een hopeloze zaak. De peperdure spullen worden naar Europa en de Verenigde Staten gesmokkeld, vaak met medeweten van ambtenaren en diplomaten. De internationale kunstmaffia is kapitaalkrachtig genoeg om topambtenaren om te kopen. Als je daarbij bedenkt dat het gros van de verzamelaars mensen zijn met een aanzienlijke politieke macht -en dus niet geneigd zijn om in het speurwerk er de nodige middelen tegen aan te gooien-, dan is het plaatje rond. Na de leegroof door de Spanjaarden ten tijde van de Inca´s, herhaalt de geschiedenis zich terug. Deze keer zijn het plunderaars, schimmige bemiddelaars en omkoopbare ambtenaren die toeslaan en de rijken der aarde voorzien van een verbluffende privé-collectie. Het is de moderne versie van de goudkoorts...




We besluiten hetzelfde te doen, maar dan niet in een kramikkige wagen, maar met een sportvliegtuigje. Het vliegveld oogt bescheiden, maar de niet aflatende stroom aan opstijgende eenmoterige vogels tonen een heel ander beeld. De Nazca-lijnen zijn commerciële business. Door het bewolkte weer in de voormiddag staan lange rijen wachtenden aan te schuiven. We doden de tijd met een documentaire over de Nazca-cultuur dat rond de 8ste eeuw na Christus haar bloei kende en stillen onze honger en dorst met sandwiches en koffie; een schromelijke vergissing.
Nauwelijks vijf minuten in de lucht, voel ik hoe mijn maag zich in alle bochten wringt. Vanuit het kleine vensterraampje zie ik hoe de geometrische figuren (driehoeken, rechthoeken en spiralen) vervagen tot opbollende lijnen die dansen in de woestijnvlakte. De trapeziumvormige en rechte lijnen die kriskras over de kiezelachtige woestijngrond lopen hebben iets weg van startbanen. Of is het mijn duizeligheid die mij reeds doet verlangen naar een veilige landing? Ter hoogte van de astronaut, een haast kinderlijke figuur, grijp ik vliegensvlug naar mijn kotszakje dat discreet aan de rugleuning van de co-piloot hangt te bengelen. De kleine cockpit vult zich met de scherpe geur van braaksel. Ik duw mijn camera in de schoot van Lies. Ons vliegtuigje is bemand door een piloot en drie toeristen. Voor mij zit een kranige dame van een jaar of zeventig. Om ook Lies, die naast me zit, de kans te geven de figuren optimaal te zien, zwenkt de piloot van de ene kant naar de andere. De loopings doen me nog meer kokhalzen. Terwijl het vliegtuigje over de beroemdste drie dieren (de spin, de kolibrie en de aap) cirkelt, hoor ik de dame voorin kotsen. Even later is ook Lies aan de beurt. Tussen de sierlijke buitelingen door probeer ik alsnog de geogliefen in hun juiste perspectief te zien. Het digitaliseren ervan laat ik aan mij voorbij gaan. De stank in de cabine is niet te harden. De piloot zoekt tevergeefs naar zijn verstuiver ethanol om zelf niet weg te draaien. We zijn een slingerend kotszak.
Vervroegd keren we terug naar ons beginpunt. Ik voel me doodziek. Het uitstappen vergaat me moeilijk. Ondersteunt door Lies sleep ik me naar de rand van de kleine landingsbaan. Een verpleegster en dokter komen aangehold. De twee vrouwen ontfermen zich over mij, terwijl een derde (Lies) bezorgd toekijkt. Je zou voor minder in zwijm vallen. In de ziekenboeg krijg ik zuurstof toegediend en 'mate de coca'. Ik voel hoe ik langzaam uit een diep dal kruip, terwijl de Nazca-lijnen opnieuw hun vaste vorm aannemen. Ik zal mijn avontuur boven de Nazca-woestijn niet gauw vergeten...




Vanaf 1946 vestigde ze zich permanent in de nabije buurt van de vlakte waar de Nazca-lijnen zich bevonden. Nog voor dag en dauw trok ze naar de uitgestrekte pampa, gewapend met rudimentaire meettuigen, een borstel, een ladder, vellen papier, potlood en pen. Ze veegde de lijnen schoon, maakte schetsen en wiskundige berekeningen, meette de lijnen en de figuren op en stapte de contouren af; telkens opnieuw. De inwoners van Nazca bestempelden haar als een soort heks die haar eenzame dagen doorbracht op de winderige, kale woestijn van Nazca. Marie Reiche bleef volharden in haar speurtocht naar een verklaring voor de mysterieuze lijnen. Naarmate het opzoekingswerk vorderde, kregen haar theoretische bevindingen, namelijk dat de lijnen deel uitmaakten van een astronomische kalender, meer en meer aandacht van buitenstaanders. Ze slaagde er zelfs in om een door de overheid geplande aanleg van katoenplantages te midden van haar werkveld tegen te houden. De snelweg 'Panamericana Sur' was helaas al lang een feit en loopt dwars over verschillende lijnen heen. Met de verworven fondsen van haar boek 'Geheimnis der Wuste' nam ze wachters in dienst die patrouilleerden langs de grenzen van de site en liet ze een 14 meter hoge stalen mirador bouwen om nieuwsgierigen en belangstellenden ook de kans te geven een glimp op te vangen van die bijzondere lijnen. In de jaren ´70 zag de Peruviaanse overheid de toeristische waarde in van het Nazcagebied. Maria Reiche kreeg diverse prijzen en eredoctoraten.
In 1984 werd ze geveld door de ziekte van Parkinson en moest ze haar werkzaamheden stopzetten. De gemeente Nazca bood haar logement aan in het hotel Turistas waar ze lezingen gaf aan toeristen over haar levenswerk. In 1995 zette Unesco de Nazca-lijnen op de lijst van werelderfgoed. Het was de kroon op haar jarenlange gedreven inzet. Drie jaar later stierf ze op de hoge leeftijd van 95 jaar. La Dama de Nazca had zichzelf onsterfelijk gemaakt...




Nazca mag dan wel zijn toeristische aantrekkingskracht danken aan de wereldberoemde Nazcalijnen, toch bezit de stad ook nog een andere troefkaart: de begraafplaats Chauchillas. Kerkhoven hebben steevast iets mysterieus en hier is dat niet anders. De eeuwenoude ondergrondse graftombes liggen beschut onder een schaduwrijk dak van golfplaten, te midden van een desolate woestijnvlakte. We zien mummies, losse schedels en botten omringd door aardwerk in keramiek. De meeste skeletten zijn gewikkeld in 'fardos', stofdoeken die in dikke lagen rond hun knokels gedrapeerd werden. Katoen -die nog steeds in de streek wordt verbouwd- bezit namelijk de eigenschap om vet op te slorpen waardoor de mummie kon uitdrogen en goed bewaren. Allen zitten ze in foetushouding. De Nazca´s geloofden in leven na de dood en dachten in die zithouding herboren te worden in het hiernamaals. Tot aan het begin van de jaren tachtig lagen de meeste mummies hier open en bloot in de woestijn, opgedolven door plunderaars en beroofd van hun laatste bezittingen. Om verdere roof en vernieling tegen te gaan, herconstrueerde de overheid met behulp van archeologen enkele tombes die nu constant bewaakt worden. Geschat wordt dat ongeveer 90% van het kerkhof bezoek kreeg van dieven.
Graven opsporen en plunderen is in grote delen van Peru uitgegroeid tot een beroep. Er bestaat zelfs een naam voor: 'huaqueros'. Het woord is afgeleid uit 'huaca´s', hetgeen in het Quechua 'heiligdom' betekent. Sommige dieven maken deel uit van georganiseerde misdaadbendes. Velen zijn evenwel locale bewoners die gewapend met zaklantaarn, emmer en schop op strooptocht gaan. De vondsten duiken maanden later opnieuw op wanneer ze de zwarte markt bereiken en tegen woekerprijzen worden aangeboden aan verwoede verzamelaars. Onder een loodzware brandende zon lopen we de graven af. In gedachten zie ik hoe grafrovers in het mulle zand schoffelen. Hun spade stuit op een stuk geschiedenis, een archeologisch verleden. Alles wat ze waardeloos achten, gooien ze weg. Op zoek naar goud en kostbare sieraden worden mummies ontmanteld. Hun rooftocht duurt tot de nacht zijn zwarte vacht inruilt voor een nieuwe morgen, dan ligt de site erbij als een leeggeroofde snoepkast. Van het archeologisch luilekkerland blijven alleen nog maar plukjes katoen, haar en botjes over. Ze vormen de enige tastbare aanwijzingen van de Nazca-dodencultuur.
Onze geboekte tour bestaat uit een drieluik. Naast de begraafplaats staan er nog twee bezoeken op het programma: een goudbedrijf en het atelier van een pottenbakker. Het goudbedrijfje ligt in een gewone volksbuurt, aan de rand van de stad. Gouddelvers werken hier op zelfstandige basis en zuiveren het goud op een ambachtelijke wijze. Tegen de muur liggen losgehakte stenen, geduldig te wachten om verwerkt te worden tot fijngemalen gruis. Een bad van water en kwik zorgt ervoor dat het goud zich vasthecht aan het kwik. Via een condensator verdampt het kwik en blijft enkel nog puur goud over. Gemiddeld levert een week noeste arbeid 8 gram op. Door de gestegen goudprijs op wereldschaal is 1 gram ongeveer 30 dollar waard. Omgerekend verdient een goudzoeker 150 euro per week. Op het eerste zicht geen onaardig bedrag, maar schijn bedriegt. Door het inademen van giftige kwikdampen bij de verwerking, halen de meeste goudarbeiders amper de leeftijd van 40 jaar.
We sluiten onze rondleiding af bij een plaatselijke pottenbakker. De demonstratie en bijhorende uitleg is kort en we voelen intuïtief aan dat het hier niet zozeer gaat om de kunst, maar om de verkoop van replica-beeldjes en potjes uit de Nazca-cultuur. Nu ja, ook dit behoort tot het hedendaagse toerisme...




