Vulkaan Lanín
Te midden van een onsamenhangende blokkendoos,
piek jij, als een kegel hoog omhoog,
als een zeldzame, sneeuwwitte roos.
Met je uitgestrekte bruinwitgevlekte flanken,
vorm je de natuurlijke grens tussen twee landen,
elk met hun eigen accenten en klanken.
In het ochtendgloren kleur je rozerood,
´s middags schilder je ijzig wit
en bij valavond omhul je je met de grijstinten van de dood.
Drieduizend zevenhonderdzeventig meter hoog...
Je ijzelingwekkende gestalte doet me wankelen
en heimelijk wou ik dat je loog.
Toch nam je me schoorvoetend in vertrouwen,
stimuleerde me bij elke stap,
trok me hogerop aan mijn jas met veel te lange mouwen.
Je huid knisperde als versplinderde glasscherven.
Ik liet onuitwisbare sporen na
door liefdevol je naam te kerven.
Uiteindeijk heette je me welkom met Chileense maté.
We reikten elkaar de hand, hoog aan de top
om je vervolgens te laten rusten, in rust en vree.
Buenos Aires,
jij bekoort en fascineert
met je onvermoeide elegantie.
Danst de tango nimmer verkeerd
en prostitueert zonder kwitantie.
Jij permanente hoogmis aan het bruisende leven
met je mimespelers en straatmuzikanten,
blijven kleuren en klanken heel even kleven
aan de centen van de kijklustige passanten.
Jij Babylon van het heelal,
met je roemrijke huizen als paleizen.
Dribbelend met bouwstijlen en voetbal
verleid je zelfs de oude wijzen.
Jij bemint en passioneert
met je zweem voor lyriek,
verschalk je de nacht en domineert,
omdat je bezit één en al esthetiek.
Uruguay
Land van pampa´s en gaucho´s,
op het kruispunt van hier en nu.
Fietsend lijk je haast eindeloos.
Land met een sterk geweten,
koesterend een koloniaal verleden.
Door de buitenwereld haast vergeten.
Land van nationale helden,
bewierookt tot in de eeuwigheid,
ondanks de talrijke slagvelden.
Land van groene maté,
verstrengeld met je linkerarm,
net zoals je onovertroffen carné.
Je hebt me weten te bekoren,
met je pure eenvoud en schoonheid.
Daarom heb ik er m´n hart in verloren.
Montevideo,
je huilt op de tonen van de tango
en danst langsheen de schaduw van je verleden.
Je ontwaakt met de weemoed van een eindeloos herhalende droom
en dommelt in bij de schemerzone van de nacht,
met je onafscheidelijke maté in de linkerhand,
mijmerend over wat geweest is en komen zal.
Wanneer de eerste zonnestralen filteren doorheen de morgendauw
en je gevels opnieuw de kleur aannemen van verloren gewaande grandeur.
Wanneer je ondeugend knipoogt naar je grote zus aan de overkant
en je nog slaperig de eerste verdwaalde toerist omarmt.
Wanneer de mercado del puerto bij lunchtijd volloopt
en de geur van geroosterd vlees de ruimte vult.
Wanneer de flanerende pleinen opnieuw schitteren in de late middagzon
en de held Artigas zich weerspiegelt in je wapperende vlag.
Wanneer de straatmuzikanten de stad omhullen met oeverloze klanken
en de straatstenen nog een laatste, gezellige drukte uitademen.
Wanneer de bejaarde ijsjesventers met schorre stem huiswaarts keren
en het nachtleven langzaam begint te bruisen op het ritme van de rambla.
Dan weet je dat je rustig inslapen kan.
Ook al blijf je dromen, wegdromen naar de overkant,
omdat je heimelijk weet dat de zoete droom van weleer
zich zal blijven herhalen, eindeloos en eindeloos.
Cabo Polonio
Zie ze daar liggen als vadsige koningen,
badend in de vroege ochtendzon.
Naar een verdwaalde reiziger zien ze al lang niet meer om.
Ongestoord en languit op hun dikke buik.
Hun zwemvliezen keurig naast hun lijf.
Voor op de foto net wat te stijf.
Liever huppelend en waggelend,
balancerend op en neer...
Voor de foto mag het wel nog een keer.
Eenmaal haast uitgedroogd
kiezen ze resoluut opnieuw voor het zoute sop.
En ja hoor, ook deze staat erop.
Ik trek er maar op los.
Druk af, zoom in, zoom uit...
