



Bij het verlaten van Manfreds´ finca rij ik opnieuw doorheen de slumps van Santa Elena, ditmaal bij klaarlichte dag. Het valt me op hoe troosteloos de kabouterhuisjes erbij liggen. De wanden en de daken zijn opgetrokken uit bloedhete golfplaten die bij de geringste zonnestralen de kleine leef- eet- en slaapplaats, die veelal verzameld zijn in één dezelfde ruimte, omtoveren tot een broeierige sauna. De armoede tekent zich nu eenmaal af in meerdere facetten. Het stadje Santa Elena straalt net als de armtierige buitenwijken geen vrolijk beeld uit. De stad is eerder grauw en grijs, maar dankt zijn bestaan evenwel aan de handel in goud en diamanten die hier voor het eerst werden ontdekt rond 1920. Verder omhelst Santa Elena zowat alle kenmerken van een grensstad: taksvrije winkels, rondleurende geldwisselaars en ellenlange rijen aanschuivende auto´s aan de brandstofpomp. De prijs van een liter benzine kost hier in het olieland Venezuela op de cent na 0,02 euro. Net over de grens moet je voor eenzelfde liter het dertigvoudige neertellen of omgerekend een goeie 0,6 euro. Om te voorkomen dat er een zwarte handel zou ontstaan in het buurland Brazilië mogen de Brazilianen slechts met één volle brandstoftank de grens over. De tankbeurten worden dan ook systematisch gecontroleerd door militairen.
Ik ontdek dat de militairen ook nog voor andere doeleinden worden ingezet; met name om de voedselbedelingen die gemiddeld vier keer per jaar zowat overal in Venezuela plaatsvinden, in goede banen te leiden. Om tegemoet te komen aan de alsmaar stijgende tarieven van ondermeer elementaire voedingsmiddelen zoals rijst, olie, bloem, bonen, kip, ... biedt de regering ze aan dumpingprijzen aan. Ter hoogte van het centrale plein staan dan ook ellenlange rijen bewoners aan te schuiven die moeiteloos de verschroeiende zon trotseren. Op het eerste zicht lijkt dit een lovenswaardig initiatief, maar er valt evenwel meer dan één kanttekening bij te plaatsen. Zo is de datum van de voedselbedeling door de regering uitermate strategisch gekozen. Binnen twee weken, meerbepaald op zondag 15 februari moet het Venezelaanse volk zich in een referendum uitspreken over de verlengde kandidaatstelling van Chavez als president. In principe kan hij zich na het beëindigen van zijn tweede ambtstermijn die in 2014 afloopt, zich niet meer kiesbaar stellen. Maar Chavez zou graag -net als zijn beste Cubaanse vriend Fidel Castro- de geschiedenis ingaan als langst regerende president van Venezuela en dus heeft hij een wijziging doorgevoerd in de grondwet. Om zijn kansen te verhogen strooit hij de Venezolanen zout in de ogen en pakt hij precies nu, twee weken voor het referendum, uit met grootschalige voedselbedelingen. Brood en spelen, Chavez weet perfect hoe hij zijn land en zijn volk moet besturen.
Het te koop aanbieden van producten aan prijzen die lager liggen dan de helft van de winkelwaarde ontwricht bovendien de eigen economie. Heel wat producenten weigeren nog om hun goederen af te zetten op de eigen markt omdat ze de concurrentie met de regering gewoonweg niet aankunnen. De kostprijs voor de aanmaak van hun handelswaren ligt vaak al hoger dan de dumpingprijzen die de regering hanteert. In de voorbije jaren is de eigen productie in eigen land dan ook drastisch gedaald. Venezuela produceert nagenoeg niets en importeert, dankzij het schenken van goedkope olie aan zijn buurlanden, zowat alles. Ook dat is een gevaarlijke manier van politiek en handel drijven, want het wedden op één paard (lees: olie) is een risicovolle onderneming. Nu, met de wetenschap dat Venezuela zowat de vierde grootste olieproducent is van de wereld kan Chavez gerust zijn Sinterklaaspolitiek verder hanteren.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik zelfs na mijn tweede bezoek aan dit land niet goed weet hoe ik Chavez moet inschatten. Door de ene wordt hij verguisd, door de andere op handen gedragen. Vooral bij de relatief arme bevolking, die toch een groot deel van het electoraat uitmaken, scoort hij vrij goed. Chavez heeft sinds zijn democratische aanstelling in 1998 heel wat sociale projecten uit de grond gestampt en zich zodoende verzekerd van steun uit de Venezolaanse volks- en krottenwijken. Naast het onderwijs heeft hij ook het gezondheidssysteem grondig aangepakt. Dankzij de steun van Cuba zijn er momenteel 25.000 Cubaanse artsen aan de slag in Venezuela. Het is een algemeen gekend feit dat Cuba beschikt over zowat de meest gespecialiseerde artsen. Maar ook daar wringt het schoentje. Statistieken afkomstig van de migratiedienst uit de omringende buurlanden Colombia en Brazilië tonen sinds enige tijd een opvallende stijging Cubaanse asielzoekers aan. Geschat wordt dat momenteel ongeveer één vijfde van het totaal aantal artsen Venezuela heeft ontvlucht en politiek asiel heeft aangevraagd in Colombia en Brazilië. Of hoe de gulheid van Cuba nefaste gevolgen kan hebben voor het migratieprobleem in andere landen.
Chavez heeft natuurlijk geluk dat de olieprijzen zo hoog zijn waardoor zijn staatskas over heel wat petrodollars beschikt. Maar wat als de internationale oliemarkt opnieuw stabiliseert en er een einde komt aan de oliecrisis. Het is maar de vraag hoe hij dan zijn populaire noodprogramma´s rond onderwijs en gezondheid zal financieren. Maar ach, als Chavez het geluk heeft om te kunnen blijven vertrouwen op zijn volk, dan zal hij ook daarvoor wel een truckje uit zijn hoed weten te toveren. Net aan de grensovergang nabij het stadje Linea lees ik per toeval in ´Últimas Noticias´, een Venezolaans dagblad, dat Chavez naar aanleiding van zijn tienjarig jubileum als Venezolaanse president een nieuwe nationale feestdag heeft aangekondigd. Hij is goed op weg om zijn macht voor eeuwig te consolideren...


Ik profiteer van de ruimte, de stilte en de rust om me heen om mijn gevoelens over mijn tocht doorheen de Gran Sabana in woorden om te zetten. De eenzaamheid van het schrijversvak wordt af en toe onderbroken door hoofdstukken uit mensenlevens die mij vooral bij het invallen van de duisternis als een open boek worden aangeboden. De verhalen verdrijven de kilte van de aanspoelende nacht. Ze worden verteld door twee protagonisten die door een toeval van het lot elkanders pad hebben gekruist. Twee mensen met een totaal verschillende achtergrond en waar een generatiekloof van meer dan dertig jaar een grote wig vormt tussen hun kortstondige ontmoeting. De hoofdacteur is Manfred, 55 jaar, geboren in Duitsland en bezieler achter zijn geesteskind ´La Fondación Aldeas de Paz´. Zijn tegenspeelster is Laura, 24 jaar, geboren in Engeland en werkzaam als vrijwilligster voor la Fondación.