De minuten verstrijken. De hemel blijft opvallend leeg. De eerste toeristen met een te krap tijdschema druipen verslagen af. Ook wij beginnen ons zorgen te maken. Rond tien uur stijgen de eerste kreten van verrukking op. De o´s en de a´s vullen het luchtruim, net zoals de eerste condor. Het symbool van de Andes zeilt tussen de bergpieken. Rondom mij hoor ik het geklik van digitale fototoestellen. De canyon lijkt op een catwalk, de condor op Miss Universal. Schoonheid kent overal concurrentie, ook hier. Tien minuten later zweven een handvol condors voor de ogen van het talrijke publiek. Schijnbaar zonder enige inspanning laten ze zich meedrijven op de warme luchtstroom. De zwartwitte roofvogels maken sierlijke buitelingen, scheren rakelings over onze hoofden heen en showen met gracieuze loopings. Het lijken wel geruisloze zweefvliegtuigjes die langs de klifwanden glijden. Het spektakel overtreft onze stoutste verwachtingen, want na een half uur kunnen we hun aantal haast niet meer bijhouden. Van alle kanten zweven de heersers van de Andes om ons heen. Sommige hebben een spanwijdte van drie meter en zijn op de albatrossen na (3,2 m) de grootste vogels ter wereld. Mijn digitale camera draait als een tol in het rond en schiet onophoudelijk om zich heen. Hoeveel condors kunnen in één diareportage? Terwijl de show nog in volle gang is, keren we terug naar de parkeerruimte. Het was een geslaagde schoonheidswedstrijd.
We rijden terug richting Arequipa en houden nog halt bij enkele kleine adobedorpjes. Op het centrale plein voor de kerk van Maca hebben vrouwen in traditionele outfit hun plaats ingenomen. Sommigen dralen rond met een lama aan de leiband, 'un sol por una foto por favor'. Hun aanwezigheid kleurt het geheel en doet menig toerist naar de camera grijpen. De uitgedoste lama met dito baasje is uitgegroeid tot één van de bekendste foto´s van Peru. Het land heeft zijn eigen soort toerisme weten te ontwikkelen. Wanneer de bus zich terug op gang trekt, hoor ik in de verte het geluid van de panfluit. De melodieuze tonen waaien over de pampa. Een zoveelste stukje Peru reist met ons mee...




De vegetatie wordt alsmaar armer. De cactussen veranderen in stekelig gras, het gras in droge geelgroene mossen. Langs de kant van de weg worden we begroet door lama´s, alpaca´s en vicuña´s. Vanop afstand lijken ze op knuffeldieren. Onze eerste halte is de 'Alto Sumbay', een bergvlakte op een hoogte van 4200 meter. De omgeving, een door erosie uitgesleten turfsteenformatie, eist onze aandacht op. Op aanraden van onze gids drinken we er 'mate de coca'. Het brouwsel gemaakt met cocabladeren is al van oudsher een efficiënt middel tegen soroche, hoogteziekte. De cocathee dampt geurige kringen in de vroege ochtenzon. Overal waar toeristen neerstrijken, ontstaat er een informele handel, zelfs in dit onherbergzaam en koud gebied. Vrouwen met het haar in lange zwarte vlechten dingen naar de beurs van elke passant. Hun koopwaar bestaat uit handgeweven truien, handschoenen en mutsen. De klassieke artisanale souvenirs die je zowat overal aantreft in Peru. We zetten ons schrap voor de hoogste pas, Patapampa op 4800 meter. De bus slingert zich een weg doorheen het gebergte. De gevreesde misselijkheid blijft gelukkig uit. Bovenaan de top wordt de vlakte gekenmerkt door torentjes van opgestapelde stenen. Een magisch gebruik en een vraag om voorspoed bij de oversteek van de bergpas dat ook wij in ere houden.
De zon doet verwoede pogingen om de kilte op de altiplano, de droge hoogvlakte van de Andes, te verdringen. De wind schuurt om ons heen. Tijd om op te stappen. Van hieruit gaat het bergafwaarts. Het te snelle hoogteverschil blijft niet zonder gevolg. Ik voel hoe mijn oren suizen, mijn rechter trommelvlies stuurt niet te harden pijnsignalen uit naar mijn hersenen. De veelvuldige oorontstekeningen tijdens mijn jeugd laten jaren later nog hun sporen na. De onherbergzame, mooie omgeving gaat aan me voorbij. Rond drie uur in de namiddag bereiken we onze slaapplaats voor de nacht, Chivay. We sluiten de dag af met een duik in een warmwaterbron. Terwijl de rest van de groep heeft afgesproken in een ongezellig toeristisch restaurant, zoeken we de geuren op van het echte Peru. In een groezelig eettentje doen we ons tegoed aan een Criolo-maaltijd. De maan werpt een vuilwitte gloed over de stoffige straten van Chivay. Tijd om te gaan slapen...




Onze stek ligt centraler dan ooit, op een hinkstapsprong van 'la Plaza de Armas'. Het centrale plein wordt aan één zijde volledig geflankeerd door een lang uitgesmeerde kathedraal met twee spitse torens. De rest wordt omzoomd door fraaie gaanderijen en huizen die zich onderscheiden door hun arcades en balkons. Op het plein staan zitbanken kwistig verspreid rond een fonteintje, speels verscholen onder palmbomen en jacaranda´s. Driftige predikanten verkondigen vol vuur het woord Gods en wuiven met hun bijbel in de hand onzichtbare kringen in de lucht. Schoenpoetsertjes gluren met vermoeide oogjes naar beduimelde schoenen. Eentje wijst zelfs in de richting van mijn Teva-sandalen. Driftige popcornverkopers, uitrustende Arequipeños en nieuwsgierige toeristen strijken er net zo graag neer als de honderden duiven die proberen een graantje mee te pikken van de lome zondags aandoende sfeer.
Op een boogscheut van 'la Plaza de Armas' ligt één van de pareltjes van de stad, het Santa Catalinaklooster, als een dorp verzonken te midden van het centrum. Dit kloostercomplex werd in 1580 -veertig jaar na de stichting van de stad door de Spanjaarden- in opdracht van een rijke weduwe opgericht. Het convent opende zijn deuren voor meisjes van heel rijke Spaanse families die in ruil voor een niet onaardige bruidschat hun geloften als non konden afleggen. Er wachtte hen een leven in volledige afzondering. Niet alleen de schoonheid van het klooster nodigt uit voor een grondig bezoek, ook de geschiedenis van wat er zich achter de gesloten muren afspeelde, doet menig toerist naar binnen stromen. We sluiten aan bij een groep reizigers met Engelstalige gids en laten ons meevoeren doorheen een doolhof van azuurblauw en karmijnrood. In tegenstelling van wat men zou kunnen aannemen, was het klooster niet bepaald een wereld van bezinning. De aanwezige nonnen namen het niet zo nauw met hun beloftes van soberheid en toewijding tot God. Ze hadden kamermeisjes (indigenas) in dienst, nodigden muzikanten uit wanneer ze daar zin in hadden en walsten van het ene feest naar het andere. Hun cellen hadden meer iets weg van luxueuze appartementen rijkelijk opgesmukt met chique meubilair en voorzien van keukens die een heel legerregiment konden voeden. De wil van God besliste na drie eeuwen van uitbundigheid om orde op zaken te stellen in het oord des verderfs. De paus kreeg reuk van de uitspattingen en zond in allerijl Josefa Cadena, een Française, naar Arequipa om schoon schip te maken. Josefa stuurde de 450 wulpse nonnen huiswaarts, evenals de dienstmeiden. De devote rust keerde terug en het Santa Catalinaklooster werd opnieuw een oase van bezinning en inkeer. Vandaag telt het convent nog 27 nonnen.
Ik loop doorheen de vertrekken van de nonnen van weleer en probeer me de festijnen des overvloeds levendig voor te stellen. Moeder overste lurkend aan haar pijp, terwijl één van haar dienstmeiden haar roemer vult met een donkerrode Châteaux neuf du pape. Iets moest toch verwijzen naar het pauselijk gezag. De eetzaal is een lounge ruimte met knusse pluchen zetels. Wierrookstokjes geuren perzik en rozemarijn. Gedimde blauwe spotjes werpen rokerige fluwelen kringetjes op de bruinverniste plankenvloer. De houten eettafels fungeren als podium waarop enkele nonnen blootvoets en in trance zich overgeven aan de nacht. Harpmuziek vermengt zich met pianoklanken en geven de hele enscenering toch nog iets sacraals. In de hoek van de eetzaal drumt een groepje nonnen bijeen. Ze gniffelen en verdringen zich rond een grote kristallen bol. Trillende handen met rood gelakte vingernagels schuren over het glas. Ik kijk over hun schouders mee en zie de Ark van Noah drijven op wolken van mist. Het schelle metaalachtig geluid van een klok haalt me uit de zoete droom. Wanneer ik mijn ogen opsla, word ik verblind door het dreigende en vermanende woord 'Silencio'. De letters staan gebrandmerkt als een tatouage boven de ingang van het hoofdportaal. Het verschaft toegang tot het meer ingetogen deel van het kloostercomplex. Het was de plaats waar de autoriteiten zetelden en waar het licht en de woorden gezeefd werden door gerasterde ramen. We dolen doorheen dit gigantisch doolhof waar het zonlicht stuit op patio´s met gaanderijen, die welig versierd zijn met bijbelse fresco´s. In één van de vele vertrekken hangen tientallen portretten van opgebaarde nonnen. Zelfs voor hen is de eeuwigheid een ongrijpbaar begrip.
Alleen op de jonge Juanita lijkt de sterfelijkheid geen vat te hebben. In een speciaal ontworpen koelkast kijken we met ogen vol verwondering naar de beroemde jonge mummie, Juanita. Antropologen schatten het meisje tussen de 12 en de 14 jaar oud en werd 500 jaar geleden geofferd om de Apu (berggod) mild te stemmen. Pas twaalf jaar geleden, in 1995, werd ze ingevroren aangetroffen op de top van de vulkaan Ampato. Lange tijd hebben wetenschappers gedacht dat ze door hogepriesters van de Inca´s levend op de bergtop was achtergelaten en daar was doodgevroren. Onderzoek met röntgenfoto´s hebben deze stelling evenwel achterhaald. Een grote wond op haar rechterslaap doet het vermoeden rijzen dat ze met een granietsteen werd doodgeslagen. Juanita was niet het enige slachtoffer. In de nabije bergen trof men nog vier andere kinderoffertjes aan. Het vrij intact bewaarde lichaam is een fascinerende confrontatie. Ook de gedachte dat jonge meisjes werden uitgekozen om te offeren aan de goden is verbijsterend. Ons ongeloof wordt nog groter, wanneer we van de gids vernemen dat de oppergod aanstuurde op wraak toen de Duitse antropoloog John Reinhard en zijn team Juanita ontdekte en onderbracht in 'el museo Santuarios Andinos'. In dat jaar vonden namelijk twee opmerkelijke ongevallen plaats. Zo crashte bij de lading een boeiing waarbij meer dan 200 mensen het leven lieten. Een ander accident gebeurde tijdens de viering van Arequipa. Een deel van het afgeschoten vuurwerk raakte enkele elektriciteitsdraden die terechtkwamen op een groepje toeschouwers. Balans: 23 doden. Beide ongevallen werden toegeschreven aan de berggoden die zinden op wraak. Toeval of werkelijkheid? Een zoveelste mysterie...