Kom toch wat dichter met die snoezige snuit.
Ach het laat hen allemaal koud,
mijn fluisterende woorden en zeemzoeterig gevlei.
Want de status van koning zijn ze al lang voorbij.
| |
Sporen
Een visser leunend op één been,
kijkt moeizaam over zijn schouder heen.
Met ongeloof staart hij me minutenlang aan:
Deze reiziger fietst ongetwijfeld naar de maan...
Ik rij honderd kilometers,
volg de voetsporen in het mulle zand.
Flanerende schoenen zonder veters,
maar met sandalen aan de hand.
In het water joelen kinderen van de pret,
maar worden keer op keer schaakmat gezet
Door opspattende golven
worden ze doornat bedolven.
Ik fiets m´n eigen spoor,
hoor kinderstemmen zingend in koor.
Opslorpend door de wind en de ruisende zee.
Hier heerst nog rust en vree...
|
Kat en muis
Dolfijnen spelen hun eindeloos spel
van kat en muis.
Ach, de vissers ze weten het wel...
Maar wat moeten ze anders thuis?
Ze staan er als soldaten op de wacht,
supergeconcentreerd en uitermate gedisciplineerd.
Het absolute toonbeeld van menselijke macht,
ook al staat er hier en daar eentje verkeerd.
Als de dolfijnen naderen,
stijgt de spanning ten top.
Dan stroomt de adrenaline doorheen hun aderen
en weerklinkt het rumoer hogerop.
Eensklaps verdwijnt elke vorm van discipline.
Vallen ze moeiteloos uit hun rol.
Ontpoppen ze zich als een opgefokte machine
en luiden hun strijdlustige kreten uitermate hol.
Als olympische speerwerpers gooien ze hun netten,
die als geborduurde tafellakens verdwijnen in de zee.
Maar de dolfijnen kennen nu eenmaal hun wetten
en dartel springen ze even verder met de golven mee.
|
Bar San Francisco
Als lijnrechters kijken ze het leven voorbij
hun gegiste roes nooit verweg, maar steeds dichtbij.
Tijdloze figuranten, zonder dialoog
uitzichtloos leven, zonder proloog.
Een tandloze man danst carnavalesk heen en weer
gekscherend en blootvoets, elke avond keer op keer.
Een doorzopen vrouw schuifelt moegeleefd over de klamme vloer
een gracieuze koorddanseres of een ordinaire hoer?
De Braziliaanse ritmes vloeien als vergiftigd bier
doorheen hun troosteloos bestaan.
Terwijl de nacht donkerder kleurt
ondanks het lichtschijnsel van de maan.
Even verderop denderen de vrachtwagens de nacht tegemoet
vastberaden, omdat het nu eenmaal moet.
Alleen in bar San Francisco staat de tijd nog heel even stil
omdat de harten der gebroken liefdes het zo graag hebben wil.
|
Gehurkt verdriet
Gehurkt verdriet
verscholen tussen gerijpt korenveld
niemand die het ziet.
Amper één vierkante meter groot
symbool van het einde
enig aandenken aan de onwezenlijke dood.
Dertien jaar oud
oogappel in volle bloei
levenloos en koud.
Stuwdam van niet te stelpen verdriet
tien jaar later
niemand die het ziet.
|
Verhuizen
We huizen in dozen,
wentelen ons in letters en woorden,
lang geleden zorgvuldig uitgekozen.
We mijmeren weg bij vergeelde brieven,
volgestouwde dozen,
van verloren gewaande lieven.
We nemen afscheid van zoveel dromen,
kijken nog heel even achterom,
laat morgen nu maar komen…
|
Voetsporen
In het spiegelbeeld van de maan,
ontrafel ik de wetmatigheden van mijn bestaan.
De letters van de wet,
ik heb ze naar m'n hand gezet.
Plicht en vroom,
ik heb verloren elke schroom.
Als een zwerver spoor ik op eigen kadans,
de liefde danst nimmer in balans.
Ik stap in de voetsporen van vader,
en denk soms te weinig aan later.
Vader, stuk uit één mens,
je blijft gegrift op die ene lens.
Stuk graniet met zovele facetten,
je leven te klein voor honderden gazetten.
Hoe zou het leven zijn,
mocht je nog in ons midden zijn?
Vele dingen zou je hebben afgekeurd,
misschien zelfs verklaart verbeurd.
Maar toch is er dat ene feit,
ik heb je lief, ook al is je afscheid al jaren een onherroepelijk feit.
|
| | |