Laura is jong, boordevol idealen en energie. Ondanks haar reeds gesetteld leven beslist ze om haar enige werkvakantie op te offeren voor het goede doel. Ze zoekt toenadering tot een bureau die zich toelegt op het uitsturen van vrijwilligers over de hele wereld. Een speling van het lot beslist erover dat ze een maand lang terechtkomt in Santa Elena, bij Manfred. Ik ontmoet haar op de drempel van haar terugkeer naar haar thuisbasis Engeland. Manfred is stukken ouder, maar niettemin nog vol vuur en vlam en de stuwende kracht achter zijn sociaal, economisch en cultureel geëngageerd project. Hij kent de klappen van de zweep binnen het wereldje van de ontwikkelingssamenwerking en heeft zijn eigen manier ontdekt om zijn projecten te financieren. Twee gelijkgestemde zielen, verenigd op dezelfde plek, maar onverenigbaar.
Laura is opvallend zwijgzaam, althans wanneer Manfred in de buurt is. Haar verhaal over de voorbije maand vloeit niet als één pennentrek uit haar kleine notitieboek dat ze af en toe bovenhaalt. Ze is spaarzaam met woorden. Ze fluistert alsof ze de draagwijdte van haar bedenkingen als geen ander weet in te schatten. Manfred is de grote tegenpool, zijn woorden klateren als een waterval. Zijn verhaal stroomt als een meanderende rivier uit zijn kale kop, alsof de afwezigheid van hoofdhaar zijn gedachten de vrije loop laat.
Laura is introvert, beweegt zich voort als een bolster vol opgekropte woede en ontgoocheling. Haar onbaatzuchtig optimisme heeft een grote deuk opgelopen. Het gebrek aan enige organisatie en de onvermijdelijk inefficiënte werking van het project heeft haar ogen doen opengaan. Elke dag realiseerde ze zich meer en meer dat de verpakking van het project belangrijker was dan de inhoud. Manfred is extrovert, beweegt zich voort tussen de tricks van het wereldwijde web om zijn website en zijn project wereldkundig te maken. Hij brengt zijn dagen door achter zijn computer, zoekend naar een manier opdat jonge, geëngageerde vrijwilligers overal ter wereld op zijn site terechtkomen en beslissen om een maand of langer zich in te zetten voor zijn levensdoel.
Laura likt haar wonden na en stelt zich de vraag wat er met haar donatie is gebeurd. Het besef dat het bemiddelingsbureau is gaan lopen met 300 dollar van de in totaal 1000 dollar neergetelde donatie om onbaatzuchtig een maand aan de slag te kunnen gaan bij Manfreds´ project, verzacht geenszins de te slikken financiële bijdrage. Manfred rekent en telt, dag en nacht en voelt zich niet te beroerd om zijn boekhouding aan iedereen te tonen wie erom vraagt. De toekomst baart hem evenwel zorgen, want de wereldwijde economische crisis knaagt aan zijn succesverhaal en aan de broodnodige inkomsten om zijn project draaiende te houden. De vrijwilligers blijven meer en meer weg en de finca, waar het ooit gonsde van de bedrijvigheid en grootse idealen en ideeën in een vaste vorm werden gegoten, wordt stilaan een zielloos huis met veel lege kamers.
Ik kijk als toevallige passant naar een treurspel waarbij twee individuen op eenzelfde plaats vertoeven, maar tezelfdertijd in een andere wereld leven. Ik mis een proloog om het toneelstuk een plaats te geven, het geheel te kunnen kadreren in een passende omlijsting. De regieaanwijzingen bieden geen duidelijkheid. Wat is fictie en wat is realiteit? Wat is bedrog en wat is waarheid? Ik probeer mij een inzicht te verwerven in een spinnenweb dat voor mij ontoegankelijk is. Ik wil en durf geen oordeel vellen. Ik kijk toe vanop de zijlijn en maak mezelf alleen twee bedenkingen. Laura had zich duidelijk een totaal ander beeld gevormd van haar vrijwilligerswerk. De niet ingeloste verwachtingen zullen ertoe bijdragen dat ze voor altijd met gemengde gevoelens en enige terughoudendheid zich zal openstellen voor steun aan de Derde Wereld. De wijze waarop Manfred zich vastklampt aan zijn geesteskind door dag en nacht op zoek te gaan naar elke vorm van donaties zorgt er wellicht voor dat hij de voeling met het echte veldwerk uit het oog verliest. Is het wel de juiste methode om vrijwilligers naast hun onbaatzuchtige inzet ook nog eens per maand 700 dollar -indien het engagement wordt geregeld door een bemiddelingsbureau 1000 dollar- als donatie te laten ophoesten? De hoge bijdrage mag dan misschien wel volledig aangewend worden voor het project, de te snelle wissel van vrijwilligers -langer dan een maand kunnen de meeste vrijwilligers niet bekostigen precies omwille van de hoge bijdrage- komt de continuïteit van het project zeker niet ten goede. Met de aanhoudende wereldcrisis vraag ik me af hoe Manfred zijn eigen hoofd en dat van zijn fondatión de komende jaren boven water zal houden. Het is te hopen dat het project zijn vroegere drive terugvindt zodat de lokale bevolking er alsnog de vruchten van kan plukken...


Manfred is op zijn zachts uitgedrukt een bizarre kerel, iemand die houdt van uitdagingen, van uitersten. Het creëren van zijn spinnenweb begon reeds op achttienjarige leeftijd. Zijn vaderland Duitsland vond hij te bekrompen en aldus trok hij richting Nederland, Amsterdam, waar hij de ruimdenkendheid vond die hij nodig had. Hij startte een opleiding als architect, maar vond het maar niets en besloot het over een andere boeg te gooien. In hartje Amsterdam kocht hij een uitgebrand pand, een levenloos stenen skelet. Twee jaar lang zwoegde hij dag en nacht en blies de ruïne nieuw leven in. Hij stelde het te koop en vond een vrijgevige Duitser die er veel geld voor neertelde. Manfred had een niche ontdekt in de immobiliënmarkt die toen nog in de zijn kinderschoenen stond. Met de opbrengst van zijn eerste pand kocht hij een tweede en een derde huis. Renoveerde ze en verkocht ze tegen hoge winst. Op een leeftijd van dertig jaar stond hij aan het hoofd van een restauratiebedrijf dat werk bood aan vijftig werknemers. In nauwelijks tien jaar tijd had hij het gemaakt. De toekomst lachte hem toe, het geld stroomde binnen.