De ruïnes liggen netjes gedrapeerd rond het stoffig dorp en stralen nog de allures uit van een versterkte burcht. Ook aan de overzijde van de berg merken we restanten op. Metershoge rotsachtige geraamten verraden pakhuizen, opslagplaatsen voor graan en aardappelen. Een vermoeden dat versterkt wordt door zijn ligging want het voedsel bewaarde immers langer op de koude, hoger gelegen flanken van de berg. In de vallei van Ollantaytambo vond trouwens de enige veldslag plaats die de Inca´s hebben gewonnen tegen de Spanjaarden. Het stadje is in feite genoemd naar Ollantay, een moedig man en heldhaftig krijgsheer. Als generaal van de Inca-heerser Pachacuti was hij evenwel verliefd op de dochter van de keizer. Het klassenverschil stond echter een huwelijk in de weg en Ollantay zag zich genoodzaakt te vluchten. Eenmaal opnieuw gevangen genomen, bleef hij zijn liefde voor zijn schoonheidsprinses bezingen. De keizer schonk hem dan ook vergiffenis. Het heroïsch verleden spiegelt zich niet in de tempel -die werd immers uit wraak voor hun nederlaag door de Spanjaarden verwoest-, maar in de poorten en nissen van opvallend goed bewaarde muren.
Later op de dag staan we opnieuw in het hart van de mooiste stad van Peru, 'la Plaza de Armas' in Cusco. Het plein is een opeenvolging van barokke kerken, koloniale huizen met boogvormige arcada´s en wandelgallerijen. Eenzelfde schoonheid treffen we ook ´s avonds aan in de wijk San Blas. Goudgetinte lichtschijnsels afkomstig van antieke straatlantaarns dompelen de nauwe straatjes in een stemmige sfeer. Het steegje Triunfo vormt zowat de toegangsweg tussen 'Plaza de Armas' en de schilderachtige buurt. Het straatje herbergt de meest beroemde steen van Peru: de twaalfhoekige rotsblok. Ze vormt samen met honderden andere stenen de restanten van het paleis van de Incakoning Roca. De Spanjaarden hebben Cusco gebouwd op Indiaanse fundamenten, letterlijk. Robuuste steenblokken liggen als logge legoblokken verspreid en maken deel uit van het straatbeeld. De ongewone vermenging van twee culturen komt ook op een andere bijzondere manier tot uiting. In de kathedraal merken we op het schilderij van 'het Laatste Avondmaal' hoe Jezus en zijn apostelen hun honger stillen met geroosterde cavia (cuy), een Peruviaanse specialiteit. In het halfduister van een wassende maan lopen we voorbij statige koloniale huizen die zijn omgevormd tot gezellige bars en eettentjes. De menukaart is een waaier aan wereldse specerijen. We laven ons aan Chileense wijn en eten een hartige Arabische couscous. We bevinden ons in een kosmopolitische wereld waarbij Cusco de navel van de wereld vormt...




Naarmate de bus zich omhoog kronkelt, doemt een ondoordringbare muur van mist op. Eenmaal aan de ingang is alles een maat voor niets geweest. De Incastad ligt groots, maar haast onzichtbaar onder een mistig wolkendek dat boven de bergen drijft en de hele omgeving in een tastbare somberheid hult. Zelfs de doodvermoeide stappers die vijf dagen lang al coca-kauwend de beroemde Inca-Trail -de pelgrimsweg die uit stenen treden bestaat en uitgeeft op de Machu Picchu- hebben gevolgd, moeten moedeloos toezien hoe de magistrale schoonheid van de site zijn geheimen nog niet prijsgeeft. We vatten post op de plek van de legendarische postkaart-shooting en wachten geduldig tot de wolken openbreken. Ons geduld wordt beloond. Van overal stijgen gedempte verrukkingen op die worden gevolgd door stille bewondering. Onder ons ontvouwt zich een kopie van de bekende postkaart, maar deze keer in het echt.
Ik staar naar die raadselachtige, ongrijpbare plek en bedenk dat zelfs ´s werelds beroemdste trekpleister tot op de dag van vandaag een kosmos is vol mysteries, raadsels en speculaties. Misschien draagt dit alles wel bij tot de schoonheid van deze bijzondere plaats. In een flits denk ik terug aan het kunstwerk van geluk dat al zwervend doorheen het fascinerend Zuid-Amerikaanse continent vaste vorm kreeg. Vandaag wordt er een zoveelste puzzelstuk aan toegevoegd. Wanneer ik uit m´n droom ontwaak hebben toeristen zich reeds in trosjes over het heiligdom verspreid. De ontdekkingstocht doorheen de ruïnes van alle ruïnes kan beginnen.
Machu Picchu werd door haar verborgen ligging nimmer gevonden door de Spaanse conquistadores. Pas in 1911 werd ze per toeval ontdekt. Het was de Amerikaanse archeoloog Hirman Bingham die, op aanwijzen van een locale boer, de bijzondere ontdekking deed. Bingham vergiste zich evenwel. Aanvankelijk vermoedde hij dat de site de mystische geboorteplaats was van de voorvaderen van de Inca´s, meerbepaald Tampu Toco. Daarna dacht hij opnieuw ten onrechte dat hij Vilcabamba had bloot gelegd; de laatste toevluchtsoord van de Inca´s. Over de echte functie van de merkwaardige site blijven de hypothesen zich opstapelen. Was het een soort buitenverblijf voor Incakoningen? Een religieus complex zoals de tempel met de drie vensters suggereert? Of deed het geheel eerder dienst als astronomisch observatorium en bevond de Intihuatana, de steen die het traject van de zon met precisie aangeeft bij elk seizoen, zich daarom juist op het hoogste punt van de site? En welke functie hadden de vele terrassen? Als de stad nooit echt werd bewoond; welke gewassen teelde men dan? Cocabladeren om de bevoorrechte klasse een roes van gelukzaligheid te bezorgen? We struinen doorheen een labyrint van steegjes, terrassen, tempels en pleinen. Ik raak eeuwenoude ruïnes aan, nu eens glad gepolijst, dan weer eens ruw en korrelig. Kijkend doorheen trapeziumvormige ramen tuur ik naar die restanten van een ver verleden, van een beschaving dat zich als geen ander onderscheidde in religie en bouwkunst.
We willen Machu Picchu (de oude berg) ten voeten uit verkennen en bestijgen op het heetst van de dag de Wayna Picchu (de jonge berg). De rots verrijst als een fenix achter de bouwwerken en vertoont aan één zijde nog opvallend kale plekken. De zichtbare sporen van een hevige brand die tien jaar geleden uitbrak, getuigen van een zoveelste mysterie. De oorzaak -een overslaande brand van een boer die zijn akkers platbrandde- werd snel gevonden, maar het vuur geraakte evenwel niet geblust. Zelfs helicopters met watertanks konden de vuurpoel niet doven. Pas toen enkele mensen offers brachten voor Pachamama (Moeder Aarde) en een hevige regenbui losbarstte, werd het vuur gedoofd. Het verhaal vergt een even grote bereidheid tot geloof als de vele verklaringen die de gids ons meedeelt over de diverse gebouwen die de site sieren. Geloof in hypotheses, vermoedens en veronderstellingen; zij maken deel uit van de geleide rondleiding. Op de schuin hellende rotsblokken van Wayna Picchu hebben we een verbluffend uitzicht over de hele omgeving. We kijken haast ademloos toe. Alleen de zachte handkneep van Lies in mijn linkerhandpalm doet me beseffen dat dit alles geen droom is...




