Nickerie: de rijstschuur van Suriname...

Suriname - Nickerie, 25-03-2009 - (dagboek 8)


Ik ben aangekomen in Nickerie, mijn voorlopig laatste stopplaats in Suriname. De lange rechte weg ernaartoe kenmerkte zich niet langer door exotische kokospalmplantages, maar door uitgestrekte rijstvelden. Het Nickerie district wordt wel eens de rijstschuur van Suriname genoemd. De rijstexport is één van de belangrijkste economische pijlers van de buitenlandse handel. Opvallend is dat de grote rijstboeren en rijstexporteurs in hoofdzaak Hindoestanen en Javanen zijn. Eind negentiende eeuw werden beide bevolkinsgroepen als immigranten hier naartoe gebracht om de negerslaven te vervangen op de suiker-, katoen-, en cacaoplantages. Velen van hen zijn in Suriname gebleven en hebben zich gaandeweg toegelegd op de rijstcultuur. In het verlengde van hun aanwezigheid zijn ook de vele gebedshuizen opvallend aanwezig in en rond Nickerie. Suriname lijkt plots mijlenver verwijderd van Zuid-Amerika.

Ook op de dagelijkse markt zijn de Hindoestanen nadrukkelijk aanwezig. De vrouwen vallen niet zozeer op door hun lange kleurrijke gewaden, maar eerder door het onmiskenbare rode verkiezingsbolletje dat tussen hun wenkbrauwen zweeft. De rode stip betekent dat ze gehuwd zijn en is ook het symbool van meditatie en innerlijke bezinning, een soort derde oog als het ware. Ze zitten achter heuveltjes vol groenten en fruit hun waren aan te prijzen of fileren met de behendigheid van een messentrekker de meest afstotelijke vissoorten. Te midden van deze zee aan geuren en geluiden jengelen muzikale klanken die je haast doen wegdromen naar Indië. Onder de omhoog hangende boxen wemelt het van relikwieën, offerbeeldjes en andere geloofsvoorwerpen. Zou de religie hier ook, net als de liefde, door de maag gaan?

Tijdens de ingelaste rustdag profiteer ik er niet alleen van om de multiculturele sfeer op te snuiven, maar zoek ik ook uit op welke manier ik het best Guyana kan bereiken. Guyana, mijn laatste te ontdekken land, wordt van Suriname gescheiden door de Corantijnerivier. Ik ontdek dat er twee manieren zijn; een legale en een illegale. De legale verloopt via de veerboot die op een kleine 40 km van Nickerie centrum de oversteek maakt. Aan beide kanten van de rivier is er een immigratie- en douanekantoor gevestigd. De niet illegale wordt hier de zogenaamde ´backtrack´ genoemd. Kleine bootjes vertrekken van bij de zeedijk naar buurland Guyana. Het gebrek aan controle en de snellere overtocht heeft ertoe bijgedragen dat de ´backtrack´ de meest gebruikte manier is om Guyana en Suriname zonder papieren binnen te komen. De smokkel aan drugs, voedingsmiddelen en luxe produkten tiert er dan ook welig. Ik zal maar het zekere voor het onzekere nemen en mij braafjes houden aan de legale regels...

De geamputeerde borst van Wageningen...

Suriname - Nickerie, 24-03-2009 - (dagboek 7)


Het ronkend geluid van de ventilator dringt stilaan tot me door. De verspreide koelte die repetitief van links naar rechts wordt uitgeblazen onder een welgemeten hoek van 45 graden, voelt in de schoorvoetende morgen kil en eenzaam aan. Thuis zou ik liefdevol wegdoezelen onder de dekens en mijn hunkerend lichaam zachtjes aanhurken tegen dat van mijn geliefde. Nu knip ik de ongezellige zoemende Tl-buis aan en maak mijn fietstassen klaar. De hoofdstaat in Totness straalt in de schermerzone tussen nacht en dag een onbestemde gloed uit. Een slecht werkende straatlantaarn knippert onleesbare morsesignalen op het asgrauwe beton. Het zalig ritueel van het vasthaken van de fietstassen wordt mateloos verstoord door een legertje muggen die reeds klaarwakker zijn. Het offensief is zo talrijk dat ik noodgedwongen het hazenpad moet kiezen. Ik verschans mij binnen de vestingmuren van het hotel. Mijn bastion biedt tijdelijk wat bescherming. Terwijl ik een harnas aantrek bestaande uit lange broek en T-shirt met lange mouwen, besproei ik mezelf van kop tot teen met DEET. De dag moet nog beginnen en ik stink al uren tegen de wind.

Mijn geïmpregneerde lijf werpt samen met de trappende luchtverplaatsing zijn vruchten af. De muggen blazen de aftocht en zonder verdere tegenaanvallen fiets ik het desolate dorpje Totness uit. Het voorbijglijdende landschap verandert haast onmerkbaar van kokospalmplantages naar uitgestrekte vlakke polders. De ruime omgeving van Nickerie staat -naast zijn illegale smokkel naar Guyana- bekend om zijn rijstproductie. Zover het oog reiken kan, vleien horizontloze rijstvelden zich naast elkaar. Ze worden af en toe omzoomd door dorpgemeenschappen waar voornamelijk Hindoestanen en Javanen wonen. Zij werden halverwege de negentiende eeuw als immigranten hiernaartoe gebracht om de negerslaven te vervangen en als contractuele arbeiders te werken op de suiker-, katoen- en cacaoplantages. De aanwezigheid van de orthodoxe hindoes kenmerkt zich ondermeer door de kleine, wapperende vlaggen aan lange bamboestokken. Deze natuurlijke vlaggenmasten staan als trouwe wachters voor hun huizen en verwijzen naar de verering van één van hun goden. In hun geloofscultuur vormen Brahma (de schepper), Vishnu (de onderhouder) en Shiva (de vernietiger) de belangrijkste goden. Ook buitenshuis beleven ze sterk hun religie. In de iets grotere dorpjes staan opvallende hindoetempels, vaak bijna aanleunend tegen kleine moskeeën waar de islamitische Javanen dan weer samen komen om hun religie te belijden. Suriname is een vredelievende cocktail van rassen en culturen.