Manfred genoot van zijn luxueus leven en de vrije tijd die hij spendeerde tussen de jetset van Amsterdam. Het geluk was evenwel schijn, want binnenin zijn ziel heerste onrust. Hij miste de uitdagingen van weleer en had nood aan bezinning. Hij ruilde het vasteland voor de Atlantische Oceaan, verkocht zijn bedrijf en schafte zich een zeiljacht aan. Hij vond opnieuw de rust in zichzelf, maar niet de ware liefde. Geen enkele vrouw zag het leven op het water zitten en dus besloot hij in Ibiza aan land te gaan. Daar ontmoette hij de liefde van zijn leven, een vrouw afkomstig uit Madrid. Ze leefden zorgeloos met de rente van zijn spaarcenten. Maar ook dat begon hem al gauw te vervelen. Hij wou iets doen, iets dat hem opnieuw voldoening zou schenken in het leven. Hij besloot zich in te zetten voor de minderbeelden in de wereld en samen met zijn vrouw engageerde hij zich als vrijwilliger voor diverse NGO´s. Ze leefden in twee werelden. Een half jaar lang brachten ze door in het luxueuze Ibiza, de rest van de tijd zwierven ze rond doorheen het arme Zuid- en Midden-Amerika en Azië waar ze zich onbaatzuchtig ten dienste stelden van de hulpbehoevenden.
In 1990 was de tijd aangebroken om zelf een project op poten te zetten. In Venezuela stampte hij het ´Peace Villages Concept´ uit de grond waarbij het accent lag op de kinderrechten. Hun uitvalsbasis werd Merida waar hij ook zijn tweede vrouw leerde kennen, de bloedmooie, jonge Venezolaanse Xenia. Ze stelden vast dat de concentratie aan problemen het hoogst was in de hoofdstad van Venezuela, Caracas. Ze besloten om in de gewelddadige achterbuurten hun pijlen te richten op de sociale, economische en culturele problemen. ´Fundación Aldeas de Paz´ zag het levenslicht in 1999 en had tot doel om de straatkinderen en de zwangere jonge meisjes een betere toekomst te bieden. Ze boden educatie en beroepstrainingen aan. In 2002 veranderde de politieke situatie in Venezuela grondig. Caracas leek een broeihaard te zijn voor een op til zijnde burgeroorlog, mede in de hand gewerkt door de geslaagde coup waar Chavez opnieuw naar de macht greep. De grond werd te heet onder hun voeten en dus besloten ze alles achter zich te laten en te vluchten naar het verst verwijderde punt van de hoofdstad, naar Santa Elena, vlakbij de Braziliaanse grens. Met de laatste spaarcenten die ze nog hadden kochten ze hoog in de bergen een lap grond van vijf hectaren; kostprijs 15.000 euro. Manfred ontdekte dat in het verpauperde Santa Elena de noden al even groot waren en besloot om hier zijn non-profit organisatie verder uit te bouwen.
Anno 2009 is ´la Fundación Aldeas de Paz´ een begrip geworden in de regio. Het spinnenweb van Manfred lijkt op een ontoegankelijk kluwen vol vreemde hoekstenen. De draden die vroeger bedekt waren met goud, hebben hun rijke glans verloren, maar schitteren nu door duizenden glunderende gezichten die dankzij Manfred en zijn organisatie opnieuw de positiviteit van het leven hebben ontdekt...




Vandaag zet ik een punt achter mijn lange tocht dwars door de Gran Sabana dat deel uitmaakt van het nationaal park Canaima. Niet alleen de vele watervallen die het herbergt vormen een toeristische troefkaart, ook de geheimzinnige tafelbergen lokken tijdens het hoogseizoen behoorlijk wat reizigers. Hun mysterieuze verschijning wordt voor een deel in de hand gewerkt door laag hangende wolkenslierten die hun ware gedaante vaak verdoezelen tot vage silhouetten. Omdat ik ervan hou om de natuur schaakmat te zetten, heb ik gisteren mijn tent opgezet op een strategische plek vanwaaruit ik -bij helder weer- een perfect uitzicht heb op één van de markantste tafelbergen (tepuis), de 2810 meter hoge Roraima. Maar de natuur laat zich niet zomaar verschalken en zelfs in het vroege ochtendlicht moet ik de duimen leggen. Tegen beter weten in trek ik dan maar gewapend met camera en telelens mijn beste stapschoenen aan en loop anderhalve uur in de richting van de tepui. Net wanneer ik aanstalten maak om onverrichterzake terug te keren, openen de wolken zich als gordijnen van een toneelbühne. De hoofdacteur heeft heel even acte de présence en verdwijnt dan even plots als hij is komen opdagen. Net lang genoeg om een ereplaatsje te krijgen in mijn geplande reisdiavoordrachten.
Nauwelijks terug op de trappers fiets ik een dorpje voorbij. In een klein klaslokaaltje tel ik een handvol leerlingen. Wanneer ik voorbij rijd, kijken glunderende gezichtjes me verwonderd aan. Ik kan het niet laten om op mijn passen terug te keren en heel even binnen te wippen. De kinderen laten me hun schoonschrift zien en hun rekensommetjes. Ze stralen tederheid uit en pure onschuld. Heel even dwalen mijn gedachten af en zie ik opnieuw het internetbericht over het drama in het kinderdagverblijf in Dendermonde. Hoe kan iemand zomaar anderen van het leven beroven; hen monddood maken nog voor ze de kans hebben gehad te proeven van het leven? Hoe ga je als ouder om met het besef dat je eigen kind tot zoiets gruwelijks in staat is? Hoe moet de onmacht niet voelen wanneer je smeek om hulp onbeantwoord blijft. En bovenal, hoe ga je om met het verlies van je kleinste dat het opperste geluk bracht in je leven? Vragen die nimmer een pasklaar antwoord zullen hebben, omdat we als mens niet gehard zijn tegen zulke afschuwelijke praktijken. Een kleine bengel trekt aan mijn mouw en brengt me terug tot de realiteit. Fier als een gieter toont hij me zijn beduimeld handschrift: broos en hoekig, net als het leven zelf. Ik wil dit moment op de gevoelige plaat vastleggen, maar vraag toch uit beleefdheid toestemming. Tijdens mijn lange tocht heb ik geleerd dat je een ´neen´ kan krijgen, maar een ´ja´ kan verdienen. Vijf minuten later zit ik terug op de fiets met alweer enkele onuitwisbare digitale herinneringen.
