Afscheid nemen als een schalkse ruiter...

Venezuela - Puerto Ordaz, 14-06-2008 - (dagboek 34)


Ik ben aangekomen in Puerto Ordaz, mijn laatste stopplaats in Venezuela. Een ommetje bracht me nog tot bij de Guristuwdam, de op één na grootste waterkrachtcentrale van de wereld. De eerste in de rij, de beroemde Itaipústuwdam, heb ik een kleine twee jaar geleden bezocht, meerbepaald op de grens van Brazilië en Paraguay. De begeleidende gids vertelde me dat de realisatie van het monsterproject zowat een kwart eeuw in beslag had genomen. De immense turbines produceren 10 miljoen KWh, net voldoende om toch 70% van de Venezolaanse energiebehoefte te dekken. Ik werd samen met nog drie Venezolanen rondgereden in een bedrijfsbusje en kon op die manier een glimp opvangen van de omvang van het project. Immense turbines domineerden het eerder artificiële landschap dat afgezoomd werd door elektriciteitsmasten op metalen steltlopers. Eenmaal terug aan de ingang van het complex, kreeg ik nog een videofilm voorgeschoteld. Bewegende driedimensionele beelden en openluchtopnames accentueerden de grootsheid van deze waterkrachtcentrale. Over de ongetwijfeld vele onteigende dorpen en de ingrijpende aantasting in de natuur, werd natuurlijk in alle talen gezwegen. De toerist moet nu eenmaal huiswaarts keren met een goed gevoel en een mooi beeld over land en volk.

In de voorbije dagen werd mijn mening over het backpackersgedrag nogmaals bevestigd. Rugzaktoeristen, althans het gros van hen, reizen zelden over de grenzen van de horizon heen. Ze mogen zich dan wel als zwaar beladen eendjes op andere begane paden begeven dan het conventionele toerisme, ze blijven zich vastklampen aan een wereld van herkenning; een wereld waar de geur van het vertrouwde de lijnen afbakenen van hun zwerftocht. Hoe sterker de lucht van Nederlandse bitterballen, Amerikaanse Mc Donald´s of Duitse zuurkool met bijhorende worst, hoe veiliger de reizigers zich voelen.

Sinds mijn aankomst in Puerto Ordaz heb ik m´n intrek genomen in ´La Casa de Lobo´, een posada die gerund wordt door een wat bizarre Duitse veertiger die zijn passie voor whisky on the rocks niet echt onder stoelen of banken steekt. Puerto Ordaz is niet meteen dé toeristische trekpleister bij uitstek, maar op weg naar het zuidelijke en warme St. Elena, bijna aan de grens met Brazilië, is het een ideale stopplaats. Dichtbij het centrum is de posada niet gelegen, maar de ligging is duidelijk niet nefast voor zijn succes. Reden: het staat in de reisbijbel, de ´Lonely Planet´, bovenaan vermeld in het lijstje van goedkope overnachtingen. Op één na zijn alle hotelgasten (tien in het totaal) Duitsers. De voertaal is -hoe kan het ook anders- Duits. Als ik een steekproef hou onder de aanwezigen dan drijven steevast twee redenen aan de oppervlakte voor hun hotelkeuze: de Duitse eigenaar (een landgenoot dus) en de vermelding in de ´Lonely Planet´. Het blijft me toch opvallen hoe we als reizigers op zoek gaan naar die zogenaamde second skin van het thuisfront. We bakenen onze grenzen af door een natuurgetrouwe kopie van wat ons bekend is, alsof we bang zijn voor de confrontatie met die andere, vreemde wereld.

Doorgaans vermijd ik zulke plekken als de pest, maar omdat ik aanvankelijk dacht om hier voor een maand mijn fiets en een deel van mijn bagage achter te laten, ben ik hier toch terechtgekomen. Mijn verblijf in deze Gringo hang-out doet me nogmaals beseffen hoeveel invloed de ´Lonely Planet´ heeft op backpackers. Deze reisbijbel is voor velen van hen alles, tot een hoofdkussen toe. Zij die hun reisbijbel verliezen, raken onvermijdelijk pas echt ´lonely´.

Ook de discussies onder de hotelgasten komen steeds op dezelfde onderwerpen uit: het uitwisselen van goedkope hotelletjes en manieren vinden om ergens voor een habbekrats te geraken. Het stereotyp gedrag komt nog het best tot uiting tijdens het gesprek met de vijftigjarige Duitser Klaus. Hij onderneemt een reis van een half jaar, maar heeft na drie dagen op Venezolaanse bodem zijn reisplannen grondig gewijzigd. Als hoofdreden haalt hij de relatief dure levensstandaard aan , gevolgd door de onvriendelijkheid van de bevolking. Venezuela is inderdaad niet de goedkoopste reisbestemming binnen het Zuid-Amerikaanse continent, maar naar Westerse maatstaven valt het al bij al nog wel mee. Zijn negatieve gevoelens omtrent de openhartigheid van de Venezolanen basseert hij evenwel op een verblijf van drie dagen. Klaus zal zijn mening jammer genoeg niet bijsturen, want vannacht brengt een nachtbus hem rechtstreeks naar het meer gastvrije Colombia. Een zoveelste gringo die door de vluchtigheid van z´n reisgedrag en de beperkte (negatieve) contacten met land en volk zijn pejoratieve visie als waarheid zal etaleren.

Dat Venezuela een apart land is, waar een glimlach soms ver te zoeken is, heb ik vandaag nog aan de lijve ondervonden. Al heb ik het zelf wat in de hand gewerkt. Op de terugweg van de spectaculaire Cachamay waterval, gelegen in het mooi verzorgde en uitgestrekte Llovizna Park, fiets ik een half uur langs een privé-terrein van een firma die instaat voor een kleinere stuwdam van de Rio Caroni. Een speciaal aangelegde baan loopt parallel met de drukke doorgangsweg en wekt naast een zalig fietsgevoel ook de schalkse ruiter in me op. Het betreden van verboden paden werkt nu eenmaal adrenaline verhogend. Wanneer ik het terrein verlaat, fiets ik voorbij een soort praatpaal met ingebouwde camera. Ik hoor hoe een briesende, dreigende stem me ter orde roept. Ik negeer zijn aanmaning tot stoppen en werp de onzichtbare man zelfs nog een ondeugende handkus toe. Mijn schalks ruiter gevoel wordt een kleine kilometer verderop meteen gekelderd. Een wagen van de securitydienst is me gevolgd en heeft me inmiddels tot stilstand gebracht. Wanneer ik mijn identiteit niet kan bewijzen -mijn paspoort heb ik nonchalant achtergelaten in de hostal- wordt de politie erbij gehaald. Ik realiseer dat mijn handkus me wel eens in een lastig parket kan brengen en eensklaps beperkt mijn kennis van het Spaans zich tot een vocabulair dat niet verder reikt dan ´no comprendo´. Ook wanneer de agenten me meedelen dat het niet kunnen aantonen van een identiteit me een gevangenisstraf kan opleveren van drie dagen probeer ik mijn kalmte te bewaren. Het alombekende woordje ´dinero´ (geld) komt opnieuw tevoorschijn, maar ook nu weer haal ik mijn schouders op. Na een half uur en het neerpennen van een dossier dat niet zwaarder weegt dan enkele neergekrabbelde onsamenhangende woorden staken de agenten hun monoloog en druipen ze zonder buit af. In Venezuela kan je maar beter niet de schalkse ruiter uithangen, ook niet op de voorlaatste dag van je verblijf. Morgen verlaat ik immers het land van Chávez en vlieg ik met mijn hebben en houden naar Peru waar ik ondermeer in de voetsporen zal treden van de Inca´s. Tot dan!

Jesús Soto: een bewegende openbaring...

Venezuela - Ciudad Bolívar, 09-06-2008 - (dagboek 33)


Elk land heeft in de meest uiteenlopende kunstdisciplines wel enkele toonaangevende artiesten die op wereldniveau hun stempel drukken op het cultureel patroon. Zo slaagde de onlangs overleden Franse modeontwerper, Yves Saint Laurent, erin om samen met Coco Chanel en Christian Dior ´Haute Couture´ op de kaart te zetten en Parijs tot modehoofdstad van de wereld te maken. Ook Venezuela verloor drie jaar geleden een icoon uit de kunstwereld: Jesús Soto. Deze beroemde kunstenaar maakte geen faam in de modewereld, maar wel in kringen van de beeldende kunst. Ciudad Bolívar mag dan wel doordrongen zijn door een ware verafgodingscultus rond zijn vrijheidsstrijder, met de boeiende en permanente overzichtstentoonstelling in ´el museo de arte moderno´ geeft de stad ook aan zijn overleden bewoner, Jesús Soto, de eer die hem toekomt.

Ik moet eerlijk bekennen dat mijn kennis van Soto en zijn aparte kunstdiscipline zich bepekt tot het begrip ´kinetische kunst´. Ik herinner me ooit nog op een blauwe maandag tijdens de lessen kunstgeschiedenis een kunstwerk te hebben gezien dat verdacht veel leek op een speelmobiel uit mijn kindertijd. De hangende, bewegende staafjes hebben me toen nooit aangezet om me verder te verdiepen in de kunstenaar. Mijn verblijf in ´Ciudad Bolívar´ is evenwel een uitgelezen kans om deze schromelijke vergissing recht te zetten. In een strak witgeblokt gebouwencomplex ten zuiden van de stad tref ik er een uiterst interessante verzameling aan waarin chronologisch de belangrijkste werken en de evolutie van de kunstenaar worden getoond. Al gauw merk ik dat drie elementen als een soort rode draad doorheen zijn kunstvorm lopen: licht, ruimte en beweging. Het zijn de gedroomde, maar tevens de gevreesde elementen van elke fotograaf. Soto weet deze moeilijke combinatie te bundelen tot bewegende kunst. De gids vertelt me dat Jesús zich voornamelijk liet inspireren door de Orinoco-rivier. De vraag hoe je beweging creëert in een kunstwerk werd als het ware zijn levensmotief. In het begin koos hij pragmatisch voor een tegenstelling tussen zwart en wit en de afstand tussen de vlakken. Gaandeweg verwerkte hij meer kleuren en breidde hij z´n techniek uit door letterlijk de ruimte voor en naast het kunstwerk optimaal te benutten.

Zijn grote doorbraak kwam er toen hij reusachtige installaties ging bouwen waarin de toeschouwer zich kon gaan verplaatsen. Hij gaf als het ware de kunstliefhebber de mogelijkheid om zelf deel uit te maken van het bewegende object. De magie van de optische perceptie zet me meermaals op een verkeerd been en laat me achter met een vertwijfelde glimlach. Wie neemt wie hier nu beet? Ik wandel doorheen dunne, neerhangende buizen, duw ze opzij en wieg ze weg en weer waardoor ik met mijn interactiviteit het kunstwerk een nieuwe dimensie geef. Soto was één van de eerste kunstenaars die een duidelijk onderscheid maakte tussen de begrippen ´Op Art´ en ´Kinetische Beweging´. In ´Op Art´ gebeurt de beweging schijnbaar. Als toeschouwer wordt de indruk gewekt dat het kunstwerk beweegt, terwijl er bij ´Kinetische Beweging´ daadwerkelijk een beweging plaatsvindt; hetzij door de kunstliefhebber, hetzij door het kunstwerk zelf.

Ik sta perplex hoe Jesús Soto met een eenvoud aan materialen erin slaagt een soort visuele trilling te veroorzaken. Waar in Colombia Botero me wist te bekoren met z´n voluptueuze afbeeldingen en Rayo me fascineerde door zijn optical art, slaagt Soto erin me te strikken voor z´n interactieve installaties. Benieuwd wie de volgende kunstenaar wordt ...

Bolívar: het kloppend hart van Venezuela ...

Venezuela - Ciudad Bolívar, 08-06-2008 - (dagboek 32)


De warme kleuren van de historische binnenstad in Ciudad Bolívar ademen nog authenticiteit uit, wanneer ik rond zes uur ´s morgens m´n verkenningstocht aanvat. Deze stad typeert zo´n beetje de eigenheid van alle koloniale steden in Zuid-Amerika: compact, kleurvol, gerestaureerd met oog voor detail en gevoel voor esthetiek. Steden zoals ik ze het liefst heb: zwevend tussen verleiding en liefde. Het schilderspalet is ook nu weer opvallend verscheiden en toch niet aanstootgevend. De beschilderde gevels wenken me; nodigen me ten dans uit. Geest en lichaam verstrengelen zich in een spiraal van kleurvlakken en heel even voel ik een vleugje weemoed opborrelen; een tastbare hunkering om deze schoonheid te kunnen delen. Een haveloze vagebond, zittend op zijn troon van opgestappeld karton, geeuwt een nieuwe dag welkom en brengt me terug tot de realiteit. Of zijn het de eerste zonnestralen die mijn droevige gedachten wegfilteren?

De mooiste pareltjes van het oude stadscentrum liggen niet geheel toevallig rond ´la Plaza Bolívar´. De verzetsheld zit voor één keer niet ruiterlijk op zijn paard, maar wordt afgebeeld met z´n neergeschreven droom in de linkerhand. De realisering van de onafhankelijke federale staat ´Groot-Colombia´ bleef evenwel dode letter. Vijf elegante -maar helaas versteende- vrouwen flankeren z´n onvervulde droom en symboliseren één voor één de landen van Groot-Colombia: Venezuela, Colombia, Bolivië, Peru en Ecuador.

Op een steenworp van het centrale plein, in 'La Casa del Congreso Angostura' werd ooit geschiedenis geschreven. Levensgrote portretten van diverse revolutionaire kopstukken doen er nu de historische, rebelse tijdsgeest van toen herleven. In Angostura - het huidige Ciudad Bolívar en toen nog hoofdstad van Venezuela- vond in 1819 namelijk het legendarische ´Congres van Angostura´ plaats waarbij het politiek concept van een eengemaakt Latijns-Amerika werd opgesteld. Boven de buste van de held der helden, Simón Bolívar, prijken de veelzeggende woorden: “Moral y luces son nuestras primeras necesidades” (Moraal en verlichting zijn onze eerste noden). Alle mooie slogans ten spijt stortte niet alleen zijn ideaal als een kaartenhuisjes ineen, maar verloor ook Angostura zijn positie als hoofdstad. Als troostprijs kreeg de stad de naam van de onvolprezen vrijheidsstrijder toebedeeld.

In de lijst van helden der onafhankelijkheid zit een opvallend vreemde eend in de bijt; met name Manuel Piar. Bolívar ontmoette deze generaal toen hij in 1812 enkele maanden in ballingschap verbleef op de Nederlandse Antillen, meerbepaald in Curaçao. De vrijheidsstrijder wist Piar te overtuigen van zijn idealen waardoor deze veldheer enthousiast in de voetsporen van Bolívar trad. Vooral de succesvolle militaire actie bij de bevrijding van Guayana maakte van hem een groot man. Piar werd evenwel té succesvol, althans zo dacht Bolívar er over. Met een score van 13 tegenover 8 overwinningen in het voordeel van Piar, voelde Bolívar zijn machtspositie wegglippen tussen zijn revolutionaire vingers. De verzetsheld speelde op veilig en liet zijn vriend op verdenking van verraad aan het vaderland voor de kathedraal fusilleren. Een gedenkplaat en een kleine cel waar Piar een tijdje in voorhechtenis zat, vormen de stille getuigen van zijn lot. Speculaties omtrent eenzelfde minnares hebben in de loop der tijden het historisch feit wat kleur gegeven. Bolívar duldde geen concurrentie, ook niet op het vlak van de liefde. Waarheid en fictie struinen over de rivierkeien straatjes en zetten de onderzoekende toerist op een dwaalspoor. Ik observeer de vijf slanke vrouwenfiguren die inmiddels al een sierlijke silhouet afwerpen tegen de steeds feller wordende voormiddagzon. Moord en doodslag, met de vrouw als spilfiguur. Pieter Aspe zou er nog een vette kluif aan kunnen verdienen...

De politie: mijn vriend...

Venezuela - Puerto Ayacucho, 06-06-2008 - (dagboek 31)


Puerto Ayacucho moet zowat de jongste hoofdstad zijn van de deelstaat Amazonas. De toegangspoort naar het Venezolaanse Amazonegebied weerspiegelt zich in de onmiskenbare gelaatsuitdrukkingen van de indigenas die vlakbij het centrale Plaza Bolívar artisanale produkten te koop aanbieden. De markt waar hoofdzakelijk etnische souverniers over de toonbank gaan, is zowat de enige trekpleister in het snikhete stadje.

Aanvankelijk had ik gedacht om door te fietsen tot bij het gehuchtje Samariapo, daar waar de asfaltweg doodloopt en de reis enkel per kano kan worden verdergezet. De berggids die mee was op de ‘Pico Bolívar’-expeditie en zelf afkomstig is uit deze regio had me verteld over het bestaan van de Yanamamö, een indianengroep die dankzij hun isolement hun primitieve levenswijze hebben weten te behouden. Ze leven aan de oevers van de Río Sipapo en de Río Autana, op minstens twee dagen varen van de buitenwereld. Antropologen ontdekten deze etnische groep pas in de jaren vijftig van de 20ste eeuw. Twee weken geleden werd in het Amazonewoud op de grens van Brazilië met Peru nog een tot nu onbekende indianenstam ontdekt. Vanuit een helikopter werden foto´s gemaakt waarop ondermeer twee beschilderde indianen te zien zijn die hun pijl en boog richten naar het toestel. Volgens Survival International, een organisatie die de belangen van stammen wereldwijd behartigt, zijn de foto's een zeldzaam bewijs dat primitievelingen nog steeds bestaan. Veel van die groepen worden bedreigd door de grootschalige illegale boskap in het regenwoud. Naar aanleiding van de ontdekking heeft de Peruaanse overheid alvast aangekondigd om maatregelen te nemen ter bescherming van de pas ontdekte indianen. Ook de Yanomamö genieten bescherming en het gebied kan enkel mits toestemming van de overheid bezocht worden. De kans dat ik ook maar een glimp zal kunnen opvangen van deze bijzondere leefwereld is dan ook uiterst gering. En per slot van rekening: In welke mate zal het ‘indiaantjes-kijken’ een meerwaarde opleveren aan mijn zwerftocht? Ik denk dat onze moderne beschaving al genoeg hun integriteit heeft aangetast...

Voor het eerst op mijn lange fietstocht moet ik mijn planning wat in het oog houden. Niet zozeer de vastgelegde datum -25 april 2009- van m´n terugkeer naar België zit hiervoor iets tussen, wel het weerzien van m´n vriendin Lies in Peru. Na Chili en Ecuador wordt dit meteen het derde land dat we met z´n tweetjes zullen verkennen. Aanvankelijk had ik gedacht om na Peru terug te vliegen naar Venezuela en mijn tocht verder te zetten via La Gran Sabana naar het noorden van Brazilië om zo Frans Guyana binnen te geraken. Vanuit Brits Guyana zou ik dan naar Centraal-Amerika (Panama) vliegen en daar mijn laatste reisetappe aanvatten. Vluchten vanuit Brits Guyana zijn evenwel bijzonder schaars en naar Panama zelfs nihil. Na lang wikken en wegen heb ik dan ook besloten mijn fiets mee te nemen naar Peru en vandaaruit te vliegen naar Panama. Vanaf augustus begin ik dus aan mijn verkenning doorheen Midden-Amerika. Het uiterste zuiden van Venezuela, het Braziliaanse Amazonegebied de twee Guyanas en Suriname zullen bijgevolg pas aangedaan worden helemaal op het eind van mijn zwerftocht. Omdat ik vanuit Puerto Ordaz eind volgende week naar Lima, Peru vlieg, ben ik -omwille van tijdnood- verplicht om een bus te nemen tot in Ciudad Bolívar (120km van Puerto Ordaz). Nood breekt nu eenmaal wet...