Een goeie vijftig kilometer voor Nickerie, mijn voorlopig laatste stopplaats in Suriname, stuurt een wegwijzer me in de richting van Wageningen. Bij het binnenfietsen wordt mijn aandacht getrokken door verloederde technische installaties en kantoren. Op de roestige graansilo´s prijken de letters MSL. De aanblik van het desolate industriële complex straalt iets futuristisch uit, maar de schrijnende werkelijkheid is minder kunstzinnig. Het verhaal van de teloorgang verneem ik van één van de werknemers, de gepensioneerde Richard. Hij zit doelloos voor zich uitstarend ineengezakt op één van de ijzeren zitbanken onder het afdakje van een Chinees kruidenierswinkeltje. Hij vertelt me dat SML (Stichting Machinale Landbouw) ooit een begrip was in de rijstteelt. Het staatsbedrijf had met zijn 1800 werkkrachten een faam weten op te bouwen tot ver over de landsgrenzen heen. Er heerste welvaart en het dorpje Wageningen profiteerde van het economisch succes. Eind de jaren tachtig keerde het tij. Lage wereldmarktprijzen en een slecht management knaagden aan het succes. Zes jaar geleden werd het hele bedrijf opgedoekt. Richard denkt nog met heimwee terug aan de glorieperiode. "We werkten hard, maar verdienden goed. Het was een zalige tijd want we hadden niks tekort." Tegenwoordig zal dat wel anders zijn. Richard en zijn vrouw moet gezamenlijk zien rond te komen met een pensioentje van 275 SRD (Surinaamse Dollar), omgerekend 80 euro. Je zou voor minder heimwee hebben...

In de dorpskern staat nog een vreemde verschijning, het standbeeld van de slavin Alida. Geknield en met haar handen tegen het hoofd gedrukt, slaakt ze een hartverscheurende pijnkreet uit. Op de plaats van haar linkerborst kleeft geronnen bloed. Het verhaal vertelt dat de onuitstaanbare slavenhoudster Susanna du Plessis de borst van haar slavin Alida zou hebben afgehakt om die vervolgens als toetje te serveren aan haar man. Op die manier wou ze haar echtgenoot straffen voor zijn wellustige blikken ten aanzien van Alida. Het beeld werd opgericht in 1973 ter ere van 110 jaar afschaffing van de slavernij. Op 1 juli wordt de dag van de slavernij nog jaarlijks herdacht.

Bij het uitfietsen van het dorpje valt mijn oog op een kleine bushalte. Op de muur ontcijfer ik doorheen de contouren van de afgebladderde verf nog een stukje verloren geschiedenis. ´Het is een feit, SML-rijst beste kwaliteit!´ De slogan moet voor de ex-werknemers en de bewoners van Wageningen een wrange nasmaak nalaten. Het opschrift roept ongetwijfeld bij elke confrontatie een pijnlijke herinnering op. De aanblik aan de levensloze fabrieksgebouwen moet aanvoelen als een geamputeerde borst...

Suriname: multiculturele samenleving...

Suriname - Totness, 23-03-2009 - (dagboek 6)


Koentie stopt me nog gauw een paar krentenbollen toe. "Die kunnen nog van pas komen op de lange weg naar Nickerie." Zachtjes knijpt ze me bij het aanreiken in mijn hand. Het voelt aan als een teken van bescherming.

Er scheiden mij exact 237 km van Nickerie. Vandaar gaat het per ferry verder tot aan mijn laatste te ontdekken land, Brits Guyana. Een gering wegennet staat synoniem voor een behoorlijke verkeersdrukte en dus neem ik maar het zekere voor het onzekere en fiets getooid met fietshelm de grootstad uit. De smeltkroes aan culturen is tot ver buiten het centrum van Paramaribo zichtbaar. Langs de kant van de weg sieren hoge moskeeën met minarettorentjes en Hindoetempels het stedelijk landschap. Ook andere geloofsgroepen zijn hier talrijk aanwezig: adventisten, Jehovah´s Getuigen, aanhangers van Hari Krishna,... Overal hebben ze wel ergens een gebouw neergepoot waar ze hun geloof kunnen belijden. Naast religie onderscheiden ze zich ook op politiek en economisch vlak. Al heeft deze mix aan culturen er ook voor gezorgd dat door de eeuwen heen heel wat gebruiken en gewoonten van elkaar werden overgenomen, niet in het minst door de gemengde huwelijken.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik zowat het hoofd verlies wanneer ik een poging doe om die cocktail aan mensen in te delen per ras en cultuur. Alleen al wat de inheemse bevolking betreft, de oorspronkelijke bewoners van Suriname, zijn er al een handvol verschillende stammen: Karaïben, Arowakken, Trio, Wajana, Akoerio,... Zij vormen tegenwoordig een minderheid in de Surinaamse samenleving. De grootste bevolkingsgroep vormen de Hindoestanen, gevolgd door Creolen, Javanen, bosnegers, Chinezen, ... De aanwezigheid van Hindoestanen en Javanen gaat terug tot in de tijd van de suiker- , koffie- en cacaoplantages. Toen in 1863 Nederland als laatste land de slavernij afschafte, zocht men naar een oplossing om het nijpend tekort aan arbeidskrachten op de plantages op te vangen. In 1873 kwam het eerste schip met Hindoestaanse contractarbeiders aan in de hoofdstad Paramaribo. Het leven van deze Hindoestanen verschilde evenwel niet veel van dat van de vroegere slaven. Precies daarom verbood de Brits-Indische regering in 1916 het werven van contractarbeiders. Suriname was zich bewust van deze maatregel en hield zich daarom reeds sinds 1890 bezig met het aantrekken van Javaanse contractarbeiders. Het plantageverleden bepaalt tot op de dag van vandaag de culturele verscheidenheid van Suriname.

