

Ik heb tijdens het reizen, zoveel mogelijk als ik kon informatie ingewonnen over de veiligheid van de te bereisde wegen. Zelden heb ik mijn reisroute moeten aanpassen of beroep moeten doen op lokale transportmiddelen om me te verplaatsen. Ook al gaat mijn zwervend bestaan zijn laatste week tegemoet, voorkomen is nog altijd beter dan genezen. Op aanraden van Gust en Koenti, maar ook van enkele andere onafhankelijke bronnen neem ik een collectieve taxi om de afstand vanuit Paramaribo tot aan de grens met Frans Guyana te overbruggen. De 150 km lange weg haalt met de regelmaat van de klok het negatieve nieuws. Naast zware verkeersongelukken, is het Marowijne-gebied ook af en toe het toneel van overvallen. Het zijn de overgebleven stuiptrekkingen van de binnenlandse oorlog die tussen 1986 en 1992 Oost-Suriname in de wurggreep hield. De hoofdrolspelers waren de toemalige legerleider Desi Bouterse en zijn voormalige lijfwacht Ronnie Brunswijk die een robbertje vochten om de macht en de controle over de handel in cocaïne. De oorlog trok een spoor van vernieling in het Surniaamse binnenland. Vooral de Marrons (bosnegers) en in het bijzonder de Aukaners kregen het hard te verduren. Wegen werden opgeblazen, waterleidingen en elektriciteitsverbinding vernield, dorpen platgebrand en inwoners vermoord. De grootste oorlogsmisdaad tijdens het zesjarig conflict vond plaats op 29 november 1986 in het dorpje Moiwana. Troepen van Bouterse schoten er maar liefst 50 onschuldige burgers dood, waaronder talloze vrouwen en kinderen. Na de oorlog is het gebied achtergesteld gebleven en zijn de inwoners vaak volledig op zichzelf aangewezen. De armoede heeft de criminaliteit onvermijdelijk een handje toegestoken.
De taxichauffeur is vrij formeel. De verhoogde criminaliteit op de verbindingsweg tussen Albina (het grensdorpje met Frans Guyana) en de hoofdstad Paramaribo bevestigt hij, maar onkent evenwel in alle toonaarden dat taxichauffeurs mee in het complot zouden zitten. Wat er ook van zij, het is evenwel een feit dat de weg als de pest wordt gemeden na zonsondergang. Niemand vertrouwt niemand bovendien. Enkele dagen geleden kwamen maar liefst vijf mensen om het leven op de bewuste weg. Overdreven snelheid in combinatie met hevige regenslag had een gezinswagen stuurloos gemaakt. De wagen tolde als een speelgoedautootje op zijn dak en kwam in een lager gelegen sloot terecht. De voorbijrijdende automoblisten die de wagen zagen liggen, durfden niet stoppen uit vrees dat het een valstrik was van een dievenbende. Of hoe een stomzinnig oorlog ook jaren na de feiten nog slachtoffers kan maken...




Ik heb me al vaak afgevraagd wat ik het meest missen zal, eenmaal terug thuis. Hoe meer ik erover nadenk, hoe duidelijker het gemis zich aftekent in de bizarre, onverwachte ontmoetingen die ik in de voorbije jaren heb gekend. De vele contacten waren soms indringend en geweten schoppend en dan weer eens vluchtig en voorbijgaand. Veelal hebben ze mijn reisroute bepaald, een richting gegeven aan mijn zwervend bestaan; niet alleen letterlijk, maar evenzo figuurlijk. Bepaalde ontmoetingen hebben weerhaken geplaatst in mijn zwerversziel, hebben me doen nadenken over heden en verleden, over het hoe en het waarom, over het zijn en het worden. Misschien is dat wel het meest verrijkende geweest; de gesprekken met de gewone man of vrouw in de straat. Ze gaven me de kans om in te zoomen op gevoelens met details, op de vele puzzelstukken van het leven. Hopelijk zal de puzzel compleet zijn wanneer ik huiswaarts keer...