Ik heb het niet voor bussen, zeker niet wanneer ik een fiets als bagage moet meenemen. Het levert steevast heibel op en wanneer ik rond 6 uur ´s avonds de kleine busterminal van Puerto Ayacucho binnenfiets, kan ik zo al raden wat me te wachten staat. De bediende van de busmaatschappij had me eerder op de dag verzekert dat het transporteren van de fiets geen enkel probleem zou opleveren. Bij het zien van mijn zwaar beladen tweewieler is hij daar plots niet meer zo overtuigd van. De bus biedt slechts plaats voor 25 personen en de laadruimte is bijgevolg beperkt. Bovendien blijkt de ‘kleine’ toeslag voor de fiets het drievoudige te zijn van een passagiersticket; met name 120 Bolívar Fuerte (€24). Nu kan je als reiziger twee dingen doen: ofwel instemmen en de corruptie een handje toesteken -het geld verdwijnt sowieso in de zakken van de chauffeur en de bediende-, ofwel een alternatief zoeken. Mij wenden tot een andere busmaatschappij is zinloos. Enerzijds rijden er geen bussen meer naar Ciudad Bolívar en anderzijds verlies ik 30% op mijn passagiersticket. De oneerlijke praktijken overtreffen zo sterk de alledaagse werkelijkheid dat ik besluit hulp van derden in te roepen. Mijn aanklacht vindt gehoor bij twee politiemannen die moeten instaan voor de veiligheid in de terminal. Dankzij hun bemiddeling wordt de prijs voor de bagage herleid tot 40 Bolívar Fuerte (€8). Een half uur later zet ik opgelucht koers naar Ciudad Bolívar. Als God het belieft, kom ik er morgenochtend om zeven uur aan. Op hoop van zegen...

Fietsen tussen zeboes en reigers...

Venezuela - Puerto Páez, 04-06-2008 - (dagboek 30)


De ochtend kleurt donkergrijs en kondigt een regenachtige dag aan. Het regenseizoen vertaalt zich aan de voet van het broeierige amazonegebied in hevige stortbuien die zich gelukkig beperken tot intermezzo´s. De weg klieft zich monotoon en kaarsrecht door de uitgestrekte vlakte. Het verkeer beperkt zich tot enkele schaarse voertuigen die langzaam als een stip aan de horizon verdwijnen.

Ik fiets voorbij kleine nederzettingen, vaak niet meer dan een handvol huisjes opgetrokken uit leem of palmbladeren. Ze staan in schril contrast met de welvarende, uitgestrekte hatos (boerderijen). Deze liggen vaak verscholen achter statige galerijbossen en zijn onttrokken aan het oog van nieuwsgierige buitenstaanders. Het is het gebied van de Venezolaanse cowboys -de Llaneros- die veel gelijkenissen vertonen met de gaucho´s van de Argentijnse pampa´s. Het zijn welstellende grootgrondbezitters die naast honderden hectaren land ook over een gigantische veestapel zeboes beschikken. Af en toe kom ik een hele kudde van deze bultrunderen tegen en moet ik mij zigzaggend een weg banen tussen de kolossale zeboes en hun nog nadampende uitwerpselen. Wat me ook opvalt is het rijke vogelleven aan de kant van de weg. Ik fiets voorbij grasgroene papegaaien, sneeuwwitte reigers, gitzwarte gieren en zelfs een zeldzame roze lepelaar.

Bij het binnenrijden van een dorpje wordt mijn aandacht getrokken door een bijzonder verkeersbord: ‘Peligro a 150 m: salida de borrachos’ (Gevaar op 150 m: uitgang van dronkaards). Een identiek bord staat er 300 meter verder, maar dan aan de overzijde. Precies in het midden ligt een dranktent waar enkele wagens staan geparkeerd. Zou de eigenaar minder aansprakelijk gesteld worden wanneer door zijn toedoen zijn stomdronken stamgasten een ongeluk veroorzaken? Of het verkeersbord daadwerkelijk effect geeft, is mij een raadsel, maar het is ongetwijfeld het meest vreemde opschrift dat ik tot nu toe ben tegengekomen.

Rond half vijf zetten de hemelsluizen hun deuren opnieuw wagenwijd open. De lucht is dichtgesnoerd door muisgrijze wolken waaruit liters regen naar beneden gutst. De eerst volgende stad met enige slaapaccomodatie ligt nog minstens 45 km verwijderd. Met het aanhoudende slechte weer is dit een onhaalbare kaart en dus zoek ik een alternatief. Puur toevallig vind ik die 500 meter verderop. De weg is er onderbroken door een zoveelste rivier. De brug in aanbouw wordt voorlopig vervangen door een veerdienst. De onvermijdelijke wachttijd heeft in de loop der jaren geleid tot een kleine handelsconcentratie. Aan de oever staan metalen kioskjes opgesteld waar aanschuivende chauffeurs hun dorst kunnen lessen of een maaltijd uit het vuistje kunnen kopen. Aan de overkant van de straat, die inmiddels is herschapen tot een modderpoel, valt mijn oog op een kleine beschutting en besluit ik er mijn tent neer te zetten. Terwijl ik mijn nederig stulpje klaarmaak voor de nacht, lichten bliksemflitsen het luchtruim op. Een donderend geluid roffelt over de troosteloze, modderige plek. Het belooft een woelige nacht te worden...

Een magische, kinderlijke wereld...

Venezuela - San Fernando de Apure, 02-06-2008 - (dagboek 29)


San Fernando de Apure roept niet meteen de wildwestromantiek op zoals die haar vaak wordt toebeschreven. Het is eerder een troosteloze stad met razend druk verkeer, waar straatventers leuren met goedkope horloges en blitse zonnebrillen en waar gebraden perros calientes (hotdogs) en hamburguesas liggen te sissen in geblutste metalen bakovens van kraampjes op vier wielen. San Fernando de Apure -ontstaan als een katholieke missiepost aan het eind van de 18de eeuw- is te jong en te vlug gegroeid om een zekere charme te kunnen uitstralen. De ‘historias minimas’ (kleine verhaaltjes) vind je vaak niet in zulke grootsteden, maar onderweg; op plaatsen waar het gewone leven zich afspeelt.

Zo kwam ik gisteren, al schuilend voor opeenvolgende stortbuien, terecht in het onbeduidende dorpje ‘Ciudad de Nutriaco’, nauwelijks een speldekop groot. De felle regen had een deel van de hoofdstraat blank gezet en herschapen tot een bruine poel. Noodgedwongen zocht ik beschutting onder het afdakje van de plaatselijke kruidenierswinkel waar ook een handvol bewoners hun toevlucht hadden gevonden. Ik hoorde hoe de omstaanders klaagden over het slechte weer en de ondergelopen straten. Terzelfdertijd ontvouwde zich een totaal andere wereld voor m´n ogen; die van de onbezonnen, zorgeloze jeugd. De wateroverlast was voor hen een buitengewone attractie en de straat een tijdelijk recreatieoord. Kleine koereurkes van een jaar of twaalf zetten de sprint in en kozen gierend van de pret de grote waterplas als eindmeet. De regen spetterde in het rond als een fontein van intens genot en een regenboog van geluk kleurde de kinderlijke leefwereld tot een vertederend schouwspel. Een jongen op een veel te grote fiets trapte molenwiekend in het rond, terwijl zijn vriend als een balletdanser een pirouette maakte. Kleine tafereeltjes, gebonden aan tijd en ruimte, die zich afspeelden in een magische wereld vol zorgeloze kinderlijkheid. Na het fietsen en het dansen volgde een loopwedstrijd. Een wedren tegen de tijd? Vlak voor een denkbeeldige startlijn namen de jonge rakkers hun positie in om enkele tellen later als een speer weg te spurten. Een gordijn van regen filterde hun armpjes en beentjes tot bewegende marionetten. Een wedstrijd waar deelnemen belangrijker was dan winnen.

Ik keek vanop de zijlijn toe en besefte dat ik ouder was geworden. Het kind zijn in mij is gebleven, maar de tijd heeft me volwassen gemaakt. Het is een onomkeerbaar proces, zelfs voor een verdwaalde zwerver...

Llanos: een kerkhof van kadavers...

Venezuela - Mantecal, 31-05-2008 - (dagboek 28)


Het is een lange, zeer lange weg naar het hart van Llanos. Aan de monotone, uitgestrekte graslanden lijkt er geen einde te komen, zelfs niet na twee lange fietsdagen met een gemiddelde van 150 km/dag. Niettegenstaande de desolate vlakte is het gebied de voorbije jaren uitgegroeid tot een favoriete toeristische trekpleister. De ontelbare zijtakken van de belangrijke Orinoco rivier treden hier immers tijdens het regenseizoen massaal buiten hun oevers en herschapen het landschap in drassige weilanden en moerassen. Ze vormen ideale kweekvijvers voor een weelderige fauna en flora. De hevige neerslag tijdens het regenseizoen is ruimschoots voldoende opdat de dieren en de planten ook probleemloos de droge maanden kunnen doorkomen.

Toeristische excursies naar deze moerassige gebieden worden onder andere aangeboden vanuit Mérida. Ook het reisbureau waarbij ik de bergtocht naar ‘el Pico Bolívar’ had geboekt, bood een driedaagse Llanos-excursie aan. In hun kleurrijk geïllustreerde brochure stond ondermeer: “... Niet alleen per kano zoeken we naar de wildlife van de ‘Estado Amazona’. Ook per jeep rijden we rustig vanuit Barinas naar San Fernando de Apure. Met een beetje geluk kunnen we diverse dieren in het wild bewonderen. ...” Is deze formulering een manier om hun handen in onschuld te wassen? De route ligt namelijk bezaaid met ontelbare platgewalste slangen, kaaimannen en tamanduas (miereneters), ... De vlakke, eindeloze, haast rechte baan is -in een land waar snelheidscontroles zogoed als onbestaande zijn- een soort ‘Formule 1 - circuit’. De dieren die de oversteek -vaak niet breder dan 10 meter- wagen, spelen als het ware Russische roulette. De touroperator heeft er wellicht bewust niet bij vermeld dat de route ook een kerkhof is van kadavers in staat van ontbinding...

De dag is lang en eenzaam. Het desolate landschap versterkt nog dit gevoel. Ik heb nood aan verstrooiing, aan een losse babbel en dus stop ik bij het binnenfietsen van het dorpje Mantecal aan een ‘licorería’ (een drankwinkel waar voornamelijk alcoholische dranken worden verkocht, maar dat vaak ook dienst doet als café). Door het tropisch klimaat speelt het caféleven zich hier voornamelijk buiten af. Wanneer ik mijn zwaar beladen fiets voor de provisorische toog parkeer, word ik dadelijk aangesproken door één van de stamgasten. De bewondering voor mijn zwerftocht wordt beloond met een paar rondjes. Bij het afscheid stoppen ze me nog twee muziekcd´s toe. Wat zal ik die spontane gastvrijheid missen, eenmaal terug in België.

Net bij het verlaten van het dorpje hoor ik een onregelmatig geluid ter hoogte van mijn trapas. Vijf kilometer verder constateer ik dat een schakel van mijn ketting los zit. In een poging het euvel te herstellen, breek ik evenwel m´n kettingsleutel en dus zit er niks anders op dan hulp van derden in te schakelen. Ik laat mijn bagage achter in een nabijgelegen finca en keer te voet terug naar het dorp. Net voor sluitingstijd vind ik een fietsenwinkel. De fietsenhandelaar straalt eenzelfde antiquiteit uit als zijn rommelige mini-toonzaal: stoffig en oerouderwets. Een kettingsleutel behoort niet tot zijn standaarduitrusting en dus komt er een spijker en een verroeste hamer aan te pas. Ik kijk hartverscheurend toe hoe hij als een bruut m´n gloednieuwe Shimano-ketting haast naar de vaantjes helpt. De man klopt erop los alsof het een lieve lust is. Ik kijk angstig rond en vergewis me of ik niet ben terechtgekomen in de carrosserie-afdeling van geaccidenteerde wagens. Net voor de man de fatale slag toedient, grijp ik in. Een fiets moet je benaderen als een vrouw, zacht en verleidend. Na vijf minuten is de knieval een feit en geef ik de fietsenhandelaar het nakijken. Gelukkig heeft mijn leermeester, Luc Osyn uit Boezinge, me niet alleen de knepen van het fietsvak aangeleerd, maar ook de sensuele benadering ervan.

Een uur later fiets ik opnieuw het centrum uit en begeef me terug naar de finca waar ik m´n bagage heb achtergelaten. Het is inmiddels half zeven in de avond en de duisternis drijft langzaam maar zeker de voorbije dag weg. Ik kan er probleemloos mijn tent opzetten en een uur later wordt me een vijfsterren maaltijd aangeboden. Wie zei er ook alweer dat de vakantie pas begint wanneer je in de penarie zit?

Afscheid van de Andes…

Venezuela - Barinas, 29-05-2008 - (dagboek 27)


M´n reiswekker wijst half zes in de morgen. Het wandelpad is nog gehuld in een stille schemering en de groen beboste heuvelruggen omlijnen de gekartelde horizon met zwarte Chinese inkt. Een kwartier later walsen donsachtige nevelslierten de laatste sporen van de nacht weg. Een lichte bries waait moeizaam de druilerige wolken uiteen en boven mij breekt de hemel langzaam open. Ik bevind me terug in het nationaal park ‘Sierra Nevada’, maar ditmaal helemaal ten noorden, in de sector Santo Domingo. Hier wordt het natuurgebied gekenmerkt door opeenvolgende lagunas. Eén ervan, het Zwarte bergmeer ligt op een flinke loopafstand van de ingang en dus heb ik hier gisteravond m´n tent opgeslagen.

Het grindpad loopt langsheen stille páramovelden, kabbelende riviertjes en watervalletjes. De natuurgeluiden voelen aan als breekbaar porselein: broos en kristalhelder. Mijn gedachten dwalen af naar de voorbije dagen. De posada Patty, dat zowat mijn vaste stek was geworden sinds m´n aankomst in Mérida, was de thuishaven van meerdere zwervers. Naast Michael en Andres, die deel uitmaakten van de ‘Pico Bolívar’-expeditie, waren er ook nog de Ier Lewis en de Fransman Pif. Stuk voor stuk jonge gasten die over een zee van tijd beschikten. De laatste dagen leek het wel alsof we een beetje familie waren geworden. Eenieder had voor zichzelf uitgemaakt om Mérida te verlaten, maar toen bij het avondeten één op zijn stappen terugkeerde en besloot om nog een dag langer te blijven rondhangen, volgde automatisch de rest van de groep. Ook de nachtwaker voelde zich duidelijk in zijn sas met het jonge gezelschap en uit dank nodigde hij ons de laatste dag uit op zijn finca in aanbouw, hoog in de bergen. De vriendschap werd bezegeld met een heuze barbecue en een flinke scheut rum. Plechtig spraken we af om met z'n allen ooit nog eens samen te komen. Benieuwd of we deze belofte ook waar kunnen maken.

Ondertussen heb ik het bewuste meer bereikt. Het rimpelloze wateroppervlak heeft zijn naam niet gestolen. Als een breed uitgesmeerde donkere inktvlek ligt ze diep ingesneden in het bergdal. Mijn reflectie reikt niet verder dan de troebele contouren van een eenzame zwerver. De spiegelende betovering aan de andere kant van de wand blijft uit. Onheilspellende onweerswolken verzamelen zich opnieuw in grote getale en wanneer ik de terugtocht aanvat, vallen de eerste regendruppels als ragfijn stuifmeel op de karakteristieke failejónes -de plantsoort die zo kenmerkend is voor de páramo-. Vandaag staat wellicht de langste afdaling ooit op het programma. Vanuit de 3550 meter hoge Mucubajipas -genoemd naar de nabijgelegen lagune- gaat het onverminderd bergafwaarts tot aan de stad Barinas, zowat de voet van de Andes. Wat een zalige afdaling zou moeten zijn, wordt een grote teleurstelling. Niet alleen beperken de mistbanken het zicht tot nauwelijks 10 meter, ook de regen zet z´n domper op de fietsvreugde. De striemende regenvlagen voelen ijskoud aan, net alsof ze diepe snijwonden kerven in mijn gezicht. Een publiciteitsbord herinnert mij aan het klooster ‘Los Frailes’. Dit 17de eeuws complex -tegenwoordig omgevormd tot een luxueus hotel- ligt indrukwekkend en eenzaam gelegen in het berglandschap, maar door de dichte mist heeft het geheel iets weg van een spookkasteel. De onophoudelijke regen dwingt me verder te fietsen naar lager gelegen en warmere oorden.

Anderhalf uur later drijven de opeengepakte wolken uiteen en kleurt de lucht terug hemelsblauw. De rest van de dag zigzag ik steeds verderweg van de Andes. Het berglandschap maakt plaats voor een vlakke, eindeloze steppe. De omgeving doet me denken aan de Argentijnse pampa. Barinas -200 meter boven de zeespiegel- ligt aan de rand van Llanos, de uitgestrekte savanne die zowat een derde van de totale oppervlakte van Venezuela inneemt. Van hieruit volgt de lange tocht naar San Fernando de Apure, zowat het epicentrum van Llanos. Het belooft een lange tocht te worden...

Mérida: een stad vol smaken…

Venezuela - Mérida, 25-05-2008 - (dagboek 26)


Vanuit het openstaande raam van de posada Patty hoor ik hoe de gondelbaan een nieuwe dag aankondigt. De wijzers van m´n kleine reiswekker tikken net zeven uur in de ochtend voorbij. Dichtslaande autodeuren, straatventers leurenden met wegwerpcamera´s, voorbijschuivende toeristenbussen,… Het zijn de typische geluiden van een alledaagse zondagmorgen ter hoogte van ‘el teleférico’ (de kabelbaan). De Andesstad gaat er prat op in het bezit te zijn van de langste en hoogste berglift ter wereld. Vooral op zondag staan tientallen vroege vogels al voor dag en dauw aan te schuiven voor dé toeristische attractie bij uitstek. Sinds bijna een halve eeuw kan je in vier etappes en in welgeteld 50 minuten tot aan ‘el Pico Espejo’ (de Spiegeltop) geraken, goed voor een hoogte van 4.765 meter.

Maar Mérida heeft nog een ander record op zijn naam staan. In het ijssalon ‘Coromoto’ aan de Avenida 3 kan je namelijk kiezen uit 850 verschillende smaken. Jaren geleden behaalde de eigenaar, Mánuel Da Silva Oliveira, met 368 smaken het Guiness Book of Records. Sindsdien is het mixen en proeven een eigen leven gaan leiden en is de diversiteit aan smaken opgeklommen tot 850. Een bezoek aan dit wereldberoemde ijsjessalon is dan ook een ‘sine qua non’ vóór het verlaten van de Andesstad. Aan de linkerwand hangen krantenknipsels, foto´s en achtergelaten petjes en sjaals van toeristen uit alle hoeken van de wereld. Rechttegenover hangen honderden naambordjes die verwijzen naar de meest uitlopende smaken: gebakken forel, perros calietes (hotdogs), bier, levertraan, spaghetti, ui,… Je kan het zo gek niet bedenken. Permanent zijn er 60 verschillende smaken te verkrijgen. Ik speel op zeker en kies uit een bloemsoort (auyama) en een kruid (canelita). Het ijs smaakt niet buitengewoon lekker, maar dat zal de eigenaar een zorg wezen. Zijn cliënteel bestaat nu eenmaal uit eendagjesvliegen en zijn heladeria zal wel altijd een curiositeit blijven.