Tijdens onze lange voettocht had ik nog een interessant gesprek met onze reisgids Kenny. Op mijn vraag wat hij vond van de huidige president, Alan García, en zijn beleid, stak hij zijn sympathie voor de verguisde en gevluchte president Alberto Fujimori niet onder stoelen of banken. Fujimori, zoon van Japanse immigranten, won geheel onverwacht de presidentsverkiezingen van 1990. Zijn grootste aangang vond hij bij de arme en de inheemse bevolking. Met zijn programma van 'structurele aanpassing' slaagde hij er niet alleen in om de inflatie terug te dringen, maar werd eveneens het BNP (Bruto Nationaal Product) verhoogd. De gids loofde de ex-president vooral voor zijn repressief optreden ten aanzien van de guerrillabeweging het 'Lichtend Pad'.
Deze maoïstische organisatie trad voor het eerst duidelijk naar buiten in 1980. Onder leiding van Abimael Guzmán, docent filosofie aan de universiteit van Ayacucho, pleegden ze gewelddadige acties in de regio. Men had zich tot doel gesteld om de Peruviaanse regering omver te werpen en te vervangen door een communistisch revolutionair regime. Ze profiteerden van de zware economische crisis waar vooral de boerenbevolking onder gebukt ging om leden te ronselen. Om de bestaande samenlevingsstructuren af te breken, begonnen ze autoriteiten (burgemeesters, vakbondsleiders, leerkrachten,...) te bedreigen en te vermoorden. De populariteit van de beweging kreeg rake klappen toen ze hun strategie verhardde. Vooral hun tactiek van autobommen waar vaak ook onschuldige slachtoffers vielen, werd hen niet in dank afgenomen. Gewapende burgerpatrouilles schoten als paddestoelen uit de grond ter verdediging van dorpen en steden. Het land verkeerde in een spiraal van geweld.
De situatie werd nog uitzichtlozer toen in dezelfde periode een andere guerrillaorganisatie het levenslicht zag; de MRTA (Moviemiento Revolutionario Tupac Amaru). Deze groepering legde zich vooral toe op het kidnappen van zakenlui en rijke lieden. Ook zij vielen in ongenade toen ze Asháninka-indianen uit het Peruviaans-Braziliaans Amazoneregenwoud kidnapten. Internationale bekendheid verwierven ze in 1996 door hun vier maanden lange gijzelingsactie in de Japanse ambassade te Lima. De militairen maakten een einde aan de gijzeling. Geen enkele guerrillero overleefde de gewelddadige inval. Vermoed werd dat president Fujimori opdracht gaf om alle rebellen ter plekke te executeren. De regering van Fujimori had ondertussen ook een zware slag toegebracht aan het 'Lichtend Pad'. In 1992 werd hun leider, Abimael Guzmán, gearresteerd en gaven duizenden rebellen gehoor aan de oproep om, in ruil voor amnestie, zich over te geven.
Fujimori werd in 1995 herverkozen, maar verloor steeds meer aan geloofwaardigheid. De geruchten dat er corrupte praktijken plaatsvonden binnen de regering en dat Fujimori banden onderhield met de drugswereld, werd harde werkelijkheid toen men in zijn privé-jet een lading cocaïne aantrof. Fujimori vluchtte het land uit en vond politiek asiel in Japan. Er kwam een gloednieuwe kandidaat aan de macht, Alejandro Toledo. Met zijn nieuwe partij, 'Perú Posible', trok hij de kaart van economische vooruitgang. De diepe crisis waarin het land evenwel verkeerde, noodzaakte hem tot zware bezuinigingen en met de dag werd het voor de bevolking duidelijk dat de belofte op vooruitgang ijdele hoop zou blijven.
Inmiddels is Alan García opnieuw aan het bewind. Hij regeerde het land reeds een ambtstermijn lang, van 1985 tot 1990, maar geraakte toen in diskrediet toen aan het licht kwam dat zijn regering niet vies was voor corruptie. In de voorbije twee jaar heeft hij getracht het land terug op de rails te krijgen. De opmerkelijkste veranderingen zijn:
- de verdere descentralisatie waarbij er een overdracht bestaat van financiële middelen naar regionale en lokale overheden
- de verlaging van de lonen van de politici om zo het vertrouwen in het politiek systeem te herstellen
- de lichte economische groei
- het uitschrijven van examens voor leerkrachten ter bevordering van de kwaliteit van het onderwijs
Toch kampt Peru nog met zware problemen. Zo blijven sociale hervormingen uit en slaagt de president er niet in om de strijd aan te binden met de corruptie. De economische groei zou moeten gepaard gaan met een herverdeling van de rijkdommen. Een concreet regeringsplan hieromtrent ontbreekt evenwel. De laatste tijd hanteert de president nogal een arrogante en autoritaire stijl wat de dialogen en onderhandelingen op diverse niveaus uiterst bemoeilijkt. Peru blijft ook in 2008 kampen met een schrijnende armoede en een zware economische crisis. Twee fundamentele zaken die knagen aan het politiek gezag van Alan García. De toekomst van Peru ziet er allesbehalve rooskleurig uit...




Vandaag staat de zwaarste etappe op het programma, een negen uur durende wandeling. Van 3900 klimmen we tot 4600 meter, 'el Abra Salkantay', de hoogste pas van de vijfdaagse. Lies is al een week lang snipverkouden en zeker hier, op grote hoogte, blijft het haar parten spelen. Na enig beraad beslist ze dan ook om het eerste deel van de zware tocht per paard af te leggen. Ik voel me een stuk beter dan gisteren en gezwind vat ik de tocht aan. Het gaat aanvankelijk geleidelijk omhoog. De zon verdrijft moeizaam de kille mist en voor onze ogen ontvouwt zich de Salkantay-piek. Na een half uur stappen, voel ik hoe mijn darmen zich opmaken voor een partijtje voetbal. Mijn stevige wandeltred wordt een slakkengang. Tien minuten later spurt ik in alle macht naar een schuilplaats. Mijn darmen persen samen tot een vloeibare koeienvlaai. Telkens opnieuw moet ik terug de sprint inzetten, me verbergen achter een rotsblok en lijdzaam toezien hoe de andere groepen als een sliert mieren aan me voorbijschuiven. Twee uur later ben ik totaal leeggelopen, letterlijk en figuurlijk. Onze gids Kenny spreekt me bemoedigend toe. Nog anderhalf uur en dan is de foltering voorbij. Ik sleep mezelf omhoog en probeer mijn geelgroene grimassen te verbergen wanneer Lies me te paard voorbijsteekt.
Wanneer de zon reeds hoog aan de hemel staat en het luchtruim felblauw kleurt, bereik ik eindelijk de top. De voetbalwedstrijd is beslecht, gelukkig in mijn voordeel. We laten ons digitaliseren voor de eeuwigheid. Of het nageslacht? De Koreanen laten zich in verschillende Samurai-poses gewillig fotograferen. Hun gewichtloze sprong kent navolging door de rest van de groep en levert spectaculaire plaatjes op.
Vanaf nu gaat het bergafwaarts. Het ezelspad kronkelt omlaag en voert ons over kabbelende beekjes en wankele brugjes. Rond halfzes zien we onze kampplaats liggen, een open groene strook omgeven door beboste heuvelruggen. We worden verwelkomt met thee van cocabladeren, deze keer met popcorn en koekjes. Anderhalf uur later schuiven we aan voor een overheerlijke 'lomo saltado'. De keukentent roept herinneringen op aan scoutskampen en zorgeloze vakanties als padvinder. Alleen het kampvuur ontbreekt nog...




Gregory,
I am a consular officer at the United States Embassy in Bogota, Colombia. We are looking for information about Fred Hess, and we understand that he rode with you to Maicao on April 20.If you have a telephone number where we could contact you, we would be most grateful.
Do you know where Mr. Hess went after he left Maicao?What were his plans for the rest of his trip?Do you know what hotel or hostel he was planning on staying at?Was he traveling with anyone else or planning on meeting up with anyone else?Was he in good health?Did he appear to be having any problems with his bike?Did he have any problems with people in Maicao or anywhere else during your trip?
Any information you could provide would be very useful to us.
Thank you,
Adam Lenert
U.S. Consulate, Bogota
De gedachte bij de verdwijning van Fred Hess, mijn Amerikaanse fietskompaan waarmee ik een tweetal weken optrok tussen de grens met Colombia en Venezuela, doet me haast kokhalzen. Ik voel hoe mijn maag samentrekt tot een verschrompelde bal en ik naar adem moet happen. Lies is één en al begrip en slaat haar armen moederlijk om me heen. Een moment lang vormen we een bolster tegen de gevaren van de wereld om ons heen. Veel tijd om te dralen is er evenwel niet, want een half uur later worden we opgepikt door onze gids Kenny voor een vijfdaagse trekking doorheen de Salkantay-vallei, met als kroon op het werk de mystische Machu Picchu. Op het centrale 'Plaza de Armas' worden we opgewacht door een gammele bus en een drietal goed ingeduffelde vrouwen die de ochtendkou trotseren. Ze leuren met poncho´s, handgebreide wanten en mutsen, cocabladeren en water. De broodnodige ingrediënten om succesvol de eindstreep te halen. De bus zet zich even later in beweging voor een drie uur durende rit naar het startpunt van onze voettocht, Mollepata op 2.900 meter hoogte. Het is ijzig koud, maar door mijn oververmoeidheid val ik na enkele kilometers in een diepe slaap.
Rond half tien in de morgen schuif ik mijn voeten onder tafel voor een sober ontbijt. Onze groep is -gelukkig- opvallend klein. Met twee Koreanen, een Australiër en een Engelsman vatten we de tocht aan. We wandelen doorheen een bosgroene vallei, wringen ons tussen de plooien van kolossale bergen en zoeken het rustigste pad langs haast verlaten huisjes opgetrokken in adobe. Op de binnenplaats van zo´n stulpje zien we honderden maïskolven. Ze liggen te drogen in de zon en vormen met hun kleurschakeringen een Vlaams stilleven. Een schilderij dat associaties oproept met het harde boerenleven. In de verte waken massieve zwarte rotsen met een witte sneeuwkraag over de horizon. Het landschap vertoont penseeltrekken van roodbruin en geelgroen, maar de vergezichten worden vertroebeld door tientallen vragen.
In gedachten probeer ik de laatste dagen van mijn samenzijn met Fred te reconstrueren, de laatste avond, het laatste gesprek, de afscheidswoorden. Fred keerde na twee dagen op Venezolaanse bodem vroegtijdig terug naar Colombia. Zijn beslissing was ingegeven door angst en onrust. Is het het lot of zijn bang-zijn die beslist hebben over het verdere verloop van zijn reis? Twee dagen nadat hij de Colombiaanse grens had bereikt, heb ik nog een mail ontvangen. Daarna bleven mijn mails en achtergelaten boodschappen op zijn gsm onbeantwoord. De laatste update van zijn website dateert van 18 april. Is hij in handen gevallen van de Farc, de Colombiaanse guerrilla of zit er ander kwaad opzet in het spel? Fred was niet de persoon om off-road te gaan. De kans dat hij tegen een blokkade van de rebellen aanfietste, is dan ook haast uitgesloten. Heeft hij een lift genomen en werd dit hem fataal? De vragen stappelen zich op en de antwoorden blijven uit.
De rest van de dag tollen duistere gedachten over me heen. Ze vormen onsamenhangende puzzelstukken, een kluwen van gangen en dolen, een ondoordringbaar labyrint. Paniek overvalt me bij de gedachte dat ik binnen enkele weken opnieuw mijn zwerversleven aanvat en dit in landen die allesbehalve een goeie reputatie hebben inzake veiligheid. De landkaarten van Nicaragua, Honduras en El Salvador tekenen zich af als angstbeelden tussen de grillige rotsformaties. Een eerste voorteken?