De grote oost-westverbinding voert me langs minuscule dorpjes. Het enige dorp van betekenis is Totness, tevens hoofdplaats van het departement Coronie. Een eigenaardig kunstwerk domineert het dorpsplein; het zijn twee ijzeren slippers, teklés. De Javaanse immigranten brachten niet alleen hun veelzijdige cultuur mee uit Indonesië, maar ook hun typisch schoeisel: een slipper met houten zoom met balatarubber erover heen. In die tijd waren schoenen haast onbetaalbaar in Suriname en zo vonden de teklés ook hun weg naar de voeten van de andere bevolkingsgroepen, zoals Creolen en Hindoestanen. In de volksmond werden de slippers al gauw omgedoopt tot tip tip, verwijzend naar het voortgebrachte geluid bij het lopen. De gebruiken van de geïmmigreerde volkeren laten tot op heden hun sporen achter.

Ik vind een onderkomen in een koloniaal pand dat dienst doet als herberg. De buitenkant roept bij mij associaties op met het plantageverleden. Dat wordt evenwel al gauw teniet gedaan wanneer ik een blik werp op de binnenkant. In de grote inkomhal die tevens dienst doet als eet- en zitruimte tref ik op een versleten sofa de gerant aan. Met haar volle overgewicht ligt ze languit ineengezakt te lurken aan een sigaret. De assen vinden hun weg in een doorzichtig limonadeglas. Ik word meteen gewaarschuwd door de dame dat ik me niet veel moet voorstellen van het aangeboden comfort. Van eerlijkheid gesproken. Het valt al bij al nog mee; ik heb nog erger gezien. Het meubilair in de kamer heeft zijn beste tijd gehad, net als de matras. Ook het sanitair gedeelte zou een grondige opknapbeurt wel ten goede komen.

Voor de invallende duisternis verken ik nog heel even het dorpje. Met zijn verloederde houten huisjes ligt het verscholen als in een oud verhaal. De tijd lijkt er stil gestaan. In de schaduw van zijn verleden ligt de hoofdstraat er verlaten bij. Hier en daar stijgen rookpluimen op. Totness bevindt zich in het zwampgebied en de omliggende moerassen zijn een broeiplaats voor muggen. Het verbranden van lege kokosnoten houdt hen op een veilige afstand. Wanneer ik de dichtgeslipte modderbanken ter hoogte van het piepkleine strand opzoek, word ik aangevallen door een legertje bloedzuigers. Ze prikken als op hol geslagen gekken doorheen mijn koersbroek. Ik spurt terug naar het hotel en meet enkele minuten later met ongeloof de schade op. Mijn achterwerk ziet eruit als een pokdalig gezicht. De laatste fietsetappe zou wel eens bijzonder pijnlijk kunnen worden...

Sweet Merodia...

Suriname - Paramaribo, 22-03-2009 - (dagboek 5)


Elk historisch verleden vindt hedentendage een tweede leven dankzij het toerisme. De Westhoek bijvoorbeeld wordt dagelijks overspoeld door toeristen en leerlingen op schoolreis die zich een daglang komen verdiepen in de nog tastbare restanten van de Eerste Wereldoorlog. De loopgraven langs Den IJzer waar jonge soldaten maandenlang een gevecht leverden met de vijand, maar evenzo met de natuurelementen zijn uitgegroeid tot een toeristische topper. Het Flanders Field Museum in Ieper stevent elk jaar af op een record aantal bezoekers. Het verleden is big business geworden, zeker als je het in een mooie verpakking kan aanbieden. Tot deze conclusie kwam ook de bekende Surinaamse schrijfster Cynthia McLeod. Met de opbrengst van ´Hoe duur was de suiker´, haar debuutroman over de suikerplantages, kocht ze in 1999 een boot om ermee langsheen de plantages van weleer te varen. Ze wilde dat de schoolkinderen van Suriname op een ander manier dan alleen uit boeken over de geschiedenis van hun land leerden. Al snel bleek er ook interesse vanuit de toeristische sector. De ´Sweet Merodia´ vaart sinds enkele jaren nu ook op zaterdag en zondag.

De tour begint bij de steiger aan de Dragtenweg. Het overkoepelde scheepsdek van de ´Sweet Merodia´ geurt naar dampende koffie en versgebakken broodjes. Toeristen hoeven hier niet hun eigen boterhammetjes en Vitabis koekjes mee te brengen. De daguitstap is een all-in-pakket met ontbijt, tussendoortjes, lunch en meereizende gids. Blijkbaar een succesformule, want wanneer rond half negen het anker wordt gelicht tel ik een dertigtal passagiers, allen van Nederlandse of Surinaamse afkomst. Terwijl de tocht naar de plantage ´Rust en Werk´ wordt ingezet, varen we honderden jaren terug in de tijd en vertelt onze gids, Thea Lievens, ons over de geschiedenis van de slaven en de plantages. We glijden voorbij statige villa´s die door hun positie langs de waterkant een extra elan krijgen. Het zijn de residenties van de gegoede burgerij, zelfstandigen, politici en kunstenaars. De boot draait van de Surinamerivier de Commewijnerivier op. Aan de rechteroever duikt het ´fort Nieuw Amsterdam´ op. Op één van de bastions staat de turende mens, het standbeeld van de Spanjaard Alonso de Ojeda. Hij wordt beschouwd als de ontdekker van Suriname en de omringende gebieden. In 1499 kreeg hij namelijk als eerste Europeaan het noordoostelijk kustgebied van Zuid-Amerika vanuit zijn schip in het vizier.