Naast de twee records mag Mérida ook nog een wapenfeit op z´n revers spelden. De Méridanen waren immers de allereersten op het continent die de vrijheidsheld Simón Bolívar lauwerden. Niet alleen was Mérida de eerste stad die de verzetsheld versteende voor de eeuwigheid met een ruiterlijk standbeeld, maar de vader des vaderlands kreeg zelfs een berg toegewezen -de hoogste natuurlijk-, 'el Pico Bolívar'. De bergtop meet precies 5.007 meter en is uitgerust met een koperen plaat en buste. De inwoners hebben hun verering op een mooie wijze geformuleerd: “De hoogste top van de Andes is slechts een kleine piëdestal voor uw glorie.”

Wanneer ik kort na de middag terugkeer van ‘la heladeria Coromoto’, is de grootste drukte ter hoogte van ‘el teleférico’ zo goed als voorbij. De beste kans om de vijf besneeuwde toppen te zien -de witte adelaars, zoals de indianen ze noemden- is nu eenmaal ´s morgens vroeg. Via de spectaculaire kabelbaan kan je het immense nationale park ‘Sierra Nevada’ bereiken. Het is trouwens in dit natuurgebied dat de twee jonge Belgen, Casper Knops en Christophe Frasseur, eind november 2005 het leven lieten. Wekenlang was hun verontrustende verdwijning niet weg te branden uit het avondnieuws. Aanvankelijk dacht men dat er kwaad opzet in het spel zat, maar naarmate de maanden verstreken werd duidelijk dat ze wellicht werden meegesleurd door een rivier.

De kabelbaan heeft niet alleen Mérida een eigen gezicht gegeven, ook kleine bergdorpjes in de omgeving profiteren mee van dit technologisch hoogstandje. Zo ligt het gehuchtje 'Los Nevados' slechts vier uur met een muildier verwijderd van de lift en heeft het handig ingespeeld op deze toeristische attractie. Voor toeristen met weinig tijd en conditie staan er ezels en paarden klaar om de eendagjesmensen tot bij het dorpje te brengen. Voor de echte wandelaars werden er posadas uit de grond gestampt, zodat ze zorgeloos een nachtje kunnen recupereren. Heel even zag het er naar uit dat de toeristische opleving als een luchtbel ging uiteenspatten. In november 1991 brak immers één van kabels en de gondel die op weg was naar het hoogste station, stortte genadeloos de afgrond in. Balans: vier doden, een jarenlange inactiviteit en een opmerkelijke terugval van het toerisme. De zware klap zijn ze inmiddels te boven gekomen en het toerisme draait opnieuw op volle toeren. Mérida mag op beide oren slapen. Met twee records en een wapenfeit zullen de toeristen wel blijven komen…

Een domper op de fietsvreugde...

Venezuela - Mérida, 24-05-2008 - (dagboek 25)


Striemende regenvlagen roffelen me wakker. Gisteravond laat kwamen we na een lange fietsdag aan in Canaguá. De hele dag balanceerde het weer tussen een schrale zon en dreigende onweerswolken. We hadden blijkbaar de juiste keuze gemaakt toen we gisteren besloten een hotel op te zoeken voor de nacht. Het regenseizoen is hier volop aangebroken en in de bergachtige omgeving van Mérida staat dit synoniem voor dagelijkse stortbuien. Het slechte weer doet ons langer talmen dan anders en pas rond half elf zetten we de derde etappe in van onze adembenemende tocht langsheen ‘Los Pueblos del Sur’.

We fietsen tussen de regenvlagen door en profiteren van de buien om al schuilend te picknicken. Onderweg passeren we nu en dan een klein kapelletje waarin een beeldje staat van een besnorde man met zwarte bolhoed en witte stofjas. Op de lange route van Coro naar Mérida heb ik die zonderlinge figuur -die zowat het midden houdt tussen Charlin Chaplin en de gebroeders Janssens en Janssens- al vaker opgemerkt. Na enig rondvraag kom ik te weten dat deze man dokter José Gregorio Hernández heet en door de Venezolanen vereerd wordt als een heilige. Z´n sobere levenswijze en zijn gratis consultaties die hij verstrekte voor de armen liggen hiervoor aan de grondslag. In 1919 kwam hij op 57-jarige leeftijd om in een autoongeluk. Tot op vandaag worden wonderbaarlijke genezingen aan hem toegeschreven. José Gregorio Hernandéz is zowat de mannelijke versie van de Argentijnse ‘Difunta Correa’.

Wanneer we rond vier uur in de namiddag -na alweer een halve dag klimmen- het pittoreske dorpje ‘El Molino’ bereiken, gutst het water met bakken uit de hemel. Ik voel intuïtief aan dat Michael mijn voorstel om een posade op te zoeken en om morgen verder te fietsen zal verwerpen. Na drie zware fietsdagen in de bergen heeft Michael het wel gezien. De lol is er af en het enige waar hij zijn zinnen op heeft gezet, is om zo snel mogelijk in Mérida te geraken. Ik voel me een beetje voor schut gezet, want als ik voet bij stuk hou, zal hij voor een privé-rit een exorbitant hoge prijs moeten betalen. Met behoorlijk wat tegenzin laat ik me uiteindelijk ompraten. Veel transportmogelijkheden zijn er niet en dus moeten we genoegen nemen met een betaalde lift van een vrachtwagenchauffeur. In de stuurcabine is er slechts plaats voor drie personen, zodat de fietstassen achterop worden vastgemaakt aan de fietsen. De open laadruimte zonder wanden heeft mij een onveilig gevoel. Om de vijf minuten kijk ik in de achteruitkijkspiegel om te zien of onze lading er nog ligt.

Terwijl de avond valt en de omgeving een wonderbaarlijke kleurpracht aanneemt, krimpt mijn fietshart ineen van zoveel schoonheid te zien voorbijschuiven vanachter een aangeslagen ruit. Ik vervloek mezelf voor mijn weerloos gedrag, maar verberg m´n ontgoocheling. Mijn ergernis wordt nog groter wanneer ik vaststel dat de chauffeur schaamteloos een fles aguardiente -alcoholische sterke drank op basis van anijs- aanrukt. Prompt schroeft hij de volumeknop van de radiospeler ettelijke decibels hoger om mijn verontwaardiging de kop in te drukken. Ik stampvoet uit zoveel onmacht. Na anderhalf uur rijden, beweert de man dat er iets mis is met de remmen en hij niet verder kan (of wil) rijden. Hij meent iemand te kennen in de buurt die ons tot in Mérida stad zal brengen. Nog geen tien minuten later manoeuvreert hij zijn vrachtwagen tot stilstand op een volle parking voor een café. Het is zaterdagavond en de boeren uit de omliggende dorpen spoelen hun zware werkweek weg met liters alcohol. We worden toevertrouwd in handen van een kerel die onmiskenbare tekenen van alcoholgebruik vertoont. De fietsen worden overgeladen in de laadbak van zijn jeep en even later rijden we opnieuw de nacht tegemoet. Ik vloek, maar deze keer openlijk en niet stilzwijgend. Ik haat het om mijn lot in handen te leggen van vreemden en zeker in een land, stad of dorp die me niet vertrouwd is. Ook het vervoeren van mijn fiets als een stuk vee stemt me allesbehalve vrolijk.

In de stuurcabine zitten vier giechelende grieten waarvan hun gezichten regelmatig oplichten door het blauwe lichtschijnsel van hun gsm-display. Michael en ik zitten in de laadbak. De man zigzagt in een ijltempo de eindeloos lange helling af. Wanneer we de grote baan richting Mérida bereiken, schakelt hij zijn versnelling in vijfde positie en schuurt als een Formule 1-piloot over de onverlichte weg. Hij racet zowat al het verkeer voorbij en haalt in op de meest gevaarlijke plekken. Ik sla duizendeneen doodsangsten uit. Terwijl ik ongemerk bid voor een veilig rit, maak ik mezelf de belofte dat ik nimmer of nooit nog een toegeving doe om iemand anders te plezieren. Mijn leven op het spel zetten omwille van de grillen van een ander, forget it! Als ik ooit nog met iemand samenfiets, leg ík de spelregels vast. Na een dolle rit van bijna 40 minuten rijden we opgelucht Mérida centrum binnen. Tja, een fietskompaan vinden die op dezelfde golflengte zit, zeker weten dat je die niet elke dag tegenkomt...

Lat oes leven up de maene…

Venezuela - Canaguá, 23-05-2008 - (dagboek 24)


Terwijl de trip van gisteren iets weg had van een boettetocht, is het fietsen vandaag een feest. De baan blijft zich de hoogte inslingeren, maar de hellingsgraad lijkt zowat gehalveerd. Gisteravond hadden we nog een boeiend gesprek met de uitbater van de knusse posada, Martín. Hij bevestigde zoals zovele Venezolanen, dat het de verkeerde kant uit gaat met zijn geboorteland. Eenieder spreekt natuurlijk vanuit z´n eigen ervaringen en leefwereld. Zo hekelt Martín vooral Chávez onbedachtzame uitspraken en wispelturige politiek. Vooral zijn anti-Amerikaanse gevoelens zijn voor hem een doorn in het oog. Sinds Chávez aan de macht is, heeft Martín met lede ogen moeten toezien dat Amerikanen -zowat twee derden van zijn cliënteel- Venezuela links laten liggen als vakantiebestemming.

“Ik had gehoop om mijn twee kinderen in een gezond Venezuela te kunnen grootbrengen, maar ik vrees dat het moderne socialisme van dit land dat onmogelijk maakt.” Achter de twinkelende pretoogjes van de hoteluitbater gaat er een andere wereld schuil. Een wereld van diepmenselijk verdriet dat vijf jaar geleden zijn pad kruiste. In een autoongeluk verloor hij zijn steun en toeverlaat en moest hij noodgedwongen van de ene op de andere dag zijn twee heel jonge kinderen alleen grootbrengen. Martín ziet de rijkdom van Venezuela, de olieproduktie, eerder als een vloek van de duivel, dan als een geschenk van God. Hij vermoedt dat zijn land vorig jaar zo´n 70 miljard dollar binnenrijfde met de export van olie, waarvan meer dan de helft besteed werd aan import van voedsel. “Venezuela produceert nagenoeg niks en dat is op lange termijn niet langer houdbaar.” Martín maakt zelfs gewag van een tikkende tijdbom die het gevolg is van een aantal factoren: de controle op de economie, een inflatie van 24% per jaar, een stagnerende produktie en toenemende schaarste.

Niet alleen in Venezuela loopt het mank, de hele wereld draait zowat vierkant. Een tweetal weken terug luidde het IMF (Internationaal Monetair Fonds) de alarmbel en waarschuwde voor een wereldwijde voedselcrisis en nieuwe oorlogen. Twee grote factoren liggen aan de basis. In eerste instantie wordt verwezen naar de massale stijging van grondstofprijzen. De geïndustrialiseerde landen kweken alsmaar meer gewassen voor biobrandstoffen die indirect ertoe hebben geleid dat sinds 2006 graan 130% duurder werd, soja 87% en rijst 74%. In een tweede instantie zou ook het veranderde dieet in India en China een rol spelen. China´s vleesconsumptie is de voorbije 15 jaar met 85% gestegen. Als je weet dat voor elke kilo kip 7 kilo maïs nodig is, dan is het niet verwonderlijk dat de Chineese vraag naar graan dramatisch is gestegen. Reken daar nog eens de klimaatsveranderingen bij die zich veelal kenmerken door toenemende droogte en overstromingen -wijzigingen die nefast zijn voor goeie oogsten- en het plaatje is compleet. De eerste tekenen van onrust werden trouwens reeds gesignaleerd. In Bangladesh en het Peruaanse Puno vonden een maand geleden voedselprotesten plaats. In Haïti diende de regering onlangs nog zijn ontslag in na een week van voedselrellen. Flip Kowlier kon het op zijn laatste cd ‘Een man van 31’ in het liedje ‘el mundo kapotio’ niet beter verwoorden:

“Hjil de wireld is kapot
Wint uteindelijk gekun
Widder zinne nu god
En we zin nog moa behun
De wireld is kapot
Jewa verzekers nie vee wird
Lat oes leven up de maene
In een us met open ird"

Laat ons hopen dat er voldoende plaats en voedsel is op de maan opdat we in vrede samen kunnen leven...

Los pueblos del Sur…

Venezuela - San José, 22-05-2008 - (dagboek 23)


De weg vanuit Mérida daalt gestaag en haast onafgebroken, maar het razend verkeer overschaduwt evenwel de pret. Ik ben op weg voor een vierdaagse fietstocht naar 'Los Pueblos del Sur' (de dorpen van het zuiden) samen met Michael, de Duitser die ook deel uitmaakte van de expeditie naar de 'Pico Bolívar'. De jonge student in de fysica zag het best zitten om me te vergezellen op een gehuurde mountainbike en meteen pikt hij zo één van de mooiste routes ten zuiden van Mérida mee. Na 28 km leidt een verkeersbord ons weg van de drukke verkeersader en kan de beklimming worden ingezet.

De kleine boerenwegel kronkelt met een onwaarschijnlijke snelheid de hoogte in, waardoor ons tempo omgekeerd evenredig blijft zweven onder de 4 km per uur. Michael heeft enige ervaring met fietstochten in de Alpen, maar kan me toch moeilijk bijbenen. De zware krachtinspanningen worden gelukkig beloond met schitterende vergezichten. De onderliggende huisjes lijken op luciferdoosjes en de wegen op smalle lintstroken. Door het felle zonlicht fonkelen de golfplaten daken als edelsteentjes. De concentratie aan woningen licht op als een fonkelende tollende discotheekbol en geeft het landschap haast een surrealistisch tintje. Bij een zoveelste bocht staat een kapelletje met twee brandende kaarsen. Een paadje van een tegel breedt leidt me ernaartoe. Achter een glazen wand kijken twee jonge vrolijke ogen recht in de lens. De blik zweeft tussen de goudgele vlammen in. De foto is een momentopname van een wereld zonder leed, zonder verlies. Onderaan hangt een naambordje met een datum: Frank Zerpa A. 24-03-08. Het dodelijk ongeval vond nauwelijks twee maand geleden plaats. Het stemt me tot nadenken en intuïtief grijp ik naar mijn fietshelm. In de bergen kan je beter geen risico´s nemen.

De weg blijft stijgen en ik zie hoe Michael steeds vaker afstapt en z´n fiets de hoogte induwt. Een col van derde categorie in het kwadraat zou ik zo schatten. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit dergelijke steile en lange etappe voor de wielen kreeg geschoven. Michael zijn fiets is niet uitgerust met bagagedragers en dus zeul ik ook zijn gerief mee. Ondanks de zware bepakking blijf ik recht op de trappers staan en loods me langzaam maar zeker over de eindmeet. Rond vijf uur in de namiddag bereiken we het eerste dorp op onze tocht: San José. Het heeft iets weg van een maquette met poppenhuisjes, een centraal Simón Bolívar pleintje en een kerkje. De charme ligt verscholen in z´n kleinheid.

Het centrum van San José telt nauwelijks 25 zielen, een familie groot. Eén van de inwoners is Martín, de uitbater van de gelijknamige posada. Zijn ‘alojamiento’ doet me denken aan een sprookjeshuis uit de verhalen van de gebroeders Grimm. We hebben dan ook weinig moeite om ons vooropgesteld plan om te kamperen in te ruilen voor een zacht bed en een warme douche. Twee uur later verwennen we onze smaakpapillen met versgebakken forel. Een betere stopplaats voor de nacht hadden we niet kunnen bedenken...

De laatste loodjes…

Venezuela - Mérida -dag 5-, 18-05-2008 - (dagboek 22)


De lucht is fel wit en de tangodansers zijn versmolten tot versteende ijsklompen. De knoppen van de bandonéon zitten muurvast en leggen de trekzak het zwijgen op. Door hun sneeuwwitte vacht hangen de tentzeilen zwaar tegen de grond. De wind fluit monotoon en verbreekt de ochtendlijke stilte van een nieuwe dag. Het gure weer nodigt niet echt uit om de terugtocht naar Mérida aan te vatten, maar nood breekt wet. De sneeuw wordt smeltende regen en voelt koud en nat aan. De rugzak is doorweekt en weegt zwaarder dan ooit. Het stappen vergaat ons nog moeilijker. We lijken wel op zeven lamlendige mannen die terugkeren van het oorlogsfront. Het pad -of wat daarvoor moet doorgaan- is spekglad waardoor elke stap een haast wiskundige berekening is.

Touwen worden andermaal bovengehaald voor de laatste beklimming. Om de teleférico, de grote en lange kabelbaan die zowat dé toeristische attractie is van Mérida, te bereiken moeten we nog ‘el Pico de Espejo’ overbruggen. De vermoeidheid zit in onze natte kleren. Mijn handen verkleumen van de kou. De laatste steile rotswand is minstens vijftig meter hoog en klimt in een haast loodrechte hoek van 90 graden de lucht in. In groepjes van drie trotseren we de laatste hindernis. De bergwand is glibberig en maakt het klimwerk tot een hachelijke onderneming. Eén enkele misstap kan fataal zijn. Ik spreek mezelf moed in en probeer de gedachte aan een dodelijke val uit mijn hoofd te zetten. Waarom moest ik zo nodig dit avontuur aangaan? Deelnemers zouden betaald moeten worden om deze tocht te ondernemen. Ik zoek naar steunpunten waar ik m´n hele lijf aan kan omhoogtrekken. Mijn voetzolen rusten vaak slechts op de toppen van mijn tenen, terwijl de wereld onder me lijkt te zwalpen als een schip in volle zee. Ik hoor galmende vreugdekreten die afketsen tegen de druipende flanken van de berghelling. De Duitser Michael bereikt als eerste de top. Het gevaar is reeds met 33% geslonken. Enkele minuten later hoor ik hoog boven mij de opgeluchte stem van de Noor Andres. Geen twee zonder drie en op mijn beurt slaak ik als laatste een zucht van opluchting wanneer mijn beide voeten opnieuw vaste grond raken. In de verte zie ik het silhouet van een Mariabeeld. Mistslierten golven over het bergstation van de ‘Pico Espejo’ op een hoogte van 4.765 meter.

Eendagjestoeristen tarten de druilerige regen en de kou, maar moeten genoegen nemen met het hoogtegevoel. De omgeving kleurt immers wazig wit en verschalkt zich achter ondoordringbare nevelbanken. Ik treur er niet om. Het enige wat ik vandaag nog wil is een reuzegrote, goed gekruide ‘carne asada’ vergezeld van dagverse groenten, een warme douche en een zacht bed. De bergen zal ik de komende dagen echt niet missen...

Dansende golven van vreugde…

Venezuela - el Balcon de Timoncito -dag 4-, 17-05-2008 - (dagboek 21)


Melancholische klanken golven tussen de tenten en verstrengelen zich als tangodansers met de voorbijschuivende wolken. In een zachte cadans neemt eenieder zijn taak met volle ernst op. De muziek speelt vol overgave, terwijl de donsachtige elipsen verkleven als twee snelle dijbenen. In een soort climax glijden ze hand in hand weg in een rustige dans. Droevige muziek laat zich dansen, ook op een hoogte van 4.600 meter. Ik tuur vanuit mijn hoge positie naar de nog slaperige kampeerplek en laat m´n laatste mondharmonicaklanken wegsterven. Ik voel me terug een eerste communicant, als maanden geleden in Bolivië, klaar voor de grote dag. Toen stond ik te popelen van ongeduld om per fiets die onmetelijke zoutvlakte, ‘el Salar de Uyuni’, te doorkruisen. Vandaag sta ik vertrekkensklaar om de hoogste berg van Venezuela, ‘el Pico Bolívar’ te beklimmen. Twee werelden van uitersten, van extreem laag tot extreem hoog.