Bij aankomst staan er honderden mensen te drummen voor dranghekkens die als een bufferzone zijn opgesteld en mijlenver verwijderd zijn van de plaats waar het Inca-feest zijn apotheose viert. Inti Ryami mag dan wel uitgegroeid zijn tot een volkshappening, de voorbije jaren is het slotfeest enkel weggelegd voor een select clubje van gegoede Peruvianen en rijke toeristen. Een toegangskaartje met een zitje op de tribune kost tegenwoordig maar liefst 180 dollar. Het toerisme heeft het feest ontoegankelijk gemaakt voor de lokale bevolking. De verontwaardiging is dan ook groot bij de minder gefortuneerde toeschouwers. Het groepje naast ons begint te joelen en krijgt navolging. Hun ontevredenheid groeit uit tot een kleine volksopstand. Mensen jutten elkaar op, verdringen zich voor de dranghekkens, duwen, trekken en proberen een doorbraak te forceren. De geringe politiemacht is omgekeerd evenredig met de opruiende menigte. De wapenstok wordt bovengehaald, maar wakkert de volkswoede alleen maar aan. Huisvaders steken hun baby´s als een schild de lucht in om de agenten te profoceren en worden door de omstaanders op applaus onthaald. De menigte zwelt aan, politieversterking snelt toe, maar de overmacht is te groot. Dranghekkens vallen tegen de vlakte. Het volk zwermt uiteen, terwijl de verschalkte politie machteloos toekijkt.
Er volgt een kat- en muisspel waarbij de massa telkens opnieuw opbotst tegen een nieuwe menselijke defensiegordel van politieagenten. De afstand tot de plaats waar het slotfeest plaatsvindt wordt alsmaar kleiner. Het volk wint meer en meer terrein en verslaat de ene bufferzone na de andere. Ondertussen is het slotfeest in volle gang en wordt de komst van de Inca-koning aangekondigd. Wanneer hij gedragen op zijn gouden draagstoel het ruime afgebakende plein betreedt, is het volk al genaderd tot een kleine driehonderd meter. De geschiedenis herhaalt zich. Het volk belichaamt de barbaarse Spanjaarden, de politie de weerloze Inca-krijgers. Tien minuten later is de strijd beslecht in het voordeel van de Spanjaarden. De Inca´s druipen af. Lies blijft het strijdgewoel halverwege gadeslaan, terwijl ik me met de woedende volksmeute laat meedrijven. Mijn bravoure levert me, net als honderden andere Peruvianen, een schitterend plekje op bovenop de rotsachtige wand. Vanuit mijn uitkijktoren volg ik de ceremonie. Het gebeuren is nagenoeg een kopie van wat er zich eerder op de dag afspeelde op het 'Plaza de Armas'. De omgeving van de site heeft het geheel evenwel een extra dimensie en doet me meevoeren door tijd en ruimte. Ik kijk door mijn lens en zie een volk dat een tevergeefse strijd voerde tegen een alles verwoestend Spaans leger. De verdrukking van minderheidsgroepen, het is een constante in de geschiedenis die tot op vandaag wordt voortgezet. Leren uit de geschiedenis, het is een idyllische, maar loze gedachte.
Na een half uur verlaat ik mijn strategisch, veroverde uitkijkpost en zoek ik Lies opnieuw tussen het volk in de lagergelegen weide. Wegens het ceremonieel gebeuren is de rest van de site afgesloten en moeten we onze verkenning tussen de ruïnes van Sacsayhuman-heiligdom beperken tot een blik aan de buitenkant. De Inca´s vereerden hun goden soms wel op een heel aparte wijze. Zo bouwden ze een stad in de vorm van een poema, de god van de oorlog. Ook Cusco zou gevisualiseerd zijn in de vorm van poema. Hierbij vormt Sacsayhuman de kop, het centrum van Cusco de romp en de Huatanayrivier de staart. De Spanjaarden sloegen ook hier genadeloos toe. Het immense fort werd grotendeels gesloopt om de kolossale stenen te gebruiken voor de bouw van koloniale Spaanse huizen in Cusco. Zelfs ondanks de veroveringsdrang van de Spanjaarden zijn de restanten van de burcht indrukwekkend. De aanblik heeft iets weg van een gigantische blokkendoos waarbij de perfect ineen passende gepolijste stenen naadloos in elkaar overvloeien. Gemiddeld wegen ze twintig tot dertig ton, waarvan de grootste maar liefst driehonderd. Geschat wordt dat er tweeduizendvijfhonderd man nodig waren om het puzzelstukje te kunnen verplaatsen. Van kinderspel gesproken...
Op een boogscheut van de site van Sacsayhuman bevinden er zich nog enkele kleinere ruïnes. Een ervan is Qenko, wat labyrint betekent. Deze benaming is toe te schrijven aan de zigzag liggende tunnels die de delen met elkaar verbinden. Vanuit de verte heeft deze merkwaardige site iets weg van een reusachtige bolster, maar eenmaal als je binnentreedt sta je oog in oog met de overblijfselen van een amfitheater. Vermoed wordt dat dit complex diende als centrum waar hogepriesters het orakel raadpleegden. Andere wetenschappers suggereren dat deze plek eerder dienst deed als tribunaal. Via een nauwe schacht dalen we af in een spelonk. Als de eerste versie klopt werden hier wellicht dieren geofferd voor het orakel. Voor het eigenzinnig gebouw staan nog de resten van een enorm poema-beeld. De poema was symbool van de kracht en krijgshaftigheid van de Incakrijger. Ook dit beeld ontsnapte niet aan de verminkingsdrang van de Spanjaarden.
We sluiten onze tocht af met een bezoek aan de sites van Pukapukara en Tambomachay. Beide ruïnes tonen restanten van ommuurde ruimtes, binnenplaatsen, aquaducten en uitkijktorentjes. Beide nederzettingen hadden een religieuze functie. Ik kom meer en meer tot de vaststelling dat het doordringen tot de echte leefwereld van de Inca´s een complexe opgave is. Met het verdwijnen van het Inca-rijk rond 1530 na Christus zijn ook heel wat mysteries rond hun cultuur nimmer opgelost. De zon verdwijnt langzaam aan de horizon en hult de omgeving in een gloedroze sluier. In de verte zien we een reuzengroot Christusbeeld, de armen gespreid, boven het dal van Cusco zweven. In het weidse, steeds donker wordende landschap lijkt het sneeuwwitte beeld eerder op een fantoom. Het versterkt de geheimachtige sfeer die voor altijd zal blijven hangen rond de verlaten sites...