Na anderhalf uur varen, meren we aan bij de plantage ´Rust en Werk´. Een doordringende visgeur waait ons tegemoet. Toen de Nederlander Van Alen in de jaren 70 de verwaarloosde cacaoplantage opkocht, besloot hij om het over een andere boeg te gooien en er garnalen te kweken. De kweekvijvers zijn verboden terrein voor toeristen en dus moeten we ons tevreden stellen met een glimp te werpen op de nog originele ´Hollandse sluis´.

De voormalige koffie- en cacaoplantage ´Frederiksdorp´ stelt ons dankzij zijn historisch gerestaureerde gebouwen beter in staat om een beeld te vormen van hoe het plantageleven moet zijn geweest. De directeurswoning die nu dienst doet als onderkomen voor toeristen, straalt één al grandeur uit. Ik probeer me een beeld te vormen van zwoele zomeravonden waar de heer des huizes op de veranda aan zijn pijp lurkt en zijn vrouw op fluisterafstand wat handwerk verricht. Het idyllisch beeld wordt door de gids al gauw doorprikt. De avonden op de plantages, ver van Paramaribo stad, waren vaak eenzaam en lang. De verveling was groot, ook voor de slaven, de bastiaans (zwarte opzichters) en blanke officieren. Overdadig drankgebruik en seksueel vergrijp aan slavinnen waren schering en inslag. Het waren vooral de plantage-eigenaren die een mooi leven leidden en schatrijk werden. Al moet ook hierbij een kanttekening gemaakt worden. Een mislukte oogst, slavenopstanden of een ongunstige prijs op de wereldmarkt konden nefaste gevolgen hebben voor de hele plantage.

De sappigste, maar ook de meest gruwelijke anekdotes heeft Thea Lievens bewaard voor op de terugweg. Met de flair van een geboren actrice kruipt ze in de huid van de wrede slavenmeesteres Susanna du Plessis en doet ons kippenvel krijgen. Haar monoloog krijgt na afloop een verdiend open doekje. Cynthia McLeod mag tevreden zijn. Met haar succesformule die ze heeft ontdekt om toeristen een dag lang culinair en intellectueel te verwennen, mag ze nog jarenlang op haar lauweren rusten...

De vergane plantages...

Suriname - Paramaribo, 21-03-2009 - (dagboek 4)


Tot voor kort associeerde ik Suriname enerzijds met Nederland (omwille van de staatkundige banden die het tot in 1975 onderhield), maar evenzo met enkele voetbalgoden zoals Frank Rijkaard, Ruud Gullit en Patrick Kluivert. Allen opgegroeid in Nederland, maar met roots in Suriname. De jongens van het Nederlandse Oranjeteam waren ook de helden van de Surinaamse voetbalsupporters.

Enkele dagen terug ontdekte ik dat de suiker-, cacao- en koffieplantages in Suriname een veel grotere stempel hebben gedrukt op dit land dan de snelle voetbalbenen van de helden van weleer. Om mij een beeld te vormen van dat verre verleden zet ik koers naar één van de plantages in de wijde omgeving van Paramaribo: Mariënburg, gelegen aan de overkant van de Surinamerivier. Sinds 2000 wordt deze overspannen door een anderhalve kilometer lange brug. Ik kies evenwel voor een meer idyllische oversteek, met een korjaal. Al blijkt achteraf dat de bootsman mij voor de korte overtocht van 10 minuten serieus in de zak heeft gezet. Toeristen worden altijd en overal uitgebuit. Nu ja, in dat verband hebben de Nederlanders ten tijde van de slavernij een aardige reputatie opgebouwd. Jong geleerd, oud gedaan...

Eenmaal terug op het vasteland volgen mijn bandensporen de wegwijzers die leiden naar het ´Fort Nieuw Amsterdam´. Ik fiets terug in de tijd, naar de periode waarin Suriname -veelal met geweld- afwisselend in Engelse en Hollandse handen terechtkwam. We schrijven zeventiende, achttiende eeuw. Bij de aanvallen ontdekten de Surinamers dat Fort Zeelandia een goeie buffer was voor de hoofdstad Paramaribo en de Surinamerivier, maar dat er geen goeie bescherming was aan de Commewijnerivier. Met de bouw van Fort Nieuw Amsterdam in 1734 hoopte men het tij te keren. Anno 2009 zijn de bemanningsleden van de strijdlustige vloten rondstruinende toeristen die al wandelend doorheen het openluchtmuseum zich een beeld proberen te vormen van toen. De tropische bosomgeving kan me meer fascineren dan de met mondjesmaat uitgestalde getuigen van het ver verleden. De levenloze kanonnen, de twee kruithuizen en een stel goed opgepoetste koetsen katapulteren me niet meteen tot in het epicentrum van een zoveelste strijdlustige aanval. Het valt me op dat ik haast alleen op de site rondloopt. Vermoedelijk was er hier tot in 1982 meer bedrijvigheid, want in dat jaar sloot de gevangenis, die hier meer dan honderd jaar de thuisbasis was voor gedetineerden, definitief zijn deuren.