Anderhalf uur later krijgen we de laatste instructies: kijk waar je loopt, neem geen onnodige risico´s en probeer zo dicht mogelijk aan te sluiten. Na een kwartier stappen worden de klimtouwen bovengehaald. In groepjes van drie vormen we een menselijke ketting en vatten de eerste etappe vol goeie moed aan. Onze zware rugzak hebben we achtergelaten in het kampement zodat we ongehinderd de top kunnen bereiken. Mijn spiegelreflexcamera hangt stevig vastgegespt over m'n schouders, terwijl in de linkerzak van m´n fietsjas de kleine camera zit opgeborgen. Ik digitaliseer nog snel de eerste fase van onze beklimming. M´n handschoenen voelen klam aan en de koude wind maakt mijn vingertoppen stram. Terwijl ik de kleine camera in zijn pockethoes schuif, verlies ik de greep op de geribbelde stof. Het kleinood ketst als een springbal van de ene rotsblok naar de andere en verdwijnt na drie tellen de dieperik in. Ik sta perplex en voel hoe machteloosheid m´n lichaam doorklieft. “Mijn camera!” De woorden rollen als een treurige echo over de ‘Pico Bolívar’ en sterven weg tussen de wolkenslierten. Junior, de berggids die op een steenworp van mij de camera naar beneden heeft zien donderen, spreekt me troostende woorden toe en belooft me bij de afdaling te helpen meezoeken. Somber trek ik me verder omhoog en probeer me te concentreren op het echte klimwerk.

De eerste etappe verloopt relatief vlot, al begint de hoogtevrees van de Nederlandse Arno hem parten te spelen. Naarmate we steeds hoger klimmen, komt er meer techniek om de hoek kijken. Afhankelijk van de moeilijkheidsgraad hijsen we ons in groepjes van drie of alleen naar omhoog. Onze veiligheidsgordel blijft aldoor vastgehecht aan het 80 meter lange touw dat hoog boven ons is vastgehaakt aan een rotsblok. Als je puur alpinisme uitoefent moet je een haast blindelings vertrouwen hebben in het team waarvan je deel uitmaakt. Eén verkeerde stap is voldoende om je twee andere kompanen mee de diepte in te sleuren. In het beste geval tuimel je hooguit een paar meter naar beneden, in het slechtste scenario bengel je 80 meter lager over de afgrond. De beklimmingen volgen elkaar moeizaam op en naarmate we de top bereiken, stijgt de spanning. De adrenaline stroomt door onze aderen wanneer we ei zo na 20 meter verwijderd zijn van het einddoel. Gure, vlijmscherpe wind en nevelslierten teisteren de hoge bergtop waardoor het panoramisch zicht aan het oog onttrokken wordt. Een vreugdekreet weergalmt over de bergpieken uit. De Noor, Andres, heeft als eerste de top bereikt. In zijn kielzog volgen we één voor één. ‘El Pico Bolívar’ heeft zijn naam niet gestolen: een hoopje afgestompte toppen met een haast zwevende buste van de grote vrijheidsstrijder er bovenop. Triomfantelijk trotseren we de kou voor een digitale vereeuwiging samen met de held uit de schoolboeken. Nog een laatste groepsfoto en de lange afdaling kan beginnen.

De klok wijst inmiddels één uur in de namiddag aan en grote, dreigende wolken waaien gevaarlijk dicht onze richting uit. Vijf minuten later dwarrelen de eerste sneeuwvlokken uit de potloodgrijze hemel. Gehuld in mistwolkjes vatten we de terugtocht aan. Afdalen vergt als het ware nog meer techniek. Bengelend aan een touw moet je je van de steile rotswand afduwen, terwijl je eigenhandig de snelheid bepaalt. Hier ben je volledig op jezelf aangewezen. Verlies je de controle of de greep op het touw, dan donder je genadeloos naar beneden. Ik maak me zorgen omtrent het terugvinden van de camera. Als de sneeuw blijft aanhouden maken we geen schijn van kans. Samen met Yvan, de berggids in opleiding, dalen we als eerste af en zetten we de zoektocht in. Wat eenieder voor onmogelijk hield, wordt waarheid. We vinden de camera terug. Door de val is de display gebroken waardoor de camera wellicht onbruikbaar is geworden. Ik troost me met de gedachte dat de genomen foto´s van de voorbije dagen althans niet verloren zijn. Rond half zes is eenieder terug in het kampement. De droom is vervuld en de rum gaat feestelijk van hand tot hand. Aan de horizon wenkt heel even een zachte gloed. Nevelbanken lossen langzaam op en in de verte zetten de wolken van zachte dons opnieuw de dans in. De hemel breekt open en neemt de gedaante aan van een ouderwetse danszaal: spiegels, rozetten en barokachtige kroonluchters. De legendarische tangozanger Gardel steekt een nieuwe sigaret op, klemt die tussen midden- en wijsvinger en enkele tellen later zet de bandonéon de eerste noten in. De wolken nemen hun positie in, staan heel even onbeweeglijk tegenover elkaar, reiken de hand als een verstrengelde streling. Het hoofd wordt geheven, twee benen strekken zich naar achteren. Eén tel later glijdt een glimmende laqué schoen over het geboende parket. Terwijl de lichten schoorvoetend worden gedoofd, zwaaien de benen uit elkaar op de golven van het verlangen...

‘el Pico Bolívar’: een grens te hoog?……

Venezuela - el Balcon de Timoncito -dag 3-, 16-05-2008 - (dagboek 20)


Mijn hoofd lijkt te barsten en mijn maag draait als een losgeslagen tol. De maan werpt een vage vuilwitte gloed over de kampeerplek ‘Laguna Verde’. Liggend op m'n slaapmatje kan ik enkel wat contouren onderscheiden: de ritssluiting van de tent, de grote zware rugzak, mijn fototoestel. Ik moet hier weg, naar buiten. Ik wring me blootsvoets in m´n koude bergschoenen, maar geraak niet verder dan 3 meter. Mijn maag draait zich binnenste buiten en gulpen braaksel vloeien als brakwater over de ijskoude aarden grond. Ik ben ziek, doodziek. Barstende hoofdpijn en overgeven, het voorspelt weinig goeds. Op grote hoogte zijn dat zowat de eerste en voornaamste kenmerken van hoogteziekte.

Hoogteziekte is een direct gevolg van zuurstoftekort. Vermoedelijk liggen een paar factoren aan de basis: de hoogte -ik bevind me namelijk op 4000 meter-, m´n persoonlijke conditie en mijn stijgsnelheid. Op grote hoogte daalt niet alleen de zuurstofdruk, maar ook het zuurstofgehalte in je bloed. Om dit tekort te compenseren ga je automatisch sneller ademen, wat er dan weer voor zorgt dat er meer kooldioxide naar buiten gaat dan er zuurstof naar binnen komt. In het ergste geval leidt hoogteziekte tot long- en/of hersenoedeem wat uiteindelijk levensbedreigend kan zijn.

Terwijl ik rillend als een espenblad opnieuw m´n tent opzoek, schuiven donkere, dreigende onweerswolken voorbij. De kampeerplek kleurt haast inktzwart. De geluiden van de nacht worden overheerst door klapperende tentzeilen en wapperende plastiekzakken. De plek lijkt dramatisch eenzaam. De beste remedie tegen hoogteziekte is zo snel mogelijk dalen naar lager gelegen oorden. Het nachtelijk uur noodzaakt me om een alternatief aan te wenden en zoveel mogelijk te drinken. Bij gebrek aan koolhydraathoudende frisdrank zoek ik mijn toevlucht tot water. De geringste slok doet me evenwel opnieuw kokhalzen en tot drie maal toe moet ik de barkoude nacht trotseren. Het doembeeld te moeten opgeven en daarmee de droom van m´n drie kompanen te dwarsbomen, maakt de hoofdpijn alleen maar erger. Uiteindelijk grijp ik toch naar wat pijnstillers, al herinner ik me ooit te hebben gelezen dat alleen ‘Paracetamol’ doeltreffend is tegen de hoofdpijn veroorzaakt door hoogteziekte. De nacht tolt verder terwijl ik vurig de pijn probeer te verbannen. Rond half zeven schiet ik opnieuw wakker. De hoofdpijn is niet volledig weg, maar de braakneigingen wel. De Duitser Mathias stelt voor om mijn tent te dragen en mijn voedselpakket wordt verdeelt onder de andere trekkers. Het zal de lastige derde klimdag alvast iets minder zwaar maken.

Reeds vanuit ons vertrekpunt zien we de immense bergruggen liggen die we moeten overbruggen. De tocht heeft vandaag meer iets weg van rotsbeklimmen en behoezaam hijsen we ons naar boven. Geregeld las ik een rustpauze in en maak ik van de gelegenheid gebruik om de omgeving te overschouwen. 'Lagune Verde' is op een bepaald moment niet meer dan een grote inktvlek in het ruige landschap. De grenzen van de menselijke mogelijkheden verrassen me andermaal. Op m´n lange fietstocht naar het bergachtige Mérida heb ik vaak gedacht dat ik het zichtbare eindpunt -dat enkel te bereiken was via een kronkeling aan haarspelbochten- niet zou halen, maar een mens is nu eenmaal een geboren vechter met een grenzeloos doorzettingsvermogen. Eenmaal ik dan zwetend, hijgend en puffend boven sta en de onderliggende baan zie liggen als een geasfalteerde kerstslinger, besef ik andermaal dat het verleggen van grenzen een constante is geworden op mijn tocht. De grens van de ‘Pico Bolívar’ zou deze keer wel eens net te hoog kunnen gegrepen zijn...

Humboldt, de nationale trots van Venezuela…

Venezuela - Laguna Verde -dag 2-, 15-05-2008 - (dagboek 19)


Geruisloos verlaat ik de nog slapende kampeerplek en begeef me naar de uitgestrekte ‘Laguna Comoroto’. Een sluier van mist walst over het rimpelloze meer, terwijl de grillige hoogste bergpiek langzaam rozerood kleurt. Een verstilde tederheid vol schoonheid spiegelt zich in het wateroppervlak. Flarden van herinneringen uit m´n lange zwerftocht vermengen zich met de ongenaakbare eenvoud van de omgeving. Ik mijmer weg, ver over de horizon heen en prijs me gelukkig dat ik dit intens gevoel beleven mag.

Velen hebben m´n ondernemingsplan, m´n zwerversdroom, met enige afkeuring onthaald en dit om uitlopende redenen: te heroïsch, te egoïstisch, te onbedachtzaam,... Ik moet toegeven dat ik zelf nauwelijks de kleurvlakken van m´n zwerversbestaan kon omlijnen, laat staan inkleuren. Je vertrekt met een bepaald idee, een beeld die gestoeld is op ervaringen uit je directe leefwereld. Al gauw kom je tot de vaststelling dat er zovele factoren, waar je niet eens aan had gedacht, je pad doorkruisen. Vooral de toevallige ontmoetingen lijken meer en meer op coördinatiepunten die mijn route helpen uitstippelen. Figuranten die heel even toekijken vanop de zijlijn geven je raad en tips, stappen soms mee in je schaduw of wijzen voor een stuk je reisrichting aan. Mijn vijfdaagse trektocht naar ‘el Pico Bolívar’ is het directe gevolg van zo´n toevallige ontmoeting. De avontuurlijke, jonge Nederlander Arno, met wie ik een kamer deelde in Mérida, wist me warm te maken voor deze adembenemende bergtocht en zo geschiedde.

Wanneer ik terugkeer naar de kampeerplek is Ender, één van de berggidsen, al volop in de weer met het dekken van de ontbijttafel. Terwijl we ons klaarmaken voor een nieuwe etappe, vult de lucht zich met koffie en arepas. Een nieuwe dag vol verwachtingen kondigt zich aan. Het pad klimt de hele dag door gestaag, maar het wisselende landschap drukt de zware inspanningen naar de achtergrond. Het dichte nevelwoud gaat langzaam over in páramo, de hoogvlakte met lage vegetatie. Frailejónes duiken alsmaar vaker op en kleuren de bergflanken grijsgroen. De vetplanten met bladrozetten zijn zowat uitgegroeid tot het symbool van de Venezolaanse Andes. Tegen de namiddg rijst hoog aan de hemel een besneeuwde bergpiek op, ‘el Pico Humboldt’ De bergtop is genaamd naar de beroemde Duitse natuurvorser Alexander von Humboldt. Begin 19de eeuw ondernam hij -dankzij de erfenis van zijn overleden moeder- een wetenschappelijke reis naar Zuid-Amerika. Vier jaar lang bestudeerde hij duizenden onbekende tropische plantensoorten. Samen met zijn kompaan, de Franse arts en botanicus Aime Bonpland, verstuurde hij bloemen en planten, geperst in herbariums, naar Europa om ze later uitvoerig te ontleden. Een deel van die collectie is zelfs nu nog terug te vinden in ‘la musée National d’Histoire Naturelle’ in Parijs. Met het benoemen van de tweede hoogste berg naar zijn naam steken de Venezolanen hun dosis nationale trots niet echt onder stoelen of banken. Intussen is de beklimming van ‘el Pico de Humboldt’ ook in het wereldje van alpinisten uitgegroeid tot een klassieker.

Wanneer we na een lange stapdag onze kampeerplek ter hoogte van ‘Laguna Verde’ bereiken, zien we een verlaten tent. Net voor de duisternis valt, dagen twee jonge Duitsers op. De jongens hadden geprobeerd de beroemde berg te beklimmen, maar moesten op 40 meter voor de top de terugtocht aanvangen. Zware sneeuwval en het vergevorderde uur noodzaakten hen om rechtsomkeer te maken. Geen van beiden blijkt ervaring te hebben. Via internet vonden ze wat informatie over alpinisme en zo zijn ze zonder meer aan het hachelijk avontuur begonnen. Ik blijf me verbazen over de wijze waarop sommigen de gevaren van het gebergte onderschatten. Het onder de arm nemen van een ervaren berggids vonden ze blijkbaar te duur. Ik vraag me af welk prijskaartje hen gepresenteerd zou worden indien door hun roekeloosheid een ware zoekactie op touw zou moeten worden gezet. Leren uit de fouten van anderen; het blijft een dankbare opgave...

Eerbetoon aan Simón Bolívar…

Venezuela - Laguna Comoroto -dag 1-, 14-05-2008 - (dagboek 18)


Ik zoek tevergeefs naar nog wat extra ruimte in de grote rugzak. Naast me liggen nog twee plastiekzakken gevuld met etenswaren en een gasbrander. Na tien minuten is zelfs de laatste vierkante centimeter in gebruik genomen. De rugzak barst zowat uit zijn voegen en weegt vermoedelijk zo´n 25 kilo. Stijgijzers, houweel en helm hangen krampachtig te bengelen aan de buitenkant. Ik sta vertrekkensklaar om de 'Pico Bolívar' te beklimmen, gelegen in de buurt van de Andesstad Mérida en met zijn 5000 meter meteen de hoogste berg van Venezuela. De expeditie is hoofdzakelijk Europees getint: een Belg, een Nederlander, een Duitser en een Noor. Naast de vier avonturiers zijn er nog eens drie berggidsen, waarvan eentje in opleiding. Voor het vertrek wordt de volledige bagage nog eens overlopen alsof het een boodschappenlijstje betreft: regen- en winterkledij, muts, handschoenen, zonnebril, zonnecrème, slaapzak, matje, tent, eten, gasbrander, stevige stapschoenen, stijgijzers, houweel en helm. Het licht wordt op groen gezet en na een korte busrit tot aan de ingang van het nationaal park ‘Sierra Nevada’ vatten we als de zeven dwergen zwaarbeladen de lange tocht aan. Reeds bij de eerste stappen voel ik intuïtief aan dat dit de zwaarste trekking zal worden van m´n hele zwerftocht.

Op een hoogte van 2.300 meter kenmerkt de omgeving zich door een dichte, vochtige plantenwereld waarbij de temperaturen tropisch warm aanvoelen. Het wandelpad slingert zich speels doorheen het laaggebergte, terwijl de brandende zon wordt afgeblokt door neerhangende boomkruinen en een rijke fauna. Naarmate we hoger klimmen, ontwaren we af en toe een glimp van de bergketens die als een ruggengraat de horizon aflijnen. Het lijken gekartelde grenzen die ongenaakbaar een besloten wereld aflijnen. Doorheen de jaren hebben de bewoners van het Andesgebergte een mooie naam bedacht voor deze streek en Mérida in het bijzonder: ‘el techo de Venezuela’ (het Dak van Venezuela). Deze hoogst gelegen provinciestad van het land wordt omzoomd door klinkende namen van met sneeuw bedekte bergen: ‘Pico Bolívar’ (5.007 m), ‘Pico Humboldt’ (4.942 m), ‘Pico de Concha’ (4.922 m) en ‘Pico Bonpland’ (4.885 m). Ik zie de beklimming van de ‘Pico Bolívar’ niet alleen als een uitdaging, maar evenzo als een persoonlijk eerbetoon aan de vrijheidsstrijder van Zuid-Amerika: Simón Bolívar.

Na vijf uur stappen, bereiken we op een boogscheut van het Coromoto-meer, de kampeerplek. Net voor de duisternis invalt, wordt de honger gestild met een stevige pastamaaltijd. De nacht kleurt inktzwart, terwijl sterren roerloos blijven hangen tegen het donkere behang. De hoogste tijd om de warmte van een donzen slaapzak op te zoeken en weg te dromen naar sneeuwwitje...

Liefde als onvoorwaardelijke verbintenis…

Venezuela - Mérida, 12-05-2008 - (dagboek 17)


De koningin op de ‘Pico de Aquila’ is onweerstaanbaar, maar zo sluw als een vos. Ze voert je mee in een voorspel als geen ander, laat je hoofd op hol slaan en doet je adem stokken. Ook deze morgen licht ze geen tip van de mistige sluier op. Ze blijft ongenaakbaar op me neerzien en misschien beeld ik het me in, maar zelfs wanneer ik mijn tent opberg en mijn fietstassen vertrekkensklaar maak, merk ik een speelse, ondeugende glimlach rond haar lippen. Haar schoonheid maakt me week, omdat ik besef dat het afscheid onafwendbaar is. Zelfs een verdwaalde zwerver moet af en toe zijn tijdschema in het oog houden.

Net wanneer ik aanstalten maak om te vertrekken, wenkt ze me liefdevoller dan ooit voorheen. Het lijkt wel alsof ze zich schuldig voelt voor het geduld waarmee ze me op de proef heeft gesteld. Ze laat haar zijden, mistige nachtjapon van haar schouders glijden; tergend traag, maar o zo hartstochtelijk dat haar volle verschijning haast pijnlijk aanvoelt. De nimfen en elfen zweten zich te pletter om het toneelgordijn open te houden zodat ik als bevoorrechte toeschouwer vanop de eerste rij me kan overgeven aan de tederheid van zoet genot. Het landschap dat een avond en een volle nacht zijn geheimen niet prijs gaf, kleurt nu bij de ontwakende dageraad zeemzoet. Mijn voorstellingsvermogen blijkt een flauw afkooksel te zijn van wat er zich voor mijn ogen openbaart. De bergpieken zijn ronder, voller en scherper omlijnd; de lucht is hemelser, zachter en kleurrijker en de knikkerbaan is speelser, vrolijker en groter.