Terwijl ik mijn kladdernat tentzeil opberg, spatten reeds de eerste regendruppels uiteen op de sompige aarde. Het stuwmeer van Brokopondo ligt nog een goeie 25 km verwijderd van het gelijknamige dorpje, maar bij het uitfietsen wordt het me meteen duidelijk dat ik de resterende afstand niet in één twee drie zal kunnen afhaspelen. De bauxietweg is door de hevige regenval herschapen tot een kleverige moddermassa. Ik zwalp zoveel als mogelijk langsheen de modderpoelen, maar kan niet verhinderen dat in een recordtijd de rode smurrie vastklit aan mijn remblokken. Harder trappen werkt omgekeerd evenredig, want de extra geleverde trapkracht vertaalt zich niet in een hogere snelheid, maar in een slechter roterende wielomtrek. Mijn achterband slipt alle windstreken uit. Ik heb het gevoel me stuurloos voor te bewegen. Tot overmaat van ramp zoekt de kleipasta zich een weg onder mijn spatborden. De natte aardklonters lijken wel vastgelijmd. Om de haverklap moet ik de strijd tegen de aanzwellende modder staken en zit er niets anders op dan voor- en achterwiel eruit te halen en de hele boel moddervij te maken. De klus is zo tijdrovend dat ik uiteindelijk pas na drie uur ploeteren aankom bij mijn eindbestemming: het stuwmeer van Brokopondo. Op goed geluk stuur ik mijn fiets in de richting van een werknemer die schijnbaar doelloos rondlummelt op één van de loopbruggen. Mijn vraag om een rondleiding te krijgen wordt weggewimpeld door me te wijzen op de aangebrachte instructies aan de hoofdingang. Een geleid bezoek kan alleen op schriftelijke aanvraag. Regels zijn regels, hier is dat blijkbaar niet anders. Ik neem dan maar genoegen door vanop afstand het enorme bouwwerk in te blikken.
Ik probeer me en beeld te vormen hoe het landschap er moet hebben uitgezien voor de bouw van deze waterkrachtcentrale. Een inwoner van Brokopondo vertelde me deze morgen dat bijna 5000 inwoners plaats hebben moeten maken voor de bouw van de stuwdam. Als je daarbij bedenkt dat de verkregen ´groene´ energie zelfs niet eens ten goede komt van de nabije lokale bewoners dan mogen we wel eens terecht een kanttekening plaatsen bij elektriciteit opgewekt uit duurzame energiebronnen. Maar zoals zo vaak, zolang bepaalde zaken geen weerslag hebben op je eigen leven, waarom zou je er dan van wakker liggen. Trouwens, Suriname... Waar ligt dat weer?




Bij het uitfietsen van de hoofdstad Paramaribo vallen mijn ogen op twee bronzen beelden: de Hindostaanse stamvader en -moeder, Baba en Mai. Hun positie, vlak aan de Waterkant, is zorgvuldig uitgekozen. Het was namelijk hier dat in 1873 het eerste schip met Hindostaanse contractarbeiders uit Brits-India aanmeerde. Na het afschaffen van de slavernij waren Hindostanen, maar ook Javanen, Chinezen en Libanezen welkome gasten in Suriname. Ze werden massaal ingezet in de suikerriet- en katoenplantages. De ´verplichte´ ontmoeting tussen Europese (lees: Hollandse) kolonisten en Aziatische vreemdelingen heeft het uitzicht van de stad grondig bepaald. De zwaarbewolkte grijze hemel roept bij mij associaties op met de zeventiende-eeuws Hollandse landschapschilderijen van Jacob van Ruysdael, maar worden teniet gedaan door de kolossale moskee die speels aanleunt tegen de Duitse synagoge.
Paramaribo is een wereld in het klein, waar niet alleen de grote etnische verschillen opvallend aanwezig zijn in het straatbeeld, maar evenzo de religieuze. De grote wereldgodsdiensten etaleren zich nadrukkelijk op de catwalk van het geloof, terwijl de mindergoden en nieuwkomers (Jehovah´s Getuigen, Mormonen, Adventisten, Bha´i,...) er eerder als figuranten tussen lopen. Het geloof weerspiegelt zich zelfs in de reclameopschriften bij de lokale beenhouwer. In koeien van letters prijkt het opschrift ´Ritueel Geslacht Rundsvlees´ boven het uitstalraam. Het nuttigen van halal vlees is binnen hun religieuze beleving een fundamenteel onderdeel. De Chineze populatie neemt dan weer op een totaal andere manier hun plaats in. Hun ondernemingszin en gedreven werklust heeft van Suriname -en in feite van heel Latijns-Amerika- een stukje China gemaakt. Zowat alle kruidenierswinkels en middelgrote warenhuizen worden door hen uitgebaat.