Een groot nieuw reclamebord van ´Mariënburg Rum´ met als onderschrift ´Chief of white rums´ doet me ei zo na geloven dat de gelijknamige beroemde suikerplantage nog operationeel is. De werkelijkheid achterhaalt de waarheid, want eenmaal op het terrein sta ik oog in oog met een spookfabriek waar de tand des tijds knaagt aan het historisch verleden. Een raderwerk van gigantische tandwielen worden nu overwoekerd door de alles om zich heen grijpende natuur. Ik waan me haast te midden van een tropisch regenwoud. Aan de ingang van het verwaarloosde complex staat een kunstwerk in de vorm van een grafzerk. Een marmeren plaat met 24 ingebeitelde namen werpt een schaduw af op de betegelde vloer. Een zwerfhond houdt er zijn siësta. Het monument verwijst naar een zoveelste zwarte bladzijde uit de geschiedenis van de plantage. De begeleidende tekst brengt duidelijkheid. ´Op deze plaats heeft het toenmalige koloniale leger de opstand van de strijdhaftige contractarbeiders van de plantage Mariënburg onder aanvoering van Hardat en Wongsoredjo op 30 juli 1902 bloedig neergeslagen. Deze opstand vond zijn oorsprong in onderdrukking, uitbuiting en vernedering van de contractarbeiders door de koloniale heersers.´ De namen van de omgekomen arbeiders zijn één voor één van Indonesische oorsprong. Om te voldoen aan de grote vraag naar arbeidskrachten werden vanaf 1890 Javaanse immigranten naar Suriname gehaald.

De oorspronkelijke arbeiders waren slaven die door het toenmalige Nederlandse bewind uit Afrika waren gehaald. De werkomstandigheden waren loodzwaar en de behandeling van de slaven meedogenloos. Het inzetten van zwarte slaven rond de 17de eeuw was heel gebruikelijk in de Nieuwe Wereld, zo ook in Suriname en nergens werden ze zo uitgebuit als hier. Nederland was trouwens één van de laatste Europese landen die de slavernij afschafte. Op 1 juli 1863 waren de slaven op papier vrij, maar ze waren verplicht om nog tien jaar op contractbasis arbeid te verrichten voor hun voormalige uitbuiters. Vele negers kozen logischerwijze evenwel het hazenpad en gingen zich als vrij man of vrouw vestigen. Het dreigend probleem van arbeidskrachten loste men op door Brits-Indische immigranten naar de kolonie te halen om er als contractarbeiders te werken. Ruim 34.000 Hindoestanen tekenden een vijfjarig contract. Na afloop keerde slechts één derde terug naar hun vaderland. Ze kochten een lapje grond en gingen zich vestigen als landbouwers. Het Brits-Indische bestuur had al snel door dat hun geëmigreerde landgenoten allesbehalve op een correcte manier werden behandeld en verbood vanaf 1916 de werving van contractarbeiders. Het Nederlandse gouvernement had de bui voelen aankomen en reageerde adequaat door reeds in 1890 arbeiders aan te trekken uit andere Nederlandse kolonies, zoals Nederlands-Indonesië. In totaal arriveerden meer dan 32.000 Javanen waarvan de grote meerderheid, net als de Hindoestanen, na het verlopen van hun arbeidscontract hier bleven. Dit verklaart in hoofdzaak waarom Suriname tot op de dag van vandaag is uitgegroeid tot een smeltkroes aan culturen en volken.

Terwijl ik wandel doorheen de geraamtes van wat tot elf jaar geleden de meest toonaangevende suikerplantage was van Suriname, word ik aangesproken door een vijftigjarige man, Jessy. Zijn zuiderse gelaatstrekken verraden Javaanse roots. Hij blijkt een ex-werknemer te zijn van de suikerfabriek. Als zestienjarige knaap werd hij tewerkgesteld in de productieafdeling. Vijftien jaar later viel het doek over Mariënburg en de geschiedenis van de suikerplantage. Sindsdien is hij werkloos en probeert een centje bij te verdienen door toeristen doorheen de stille getuigen van vergane noeste arbeid te loodsen. Ik voel intuïtief aan dat de man de ziel van het verloederde complex nieuw leven kan inblazen, maar de invallende duisternis verplicht mij om terug koers te zetten naar de hoofdstad. Op een papiertje dat nauwelijks groter is dan een borstzakje krabbelt hij zijn telefoonnummer neer. Wie weet als de tijd het me toelaat maak ik, na mijn ontdekking doorheen Guyana nog een ommetje naar Mariënburg...

Op verkenning in Paramaribo (deel 2)...

Suriname - Paramaribo, 19-03-2009 - (dagboek 3)


Paramaribo heef relatief weinig moderne openbare gebouwen en maar best ook. Ze doen alleen maar afbreuk aan het provinciale karakter en laten bij mij, in de drukkende hitte van de lome middagzon, een vreemde indruk na. Het zijn gebouwen die ik associeer met wereldsteden, niet met Paramaribo.

De contouren van het huidige Suriname werden gevormd in 1975, het jaar waarin het moederland Nederland de navelstreng met zijn kolonie definitief doorknipte. Suriname werd een nieuwe republiek dat opleefde onder een gunstig economisch gesternte. De bauxietindustrie draaide op volle toeren en ook ontwikkelingsgeld -voornamelijk uit Nederland- vond zijn weg naar Suriname. Op politiek vlak zag de toekomst er evenwel minder rooskleurig uit. Velen hadden geen vertrouwen in de nieuwe regering en vreesden een nakende burgeroorlog. Heel wat Surinamers zochten politiek asiel in Nederland. Jarenlang vond er een ware exodus plaats richting Schiphol. Meer dan dertig jaar na de onafhankelijkheid gaat het Suriname nog steeds niet voor de wind. Economisch en maatschappelijk zit het land in eendiepe impasse verwikkeld en dat ondanks een onvoorstelbare voorraad natuurlijke bronnen, zoals goud, hout, olie en bauxiet. De exploitatie ervan ligt overwegend in handen van buitenlandse multinationals die met de grootste winsten gaan lopen. Het politiek bestuur heeft dan weer af te rekenen met op macht beluste politici en een diepgewortelde corruptie. Reken daarbij nog eens de niet aanzienlijke impact van de drugsmaffia en de contouren van het huidige Suriname zien er niet bepaald vrolijk uit.