Ik hou nog heel even halt bij de Quebrada de Jaspe. Deze waterval onderscheidt zich van alle andere door zijn kleurenspel. Het water stroomt er namelijk over de bloedmooie jaspis, een roodkleurige edelsteen die reeds in de oudheid werd gebruikt voor de vervaardiging van juwelen. De aanblik is verrassend en oogverblindend mooi. Voor de ingang die toegang biedt tot de waterval hebben enkele indianen hun nederzetting opgetrokken. Ze overleven dankzij de kleine bijdrage die toeristen betalen om het unieke schouwspel te bewonderen. Persoonlijk heb ik geen probleem met het innen van inkomsten ter bescherming en behoud van het milieu, maar hier liggen de kaarten duidelijk anders. Tijdens het noodgedwongen schuilen voor een plotse hevige regenbui, merk ik dat de bewoners het geld aanwenden om het op een stevig drinken te zetten. Voor menige hut liggen heuvels lege bierblikken. Het toerisme werkt hier in ieder geval het alcoholprobleem duchtig in de hand.
Eindelijk! Na negen fietsdagen en 812 km verder fiets ik rond vijf uur in de avond de laatste stad ten zuiden van Venezuela binnen: Santa Elena. Om het behalen van de eerste eindmeet te vieren, trakteer ik mezelf op een chocolade donut en chicha, een melkdrankje op basis van rijst. Ik blik terug op een zoveelste verbluffend mooie fase uit mijn zwerversbestaan. Het gelukzalig gevoel is evenwel van korte duur. Via de site van couchsurfing ben ik uitgenodigd bij Manfred om daar enkele dagen te bekomen van mijn zware fietsinspanningen. Manfred had me per mail een zeer summiere wegbeschrijving doorgestuurd, te beknopt om op eigen houtje mijn weg te vinden. Na lang rondvragen, word ik eindelijk de goeie richting uitgestuurd. De route verlaat volledig het centrum en brengt me bij de invallende duisternis langsheen de slumps van Santa Elena. Het asfalt verandert in een modderige weg waarlangs haastig in elkaar geflanste golfplaten huisjes armtierig zij aan zij leunen. Ik voel me totaal niet op mijn gemak. Ik verwijder me alsmaar verder van de stadskern en zie hoe de weg zich hoog in de bergen slingert. Tot overmaat van ramp breekt een wolkbreuk los en verandert de baan in een gigantische modderpoel. Verder fietsen is uitgesloten en met de moed der wanhoop hijs ik mezelf en de fiets hoger en hoger. Het is inmiddels kwart voor zeven en pikdonker. De bergachtige omgeving wordt hier en daar opgelicht door schaarse peerlampjes, tekenen van bewoning. Mijn zwaar beladen fiets zakt steeds vaker en dieper weg en ik moet mijn laatste krachten aanwenden om op de been te blijven. Ik zie haast geen steek voor mijn ogen. De situatie wordt nog uitzichtlozer wanneer blijkt dat ik een verkeerde afslag heb genomen en een heel eind terug moet. Ik verwens mezelf, maar nog meer Manfred die me niet op de hoogte heeft gesteld dat de toegang tot zijn woonst per fiets onbereikbaar is. Mijn Teva-sandalen walsen door de modder, mijn fiets daarentegen steeds minder. Kleffe aardkluiten klitten zich vast aan mijn remblokken en om de drie meter moet ik de kleverig kleimassa lospeuteren. Dit is echt wel het laatste wat ik me had kunnen voorstellen na mijn negendaagse fietstocht. Op een bepaald moment is er zelfs helemaal geen doorkomen meer aan. Mijn fiets zit totaal vast en weegt wel een ton. Er zit niets anders op dan al de bagage eraf te gooien en ze één voor één door het slijk hogerop te dragen. Vijftig meter, twintig meter, vijf meter. De beelden van de hel van Bojuri (cfr. reisverslag Brazilië, 5-11-2006) komen opnieuw bovendrijven. Rond half negen bereik ik totaal uitgeput het hekken van het allerlaatste huis, de woonplaats van Manfred. Het valt maar te hopen dat het de zware uitputtingsslag meer dan waard is...




Een uur later sta ik vertrekkensklaar, maar ik wil niet zomaar vertrekken, niet zonder afscheid te nemen van Ismaël. Daarenboven heb ik vastgesteld dat m´n voorste bagagedrager los zit. Gisteren heb ik ongetwijfeld op de hobbelige weg naar Kanavayen en Iboribo een bout kwijtgespeeld. Ik wacht geduldig tot Ismaël wakker wordt, hopend dat hij me kan helpen. Tien minuten later hoor ik de rokerige rochel van een ontwakende Ismaël. Terwijl het water voor de koffie haar kookpunt bereikt, neemt hij me mee achter het kippenhok. In het gras ligt een ijzeren lade van een gesneuvelde keukenkast, een vergaarbak vol roestige bouten en moeren. Een waardeloze ijzerwinkel waarin ik net datgene vind wat ik nodig heb.
Even later geniet ik van het aangeboden ontbijt: hardgekookte eieren en gebakken bananen. Uit de luidsprekers van een aftandse jukebox weerklinkt de Creoolse stem van Reynaldo Armas. Ik luister naar Ismaëls levensverhaal, over zijn kinderen en kleinkinderen, over zijn vrouw waarmee hij al 25 jaar samenwoont, over de ups en downs in zijn leven. In een momentopname voel ik hoe alle ingrediënten samenvloeien tot een potpourri van weekheid: de muziek, het verhaal van Ismaël, de dampende koffie, de geurende bakbananen. Ik pers m´n lippen samen om niet in huilen uit te barsten. Wat zal ik dit leven missen, dit zwerversbestaan.
Bij het afscheid nemen begroet hij mij als een vriend, als z´n bloedeigen broer. Hij vraagt me om hem een Spaanse vertaling op te sturen van m´n reisboek. Ik hoop dat ik ook deze droom kan waarmaken. Terwijl hij me uitwuift, breekt vanbinnen een snaar. Tranen wellen op en al gauw vloeien ze als kleine beekjes over m´n wangen. Ik huil om het afscheid nemen, het moeten vertrekken. Kilometerslang ween ik ook uit angst voor de harde confrontatie, eenmaal terug in België. Maar ik huil eveneens om dankbaarheid; uit dank voor al het moois dat ik op mijn weg heb ontmoet, de innige vriendschapsbanden, het dagdagelijks geluk. Eenmaal terug thuis zal ik opnieuw zwerven in mijn herinneringen tijdens de lange vertelavonden. Ook dat zal ongetwijfeld een verrassende zwerftocht worden...




Ik word wakker door het geluid van scharrelende kippen. Ze paraderen zonder enige schroom rond m´n tent. De cirkelvormige piste lijkt wel hun catwalk. Met slaperige ogen sla ik de vroege modeshow gade. De kille ochtendnevel gooit evenwel roet in mijn matineevoorstelling, want na enkele luttele seconden zijn mijn brillenglazen bedekt met een flinterdun regengordijn. Ik besluit dan maar om me klaar te maken voor een nieuwe fietsdag. Wanneer ik tijdens het ontbijt mijn fietsplannen kenbaar maak aan Ismaël stelt hij me voor om mijn gerief hier te laten en de nog resterende weg naar Kavanayen met een minimum aan fietsbagage af te leggen. Om terug te keren naar de grote geasfalteerde baan moet ik sowieso dezelfde terugweg nemen. Wanneer ik even later wegfiets, roept Ismaël me nog na. "Als je voor de invallende duisternis terug bent, dan kunnen we samen avondeten. Mijn vrouw gaat vandaag naar de stad en keert pas overmorgen terug." Ik steek welgemutst mijn duim in de lucht als antwoord op zijn culinaire uitnodiging.