Vierentwintig juni is sinds jaar en dag zowat de belangrijkste datum voor de inwoners van Cusco. Op die dag viert men er de zonnewende en het einde van een goeie oogst. Wetenschappelijk gezien start het nieuwe zonnejaar op 21 juni. De Inca´s maakten evenwel gebruik van de Pacha Unanchaq of zonnewijzers. De zon blijft een paar dagen om 12 uur ´s middags op dezelfde plaats staan en pas de 24ste juni wordt een opwaardse beweging zichtbaar. Op die dag staat de zon in Peru het verst van de aarde, en zijn juni en juli immers de koudste maanden van het jaar. Voor de Inca´s -die hun religie baseren op de zonnecultus- was Inti Raymi (het feest van de zon) een plechtige ceremonie om de zon terug dichter bij de aarde te brengen en een nieuw vruchtbaar jaar in te gaan. Inti Raymi is uitgegroeid tot een groot volksfeest waar ook toeristen maar al te graag een graantje van meepikken.
De zon brandt ondertussen ongenadig hard en het voorziene startuur -om 10u volgens het programmaboekje- van de bontkleurige stoet is al lang overschreden. Vanuit onze positie zien we hoe de straathoeken zijn omgevormd tot een wriemelende mensenmassa. Opeens stijgt enig rumoer op vanuit de menigte rondom ons. Het prominente groepje bestuursfunctionarissen heeft de kerk verlaten en begeeft zich naar de eretribune. Het startsein van de langverwachte stoet. Vanuit de verte horen we trompetschelpen en tromgeroffel. Kleine kostuumrijke marionetten krijgen een vaste vorm naarmate ze het plein naderen. Wat volgt is een parade waarbij honderden figuranten het plein kleuren met dans en muziek. Ze kondigen de komst aan van de belangrijkste man van hun rijk; de Inca-koning. Gezeten op een gouden troon zweeft hij boven de menigte uit, gedragen door tientallen onderdanen in felkleurige oranje poncho's. Het spektakel vult de lucht met applaus en verafgoding. Het geheel heeft iets onwerkelijks, carnavalesk en sacraals. De Inca-leider begeeft zich koninklijk naar de centraal opgestelde troon en brengt met krachtige stem zijn eerste hulde aan de Zonnegod, Apu Inti. Beladen met zilver en goud lopen hogepriesters af en aan. Ze brengen offers ter ere van de zonnegod. Ik vraag me af hoe sterk de beelderige opvoeringen de werkelijkheid benaderen. Wat is waarheid en wat is fictie? De choreografische dansjes getuigen van een maandenlange voorbereiding, maar roepen in hun afgelijndheid tevens iets onnatuurlijks op. Het naspelen van de geschiedenis blijft steken tussen werkelijkheid en illusie. De kleurrijke plechtigheid verplaatst zich anderhalf uur later op keizerlijke wijze naar het plein voor de Santa Domingo kerk. De stoet wordt gevolgd door duizenden kijklustigen die zich stapvoets voortbewegen. Wij besluiten het feestelijk gebeuren heel even voor bekeken te houden en zoeken wat culinaire rust op in een groezelig eetcafeetje enkele cuadras verwijderd van het centrale plein.




Onze eerste stopplaats zijn de ruïnes van Moray. Hier experimenteerden de Inca´s met allerlei gewassen op spiraalvormige aflopende terrassen. Het complex is gebouwd in de vorm van een amfitheater en heeft door zijn ligging in 'el Valle Sacrado' (Heilige Vallei) iets bovenmenselijks. Ten tijde van de Inca´s werd hier wellicht coca geteeld. Deze licht bedwelmende drug was een voorrecht voor de heersende klasse. Tegenwoordig is het coca-gebruik in alle lagen van de Andes-bevolking ingeburgerd. Ze brouwen er thee mee of kauwen erop tot het een bolvormige, kleverige massa wordt. Coca stilt honger, dorst en vermoeidheid en is tevens een efficiënt middel tegen hoogteziekte. We klauteren van de ene terras op de andere en verbazen ons over hun vindingrijkheid. Doordat elke terras een ecologische zone is met een typisch klimaat slaagden de Inca´s erin te experimenteren met diverse gewassen. Vooral aardappelen -we hebben ons laten vertellen dat er alleen al in Peru honderden verschillende variaties worden geteeld- getijen ideaal op deze plateaus. De techniek van de Inca´s waarbij aardappelen werden gedehydrateerd en gevriesdroogd, zodat die ´s winters nog konden worden gekookt en gegeten, passen de indigenas tot op de dag van vandaag nog toe.
Op het heetst van de dag zetten we onze ontdekkingstocht te voet verder. Een stoffig ezelspad kronkelt omlaag riching Urubamba. Het pad loopt langs akkers waar mannen op ambachtelijke wijze hun velden ploegen. Het aanblik van die noeste keuterboerkes achter hun juk getrokken door moegewerkte ossen heeft in dit troosteloos landschap iets tragisch. Het staat haast in schril contrast met het oogverblindend wit dat als een ijspiste schittert in de nauwe kloof van een kleine canyon. Het zijn de 'Salinas van Maras', terrasvormige zoutpannen. Reeds honderden jaren wordt hier het zout van een sterk mineraalhoudende rivier via een ingewikkeld netwerk van irrigatiekanaaltjes ingenieus afgetapt. Het resultaat is een dambordpatroon van miniperceeltjes die bruin en zilver kleuren. We hinkelen ons langs verbindingspaden, vaak slechts een voetzool breed. De kristallen zoutpannen fonkelen in de late middagzon en zijn, omwille van hun fotogenieke schoonheid, uitgegroeid tot een toeristische stopplaats. Minder romantisch is het beeld van kromgebogen vrouwtjes die het ruwe zout op zandhoopjes scheppen. Om het zout van de aarde te scheiden, trappen ze de torentjes met hun rubberlaarzen tot moes, maken opnieuw zoutbergjes net zolang tot enkele de zoutkristallen overblijven. Een meisje van een jaar of zeventien, met haar baby gewikkeld in een door de zon afgebleekte draagdoek op de rug, klautert met haar vracht uit de sneeuwwitte kom. Een blootvoetse jongen loopt tussen de toeristen in, leurend met zoutklompjes. We lopen wat onwennig door dit universum dat in geen tijden is veranderd. Hier is geen vroeger en geen nu. Er is alleen de ondraaglijke hitte die loodzwaar weegt op de schouders van een arme mensenwereld die zwoegt om te overleven.
Heel wat vrolijker gaat het er aantoe op het voetbalveld in Urubamba. Een volksfeest kleurt het plein tot een speels schilderspalet. De doorgroefde gezichten lachen hun tandloze monden bloot. De chica, licht alcoholisch maïsbier, vloeit er rijkelijk. Er wordt gegeten, gedronken, gelachen en geroddeld. Hun schrijnend bestaan wordt een dag lang weggefliterd door een roes van feestvreugde. Mooi uitgedoste vrouwen strijden om een ereplaatsje in een culinaire wedstrijd. De oventjes zijn torentjes van hardgebakken kleistenen waaronder aardappelen gaar worden. De plaatselijke lekkernij, cuy (cavia), roosteren ze op een stokje. Fanfaremuziek dompelt de weide in deuntjes die repetitief worden herhaald, als een dronkemansorkest uit een film van Kusturica. Het harde leven van alledag is heel even onbestaande...




Ook op de markt zet deze symbiose aan geuren en kleuren zich voort. Het dorpsplein is een schilderspalet, een stilleven van zittende doorgroefde gezichten, een schaakspel van gangen afgezoomd door eetkraampjes en stalletjes die uitpuilen van verse etenswaren, huishoudartikelen en ambachtelijke produkten. Pisac heeft handig ingespeeld op het groeiend toerisme. De helft van het dorpsplein is ingenomen door een artisanale markt waar toeristen struinen doorheen een labyrint aan kleurrijke stoffen. Onze voorkeur gaat uit naar het andere deel, daar waar de lokale Peruvianen hun wekelijkse inkopen doen. Het is zondag, maar de sfeer is er tijdloos. Onder zeiltjes van blauw plastic zitten vrouwen achter hun uitgestalde koopwaar. Ze zijn gekleed in traditionele klederdracht. Hun hoeden werpen schaduwstreepjes over hun gezichten, waardoor hun blikken in het halfduister nog argwanender lijken. Ze zijn de toeristen hier wel gewoon, maar ze kennen ook hun intenties. Ze weten als geen ander dat hun leefwereld nog authenticiteit uitstraalt en dat inblikkende gringo´s maar al te graag daarop willen scherp stellen. De overvloed aan digitale ogen heeft sommigen bijna apathisch gemaakt voor het voyeurisme, anderen hebben er hun handelsmerk van gemaakt. Zo drentelt een kleine meisje in lokale outfit met een puppy in haar kleurrijke omslagdoek tussen de toeristen en laat zich welwillend, maar tegen klinkende munt fotograferen. Pisac speelt zijn eigen circus en zet de toerist een zoveelste spiegel voor. Een uur later kruipen de tourbussen terug moeizaam de vallei uit met glunderende gezichten die worden opgelicht door een waterval van lokale kleuren bij het overlopen van hun digitale oogst. Het is een onomkeerbaar proces waar ook Pisac niet aan ontsnapt.
We reizen niet alleen door een wereld van geuren en kleuren, maar eveneens naar een ver verleden. De ruïnes van Pisac brengen ons zo in de war dat we twijfelen tussen wat nu is en wat toen. Horizontale terrassen van steen en aarde lopen vanuit het marktplein langs de steile flanken omhoog, verschuilen zich soms om een halve bergtop later terug op te klimmen naar een nog hogere berghelling. De bouwkunst van de Inca´s ontvouwt zich schoorvoetend en vanuit de verte hebben de ruïnes, gelegen tussen de kale bergen, iets nietigs. We vergissen ons. Wanneer we oog in oog komen te staan met de restanten van wat ooit de grootste versterkte stad van de Inca´s was, hebben we voetstappen te kort om het hele complex grondig te bezoeken. De tempels voor offergaven en astronomische waarnemingen, de graven, opslagplaatsen en woonhuizen stralen in de late, lome middagzon één en al trots uit. Geplaveide voetpaden en stenen treden lopen langs rotswanden die ons toegang verschaffen tot een doolhof aan muren, torentjes en geraamtes van huizen.
We geraken niet uitgekeken op die esthetisch volmaakte Inca-architectuur. Waar we ook kijken, overal passen de stenen naadloos in elkaar. Sommige muren lijken wel één grote rotswand waar achteraf enkel een slijpmachine inkervingen heeft gemaakt waardoor er een voegloze blokkendoos is ontstaan. Aan de einder gloeit de zon rozerood. Ik streel met mijn handpalm over de stenen die weerkaatsen in het zonlicht. Ze branden. We stappen verder en ontdekken dat ook de achterliggende heuvelrug een schat aan ruïnes bezit. We staan hoog in de bergen tussen de restanten van een verdwenen beschaving en happen naar adem. Is het door de ijle lucht of door de uitgestrektheid van het complex dat we duizelen? Het lijkt wel Machu Picchu in het klein. De ruïnes mogen dan wel doods zijn, voor ons zijn ze magistraal. In de verte zien we daken van wapperende blauwe tentzeilen. Het heden en verleden wordt hier enkel gescheiden door een steile bergwand. Eeuwen geschiedenis vloeit hier samen tot een boeiende zwerftocht naar de wereld van de Inca´s. Het verleden is hier heden, want ook achter de rotswanden zitten vrouwtjes met alpaca-truien en handgeweven doeken. Het harde leven van alledag kent geen heden, geen verleden. Alleen het nu-moment overheerst...