Toch ziet Paramaribo er ontzettend lieflijk uit. Struinend doorheen de straten geraak ik niet uitgekeken op zijn koloniaal verleden. De witte, houten statige huizen, de brede lanen met mahoniebomen, de smeltkroes aan rassen,... het zijn puzzelstukjes die perfect ineen lijken te passen en Paramaribo ondanks zijn uitgestrektheid een dorps karakter geven. Maar misschien laat ik mij te veel verblinden door het uiterlijk vertoon en weiger ik doorheen de wimpers van mijn ogen te kijken. De euforie van herkenning verhindert me door te dringen tot achter de façade van Paramaribo. Het koloniaal verleden heeft in de spanning en kieren van de gerestaureerde panden nog steeds zijn sporen nagelaten. In mijn zoektocht naar die koloniale tijd word ik geholpen door Cederick. Cederick is geboren en getogen in Paramaribo en maakt deel uit van het wereldwijde couchweb. Ik ontmoet hem voor één van de mooiste panden van de historische binnenstad, het ´Corner House´, het hoekhuis aan de waterkant.

We duiken meteen de ´horror´-geschiedenis in. Het mooie hoekhuis behoorde ooit toe aan de beruchte slavenhoudster Susanna du Plessis. Door de mond-op-mond doorvertelde horrorverhalen is deze plantage-eigenares zowat het symbool geworden voor de gewelddadige onderdrukking van de slaven. Zo zou Susanna eigenhandig de baby van een slavin hebben verdronken omdat de moeder er maar niet in slaagde om haar huilend kind stil te krijgen. Al even gruwelijk is het verhaal van de slavin Alida die met haar mooie ronde borsten de echtgenoot van Susanna zou hebben verleid. Als straf zou Susanna de wulpse Alida verschillende malen in de borst hebben gestoken en haar linkerborst hebben afgesneden. Het horrorverhaal speelde zich af voor de trappen van het hoekhuis aan de waterkant. We slaan de hoek om en voor ons strekt zich het grote Onafhankelijkheidsplein uit. "De ingang van het hoekhuis lag vroeger aan deze zijde van het plein, maar werd bij de heropbouw van het pand na de grote brand van 1821 verplaatst naar de waterkant." In dat bewuste jaar stond zowat de hele binnenstad van Paramaribo in lichterlaaie. Vierhonderd koloniale gebouwen gingen in de vlammen op. Ook nu nog is het historisch gedeelte van Paramaribo erg kwetsbaar. Zes jaar geleden brandde op de hoek van de Kromme Elleboogstraat het kantoor van het Algemeen Bureau voor Statistiek volledig af, samen met één van de laatste authentieke slavenhuisjes. Op die plaats ligt nu een braakliggend terrein.

Het Onafhankelijkheidsplein wordt gedomineerd door de voorgevel van het Ministerie van Financiën. Dit rode bakstenen gebouw valt vooral op door zijn witte kloktoren. Het ontwerp was van de hand van de stadsarchitect Voigt. Zijn studies in het Amerikaanse Lousiana hebben een stempel gedrukt op de architecturale uitstraling van de hedendaagse binnenstad. Bij de heropbouw na de grote brand van 1821 voorzag de architect de houten huizen van de nu zo typerende balkonnetjes.

Terwijl Cederick me als de rattenvanger van Hamelen meetroont doorheen de eeuwenoude geschiedenis van Suriname en zijn onvermijdelijk plantageverleden, houden we heel even halt op de hoek van de Dr. Sophie Redmondstraat en de Zwartenhovenbrugstraat. Op de splitsing kijkt een man getooid met enkel een lendendoek uit over de drukke verkeersas. Aan zijn polsen bengelen twee losgeknipte boeien. "Het standbeeld werd in 1963 onthuld door premier Pengel en heette oorspronkelijk ´de bevrijde neger´, maar heet in de volksmond Kwakoe." Ik kijk Cederick wat vreemd aan, maar al meteen krijg ik tekst en uitleg. "In de West-Afrikaanse culturen is het gebruikelijke dat een kind de naam krijgt van de dag waarop het geboren wordt. Omdat vele slaven die naar Suriname werden getransporteerd vanuit Afrika afkomstig waren heeft men het beeld ook genaamd naar de dag van de afschaffing van de slavernij. Deze dag viel op een woensdag en dus kreeg het standbeeld de naam Kwakoe." Het herdenkingsfeest van de afschaffing van de slavernij is in Suriname uitgegroeid tot een nationale feestdag, 1 juli en heet officieel ´dag der vrijheden´. De Creolen -één van de vele bevolkingsgroepen in Suriname- spreken evenwel van ´Keti Koti´, wat dan weer betekent ´verbroken ketenen´.

We ronden de tocht doorheen de binnenstad af op de plaats waar het begon, of toch niet helemaal; het Kerkplein. Pal in het midden staat de Hervormde Kerk. De binnenkant is meer bijzonder dan de buitenkant. Cederick wijst me naar de stenen vloer. Ik ontcijfer er de namen van gestorven inwoners. Bij de heropbouw van de kerk in 1835 werden grafzerken gebruikt als vloerbedekking. Het bekendste grafsteen is dat van de wrede slavenmeesteres Susanna du Plessis. ´Eindelyk ben ik tot rust gekoomen´ staat erin gekerfd. Een gekartelde scheur loopt dwars over de zerk heen. Cederick glimlacht als ik er een opmerking over maak. "Het verhaal doet de ronde dat God daar de bliksem heeft laten inslaan, als straf voor Susanna´s slechte karakter." Is gerechtigheid dan eindelijk geschied?

Op verkenning in Paramaribo (deel 1)...