Meer nog, het standbeeld van de vrijheidsheld van Latijns-Amerika verstopt zich niet langer onder het baldakijn van de liefde, maar toont zijn ware gelaat: een bronzen adelaar met in z´n kluwen de beeltenis van Simón Bolívar. De held uit de schoolboeken lijkt op zijn sokkel van 5 meter de toppen van de wolken te raken. De bronzen plaat mist evenwel dieptereliëf waardoor de triomf minder nadrukkelijk voelbaar is. Of heeft dit gevoel eerder te maken voor m´n knieval voor de weidse omgeving. Het lijkt wel alsof er een concurrentiestrijd wordt gevoerd om de schoonheid, want in de tijdspanne van het inblikken van de trots van Latijns-Amerika, heeft de koningin opnieuw haar zijden nachtjapon aangetrokken en hult ze zich wederom in een stilzwijgende mistige ondoordringbaarheid. Terwijl ik over mijn schouders heen nog een laatste blik werp, zie ik dat het toneelgordijn is dichtgetrokken en een muur van nevel laag tegen de bühne hangt. De liefde is nu eenmaal een onvoorwaardelijke verbintenis met slechts één hoofdrolspeler.

Na een bergrit van bijna 11 onafgebroken etappes is Mérida vandaag dichter dan ooit. Door het relatief vroege vertrekuur en de lange afdaling die me ei zo na tot in de grootste Andesstad brengt, heb ik een zee van tijd. Ik besluit daarom om halt te houden bij ‘Los Aleros’, een dorpje in de stijl van de jaren ’20. Een kleine nederzetting in de echte zin van het woord is het evenwel nooit geweest. Het is eerder een attractief openluchtmuseum dat je een blik gunt op de levenswijze in de Andes aan het begin van deze eeuw. Het is een soort Bokrijk waar bezoekers heel even de kans krijgen om in een soort teletijdmachine te stappen. Figuranten getooid in traditionele klederdracht uit die tijd geven het museum een levendige en authentieke indruk. Op het dorpsplein speelt een driekoppig orkestje swingende Latijns-Amerikaanse deuntjes uit de oude doos, terwijl een olijke vrouw enkele huizenblokjes verder wol zit te spinnen. Het is een dorp in miniatuurvorm waar zowat alles aanwezig is: een schooltje, een kappel, een kappers- en broodjeszaak, een cinemazaaltje, een bar, een snoepwinkeltje en ja -hoe kan het ook anders- een Simón Bolívar pleintje. Het voelt voor mijn net iets te gekunsteld aan, maar ik vrees dat mijn gedachten nog teveel zijn omsluierd door de waas van de ochtendlijke verschijning om de attractie op zijn echte waarde te kunnen schatten. Misschien wel de hoogste tijd om af te zakken naar de langverwachte eindbestemming, Mérida.

Zalig fietsziek…

Venezuela - Pico de Aquila, 11-05-2008 - (dagboek 16)


Volgens velen ben ik ziek. De diagnose: ik lijd aan dromomanie of in de volksmond, het zwerverssyndroom. Sinds enige tijd is het virus zich verder gaan verspreiden en lijkt het tegen elke medicatie resistent. Meer nog, een nieuw syndroom is de kop op komen steken: het pedalensyndroom. Het euforisch gevoel om op grote hoogte te kunnen fietsen is de voorbije dagen allom tegenwoordig. De inspanningen zijn zwaar, hels en afmattend, maar wat je ervoor in ruil krijgt, tart elke verbeelding: landschappen die je niet kunt vastleggen op een digitale chip, omdat ze verblindend mooi zijn; ontmoetingen die je niet kan verwoorden, omdat ze raken tot in je ziel; confrontaties die je niet kan afbakenen, omdat ze de grenzen aftasten binnen je eigen leefwereld.

In de bergen ga je onbewust ook andere zintuigen aanwenden. In een eerste fase laat je je blik glijden over het weidse berglandschap. Je probeert die eindeloze knikkerbaan die kronkelend en moeizaam naar boven kruipt met je ogen te volgen. De geasfalteerde weg lijkt op een kerstslinger die netjes gedrapeerd ligt tussen de bosrijke, maar ruige glooiingen. Soms verdwijnt die heel even tussen wolk- en mistsluiers om even later opnieuw te fonkelen in het schoorvoetende zonlicht. Vaak heb je het gevoel dat je deze keer het onderspit zal moeten delven, maar toch ga je de uitdaging aan. Je gaat diep, heel diep en daarna moet je soms honderden meters na elkaar kaarsrecht op je trappers gaan staan om je balans in evenwicht te houden. Wanneer de knikkerbaan aan je oog onttrokken wordt, start een tweede fase. Op dat moment ga je onbewust je gehoor aanwenden om je een idee te vormen van hoeveel bochten je nog verwijderd bent van de top. Je gaat het jankende motorgeluid van de wagen die je voorbijsteekt als het ware analyseren. De nog te overbruggen klim probeer je op het gehoor af in te schatten. Wanneer de sputterende en zwoegende motor opnieuw z´n normale ademhaling bereikt, ondergaat je hele lichaam een extatische tinteling van euforie. Je kilometerteller die eindeloos lang zweefde tussen beweging en stilstand schiet plots de hoogte in en je krijgt opnieuw een adrenalinestoot waar elke epogebruiker een smak geld tegenaan zou gooien. Het moment waarop je de ultieme trap geeft, net voldoende om over de laatste meters helling heen te geraken, is onbeschrijfelijk. Gevoelens van geluk, overwinning en trots vloeien als een meanderende rivier samen, terwijl je lichaam zich langzaam herstelt van de geleverde inspanningen. Zelfs de naderende nieuwe bergklim kan de pret niet bederven. Integendeel, je wil nog dieper, nog hoger.

Sinds deze morgen blijft het pedalensyndroom onverminderd m´n reisgezel en het gekke is dat we goed kunnen opschieten met elkaar. We hebben nu eenmaal eenzelfde doel voor ogen: de ‘Pico de Aquila’ op een hoogte van een slordige 4007 meter. Schoonheid laat zich niet gemakkelijk in z´n kaarten kijken en het mysterie hult zich ook hier in gewaden vol mist. Het landschap verandert tot een koningin getooid in een zijden nachtjapon. Ze kijkt en verleidt met een nevelige blik waardoor we de kou op grote hoogte vergeten. Ze laat zich omringen door nimfen en elfen gezeten op mistbanken. M´n ademhaling maakt tekstballonnetjes van verrukking die als zeepbellen uiteenspatten en als een ragfijn fluwelen regengordijn neerdwarrelen. De letters zigzaggen kleverig naar beneden en prikken zich vast aan de sensuele zachtheid van het vrouwelijk genot. Liefde moet eindeloos zijn en verslavend en dat heeft de ‘Pico de Aquila’ goed begrepen, want zelfs bovenaan de top wordt de betovering niet gebroken. De koningin geeft haar geheimen niet prijs en dwingt me te overnachten op de kille hoogte van 4007 meter in de eenzaamheid van m´n tent. Ik maal er niet om, want vandaag heb ik ontdekt dat ik pas echt ziek ben; smoor en zalig fietsziek...

Jajó, een verrassende ontdekking…

Venezuela - Jajó, 10-05-2008 - (dagboek 15)


De vrouw van de posade staart me met slaperige ogen en een blik vol ongeloof na wanneer ik rond kwart over vijf in de morgen een nieuwe dag tegemoet fiets. Wanneer ik onderweg ben naar een bepaalde eindbestemming, zoals nu bijvoorbeeld Mérida, dan geef ik er de voorkeur aan om te kamperen of -dankzij de gastvrijheid van het land- te overnachten bij de lokale bevolking. Hotels of posades probeer ik zo veel mogelijk te beperken tot grootsteden. Op de soms lange fietstochten staan hotels steevast synoniem voor korte nachten. Enerzijds verleidt de aanwezigheid van een schrijftafel me tot nachtelijke schrijfsels en anderzijds bieden hotels me de kans om extra vroeg te vertrekken. Een combinatie die helaas niet bevorderlijk is om uitgeslapen op de fiets te stappen.

Het kleine dorpsplein van Jajó is nog gehuld in een zachte geelachtige gloed. De straatlantaarns lijken op mini-vuurtorens; veilige bakens te midden van een inktzwarte nacht. Gisteren was ik hier rond vier uur in de namiddag aangekomen. Het was liefde op het eerste zicht. De smalle straatjes, de lemen huisjes, de pastelkleurige façades, de immense rust,... Verder fietsen was plots bijzaak geworden. Een half uur later snoof ik al flanerend de tijdloosheid op. Het levensritme lag er trager, alsof elke stap de bewoners moeite kostte. Ze schoven voorbij op de keistenen straatjes die moeizaam omhoog kruipen. Een besnorde man zat diep ineengezakt in de portiek van z´n woning. Het leven leek aan hem voorbij te gaan. Z´n ontspannen blik bleef hangen tussen de indrukwekkende uitzichten op het dal, alsof hij de schilderachtige omgeving voor eeuwig wilde opslaan in z´n visueel geheugen. Een kat zat rustig te spinnen, terwijl een hond roerloos z´n snuit tegen de houten spijlen van een getralied venster had gelegd. Jajó ademde een tijdloze koloniale sfeer uit -verweg van de ‘Gringo-Trail’- die geprangd zat tussen bewoners en hun leefwereld. Een verrassende ontdekking op mijn lange bergetappe...

Een grauwe, regenachtige fietsdag…

Venezuela - La Mesita, 08-05-2008 - (dagboek 14)


Kwispelstaartend word ik gewekt door de hond des huizes. ‘Laguna Negra’ vlijt zich liefdevol tegen me aan en legt zijn linkerpoot op m´n rechter schouderblad. In normale omstandigheden zou ik de hond wegjagen, maar nu voelt de nestelende warmte loom en welkom aan. Enkele tellen later vallen we als twee verstrengelde zwervers terug in slaap. Fijne stofdeeltjes dwarrelen onsamenhangend doorheen de troosteloze slaapruimte. De ontelbare gaten en kieren filteren de morgen tot een lijnenspel van horizontale lichtbundels. Het metaalachtig geluid van een geblutste zwartgeblakerde eetpot en het geschrok van ‘Laguna Negra’ brengt me terug tot de realiteit. De nestelende warmte is herleid tot enkele achtergelaten hondenharen. Ook de liefde van een hond gaat door de maag...

Gisteren zat ik een dag lang op de fiets tussen Venezolaanse aromavelden. De flanken van de vruchtbare hellingen lenen zich immers uitstekend voor het verbouwen van ons bakje troost. Het gebied tussen ‘El Tocuyo’ en ‘Boconó’ is dan ook de koffiezone bij uitstek. De oogst kent hier zijn hoogtepunt rond november, december. In aanloop tot de koffiepluk leggen de telers zich nu volop toe op het aanplanten van nieuwe jonge koffieplanten. De opschriftjes ‘Se vende semilla de cafe’ (koffiezaadjes te koop) hangen als zwart-witte vlaggen te wapperen op de bescheiden erfjes van de koffieboeren. In Colombia en Venezuela is de koffie niet weg te denken uit het dagdagelijks bestaan.

Tegen valavond, wat meestal het einde van een fietsdag betekent, zag ik 'Laguna Negra' voor me liggen, het zwarte meer op een steenworp van de stad Boconó. Daar geraakte ik aan de praat met Kelly, de voorzitter van de plaatselijke kajakclub. Tien jaar geleden had hij zelf een soortgelijke fietstocht ondernomen en dus werd ik prompt uitgenodigd om te overnachten in het clubhuis. De wereld ontdekken per fiets; het blijft deuren openen...

Laaghangende, muisgrijze wolken vergezellen me wanneer ik rond acht uur in de morgen het stadje Boconó binnenfiets. Dorpen en steden stralen meestal een zekere eigenheid uit, een soort charme die je overvalt. Maar deze keer blijft de bekoring weliswaar uit. Ik heb het gevoel dat deze stad te snel groot geworden is, alsof het een aantal belangrijke levensjaren heeft overgeslagen. De eerste regendruppels kleuren de stad asgrauw en nodigen niet bepaald uit om op ontdekking te gaan. Het belooft een treurige dag te worden. Net wanneer ik aanstalten maak om verder te fietsen, word ik aangesproken door een man van middelbare leeftijd. Reizigers per fiets wekken nieuwsgierigheid op en dat is hier niet anders. Hij raadt me aan om een andere route te nemen naar Mérida, de ‘Ruta Campaña Admirable’ (de Route van de Bewonderenswaardige veldtocht). In 1813 trok Simon Bolivár met zijn aanhangers via deze weg te voet en te paard van Colombia naar Caracas. Niet alleen schijnt het landschap adembenemend mooi te zijn, ook het verkeer blijkt een stuk rustiger. Door het druilerige weer hult de bergachtige omgeving zich in mistsluiers en vlot het fietsen niet echt zoals verwacht. Rond vijf uur in de vooravond lijkt het wolkendek zich dicht te snoeren. Tegen de flank van een helling zie ik een verlaten huisje met een afdakje. De spinnenwebben aan de omheining versterken mijn vermoeden dat deze plek al een tijdje onbewoond is. Vijf minuten later openen de hemelsluizen hun deuren en gutst het water met bakken uit de hemel. Tijd en ruimte vloeien in het leven van een zwerver soms harmonieus in elkaar over...

De toekomst van Venezuela…

Venezuela - Laguna Negra, 06-05-2008 - (dagboek 13)


Gisteravond is er nog een puzzelstukje bijgekomen in het politiek kluwen dat de flamboyante president Chávez hier voert. Op weg naar mijn volgende etappe kreeg ik het gezelschap van twee jonge wielerfanaten. Wielrenners onder elkaar zijn als broers, zielsverwanten. Ze kennen als geen ander de momenten van pijn en vreugde die je pad doorkruisen. Een zwaar beladen wereldfietser is hier in Venezuela geen alledaagse verschijning en dus troonden ze me mee naar Jorge, de secretaris van de plaatselijke wielerploeg. Hij wist direct wat ik nodig had: een stevige maaltijd, een warme douche en een zacht bed.

Tijdens het avondeten passeerde ook de politiek de revue en en gaf het gesprek me een bredere kijk op het Venezuela van vandaag. De contouren van de Venezolaanse landkaart krijgen stilaan vaste vorm... Zo ontdekte ik dat Jorge niet hoog opliep met de beleidsvoering van Chávez. “Chávez heeft zich tot doel gesteld om alles te veranderen, maar het eerste wat hij zou moeten veranderen is zichzelf.” Het kan inderdaad niet ontkend worden dat Chávez te pas en te onpas op de proppen komt met soms wel heel bizarre wijzigingen. Zo draaide hij eind vorig jaar het uur met een half uur terug. Als reden gaf hij op dat het ´s morgens nog vaak te donker was wanneer kinderen om 7 uur naar school gingen. Andere wetswijzigingen worden dan wel algemeen als positief onthaald, zoals de invoering van de Bolivar Fuerte. Waar je tot eind juni van dit jaar voor een broodje 5000 Bolivar (€1) moet neertellen, is dit sinds begin januari 5 Bolivar Fuerte geworden. De Bolivar Fuerte wordt met ingang van 1 juli de nationale munteenheid van Venezuela. Het lijkt me best een goed wetsvoorstel. Stel het je maar eens voor dat zoonlief thuiskomt en zegt: “Pa, ik heb net een auto gekocht van 40 miljoen (€ 8.000)...

Jorge maakt zich vooral zorgen over de toekomst van het land. In het verlengde van z´n ‘controle’-politiek is Chávez al een tijdje bezig aan een onteigeningsprogramma waarbij hij bedrijven nationaliseert. In het voorbije jaar kocht hij reeds de telefoonmaatschappij CANTV en het elektriciteitsconcern ‘Electricidad de Caracas’ op. Momenteel zijn er moeizame onderhandelingen bezig in verband met de overname van de cementindustrie. Vaak worden deze bedrijven die voor 60 of 80% in handen zijn van buitenlandse ondernemingen met de rug tegen de muur geplaatst. De uitkoopsom is soms slechts 1/3 van de reële marktwaarde. Het nationaliseren van privé-bedrijven is een trend die kenmerkend is voor zowat heel Zuid-Amerika. Regeringsleiders zijn het kotsbeu dat buitenlandse investeerders hun zakken vullen door het land leeg te roven. De hoofdvraag die zich evenwel opdringt, is of het eigen land wel over de voldoende ‘know how’ beschikt om het opgekochte bedrijf verder te runnen. Dat deze vorm van politiek niet altijd even gunstig uitvalt, heeft de geschiedenis reeds bewezen. Het schoolvoorbeeld is ongetwijfeld Zimbabwe.

De economische malaise in Zimbabwe is nauw verbonden met het in 2000 geïmplementeerde landhervormingsbeleid. In het kader van 'zwarte Zimbabwanen moeten ook land bezitten' besloot de regering onder leiding van Robert Mugabe tot onteigening van landbouwgrond, waarvan het grootste gedeelte in handen was van blanken. In totaal werden ruim 3500 blanke boeren van hun boerderijen verjaagd. Juist die landbouwbedrijven waren sterk commercieel en voor de Zimbabwaanse schatkist een belangrijke inkomstbron. Boeren die weigerden hun bedrijven op te geven, kregen het zwaar te verduren. Een aantal moest de strijd tegen onteigening zelfs met hun leven bekopen. De gevolgen waren evenwel niet te overzien. Daar het gros van de nieuwe landeigenaren geen kaas had gegeten van landbouw, laat staan van het runnen van grootschalige, commerciële agrarische ondernemingen, is de productie op deze bedrijven voor een groot deel stil komen te liggen. Volgens critici is de totale commerciële agrarische sector van Zimbabwe -ooit de graanschuur van Afrika- gekrompen met 40%. Met als gevolg keiharde klappen voor zowel de economie en export, als voor de bevolking: vier van de zes miljoen Zimbabwanen is daardoor momenteel afhankelijk van VN voedselhulp.

Bijkomend probleem van een strenge nationaliseringspolitiek is dat je een land als Venezuela niet langer aantrekkelijk maakt voor buitenlandse investeerders. De toekomst zal moeten uitwijzen of Chávez het bij het rechte eind heeft...

Het ‘Bolivarianismo’ van Chávez…

Venezuela - Guárico, 05-05-2008 - (dagboek 12)


Een laatste foto, een laatste groet, een laatste zwaai... Wanneer ik de bocht haast voorbij ben, kan ik nog nauwelijks de familieleden onderscheiden. Tegen de achtergrond van de kale heuvel lijken ze nog kleiner, nietiger en kwetsbaarder. Doodgewone mensen, levend van dag tot dag, zonder grote verwachtingen te koesteren. Zijn zij beter af dan wij die ons laten meevoeren in de mallemolen van een veeleisende welvaartstaat? Het is een vraag die ik me al vaker heb gesteld tijdens mijn lange zwerftocht en waar ik tot dusver het antwoord schuldig moet blijven. Het zijn twee werelden die op zoveel vlakken zover uiteen liggen dat er zelfs geen mogelijkheid tot transparantie bestaat. Wie in een land als België streeft naar een zekere levenskwaliteit moet meelopen in de pas en de wetten volgen die worden opgelegd door onze consumptiemaatschappij. Uiteindelijk is het leven voor de familie Gonzalez ook een soort ‘struggle for life’, maar doordat ze de lat minder hoog leggen, leven ze meer in harmonie en bereiken ze -ondanks hun zeer geringe welvaart- vaak een hogere levenskwaliteit. Het vinden van een ideale balans zal wel altijd een moeilijke evenwichtsoefening blijven...