Reeds bij de eerste honderd meter voel ik opnieuw hoe de natuur mij opzwelgt. Mijn zintuigen worden andermaal op de proef gesteld en ik merk hoe snelheid in de leegte een moeizaam begrip wordt. Elk referentiekader ontbreekt hier immers. Er zijn geen huizen, geen dorpen, geen bomen. De hoogvlakte van de Gran Sabana voelt aan als de Argentijnse pampa´s: eindeloos, oeverloos. Ik word één met het grote niets, maar schijn bedriegt. Want zelfs in de afwezigheid van iets neemt het niets toch diverse gedaanten aan. De laaghangende wolken geven het achtergronddecor telkens weer een ander timbre. De bandensporen van de schaarse voertuigen krijgen af en toe een speels karakter, terwijl ze zich enkele meters verderop dan weer donker aftekenen in de gestolde groeven van de rode aarde. Op weg naar het indianendorpje Iboribó verandert de verharde grindbaan in een zanderige piste. Mijn fietsbenen krijgen het andermaal hard te verduren, maar de ongenaakbare schoonheid van de omgeving verzacht het lijden. Ook hier, in het stoffige, zanderige gedeelte van de Gran Sabana vergaat niets. Als ik even op adem kom en mijn benen wat strek tussen het droge helmgras zie ik een verroest blikje etenswaren. Zelfs de nalatigheid van de mens verandert niets aan de onvergankelijkheid van het artificiële.
Het indianendorpje Iboribó stelt bijzonder weinig voor. Het lijkt eerder op een spookdorpje. De ronde hutjes met strooien daken liggen er levenloos bij. Alleen de opgeklapte stoelen en tafels en de met de wind meewiegende reclameborden doen vermoeden dat de schaarse eettentjes en artisanale winkeltjes betere tijden hebben gekend. Ik ontmoet er slechts twee dorpelingen. Ze doden de tijd met niets doen. Zelfs de gemotoriseerde kano´s liggen er werkloos bij. Het toeristisch hoogseizoen telt hier in deze periode van het jaar slechts twee dagen, zaterdag en zondag. Mijn hoop om de hoogste waterval van de Gran Sabana te zien, de Salto Aponwao, is een maat voor niets geweest. Weekdagen zijn hier rustdagen. Het scheppingsverhaal van God hebben ze hier duidelijk naar hun hand gezet. Ik laat het niet aan mijn hart komen en zet koers naar Kavanayen. Dit indianendorpje is ooit ontstaan als een missiepost. De restanten van dit verleden weerspiegelt zich nog in het bijzondere kapucijnenklooster dat zowat de kern vormt van deze Pemón-gemeenschap. Ik blijf er niet te lang dralen, want de terugweg tot het aangeboden avondmaal is nog een goeie veertig kilometer verwijderd.
De timing is perfect en nog voor de Gran Sabana indommelt in de vacht van de inktzwarte nacht, geniet ik samen met Ismaël van zijn kookkunst. Voor de gelegenheid serveert hij zijn lievelingsgerecht, vissoep. Het geslurp wordt af en toe onderbroken met hoofdstukken uit ons persoonlijk levensboek. Als ik hem vraag of hij in de beslotenheid van het absolute niets, de Gran Sabana, ook de politieke situatie van zijn land op de voet volgt, lacht Ismaël alsof ik net een goeie grap heb verteld. De politiek is ver van zijn bedshow. "In een land waar het politiek bestuur alle mediakanalen in eigen handen heeft, weet je op voorhand dat alles politiek gekleurd is." Zo krijg ik te horen dat Chavez op 15 februari een soort voortijdse presidentsverkiezing heeft uitgeschreven. In principe kan hij na zijn tweede ambtstermijn, die loopt tot eind 2012, zich niet langer kiesbaar stellen. Maar Chavez zou Chavez niet zijn mocht hij deze in de grondwet vastgelegde bepaling niet hebben gewijzigd. In een referendum moet het volk op 15 februari zich uitspreken of hij zich voor altijd mag blijven kandidaat stellen. Het ziet ernaaruit dat Chavez in het voetspoor wil treden van zijn goeie Cubaanse vriend Fidel Castro. Op mijn vraag of hij zal meedoen aan het referendum antwoordt Ismaël ontkennend. "Ach, de uitslag is al op voorhand gekend. Het ja-front zal het andermaal halen van de oppositie. Chavez heeft de partijkaart getrokken van het populisme en scoort hoge toppen bij vooral de arme bevolking." Toch heeft Ismaël ook zijn bedenkingen over het gevoerde beleid. "In het verleden heeft hij al eens een dergelijk referendum voorgeschreven, maar toen werd het weggestemd. De roep om eeuwige macht was te nadrukkelijk. Nu pakt hij het subtieler aan. Chavez heeft zijn eisenpakket verdoezeld door het onder te verdelen in lagen. Mensen worden verblind door de decoratieve elementen." Ismaël heeft wel enige waardering voor hem, omdat hij de eerste president is sinds lange tijd die de corruptie ook daadwerkelijk bestrijdt. Toch hoor ik tussen de regels door ook kritiek ten aanzien van zijn grote Sinterklaaspolitiek die hij voert ten gunste van heel wat buurlanden. "Zopas heeft hij Bolivië 300 km autosnelweg beloofd, terwijl onze wegen er rampzalig bijliggen. Chavez wil iedereen te vriend zijn, maar zoiets kan niet." Wat de toekomst brengen zal, is ook voor Ismaël een groot vraagteken. "Venezuela maakt onder Chavez een revolutionaire omwenteling mee, maar voor hoelang. Tenslotte vermoordt elke revolutie vroeg of laat zijn eigen kinderen."
De vurigheid waarmee hij zijn politieke gedachten te berde brengt, doet me van binnen glimlachen. Ismaël, de grote politieke redevoerder, levend zonder krant en zonder televisie. Zijn nuchtere kijk zou de wereld wellicht een stukje beter kunnen maken...




Wanneer ik een half uur later afscheid neem, is de regen reeds afgenomen tot miezerige motregen. Omdat het gisteravond reeds pikdonker was toen ik voorbij het monument voor de soldaten voorbijfietste, rij ik vandaag een stukje terug. Bij aankomst priemen reeds de eerste zonnestralen doorheen het wolkendek. Raoul had gelijk. Het monument heeft iets weg van een opengeklapt prentenboek. Zowel links als rechts zie ik noeste soldaten die ijverig een wegdek aanleggen. Ere wie ere toekomt, moet men hier gedacht hebben en dus heeft men voor de soldaten die de weg door de Gran Sabana hebben aangelegd ´el Monumento el Soldado Pionero´ opgericht.