Bij aankomst op het centrale plein, Plaza de Armas, kent ons voornemen al meteen een goed begin. Dranghekkens en een bonte stoet aan feestvierders doen ons vermoeden dat Cusco deze dagen veel meer is dan een historische Inca-stad. Een rondvraag leert ons dat Cusco naar aanleiding van het zonnefeest 'Inti Raymi' (de dag waarop de zon het verst van de aarde verwijderd is - op 24 juni) een hele week feest viert. Meteen wordt ons de massale toeloop aan toeristen duidelijk. De optocht is een eindeloze parade waarbij duizenden figuranten in feestkledij door de straten dansen. Allen zijn ze geordend naar gilden, beroepen, organisaties of parochies. Ze worden elk voorafgegaan door dragers met spandoeken. Voor de kathedraal staat een tribune waarop een man met behulp van een microfoon de 298 groepen één voor één verwelkomt. De sfeer is uitgelaten, het feest kleurrijk.
Ondanks de aanlokkelijkheid van de feestvreugde beslissen we toch om onze verkeningstocht verder te zetten. Het eerst wat ons opvalt is de kleur aan architecturale schoonheid. De oude Inca-resten verschuilen zich niet alleen in kathedralen, kerken en kloosters, maar ook in smalle, geplaveide steegjes die haast onuitspreekbare Incanamen dragen. We komen letterlijk tot het besef dat we in een andere wereld zijn terechtgekomen, want de ligging van de stad op 3300 meter doet ons meermaals naar adem happen. Of ligt het aan ons typisch Peruviaans middagmaal vergezeld met sprankelende Inca-Kola? Een rijkelijke maaltijd en gasrijke dranken zijn nu eenmaal niet bevorderlijk tegen hoogteziekte, komen we later te weten. We dwingen onszelf om onze pas wat te dempen en met enkele cocabladeren achter de kiezen vervolgen we onze weg.
Cusco ligt in een vallei, gekneld tussen berghellingen. Daar waar Lima zich verspreidt als een reusachtige inktvlek, zijn de grenzen van 'de navel van de wereld' een stuk overzichtelijker en duidelijker afgebakend. De straten en de voetpaden zijn vaak zo smal dat auto´s en wandelaars zich in een lange rij voortbewegen. De nauwe, scherp hellende straten houden de herinnering aan de Inca´s levendig, evenals de koloniale huizen rustend op oude funderingen. De bouwstijl van de Inca´s is op zijn zachtst uitgedrukt opmerkelijk. Cement kwam er niet aan pas. Ze kapten de granieten rotsblokken tot hoekige stenen, net zolang tot die perfect in elkaar pasten. De muurstenen waren aan de onderkant ook breder. De Inca´s bouwden een stad met imperiale grandeur in de gedaante van een heilige poema. Toen de Spaanse veroveraars onder leiding van Pizarro de stad Cusco binnenvielen, waren ze met stomheid verslagen. Het oogverblindende goud en zilver op de poorten van de paleizen en tempels zette hen helaas aan tot plunderingen en het vernielen van alle goddeloze bouwwerken. Op de ruïnes bouwden ze het huidige Cusco. Het voormalige Inca-rijk werd een Spaanse provincie. Indianen werden massaal gedwongen te werken in de zilvermijnen en op het land. Wanneer Peru in 1821 zich onafhankelijk verklaarde, was de positie van de indianen nauwelijks verbeterd. Het waren tweederangsburgers geworden.
We slenteren doorheen die verdwenen rijkdom en beseffen dat enkel nog de tweederangburgers zijn overgebleven. De nazaten van de indianen zijn veroordeeld tot de bedelstaf of de toeristische randeconomie. Schoenpoetsertjes klampen ons aan en wijzen met hun zwartegekleurde, vettige vingertjes in de richting van onze schoenen. Kleine vrouwtjes met kleurrijke omslagdoek op de rug leuren rond met aardappeltjes of empanadas. Een jongeman duwt een bakfiets vol sinaasappelen voor zich uit. De goudmythe van Cusco staat op elk van hun gezichten te lezen. Zelfs de komst van de gringo´s heeft daar niks aan veranderd...




Voor ons vertrek uit Lima bezochten we nog de ruïnes van Pachacámac. Ze liggen geprangd tussen de Panamericana, de verkeersader van het continent, en de dorre, eindeloze woestijn. Toen de Spanjaarden er in 1533 arriveerden, troffen ze een grote stad aan. Pachacámac (Schepper van de Wereld) was reeds gedurende 1000 jaar voor de opkomst van het Inca-rijk een belangrijk spiritueel centrum. Van heide en verre kwamen pelgrims hier naartoe om offers te brengen en het orakel te raadplegen. De site imponeerde ons vooral omwille van de uitgestrektheid en de goed bewaarde tempels en muren. Het was alvast een voorsmaakje op de vele archeologische complexen die we rond Cusco zullen aantreffen.
Na onze eerste dagen in de chaotische metropool Lima hadden we gedacht om in Cusco wat rust te vinden. Die hoop wordt al snel doorprikt bij onze eerste verkenningstocht. De stad die in 1200 na Christus door de Incaleider Manco Capac tot hoofdstad van het Inca-rijk werd uitverkoren, is een ware gringo-attractie geworden. De toeristenindustrie draait er op volle toeren en speelt handig in op de massale toestroom van reizigers van over de hele wereld. De vele kerken en Spaanse arcades rond la Plaza de Armas voeren een ongelijke strijd met de Westerse sfeer die zijn bezit heeft genomen over de stad. De winkelramen etaleren dure sieraden, handgeweven doeken en poncho´s. Internetcafés volgen elkaar op als een dominospel, stemmige restaurants wekken met hun internationale keuken de hongerige smaakpapillen op en een veelvoud aan reisbureaus bieden op maat gesneden tours aan. De mooiste stad van Zuid-Amerika laat bij een eerste confrontatie een wrange nasmaak na. Door de moderne aanblik heeft Cusco als monumentenstad een groot deel van haar karakter verloren. Het moet er ooit anders hebben uitgezien.
In de tijd van de Inca´s verrees een indrukwekkende stad in de vorm van een poema. De poema, de slang en de condor hebben altijd een belangrijke rol gespeeld in de mythes bij de Inca's. Ze staan respectievelijk voor de mensenwereld, de onderwereld en de bovenwereld. 'Qosqo' in het quechua, de taal van de Inca´s, betekent zoveel als 'de navel van de wereld'. We struinen door hellende keienstraatjes, terwijl immense koloniale gebouwen onze pas inhouden en ons met verstomming doen slaan. In het straatje Triunfo treffen we nog enkele intact bewaarde Incamuren aan. De eigenzinnige steenblokken passen zo precies in elkaar dat je er zelfs geen speld tussen krijgt. Voor een volk zonder kennis van het schrift en het wiel slaagden ze evenwel in ongekende presaties. Daarom wordt aangenomen dat de Inca´s leefden in een totalitaire maatschappij. De inwoners werden verwacht te gehoorzamen in functie van de gemeenschap en de gemeenschap in functie van de leider.
De komst van de Spanjaarden maakten echter een einde aan het Incarijk. De indrukwekkende paleizen werden met de grond gelijk gemaakt, gouden rijkdommen verscheepten ze naar het moederland en de weerloze Inca´s werden massaal afgeslacht. In het beste geval recupereerden de conquistadores hier en daar nog een muur om er hun eigen bouwwerken op te zetten. Hoe de Spanjaarden er in slaagden om op vrij korte tijd zo´n groot rijk te veroveren, moet gezocht worden in diverse factoren. Enerzijds was de structuur van het Inca-rijk al aan het afbrokkelen door verdeeldheid en interne machtsstrijd om de opvolging. Anderzijds waren de Spanjaarden ook militair superieur. De Inca´s onthaalden hen aanvankelijk zelfs welwillend, want ze zagen in de Spanjaarden de in hun mythen voorspelde goden. Tenslotte stierven vele Inca´s door de import van ziektes, zoals de pest en de griep. Het oude Inca-imperium heeft het heel zwaar te verduren gekregen en zo te zien is het einde nog niet in zicht. Na de Spanjaarden heeft het toerisme nu de stad veroverd en omgevormd tot officieuze hoofdstad van het gringoïsme. Hopelijk is hun invasie niet zo nefast...