Mijn rustdag bij het gezin Gonzalez gaf me niet alleen de mogelijkheid om m´n batterijen op te laden, maar bezorgde me ook een ruimer inzicht in bepaalde politiek-economische structuren en beslissingen die onder het bewind van president Chávez een stempel hebben gedrukt op het Venezolaanse leven.. Zo ontdekte ik door een handje toe te steken bij het maken van arepas -de maïskoek bij uitstek die een vast onderdeel is van de dagelijkse maaltijd bij de iets armere bevolking- dat de Venezolaanse socialistische overheid strenge prijscontroles oplegt voor heel wat primaire levensmiddelen. Diverse basisproducten zitten al jaren vast aan een wettelijke maximumprijs. Zo krijgt een melkboer bijvoorbeeld 1500 Bolivars (30 eurocent) voor een liter melk. In de kaasfabriek daarentegen krijgt hij 1900 Bolivars. Het ligt voor de hand dat de keuze dan ook snel gemaakt is. Voor sommige producten liggen de productiekosten zelfs hoger dan de vastgelegde maximumprijs, waardoor produceren niet meer rendabel is. Dat verklaart ook meteen waarom er op sommige plaatsen in het land een tekort is aan melk, eieren, rijst, olie, kip, meel,... Stuk voor stuk basismiddelen die vaak de enige voedingsbestanddelen zijn voor de arme bevolking. Een situatie die niet lang houdbaar is en die de sluimerende onvrede bij grote delen van de bevolking alleen maar aanwakkert. Ook Chávez heeft dat begrepen en dus werden er staatsbedrijven in het leven geroepen die deze producten zelf produceren of importeren en op de markt brengen.

In winkels met het opschrift ‘Marical’ kan je bijvoorbeeld op vrijdag naast de gewone suiker aan 3000 Bolivar per kilo (€0,60) ook de door de overheid gesubsidieerde suiker aankopen, de zogenaamde ‘Azúcar Casa’ aan 1/3 van de gangbare prijs. Ook ten huize Gonzalez wordt de keukenschap gekleurd met diverse overheidsproducten. Chávez haalt met deze vorm van politiek onmiddellijk een dubbele slag binnen. Enerzijds lost hij het probleem van schaarste op, maar anderzijds drukt hij z´n politieke stempel nog nadrukkelijker door. Elk product is immers voorzien van een politieke boodschap waar je niet omheen kan. Zo vond ik ondermeer volgende niet mis te verstane slogan op de verpakking van 1 kg suiker:

Azúcar Casa
‘Plan exceptional de desarollo económico y social para el abastecimiento de alimentos de la cesta basica.’ (Bijzonder plan tot economische en sociale ontwikkeling ten behoeve van de voorziening van elementaire voedingsmiddelen.)
Een kleurrijke tekening toont de vrijheidsstrijder Bolivár ruiterlijk gezeten op zijn paard die twee jonge snaken naar school brengt. Al zwaaiend en lachend zegt de kleine schooljongen: “Bolivár en su caballo nos lleva cada mañana a la escuelita Bolivariana a mi y mi hermana Juana...” (Bolviar op zijn paard brengt ons, mij en mijn zus Juana, elke morgen naar de kleine Bolivar-school...)
De kinderlijke boodschap wordt aangevuld met een artikel uit het Venezolaanse wetboek:
Constitución Bolivariana Art 103:
‘Toda persona tiene derecho a una education integral de calidad, permanente en igualdad de condiciones y oportunidades...’ (Elke person heeft het recht op een volwaardige en kwaliteitsvolle opvoeding, duurzaam in voorwaardelijke gelijkheid en gepastheid..’)
Het ‘Bolivarianismo’ is een vast begrip geworden in de beleidsvoering van Chávez...

De gouden jaren voorbij...

Venezuela - Barquisimeto, 04-05-2008 - (dagboek 11)


Scharrelende kippen en blaffende honden doen me geleidelijk ontwaken uit een diepe slaap. De opeenvolgende, onverwachte slaapplaatsen vragen steevast enige gewenning. De ruimte is deze keer volgestouwd met zakken kippevoer, schrootijzer, kartonnen dozen, afgedankte meubeltjes en stoffige, waardeloze rommel. Alles ligt er kriskras door elkaar en het mag een wonder heten dat er nog een plaatsje werd gevonden om dit kramakkelig bed te deponeren. De wanden worden gevormd door verroeste, ijzeren beschuttingen die schots en scheef tegen elkaar leunen. Vannacht werd ik wakker door regendruppels die roffelend hun weg zochten langsheen de slechte dichtingen van het golfplaten dak en me noodzaakten om wat dieper weg te zakken onder de steeds klammer wordende dekens.

Gisteren had ik een uur lang vruchteloos gezocht naar een slaapgelegenheid. De dreigende onweerswolken hadden mijn plan om de tent ergens neer te zetten flink gedwarsboomd. Het regenseizoen doet hier stilaan zijn intrede en dat word ik, op weg naar het hooggebergte, eens te meer gewaar. De eerste grote stad op mijn route, Barquisimeto, lag nog een goeie 30 km verwijderd toen de klok zes uur ´s avonds wegtikte. Het blijft moeilijk om in het gebergte de afstanden in te schatten. Toen ik moe, leeggereden en doornat radeloos op zoek was naar een schuilplaats, viel ik geheel onverwacht op de juiste persoon, Freddy, de oudste zoon van het gezin Gonzalez. Hij zat voorovergebogen en weggedoken achter de motorkap van zijn kanariegele, aftandse jeep te sleutelen. Toen ik hem vroeg of hij geen veilige plek wist waar ik de nacht kon doorbrengen, nodigde hij me spontaan uit om bij zijn familie te logeren. Ik kreeg meteen een kop koffie aangeboden en twee arepas gevuld met eieren. Twee uur later en na kennis te hebben gemaakt met zowat de hele familie -het gezin telt negen kinderen-, nestelde ik me in de groezelige dekens met het vooruitzicht op een rustdag ten huize Gonzalez.

Ik hoor gestommel in de belendende keuken, zowat de centrale plaats in het huishouden. Deze familie moet zowat het prototype zijn van de doorsnee Venezolaanse bevolking: een groot gezin dat net niet onder de armoedegrens leeft en waar alle leden van de familie samenwonen op een stuk braakliggend terrein. Dankzij het vaste inkomen van een drietal zonen (twee taxichauffeurs en een heftruckbestuurder) hebben ze een aanvaardbare levensstandaard opgebouwd, althans naar Venezolaanse normen. Naar schatting leeft hier 80 procent onder de armoedegrens, waarvan ruim de helft moet zien rond te komen met een maandelijks inkomen van nog geen 100 euro. Een vreemde vaststelling als je weet dat dit land een haast onuitputtelijke rijkdom aan delfstoffen bezit. Een Venezolaans anekdote typeert de situatie vrij cynisch:
“Toen God de aarde schiep, gaf hij Venezuela van alles wat: vruchtbare vlakten en dalen, rivieren en watervallen, idyllische zandstranden aan glashelder water, bergen en tropisch regenwoud, een rijke dierenwereld, olie en andere bodemschatten. Het was het mooiste en rijkste land van de wereld, maar om de balans in evenwicht te houden, schiep hij de Venezolanen die met al die rijkdom niets wist te beginnen.”
Corruptie en politiek wanbeleid hebben Saudi-Venezuela -zoals het land enkele decennia geleden werd genoemd- om zeep geholpen. Florerende staatsbedrijven werden geprivatiseerd om de torenhoge buitenlandse schuld van het land voor een groot deel af te lossen, maar het bleef een pleister op een houten been. Sinds Chavez in 2000 voor de tweede opeenvolgende keer tot president werd verkozen, is er een moeizame, maar opmerkelijke ommekeer merkbaar. Naast de aanpak van de oude corrupte elite, slaagt hij erin om vooral de arme bevolking voor zich te winnen. Zo werd een week terug het minimumloon opgetrokken met 30 procent ( tot 800 Bolivar Fuerte = €160), waardoor Venezuela meteen opklimt tot het land met het hoogste minimumloon binnen het Zuid-Amerikaanse continent. Ook inzake onderwijs en gezondheidszorg is er heel wat vooruitgang geboekt. Deze diensten zijn, mede door de nieuwe wind die er heerst binnen de politieke wandelgangen, nu volstrekt gratis. Venezuela is allesbehalve een aardsparadijs en de nog af te leggen weg naar een betere wereld voor zijn volk is nog lang, eindeloos lang...

Een laatste droom…

Venezuela - Churuguara, 02-05-2008 - (dagboek 10)


De dobbelstenen rollen over het speelveld dat is afgelijnd met zwart plakband. Zes kaarsrechte banen verdeeld in vier gelijkmatige vakken geven uit op nummers, oplopend van 1 tot 6. Ter hoogte van het vertrekpunt prijkt in grote geblokte letters ‘SALIDA’ (vertrek). Zes bronstige paarden staan te briezen in de kilte van de halfgebleekte maan, startklaar voor de rechte sprint naar de eindmeet. Er heerst een gespannen sfeer, zowel op als rond het speelveld. De cijfers geraken bedolven onder muntstukken en briefjes. De inzet is hoog, de winst voor de ongelukkigen nihil; maar dat is nu eenmaal de keerzijde van het spel. Terwijl sommige spelers nog gauw hun inzet verdubbelen of hun beslissing op het allerlaatste moment wijzigen, bestijgen de ruiters in stille concentratie hun paard. De spanning is te snijden, de lucht kurkdroog. En dan... de verlossende bel. Een tandloze man rattelt als een doorwinterde voetbalverslaggever erop los, rammelt de drie dobbelstenen in een speelkoker en zet vervolgens het versleten bekertje op z´n kop. Razendsnel ontbloot hij de worp, verplaatst de ruiters met paard en al volgens het aangegeven aantal ogen en scharrelt de dobbelstenen opnieuw bijeen. De snelheid waarmee het spel zich voltrekt, is hallucinant. Time is money, hier meer dan ooit. Elke worp kan beslissend zijn, althans voor de ruiters die de eindstreep met rasse schreden naderen. De menigte gaat op in de euforie van de strijd en moedigt de nakende winnaar aan. De gong luidt andermaal, ditmaal als teken van overwinning. De laatste teerling is geworpen, opluchting en ontgoocheling vermengen zich met de geur van sissende braadworsten even verderop. De verliezers zoeken tevergeefs naar een laatste cent in de hoop hun verloren geld alsnog te recupereren, terwijl de winnaars stoutmoedig hun hele winst inzetten. Het leven is er één van winnaars en verliezers, van durvers en twijfelaars, van bofkonten en pechvogels...

Gisteravond kwam ik na een lange bergetappe en een tussenstop in het charmante dorpje 'San Luís', met zijn opvallende kerk in Spaans-koloniale stijl, aan in het onbeduidende dorpje 'La Cruz de Tarataca'. Onder het goedkeurend oog van de plaatselijke politie mocht ik er mijn stulpje neerzetten en kreeg ik bij valavond nog een lift aangeboden naar het centrum waar er naar aanleiding van de dag van de arbeid een braderie plaatsvond. Standjes met prullaria, eet- en dranktentjes waren cirkelvormig opgesteld rond ‘la plaza Bolivar’. De enige vreemde eend in de bijt was de tandloze man met zijn paardjesspel. Zijn speelveld bevond zich net iets buiten het epicentrum en deed me wegdromen naar een verre jeugd waar Vlaamse kermissen nog heel af en toe het dorpsplein kleurden. Reizen is een voortdurende actieve beweging, zowel in de toekomst als in het verleden.

Mijn voornemen om er een lange fietsdag van te maken, strandt al na 67 km door een toevallige ontmoeting. Een gezette vijftiger leunt net uit het vensterloze raam van zijn schamele woonst wanneer ik voorbijfiets. Voor ik het goed en wel besef, zit ik te schommelen in zijn versleten hangmat met in m´n hand een glas ijskoud water waarvan de bodem verdacht veel activiteit vertoont van rondzwemmend ongedierte. Ik word wederom in de rol geduwd van geïnterviewde, al wordt mijn zwerversverhaal deze keer vaak onderbroken door puzzelstukken uit zijn leven. Voor mij zit José, een man van de wereld die door slechte investeringen, vrouwen en drank aan lager wal is geraakt. In een vorig leven was hij handelaar in alles wat maar enigszins geld opbracht, wapens en drugs incluis. Zijn rijkdom is tevens zijn ondergang geworden. In de donkerste periode van zijn bestaan ontdekte hij de kracht van het geloof, bekeerde zich tot de groepering van de Evangelisten, ontmoette er zijn tweede vrouw die hem twee schatten van kinderen schonk en droomde opnieuw van een eigen bescheiden zaakje, een wegrestaurant. Zijn laatste droom raakt niet verder dan een denkbeeldige voorstelling van hoe zijn bescheiden eettentje er moet uitzien. Wanneer ik rond negen uur ´s avonds me te rusten leg in het sober bed met muffe lakens, hoop ik vurig dat de gastvrije man zijn laatste wens ooit in vervulling mag zien gaan...

Zwerven ‘on the edge’…

Venezuela - La Cruz de Tarataca, 01-05-2008 - (dagboek 9)


Het neonlicht is gedoofd en de straatmadeliefjes van Coro liggen nog te soezen in het zilte vocht van een actieve nacht. Het tikkend geluid van een te droge fietsketting lijkt op een metronoom uit balans en vermengt zich met de straatgeluiden van een heel vroege morgen: een startende motor, een ratelend rolluik, een haastige voetstap. Ik ben onderweg naar de grootste en meest toeristische Andesstad van Venezuela: Mérida. Een tocht die me zal voeren tot aan de uitlopers van het Andesgebergte en meerdere dagen in beslag zal nemen.

Al snel na het verlaten van Coro maakt het dorre, droge kustgebied plaats voor een groen berglandschap. De steile etappe is er meteen eentje van derde categorie en verplicht me om alle registers open te trekken. De kronkelende baan ligt er opvallend rustig bij en heeft me de mogelijkheid om al zwalpend de twee rijvakken te benutten. Het trage ritme biedt me niet alleen de kans om mateloos te genieten van het veranderend landschap, maar doet mijn gedachten ook dwalen. Heden en verleden lopen als een web van hersenspinsels door elkaar. Het fietslandschap wordt een labyrint van aanknopingspunten, van ideeën waar ik doorheen rij. Toch eisen sommige virtuele wegmarkeringen mijn opmerkzaamheid en verplichten me om m´n fietsritme aan te passen, haast stil te staan bij de signalen die ze uitsturen. Zulke online wegwijzers doorkruisen de laatste tijd meer en meer m´n pad van dagdromerij. De meeste van die opschriften zijn me bekend, al zit er nu en dan eentje tussen die mijn aandacht trekt omdat het een richting aangeeft die ik niet verwacht of omdat het zich onderscheidt door zijn verre, vreemde afkomst.

Het verkeersbord ‘on the edge’ blijft me achtervolgen en haalt me ei zo na uit m´n koers. Enkele dagen terug kreeg ik een mail van een nobele onbekende die vond dat ik nogal gevaarlijke stellingen innam inzake de toeëigening van het woord 'verdwaalde zwerver' en de wijze waarop ik de alomtegenwoordige backpackers beschrijf. Ik geef toe dat ik geen hoge pet opzet met 'mochileros'; niet zozeer omdat ik niet onder de indruk ben van hun prestaties, maar vooral omwille van de manier waarop ze zich gedragen.. Enkele weken terug was ik nog de beschamende getuige van hoe sommige rugzaktoeristen zich voordoen als parasieten. In de woestijnachtige Guajira-streek waren twee Engelse jongelui een halfuur lang aan het afdingelen op twee artisanale armbandjes. Het struikelend verschil bedroeg welgeteld 1.000 Colombiaanse pesos, een schamele halve euro. Ik zag hoe het getaande gezicht van de woestijnvrouw zich verborg achter een façade van armoede, van ongelijke kansen en een struggle for life. De confrontatie met het arrogante gedrag van het rijke Westen toonde nogmaals aan hoe groot de kloof kan zijn tussen armoede en rijkdom, tussen weerloosheid en macht. De vrouw had gelukkig één iets niet verloren in haar moeizame overlevingsstrijd: fierheid. Ze borg stilzwijgend haar spullen in haar handgemaakte draagtas en draaide zich om. Ook toen één van de jongens haar achterna riep dat hij 500 pesos (0,25 euro) meer wou bieden, bleef haar tred onverminderd. Een verbitterde fierheid verdween als een gebroken stip achter de horizon. Ik wil niet alle backpackers over dezelfde kam scheren, maar het kan niet ontkend worden dat het merendeel van de reizigers een stereotyp gedrag vertonen.

Over de ware, echte betekenis van een ‘verdwaalde zwerver’ zullen de opvattingen altijd wel wat uiteen lopen. Elke definitie is vaak subjectief gekleurd en past zich aan in tijd en ruimte. Zo definieerde de email-schrijver een verdwaalde zwerver als “iemand die ‘on the edge’ leeft, van dag tot dag zijn leven aan God geeft en voornamelijk zonder financiële zekerheid leeft.” Deze definitie doet me een beetje terugdenken aan de fietsende Venezolaan die ik in Argentinië heb ontmoet. Hij overleefde door zijn analoge foto´s als een kleurrijke wereldbol over de grond te spreiden, hopend dat een passant gecharmeerd werd door z´n visuele benadering van een zwervend bestaan en uit z´n geldbeugel enkele centen ging uitdiepen die hem opnieuw in staat stelde om verder te trekken. Hij benadert wellicht het meest de bovenstaande definitie, al is ook deze fietsende reiziger in z´n zwerversroute gebonden aan grootsteden om z´n foto´s aan de man te brengen. De tijd van de ‘flower power’-periode waar we al liftend en flirtend de wereld konden verkennen zonder een kredietkaart op zak is voorgoed voorbij. Anno 2008 heeft deze wijze van reizen, door de groeiende argwaan van de automobilisten, geen overlevingskans meer. Zwerven en verdwalen; het blijft een nobele gedachte…

Een dure verdwaalde blik…

Venezuela - Peninsula Paraguaná, 30-04-2008 - (dagboek 8)


Ik ontwaak met de geluiden van aanrollende golven die me als een rode loper naar een nieuwe dag worden aangereikt. Net voor zonsondergang had ik gisteren een windvrij plekje gevonden achter een verlaten restaurantje, vlakbij de vloedlijn. Bestaat er een mooiere plek om de dag te beginnen? Ik denk van niet. Terwijl ik loom een omeletje als ontbijt klaarmaak, vraag ik me af wie in Vlaanderen zijn drukke werkdag op dezelfde wijze heeft aangevat. Wellicht niemand. In een dag vol verplichtingen is er geen plaats voor dagdromerij, laat staan voor een doezelend ontbijt met op de achtergrond geluiden van een aanspoelende dageraad. Als er iets is wat ik op mijn reis heb geleerd, dan is het wel het besef hoe kostbaar elk moment van ons leven is. Ik hoop dat ik, eenmaal terug deeluitmakend van de dagdagelijkse mallemolen, de tijd zal vinden om te blijven dagdromen en te verdwalen.