Naarmate ik verder rijd, neemt het landschap een andere gedaante aan. De hellingen blijven, maar de dichte bebossing van de Gran Sabana verandert in een eindeloze grasvlakte. Het helmgroen tapijt lijkt wel op een gigantisch glooiend golfterrein. De goed geasfalteerde baan kronkelt zich over de heuvels heen als een ellenlange rups. Op een gegeven moment merk ik een afslag naar links. Aan de splitsing valt mijn oog op enkele naambordjes: Kavanayen 70 km - Salto Torón 41 km. De offroad-weg kleurt aarderood van het grind. Intuïtief voel ik aan dat ik deze piste moet volgen als ik de onmetelijke Gran Sabana ten voeten uit wil ervaren. De bandenweerstand valt behoorlijk tegen, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd met het natuurschoon om me heen. De confrontatie met de weidse vlakte en met mezelf is betoverend mooi. Een gevoel dat nog versterkt wordt wanneer ik vaststel dat ik -voor zover het oor en het oog reiken kan- geen enkel gemotoriseerd voertuig hoor of zie. Het lijkt wel of ik door een ´vergeten wereld´ fiets. Voor een zoveelste keer op rij besef ik hoe dankbaar ik mag zijn dat ik dit alles in eigen persoon kan en mag ervaren. Reizen is een actieve bezigheid die je moet beleven, met al je zintuigen. Meermaals stap ik van mijn fiets. Niet om uit te rusten, maar om me één te voelen met de natuur. Mocht het fietsparadijs ooit bestaan, dan is dit ongetwijfeld een deel ervan.
Het fietsplezier blijft me op de been houden en in pure opwelling neem ik de afslag die me brengen moet naar ´Salto Torón´. De Gran Sabana kenmerkt zich niet alleen door zijn mysterieuze tafelbergen, maar bezit tevens een heel scala aan watervallen (saltos) en dit van uiteenlopende hoogte en breedte. Naarmate ik mijn einddoel nader, merk ik op dat ik toch niet de enige zwerver ben. Ter hoogte van de hobbelige weg doemt in de verte een iglotentje op, keurig neergeplant naast een witte jeep. Eenmaal terplaatse zie ik dat de Toyota zich compleet heeft vastgereden. In de tent zit een verkleumde Alexandra, een Venezolaanse schone, maté te drinken. Ze vertelt me dat ze al de hele morgen op haar man Reynaldo wacht die hulp is gaan zoeken. Gisteravond rond vier uur zogen de wielen zich vast in de modder en noodgedwongen hebben ze de nacht buiten doorgebracht in hun tent. Nauwelijks me vergewissend van de situatie horen we in de verte een vrachtwagen aanrijden. Door de schaarse bewoning in de Gran Sabana heeft het Reynaldo meer dan een halve dag gekost om iemand te vinden om hem en zijn vrouw uit hun hachelijke positie te redden. Het heeft nog behoorlijk wat voeten in de aarde om de Toyota terug op het rechte pad te krijgen. Eenmaal het koppel opgelucht hun tent afbreekt en de voorbereidingen treft om met bijna 24 uur vertraging verder te reizen, fiets ik door tot aan de waterval Torón. Mijn allereerste in een lange rij...




Nauwelijks kilometerpaal 88 verlaten, krijg ik wroeging van mijn ondeugendheid en besluit daarom maar mijn slecht gedrag tien kilometer verder op te biechten aan de maagd Maria. Haar silhouet staat afgebeeld in een zwarte granieten rots (La Piedra de la Virgen) die km 98 kenmerkt. Op een steenworp daar vandaan staat haar beeltenis in gips omgeven door een zee aan kaarslicht. Haar oordeel is streng, want veertig kilometer lang schuift ze de ene col na de andere onder mijn fietsbanden. Alsof de duivel ermee gemoeid is, wordt mijn moeizame beklimming bovendien gekruist door een giftige slang (een Lystrophis pulcher), in de volksmond beter bekend als de Zuid-Amerikaanse driekleurige haakneusslang. Ik merk de roodgevlekte gifbijter gelukkig tijdig op en besluit er maar in een wijde boog omheen te fietsen. Na een beet van dit beestje heb je nauwelijks nog de tijd om een schietgebedje op te zeggen. De boodschap is ondertussen goed en wel tot me doorgedrongen: ´Bezin eer je begint...´
De hellingen lijken eindeloos en de zon ondraaglijker dan ooit. Met de zweetdruppels die ik op mijn zwerftocht reeds heb achtergelaten, zou ik ongetwijfeld kunnen wedijveren met het spaarbekken van Woumen. Mijn loodzware fiets strompelt het landschap voorbij en ik moet lijdzaam toezien hoe de duisternis zich in dichte drommen rond me heen sluit. Het nevelwoud is zo dicht begroeid dat ik geen schijn van kans maak om ook maar ergens mijn tent neer te poten. Er zit niets anders op dan de zwarte nacht tegemoet te fietsen. Een blik op mijn landkaart geeft me opnieuw wat hoop. Kilometerpaal 143 staat aangegeven als een campamiento, een militaire legerkazerne. Iets voor acht uur ´s avonds bereik ik totaal leeg gereden de controlepost. Een gevoel van opluchting vloeit doorheen mijn afgepeigerde ledematen. Na een resem rangen te hebben doorlopen mag ik er uiteindelijk van de legeroverste overnachten. Meer nog, ik krijg een bed aangeboden en een verkwikkende douche. Blijkbaar heb ik mijn boetetocht volbracht...




El Dorado baadt reeds in de tropische ochtendzon wanneer ik op zoek ga naar een vitaminerijk ontbijt. Het valt me op hoe troosteloos dit dorpje aanvoelt. De schamele straatjes worden geflankeerd door bloedhete arbeidershuisjes van gegolfd plaatijzer en het asfalt heeft iets weg van gruyèrekaas. Je zou het niet meteen verwachten voor een plaats die luistert naar de welklinkende naam van ´de vergulde man´. Een mythe vertelt het verhaal van een vorst die zich tijdens een ritueel feest ter ere van de zonnegod bedekt zou hebben met stofgoud. Vervolgens werd hij op een vlot naar het midden van een meer gevaren, waar hij zich het goud van het lichaam waste. Om de zonnegod gunstig te stemmen gebood hij bergen goud en edelstenen als offergaven in het water te gooien. In de fantasieën van Europese avonturiers nam de legende buitengewone proporties aan. Zo zou de vorst het ritueel elke dag hebben uitgevoerd en suggereerde men zelfs dat er op de bodem van het meer een gouden stad lag. De speculaties zijn inmiddels achterhaald, maar het dorpje heeft zijn naam weten te behouden. Ik laat de mythe voor wat ze is en probeer daarentegen een glimp op te vangen van de gevangenis van El Dorado. Naar het schijnt zou hier ooit ´Papillon´, alias Henri Charrière, een tijdje hebben vastgezeten. De gevangenis ligt evenwel goed verscholen aan de andere kant van de rivier. Ik besluit dan maar mijn reis verder aan te vangen en koers te zetten naar la Gran Sabana.