Suriname - Paramaribo, 18-03-2009 - (dagboek 2)


Paramaribo zet mij continu op het verkeerde been. Enerzijds is het voor mij een feest van herkenning, maar anderzijds ook verwarrend en bevreemdend. De herkenning heeft in de eerste plaats natuurlijk te maken met dezelfde moedertaal. Het Nederlands is hier de officiële taal. De straatnamen en reclameopschriften katapulteren me twee jaar en zeven maanden terug in de tijd en voelen onwaarschijnlijk vertrouwd aan. Het Nederlands uit de mond van de Chinese eigenaar van de kruidenierswinkel in de Keizerstraat of van de inktzwarte groetenman in de Kromme Elleboogstraat klinkt plots beduidend minder Hollands, Belgisch of Vlaams. Ze behoren tot de multiculturele samenleving die van Paramaribo een kleurrijke stad maakt met wereldse allures.

De verwarring wordt voor een stuk nog groter. Ik logeer er namelijk bij Gust en Koenti, een Belgisch-Surinaams echtpaar en ouders van een goeie vriend uit België. Na een verblijf van tien jaar is het gezin De Weerdt-Baldew teruggekeerd naar de geboortestreek van moeder Koenti en zijn er gebleven. De kinderen daarentegen verblijven tegenwoordig in België en Nederland. Ten huize van het gepensioneerde echtpaar valt het me op hoe Suriname, ondanks de definitieve onafhankelijkheid sinds 25 november 1975, verstrengeld blijft met Nederland. Rond etenstijd dringt niet alleen het Surinaamse nieuws door tot in de huiskamer, ook het NOS-journaal heeft zijn vaste plaats in het tijdsbestek van de invallende avond. Voor Gust en Koenti voelt Suriname aan als een tropisch, tulpenloos verlengstuk van Holland. Voor hen betekent Holland Europa; het centrum van de wereld. Ze zijn in ieder geval een stukje meer bescheiden dan de Antwerpenaren...

Mijn verkenningstocht doorheen de met palmen beplante straten van Paramaribo is niet geheel verblijvend. De elegante houten huizen en verstilde, stenen standbeelden dwingen me voortdurend in de geschiedenis te duiken van dit vrij kleine, maar unieke land. Bij mijn startplaats duikel ik onmiddellijk al diverse eeuwen terug in de tijd: 1650 - Fort Zeelandia. In dat jaar namen de Engelsen, onder leiding van Lord Willoughby, het fort gelegen aan de monding van de Surinamerivier in Paramaribo, in bezit. Zeventien jaar later, in 1667 veroverde Abraham Crijnssen en de zijnen de kolonie van de Engelsen. Het fort werd verstevigd en uitgebreid met vijf bastions. Abraham doopte het om in de naam Zeelandia, naar de naam van zijn vloot. Het staat nog steeds symbool voor de verdediging van de stad en de westelijk gelegen plantages. Op een steenworp daar vandaan ligt een uitgestrekt grasplein, een voetbalveld groot. Het is het onafhankelijkheidsplein dat aan de westzijde wordt omzoomd door twee heren die geschiedenis hebben geschreven: minister president Johan Adolf Pengel en politicus Jagernath Lachmon. Ze symboliseren met hun verschillende afkomst (respectievelijk Creool en Hindoestaan) een beetje de broederlijke samenlevingspolitiek die zo kenmerkend is in Suriname.

Rond om rond het plein staan tal van officiële gebouwen: het Ministerie van Financiën, het Hof van Justitie, het Presidentieel Paleis, de Nationaal Congres, ... Ze liggen stuk voor stuk op loopafstand van de Waterkant, waarlangs een uitnodigende promenade uitkijkt op de rivier. Deze plek moet zowat de politieke wandelgangen voorstellen van wat bij ons het Parlement in de Brusselse Wetstraat is. Van enig politiek gekrakeel valt evenwel niets te bespeuren. Ik zie alleen verliefde paartjes en dorstlessende zwervers die onder de schaduw van enkele amandelbomen verpozen en wegdoezelen. De bezette zitbanken zijn beschilderd in de typische rode huiskleur van de bekendste bierfabrikant ´Parbo´. Net zoals de eetstalletjes die geuren naar een continent van verscheidenheid. Even verderop verhuurt een fietsenbedrijf tweewielers, ´yellow bikes´. Fietsen is net als in Nederland hier een geliefd transportmiddel en vindt ook onder de hoofdzakelijk Nederlandse toeristen behoorlijk wat aftrek. Ik verkies evenwel om de ontdekkingstocht te voet verder te zetten. De Kromme Elleboogstraat komt uit op de Lim A Po straat waar ik oog in oog kom te staan met prachtig gerestaureerde huizen. De withouten koloniale woningen geven me de indruk in de Caraïben te vertoeven. Ze zijn één voor één op de bovenverdieping voorzien van een veranda. Hun aanwezigheid versterkt het provinciale karakter van Paramaribo.

De Keizerstraat moet zowat het toonbeeld zijn van verdraagzaamheid. Een wondermooie moskee met vier minaretten staat er probleemloos naar een synagoge. En op spuugafstand daar vandaan torent de met stellingen ingepakte en gedeeltelijk gerenoveerde kathedraal boven de woonhuizen uit. Tolerantie inzake godsdienstvrijheid; het lijkt in Paramaribo de gewoonste zaak van de wereld...

De Binnenlandse burgeroorlog van Suriname...

Suriname - Paramaribo, 17-03-2009 - (dagboek 1)


Ik begin stilaan de wedren van de voorbijtikkende klok richting België te voelen. Signalen sijpelen langsheen het wereldwijde web mijn mailbox binnen waar gewag wordt gemaakt van een groots welkomstfeest. Sommige genodigden verklappen in pure euforie hun komst, maar dat vergeef ik hen van harte. Vijfentwintig april is het dan eindelijk zover. Op die dag zet ik een punt achter een onwaarschijnlijk mooie zwerftocht die me -op Belize na- in alle landen van Zuid- en Midden-Amerika bracht. De overgang naar het ´echte´ leven zal er één zijn van vallen en opstaan, van heimwee en weemoeddronkenheid, van hunkering en afkicken. Het einde van een nieuw begin... Maar tot zolang, tot aan de voordeur van de feestzaal ´t Riet in Zillebeke, blijf ik genieten van het zwerverssyndroom.