Op weg naar het stuwmeer van Brokopondo ontdek ik dat ze ook behoorlijk actief zijn bij het aanleggen van wegen, zelfs op zondag. Hun monsterlijke vrachtwagens rijden af en aan met tonnen aarde en hullen mij in rode stofwolken. De logge gevaarten laten een rookgordijn van opspuwende stofdeeltjes achter en beperken mijn zicht tot nauwelijks 3 meter. De combinatie van de verminderde zichtbaarheid en de hobbelige bauxietweg noodzaken me om mijn stalen ros af en toe op de zijlijn te parkeren. Rond de klok van vijf brengt een richtingaanwijzer me tot aan het dorpje Brokopondo. Het gehuchtje telt nauwelijks 100 huizen en is het woongebied van bosnegers. In de jaren zestig werden ze massaal ingezet voor de bouw van de stuwdam. Na de voltooiing van het project in 1965 viel de werkgelegenheid weg en verlieten de jongeren het gebied. Terwijl ik al fietsend het dorp verken, overvalt me een gevoel van troosteloosheid. De achtergebleven bosnegers behelpen zich tegenwoordig met de opbrengst van hun lapje grond en leven wat van de visvangst. Het sociale leven speelt zich af ter hoogte van het enige kruidernierswinkeltje -uitgebaat door Chinezen- dat het dorpje rijk is. Ik sla er wat proviand in en zoek een plaatsje waar ik mijn tent kan opslaan.
Bij het invallen van de duisternis hoor ik hier en daar sputterende dieselmotoren. Het lijkt wel de ironie van het lot. De opgewekte energie van de stuwdam mag dan wel dankzij hun arbeidskracht zijn ontstaan, de opgeleverde stroom voor de hoofdstad komt hen evenwel niet ten goede. De vruchten van de verrichte arbeid plukken, het is in een land als Suriname vaak niet meer dan een pijnlijke waarheid...
De laatste weken fiets ik rond met een onbevredigend gevoel. Daar waar ik in het verleden een zee aan keuzes had inzake de in te slagen routes, wordt mijn fietstraject meer en meer omzoomd door twee factoren: tijd en ruimte. Mijn zwerversverhaal is toe aan zijn laatste hoofdstuk. Het onbezonnen reizen loopt op zijn laatste fietsbanden. Ik vouw de twee resterende landkaarten, die van Suriname en Frans Guyana, steeds vaker open en probeer in te schatten welke laatste omzwervingen nog haalbaar zijn. Na lang dralen hak ik de knoop door en wordt de stuwdam van Brokopondo mijn laatste etappe op Surinaamse bodem. Wordt vervolgd...




De voorbije dagen heb ik voornamelijk kilometers gevreten; lange fietsdagen zonder noemenswaardige gebeurtenissen. Of toch niet. De eentonigheid van eenzelfde weg in de tegenovergestelde richting terug te fietsen werd andermaal onderbroken door toevalligheden en ontmoetingen. Zo bracht ik ondermeer anderhalve dag door ten huize van Morgan Maynard, een Canadeze die voor de Peace Corps Organization in New Amsterdam werkzaam is. Mijn zwaar beladen fiets was opnieuw de reden van ons treffen. Haar nieuwsgierigheid naar die onbekende zwerver per fiets resulteerde in een boeiend gesprek aan de ingang van een kruidenierswinkeltje waar ik wat proviand had ingeslagen. Even later zat ik bij haar op de koffie en een uur later kreeg ik een bed voor de nacht aangeboden. Morgan, in een vorig leven ooit ook fervente wereldfietser, herkende zoveel gelijkenissen uit mijn zwerversbestaan, dat ik zelfs heel even het gevoel had dat ik haar honger naar een verloren reisgevoel stilde met mijn verhalen. Twee zwerfzielen op dezelfde golflengte; de één nog onderweg en vooruitkijkend, de ander reeds thuis en terugblikkend.
Reizen per fiets blijft zelfs op de terugweg na zovele zwerfmaanden voor verrassingen zorgen. Eenmaal op Surinaams grondgebied, kwam ik op weg naar de hoofdstad Paramaribo, per toeval in een begrafenisstoet terecht. De plechtigheid was zo goed als afgelopen, maar gelukkig kon ik nog net een glimp opvangen van het bijzonder gebeuren. Zes heupwiegende mannen getooid in doktersjas en paarse sjaal om de schouder droegen op de tonen van een tubaspeler een witte houten doodskist naar een begraafplaats. De sfeer was feestelijk, de uittocht vreugdevol. De gestorven dame was net geen 70 geworden en dus werd alsnog haar verjaardag met de nodige toeters en bellers als een vorm van eerbetoon gevierd. Zo zou ik ook wel ten grave willen gedragen worden; niet als een tranendal, maar als een feest. Een stortvloed aan tranen zal datgene wat ons ontglipt is niet mooier maken. En bovendien is het bijna een natuurwet dat mooie dingen eindig zijn...