Nauwelijks vertrokken wordt mijn aandacht getrokken door een fascinerende staalconstructie die parallel naast een nieuwe brug loopt. Het metalen gevaarte overspant de Rio Cuyuni en blijkt nog een geschenk te zijn van Frankrijk, ooit ontworpen door Gustave Eiffel. De stalen kabels imponeren en slingeren als onbreekbare lianen over de volledige breedte van de rivier. Het valt me zelfs op hoe mooi de ijzeren brug ingebed ligt in het groen. De brug is tevens het startpunt van de lange weg naar Santa Elena en werd daarom jaren geleden omgedoopt tot ´el kilómetro cero´ (km nul). Gaandeweg hebben ook de dorpjes langs de route de nummering overgenomen. Ze gaan de plaatjes door het leven als genummerde kilometerpaaltjes. Eén van de bekendste ligt bij kilómetro 88. Zijn faam heeft het dorpje 88 te danken aan de goudzoekers die nog elke dag in de wijde omgeving op zoek gaan naar klompjes van dit kostbaar metaal. De wat sjofele indruk van het dorp laat niet meteen vermoeden dat hier meteen het grote goud te rapen valt.
De klok wijst reeds vijf uur in de vooravond aan en dus besluit ik om het vandaag voor bekeken te houden. Aan slaapaccommodatie is er geen gebrek. Deze keer kies ik een beter budgethotel uit. De ruime slaapkamer heeft airco en tv, terwijl de aanpalende badkamer beschikt over stromend warm water. Na het ontbreken van elke elementaire nutsvoorziening in mijn vorig hotel, voelt mijn stulpje deze keer aan als een vijfsterrenhotel. Kleine contrasten maken soms een wereld van verschil...


Het valt me op dat de desolaatheid toeneemt. De voorbijzoevende wagens verminderen in aantal en het landschap lijkt zich nog weidser uit te strekken. Er bekruipt mij een tweeslachtig gevoel: angst en opluchting. Opluchting omwille van een dalend risico om omver gekegeld te worden -De secundaire weg is hier aangelegd in functie van koning auto, want een fietspad valt er nergens te bespeuren-. Mijn angstgevoelens zijn dan weer ingegeven door het verhaal dat ik een week geleden per toeval vond op het wereldwijde web. Zoekend naar de exacte afstand tussen Puerto Ordaz en Santa Elena, stootte ik op de reisblog van een fietsend Nederlands koppel. Drie jaar geleden deden ze dezelfde route aan, althans gedeeltelijk. Aan hun fietsplezier en hun reis kwam er namelijk vervroegd en brutaal een einde toen ze gewapend werden overvallen door drie mannen. Vijf minuten later moesten ze hulpeloos toezien hoe de snoodaards er vandoor gingen met al hun bezittingen, inclusief geld en bankkaarten. Wrong place, wrong time... maar het moet je maar overkomen. Ik probeer de donkere gedachten van me af te fietsen door mijn ritme wat op te drijven.
Nauwelijks goed en wel op dreef hoor ik achter mij hoe een kleine vrachtwagen naar een lagere snelheid schakelt. Wanneer het voertuig me traag voorbij rijdt, roept de bijzit van de chauffeur me iets toe. Het geluid van de ronkende motor overstemt evenwel zijn woorden. De vrachtwagen steek me voorbij en parkeert zich vijftig meter verder. Ik stop intuïtief en kijk achter me om. Een half uur geleden speelde zich identiek hetzelfde scenario af. Toen waarschuwde een vooroprijdende wagen voor een aankomend zwaar konvooi. Nu valt er in de verte evenwel niets te bespeuren. Ondertussen zijn beide mannen uitgestapt. Het verhaal van het fietsend Hollands koppel danst opnieuw voor mijn ogen. Ik twijfel tussen omdraaien of verder fietsen. Maar terugfietsen naar waar? Ik prevel mezelf moed in, trek me langzaam op gang en fiets de mannen behoedzaam tegemoet. Eenmaal ter hoogte van hun positie, springt één van hen voor mijn wielen. Ik knijp mijn remmen dicht. Mijn hart klopt haast uit mijn keel. Ik merk dat de tweede man ondertussen de laadruimte van zijn vrachtwagen heeft opengemaakt. Word ik hier ontvoerd? Heel even wordt het zwart voor mijn ogen. Enkele seconden later sijpelt de ware toedracht tot me door. De mannen willen me gewoon een lift geven tot aan kilometerpaal 88. Ik voel duizend en één doodsangsten uit mijn lijf wegstromen, maar blijf evenwel meester over de situatie. Vreemd, had ik om een lift gevraagd? Ik wimpel hun aanbod af, enerzijds omdat het tegen mijn fietsprincipes indruist en anderzijds omdat ik ondanks de hitte mateloos geniet van de rit. Mijn weigering stuit op onbegrip en via allerlei argumenten proberen ze me tot andere inzichten te brengen. Ik voel intuïtief aan dat er iets niet klopt. Hun opdringerigheid maakt plaats voor ergernis. Angst overspoelt me andermaal. Wat als één van hen plots een pistool tevoorschijn haalt? Kalm blijven, rustig blijven. De hele tijd heeft er geen enkele wagen ons pad gekruist. Ik besluit uiteindelijk kordaat te vertrekken, roep hen nog een bibberende gracias toe en spurt weg van de onheilsplek. Een halve minuut later stuift de vrachtwagen langs me voorbij. Ik probeer in hun vlucht de nummerplaat te ontcijferen. Anderhalve minuut later zijn ze uit het zicht verdwenen. Met knikkende knieën ga ik aan de graskant zitten. Tergend traag spoel ik de filmband opnieuw af. Heb ik geluk gehad en hadden ze echt de intentie om mij te beroven of wilden ze zich gewoon joviaal opstellen en mij een lift geven? Maar waarom dan die opdringerigheid en die oplaaiende ergernis? Omdat hun scenario niet volgens plan verliep? Ik blijf tubben en de rest van de fietstocht gaat het mooie landschap aan mij voorbij.