De zon staat reeds hoog aan de hemel wanneer ik uiteindelijk de terugtocht inzet. Mijn talmend gedrag heeft ongetwijfeld te maken met het besef dat de felle tegenwind een dag lang m´n enige reisgezel zal zijn. Nu ja, alles kent zijn prijs in het leven, ook voor een verdwaalde zwerver. Op een slakkengangetje schuiven vissersplaatsjes aan me voorbij. Ze liggen verscholen tussen zoutpannen en woenstijnvlaktes. Graatmagere geiten zoeken vruchteloos naar wat voedsel en geven de jonge blaadjes van de doornige struiken weinig overlevingskans. Survival of the fittest is hier meer dan ooit aan de orde. Hier en daar staan verwilderde bomen waarvan de stam en de kruin bewijs leveren van de steeds aanwezige geselende wind. De zeldzame exemplaren doen me terugdenken aan het Argentijnse Patagonië.

Ik fiets voorbij adobehuisjes die vervaardigd zijn uit gedroogde leembrokken. De wind zwiept een uit zijn scharnieren hangende houten deur open en dicht, terwijl het ijzeren golfplaten dak klappertandt. De tijdloosheid zit hier gevangen in verroeste metaalachtige klanken. Ook in het iets grotere dorp ‘Pueblo Nuevo’ lijkt alle leven weggestorven. De verzengende hitte en een elektriciteitspanne hebben alles lam gelegd. Ik flaneer al fietsend doorheen de kleine binnenstad. Aan een kruispunt hou ik halt om een naderende wagen voorrang te verlenen. De bestuurster staart me aan met ogen vol ongeloof. Zijn het mijn gespierde fietsbenen, mijn seksy koersbroekske of mijn motoachtige fiets die haar ogen verblinden voor de taxi die hetzelfde kruispunt opdraait? Enkele tellen later knalt haar verstrooide blik tegen het portier van de felrode taxi. Totaal overstuur stapt ze uit de wagen, gooit haar armen stuurloos in de lucht en jammert onafgebroken: ‘la bicicleta, la bicicleta,…’ Het lijkt wel alsof ik onder haar wielen ben terechtgekomen. Ze kijkt me hulpeloos aan, loopt weg en weer en draait nerveus aan haar trouwring. De taxichauffeur die de bui ziet aankomen, maant me aan om mijn biezem te pakken voor het onweer losbarst. Met een gevoel van medelijden verlaat ik het toneel. Ik ben benieuwd welke verklaring ze vanavond aan haar man zal geven. Vreemd gaan met de ogen, het kan je duur te staan komen…

Net voor de duisternis invalt, bereik ik de eindbestemming die ik in gedachten had: de douanepost vlakbij het verlaten van het schiereiland. Ik kan er probleemloos mijn tent neerzetten. Terwijl de zon langzaam achter de horizon zakt, verbroeder ik met de nachtploeg. Ze moeten erop toezien dat de regels inzake de aankoop van belastingvrije goederen niet wordt overschreden. Om het schiereiland Paraguaná toeristisch aantrekkelijk te maken, werd de grootste stad, Punto Fijo, een taksvrije zone. Al blijven de toeristen evenwel weg, de handelaars van de omliggende gebieden hebben daarentegen wel massaal de weg gevonden naar dit belastingvrije aardsparadijs. Om een halt toe te roepen aan de oneerlijke handelspraktijken moet elk aangekocht produkt aangegeven worden aan de douane. In een land waar ik vaak de indruk heb dat er totale anarchie heerst, blijkt er toch nog enige regelgeving te bestaan…

Los Médanos: de Sahara van Venezuela…

Venezuela - Cabo de San Román, 29-04-2008 - (dagboek 7)


Geruisloos trek ik de deur van de gezellige hostal ‘Tun Tun’ achter me dicht. Wanneer ik het centrum van Coro uitfiets, ontwaakt de ochtend in alle stilte onder de vaalgele gloed van de eivormige straatverlichting. De rolluiken van een nieuwe werkweek hangen nog laag tegen de grond. Alleen de geur van versgebakken brood verraadt noeste, nachtelijke arbeid en kondigt een doordeweekse drukke dag aan. Het is een zalig gevoel te beseffen dat ik weer een stressloze fietsdag tegemoet ga, zonder prestatiedrang en zonder zorgen. Dankbaar aanvaard ik opnieuw deze dag omdat ik weet hoe kostbaar het geluk is om te mogen (kunnen) zwerven doorheen tijd en ruimte.

Al na drie kilometer dient zich reeds de eerste ontdekking aan: het nationaal park ‘Los Médanos de Coro’. Stuifmeelgele duinen strekken zich glooiend uit over de 30 km lange landengte die een halsvormige doorgang biedt naar het schiereiland Paraguaná. De wind waait de Sahara van Venezuela tot over de witte stippellijn van de enige route die er dwars doormidden loopt. Mijn fascinatie voor dit ongewoon natuurgebied zo dicht aan de rand van de stad Coro dwingt me te stoppen en één van de zandheuvels op te klimmen. Zover mijn oog reiken kan, zie ik een duinenlandschap waar slechts hier en daar enkele toefjes groen de desolaatheid van het gebied doorbreken. De médanos (duinen) doen hun naam als kurkdroog en heetste plek van het land alle eer aan.

Eenmaal terug op de fiets verwijdert de zandzee zich steeds verder van mijn reisroute en krijgt de omgeving een ander tropisch gezicht: een halfwoestijn met stekelige cactussen en doornige struiken. Een monsterachtige pijpleiding loopt parallel langs de straat. De aardolie van Maracaibo wordt er doorheen gepompt met als eindbestemming de raffinaderij in de havenstad Punto Fijo. In de wegberm staan twee verkeersborden. De eerste toont een tekening van een boom waarvan de kruin door de felle wind gevaarlijk naar links overhelt. Het tweede bord toont de afbeelding van een ezel met als opschrift ‘Precaución: burros en la via!’ (Opgepast: ezels op de baan) Hopelijk is dit laatste niet voor mij bedoeld.

Het schiereiland Paraguaná verblijdt me niet alleen door zijn ruig landschap maar ook door de charmante, slaperige vissersdorpjes. Ze lijken ingedommeld om nimmer nog te ontwaken. Er heerst een ongedwongen sfeer. Sommige gerestaureerde panden verraden een mix van Spaanse en Nederlands-Antilliaanse architectuur. Wat dan ook niet toevallig is gezien de dichte ligging van de idyllische eilandjes Aruba, Bonaire en Curaçao, die samen deel uitmaken van de Nederlandse Antillen. Ik stuur mijn fiets naar het uiterste puntje van het schiereiland, tot aan ‘el Cabo de San Román’. Een torenhoge vuurtoren en een kruis als eerbetoon aan de ontdekkingsreiziger Alonso de Ojeda die in 499 het eiland ontdekte, zijn zowat de enige bezienswaardigheden. De wind beukt er in alle hevigheid. Mijn voorgenomen plan om hier m´n tentje neer te zetten, laat ik varen. Jammer, want het had me wellicht een mooie zonsondergang opgeleverd…

Coro: openluchtmuseum in zakformaat…

Venezuela - Coro, 27-04-2008 - (dagboek 6)


De contouren van mijn lichaam tekenen zich speels af tegen de gevels van ‘la zona colonial’ in hartje Coro. Bij elke beweging kleuren de pasteltinten donker om een fractie van een seconde later opnieuw op te lichten tot een mengeling van okergeel tot wijnrood. De zachte, warme kleurtinten wenken verleidelijk zoals straatmadeliefjes onder een regen van neonlicht. Met hun ranke slanke benen toren ze hoog boven me uit. Ik gluur doorheen de getraliede vensters om de geuren van wellust op te snuiven en een glimp op te vangen van de achterkant van de uitnodigende façade.

Het historisch centrum van Coro, één van de oudste steden van Latijns-Amerika, heeft iets weg van de rosse buurten die je in zowat alle grootsteden aantreft. De keistenen straatjes met hun koloniale panden zijn op hun mooist bij het eerste ochtendgloren of bij valavond. Op deze tijdstippen van de dag loop je voorbij de dames die net iets te oud geworden zijn voor dit vak, maar vertraag je eens te meer je pas wanneer je schaduw blijft hangen als een roerloze mimespeler. De rondingen zijn voller, de heupen smaller en de blikken ondeugender. Het besef dat er heel wat restauratiewerk aan te pas is gekomen, laat je aan je voorbij gaan door je aandacht te vestigen op de kleine details: de ornamenten van een raamkozijn, het vergulde bladgoud van een deurknop, de patrijspoort van een venster,… Schoonheid is een relatief begrip, zeker in een wereld waar eenieder zich als een ‘Miss’ voordoet. Toch moet ik bekennen dat ik een zwak heb voor deze vorm van ijdelheid. Ze zorgen ervoor dat ! ik urenlang ronddwaal; straatje in, straatje uit. Ook al loop ik soms vier keer voorbij dezelfde voorgevel en lijkt de blik door de steeds fellere zon minder wulps, toch geraak ik niet uitgekeken op dit openluchtmuseum in zakformaat. Het zal wel niet toevallig zijn dat Coro in 1994 zich een plaatsje wist te veroveren op het exclusieve mondiale UNESCO lijstje van uitzonderlijke steden.

Geheel in dezelfde allure van hun verschijning, staan boven de deurpost van de mooiste madeliefjes klinkende namen geschreven, zoals ‘la casa de sol’ (zonnehuis), ‘la casa del tesoro’ (huis der schatten) en ‘casa de las vantanas de hierro’ (huis met de ijzeren vensters). In de 18de eeuw stonden smeedijzeren ramen symbool voor rijkdom en ook anno 2008 stralen ze nog steeds een statige indruk uit. Ik heb lang getwijfeld of ik de lange reis naar Coro wel ging ondernemen, maar nu ik er ben, besef ik dat dit de plek is waar ik mijn ontdekkingsreis doorheen Venezuela moest beginnen. Ondertussen heeft mijn schaduw gezelschap gekregen van nieuwgierige klanten op zoek naar teder koloniaal vertier. De hoogste tijd om weer eens op te stappen…

Nog een jaar lang dwalen en verdwalen…

Venezuela - 24-04-2008 - (dagboek 5)


Op de vooravond van 25 april 2008 blik ik zowel voor- als achteruit. Een blik in de toekomst omdat ik morgen nog precies één jaar lang ‘vreemd mag gaan’ en een blik in het verleden om datgene wat definitief achter me ligt. Steeds vaker komen twee vragen bovendrijven. De plaatselijke bevolking is vooral nieuwsgierig naar het land dat me het meest heeft aangesproken, terwijl de thuisblijvers zich meer en meer afvragen of ik me nog zal kunnen aanpassen aan het gewone, dagdagelijkse leven.

Impressies en gevoelens worden dikwijls gevormd door de ‘historias minimas’ die mijn pad doorkruisen. De kleine verhalen van de mensen die ik ontmoet vermengen zich met de tijdloosheid die koloniale gebouwen steevast oproepen. Mijn anekdotes worden gekleurd door de pasteltinten die Latijns-Amerika zo typeren. Elk land roept bij mij een bepaald gevoel op, een bepaalde kleur. Colombia is tot op heden het meest gastvrije land en Bolivië ongetwijfeld het meest authentieke van het Zuid-Amerikaanse continent. Argentinië heeft me dan weer bekoord omwille van zijn natuurlijke schoonheid en verscheidenheid, terwijl Chili voor eeuwig verbonden zal blijven met de herontdekking van de liefde.

De vraag omtrent het land dat me het meest wist te bekoren is even moeilijk te beantwoorden als hoe het nu verder moet, eenmaal terug thuis. Het afkicken van bijna drie jaar vrijheid doe je niet van vandaag op morgen. Het is een proces dat tijd vraagt en in fases zal verlopen. Het vooruitzicht op een boek en de samenstelling van een avondvullend progamma zullen er alvast voor zorgen dat de overgang niet te abrupt gebeurd. De eerste maanden zal ik de reis opnieuw beleven door de vele verhalen te bundelen en de rijk geïllustreerde foto´s te selecteren. Na deze eerste fase zal er een nieuwe periode aanbreken waar ik als een troubadour op pad zal gaan, de fietstassen deze keer gevuld met verhalen, anekdotes en gedichten. De reis zal opnieuw gestalte krijgen onder de vorm van een muzikale, poëtische rondtrip doorheen Zuid- en Midden-Amerika.

Met een vleugje heimwee zal ik terugdenken aan de vele ontmoetingen. Diep menselijke contacten die stuk voor stuk sporen hebben nagelaten en mijn kijk op de wereld grondig heeft beïnvloed. Het reizen heeft van mij geen ander mens gemaakt, maar evenmin ben ik ook niet dezelfde persoon als voorheen. Tijdens m´n lange zwerftocht zijn er puzzelstukjes bijgekomen die mijn denk- en leefwereld hebben veranderd. We evolueren allemaal, onze identiteit past zich voortdurend aan naargelang de omstandigheden waarin we ons als persoon of groep bevinden. Identiteiten balanceren tussen stilstand en beweging. We blijven nooit volledig dezelfde. Vele partners verwachten van hun wederhelft dat hij of zij dezelfde gesteldheid vertoont zoals ze die hebben aangetroffen tijdens de ontluikende liefde. Tijd en situaties zorgen er evenwel voor dat eenieder verder ontwikkelt . We leven in een ‘veranderen-over-de-tijd’, maar hebben moeite om deze werkelijkheid onder ogen te zien bij onze partner. Hoe ! vaak strandt een huwelijk niet bij het besef dat zijn geliefde doorheen de huwelijksjaren niet meer dezelfde is. Evolueren doen we altijd en overal, ongeacht of we thuisblijven of voor een langere periode andere horizonten opzoeken.

Ongetwijfeld zal de moeilijkste periode aanbreken wanneer het doek zal vallen over de allerlaatste voorstelling en de bühne enkel nog gehuld zal worden door een verstilde duisternis. Op die dag zullen de beelden vervagen tot ondefinieerbare kleurvlakken en de woorden wegdeemsteren tot klankloze echo´s. De vertrouwde Zuid-Amerikaanse geluiden zullen wegsterven zoals de repen muziek die zich vermengden met de gestolde woorden van de koffieboer Don Elias uit Colombia. Tijdens familiebijeenkomsten en onderonsjes met vrienden zullen bepaalde anekdotes wel nog eens nieuw leven worden ingeblazen of zal een vergeten beeld mij opnieuw doen herinneren aan de geuren en de kleuren die Latijns-Amerika zo kenmerken.

Op die avond zal ik, wanneer de laatste toehoorders nog wat nakaarten aan de tapkast, stilletjes wegsluipen, de motor van de auto starten en de wagen richting het West-Vlaamse Loker sturen. Onder het lichtschijnsel van een wassende maan en in de schaduw van de kerk met zijn vier spitse torens zal ik nog een allerlaatste maal het gedicht ‘Ithaka’ voordragen. De woorden zal ik neerleggen als de bloemen op een graf, kleurrijk en dankbaar. Uit dank voor datgene wat mijn vader me heeft meegegeven en om het gemis van zovele jaren…

Historias minimas…

Venezuela - 23-04-2008 - (dagboek 4)


In een land waar criminaliteit zowat is uitgegroeid tot een vorm van nationale sport, is waakzaamheid eens te meer aan de orde van de dag. De juiste inschatting inzake de haalbaarheid van de te overbruggen afstand tussen stad A en stad B is dan ook van primordiaal belang. Zo zag ik me gisteren genoodzaakt om mijn vooropgestelde eindbestemming te laten varen en een alternatief onderkomen te zoeken. De kans dat ik het 45 km verderop gelegen stadje Dabajuro nog voor zonsondergang zou bereiken, werd -mede door een onverwacht opstekende tegenwind- om het kwartier alsmaar geringer. Een beambte van een nabijgelegen tolweg raadde me af verder te fietsen en bood me spontaan een kampeerplaats aan. Ik had me geen betere plek kunnen bedenken: iewat verscholen tussen stilstaande, werkloze politiewrakstukken. Al gauw bleek m´n onderkomen de categorie van vijfsterren te evenaren. Naast het sanitaire blok (douche, wc en lavabo) werd tevens de keuken (inculsief koffiezet en microgolfoven) vo! or mij opengesteld. Meer nog… Rond etenstijd werd me een bord spaghetti met een homp brood toegestopt en bij valavond laafde ik me onbeperkt aan de aroma van Venezolaanse koffie. In gedachten vroeg ik me af of Fred probleemloos de Venezolaans-Colombiaanse grens had bereikt. Wellicht bevond hij zich opnieuw in zijn vertrouwde biotoop: een goed opgeboende hotelkamer met airco en tv, verweg van wat er zich in het echte leven afspeelt.

Misschien heb ik dat wel het meest gemist de voorbije twee weken: de onverwachte, spontane ontmoetingen; de onvoorspelbaarheid van een zwervend bestaan. De beslotenheid van een veilige hotelkamer is voor Fred een second skin, een soort kopie van wat hij kent uit zijn thuisland en waar hij maar al te graag op terugvalt. Voor mij is een land verkennen in de eerste plaats een zoektocht naar datgene wat er leeft bij de plaatselijke bewoners. De ‘historias minimas’ vormen de belichaming van hun eigen leefwereld. Kleine verhaaltjes waar gevoelens van pijn en verdriet, van hoop en vreugde de fundamenten vormen van een land en zijn volk. Ze stellen me in staat om een beeld te krijgen over die soms aparte confrontatie tussen mijn leefwereld en de wereld die ik verken. ´s Avonds probeer ik alle puzzelstukken in elkaar te passen, zodat ik mij een analyse kan vormen over het land dat ik bereis.

Zo ontdekte ik gisteren bijvoorbeeld dat de Venezolaanse president Chávez sinds 15 januari 2008 alle wegentaksen heeft opgeheven. Naar het schijnt verdween al het tolgeld systematisch in de zakken van diverse overheidsfunctionarissen. Om een einde te stellen aan deze ongure praktijken besloot Chávez dan maar om de tolwegen af te schaffen. Een vreemde manier om de corruptie te bestrijden. De ingevoerde maatregel zorgt ervoor dat honderden banen op de tocht staan. Tot nader orde en zolang ze nog hun maandloon krijgen uitbetaald, draait het personeel nog steeds hun vertrouwde shiften.

Verbijstering, onmacht en ontgoocheling doorbraken de stiltes tijdens het avondmaal. Ik tuurde naar de drie mannen van de avondploeg die werkloos en al kaartend de nacht doorbrachten. Het geluid van hun speelkaarten klonk dof alsof ze al op voorhand wisten dat het spel beslecht was in hun nadeel. De ruimte vulde zich in afwachtende stilzwijgendheid en ik voelde hoe ik deelgenoot werd van het echte leven. Vanuit mijn tent zag ik hoe de gekleurde kaarten een schaduw van opgekropt verdriet en woede wierpen over het gelaat van hun speelmakkers. Door de onverwachte ontmoeting werd gisteren alvast een nieuwe bladzijde toegevoegd aan de ‘hitsorias minimas’.

“Ahora sí… El tiempo es bueno para continuar su viaje. Buen viaje!” (Nu is het het ideale moment om je reis verder te zetten. Goeie reis!) De beambte die me gisteren een kampeerplekje toewees, wuift me een nieuwe dag tegemoet. Kort na mijn vertrek word ik opgeschrikt door een toeterende schoolbus. De chauffeur parkeert wat verderop zijn log voertuig en steekt een blauwe plastiekzak uit zijn raampje. Een minuut later blijf ik perplex achter, terwijl een donkere roetwolk langzaam oplost. In mijn hand ligt zijn lunchbox. Welkom in het gastvrije Venezuela…

Herwonnen vrijheid…

Venezuela - 22-04-2008 - (dagboek 3)


Ik had het voelen aankomen. Gisteravond had Fred al een paar keer laten vallen dat hij er geen plezier meer in had. De opeenstapelende politiecontroles en de weinig opbeurende berichten over onveiligheid in het land hadden zijn vakantiehumeur gekelterd tot onder het vriespunt. “I go back to Colombia today. I don´t like this country, this shithole. I ´m not feeling comfortable and I don´t want to be stressed.” Zijn woorden rollen over me heen, alsof ik ze al twee dagen eerder -bij de grensovergang- had verwacht. Wanneer hij me vraagt om samen met hem terug te fietsen, borrelen andermaal tegenstrijdige gevoelens op.