In de voorbije decennia heeft namelijk één derde van de Peruaanse bevolking (9 miljoen) hun -meestal- ijdele hoop gevolgd tot in deze metropool. Het Lima van de 21ste eeuw is een verzameling van woonwijken en buurten met een uiterst heterogene bevolking. De kernen ervan zijn inmiddels aaneengeklit tot een patchwork waar de afstand tussen armoede en rijkdom slechts door een brug gescheiden is. Deze bevindt zich achter het regeringsgebouw, over de Rimacrivier. Vanop de brug zien we de eindeloze krottenwijken tegen de heuvels aanklimmen. De fleurige gevelkleuren vergullen nauwelijks de schrijnende armoede van de zogenaamde jonge dorpen. De grote concentratie aan inwoners en de vele aardbevingen van de voorbije decennia hebben Lima als parel van de Stille Oceaan geen goed gedaan. Toch is de stad bezig met een grondige revival. Heel wat pleinen en koloniale gebouwen kregen de voorbije jaren een grondige opknapbeurt. Wandelpromenades werden aangelegd en de drukste winkelstraat werd voetgangerszone. Daar, tussen blinde consumptie en Amerikaans vertier in de vorm van goktenten, ontdekken we een wat vreemde eend in de bijt: 'de kerk van La Merced'. Deze barokkerk ligt plompverloren tussen al dit geweld van aanrollend geld. Of is het eerder een strategische zet om precies hier goktenten en huizen van licht plezier te openen? De vergeving van de zonden is hier nauwelijks een hoek verwijderd. Op een boogscheut daarvandaan bevinden zich nog twee heiligdommen: de kerk en het klooster van San Francisco. Het zijn de enige twee gebouwen die de zware aardbeving van 1746 hebben overleefd. We worden vooral gecharmeerd door het immense doolhof aan kloostergangen en hun devote uitstraling en niet zozeer door de catacomben. Daar liggen immers de botten van zowat 70.000 mensen. Tot in 1808 werden deze macabere kelders gebruikt als graven.
Veel vrolijker en kleurrijker gaat het er aan toe tijdens de wissel van de wacht. Elke dag, klokslag kwart voor twaalf rollen geüniformeerde marsklanken als een rode loper over het grote paleisplein. De fanfaremuziek met bijhorend gedisicplineerd vertoon lokt tientallen kijklustigen die met een giraffennek een glimp proberen op te vangen van wat er zich achter de tralies van het paleis afspeelt. De wissel van de wacht is een ceremonie waar maar liefst 50 soldaten, inclusief blaaskapel, aan deelnemen. De soldaten lijken vanop afstand houten marionetten die netjes in de maat paraderen. De uitgebreide veiligheidsmaatregelen verraden evenwel de ernst van de opvoering.
Onze honger stillen we in één van de oudste markten van Lima, 'el mercado central'. Hier is zowat alles te koop. Door een elektriciteitspanne moeten we onze verkenningstocht evenwel beperken tot het restaurantgedeelte. Het levert ons alvast een dagschotel op bij romantisch kaarslicht. Bij onze volgende stopplaats, el museo de la inquisición, is de romantiek evenwel ver zoek. Hier werden beschuldigden door de inquisitie gevangen genomen en gefolterd. Levensgrote taferelen van martelpraktijken laten weinig aan de verbeelding over. Stukken vredelievender gaat het er aantoe in het nationaal archeologisch museum. We verdiepen er ons in de verschillende culturen voor de opkomst van de Incacultuur (1200 na Christus). Tal van beschavingen bevolkten het Peruaanse land voor de Inca´s, die hun bekendheid te danken hebben aan de Spaanse kroniekschrijvers. De kennis van vele andere beschavingen, zoals die van Chavín, Nazca, Moche, Tiwanaku, Wari en Chimú zijn voornamelijk gebaseerd op archeologische vondsten. Het museum herbergt dan ook een snoepjeswinkel aan keramiek en smeedijzer. De chronologische weergave van de verschillende volkeren die deel uitmaken van de pre-Hispanische culturen en hun bonte verzameling aan voorwerpen geven ons een inzicht over deze bijzondere periode uit de geschiedenis. De achtergrondinformatie zal alvast goed van pas komen wanneer we morgen de ruïnes van Pachacámac, een bedevaartsoord 20 km ten zuiden van Lima, gaan bezoeken.
We sluiten onze verkenningstocht af in het nabij gelegen 'Larco Herrera museum'. Dit privé-museum van een vroegere vice-president herbergt zowat 55.000 vazen uit de Moche- en de Chimú periode. Zijn verzamelwoede ging nog verder, want ook keramische voorwerpen en textiel uit de pre-Colombiaanse periode maken deel uit van zijn indrukwekkende collectie. Ter afsluiting werpen we nog een blik op zijn weergaloze verzameling 'huacos', pre-Colombiaanse keramiek met sexuele inslag. Wanneer we de zaal binnentreden zien we hoe een Franstalige moeder haar dochtertje aanmaant om braafjes op een stoel aan de ingang te gaan zitten. Eenmaal de moeder net iets te lang blijft dralen aan een erotische, acrobatische pose, sluipt het meisje van haar stoel en gaat op ontdekking. Elk verbod wekt nu eenmaal nieuwsgierigheid op. De moeder wordt enkele tellen later uit haar extase gehaald, rukt het kind bij de hand en neemt haar kordaat mee naar de aanpalende cafetaria. De ondeugende meid zal ongetwijfeld getrakteerd worden op een kopje chocolademelk. Erotiek en chocolade; het scoort altijd...
Na al die onreine gedachten zoeken we onze toevlucht in L´Eau Vive, een Franse kloosterorde met culinair talent. In deze oase van rust serveren zusters Franse cuisine à la carte. De opbrengst gaat integraal naar de armen van Lima. We hadden geen beter adres kunnen uitzoeken, want voor het dessert worden we vriendelijk uitgenodigd om het 'Ave Maria' mee te zingen. Een zediger afsluit van ons bezoek aan de hoofdstad hadden we niet kunnen bedenken...




Het eerste wat ons opvalt wanneer de vleugels van de condor het dichte wolkendek verlaten en hij zijn spitse snavel naar de hobbelige landingsbaan stuurt; is het druilerige weer. Hebben wij ons vergist van seizoen of is het werkelijk herfst? Ook wanneer we even later via een taxi naar ons hotel worden gebracht, hult Lima zich in een loodzwaar gordijn van grauwe wolken. ¨El tiempo es muy malo.¨ (Het weer is heel slecht.) Het is eerder een bevestiging dan een vraag, maar de praatgrage chauffeur voelt intuïtief aan dat ik als nieuwsgierige toerist aanstuur op een antwoord. ¨Siempre! El sol en Lima es muy raro.¨ (Altijd! In Lima is de zon veelal een zeldzaamheid.) De havenstad zit bevangen onder een eeuwige mistsluier die zich kenmerkt door de ´garúa´, een fijne motregen. Het wordt ons al van de eerste dag duidelijk: willen we de schoonheid van Lima ontdekkken, dan zullen we ons niet mogen laten beïnvloeden door het gure weer en zal de zoektocht meer tijd in beslag nemen dan voorzien. De eerste dagen worden een oefening in reizen.
Als ´globetrotter´ ga je onvermijdelijk typische kenmerken van andere grootsteden vergelijken. Het eerste wat ons opvalt is de onwaarschijnlijke netheid. Voor een stad met maar liefst 9 miljoen inwoners is dit allesbehalve een sinecure. Al wordt onze visie hieromtrent twee dagen later enigszins wat bijgestuurd wanneer we het centrum van Lima verlaten. Een tweede vaststelling: de informele sector is hier niet zo prominent aanwezig in het straatbeeld. Daar waar je in La Paz (Bolivië) je zigzagend een weg moet banen tussen ambulantes, -zoals geldwisselaars, mimespelers, straatmuzikanten, schoenpoetsertjes en straatverkopers allerhande-, is deze handel in het centrum van Lima nauwelijks aanwezig. In de jaren ´90 heeft de toenmalige burgemeester schoon schip gemaakt met deze bonte verzameling. Op straffe van hoge boetes zijn ze verdrongen uit het stadscentrum. Wanneer we op een morgen aan een kruispunt van een drukke verkeersweg worden aangesproken door een sjofel schoenpoetsertje, snelt een politieagent ons meteen toe. De arme stakker wordt prompt weggejaagd. Best jammer, want zo verliest Lima veel aan couleur locale. Aan de andere kant zal het de veiligheid in de stadskern wel ten goede komen. Een derde vaststelling: Lima geeft ons nooit de indruk van onveiligheid. De wilde verhalen over zakkenrollers, gewapende berovingen, kidnappingen en -ja, zelfs- verkrachtingen lijken ons fel overdreven. Hebben de onheilsprofeten in hun dichterlijke vrijheid schromelijk overdreven of hebben we gewoon geluk? Lima kent als hoofdstad wel een zekere criminaliteit, maar het is ongetwijfeld niet erger dan in vele andere grootsteden. Een laatste vaststelling: Wie de tijd neemt om Lima ten voeten uit te verkennen, valt van de ene verbazing in de andere. Zelfs na een eerste grondige ontdekkingstocht wordt het ons duidelijk waarom de conquistador Pizarro deze plek als machtscentrum van het nieuw verworven Zuid-Amerikaanse continent had gekozen. Naast de nabijgelegen haven -wat strategisch gezien belangrijk was- biedt de stad een staalkaart aan van een roemrijk koloniaal verleden. Grote, verzorgde pleinen en kathedralen zijn zowat het visitekaartje van de historische stadskern. La Plaza de Armas wordt geflankeerd door statige gevels van het koninklijk paleis en de kathedraal. Kunstig gerestaureerde huizen met gesculpteerde balkons omsluiten het plein. Staat, kerk en kapitaal schudden er elkander broederlijk de hand. Ze staan in schril contrast met de verkommerde huizen in Spaans-Moorse stijl die in de drukke, autovrije winkelstraat 'Jerion de la Union' zijn gevestigd. De verloederde woningen leveren een ongelijke strijd tussen de nieuwbouw en de commercie. Sommige straten zijn zo Europees gekleurd dat we het gevoel hebben te struinen in de Brusselse Nieuwstraat. De panfluitklanken en de indianen met lange, sierlijke vlechten lijken verder weg dan ooit. Ook in de betere wijken Miraflores en Baranco hebben we niet het gevoel in Zuid-Amerika te vertoeven. Na twee dagen flaneren, is ons oordeel geveld. Lima bekoort ons omwille van zijn impossante architecturale gebouwen, zijn gezellige pleintjes en zijn levendigheid, maar de liefde dringt niet door tot de kern. Onze ziel blijft steken tussen de plaveien van een te mooi afgeborstelde stadskern...