Net voor de duisternis invalt, bereik ik het dorpje el Dorado. Ter hoogte van het centrale plein staat een geelachtig gebouw. In zwarte drukletters lees ik het opschrift ´Hotel Dorado´. De dame aan de receptie is verzonken in haar gsmwereld en kijkt niet eens op wanneer ik mijn fiets tegen de muur zet. Mijn groet wordt beantwoord door een droge "Si, que tu quieres?" (Ja, wat wil je?) Mijn vraag of er een overnachtingplaats is, wordt al even kortaf voorzien van repliek. "Si, con ventilator 40, con aire conditionado 60." De gedesinteresseerde toon in haar stem is kenmerkend voor de wijze waarop verkopers in Venezuela toeristen aanspreken. Vriendelijkheid is in dit land vaak ver zoek.
De tijd dat ik vroeg of ik eerst de kamer mocht inspecteren, behoort al lang tot de verleden tijd. Na een lange fietsdag ben ik al blij dat ik mijn tent niet hoef op te slaan. De slaapruimte is goor. Vochtplekken hebben weke kransen achtergelaten op het pleisterwerk. Er hangt een muffe geur van schimmels. De badkamer tart evenwel alle verbeelding. Fauna en flora tieren er weelderig in het rond. De douchebak lijkt wel op een kweekvijver van mosplanten en ongedierte. Het is het soort herbarium waar elke herborist een natte droom van krijgt. Een spiegel ontbreekt, evenals stromend water. Onder de werkloze douchekraan staat een halfvolle regenton met brak water. Het toilet mist een wc-bril evenals het deksel van de spoelbak is spoorloos. Zou een half toilet hier goedkoper zijn misschien? Wanneer ik de lakens afspeur, zie ik hoe twee vlooien een paringdans opvoeren. Tegen het hoofdeinde plakken de restanten van een half opgepeuzelde kakkerlak. Eromheen cirkelt een halve aureool van een voetafdruk. Wellicht was mijn voorganger gisteren in een slechte bui...




In de schaarse dorpjes die ik voorbij fiets, groeten mannen me vanuit hun wiebelende hangmatten vriendelijk toe. Kinderen roepen me na en hollen lachend achter me aan. Ze blijven me toezwaaien net zolang tot ik een stip ben aan de horizon. Chauffeurs steken me voorbij, hun duim in de lucht of hun hand tegen de claxon gedrukt. Een zwartgeblakerde Venezolaanse hangt bij het voorbijrijden met haar hoofd uit het raam. Haar ogen stuiteren bijna als glazen knikkers op de grond. De verwondering ontlokt bij mij een zalige glimlach en doet me heel even de haast ondraaglijke hitte vergeten. De lucht voelt met een gemiddelde van 34 graden verschroeiend heet aan. Ik consumeer moeiteloos vijf liter water. Water is hier een kostbaar goed en bedraagt bijna het dertigvoudige van benzine. Wanneer ik mijn benzinebrander bijvul kan ik mijn ogen niet geloven. Eén liter benzine kost hier -hou je vast aan de takken van de bomen- exact 0,02 euro. Daar waar je in België voor een volle benzinetank van 50 liter -vermoed ik- 75 euro neertelt, kom je er hier vanaf met amper 1 euro. Jammer dat mijn lichaam niet op benzine rijdt, het zou mij een stuk goedkoper uitkomen. Rond de klok van twee uur in de namiddag komt er heel even een fikse regenbui opzetten. Daar waar ik vroeger vliegensvlug mijn regenjas uit mijn fietstassen zou opdiepen, omarm ik nu innig de dikke regendruppels als de ontmoeting met een onverwachte minnares. Ze slaat en zalft alsof het een lieve lust is en ik voel me prinsheerlijk. Ze hurkt tegen me aan, kust mijn wangen en ogen nat. Ze verleidt me en ik geniet.
De weg is lang, haast kaarsrecht en licht golvend. Ondanks de rustpauze van iets meer dan een maand, vinden mijn fietsbenen meteen het juiste ritme. Op het einde van mijn fietsdag klopt mijn kilometerteller dan ook af op 167 km. Bij aankomst in Guasipati herinnert een houten verkeersbord me eraan dat ik nog 335 km verwijderd ben van mijn eindbestemming, la Gran Sabana. Dit beschermd natuurgebied kenmerkt zich vooral door zijn uniek landschap waar tafelbergen als immense zandkastelen uit de grond rijzen. Ze dateren uit een onvoorstelbaar ver verleden toen Afrika en Zuid-Amerika nog één continent vormden. De aanschouwing van deze natuurpracht is nog niet voor morgen...




Ik had gedacht om terug in casa Lobo te logeren. Tenslotte had ik daar een half jaar geleden wat gerief achtergelaten, maar dat was buiten de waard gerekend van Kai, de gerant van de hostal. Straalbezopen -blijkbaar heeft de overgang van oud naar nieuw hem niet tot andere gedachten gebracht- vertelde hij me dat de hostal volzet was. Een aanwezige vriend van Kai stelde meteen -tegen een kleine vergoeding- zijn appartement ter beschikking en zo heb ik de voorbije twee dagen doorgebracht ten huize Alejandro. Een wat vreemde snuiter die dertig jaar geleden zijn vaderland Peru inruilde voor Venezuela. Hij komt aan de kost als zwemleraar en door het uitbaten van een mini-mini-winkeltje in zijn appartement. De klanten zijn medebewoners uit het torenhoge flatgebouw. Vooral de openingsuren (van 12u tot 14u en van 18u tot 01u ´s nachts) zorgen ervoor dat hij toch behoorlijk wat klanten over de vloer krijgt. Kleine kinderen kopen er snoepgoed, huismoeders rudimentaire voedingsmiddelen en mannen drank en sigaretten. Alejandro heeft het allemaal, torenhoog opgestapeld binnen een afgebakende ruimte van 1,5 vierkante meter.
Vandaag bezoeken we samen het park Cachamay waar de Rio Caroni, na een reeks stroomversnellingen, zich in een spectaculaire waterval neerstort. Het watergekletter doet me heel even terugdenken aan mijn bezoek aan Foz do Iguaçu in Brazilië, nu ook alweer meer dan twee jaar geleden. Wat vliegt de tijd toch snel. In de stad San Felix begeven we ons dan weer naar de plaats waar de rivieren Caroni en de Orinoco samenstromen. Vooral deze laatste rivier behoort tot één van de bekendste ter wereld, niet in het minst door zijn lengte. Ruim 200 km lang baant hij zich een weg door het land alvorens uit te monden in een enorm moerassig labyrint van waterwegen dat groter is dan heel Nederland. Een oude veerpont zet ons over naar de andere kant van het vasteland. De boottocht heeft ons de kans om zeer duidelijk de kleurscheiding tussen de twee rivieren waar te nemen. De Caroni is eerder bruinkleurig, terwijl de Orinoco inktzwart is. Turend over de reling lijken de rivieren wel op twee verstrengelde geliefden die heel even elkanders pad kruisen, samen uitstappen bij eenzelfde treinhalte om even later elk hun eigen weg te gaan...