Het nakende einde verplicht mij om meer te plannen en keuzes te maken. Kalender en landkaarten worden boven gehaald, nu plots twee tegelijk, die van Suriname en Guyana. Ik reken en tel de nog resterende dagen, probeer in te schatten hoeveel tijd waar en wanneer ik zal doorbrengen en baken voor het eerst min of meer een haalbare route af. Wat dat laatste betreft, word ik een stukje geholpen door het schaarse wegennet in beide landen. Zowel Suriname en Guyana worden aan de oostkant begrensd door de Caribische Zee en bestaan voor de rest hoofdzakelijk uit ondoordringbaar regenwoud. Van de ene bewoonde plek naar de andere loopt er veelal maar één weg die zo goed als de kustlijn volgt. Dat betekent dan ook dat ik voor mijn terugkeer naar Cayenne ben aangewezen op dezelfde route. Mede daarom en om een lichte voorsprong op mijn strak reisschema te hebben, beslis ik om in te gaan op de uitnodiging van Yves en Christa. Zij moeten heel toevallig naar Paramaribo en bieden mij met plezier een lift aan. Een meevaller, want het traject Albina - Paramaribo schijnt een geliefkoosd doelwit te zijn voor malafide personen die het vooral op toeristen hebben gemunt. Op een vijftal weken voor mijn thuiskomst kan ik beter geen onnodige risico´s nemen.

De verhoogde reissnelheid die ik sinds mijn aankomst in Frans Guyana hanteer, zorgt er ook voor dat ik Suriname met een minder zwaar geladen fietstas aan achtergrondinformatie binnenrijd. De gangbare politieke, sociale en economische situaties uit het verleden heb ik nog niet helemaal ontrafeld. Misschien zal het de ontdekkingstocht doorheen het land des te verrassender maken. De eerste confrontatie met dat verleden dient zich reeds aan op de heenweg naar de hoofdstad Paramaribo. Langs de kant van de weg staan kunstzinnige grafzerken rond een soort totempaal. We bevinden ons aan de voet van wat ooit het dorpje Moiwana heette. Een gedenkplaat brengt wat duidelijkheid: ´38 zuilen symboliseren het aantal slachtoffers van de slachting onder de bevolking van het dorp Moiwana op 29 november 1986.´

De moordpartij situeerde zich in de periode Bouterse. Exact 4 jaar en drie maand nadat Suriname op 25 november 1975 onafhankelijk werd, grepen vijftien onderofficieren op 25 februari 1980 de macht. Na de staatsgreep ontpopte de onderofficier Desi Bouterse zich al snel tot de sterkste figuur. Bouterse koos voor een opvallend linkse koers die steeds verder afgleed van parlementaire democratie. Toch kon het militaire regime op behoorlijk wat internationale steun rekenen. In december 1982 kwam daar abrupt verandering in. Aanleiding waren de zogenaamde decembermoorden. Tijdens de nacht van 8 op 9 december brachten militairen zestien personen naar het bekende Fort Zeelandia in Paramaribo. Vijftien ervan werden vermoord. Alleen de vakbondsleider Fred Derby bleef gespaard van de slachting. De consternatie was groot en diverse landen, waaronder Nederland, keerden het huidige regime van Suriname volledig de rug toe. Door het isolement zag Bouterse en de zijnen zich verplicht tot een verbroedering met de burgerpolitici van de oude orde. De gevoerde politiek bleef evenwel vrij ondemocratisch. De Bosnegers of Marrons in Oost-Suriname hadden het niet zo begrepen op dat militaire bewind. Langzaam ontstond er een gewapende strijd, een guerrillaoorlog met als voornaamste aanvoerder de gewezen lijfwacht van Bouterse: Ronnie Brunswijk. Hij won aan krediet bij de lokale bevolking. Na het beroven van een bank en het uitdelen van een deel van de buit aan de armen, zagen velen hem aan als een Robin Hood-figuur. Ondertussen geraakte Suriname verwikkeld in een Binnenlandse Oorlog die duurde van 1986 tot 1992. Het waren vooral de Bosnegers die kop van jut waren voor het Nationaal Leger. Tijdens één van hun acties die erop gericht waren om het gebied te zuiveren van het zogenaamde Junglecommando van Brunswijk, werd het Bosnegerdorp Moiwana volledig uitgemoord. Op de plaats van het gebeuren staat nu enkel nog een monument waarmee de slachtoffers van de wreedheden van toen worden herdacht.

Ook het met kraters gevulde wegdek verwijst nog naar de zwartste bladzijden uit de Binnenlandse Oorlog. De afgeschoten projectielen hebben diepe sporen nagelaten, letterlijk en figuurlijk, ook nu nog. We worden haast om de zoveel meter door elkaar geschud wanneer de wagen weer eens in een lager gelegen kuil stuitert. Na een rit van bijna vier uur rijden we Paramaribo binnen. Ter hoogte van een openlucht parking haal ik mijn stalen ros en mijn fietstassen uit de wagen. Het weerzien met Yves en Christa is voor binnen een vijftal weken. Terwijl ik mijn fietstassen vastklem aan mijn tweewieler vallen mijn ogen op een wat bijzonder opschrift: ´O God, ik leg deze parkeerplaats in uw handen.´ Het Nederlands klinkt al meteen als muziek in de oren, al voelt het woordje parkeerbegeleiding -dat er ook op gekrabbeld staat- toch wat stroef en erg Hollands aan. Welkom in Paramaribo, welkom in Suriname...