De voorbije dagen heb ik geprobeerd om zoveel mogelijk betrouwbare informatie te verkrijgen omtrent de veiligheid in het land. Het blijft moeilijk om een algemeen beeld te schetsen. Eenieder kent wel iemand uit zijn naaste omgeving die ooit het slachtoffer is geweest van beroving, al dan niet gewapend. Mathias, de jongen die hier een paar dagen met verlof is en in Caracas woont, vertelde ons dat hij een jaar geleden beroofd werd van zijn spiksplinternieuwe schoenen. Twee fietsende jonge kerels van een jaar of 16 bedreigden hem met een onzichtbaar pistool onder hun trui. Ze dwongen hem zijn schoenen af te geven. Toen ze wegfietsten, zwaaiden ze triomfantelijk met hun geïmproviseerd wapen in de lucht, duim en wijsvinger een hoek van 45 graden vormend.

De kans dat ze er met mijn versleten schoenen vandoor gaan, is wel heel gering. Al zouden ze in één klap wel de lotto winnen. Door de anti-Amerikaanse politiek die de Venezolaanse president Chávez voert, worden er namelijk torenhoge commissies aangerekend voor elke Visa of Maestro transactie. Dit heeft ertoe geleid dat er een openlijke zwarte markt is ontstaan waar je aan een veel gunstiger tarief dollars en euro´s kan omwisselen. Nadeel is evenwel dat je als toerist rondloopt met een niet onaardig bedrag aan cash geld. Om de kans op beroving te verkleinen heb ik peperdure inlegzolen in mijn schoenen gestopt. Zou daar trouwens de uitdrukking van komen?: ‘Op grote voet leven’… Eén constante in de vele verhalen komt steeds bovendrijven: de berovingen vinden zelden overdag plaats en beperken zich voornamelijk tot de grootsteden. Fietsen op de grote wegen is veilig tot voor zonsondergang. Na zes uur ´s avonds wordt reizen ten stelligste afgeraden. Het zijn natuurlijk maar enkele! tips, maar in een land als Venezuela, waar criminaliteit een professionele fulltime job is, maken ze deel van de hedendaagse leefgewoontes.

Het vooruitzicht om nog een tijd met een gefnuikt zwerversgevoel rond te fietsen, doet me uiteindelijk beslissen om niet in te gaan op Freds´ aanbod. Ik vind het sowieso verkeerd dat je reeds na twee dagen een oordeel velt over een land en zijn volk. Een kennismaking kan je niet beperken tot enkele danspassen. Je moet een land de tijd gunnen zich aan te passen aan je dansritme, opdat je zelf de danspassen zou kunnen observeren, eigen aan elk land. Fred heeft nooit leren dansen of mist in ieder geval de basis. Hij verplaatst zich teveel in een luchtbel waar hij enkel op zoek is naar wat hem vertrouwd is. Zijn hotels moeten dezelfde klasse uitstralen zoals hij ze kent in zijn woonplaats Pennsylvania. Hij reist rond met de ogen van zijn thuisland, schermt zich af van de wereld waar hij doorheen fietst om het risico op een cultuurschok te herleiden tot een strikt minimum. Hij weigert op te gaan in het leven en de cultuur van andere volkeren. Voor hem is zijn reis een tijdelijke! uitlaatklep, net genoeg om de lege batterijen opnieuw op te laden. De compensaties die hij zoekt voor zijn frustraties en teleurstellingen in het dagelijkse leven hebben van hem een veeleisende, dominante toerist gemaakt. Reizen om te leren? Het is duidelijk niet aan Fred besteed.

Naast de ingewonnen info omtrent de veiligheid in het land, heb ik de voorbije twee dagen ook mijn licht opgestoken in verband met de beste reisroute. Mijn eerste grote stopplaats wordt Coro, ten noordwesten van de hoofdstad Caracas. De te volgen route loopt ondermeer dwars door het hart van de gigantische petroleumstad Maracaibo. Inzake criminaliteit heeft Maracaibo helaas een heel slechte reputatie en schijnt na Caracas de tweede gevaarlijkste stad te zijn van Venezuela. Redenen genoeg om een alternatieve oplossing te zoeken. Na wat aandringen is Maria Luisa bereid om me een lift te geven tot over de brug die de stad scheidt van de rest van het vasteland, richting Coro.

Wanneer ik rond de middag mijn fietstassen opnieuw vasthaak, lijkt het wel alsof een zware last van me afglijdt. In een mum van tijd vind ik mijn zwerversritme terug, alsook mijn herwonnen vrijheid. Meer nog... Automobilisten en vrachtwagenchauffeurs toeteren me opnieuw welkom en langs de kant van de weg wuiven kinderen me na. Wanneer ik aan één van de vele kraampjes stop om me te laven aan suikerrijk frisdrank, word ik opnieuw in de rol geduwd van geïnterviewde. Het vertrouwde gastvrije gevoel van Colombia steekt voor het eerst zijn kop op. De eerste danspassen op Venezolaanse bodem zijn ingezet…

Ontwikkelingshulp, een moeilijke evenwichtsoefening…

Venezuela - 21-04-2008 - (dagboek 2)


Gisteravond hadden we nog een gezellig babbel met Marie Luisa, de eigenares van de posada. Ze bracht een groot deel van haar jeugd in Europa door, maar 24 jaar geleden besliste ze om terug te keren naar haar geboorteland. Gaandeweg heeft ze in het stadje San Rafael del Mojar een zeker aanzien opgebouwd; niet zozeer als hoteleigenares, maar dan wel als hoofdverantwoordelijke van het project ´Benposta´. Deze organisatie zet zich in voor een verbeterde levensstandaard in de arme afgelegen dorpjes van de regio. Scholen, ziekenhuizen, werkateliers, woonbouwprojecten,… Het zijn maar enkele facetten uit het grootschalig project. De financiering komt voornamelijk uit Europese fondsen. Maar ook de lokale leden helpen ijverig mee, zo wordt bijvoorbeeld een deel van de kosten gedekt met het ophalen en recycleren van plastiek. Mijn interesse was voldoende aangewakkerd om het project in zijn werking te zien.

De rit voert ons naar een verafgelegen dorpje waar men naast een school ook een klein ziekenhuispostje heeft gebouwd. Voor we de laatste middelgrote stad van enige betekenis verlaten, pikken we nog een soldaat op. Enkele jaren terug was Marie Luisa het slachtoffer van een beroving die werd toegeschreven aan Colombiaanse rebellen. Sindsdien laat ze zich steevast vergezellen van een gewapende militair. Terwijl Marie Luisa nog enkele zaken regelt in de stad, besluit ik om samen met Fred en Juan, een medewerker van het project, een luchtje te scheppen. Verder dan twee huizenblokken geraken we niet, want ter hoogte van een politiecontrolepost worden we tegengehouden. De agenten vragen wederom ons paspoort. Uit veiligheid tegen diefstal heb ik mijn identiteitspapieren in het hotel achtergelaten en Fred kan enkel een kleurkopie voorleggen. Zelfs de tussenkomst van Juan kan niet verhinderen dat we worden meegenomen naar het aanpalende politiekantoortje. De kale ruimte is troosteloos! gevuld met twee aftandse bureaus en enkele metalen opbergkasten. De agent wijst ons een bankje aan en verdwijnt. Terwijl ik mijn kalmte probeer te bewaren, vloekt en foetert Fred erop los. Vijf minuten later komt dezelfde agent ons opnieuw ophalen. Aan de uitgang zie ik Marie Luisa in een heftige discussie verwikkeld met -naar wat ik vermoed- de politiecommissaris. Uiteindelijk kunnen we onze weg vervolgen. Marie Luisa verontschuldigt zich voor het voorval, maar berispt ons terzelfdertijd voor onze nalatigheid. We beseffen andermaal dat reizen in Venezuela niet altijd van een leien dakje zal lopen.

Naarmate we het dorp bereiken wordt de weg alsmaar slechter. Het asfalt verandert in een zanderige piste vol putten en bulten. Tijdens het regenseizoen is het dorp soms dagen afgesloten van elk contact met de buitenwereld. De toegangsweg tot het projectgedeelte waar het schooltje en het ziekenhuisje zijn gevestigd, wordt omzoomd door een laan van opschriftbordjes: ¨Solo los que gobiernan tienen la culpa de tanta desigualdad!¨ (Alleen deze die regeren, treffen schuld voor zoveel ongelijkheid), ¨Que bonita sería el día que nuestros gobernantes amaran al projimo como a sí mísmo¨ (Wat zou de dag mooi of goed zijn waarop onze regeringsleiders "de naaste-of de medemens-"zullen beminnen zoals zichzelf). Kritiek op de tekortkomingen van de overheid wordt hier duidelijk niet geschuwd. De school is net afgelopen en drommen kinderen tollen dan ook nieuwsgierig om ons heen. ¨Foto, foto,…¨, roepen ze haast in koor. Hun leefwereld is nu nog vrij onbezorgd, maar weldra zullen ook zij geconfronteerd worden! met het echte Venezuela. Terwijl dit land zijn staatskas alsmaar aanspijst dankzij de stijgende olieprijzen, kampt het tegelijkertijd met een groeiend voedselprobleem en een bedroevend hoge criminaliteit. Tijdens onze rondleiding in het kleine ziekenhuisje valt mijn oog op een groots apparaat dat stofvrij is afgedekt. Wanneer ik met toestemming van Marie Luisa piep onder het plastiek zeil zie ik een gloednieuwe tandartsstoel met alle toebehoren. Het werd twee jaar geleden aangekocht, maar tot op heden slechts twee keer in gebruik genomen. Door de erbarmelijke staat van de weg en de daarmee slechte toegankelijkheid van het dorp komt de tandarts zelden of nooit langs. De diensturen die aan de deur van het cabinet hangen zijn dode letter gebleven. Het goed spenderen van financiële fondsen ten behoeve van minderheidsgroeperingen in de samenleving; het blijft een moeilijke evenwichtsoefening.

Welkom in Venezuela…

Venezuela - 20-04-2008 - (dagboek 1)


Ik begin stilaan mijn geduld te verliezen. Voor de tweede keer in nog geen week tijd ligt mijn fietskompaan z´n roes uit te slapen. De klok tikt zeven uur voorbij en deze keer ziet het ernaar uit dat ik het onderspit zal moeten delven. Ik had mij een mooier afscheid van m´n geliefd Colombia voorgesteld. Drie uur later en na eindeloos wachten, fietsen we uiteindelijk Maicao uit. Het belooft wederom een stilzwijgende dag te worden. Alhoewel… de oversteek met Venezuela zou wel eens voor de nodige animo kunnen zorgen. De voorbije weken heb ik wilde verhalen gehoord over corrupte politieagenten die het reizigers behoorlijk lastig maken aan de grensovergang. Een gewaarschuwd man is er twee waard.

De aankomst in een nieuw land, een verre vreemde stad voel ik vaak aan als een nacht met een onbekende minnares. Er is de verrukking voor het onbekende, de nieuwsgierigheid om het nieuwe, de verwondering voor het andere. Deze keer wordt de extase al meteen gekelterd bij de grenspost in Venezuela. Een nukkige, norse agent verplicht ons om de fietsen in een aparte ruimte te plaatsen. De kale bergruimte bevat nog één belendende kamer die is afgesloten met een ijzeren hekken, voorzien van een zwaar hangslot. Een Middeleeuwse cel? De man wijst me het loket aan waar ik mijn paspoort moet laten afstempelen en beveelt Fred bij hem te blijven. Terwijl ik aanschuif, zie ik hoe de agent Freds´ waardevolle papieren en geld doorsnuistert. Dit is geen goed teken. Via een kleine halfvormige opening in de glaswand van het ondoorzichtige loket zie ik een douanebeambte zitten, diep ineengezakt in zijn luie comfortabele leren bureaustoel. Met zijn ene hand houdt hij z´n mobieltje tegen het lin! keroor, terwijl de vingers van zijn andere hand onregelmatig over zijn bureaublad tokkelen. Onverschillig zet hij een stempel in mijn paspoort. Wanneer ik hem vraag of ik wel degelijk drie maanden legaal in het land kan blijven, antwoordt hij met een wuivend gebaar dat het midden houdt tussen ‘scheer je weg’ en ‘een onbeduidende ja’. Wanneer ik aanstalten maak om mijn fiets uit het berghokje te halen, roept de agent me bij zich. In een voor mij onverstaanbare taal spreekt hij me aan. Zijn gebaren daarentegen spreken boekdelen. Hij wrijft zijn duim- en wijsvinger tot klankloze centen, terwijl hij met zijn andere hand -waar hij een (in beslag genomen?) zakmes omklemt- langs zijn hals streelt. Wanneer ik hem duidelijk maak dat ik hem niet begrijp, herhaalt hij dezelfde gebaren. Welkom in Venezuela… Hij geeft op, dringt niet langer aan en ik ga me wat verderop stellen, wachtend op Fred. Fred is in alle staten. Zijn trillende benen zweven tussen angst en ongeloof. Blijkbaar had ! de agent hem bevolen zijn geld te tonen. Ik zwijg maar wijselijk over mijn vreemde, eerste kennismaking.

Al gauw blijkt dat we een schromelijke fout hebben gemaakt. Niet zozeer door de grens over te steken en het land te willen ontdekken, maar wel door geen geld te wisselen aan de grensovergang. In Venezuela is er een algemeen aanvaarde zwarte markt waar je voornamelijk in de grotere steden tegen een veel voordeligere wisselkoers dollars en euro´s kan wisselen. De eerst volgende grote stad ligt evenwel op ongeveer 100 km fietsen en bovendien is het zondag. We kunnen onze slinkende watervoorraad gelukkig bijvullen langs de kant van de weg, maar onze knorrende magen zullen nog wat geduld moeten uitoefenen. Het tweede dorp waar we doorheen fietsen, heeft de allures van een kleine stad en dus probeer ik nog maar eens mijn geluk te beproeven om wat dollars in te ruilen voor de lokale munt. De man van het pompstation kan ons niet helpen en raadt ons zelfs af om hier op zoek te gaan naar een wisselaar. Dit dorp blijkt uitermate onveilig te zijn en hij maant ons dan ook aan om zo snel ! mogelijk weg te komen. Twintig meter verderop stuiten we op een controlepost van de politie. De agenten bevelen ons te stoppen, vragen ons paspoort en om een presentje. Ik doe alsof ik zijn vraag om smeergeld niet begrijp en maak aanstalten om te vertrekken. Een vierde agent heeft zich ondertussen bij ons groepje vervoegt en zegt dat we voorzichtig moeten zijn. Blijkbaar heeft een voorbijrijdende chauffeur ons in de gaten. De agent suggereert dat het een malafide persoon is die ons wellicht net buiten het dorp zal opwachten en beroven. Slik! Ik sta heel even perplex en zie als in een speelfilm hoe de agenten in een wachtend busje stappen en wegrijden, de andere kant op. Is dit de manier hoe ze toeristen beschermen? Doodleuk vertellen dat de kans groot is dat je zodadelijk beroofd zal worden en vervolgens de biezem pakken. Nogmaals welkom in Venezuela… Mijn pepperspray die ik net voor de grensovergang uit voorzorg diep had weggestopt in mijn fietstas haal ik opnieuw tevoorsc! hijn. We kunnen beter op alles voorbereid zijn. Met een klein hartje e n loerend naar elke voorbijrijdende en stilstaande wagen fietsen we in een snel tempo verder. Er gebeurt niets. We komen nog vier checkpoints tegen en tot vier maal toe moeten we onze identiteitspapieren tonen en vragen de agenten of we geen geschenkje hebben. Fred spreekt nagenoeg geen Spaans, maar als er één woord is dat hij op het einde van de dag zeker zal kennen dan is het wel ‘regalo’.

De duisternis eist al behoorlijk zijn plaats op wanneer we na 90 km fietsen in San Rafael el Mojar aankomen. Het kost ons nog ruim een uur om een geschikt logement te vinden. Het aantal overnachtingsmogelijkkheden is vrij gering en met onze euro´s en dollars kunnen we nergens terecht. Uiteindelijk vinden we toch een posada waarvan de eigenares bereid is om wat geld te wisselen. Mijn vertrouwen op een vlekkeloze fietsvakantie in Venezuela is niet bepaald gegroeid, integendeel…

Grenzen…

Venezuela - 19-04-2008 - (inleiding)

Reizen is in de eerste plaats een overschrijdende activiteit. Het is een proces waarin grenzen centraal staan: geografische, economische, psychologische en culturele. Grenzen laten zich niet gemakkelijk in één enkele definitie gieten. Het zijn moeilijk te vangen lijnen, nu eens zichtbaar, dan weer onzichtbaar. Zelfs de geografische, legale lijn waaraan een soevereine staat zich vastklampt, is vaak moeilijk af te bakenen. Tussen de grenspostcontroles ligt er vaak een stuk niemandsland dat nergens lijkt bij te horen.

Soms stel ik me de vraag waar ik überhaupt nog bij hoor. Door mijn lange omzwerving word ik dikwijls geconfronteerd met m´n eigen culturele identiteit die zich verplaatst in die andere wereld. Door te kijken in verschillende culturele spiegels ontstaat er een proces van zelfwaarneming. Heeft de reis me vervreemd van datgene wat ik heb achtergelaten? Ongetwijfeld, maar dat voel ik niet als bedreigend. Geenszins. De wijze waarop ik nu -bijna twee jaar na mijn vertrek- naar de wereld kijk, is precies het resultaat van een complex psychologisch proces dat ik gaandeweg heb ondergaan. Dankzij de ontdekking van een andere wereld en een andere vorm van zijn, kan ik terugblikken op een rijk reisavontuur.

Reizen staat voor mij synoniem aan ‘vreemd gaan’ en ‘grenzen verleggen’. Reizen als een vorm van beleving -niet als een vluggertje- met mijn zintuigen als voornaamste gids. Al fietsend zwerven van dorp tot dorp, van stad tot stad, ondergaat m´n hele lichaam een extatische tinteling. Mijn instinct voor gevaar, mijn vermogen tot improvisatie, mijn doorzettingsvermogen,… Het zijn stuk voor stuk facetten die deel uitmaken van mijn grens. Morgen overschrijd ik wederom een nieuwe grens, een tastbare, die tussen Colombia en Venezuela. Een nieuw land, een nieuw avontuur, een nieuw soort Ithaka…

Als je de tocht aanvaardt naar Ithaka
Wens dat de weg dan lang mag zijn,
Vol avonturen, vol ervaringen.

Zodat je oud zult zijn wanneer je bij het eiland
Het anker uitwerpt, rijk aan wat je onderwerg verwierf.
En niet verwachtend dat Ithaka je rijkdom schenken zal.

Ithaka gaf je een mooie reis.
Was het er niet, dan was je nooit vertrokken.
Verder heeft het je niets te bieden meer.

En vind je het er wat pover, Ithaka bedroog je niet.
Zo wijs geworden, met zoveel ervaringen, zul je al
Begrepen hebben wat de Ithaka´s beduiden.

                                                                                 K.P.Kafavis